Bijlage 2B Raad Bijlagen bestemmingsplan t Veld Geffen - 2022
Tekst van het document
3.2.3 Aanlegfase Naast het toekomstig gebruik is ook de stikstofuitstoot tijdens de aanlegfase van het project van belang. Bij de realisatie van de woningen en de openbare ruimte en de sloop van bestaande bebouwing zijn gedurende korte tijd werktuigen en machines van de bouwer in het plangebied aanwezig. Ook de verkeersbewegingen van de werklieden van en naar de bouwplaats geven een korte toename van stikstof emissie. Van een deel van de machines (handgereedschap, snelbouwkranen, liften) wordt ervan uit gegaan dat deze elektrisch zijn en dus geen stikstofuitstoot veroorzaken. Voor de daadwerkelijke aanleg is nog geen bestek gemaakt. Daarom is er op basis van vergelijkbare projecten en ervaringen elders een zo goed mogelijke raming gemaakt van de activiteiten die zorgen voor stikstofuitstoot tijdens de aanlegfase. In deze berekening is ervan uitgegaan dat de aanlegfase van het project maximaal 4 jaar duurt en dat de verdeling van de verkeersbewegingen en inzet van mobiele werktuigen gelijk wordt verdeeld over de jaren. Uitzondering hierop is de sloop van de bestaande bebouwing. Hiervoor is het uitgangspunt dat alle verkeersbewegingen en inzet van mobiele werktuigen in één jaar plaatsvinden. Mobiele werktuigen Er zijn mobiele werktuigen nodig voor het realiseren van de woonwijk.
Voor het invoeren van de mobiele werktuigen is een inschatting gemaakt van de STAGE klassen van de werktuigen, het brandstofverbruik, het aantal uren dat een werktuig stationair draait en de cilinderinhoud, waarmee de uitstoot NOx en NH3 door AERIUS is bepaald. Het brandstofverbruik is bepaald op basis van een inschatting van het totale aantal draaiuren (belast en stationair) van het werktuig. De uitstoot van de mobiele werktuigen wordt in AERIUS als een vlakbron ingetekend, op de locatie van de werkzaamheden. De overige machines zoals vrachtwagens voor de aan- en afvoer van materieel vallen onder de verkeersbewegingen. Onderstaande tabel toont de ingevoerde mobiele werktuigen. In bijlage 1 is toegelicht hoe tot onderstaande uitgangspunten is gekomen.
Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen
11
Type werktuig Bouw woningen Mobiele graafmachine Dumper Mini graver Hijskraan Ruw terrein heftruck Trilplaat/stamper Betonstorter
Aanleg openbare ruimte Laadschop Ruw terrein heftruck Triplaat
Sloop Graafmachine
STAGE klasse
Brandstofverbruik (l/j)
Draaiuren
AdBlue verbruik
Stage IV 2014-2018, 75-560 kw, diesel, SCR: ja Stage IV 2014-2018, 75-560 kw, diesel, SCR: ja Stage IV 2014-2018, 56-75 kw, diesel, SCR: ja Stage IV 2014-2018, 75-560 kw, diesel, SCR: ja Stage V, >= 2019, <= 56 kW, diesel, SRC: nee Stage V, >= 2019, <= 56 kW, diesel, SRC: nee Stage IV 2014-2018, 75-560 kw, diesel, SCR: ja
3977
223
200
3012
223
151
4865
446
244
3937
112
197
1303
134
-
171
90
-
1582
45
80
Stage V, >= 2019, <= 56 kW, diesel, SRC: nee Stage V, >= 2019, <= 56 kW, diesel, SRC: nee Stage V, >= 2019, <= 56 kW, diesel, SRC: nee
149
20
-
486
50
-
149
15
-
Stage IV 2014-2018, 75-560 kw, diesel, SCR: ja
1783
100
90
Verkeersbewegingen Tijdens de aanlegfase zal er sprake zijn van verkeersbewegingen door de werklieden die met de werkzaamheden bezig zijn. Bij de gemaakte inschatting van het aantal verkeersbewegingen van licht verkeer is er rekening mee gehouden dat werklieden met werkbusjes arriveren, waarbij er meerdere werklieden in één werkbus zitten. Daarnaast zorgen de aan- en afvoer van materiaal en de mobiele werktuigen voor verkeersbewegingen door middelzwaar en zwaar vrachtverkeer. De schatting van de verkeersbewegingen in de aanlegfase is weergegeven in onderstaande tabel. Type verkeer Bouw woningen Licht Middelzwaar Zwaar
Gem. aantal per jaar 6683 490 588
Aanleg openbare ruimte Licht Middelzwaar Zwaar
20 5 30
Sloop Licht Middelzwaar Zwaar
40 0 80
Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen
12
Verkeersbewegingen worden in AERIUS als lijnbronnen weergegeven. Deze lijnbronnen worden ingetekend van de locatie van de werkzaamheden tot het punt waar de verkeersbewegingen opgaan in het algemene verkeer. In dit geval gaan de verkeersbewegingen op in het algemene verkeer op de Heesterseweg op het punt waar het verkeer op snelheid is gekomen.
Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen
13
Hoofdstuk 4
Resultaten berekening
4.1 Bestaand gebruik In het model is de bestaande situatie ingevoerd. Op navolgende uitsnede is de bron weergegeven die van invloed is op de stikstofdepositie in het plangebied in de huidige situatie. Bron 1 betreft de stikstofuitstoot vanwege bemesting van agrarische percelen.
Afbeelding ingevoerde bronnen AERIUS bestaand gebruik Bestaande emissie door bemesting van agrarische percelen. Uit de berekening volgt conform paragraaf 3.2.1 dat door bemesting van de agrarische gronden in de bestaande situatie sprake is van een uitstoot 178,69 kg/j aan NH 3.
Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen
14
4.2 Toekomstig gebruik In het model is de beoogde situatie ingevoerd. Op navolgende uitsnede zijn de bronnen weergegeven die van invloed zijn op de stikstofdepositie van het initiatief. Bron 1 t/m 9 betreft de verkeersbewegingen.
Afbeelding ingevoerde bronnen AERIUS toekomstig gebruik Toekomstige emissie door verkeersbewegingen Uit de berekening volgt dat door het toekomstig aantal verkeersbewegingen (conform paragraaf 3.2.2) de uitstoot van NOx 85,3 kg/j bedraagt en de uitstoot van NH3 bedraagt 5,7 kg/j.
Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen
15
Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen
16
Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen
17
Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen
18
Toekomstige emissie door gebruik woningen Uit de berekening volgt dat door het toekomstig gebruik van de woningen (conform paragraaf 3.2.2) de uitstoot van NOx 469,7 kg/j bedraagt.
Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen
19
Stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden De uitstoot van NOx als gevolg van het toekomstig gebruik zorgt ten opzichte van het bestaande gebruik niet voor een bijdrage hoger dan 0,00 mol/ha/j op Natura 2000-gebieden.
4.3 Aanlegfase Op navolgende uitsnede zijn de bronnen weergegeven die van invloed zijn op de stikstofdepositie van het initiatief tijdens de aanlegfase. Bron 1 en 2 en 5 betreft de mobiele werktuigen en bron 3, 4, 6 en 7 betreft de verkeersbewegingen.
Afbeelding ingevoerde bronnen AERIUS aanlegfase Toename emissies door mobiele werktuigen Uit navolgende tabellen volgt dat door de mobiele werktuigen in de aanlegfase (conform paragraaf 3.2.3) de uitstoot van NOx 242 kg/j bedraagt en de uitstoot van NH3 4,6 kg/j.
Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen
20
Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen
21
Toename emissies door verkeersbewegingen Uit navolgende tabellen volgt dat door de verkeersbewegingen in de aanlegfase (conform paragraaf 3.2.3) de uitstoot van NOx 1,8 kg/j bedraagt en de uitstoot van NH3 0 kg/j.
Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen
22
Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen
23
Stikstofdepositie de Natura 2000-gebieden De uitstoot van NOx en NH3 als gevolg van de mobiele werktuigen en de verkeersbewegingen in de aanlegfase zorgt ten opzichte van het bestaande gebruik niet voor een bijdrage hoger dan 0,00 mol/ha/j op Natura 2000gebieden.
Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen
24
Hoofdstuk 5
Conclusies
De berekening ten behoeve van de Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een aanpassing van de bestemming. Het plan voorziet in het realiseren van een nieuwe woonwijk met circa 310 woningen ten zuidoosten van Geffen. Eindconclusie Als gevolg van de ontwikkelingen in het plangebied waarvoor de berekeningen zijn uitgevoerd neemt de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden zowel in de gebruiksfase als in de aanlegfase niet toe ten opzichte van de stikstofdepositie in de bestaande situatie. Er is dus geen sprake van mogelijke negatieve effecten op beschermde Natura 2000-gebieden. Het aanvragen van een Wnb-vergunning is daarom niet nodig voor dit project.
Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen
25
Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen
26
Bijlagen
Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen
27
Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen
28
Bijlage 1: Toelichting uitgangspunten aanlegfase Onderstaand is toegelicht hoe is gekomen tot de uitgangspunten voor het modelleren van de aanlegfase. STAGE klasse De stageklassen betreffen emissienormen voor mobiele werktuigen en zijn afhankelijk van het bouwjaar en het vermogen van het mobiele werktuig. Bij de emissieberekening op basis van brandstofverbruik per stageklasse, rekent AERIUS met categorieën stageklassen en emissiefactoren die betrekking hebben op dieselmotoren en zijn overgenomen uit het Emissiemodel Mobiele Machines (TNO-rapport 2009). Voor elk werk wordt door een bouwer normaal gesproken een machine ingezet met het laagste vermogen dat werkbaar is voor de uitvoering. Dit omdat machines met een hoger vermogen meer brandstofverbruik hebben. Bij de selectie van het vermogen is dan ook gekozen voor een gemiddeld vermogen passend bij het werk. Voor wat betreft het bouwjaar is gekeken naar de gemiddelde levensduur van de gebruikte werktuigen. Hierbij is aangesloten bij de mediane levensduur (TNO-rapport 2009) van de betreffende werktuigen, afgerond op hele jaren. Het jaar van uitvoering minus de levensduur geeft een goede raming van het gemiddelde bouwjaar van de gebruikte machines. Als de initiatiefnemer heeft aangegeven oudere of nieuwere mobiele werktuigen te gebruiken, is van de door de initiatiefnemer opgegeven bouwjaren uitgegaan.
Brandstofverbruik Om het brandstofgebruik (Diesel) per jaar te schatten is aangesloten bij de formule die is opgenomen in het TNO rapport 2020 R11528. De formule is als volgt: Brandstofverbruik [liters] = 0,245 * arbeid [kWh] + (0,52 + 0,0034 * maximaal vermogen [kW]) * draaiuren [h] AdBlue verbruik Het AdBlue verbruik in liters varieert van 4% tot 6% van het dieselgebruik. In deze berekening is rekening gehouden met een gemiddeld AdBlue verbruik van 5% van het dieselgebruik.
Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen
29
Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen
30
Bijlage 2: AERIUSberekening
Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen
31
Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.
Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via:
www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers
Projectberekening
Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie
Activiteit
Omschrijving Toelichting
Berekening
Buro SRO Oost Heesterseweg, 5386 KT Geffen 't Veld, Geffen 't Veld, Geffen
AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie
Rz6HsbcyZ6tn 23 augustus 2022, 15:08 Wnb-rekengrid
Totale emissie
Rekenjaar 2023 2023
Emissie NH₃ 178,7 kg/j 5,7 kg/j
Emissie NOₓ 554,9 kg/j
Resultaten
Hoogste depositie 2.216,35 mol/ha/j 0,00 ha 1,85 ha 0,00 mol/ha/j 0,01 mol/ha/j
Hexagon 3861668
Gebied Rijntakken
Referentiesituatie - Referentie Toekomstige situatie - Beoogd Referentiesituatie - Referentie Toekomstige situatie - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename van depositie Grootste afname van depositie
Rz6HsbcyZ6tn (23 augustus 2022)
2/8
Projectberekening
Referentiesituatie (Referentie), rekenjaar 2023 Emissiebronnen 1 Landbouw | Landbouwgrond | Bron 1: Bemesting
Rz6HsbcyZ6tn (23 augustus 2022)
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
178,7 kg/j
-
3/8
Projectberekening
Toekomstige situatie (Beoogd), rekenjaar 2023 Emissiebronnen 10 Anders... | Anders... | Stikstofuitstoot woningen Verkeersnetwerk
Rz6HsbcyZ6tn (23 augustus 2022)
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
5,7 kg/j
469,7 kg/j 85,2 kg/j
4/8
Projectberekening
Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
5 km Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald
Grootste afname van depositie Grootste toename van depositie Hoogste totale depositie
De bronnen op de kaart horen bij de Beoogde situatie. Rz6HsbcyZ6tn (23 augustus 2022)
5/8
Projectberekening
Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Toekomstige situatie" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Totaal Per gebied
Berekend (ha Hoogste totale Met toename Grootste Met afname (ha Grootste gekarteerd) depositie (mol (ha gekarteerd) toename (mol gekarteerd) afname (mol N/ha/jr) N/ha/jr) N/ha/jr)
1,85
0,00
0,00
1,85
0,01
Berekend (ha Hoogste totale Met toename Grootste Met afname (ha Grootste gekarteerd) depositie (mol (ha gekarteerd) toename (mol gekarteerd) afname (mol N/ha/jr) N/ha/jr) N/ha/jr)
Rijntakken 1,85 (38)
Rz6HsbcyZ6tn (23 augustus 2022)
2.152,85
2.152,85
0,00
0,00
1,85
0,01
6/8
Projectberekening
Referentiesituatie, Rekenjaar 2023
1 Landbouw | Landbouwgrond Naam Bron 1: Bemesting Uittreedhoogte Wijze van ventilatie Niet geforceerd Warmteinhoud Temporele variatie Meststoffen
Type
Rz6HsbcyZ6tn (23 augustus 2022)
Mestaanwending: dierlijke mest
0,5 m 0,000 MW
NH₃
178,7 kg/j
Stof
NOₓ NH₃
Emissie
0,0 kg/j 178,7 kg/j
7/8
Projectberekening
Toekomstige situatie, Rekenjaar 2023
10 Anders... | Anders... Naam Stikstofuitstoot Uittreedhoogte woningen Warmteinhoud Wijze van ventilatie Niet geforceerd Temporele variatie Continue Emissie
8,0 m 0,000 MW
NOₓ
469,7 kg/j
Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2021.1.1_20220705_74979f573b Database versie 2021.1.1_74979f573b Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/
Rz6HsbcyZ6tn (23 augustus 2022)
8/8
Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen
32
Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen
33
Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen
34
Transect-rapport 3443 Geffen, Zuidoost Gemeente Oss (NB) Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase
Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl
Colofon Titel
Rapportnummer
Geffen, Zuidoost. Gemeente Oss (NB). Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Transect-rapport 3443
Auteur
A.T.L.E. van Bussel, C. Brühl en T. Nales
Versie
Definitieve versie
Datum
29-09-2021
Projectnummer
21030092
Onderzoeksmelding
5080185100
Opdrachtgever
Buro SRO Sweerts de Landasstraat 50 6814 DG Arnhem
Uitvoerder
Transect b.v. Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
Bevoegde overheid
Gemeente Oss
Beheer en plaats documentatie Toetsing rapport bevoegde overheid
Transect b.v., Nieuwegein Mevr. M. Peeters (gemeente Oss)
Status beoordeling
Beoordeeld en goedgekeurd
Omslagafbeelding
Foto van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek (2206-2021).
Autorisatie Naam Drs. T. Nales Senior KNA Prospector
Datum 29-09-2021
Paraaf
ISSN: 2211-7067 © Transect b.v., Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl
Samenvatting In opdracht van Buro SRO heeft Transect b.v. in juni 2021 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd voor het gebied ‘Geffen Zuidoost’ in Geffen (gemeente Oss). Het plangebied heeft een omvang van circa 8,7 ha. De aanleiding van het onderzoek is een bestemmingplanwijziging die bouwwerkzaamheden mogelijk moet maken. Het onderzoek is uitgevoerd in de vorm van een bureauonderzoek (BO) en een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase (IVO-O) door middel van boringen. Het doel van dit onderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting van het plangebied en het toetsen van deze verwachting door middel van waarnemingen in het veld. Aan de hand van onderzoek wordt geprobeerd een antwoord te geven op de volgende onderzoeksvragen: • • • •
Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante bodemniveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? In hoeverre zijn de archeologisch relevante bodemniveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog?
Op grond van het bureauonderzoek ligt het plangebied in een gebied met dekzandwelvingen. Direct ten noorden ervan ligt de Veldsche Waterloop. Tot aan ongeveer de Late-Bronstijd had het plangebied vermoedelijk een goede waterhuishouding. Daarna heeft zich in de omgeving van Geffen vermoedelijk in de lage delen van het landschap veen gevormd. Of het hele landschap daarbij bedekt is geraakt met veen, is onbekend. Veen is in de omgeving van het plangebied tijdens archeologische onderzoeken niet (meer) aangetroffen. Dit kan erop duiden dat nooit veenvorming heeft plaatsgevonden, dan wel dat het veen is afgegraven. Mogelijk waren delen van het landschap met veen begroeid en bevonden zich te midden van het veen droge ‘eilandjes’. Vanwege de onbekendheid met de aan- of afwezigheid van veen in het plangebied geldt voor de periode van veenbedekking (de IJzertijd tot en met de Vroege-Middeleeuwen) in het plangebied een middelhoge archeologische verwachting. Het dekzand is in de omgeving van het plangebied afgedekt met een oud-bouwlanddek of een esdek in de Nieuwe tijd. Hierin komen onder meer pijpenkopjes voor. Het esdek heeft een gemiddelde dikte tussen 50 en 100 cm. Aan de hand van zowel oerbanken en gley-verschijnselen en verspoelde resten is in de omgeving sprake van een afwisselend dekzandlandschap.
Dit afwisselende landschap zal, in vergelijking tot hoger gelegen dekzandruggen in de omgeving niet het meest aantrekkelijke gebied zijn geweest voor bewoning. Bewoning is echter in elk geval in de periode Laat-Paleolithicum tot aan de Bronstijd vermoedelijk wel mogelijk geweest. Dit geldt tevens voor de Late-Middeleeuwen/Nieuwe tijd. Op basis hiervan geldt een middelhoge archeologische verwachting op resten uit deze perioden. Uit de Nieuwe tijd worden met name resten van landgebruik verwacht. Op historische kaarten staat immers geen bebouwing uit deze periode in het plangebied weergegeven. Voor wat betreft de overige perioden kan zowel sprake zijn van bebouwingsresten, als nederzettingsresten of resten van kampementen, sporen van landgebruik, grafvelden en vondstconcentraties. In hoeverre archeologische resten aanwezig kunnen zijn, is verder afhankelijk van de intactheid van de bodem. Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied in een zwak glooiend dekzandgebied gelegen heeft, waarbinnen welvingen en lagere delen zich hebben afgewisseld. Ook blijkt uit de boringen een wisselende mate van intactheid van de ondergrond: zowel in de hogere als in de lagere delen zijn gebieden met inspoelingshorizonten aanwezig, die wijzen op een relatief hoge mate van intactheid van de top van het dekzand.
De horizonten, ook al liggen ze verspreid, geven aan dat ondanks de verploeging er niet zodanig diep geploegd is dat de gehele archeologisch relevante top van het
dekzand verdwenen hoeft te zijn. Ook blijkt uit het onderzoek dat in ieder geval in de lagere delen van het terrein relatief nat zijn geweest. De aanwijzing hiervoor wordt gevormd door de aanwezigheid van een dunne veenlaag, die zich waarschijnlijk vanaf de IJzertijd heeft gevormd. Archeologisch gezien is daarom een onderscheid gemaakt tussen de gereconstrueerde koppen in het terrein en de laagtes binnen het gebied. Aan de hoger gelegen terreindelen wordt voor de periode Neolithicum tot en met de Late-Middeleeuwen een middelhoge archeologische verwachting vastgesteld, dit in navolging van het bureauonderzoek. De hoge ligging van deze koppen, de vondst van een scherf en de intactheid van de top van het dekzand maken dat in deze gebiedsdelen archeologische resten uit de genoemde periode, die zich doorgaans kenmerken door grondsporen, aanwezig kunnen zijn. De ligging van deze koppen/hoge archeologische verwachtingsgebieden zijn weergegeven in bijlage 11. In de lagere gebieden tussen deze koppen is een lage archeologische verwachting toegekend. De kans dat hier resten uit de bovengenoemde periode voorkomen, is minder waarschijnlijk (doch niet volledig uitgesloten, zoals bijvoorbeeld sporen van landgebruik). Voor wat betreft resten uit de periode Paleolithicum-Bronstijd is de verwachting voor wat betreft vindplaatsen met vondstconcentraties naar laag bij te stellen.
Resten uit deze periode kenmerken zich doorgaans door een vondstconcentratie van bewerkt vuursteen, verbrand bot, houtskool en verkoolde nootresten en minder door grondsporen. Deze resten bevinden zich op een intacte, onverploegde top van het dekzand. Dit is in het plangebied amper het geval: lokaal is nog sprake van een intacte top (op de plek van de verteerde veenlagen), maar over het algemeen is de kans dat een vindplaats uit die tijd verploegd is geraakt, groot. Advies Er geldt op basis van onderhavig vooronderzoek in het plangebied een archeologische verwachting op resten uit de periode van het Neolithicum tot en met de Late-Middeleeuwen. Deze verwachting is in een hoge en een lage verwachting onder te verdelen. Het verdient zodoende de aanbeveling in het nieuwe bestemmingplan een waarde archeologie voor het plangebied uit te werken. De zones met de verschillende verwachtingen zijn weergegeven in bijlage 11. Voor de daadwerkelijke ontwikkeling van het plangebied verdient het de aanbeveling om in de zone van de hoge verwachting een inventariserend veldonderzoek, karterende/waarderende fase uit te voeren (in de vorm van een proefsleuvenonderzoek). Dit onderzoek richt zich daarmee op de dekzandwelvingen/koppen in het gebied en de daaraan grenzende flanken om zodoende de archeologische waarde van deze gebieden te bepalen.
De resultaten van dit onderzoek moeten ook indicatief zijn voor de waarde van de rest van het terrein. Het doel van dit onderzoek is om uiteindelijk tot een waardering te komen. Voor een proefsleuvenonderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk waarin de opzet en wijze van onderzoek is vastgesteld. Dit document moet op voorhand van de uitvoering van het onderzoek door de gemeente als bevoegd gezag zijn goedgekeurd. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal het bevoegd gezag (de gemeente Oss) een selectiebesluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.
Inhoud 1.
Aanleiding.............................................................................................................................. 5
2.
Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek ............................................................. 6
3.
Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied ................................................................... 7
4.
Planvorming en consequenties toekomstig gebruik ............................................................. 9
5.
Beleidskader ........................................................................................................................ 10
6.
Landschap, geomorfologie en bodem ................................................................................. 11
7.
Archeologische waarden en onderzoeken .......................................................................... 14
8.
Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen ............................................... 18
9.
Gespecificeerde archeologische verwachting ..................................................................... 27
10.
Resultaten veldonderzoek ................................................................................................... 29
11.
Beantwoording onderzoeksvragen ..................................................................................... 33
12.
Conclusies en advies............................................................................................................ 34
13.
Geraadpleegde bronnen ..................................................................................................... 36
Archeologische periode-indeling voor Nederland .............................................................. 38 Luchtfoto ............................................................................................................................. 39 Waarde- en verwachtingskaart Maasdonk (2010) .............................................................. 40 Geomorfologische kaart ...................................................................................................... 42 Ontgrondingenkaart Provincie Noord-Brabant (2005)........................................................ 43 Maaiveldhoogte (AHN) ........................................................................................................ 44 Bodemkaart ......................................................................................................................... 45 Archeologische waarden en onderzoeken .......................................................................... 46 Boorpuntenkaart ................................................................................................................. 47 Resultatenkaart ................................................................................................................... 48 Verwachtingskaart ..............................................................................................................
49 Foto’s van de boringen ........................................................................................................ 50 Boorbeschrijvingen.............................................................................................................. 51
1. Aanleiding In opdracht van Buro SRO heeft Transect b.v.1 in juni 2021 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd voor het gebied ‘Geffen Zuidoost’ in Geffen (gemeente Oss). Het plangebied heeft een omvang van circa 8,7 ha. De aanleiding van het onderzoek is een bestemmingplanwijziging die bouwwerkzaamheden mogelijk moet maken. Het onderzoek is uitgevoerd in de vorm van een bureauonderzoek (BO) en een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase (IVO-O) door middel van boringen. Het doel van dit onderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting van het plangebied en het toetsen van deze verwachting door middel van waarnemingen in het veld. Het onderzoek is uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1) en het voor het onderzoek opgestelde Plan van Aanpak (Nales, 2021).
1
Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.1, en is gecertificeerd door middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’, ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’, en staat geregistreerd bij het RCE en de SIKB.
5
2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een gecombineerd onderzoek, te weten een archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting. Aan de hand van beschikbare informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik binnen en rondom het plangebied, wordt de kans bepaald dat binnen het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen. Hiervoor is onder andere het centraal Archeologisch Informatiesysteem (Archis3) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geraadpleegd, waarin de Archeologische MonumentenKaart (AMK) en de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) zijn opgenomen. Aanvullende (cultuur)historische informatie is verkregen uit divers voorhanden historisch kaartmateriaal. Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap zijn onder andere de bodemkaart en beschikbaar geologisch-geomorfologisch kaartmateriaal geraadpleegd. Deze gegevens zijn aangevuld met relevante informatie uit achtergrondliteratuur. Het bouwarchief is niet geraadpleegd. Verder is contact opgenomen met de Heemkundewerkgroep ‘Vladerack’ per e-mail op 08-06-2021 (zie www.heemkundegeffen.nl).
Vanuit deze bron is ten tijde van het conceptrapport geen reactie gekomen. Eventuele aanvullende gegevens vanuit deze bron worden in de definitieve rapportversie verwerkt in hoofdstukken 7 en 8. Een volledige lijst met geraadpleegde bronnen is opgenomen in bijlage 13. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar mogelijk bijstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting, door het verzamelen van informatie over de feitelijke bodemopbouw, bodemreliëf en bodemintactheid in het plangebied. Hiermee ontstaat inzicht in de landschapsvormende processen en landschappelijke eenheden uit het verleden. Op basis hiervan kan een oordeel worden gegeven over waar, wanneer en in hoeverre het gebied in het verleden geschikt was voor de mens. Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een booronderzoek (IVO-O). De werkwijze is nader toegelicht in hoofdstuk 10.
Het onderzoek probeert hiermee aan de hand van feitelijke informatie antwoord te geven op de volgende vragen: • Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? • Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante bodemniveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? • In hoeverre zijn de archeologisch relevante bodemniveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? • Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog? Het resultaat van het archeologisch vooronderzoek is dit rapport met een conclusie omtrent het risico dat eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied worden verstoord als gevolg van de voorgenomen plannen. Op basis van dit rapport neemt het bevoegd gezag een beslissing in het kader van de vergunningverlening of planprocedure. Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de – verwachte – aan- of afwezigheid, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocollen 4002 (bureauonderzoek) en 4003 (inventariserend veldonderzoek) van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1).
6
3. Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied Plaats
Geffen
Toponiem
Geffen Zuidoost
Gemeente
Oss
Provincie
Noord-Brabant
Kaartblad
45E
Perceelnummer(s)
GFN00-B-1277 en GFN00-D nummers 315-316, 336-338, 340-341 en 788-789
Centrumcoördinaat
160.978 / 416.685
Oppervlakte
Circa 8,7 ha
Huidig gebruik
Bebouwd erf met tuin en oprit, Brempad, paardenwei, weilanden, akkers, sloten
Binnen het archeologisch onderzoek is onderscheid gemaakt tussen het plangebied en het onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen de bodemingrepen worden uitgevoerd. Het onderzoeksgebied omvat het plangebied en een deel van het direct omringende gebied, in een straal van circa 500 m, dat bij het onderzoek wordt betrokken om tot een beter inzicht te komen in de landschappelijke, archeologische en (cultuur)historische situatie in het plangebied. Het plangebied staat ook wel bekend als ‘Geffen Zuidoost’. Het ligt namelijk aan de zuidoostkant van Geffen (gemeente Oss). Het plangebied grenst direct aan de huidige bebouwde kom. De ligging van het plangebied is te zien in figuur 1 en bijlage 2. Het plangebied heeft een omvang van circa 8,7 ha. Het plangebied omvat een gebied dat al eerder middels een archeologisch bureauonderzoek is onderzocht in 2020 (in hetzelfde onderzoekkader; Hagens en Van der Feest, 2020 / Aeresprojectnummer AM195622). Dit gebied heeft een omvang van circa 5,6 ha en is in figuur 1 en bijlage 2 blauw omkaderd. Aanvullend omvat het plangebied circa 3,1 ha aan de zuidkant van dit gebied. Kadastraal gezien staat het plangebied bekend als perceel GFN00 sectie B nummer 1277 en percelen GFN00 sectie D nummers 31-316, 336-338, 340-341 en 788-789. Aan de west- en zuidkant wordt het plangebied begrensd door de Veldstraat.
Aan de zuidoostkant ligt de Meesterseweg. De noordelijke begrenzing wordt gevormd door een sloot en de kadastrale grens in het verlengde ervan, langs het Brempad. De oostgrens van het plangebied wordt gevormd door de grenzen van de kadastrale percelen. Ten tijde van het archeologische onderzoek is het plangebied grotendeels in gebruik als weilanden. Deze weilanden worden doorkruist door verschillende sloten. Het zuidwestelijke weiland is in gebruik als een paardenwei. De twee meest zuidoostelijk gelegen percelen behelzen verder akkers. Verder ligt aan de westkant van het plangebied de Brempad, die ook een deel van het plangebied doorkruist. Aan de Veldstraat 30, in het westen, bevindt zich verder een woonerf (circa 1600 m2). Dit erf is deels verhard middels klinkerverharding, tegels en grind. Delen van het erf bestaan verder uit tuinen. Op het erf staan een woning en bijgebouwen. De gebouwen hebben binnen het plangebied een omvang van circa 390 m2.
2
Het onderzoek van Aeres is nooit aan de gemeente ter toetsing voorgelegd en hierover is dus ook nooit een besluit genomen (pers. comm. M. Peeters, gemeente Oss, 03-08-2021).
7
Figuur 1. De ligging van het plangebied op een topografische kaart. Onderhavig plangebied omvat zowel het rood omkaderde gebied als het eerder door Aeres onderzochte gebied (bron kaart: www.opentopo.nl).
8
4. Planvorming en consequenties toekomstig gebruik Planvorming
Bestemmingsplanwijziging
Aard bodemverstoringen
Onbekend, vermoedelijk nieuwbouwwerkzaamheden
Verstoringsoppervlakte
Circa 8,7 ha
Verstoringsdiepte
Onbekend
Voor het plangebied wordt een nieuw stedenbouwkundig plan en vervolgens een bestemmingsplan opgesteld. Hoe het plangebied zal worden ingericht, is ten tijde van het archeologisch vooronderzoek nog niet precies bekend. Waarschijnlijk zal voornamelijk woningbouw worden gerealiseerd (en eventueel woon-werkkavels en andere ondergeschikte functies). Gezien nog geen exacte uitspraken te doen zijn over de manier waarop het plangebied wordt ingericht, is niet bekend over welke oppervlakte en tot welke diepte bodemverstorende werkzaamheden plaatsvinden. Er zijn nog geen inrichtingstekeningen beschikbaar.
9
5. Beleidskader Onderzoekskader
Bestemmingsplanwijziging
Beleidskader
Bestemmingsplan ‘Kom Geffen – 2016’ Bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’
Onderzoeksgrens
Groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm -Mv
In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend; ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Met ingang van juli 2016 is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die naar verwachting in 2022 in werking zal treden. Het archeologiebeleid inzake het plangebied is vastgelegd in verschillende bestemmingsplannen: •
Op het Brempad en het deel van het plangebied dat ten westen van het plangebied ligt, is het bestemmingsplan ‘Kom Geffen – 2016’ van toepassing. In dit bestemmingsplan heeft het grootste deel van dit deel van het plangebied een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie verwachtingswaarde hoog’. Alleen het uiterste noordwesten van het plangebied heeft geen archeologische dubbelbestemming.
•
In het overig (oostelijk) deel van het plangebied vigeert het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’. Dit deel van het plangebied heeft volgens dit bestemmingsplan tevens een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie verwachtingswaarde hoog’.
De archeologische dubbelbestemming in de bestemmingsplannen is gebaseerd op de archeologische waarden- en verwachtingskaart van de voormalige gemeente Maasdonk (van Roode, 2010; bijlage 3). Op deze kaart ligt nagenoeg het gehele plangebied in een zone met een archeologische verwachting. De noordwestelijke punt van het plangebied heeft een onbekende archeologische verwachting vanwege de aanwezigheid van bebouwing. Inmiddels is een meer actuele archeologische beleidsadvieskaart vervaardigd voor de gemeente Oss (2016; bijlage 3). Ook op deze kaart heeft het grootste deel van het plangebied een ‘verwachtingswaarde hoog’. De meest noordwestelijke punt van het plangebied ligt in de bebouwde kom en heeft op de kaart een onbekende verwachtingswaarde. In het bestemmingsplan zijn aan de zoneringen van de waarden- en verwachtingskaart planregels verbonden, die voorschrijven wanneer een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. In het geval van een dubbelbestemming Waarde – Archeologie hoge verwachting is een archeologisch onderzoek verplicht bij bodemingrepen vanaf 100 m2, die dieper reiken dan 30 cm -Mv. Vermoedelijk zullen in het plangebied bodemroerende werkzaamheden plaatsvinden met een omvang groter dan 100 m 2 en een diepte groter dan 30 cm -Mv. Onderhavig onderzoek is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging.
Uit het onderzoek moet een specifieke verwachting van het plangebied blijken, om zo de bestemmingswaarde archeologie in het huidige bestemmingsplan te toetsen. Zo kan worden vastgesteld of het noodzakelijk is de dubbelbestemmingswaarde archeologie in het nieuwe bestemmingsplan te behouden dan wel te wijzigen. 10
6. Landschap, geomorfologie en bodem Geologie
Zuid-Nederlands Zandgebied
Geomorfologie
Dekzandwelvingen of golvende dekzandvlakten
Maaiveldhoogte
6,0-5,4 m +NAP
Bodem
Hoge zwarte enkeerdgronden in zwak siltig fijn zand
Grondwatertrap
VII
Landschap Het plangebied ligt in het zuidelijk zandgebied, op de overgang van dekzandgebied naar het Maasdal (ten noorden ervan; Berendsen, 2005). Het natuurlijke landschap zoals dat nu aanwezig is, is grotendeels ontstaan tijdens het Weichselien (circa 116000-11650 jaar geleden). Met name gedurende de koudste perioden van deze laatste ijstijd traden als gevolg van een zeer koud klimaat grootschalige verstuivingen van zand op. Het zand verstoof door sterke winden vanuit de drooggevallen beddingen van beken en rivieren en vanuit het drooggelegen Noordzee-bekken. Er was vanwege het barre klimaat geen vegetatie aanwezig die dergelijke verstuivingen kon voorkomen. Het zand werd als dekzand in een dunne deken op de oude rivierafzettingen afgezet in welvingen en (tegen het einde van het Weichselien) in hoge ruggen (Formatie van Boxtel; De Mulder et al., 2003). De vorming van dekzand vond plaats in verschillende fasen (Van Zijverden en de Moor, 2014; Schokker, 2003). Er is hierin onderscheid te maken tussen Jong Dekzand en Oud Dekzand. Jong Dekzand omvat daarbij zand dat volledig onder invloed van de wind is afgezet in de laatste koude periode van het Weichselien (vanaf circa 20000 jaar geleden). De verstuivingen waren toen zodanig dat dit heeft geleid tot de vorming van enkele zeer grote zuidwest - noordoost georiënteerde dekzandruggen, die dwars door Noord-Brabant lopen.
Het plangebied ligt niet op een dekzandrug, maar op een zuidwest-noordoost georiënteerde band van dekzandwelvingen. Het plangebied grenst daarbij direct aan het Holocene rivierengebied (Botman et al., 2009). Ook op lokaal niveau hebben zich duinen, ruggen en welvingen gevormd. Oud Dekzand is een verzamelnaam voor het lemige tot sterk lemige zand dat in de perioden daarvóór is afgezet. Hoewel het Oud Dekzand hoofdzakelijk onder invloed van de wind tot stand is gekomen, omvat het onder meer ook fluvio-periglaciale afzettingen, (dek)zand dat onder invloed van afstromend water is verplaatst en afgezet. Deze laatste karakteriseren zich veelal als zand- en leemlagen waarbinnen sprake is van verspoeld plantenmateriaal en een slechte sortering van het zand (De Mulder et al., 2003). Vanaf het begin van het Holoceen (vanaf circa 9700 v.Chr.) trad een drastische klimaatsverbetering op. De gemiddelde jaartemperaturen stegen en het werd vochtiger waardoor vegetatiegroei toenam. Hierdoor werd de zandverstuiving aan banden gelegd en trad in de top van het dekzand bodemvorming op (podzolering). In de lagere gebiedsdelen rondom de dekzandkoppen en -ruggen stroomden beken en kon als gevolg van de vernatting veenvorming optreden (Stouthamer et al., 2015; Vos, 2015). Veel van het oorspronkelijke veen in Noord-Brabant is afgegraven ten behoeve van de turfwinning.
Volgens De Bont (1993) en Vos en De Vries (2015) is het landschap in de omgeving van het plangebied omstreeks het begin van de Bronstijd (circa 2000 v.Chr.) dusdanig vernat dat hier veengroei mogelijk is geweest. Leenders en Renes (2004) vermoeden echter dat slechts een gedeelte van het landschap rond Geffen daarbij is overdekt geraakt met veen. In het veengebied waren waarschijnlijk dekzandeilanden aanwezig die niet overveend waren. Op deze hogere delen van het landschap is in de periode van veenvorming mogelijk wel degelijk bewoning mogelijk geweest. De veengroei duurde voort tot aan de ontginningen in de Late-Middeleeuwen. Uit een geologische boring die in het zuiden van de bebouwde kom van Geffen is gezet (circa 600 m ten westen van het 11
plangebied), blijkt dat in de omgeving van het plangebied in elk geval tot en met een diepte van 2,91 m +NAP (2,5 m -Mv) geen veen (meer) is aangetroffen. In een boring ten noorden van de bebouwde kom van Geffen is zelfs tot een diepte van 9,9 m -NAP (15,5 m -Mv) geen veen aanwezig. In beide gevallen komt onder het maaiveld uitsluitend zand voor (bron: www.dinoloket.nl, respectievelijk boring B45E0892 en boring B45E0300). Verder is ook tijdens archeologische onderzoeken in de omgeving van het plangebied – binnen een straal van 500 m – geen veen aangetroffen (zie ook hoofdstuk 7). De ontwatering van de natte gebieden vanaf de Late Middeleeuwen leidde tot een verdroging van de hoger gelegen gronden. Deze verdroging leidde tot een aanpassing in de landbouwstrategie, waarbij door middel van plaggenbemesting en het aanbrengen van potstal de gronden vruchtbaar gehouden moesten worden (Van Doesburg et al., 2007; Berendsen, 2005). Het steken van de heideplaggen had echter een verregaande uitputting van de directe omgeving tot gevolg, waarbij een evenzo toegenomen houtproductie uiteindelijk leidde tot kale vlaktes. Doordat vocht en begroeiing verdwenen waren, had de wind vrij spel en traden opnieuw verstuivingen op, zo ook op de hoger gelegen terreindelen rondom Geffen en Oss. Deze zandverstuivingen leidden in de LateMiddeleeuwen tot het ontstaan van stuifzandgebieden.
Geomorfologie en maaiveldhoogte Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied in een gebied met dekzandwelvingen of golvende dekzandvlakten ‘al dan niet met een oud-bouwlanddek’ (Alterra, 2017, kaartcode 3L5; bijlage 4). Het uiterste westelijke deel van het plangebied is niet gekarteerd vanwege de ligging in de bebouwde kom van Geffen. Vermoedelijk komt op deze plek hetzelfde landschapstype voor (cf. Hagens en Van der Feest, 2020). In de omgeving van het plangebied worden dekzandwelvingen afgewisseld met verspoelde dekzandvlakten (kaartcode 2M9) en landduinen (kaartcode 4L8). Ten zuiden van de kern van Geffen liggen verder vierkante zones die zijn opgehoogd met puin, dan wel zijn afgegraven. Hoewel in de omgeving van het plangebied grote delen van het landschap volgens de Ontgrondingenkaart van de Provincie Noord-Brabant (2005) zijn afgegraven, zijn volgens deze kaart binnen het plangebied tussen 1950 en 1998 geen ontgrondingsvergunning(en) afgegeven (bron: Provincie Noord-Brabant, bijlage 5). Een duidelijk onderscheid tussen de ontgronde gebieden en nietontgronde gebieden is echter op basis van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN, versie 3 3) niet te maken (bron: www.ahn.nl; bijlage 6). De maaiveldhoogte in het plangebied varieert tussen circa 6,0 en 5,4 m +NAP. De maaiveldhoogte in de ontgronde zones varieert tussen circa 5,8 en 5,1 m +NAP.
In het westen van het plangebied bestaan relatief gezien de grootste verschillen in de maaiveldhoogte. Deze verschillen zijn deels te verklaren door ophogingen onder de bestaande bebouwing (in het verlengde van de, eveneens opgehoogde, bebouwde kom). Ten zuiden van deze bebouwing is (klaarblijkelijk) sprake van een verlaagde tuin. Andere hoogteverschillen volgen de taluds van bestaande en gedempte sloten, die op de perceelgrenzenliggen. Verder liggen de akkerbouwterreinen in het zuidoosten en de paardenwei in het zuidwesten enigszins hoger dan de weilanden in het noorden van het plangebied (gemiddeld 6,0-5,9 m +NAP ten opzichte van 5,9-5,5 m +NAP). Het hoogteverschil bedraagt tot circa 50 cm. Het langgerekte akkerperceel in het zuidoosten kan, op basis van de maaiveldhoogteverschillen, worden aangemerkt als ‘bolle akker’: het midden van de akker heeft een gemiddelde hoogte van 6,0 à 5,9 m +NAP, terwijl het maaiveld richting de sloottaluds (van gedempte sloten) aan weerskanten afloopt naar circa 5,8 m +NAP.
3
Dit onderzoek is uitgevoerd ten tijde van het gereedkomen van het AHN, versie 4. Ten tijde van onderhavig onderzoek was echter van het betreffende kaartblad nog geen vernieuwde versie beschikbaar. Er is dan ook gebruik gemaakt van het AHN3.
12
Bodem en grondwater Volgens de bodemkaart is in het hele plangebied sprake van hoge zwarte enkeerdgronden in zwak siltig fijn zand (Alterra, 2015, kaartcode zEZ21; bijlage 7). Dit type gronden bestaat uit zandgronden met een minstens 50 cm dikke humeuze bovenlaag die ontstaan is door ophoging met postalmest. Bij zwarte enkeerdgronden is hierbij vooral gebruik gemaakt van heideplaggen (De Bakker, 1966). De grondwatertrap geeft een indicatie van de maat van conservering van onverbrande organische vondsten zoals hout, leer en bot. Boven de gemiddeld laagste grondwaterstand treden schommelingen in grondwaterstand op, waardoor oxidatie van organische vondsten kan optreden. De grondwatertrap binnen het plangebied is VII. Dit betekent dat zowel de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) als de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) beneden 120 cm -Mv ligt. In de omgeving van het plangebied zijn geen recente grondwaterstandsmetingen bekend waaruit de exacte diepte van de grondwaterstand blijkt (bron: www.dinoloket.nl0. Onverbrande organische vondsten worden op basis van de grondwatertrap binnen 120 cm –Mv niet meer verwacht. Anorganische vondsten zoals (vuur)steen, aardewerk en metaal zouden nog wel aanwezig kunnen zijn binnen 120 cm -Mv.
13
7. Archeologische waarden en onderzoeken Wettelijk beschermde monumenten
Nee
AMK-terreinen
Nee
Archeologische waarden
Onderzoek: ja, waarden: vooralsnog onbekend
Archeologische verwachting Het plangebied staat niet gekarteerd op de huidige gemeentelijke archeologiekaarten van de gemeente Oss (Botman et al., 2009). Op de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Oss (2016) heeft het plangebied grotendeels een archeologische ‘verwachtingswaarde hoog’. Deze verwachting is gebaseerd op de ligging van het plangebied in een gebied met dekzandwelvingen, die vermoedelijk bedekt zijn met een oud-bouwlanddek. Het oud-bouwlanddek kan eventuele archeologische resten in de top van het dekzand hebben behoed van bodemverstoringen. Het plangebied maakt geen deel uit van een Archeologisch Monumententerrein (AMK-terrein). Tevens bevinden zich in het plangebied geen cultuurhistorische of archeologische rijksbeschermde monumenten (bron: Archis3). Bekende archeologische informatie in het plangebied Het noordelijk deel van het plangebied (circa 5,6 van 8,7 ha) heeft in 2020 reeds deel uitgemaakt van een bureauonderzoek (Hagens en Van der Feest, 2020 / Aeres-projectnummer AM19562; onderzoekmeldingsnummer 4769632100). Op basis van dit onderzoek is voor het plangebied een lage archeologische verwachting vastgesteld op steentijdvindplaatsen. Deze verwachting is gebaseerd op de ligging van het plangebied in een overgangsgebied tussen hoge zandgronden en laaggelegen kleigronden in het stroomgebied van de Maas.
Het plangebied zal op basis van deze landschappelijke ligging niet de meest gunstige locatie hebben gevormd voor bewoning. Deze bevinding wordt volgens Hagens en Van der Feest (2020) onderstreept door het gegeven dat tot heden nog geen archeologische resten uit de perioden Laat-Paleolithicum en Mesolithicum in de omgeving zijn gevonden. Uit de periode Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen kunnen volgens Hagens en Van der Feest (2020) wel archeologische resten in het plangebied verwacht worden. Ook in deze periode zullen de relatief laaggelegen dekzandgronden vermoedelijk niet de beste woonlocaties hebben gevormd. Op basis van onderzoeken in de omgeving heeft hier echter wel bewoning plaatsgevonden; in elk geval in de Bronstijd, IJzertijd en de Vroege-Middeleeuwen. Daarom geldt voor de gehele periode van het Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen een middelhoge archeologische verwachting4. Voor de perioden Late-Middeleeuwen/Nieuwe tijd stellen Hagens en Van der Feest (2020) dat sprake is van een lage archeologische verwachting. Historische kaarten uit de 19e-20e eeuw geven geen indicaties dat bebouwing in het plangebied heeft gestaan. Eventueel kunnen uit deze periode wel resten van landgebruik voorkomen. Het bureauonderzoek van Hagens en Van der Feest (2020) is vooralsnog niet gecomplementeerd door een inventariserend veldonderzoek.
Verder hebben in het plangebied, afgezien van dit bureauonderzoek, geen andere archeologische onderzoeken plaatsgevonden. Tevens zijn in het plangebied geen vondstmeldingen gedaan of vondstlocaties bekend. Een informatieverzoek aan de Heemkundewerkgroep ‘Vladerack’ heeft vooralsnog ook geen aanvullende informatie opgeleverd met betrekking tot eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied.
4
Uit een inventarisatie van gegevens in Archis blijkt echter niet dat tijdens archeologische onderzoeken binnen een straal van 500 m rond het plangebied archeologische resten gevonden zijn uit de Bronstijd, IJzertijd en de Vroege-Middeleeuwen. De door Hagens en Van der Feest (2020) genoemde resten zijn vermoedelijk op grotere afstand van het plangebied, binnen het dekzandlandschap van Oss, aangetroffen.
14
Bekende archeologische informatie in de omgeving van het plangebied In de omgeving van het plangebied zijn binnen een straal van 500 m verschillende archeologische onderzoeken bekend. Deze onderzoeken en meldingen zijn hieronder kort geïnventariseerd om tot een meer gerichte archeologische verwachting van het plangebied te komen. Alle onderzoeken en meldingen in de omgeving bevinden zich, net als het plangebied, in een gebied met dekzandwelvingen. Volgens Vos (2015) is daarbij het gebied vanaf circa 1,4 km ten westen tot in het plangebied tussen 2750 en 1500 v.Chr. (tijdens de Vroege-Bronstijd en Midden-Bronstijd-A) met veen overdekt geraakt Het gebied ten oosten van het plangebied (tot circa 2,7 km oostelijk) raakte met veen overdekt in de periode tussen 1500 en 500 v.Chr. (de Midden-Bronstijd-B tot en met de Vroege-IJzertijd). Westen (veen vanaf de Vroege-Bronstijd) In het gebied ten westen van het plangebied bevindt zich onder meer AMK-terrein 16836 ‘Geffen’. Dit AMK-terrein behelst de historische dorpskern van Geffen. Deze bewoningskern gaat volgens de AMK terug tot vóór 1250 na Chr. Met name binnen de contouren van dit AMK-terrein worden archeologische resten van bewoning uit de periode Vroege-Middeleeuwen tot Nieuwe tijd verwacht.
Verder grenst nagenoeg aan het zuidwesten van het plangebied een terrein waarin in 2009 een booronderzoek is uitgevoerd (‘Veldstraat 38’, onderzoekmeldingsnummer 2262308100). Dit terrein heeft een omvang van circa 1300 m2 en ligt op een NAP-hoogte van circa 6,0 m +NAP. Tijdens het booronderzoek is geconstateerd dat sprake is van een (nagenoeg) intacte bodemopbouw. Het dekzand is afgedekt met een esdek dat een dikte heeft (inclusief de moderne bouwvoor) van circa 65-100 cm. De moderne bouwvoor heeft gemiddeld een dikte van 30 cm. In het zuiden van het terrein is onder het esdek nog een restant van een podzol aangetroffen (een B-horizont). In de overige boringen is de podzol vermengd geraakt met het esdek. Op grond van de diepteligging van het dekzand in de intacte boring is echter vastgesteld dat ook in de rest van het onderzochte gebied het dekzand nagenoeg intact is (er zullen van de C-horizont slechts enkele centimeters zijn verdwenen). Vanwege het ontbreken van een podzol worden geen vondstconcentraties meer verwacht, maar er kunnen nog wel grondsporen aanwezig zijn. Het esdek dateert op basis van het vooronderzoek uit de Nieuwe tijd. In het esdek is namelijk een pijpenkopje aangetroffen (Van den Berkmortel, 2010). Circa 675 m ten noordwesten van het plangebied is verder in 2010 een booronderzoek gedaan (onderzoekmeldingsnummer 228659100).
Hier is bovenop het dekzand een ophogingspakket aangetroffen met een dikte tussen 100 en 170 cm. Dit ophogingspakket is vermoedelijk aangelegd ten behoeve van de huidige boerderij. Delen van het pakket zullen, getuige recent materiaal, zijn vergraven tijdens latere bouw- en sloopwerkzaamheden. Gezien de zandbrokken aan de onderkant van het opgebrachte pakket, is het eronder gelegen dekzand vermoedelijk vergraven. Er zijn geen archeologische indicatoren gevonden ouder dan de Nieuwe tijd. Om die reden is geadviseerd het gebied vrij te geven (Van der Zee, 2011). Een ander booronderzoek is uitgevoerd in diverse deelgebieden op 280 m ten noorden (deelgebied 5), 440 m ten noordwesten (deelgebieden 1 en 3) en circa 600 m ten noordwesten (deelgebieden 2 en 4) van onderhavig plangebied (onderzoekmeldingsnummers 2087421100, 2052818100 en 2052801100). Tijdens dit onderzoek is voor het meest dichtstbijzijnde deelgebied (deelgebied 5) geconstateerd dat vrijwel overal sprake is van een intacte B-horizont of een BC-horizont. Boven de podzol bevond zich een donker gekleurd ophogingspakket tot 40 à 60 cm -Mv / circa 5,25-4,26 m +NAP. De B-horizont had een dikte van circa 20 cm. Ook in deelgebied 3 (daarna het dichtstbijzijnd) is in drie boringen nog een BC-horizont gevonden. Deze bevond zich gemiddeld op een diepte van 50 cm -Mv / 5,54 à 4,76 m +NAP.
Deelgebieden 1 en 4 bleken volledig verstoord. Deelgebied 2 was op twee boringen na grotendeels verstoord. Er zijn geen archeologische indicatoren gevonden. Op grond van het ontbreken
15
van indicatoren is (ondanks dat het een verkennend onderzoek betrof) geadviseerd het gebied vrij te geven (Gheysen, 2004). Circa 50 m ten westen van het plangebied is een archeologische begeleiding uitgevoerd ten behoeve van de reconstructie van de Heegterstraat (onderzoekmeldingsnummer 2331855100). Tijdens dit onderzoek is geconstateerd dat geen esdek aanwezig is. Onder een 30 cm dikke bouwvoor ligt een laag gevlekt zand met rupsbandsporen. Vermoedelijk is dit wel een restant van esdek (of in elk geval opgebrachte grond), maar dit is niet meer als zodanig te herkennen. Onder deze vuile laag lag dekzand, waarin ook de Laag van Usselo is aangetroffen (een fossiele podzol, 5-10 cm dik). In de top van het dekzand – op de overgang van de verstoorde laag naar de C-horizont – kwamen ploegsporen voor en zijn esgreppels aangetroffen. Er kwam alleen vondstmateriaal voor in de bouwvoor en de verstoringslaag. Dit materiaal dateerde uit de 20e eeuw en is niet verzameld (Botermans en Van Malssen, 2012). Een ander gravend onderzoek is verricht circa 360 m ten zuidwesten van het plangebied in het tracé van de Runrotstraat (onderzoekmeldingsnummer 2378699100). Dit onderzoek is verricht in het kader van een aan te leggen riool. Tijdens het onderzoek is een verstoorde bovengrond waargenomen met eronder plaatselijk B-C en BC-C profielen.
In het dekzand bevonden zich karrensporen, kuilen, paalgaten, een greppel, een spitspoor en recente verstoringen. De sporen dateren uit de LateMiddeleeuwen/Nieuwe tijd (De Winter, 2013). Verder is circa 450 m ten noorden van het plangebied nog een bureau- en booronderzoek verricht aan de Bredweg 13 (onderzoekmeldingsnummer 2478977100). Op basis van de boringen hebben in het verleden egalisatiewerkzaamheden plaatsgevonden, waarbij de hoger gelegen delen van het oorspronkelijke landschap zijn afgetopt en de lagere delen zijn opgevuld. Plaatselijk zijn nog de oorspronkelijke A- en E-horizonten waargenomen. Op andere plekken is alleen nog van een A-C-profiel sprake. Er zijn geen archeologische indicatoren gevonden. Vanwege de intacte bodemopbouw is geadviseerd in het deel van het onderzochte gebied een vervolgonderzoek uit te voeren (Van der Feest en Hagens, 2015). Circa 530 m ten zuiden van het plangebied, en ten zuiden van de bebouwde kom van Geffen, is in een gebied van circa 2 ha een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd (onderzoekmeldingsnummer 4027436100). Hier bleek in het westen sprake van een A-C-profiel. In het oosten is nog een deel van de oorspronkelijke podzol gevonden. Plaatselijk komen oerbanken voor die duiden op wisselende grondwaterstanden. Door de lemigheid is het dekzand geïnterpreteerd als ‘Oud Dekzand’. Plaatselijk vertoont het dekzand kenmerken van verspoeling.
Boven het dekzand ligt een humeus dek van gemiddeld 50 cm dikte. In het dekzand zijn in totaal 15 grondsporen gevonden. De sporen zijn slecht te dateren vanwege het weinige vondstmateriaal. Verder is ook geen duidelijk samenhangend geheel gevonden. Op basis daarvan zijn de sporen geïnterpreteerd als ‘off-site fenomenen’. Er is geen aanvullend archeologisch onderzoek geadviseerd (Van der Leije, 2017). Verder is circa 200 m ten noorden van het plangebied nog een bureau- en booronderzoek gedaan (onderzoekmeldingsnummer 4867804100). Tijdens het booronderzoek is een bouwvoor gevonden van 20-30 cm dik. Daaronder bevond zich een opgebrachte laag, die reikte tot gemiddeld 30 à 60 cm -Mv. De oorspronkelijke podzol onder de opgebrachte lagen is nog (vrijwel) intact en bestaat uit een Ehorizont vermengd met een Bh-horizont, een Bs-horizont, een BC-horizont en de C-horizont. Er zijn geen archeologische indicatoren gevonden. Op grond van de intacte ondergrond is een vervolgonderzoek geadviseerd (Van der Klooster, 2020). Het proefsleuvenonderzoek heeft recentelijk plaatsgevonden (onderzoekmeldingsnummer 4929737100). Volgens de eerste bevindingen zijn in het oosten en zuidoosten van het gebied recente greppelsystemen gevonden. in dit gedeelte lagen verder ook recente verbrandingsgreppels en -kuilen. In de rest van het gebied lagen geen sporen maar
16
kwamen in de bouwvoor wel recente keramiekfragmenten voor en een musketkogel. Er is geen sprake van een behoudenswaardige archeologische vindplaats (bron: Archis3). Oosten (veen vanaf de Midden-Bronstijd) Circa 100 m ten noordoosten van onderhavig plangebied is een booronderzoek gedaan (onderzoekmeldingsnummer 2294603100). Tijdens dit booronderzoek is een eerdlaag gevonden van 35 tot 70 cm dik. Daaronder bevond zich in een deel van de boringen nog een B- of BC-horizont. In twee boringen (de meest westelijke) zijn zelfs de oorspronkelijke Ah- en E-horizonten gevonden. Het dekzand is geïnterpreteerd als ‘Jong Dekzand’ (eolisch). Lokaal kwamen verstoringen voor die vermoedelijk veroorzaakt zijn door het rooien van een voormalige houtwal. Er zijn geen archeologische indicatoren gevonden. Op basis van de intacte bodemopbouw is geadviseerd een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren (Thijs en Stiekema, 2010). Verder is ongeveer 290 m ten zuidoosten van het plangebied een archeologisch geofysisch onderzoek gedaan (onderzoekmeldingsnummer 2354479100). De rapportage van dit onderzoek is niet raadpleegbaar via Archis3 en DansEasy. Een ander onderzoek is hiervan direct ten westen verricht; circa 200 m ten zuidoosten van onderhavig plangebied (onderzoekmeldingsnummer 2389763100). Dit onderzoek bestond uit een gecombineerd bureau- en booronderzoek.