Bijlage 2A Toelichting - bijlage 21 Heistraat 10 Berghem
Tekst van het document
Hieronder vallen monumentenzorg, archeologie en cultuurhistorische waarden in het landschap. Dat wil zeggen, het behoud en beheer van het monumentale gebouw of object blijft alle aandacht en zorg houden, maar de
Terug naar Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 10, Berghem Pagina 49 / 85
methoden om dit behoud te garanderen zijn in een groter verband geplaatst. Om deze reden is sprake van een ontwikkeling van zorg voor gebouwen naar integraal beheer van cultuurhistorisch erfgoed. De zorg en zorgvuldige omgang met archeologische en landschappelijke waarden speelt hierin mee. Door deze gewijzigde benadering is het van belang in een vroeg stadium van stadsontwikkeling of gebiedsverandering de positie van monumenten en van archeologische en cultuurhistorische landschappelijke waarden zo optimaal mogelijk te bepalen. Positief gevolg hiervan is dat monumenten, archeologische gegevens en landschap meewegen en zo mogelijk het uitgangspunt gaan vormen voor ruimtelijke ontwikkelingen. De bescherming van rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten is geregeld in de Monumentenwet 1988 en in de Monumentenverordening Oss die in 2010 is vastgesteld. In de verordening zijn verbodsbepalingen met betrekking tot beschermde monumenten opgenomen. De beschermde monumenten staan vermeld in de gemeentelijke monumentenlijst. De monumenten zijn tevens opgenomen in de Welstandsnota gemeente Oss. Ze vallen als specifieke objecten onder welstandsniveau 1. De bescherming van monumenten vindt aldus via twee sporen plaats. Voor het bouwen op, bij, aan of in een monument is altijd een omgevingsvergunning nodig. De welstandstoetsing maakt deel uit van de omgevingsvergunningsprocedure.
Wanneer een te verbouwen bouwwerk onder de werking valt van de Monumentenwet 1988 of van een gemeentelijke verordening is, naast een omgevingsvergunning voor het bouwen tevens een ‘monumentenvergunning’ nodig. Beide toetsen verschillen inhoudelijk. De ‘monumentale’ toetsing vindt plaats aan de hand van de redengevende beschrijving die ten grondslag heeft gelegen aan de aanwijzing tot monument. De wijziging aan het bouwwerk wordt beoordeeld binnen het kader van de monumentale en historische waarde ervan zoals vastgelegd in de beschrijving. In de welstandstoetsing wordt het te wijzigen bouwwerk beoordeeld naar redelijke eisen van welstand van het bouwwerk op zichzelf (aan de hand van de in de welstandsnota vastgelegde welstandscriteria) en in relatie tot zijn omgeving. Met betrekking tot dat laatste aspect is in de welstandsnota geregeld dat bij toetsing van een bouwplan aan omliggende panden, binnen een straal van 25 meter van een monument rekening dient te worden gehouden met de uitstraling van het monument. De bescherming van gemeentelijke stads- of dorpsgezichten is eveneens geregeld in de Monumentenverordening 2010. Hierin is opgenomen dat de gemeenteraad ter bescherming van een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan vaststelt. NB.
Hoewel de aspecten archeologie en cultuurhistorie nauwe verwantschap tonen maar (nog) niet volledig onder één noemer te plaatsen zijn, is er hierboven voor gekozen om beide aspecten afzonderlijk van elkaar te beschrijven. Voor wat betreft deze instructie echter, is er voor gekozen om de beide aspecten gebundeld te behandelen. Archeologiebeleid Uit het archeologiebeleid van de gemeente Oss blijkt dat de onderhavige locatie is gelegen in een gebied waar de zogenaamde archeologische verwachtingswaarde middelhoog tot hoog is. We maken dit op uit de advieskaart in dat beleid, waarvan een uitsnede is weergegeven in figuur 3.3.
Terug naar Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 10, Berghem Pagina 50 / 85
3.3
Deze archeologische verwachtingswaarde is van belang bij het uit (laten) voeren van werkzaamheden aan de bodem, dan wel het bouwen van bouwwerken in dit gebied. Daarover zegt het Voorontwerp bestemmingsplan het volgende: Het is, zo nodig in afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald, verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning (aanlegvergunning) van burgemeester en wethouders op en/of in de in dit artikel bedoelde gronden de volgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren over een oppervlakte van 100 m² of meer en dieper dan 0,3 m ten opzichte van het maaiveld. 13
Onderhavig project behelst in dit kader enkel werken en/of werkzaamheden zoals hier bedoeld op verzoek van de gemeente Oss, zoals weergegeven in de anterieure overeenkomst waarin onder meer wordt geëist dat de paddocks worden verplaatst, hetgeen bodemwerkzaamheden met zich meebrengt. Over de concrete archeologische waarden met betrekking tot dit specifieke perceel meer onder het kopje Historische en historisch topografische kaarten. Erfgoedbeleid 2006-2011 In haar Erfgoedbeleid 14 legt de gemeente Oss onder meer uit hoe zij de zorg voor monumenten zo goed mogelijk organiseert. Dit project betreft geen monument, zo blijkt uit de Monumentenlijst van 200915. Het aspect over monumentenzorg in dit beleid is dan ook niet van toepassing. Behalve aandacht voor monumenten beschrijft de beleidsnota ook kort het belang van cultuurhistorische waarden in de gemeente. Met betrekking tot dat aspect kunnen we stellen dat dit plan uitermate goed past binnen het erfgoedbeleid. De voorgenomen landschappelijke elementen ter accentuering van de langgestrekte verkaveling bijvoorbeeld versterken nadrukkelijk de cultuurhistorische waarde van het gebied, zoals beschreven in paragraaf 3.4.1.
13 Voorontwerp bestemmingsplan Buitengebied Oss 2017, artikel 29.2.1. Online geraadpleegd. 14 Erfgoedbeleid Gemeente Oss 2006-2011. Online geraadpleegd. 15 Monumentenlijst Gemeente Oss december 2009. Online geraadpleegd.
Terug naar Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 10, Berghem Pagina 51 / 85
Verordening Ruimte provincie Noord-Brabant Wij verwijzen voor de toetsing van dit project aan de verordening van de provincie op dit gebied graag naar paragraaf 3.3.2. Cultuurhistorische waardenkaart 2010 Wanneer we het adres Heistraat 10 in Berghem opzoeken op de CHW-kaart van de provincie NoordBrabant16, verschijnt de volgende tekst in een pop-up venster: Beschrijving Regio Peelrand is een zwak golvend dekzandlandschap dat als een hoefijzer rond het voormalige veengebied van de Peel ligt. Door het westelijk gedeelte loopt de Peelrandbreuk, die de Centrale Slenk en de Peelhorst van elkaar scheidt. Langs de breuk vindt nog steeds beweging plaats. Aan het aardoppervlak is de breuklijn hier en daar te zien als een trede in het terrein met een hoogteverschil van enkele meters. Langs de breuklijn komt kwel aan de oppervlakte (wijst). Deze natte delen vormen het brongebied van de bovenlopen van de Aa. De oostzijde van de Peelhorst wordt eveneens door een breuk begrensd. Het noordelijke gedeelte van de Peelhorst is een vlak gebied met plaatselijk dekzandruggen en bevat een gradiëntrijke overgang naar de regio Maaskant waar kwel aan de oppervlakte komt. Het westelijke gedeelte van de Peelrand bestaat uit het open beeklandschap van de Aa.De Peelrand is een overwegend oud en gevarieerd zandlandschap met een kralensnoer van agrarische nederzettingen, akkercomplexen, weilanden en bossen.
De oude dorpen liggen in een wijde boog rond het voormalige hoogveengebied. Het oude zandlandschap rond Stiphout met bolle akkers, beemden, hakhoutbosjes en -wallen is een voorbeeld van dergelijke oude ontginningen. Op verschillende plaatsen zijn in de beekdalen restanten van vloeisystemen aangetroffen. De boeren gebruikten de randen van de Peel om hun vee te weiden, om strooisel te winnen voor de potstallen en om, op bescheiden schaal, turf te steken. In de loop van de afgelopen 1000 jaar werd er vanuit deze dorpen steeds verder geknabbeld aan de randen van het veen. Karakteristiek zijn de vele kloostercomplexen, kerken en processieparken. Tussen de oude dorpen en het Peelgebied liggen jonge ontginningen en boscomplexen uit de negentiende en twintigste eeuw. In deze randzone ontstonden nieuwe dorpen als Odiliapeel en Venhorst. Met het in cultuur nemen van deze 'woeste gronden' werd ook de waterhuishouding steeds verder gereguleerd. Bestaande beken werden rechtgetrokken en stroomopwaarts verlengd en er zijn tal van nieuwe waterlopen gegraven. Bij Mill ligt een deel van de Peel-Raamstelling, bestaande uit het Defensiekanaal, inundatieterreinen en diverse kazematten. Het westelijke gedeelte van de Peelrand is na de Tweede Wereldoorlog sterk verstedelijkt. Hier liggen grote plaatsen als Helmond, Deurne, Uden, Oss, Someren, Gemert en Heesch.
Het oostelijk gedeelte van de Peelrand wordt gekenmerkt door kleine dorpen als Schaijk, Mill, Sint Anthonis en Overloon. De infrastructuur wordt hier bepaald door enkele regionale wegen. Cultuurhistorisch belang De Peelrand bestaat uit een ring van middeleeuwse dorpen op enige afstand van het voormalige veengebied van De Peel. Deze oude dorpen worden gekenmerkt door akkercomplexen, schaarse groenlanden en voormalige heidevelden. De heidevelden zijn in de negentiende en twintigste eeuw ontgonnen en grotendeels omgezet in landbouwgrond, waardoor er een waardevol mozaïek is ontstaan van oude en jonge ontginningen. Enkele kastelen, diverse kloosters en de Peel-Raamstelling verlenen het gebied extra cultuurhistorische betekenis. Essentiële aspecten In de regio ligt het volgende cultuurhistorische landschap van provinciaal belang: oud zandlandschap bij Stiphout. Dragende structuren in de regio zijn: - de oude zandontginningen met akkercomplexen, beemden, broekgebieden; - de jonge heideontginningen; - de Zuid-Willemsvaart en het dal van de Aa; - de Peel-Raamstelling met Defensiekanaal; - De kloosters Ontwikkelingsstrategie 1. Behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio;
16 Cultuurhistorische waardenkaart 2010, herziening 2016, online geraadpleegd via http://noordbrabant.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=1dab0b45b3234fffa8090a4bc8ae06f8.
Terug naar Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 10, Berghem Pagina 52 / 85
2. De cultuurhistorische waarden van de Peelrand in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten. Dit geldt in het bijzonder voor het cultuurhistorisch landschap: ”Oud zandlandschap bij Stiphout” (ook deels in gebiedspaspoort Kempen); 3. Het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief (o.a. door afstemming van het gemeentelijk archeologiebeleid) van de archeologische landschappen: “Peelhorst Oost”en “Dekzandeiland Asten-Deurne”; 4. Aandacht voor behoud en herstel van het voor Brabant unieke verschijnsel wijst. Dit kan door bij de inrichting en het beheer in het buitengebied rekening te houden met het aspect wijst en met de zichtbaarheid in het landschap.
Ad 1 kunnen we stellen dat deze strategie niet van toepassing is: de genoemde dragende structuren betreffen niet het perceel aan de Heistraat, dat in deze onderbouwing wordt toegelicht. Ad 2 verwijzen wij graag naar paragraaf 3.4.1 met betrekking tot de versterking en verdere ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden van dit specifieke gebied. Nummer 3 heeft betrekking op de archeologische landschappen Peelhorst en Dekzandeiland AstenDeurne. Onderhavig project valt niet in de genoemde landschappen en dit punt is dan ook niet van toepassing. Ad 4 kunnen we aangeven dat ook deze strategie niet van toepassing is op dit plan. Ter plaatse is geen sprake van wijst dan wel kwel waarmee rekening gehouden zou moeten worden volgens het provinciaal beleid. Historische en historisch topografische kaarten Het perceel dat deze onderbouwing betreft, heeft tot laat in de twintigste eeuw weinig veranderingen meegemaakt, maken we op uit de beschikbare topografische kaarten. Onderstaand een overzicht van de topografische ontwikkeling van het perceel sinds 1900. Deze kaarten, de figuren 3.4 a tot en met d, schetsen een topografisch beeld van de Heistraat 10 en omliggende percelen 1900 tot en met 1975, in tijdssprongen van 25 jaar. In ieder figuur staat het jaartal weergegeven, de blauwe pijlen wijzen het adres dat dit plan betreft aan.
3.4a
3.4b
3.4c
3.4d
Terug naar Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 10, Berghem Pagina 53 / 85
We zien tot en met 1950 nauwelijks topografische wijzigingen op dit adres. Dat verandert wanneer in de jaren zeventig van de twintigste eeuw een boer zich vestigt op het betreffende perceel en stallen bouwt voor zijn varkens. Op de kaart van 1975 zien we zijn beginnende bedrijf: de rode vakjes geven de gebouwen aan. Het varkensbedrijf groeide en dat zien we ook op de topografische kaarten, zoals op figuur 3.5. In 2003 werd het bedrijf gesaneerd: de stalgebouwen gesloopt, de mestkelders verwijderd en de toenmalige perceeleigenaar liet nieuwe grond of zand aanvoeren ter opvulling van het terrein. Eventuele archeologische waarden zijn daarmee teniet gedaan. Wat restte, was een op het woonhuis en een kantoorgebouw na onbebouwd perceel. Dat werd enkele jaren na sanering aangekocht door de familie Voets. Deze verwijderde ook het kantoorgebouw en richtte een nieuw bijgebouw op, dat in gebruik werd genomen als garage annex paardenstal. Figuur 3.6 laat de huidige topografische situatie zien: een flink stuk ‘leger’ dan die van rond 2000. Ook hier geeft de blauwe pijl de onderhavige locatie aan.
3.5
3.6
Hoewel het onderhavige perceel dus een archeologisch aandachtsgebied betreft (zie boven), is de verwachtingswaarde nihil door de in het recente verleden aanvoer van nieuwe grond of zand, die de sanering van het boerenbedrijf tot gevolg heeft gehad. Molenbiotoop Uit ons onderzoek is gebleken dat de dichtstbijzijnde molen is gesitueerd aan de Halve Morgenstraat nummer 1 in Berghem. Dat is op meer dan twee kilometer afstand met nagenoeg het gehele dorp tussen de betreffende locatie en de molen. De molenbiotoop is van belang om de molen te kunnen laten functioneren: obstakels mogen de wind niet uit de molen houden. Dat is hier, gezien onder meer de grote afstand, niet het geval. Het functioneren van de molen komt dus op geen enkele wijze onder druk te staan door dit project. 3.4.5 Verkeer Mobiliteitsvisie, Balans in beweging In de mobiliteitsvisie (2009) staan drie begrippen centraal; bereikbaarheid, verkeersveiligheid en leefbaarheid. Het centrale doel van de mobiliteitsvisie is het in balans brengen van de bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid in de gemeente, nu en in de toekomst. Om deze balans te bereiken streeft de gemeente naar een verschuiving in het gebruik van vervoerswijzen. Een groter deel van de verplaatsingen moet plaats gaan vinden met de fiets of met het openbaar vervoer. Dit is nodig om Oss bereikbaar en leefbaar te houden.
Oss wil de verschuiving bereiken door het gebruik van fiets en openbaar vervoer te stimuleren. Deze vervoerswijzen moeten veilig en comfortabel zijn en men moet snel op de plaats van bestemming kunnen komen. De goede bereikbaarheid is met name gericht op de economisch belangrijke gebieden van Oss. De bedrijventerreinen vallen hieronder. De doorstroming op de wegen naar de bedrijventerreinen (i.c. N329) moet optimaal zijn. Hoewel de bereikbaarheid van de
Terug naar Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 10, Berghem Pagina 54 / 85
economisch belangrijke gebieden voor alle vervoerswijzen goed moet zijn, streeft de gemeente wel naar een verschuiving van vervoerswijze. Korte verplaatsingen moeten bij voorkeur per fiets of te voet afgelegd worden en niet per auto. Voor het vervoer van goederen zal het gebruik van water en spoor verder gestimuleerd worden. In de uitwerkingsfase zullen de doelstellingen uit de visie langs drie lijnen worden uitgewerkt: infrastructuur, gedrag en organisatie. Er heeft inmiddels een uitwerking plaatsgevonden in de deelplannen Wegen, Fiets, Openbaar Vervoer en Gedrag. Onderhavig initiatief leidt niet tot extra verkeersbewegingen. Er is geen reden om aan te nemen dat er door meer mensen gebruik zullen maken van de voorzieningen op het betreffende perceel dan nu het geval is. De voorzieningen zijn niet bestemd voor bedrijfsmatig gebruik (zie paragraaf 4.1.1) maar voor hobbymatig privé-gebruik van initiatiefneemster en zijn daarom niet openbaar toegankelijk. Het aan huis faciliteren van amazone Sanne Voets heeft zelfs tot gevolg dat zij haar sport thuis kan uitoefenen en zichzelf en haar paarden daarvoor niet hoeft te verplaatsen over de openbare weg, het spoor of het water. Parkeren Op 22 augustus 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders de nota “parkeernormen voor woonwijken” vastgesteld.
In deze notitie staat beschreven welke parkeernormen gehanteerd moeten worden bij nieuwe projecten (zowel uitbreidingen als herstructurering). Uitgangspunt voor herontwikkeling is dat het parkeren op eigen terrein dient te worden opgelost. Ten aanzien van dit plangebied gaat het echter niet om een nieuwe situatie maar om het vastleggen van een bestaande situatie (enkele kleine ontwikkelingen daargelaten). Er zijn geen extra parkeervoorzieningen nodig in dit plan. Op het perceel is in de huidige situatie ruimte om bijvoorbeeld de hoefsmid en de veearts te laten parkeren indien nodig. Ook in de beoogde situatie zal er met betrekking tot de paardenhobby geen situatie ontstaan waarin auto’s op de weg moeten parkeren. Zodoende kan ervan worden uitgegaan dat dit plan voldoet aan de wens van de gemeente Oss parkeren zoveel mogelijk op eigen terrein te laten plaatsvinden. Het aspect parkeren is daarom geen belemmering voor dit initiatief. Verkeer: ontsluitingswegen Omdat er redelijkerwijs geen extra verkeersbewegingen te verwachtingen zijn in dit initiatief, is de ontsluiting van dat verkeer niet van toepassing. Het aspect verkeer is dan ook geen beperkende factor voor uw initiatief. 3.4.6 Beleid aan huis gebonden activiteiten Op 22 november 2012 heeft de gemeenteraad het Beleid aan huis gebonden activiteiten - Actualisatie 2012 vastgesteld.
Het beleid voor aan huis gebonden activiteiten is opgesteld om mogelijkheden te bieden aan ondernemen vanuit de eigen woning. Door de jaren heen zijn de activiteiten die aan huis worden ondernomen steeds meer divers geworden. Het gaat allang niet meer alleen om een huisarts of accountant aan huis. Er is een breed scala dat aan huis uitgeoefend kan worden. Voorbeelden zijn een adviesbureau, pedicure of afslanksalon. Ook komen er steeds vaker vragen om kleinschalige cursussen te mogen geven, voor kleinschalige kinderopvang, ambachtelijke bedrijfjes of een bed and breakfast. Met het beleid wordt ingespeeld op de veranderende inzichten over aan huis gebonden activiteiten. Er wordt ruimte gegeven aan deze nieuwe vormen om vanuit de thuissituatie te werken. Het gaat dus altijd om een bewoner die de activiteit uitvoert. Een andere belangrijke voorwaarde is steeds dat de activiteit zich goed verhoudt met de woonomgeving.
Terug naar Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 10, Berghem Pagina 55 / 85
Het beleid aan huis gebonden activiteiten is er op gericht om zoveel mogelijk rechtstreeks toe te staan. Er is een lijst opgesteld met een breed scala aan activiteiten die rechtstreeks mogen worden uitgeoefend in de woning. Deze lijst is als bijlage opgenomen in de toelichting van het bestemmingsplan. Bij het opstellen van de lijst van rechtstreeks toegestane activiteiten is de woonomgeving het uitgangspunt geweest. Dit houdt in dat er geen bedrijven op staan die veel verkeer aantrekken of activiteiten die milieuhinder veroorzaken, die niet past in een woonomgeving. Het oppervlak van de rechtstreeks toegestane activiteiten is 35m2. Maar niet alle activiteiten kunnen rechtstreeks in een woning worden uitgevoerd. Soms is een toetsing vooraf nodig. Als dit positief is, wordt toestemming verleend in de vorm van een ‘omgevingsvergunning waarbij van het bestemmingsplan wordt afgeweken’. Bij deze afweging spelen publieksaantrekkende werking en milieu- en verkeersaspecten altijd een rol. Voorbeelden van activiteiten waarbij een toetsing vooraf nodig is zijn: een groter oppervlak dan het toegestane 35 m2, andere activiteiten dan die in de lijst zijn opgenomen of groepsmatige activiteiten. In het nieuwe beleid worden de mogelijkheden voor dit afwijkend gebruik beschreven.
Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik moet de aanvrager een concrete aanvraag om toestemming bij de gemeente indienen.
Terug naar Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 10, Berghem Pagina 56 / 85
Hoofdstuk 4. Verantwoording Hoofdstuk 4.
Verant
woor#ng
Terug naar Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 10, Berghem Pagina 57 / 85
4.1 Milieu- en omgevingsaspecten In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: - Bedrijven en milieuzonering - Bodem - Externe veiligheid - Geurhinder: agrarisch - Geur: industrieel - Luchtkwaliteit - Mobiliteit en parkeren - Straling - Water - Weg-, spoor-, en industrielawaai - Gezondheid Eerst wordt echter ingegaan op de vraag of er überhaupt sprake is van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer. 4.1.1 Wet milieubeheer Het begrip ‘inrichting’ uit de Wet milieubeheer is een belangrijk begrip in de milieuregelgeving voor bedrijven. Het centraal informatiepunt voor wet- en regelgeving binnen het omgevingsdomein InfoMil zegt daarover het volgende: “Niet alle bedrijven zijn ‘WM-inrichtingen’. Bedrijven die geen WM-inrichting zijn, hoeven niet te voldoen aan het Activiteitenbesluit.
Ook hebben zij geen omgevingsvergunning Milieu nodig.17” InfoMil, dat een onderdeel vormt van Rijkswaterstaat, de uitvoeringsorganisatie van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, legt vervolgens de definitie uit aan de hand van de Wet milieubeheer. Zij stelt: “Een bepaalde activiteit is een WM-inrichting als voldaan is aan twee voorwaarden: 1. De activiteit is een ‘door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid, die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht’; 2. Er moet een categorie uit bijlage I van het Besluit omgevingsrecht (Bor) van toepassing zijn.”18 Onderhavig initiatief voldoet niet aan de voorwaarden om te kunnen worden bestempeld als WMinrichting. Om dat te onderbouwen, verwijzen wij naar de in dit kader veelgebruikte publicatie van het toenmalige ministerie van VROM uit 2002 Het begrip ‘inrichting’ in de Wet milieubeheer19. Hierin wordt uitgebreid ingegaan op de hiervoor genoemde, vage omschrijving van de vereisten voor een WMinrichting. Wat betreft voorwaarde nummer 1 kunnen we deze omschrijving opsplitsen in verschillende aspecten, zoals ook in de VROM-rapportage gebeurt. Hieronder gaan wij daarop in en toetsten per onderdeel onderhavig initiatief aan deze door VROM aangedragen definities.
17 https://www.infomil.nl/onderwerpen/integrale/activiteitenbesluit/begrip-inrichting/ 18 Wet milieubeheer op www.wetten.overheid.nl 19 Het begrip ‘inrichting in de wet milieubeheer
Terug naar Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 10, Berghem Pagina 58 / 85
‘Bedrijsmatige activiteit’ De VROM-publicatie behandelt dit aspect in paragraaf 2.4.2 van dat document. Er staat: “De opbrengst die met het verrichten van de te beoordelen activiteiten wordt behaald, is van belang voor het antwoord op de vraag of sprake is van een bedrijfsmatige activiteit. Een bedrijvigheid is bedrijfsmatig als ‘een zekere hoeveelheid inkomsten’ wordt behaald met het verrichten van de bedrijvigheid. Als de opbrengst een hoofdbron van bestaan vormt, het verrichten van de activiteiten winstgevend is, of als het genereren van winst de intentie is (hierna: winst-criterium), dan wordt geoordeeld dat de bedrijvigheid bedrijfsmatig wordt verricht. Daarnaast is de wijze van exploiteren van belang. Het plaatsen van advertenties op een inschrijving bij de Kamer van Koophandel vormen hiervoor aanwijzingen. Ook kunnen de inkomsten van de bedrijvigheid vergeleken worden met de inkomsten van professionele beoefenaren van de desbetreffende activiteit. [...] Ons inziens is ‘bedrijfsmatig exploiteren’ hetzelfde als het behalen of beogen van winst en gaat het dus steeds om de vraag of met het verrichten van de activiteiten winst wordt beoogd en/of behaald. Woldendorp en Heinen hebben kritiek op het feit dat in (de huidige) jurisprudentie naar het economisch karakter van de activiteit wordt gekeken.
Het begrip inrichting moet volgens hen activiteiten selecteren op grond van een milieuhygiënisch criterium. Bescherming van het milieu is immers het doel van de wet. In de jurisprudentie over het begrip inrichting in de Hinderwet werden activiteiten (meer) geselecteerd op grond van een milieuhygiënisch criterium, omdat als uitgangspunt werd gehanteerd: ‘Vrijwel elk door de mens ondernomen bedrijvigheid, welke binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht en daarbuiten gevaar, schade of hinder van ernstige aard kan veroorzaken (cursivering dzz)’.” Onderhavig initiatief Het huisvesten en trainen van paarden door Sanne Voets is in de huidige en beoogde situatie geen bedrijfsmatige activiteit. De beoogde inkomsten van het houden en trainen van paarden zijn niet de hoofdbron van bestaan, het verrichten van deze activiteiten is niet winstgevend en het genereren van winst is niet de intentie. Wat betreft de wijze van exploitatie betreft kan worden geconstateerd dat er geen advertenties worden geplaatst en er geen inschrijving bij de Kamer van Koophandel bestaat voor initiatiefneemster met betrekking tot het houden en/of trainen van paarden. Wanneer we de inkomsten van de bedrijvigheid vergelijken met inkomsten van professionele beoefenaars van dezelfde activiteiten, zien we dat anderen zich laten betalen voor hun diensten.
Daarmee verdienen zij gemiddeld tussen de €800,- en €1500,- per maand, zo blijkt uit rondvraag en een eenvoudig online onderzoekje 20. Initiatiefneemster krijgt echter niet betaald voor haar werk en genereert daarmee dan ook geen inkomsten. Daarnaast is er geen enkele reden om aan te nemen dat met het houden en trainen van enkele paarden op het perceel van in totaal zo’n 1,7ha gevaar, schade of hinder van ernstige aard kan veroorzaken. Hierbij benadrukken wij de afstanden die in acht worden genomen tussen bijvoorbeeld de rijbaan en de aanwonende buren en openbare weg en tussen de mestopslag en de buren en openbare weg. ‘In omvang alsof zij bedrijfsmatig was’ De VROM-rapportage gaat in paragraaf 2.4.3 zeer concreet in op de situatie waarin beoordeeld wordt wanneer het houden van paarden een voor de wet bedrijfsmatige omvang heeft. Er wordt gesteld dat de meeste uitspraken waarin wordt beoordeeld of activiteiten in een bedrijfsmatige omvang worden verricht, gaan over de vraag of het houden van dieren vergunningplichtig is. “Zowel het soort en het aantal de houden dieren, de wijze van huisvesting van de dieren als de continuïteit van de bedrijvigheden zijn van 20 Bijvoorbeeld: Uitspraak rechter ECLI:NL:RBROT:2013:9828 en Uitspraak rechter ECLI:NL:RBARN:
2011:BU5994 Terug naar Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 10, Berghem Pagina 59 / 85
belang voor het antwoord op de vraag of er sprake is van het houden van dieren in een bedrijfsmatige omvang”. Een voorbeeld wordt aangehaald van een casus waarin continu vijf IJslandse paarden worden gehuisvest, enkele weken per jaar loopt dat aantal op tot maximaal tien. “In de uitspraak wordt niet vermeld op welke wijze de dieren (kunnen) worden gehuisvest, maar waarschijnlijk leidt de Afdeling uit het feit dat in de praktijk slechts vijf paarden aanwezig zijn af, dat de paardenhouderij niet zodanig is ingericht dat hierin meer dan vijf paarden kunnen worden gehouden, zodat geen sprake is van het houden van paarden in een bedrijfsmatige omvang.” Nergens is echter concreet vastgesteld bij hoeveel paarden uitgegaan kan worden van bedrijfsmatige activiteitenomvang. Dat valt wellicht te verklaren door het feit dat ook andere aspecten, zoals de eerder al genoemde wijze van huisvesten en continuïteit van de activiteiten, van belang zijn en de combinatie van die factoren van bepalend belang is voor de vaststelling van activiteiten in bedrijfsmatige omvang. In de praktijk blijkt dat rechters nog meer aspecten gebruiken bij het beoordelen of van bedrijfsmatige omvang sprake is.
Worden de paarden voor eigen gebruik gehouden, worden zij door anderen bereden, vindt er verkoop van de dieren plaats en/of worden er paarden gefokt? Bij mestopslag wordt in de praktijk veelal een hoeveelheid van maximaal 10m3 aangehouden als niet bedrijfsmatig in omvang. Antwoorden op deze vragen zijn van belang geweest bij de beoordeling of het houden van paarden een bedrijfsmatige omvang heeft in verschillende uitspraken van de rechter. 21 Onderhavig initiatief Over de omvang van de activiteiten in dit plan kan gesteld worden dat deze niet als bedrijfsmatig kan worden aangemerkt. Er is sprake van huisvesting van minder dan vijf paarden die enkel voor eigen gebruik worden gehouden en getraind. Er wordt niet met de dieren gefokt en er vindt geen verkoop plaats. Evenmin worden de paarden door anderen bereden en de omvang van de stallingsfaciliteiten is gering. De mestopslag is nooit groter dan 10m3. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat er sprake is van een omvang van bedrijfsmatige aard. Hoewel hiermee is aangetoond dat er aan de eerste twee genoemde aspecten van de vereisten voor de benaming WM-inrichting niet wordt voldaan en onderhavig initiatief dus geen WM-inrichting behelst, gaan we voor de goede orde ook in op de rest van deze definitie-aspecten.
‘Binnen een zekere begrenzing’ De VROM-publicatie is in paragraaf 2.5.2 heel helder op dit gebied: “Een bedrijvigheid wordt ‘binnen een zekere begrenzing’ verricht als zij fysiek kan worden begrensd (hierna: begrenzings-criterium). Als de begrenzing duidelijk aanwezig is, bijvoorbeeld een omheining of hekwerk, dan wordt de bedrijvigheid binnen een zekere begrenzing verricht. De begrenzing hoeft evenwel niet fysiek aanwezig te zijn. Voldoende is dat de bedrijvigheid fysiek kan worden begrensd.” Onderhavig initiatief De activiteiten vinden plaats op een deel van het perceel aan het Heistraat 10 in Berghem. Die ruimte kan fysiek worden begrensd (en dat is voor een deel ook het geval) en voldoet daarmee aan de term ‘binnen een zekere begrenzing’.
21 Uitspraak rechter ECLI:NL:RVS:2003:AL8982;
Uitspraak rechter ECLI:NL:RBOVE:2014:4485; Uitspraak rechter ECLI:NL:RVS:2006:AV5085; 1999011803/2 Oostellingwerf; Uitspraak rechter ECLI:NL:RVS:2006:AV1240; E03.98.0133 Nederweert. Terug naar Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 10, Berghem Pagina 60 / 85
‘Pleegt te worden verricht’ Hierover staat het volgende opgenomen in paragraaf 2.5.3 van de VROM-rapportage: “Naast de fysieke begrenzing moet het gaan om een activiteit die ‘pleegt te worden verricht’. Een bedrijvigheid voldoet aan dit criterium als zij continu, gedurende een langere periode achtereen of met een zekere regelmaat wordt verricht. Bedrijvigheden die incidenteel, of eenmalig en in een kort tijdsbestek kunnen worden afgerond, voldoen niet aan het criterium ‘pleegt te worden verricht’. [...] Een periode van (ongeveer) een half jaar is doorgaans voldoende om te oordelen dat een bedrijvigheid ‘pleegt te worden verricht’.” Onderhavig initiatief Er is sprake van continue activiteiten die gedurende een langere periode achtereen worden verricht. Reeds sinds 2011 is gebruikster Sanne Voets een vaste waarde voor de nationale selectie. Sindsdien is zij zeven jaar op rij opgeroepen om Nederland te vertegenwoordigen tijdens internationale kampioenschappen in de para dressuur. Dat waren achtereenvolgens het EK in Moorsele (2011), de Paralympische Spelen in Londen (2012), het EK in Herning (2013), het WK in Caen (2014), het EK in Deauville (2015), de Paralympische Spelen van Rio de Janeiro (2016) en meest recent het EK in Göteborg (2017). Haar bedoeling is om deze activiteiten voort te zetten tot ten minste de Paralympische Spelen van Tokio in 2020.
Aan de vereiste ‘pleegt te worden getracht’ wordt in onderhavig initiatief dus voldaan. Concluderend Er is in onderhavig initiatief geen sprake van een WM-inrichting. Er wordt namelijk niet voldaan aan de vereisten van bedrijfsmatige activiteiten dan wel activiteiten met een bedrijfsmatige omvang. Wel wordt voldaan aan de omschrijvingen ‘binnen een zekere begrenzing’ en ‘pleegt te worden verricht’, maar dat is onvoldoende om van een WM-inrichting te kunnen spreken indien geen sprake is van een bedrijfsmatige bedrijvigheid of een bedrijvigheid in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was. 4.1.2 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uit te voeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. Onderhavig initiatief Onderhavig initiatief betreft geen WM-inrichting, zoals in paragraaf 4.1.1 uitgebreid onderbouwd.
De richtafstanden met betrekking tot de milieuzonering van bedrijven zijn dan ook niet van toepassing. 4.1.3 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Onderhavig initiatief
Terug naar Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 10, Berghem Pagina 61 / 85
Voor het belang van vaststelling van de bodemkwaliteit zijn de aard en omvang van functiewijziging bepalend. In onderhavig initiatief is nauwelijks sprake van functiewijziging. Een deel van het perceel blijft bestemd om te wonen, een deel blijft agrarisch. Het enige dat verandert, is een specifieke functieomschrijving die wordt toegevoegd aan rijbaan, stap-/trainingsmolen en paddocks, bedoeld voor kleinschalig, hobbymatig gebruik. Zowel aard als omvang zijn dus zeer gering. Het is dan ook niet nodig de kwaliteit van de bodem vast te stellen. Roering in de bodem is enkel van toepassing op het deel waar, op verzoek van de gemeente Oss blijkens de anterieure overeenkomst, de paddocks naartoe verplaatst dienen te worden. Het gaat daarbij om een oppervlakte van 360m2 per paard op een perceel van zo’n 1,7ha. 4.1.4 Externe veiligheid Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: - het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRNVGS) - het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes).
Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/ waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is.
Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de
Terug naar Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 10, Berghem Pagina 62 / 85
Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. Onderhavig initiatief Onderhavig initiatief betreft geen kwetsbare en/of beperkt kwetsbare objecten. Het project is niet gelegen binnen de risicocontouren van inrichtingen, buisleidingen en transportroutes. Het dichtstbijzijnde risico is volgens de risicokaart een bovengrondse propaantank op ruim 1,4km afstand, te weten Gasservice Oss aan de Galliërsweg in Oss. Het is daarom niet van toepassing het groepsrisico te toetsen en er zijn dan ook geen belemmeringen met betrekking tot externe veiligheid. 4.1.5 Geurhinder: agrarisch De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2013”.
Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: - de burger beschermen tegen geurhinder - de veehouderijen niet onnodig beperken - ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woonen leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Onderhavig initiatief Onderhavig initiatief betreft geen veehouderij en dus geen geurgevoelig object. Het woon- en leefklimaat worden door dit project niet aangetast. Het perceel is gelegen in een gebied met een goede achtergrondbelasting 22. Woon- en leefklimaat worden bestempeld als zeer goed, wat inhoudt dat de kans op geurhinder minder dan 5% is23 . Het aspect geur is dan ook geen belemmering voor onderhavig project. 4.1.6 Geur: industrieel Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid.
Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: - als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig;
22 Harmonisatie geurnormen wet geurhinder en veehouderij, gemeente Oss 2017, bijlage 2. Actualisatie
geurhinderkaarten gemeente Oss. Online geraadpleegd. 23 Harmonisatie geurnormen wet geurhinder en veehouderij, gemeente Oss 2017, bijlage 1. Actualisatie
geurgebiedsvisie gemeente Oss 2015. Online geraadpleegd. Terug naar Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 10, Berghem Pagina 63 / 85
-
als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is.
Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing. Onderhavig initiatief Dit project is niet gelegen in de omgeving van industriële bestemmingen waar sprake is van geuruitstoot. De betreffende plannen worden daar dan ook niet door belemmerd. 4.1.7 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht.
In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBMproject is. Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken.
Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de
Terug naar Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 10, Berghem Pagina 64 / 85
context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit. Onderhavig initiatief Dit plan betreft geen NIBM-project: er is geen sprake van betekende mate van aantasting van luchtkwaliteit. Dit aspect is dan ook niet van belemmering voor onderhavig project. 4.1.8 Mobiliteit en parkeren In paragraaf 3.4.5 is uitgebreid ingegaan op dit onderwerp. Onderhavig initiatief Dit aspect is niet van toepassing voor onderhavig initiatief. 4.1.9 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla.
Onderhavig initiatief Dit project is niet gelegen binnen 80 meter van een bovengrondse hoogspanningslijn. De straling van een dergelijke lijn is daarom geen belemmering voor onderhavig initiatief. 4.1.10 Water De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGPR een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte.
Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen. De watertoets is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod.
Terug naar Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 10, Berghem Pagina 65 / 85
Onderhavig initiatief Online werd de digitale watertoets ingevuld. Hieruit blijkt dat in onderhavig project voldoende rekening is gehouden met de waterhuishouding ter plaatse. Het waterschap geeft dan ook de classificatie ‘Geen waterbelang’, wat inhoudt dat de functiewijziging geen relevante wateraspecten kent. De locatie betreft geen 4.1.11 Weg-, spoor- en industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid.
Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen. De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie. Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen.
Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluidsproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. Onderhavig initiatief De paddocks, rijbaan en stap-/trainingsmolen in dit plan zijn geen van allen een geluidgevoelig object. Het gaat hier slechts om faciliteiten waar paarden zich al dan niet vrij kunnen bewegen. Geluid vormt in onderhavig initiatief dan ook geen enkele belemmering. 4.2 Waarden Binnen het plangebied voorkomende waarden op het vlak van natuur, archeologie of cultuurhistorie dienen te worden gerespecteerd en beschermd, mogelijk zelfs bevorderd. Bij ontwikkelingen moet proactief rekening worden gehouden met de aanwezige waarden. Achtereenvolgens komen aan bod: - Archeologie en cultuurhistorie - Natuur
Terug naar Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 10, Berghem Pagina 66 / 85
-
Kwaliteitsverbetering van het landschap
4.2.1 Archeologie en cultuurhistorie Voor dit onderwerp verwijzen wij naar paragraaf 3.4.4, waar dit uitvoerig aan bod is gekomen. 4.2.2 Natuur Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om soortenbescherming en anderzijds om gebiedsbescherming. Beschermde plant- en diersoorten ontlenen hun bescherming onder andere aan opname in de Flora- en faunawet. Deze bescherming moet er toe leiden dat het voortbestaan van de soort niet in gevaar komt. De gebiedsbescherming is verankerd in de Natuurbeschermingswet. Flora- en faunawet De Flora- en faunawet beschermt in het wild levende planten- en diersoorten. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen leiden tot verstoring, aantasting van broedplaatsen en vernietiging van verblijfplaatsen van beschermde soorten. De mate van bescherming hangt samen met de zeldzaamheid en kwetsbaarheid van de soort. Artikel 2 van de Flora- en faunawet houdt een algemene zorgplicht in. Op basis hiervan worden ook niet beschermde soorten zoveel mogelijk ontzien. De Flora- en faunawet hanteert het ‘nee, tenzij’ principe. Activiteiten die mogelijk leiden tot negatieve effecten op beschermde soorten zijn in principe verboden, tenzij maatregelen kunnen worden genomen om dit te voorkomen. In sommige gevallen dient voor een ruimtelijke ontwikkeling een ontheffing bij het ministerie te worden aangevraagd.
Deze ontheffing wordt alleen verleend, als aangetoond wordt dat de voorgenomen ruimtelijke ingreep geen afbreuk zal doen aan de gunstige staat van instandhouding van de beschermde soorten. Onderhavig initiatief In dit project is geen sprake van activiteiten die mogelijk leiden tot negatieve effecten op beschermde soorten. Enkele diersoorten die zijn opgenomen in de Rode Lijst komen voor op het betreffende perceel, zoals de groene specht. Dit initiatief vormt in geen enkel opzicht een bedreiging voor de bestaande flora en fauna ter plaatse. Sterker nog: het houden van enkele paarden trekt zelfs dieren aan. Denk aan de rijke schakering van vogels op de mestopslag en de roofvogels die dat weer aantrekt. De zorgplicht ten aanzien van dieren en planten wordt in acht genomen en de Natuurbeschermingswet, waarin de Flora- en faunawet in 2017 is opgegaan, vormt dan ook geen belemmerende factor voor onderhavig project. 4.2.3 Kwaliteitsverbetering van het landschap In 2010 is de regeling ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’ uit de Verordening ruimte (destijds art. 2.2, nu artikel 3.2) in werking getreden. In het RRO van januari 2013 is het afsprakenkader over de toepassing en uitwerking van deze regeling vastgesteld. In 2014 - 2015 is de regeling geëvalueerd en zijn aanbevelingen opgesteld voor bijstelling van het afsprakenkader.
Toepassingsbereik De notitie toepassingsbereik vormt het basisdocument voor het afsprakenkader van de provincie met de gemeenten in de regio Noordoost. Deze notitie bevat de categorie-indeling voor de niet-planmatige ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied en de bijbehorende tegenprestatie. Voor planmatige ontwikkelingen in het buitengebied is art. 3.2. altijd van toepassing. Deze notitie geeft de minimale inspanning aan die we regionaal hebben afgesproken. Gemeenten hebben alle vrijheid om meer kwaliteitsverbetering te verlangen als ze dat nodig vinden op basis van beleids- of gebiedsambities. Het afsprakenkader is nadrukkelijk geen ruimtelijk afwegingskader.
Terug naar Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 10, Berghem Pagina 67 / 85
Gemeenten moeten zelf beoordelen of een ontwikkeling ruimtelijk gewenst is. Vervolgens kan aan de hand van het afsprakenkader beoordeeld worden waar de kwaliteitsverbetering minimaal aan moet voldoen. Afspraken toepassingsbereik 1. de notitie Toepassingsbereik en met name de verdeling van ruimtelijke ontwikkelingen over de verschillende categorieën is de basis voor het afsprakenkader over toepassingsbereik. 2. bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen is kwaliteitsverbetering altijd van toepassing; 3. bij niet-planmatige ontwikkelingen: tegenprestatie gerelateerd aan impact: • cat. 1 geen impact: geen tegenprestatie • cat. 2 beperkte impact: landschappelijke inpassing • cat. 3 grote impact: berekende kwaliteitsverbetering van het landschap Kwaliteitsverbetering Binnen de regio is geen unaniem beeld over de toepassing van de landschappelijke tegenprestatie die geleverd moet worden. Er wordt ingezet op keuzevrijheid voor de afzonderlijke gemeenten. Afspraken kwaliteitsverbetering 1. Bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen: storting in een landschapsfonds of bijdrage in natura in landschapsversterkend project. 2. Bij niet-planmatige ontwikkelingen zijn gemeenten zelf verantwoordelijk voor de toepassing: in natura (op of nabij de projectlocatie), financiële bijdrage in landschapsfonds of een combinatie van beide. 3.
Bij kwaliteitsverbetering in natura (op of nabij de projectlocatie) bevat het ruimtelijk plan de verantwoording van de kwaliteitsverbetering. 4. De regio kiest niet voor een (sub)regionaal landschapsfonds. Indien gemeenten een grensoverschrijdend landschapsproject willen realiseren, weten zij elkaar te vinden. Methodiek bij niet-planmatige ‘categorie 3’ ontwikkelingen De regio vindt het belangrijk dat er ruimte is voor lokaal maatwerk. Uitgangspunt is een methodiek die uitgaat van een forfaitair bedrag op basis van grondwaardevermeerdering (bestemmingswinst). Afspraken methodiek bij niet-planmatige ‘categorie 3’ ontwikkelingen - berekening van een vorm van forfaitair bedrag gebaseerd op een percentage van de grondwaardeverandering (bestemmingswinst). Dit berekende forfaitair bedrag bepaalt de omvang van de te leveren prestatie; - gedifferentieerd systeem van functies, inspanningen en (grond)waarden; - een minimale basisinspanning voor de kwaliteitsverbetering, gemeenten kunnen een hogere inspanning vragen; - duidelijkheid aan initiatiefnemers bij start planontwikkeling. Basisinspanning De notitie Toepassingsbereik is het vertrekpunt voor bepalen van de basisinspanning die bij de verschillende ruimtelijke ontwikkelingen wordt voorgestaan.
Voor planmatige (stedelijke) ontwikkelingen wordt aangesloten bij de eerdere afspraken voor rood-voor-groenkoppeling bij stedelijke uitbreidingen en het voorstel uit de handreiking. Afspraken basisinspanning Voor niet-planmatige ontwikkelingen in het buitengebied:
Terug naar Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing Heistraat 10, Berghem Pagina 68 / 85
-
categorie 1: geen inspanning; categorie 2: een goede landschappelijke inpassing op basis van een goedgekeurd landschapsplan en borging van uitvoering en beheer; categorie 3: de beschreven forfaitaire methode, waarbij uitgegaan wordt van minimaal 20% van de grondwaardevermeerdering.
Voor planmatige ontwikkelingen in het buitengebied: - Stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied, in zoekgebied voor verstedelijking: Vaste afdracht per m2, te stellen op 1% van de uitgifteprijs; - Infrastructuur: Maatwerk waarbij kwaliteitsverbetering integraal onderdeel is van de gebiedsontwikkeling; - Overige (planmatige) ontwikkelingen zoals windturbines, reclamemasten, zendmasten voor telecommunicatie: Maatwerk aanpak. Maatregelen kwaliteitsverbetering landschap In de evaluatie kwam onduidelijkheid over de maatregelen en kosten die kunnen worden ingebracht voor kwaliteitsverbetering van het landschap naar voren. Om de aanpak voor kwaliteitsverbetering binnen de regio gelijk te schakelen zijn de richtlijnen hieronder kort samengevat. Fysieke maatregelen Op basis van de regeling voor kwaliteitsverbetering landschap uit de Verordening ruimte is voorwaarde dat de kwaliteitsverbetering moet resulteren in fysieke en zichtbare verbetering van het landschap. Investeringen die geen fysieke kwaliteitsverbetering voor het landschap opleveren, zoals milieumaatregelen in de vorm van (asbest)sanering, duurzaamheid en dierenwelzijn, afschrijving economische boekwaarde en aanbrengen van functioneel groen op erf, vallen niet onder het toepassingsbereik van kwaliteitsverbetering landschap.