Bijlage 2A Toelichting - bijlage 18 Parallelstraat 1 Oijen
Tekst van het document
2.1 Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn is geïmplementeerd in de Wet Natuurbescherming, deze wet regelt o.a. de bescherming van Natura 2000 gebieden. In de onderstaande paragraaf wordt dit nader toegelicht. Daarnaast wordt in de daaropvolgende paragraaf het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen EHS) beschreven. Deze maakt geen deel uit van de Wet Natuurbescherming. De bescherming van het NNN verloopt via het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). 2.1.1 Natura 2000 Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit Europees perspectief. Natura 2000 komt voort uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen. 2.1.2 NNN Het Nationaal Natuurnetwerk (NNN) is de opvolger van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het is een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. De provincie is verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Het netwerk helpt te voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde natuurgebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Grote delen van het NNN vallen samen met Natura 2000 gebieden. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. Ruimtelijke plannen van gemeenten moeten hieraan worden getoetst.
Quickscan flora en fauna Parralelstraat 1 Ooijen Bureau van Nierop 2017
4
2.1.3 Uitvoering Gebiedsbescherming Natura 2000 Artikel 1.11 uit de wet natuurbescherming beschrijft het volgende:
1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Voor een Natura 2000 gebied geldt dat ontwikkelingen niet zijn toegestaan als deze de wezenlijke kenmerken of waarden van een gebied aantasten. Plannen die van invloed kunnen zijn op een aanwezen gebied moeten vooraf worden getoetst. Het toetsingskader bestaat uit drie stappen.
- Bij het nemen van beslissingen over plannen moet rekening worden gehouden met de instandhoudingsdoelen uit de Wet ; - Als er te beschermen waarden in het geding kunnen komen, moet er een passende beoordeling worden gemaakt; - Als substantiële schade aan beschermde habitatten te verwachten is, kan slechts bij dwingende reden van openbaar belang én aantoonbare afwezigheid van een alternatief plan tot uitvoering worden overgegaan. In dat geval is compensatie verplicht. Nationaal Natuurnetwerk In of in de nabijheid van een NNN gebied geldt het ‘Nee, tenzij’ principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als die per saldo leiden tot een significante aantasting van de wezenlijk kenmerken en waarden, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte van of samenhang tussen die gebieden. Toestemming kan wel worden gekregen indien er sprake is van groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn en de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, de oppervlakte en de samenhang worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd.
Quickscan flora en fauna Parralelstraat 1 Ooijen Bureau van Nierop 2017
5
2.2 Soortenbescherming De wet natuurbescherming kent drie beschermingsregimes voor soorten. Er is een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en eigen vereisten of ontheffing van de verboden. Alle vogels, in totaal ruim 700 soorten, zijn beschermd. Daarnaast worden ongeveer 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: Er mag alleen worden afgeweken van de bepalingen als er geen alternatieve bevredigende oplossing voor handen is; Er moet sprake zijn van een in de wet genoemd belang. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat de belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid; Tenslotte mag geen afbreuk worden gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van een soort. Als aan alle drie van de vereisten wordt voldaan, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een gedragscode of provinciale vrijstelling.
De verbodsbepalingen voor vogels en habitatrichtlijnsoorten, sluiten vrijwel één op één aan bij de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. De verbodsbepalingen mogen niet overtreden worden, tenzij men een ontheffing kan krijgen (het ‘nee tenzij-principe). De verbodsbepalingen voor beschermde soorten zien op het individu, maar of ontheffing verleend kan worden wordt afgewogen tegen het effect van de ingreep op het populatieniveau van de soort. Een belangrijk onderdeel van de wet natuurbescherming is de zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld, echter kan deze wel door toepassing van bestuursdwang gehandhaafd worden. De formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat, als iemand bepaalde handelingen wil verrichten die gevolgen voor natuurwaarden kunnen hebben er vooraf inzichtelijk moet zijn welke natuurwaarden er aanwezig zijn en wat de gevolgen van de maatregelen op deze waarden zijn. De provincie is het bevoegd gezag voor vrijstelling en ontheffing verlening. In het geval van een omgevingsvergunning plichtige activiteit is voor de gemeente een procedurele rol weggelegd.
In het figuur op de volgende pagina is een stappenplan opgenomen waarin inzichtelijk wordt gemaakt wanneer een ontheffingsaanvraag noodzakelijk is.
Quickscan flora en fauna Parralelstraat 1 Ooijen Bureau van Nierop 2017
6
Afbeelding 1. Stappenplan soortenbescherming
Quickscan flora en fauna Parralelstraat 1 Ooijen Bureau van Nierop 2017
7
2.3 Houtopstanden, hout en houtproducten Hoofdstuk 4 van de Wet Natuurbescherming “Houtopstanden, hout en houtproducten” regelt de bescherming van houtopstanden. Deze wet heeft betrekking op alle buiten de, bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen, van de bebouwde kom. De wet beschrijft dat het verboden is om, een houtopstand van tien are of meer, of een rijbeplanting van 20 bomen of meer, te kappen zonder voorafgaande melding daarvan bij Gedeputeerde Staten. Indien een houtopstand geheel of gedeeltelijk wordt gekapt is de rechthebbende (eigenaar) binnen drie jaar verantwoordelijk voor een op bosbouwkundige herbeplanting van dezelfde grond of minimaal dezelfde oppervlakte. Provinciale staten kunnen bij verordening regels opstellen over de wijze van herplant.
Quickscan flora en fauna Parralelstraat 1 Ooijen Bureau van Nierop 2017
8
Hoofdstuk 3. Onderzoekslocatie 3.1 Beschrijving onderzoekslocatie De onderzoekslocatie (afbeelding 2) is gelegen op het terrein van de waterzuivering in Ooijen. De locatie waarop de loods gerealiseerd gaat worden bestaat op dit moment uit een grasveld/gazon dat ook als zodanig wordt beheerd. Dit betekend dat er regelmatig wordt gemaaid, waardoor er een dichte soortenarme grasmat aanwezig is. Direct tegen de onderzoekslocatie is een landschappelijk element/houtopstand gelegen, met als hoofdboomsoort es en in de struiklaag m.n. zwarte els en braam. Onlangs is er struweel aangeplant tegen deze houtopstand aan. In bijlage 3 zijn een aantal foto’s opgenomen van de onderzoekslocatie. Tijdens het veldbezoek is ook de directe omgeving rondom de onderzoekslocatie beoordeeld.
Afbeelding 2. Ligging onderzoekslocatie
Quickscan flora en fauna Parralelstraat 1 Ooijen Bureau van Nierop 2017
9
3.2 Beschrijving geplande maatregelen De geplande maatregelen bestaan uit de realisatie van een opslagloods op het grasveld/gazon. Om de loods toegankelijk te maken voor voertuigen zal een gedeelte aan de voorzijde van de loods worden verhard, zie ook afbeelding 3. De opslagloods zal landschappelijk worden ingepast door het uitbreiden van het landschappelijke element/houtopstand met voor de aanwezige standplaats geschikte boom- en struiksoorten.
Afbeelding 3. Indruk van de voorgenomen ontwikkelingen
3.3 Ligging ten opzichte van beschermde gebieden De onderzoekslocatie zelf heeft geen status in het kader van de Wet Natuurbescherming (Natura 2000, Vogel- of Habitatrichtlijn). In de directe omgeving, binnen een straal van 3 kilometer zijn ook geen natura 2000 gebieden gelegen. De onderzoekslocatie en het gehele terrein van de waterzuivering is niet gelegen binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Noord-Brabant (NNB), voorheen EHS. Het NNB maakt onderdeel van het NNN. De omliggende bossen vallen wel binnen de begrenzing van het NNB (afbeelding 4). De voorgenomen ontwikkelingen zullen echter niet leiden tot aantasting van de wezenlijk kenmerken en waarden, of leiden tot een vermindering van de oppervlakte van of samenhang tussen die gebieden.
Quickscan flora en fauna Parralelstraat 1 Ooijen Bureau van Nierop 2017
10
Afbeelding 4. Ligging ten opzichte van het NNB
3.4 Houtopstanden hout en houtproducten Omdat er geen bomen of houtopstanden worden gekapt of verwijderd is een toetsing aan hoofdstuk 4 uit de Wet Natuurbescherming “Houtopstanden, hout en houtproducten” niet van toepassing.
Quickscan flora en fauna Parralelstraat 1 Ooijen Bureau van Nierop 2017
11
Hoofdstuk 4. Onderzoeksmethode 4.1 Literatuurstudie en deskresearch Tijdens de literatuurstudie is gebruik gemaakt van gegevens uit verschillende bronnen. De belangrijkste bronnen zijn: verspreidingsatlassen en gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). In bijlage 2 is een lijst opgenomen van beschermde soorten die in de laatste vijf jaar binnen een straal van 5 kilometer van de onderzoekslocatie zijn waargenomen.
4.2 Veldbezoek Op 9 februari 2017, bij 4 °C en bewolkt weer, is een eenmalig veldbezoek afgelegd door Bureau van Nierop aan de onderzoekslocatie. Tijdens het veldbezoek is zoveel mogelijk concrete informatie verzameld met betrekking tot de aanwezigheid van beschermde soorten (zicht- en geluidswaarnemingen, sporenonderzoek, nesten, holen, uitwerpselen, haren etc.). Daarnaast is er gekeken of binnen de onderzoekslocatie of directe omgeving potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn van beschermde soorten.
Hoofdstuk 5. Resultaten onderzoek 5.1 Flora De onderzoekslocatie bestaat uit een soortenarme gesloten grasmat die regelmatig wordt gemaaid. Binnen de onderzoekslocatie zijn geen beschermde soorten aanwezig. De directe omgeving bestaat voornamelijk uit gebouwen en verharding. Ook hier zijn geen beschermde soorten aanwezig. Noordelijk van de onderzoekslocatie is een landschappelijk element/houtopstand gelegen, met daarin een poel. De vegetatie bestaat hier voornamelijk uit opgaand bos met als belangrijkste soorten; es, populier en zwarte els. De struiklaag bestaat voornamelijk uit zwarte els en braam, de kruidlaag is grotendeels afwezig. Er zijn tijden het veldbezoek geen beschermde soorten vastgesteld, waarmee rekening moet worden gehouden.
5.2 Vogels Alle van nature in het wild levend vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn zijn beschermd. Het is verboden om ze opzettelijk te doden of te vangen of om opzettelijk hun nesten, eieren, of rustplaatsen te beschadigen of te vernietigen. Voor een aantal soorten zijn de nesten en hun functionele omgeving zelfs jaarrond beschermd, zie bijlage 1. Tijdens de literatuurstudie kwamen een aantal soorten met jaarrond beschermde nesten naar voren die in de directe omgeving voorkomen, zie bijlage 2. Tijdens het veldbezoek zijn geen jaarrond beschermde nesten vastgesteld. Wel zijn er twee kraaiennesten vastgesteld in het landschappelijke element. Deze worden echter niet beïnvloed door de voorgenomen maatregelen.
5.3 Terrestrische zoogdieren Er zijn geen waarnemingen bekend van beschermde of kwetsbare terrestrische zoogdieren in het plangebied. Uit de directe omgeving zijn waarnemingen bekend van een aantal beschermde zoogdieren waaronder; vos, haas en das (zie ook bijlage 2). Binnen de onderzoekslocatie zijn geen verblijfplaatsen aanwezig van terrestrische zoogdieren, er zijn alleen sporen van konijnen aangetroffen (konijnenschraapjes en uitwerpselen).
Quickscan flora en fauna Parralelstraat 1 Ooijen Bureau van Nierop 2017
12
5.4 Vleermuizen Alle in Nederland voorkomende vleermuizen zijn opgenomen in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en strikt beschermd middels de Wet Natuurbescherming. Er zijn geen waarnemingen bekend van het gebruik van de onderzoekslocatie door vleermuizen. Wel zijn er waarnemingen bekend van een tweetal soorten uit de directe omgeving; gewone dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis. Vanwege het open karakter is het landschap in de directe omgeving niet bijzonder geschikt voor de meeste soorten. Er kunnen echter wel vleermuizen gebruik maken van het gebied om te foerageren zoals bijvoorbeeld, de rosse vleermuis. Binnen de onderzoekslocatie zijn geen verblijfplaatsen aanwezig. Het is mogelijk dat de gebouwen worden gebruikt door vleermuizen als verblijfplaats. Deze worden echter niet beïnvloed door de voorgenomen maatregelen.
5.5 Amfibieën en reptielen De onderzoekslocatie zelf heeft geen functie voor amfibieën, omdat er geen geschikt leefgebied aanwezig is (ontbreken geschikt voorplantingswater en landbiotoop). Er zijn waarnemingen bekend van een aantal amfibieën uit de directe omgeving waaronder de strikt beschermde kamsalamander (wnb Habitatrichtlijn). Er is echter geen geschikte leefgebied voor amfibieën aanwezig in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. De poel is potentieel geschikt, maar lijkt niet van voldoende kwaliteit voor de meeste amfibieën. Daarnaast wordt deze niet beïnvloed door de voorgenomen ontwikkelingen.
5.6 Vlinders en libellen Er zijn geen waarnemingen bekend van beschermde vlinders of libellen op de onderzoekslocatie of de directe omgeving. De onderzoekslocatie zelf is niet geschikt als leefgebied voor beide soortgroepen. Ook de directe omgeving is niet bijzonder geschikt, voornamelijk door het open en grootschalige karakter van het landschap.
5.7 Overige beschermde soorten Er zijn geen waarnemingen bekend van overige beschermde soorten op de onderzoekslocatie of de directe omgeving die gebruik kunnen maken van de onderzoekslocatie. Binnen de onderzoekslocatie of de directe omgeving worden ook geen beschermde of kwetsbare soorten verwacht die kunnen worden beïnvloed door de voorgenomen ontwikkeling.
Quickscan flora en fauna Parralelstraat 1 Ooijen Bureau van Nierop 2017
13
Hoofdstuk 6. Effectenbeoordeling De onderzoekslocatie bestaat uit een monotoon, soortenarm gesloten grasveld dat regelmatig wordt gemaaid, de locatie heeft geen beschermde status. Er zijn geen (potentiële) verblijf- of standplaatsen van beschermde dier- of plantensoorten aanwezig. Ook maakt het geen onderdeel uit van een essentieel leef- of foerageergebied van beschermde soorten. De geplande maatregelen bestaan uit de realisatie van een opslagloods en verharding op de locatie. De opslagloods wordt gebouwd op het terrein van de waterzuivering waar al veel bedrijfsgebouwen aanwezig zijn. Er zijn binnen de onderzoekslocatie geen bomen of houtopstanden aanwezig die worden beschermd volgens hoofdstuk 4 van de Wet Natuurbescherming.
Hoofdstuk 7. Conclusie en aanbeveling De geplande maatregelen kunnen worden uitgevoerd zonder een overtreding van de verbodsartikelen uit de Wet Natuurbescherming.
Quickscan flora en fauna Parralelstraat 1 Ooijen Bureau van Nierop 2017
14
Bijlage 1 Jaarrond beschermde vogels Door het ministerie van LNV (nu: Economische Zaken) is een lijst opgesteld waarin een aantal in Nederland kwetsbare vogelsoorten zijn opgenomen, waarvan de nesten het hele jaar zijn beschermd. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in vijf categorieën. De nesten in categorie 1 t/m 4 zijn het hele jaar door beschermd. Voor categorie 5 geldt dat de nesten alleen tijdens de broedperiode zijn beschermd. Hierbij geldt echter dat bij zwaarwegende ecologische omstandigheden ook nesten van categorie 5 soorten jaarrond beschermd kunnen zijn. Hieronder zijn de soorten uit categorie 1 t/m 4 weergegeven. - Boomvalk (Falco subbuteo) - Buizerd (Buteo buteo) - Gierzwaluw (Apus apus) - Grote gele kwikstaart (Motacilla cincerea) - Havik (Accipiter gentilis) - Huismus (Passer domesticus) - Kerkuil (Tyto alba) - Oehoe (Bubo bubo) - Ooievaar (Ciconia ciconia) - Ransuil (Asio otus) - Roek (Corvus frugilegus) - Slechtvalk (Falco peregrinus) - Sperwer (Accipiter nisus) - Steenuil (Athene noctua) - Wespendief (Pernis apivorus) - Zwarte wouw (Milvus migrans).
Quickscan flora en fauna Parralelstraat 1 Ooijen Bureau van Nierop 2017
15
Bijlage 2 Gegevens NDFF © NDFF - quickscanhulp.nl 13-2-2017
Quickscan flora en fauna Parralelstraat 1 Ooijen Bureau van Nierop 2017
16
Bijlage 3 Foto’s onderzoekslocatie
Weergave onderzoekslocatie
Weergave onderzoekslocatie
Quickscan flora en fauna Parralelstraat 1 Ooijen Bureau van Nierop 2017
17
Type schuur dat wordt gebouwd
Quickscan flora en fauna Parralelstraat 1 Ooijen Bureau van Nierop 2017
18
Bodeminformatie De volgende informatiebronnen zijn voor de locatie en de aangrenzende percelen (binnen een straal van 25 meter vanaf de locatie) doorzocht: – het Bodem Informatie Systeem (BIS). Het BIS van de gemeente Oss is gevuld met de, bij de gemeente bekend zijnde, onderzoeken die uitgevoerd zijn, o.a. verkennend bodemonderzoeken, nadere onderzoeken en evaluaties van uitgevoerde saneringen. – het gemeentelijke tankenbestand. Dit bestand bevat alle bij de gemeente bekend zijnde tanksaneringen. Dit bestand is onder andere tot stand gekomen op basis van vrijwilligheid en mogelijk daardoor niet volledig. – het Historische Bodem Bestand (HBB). Het HBB is een samenwerkingsproject van ReGister Historisch Onderzoeksbureau en Arcadis en bevat op basis van historische (bedrijfs-) activiteiten gegevens van potentieel verontreinigde locaties. De gegevens zijn verwerkt in een Access database. Voor een deel van alle potentieel verontreinigde locaties is nader historisch onderzoek uitgevoerd. De rapporten hiervan zijn in pdf beschikbaar. – het Bodemloket. De gegevens uit bodemloket zijn afkomstig van de website www.bodemloket.nl, Deze site wordt door de provincie Noord-Brabant onderhouden. Het bodemloket bevat informatie over toekomstige en uitgevoerde bodemonderzoeken en bodemsaneringen en tevens informatie over mogelijk bodembelastende (bedrijfs-) activiteiten in het verleden.
– Bodembelastingkaart Conventionele Explosieven; – Archeologische beleidsadvieskaart. Hieronder vindt u per thema de gevonden informatie. Indien voor een thema geen informatie wordt vermeld, dan betekent dit dat de geraadpleegde bron op dit moment geen informatie bevat over de doorzochte locatie. Locatie: Kadastrale gegevens:
Parallelstraat 1, Oijen (RWZI) gem. Oss OEN00E375, OEN00E139, OEN00E140
Bodem informatiesysteem:
-
Parallelstraat 1: Door Afvalwater Services Biochem is in 1999 een historisch bodemonderzoek gedaan (NVN 5725) waaruit blijkt dat het vermoeden dat op locatie een ernstige bodemverontreiniging aanwezig is verworpen kan worden (kenm. NB/320/0024).
* Streefwaarde (Sw)/Achtergrondwaarde (Aw): De achtergrondwaarden (grond) en streefwaarden (grondwater en tot 2009 voor grond) zijn verbonden aan de risicogrenzen voor mens en ecosysteem. Ze geven het niveau aan waarbij sprake is van duurzame en goede bodemkwaliteit. Indien de aangetroffen concentraties de achtergrond- of streefwaarden niet overschrijden wordt de bodem beschouwd als niet verontreinigd. ** Tussenwaarde (Tw): De tussenwaarde is de helft van de som van de achtergrond- of streefwaarde en de interventiewaarde. Bij overschrijding van de tussenwaarde bestaat er in principe een noodzaak tot aanvullend onderzoek en wordt de bodem beschouwd als matig verontreinigd. Liggen de gemeten concentraties boven de achtergrond- of streefwaarde maar beneden de tussenwaarde dan wordt de bodem beschouwd als licht verontreinigd. *** Interventiewaarde (Iw): De interventiewaarden geven het concentratieniveau aan waarboven ernstige of dreigende vermindering optreedt van de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens en ecosysteem. Afhankelijk van de omvang kan er bij concentraties boven de interventiewaarde sprake zijn van een saneringsnoodzaak. Bij overschrijdingen van de interventiewaarde wordt de bodem beschouwd als sterk verontreinigd.
In 2011 is door Witteveen & Bos een grondwater monitoring afgerond die zei in opdracht van waterschap Aa en Maas hebben uitgevoerd tussen 2006 en 2010 (kenm. OIJE3-3/posm/006). Dit is geen verplichting op basis van de Wm vergunning maar het is het beleid van het waterschap periodiek het grondwater van alle RWZI’s te monitoren. In het grondwater zijn concentraties gevonden van Naftaleen en Barium groter dan de Streefwaarde (Sw*) maar kleiner dan de Tussenwaarde (Tw**). -
Parallelstraat 3: Dit perceel (OEN00E374) wordt omgeven door het gevraagde locatie en percelen. In 2006 is door NIPA Milieutechniek een verkennend bodemonderzoek gedaan (NEN 5740) voor de aanvraag van een bouwvergunning (kenm. 06.8654) van een bedrijfshal voor BioEnergie Maasland voor de winning van energie uit mest. Uit dit onderzoek blijkt niet dat er op de locatie een ondergronds opslagtank aanwezig is of is geweest of dat hiermee een calamiteit heeft plaatsgevonden die mogelijk bodembedreigend kan zijn. De locatie is altijd agrarisch gebied geweest voordat de zuiveringsinstallatie (RWZI) er gevestigd werd. Er zijn in de grond verhoogde concentraties aan chroom, zink en Nikkel gevonden groter dan de Achtergrondwaarde (Aw*) maar kleiner dan de Tussenwaarde (Tw**). De verhoogde waardes kunnen van nature in kleiige grond voorkomen blijkt uit het rapport.
-
Hemelrijkse Waard te Lith: Ten westen van de gevraagde locatie is de Hemelrijkse Waard gelegen. Hier is in 2005 door Gontmij een verkennend onderzoek voor waterbodems uitgevoerd (NVN 5720) naar aanleiding van een voorgenomen kleiwinning en de herinrichting ten behoeven van natuurontwikkeling. De waterbodem is zowel zintuigelijk als analytisch onderzocht. Zintuigelijk zijn in de bovengrond geen bijzonderheden waargenomen. In de ondergrond zijn slibresten waargenomen. Het grondwater is niet onderzocht. Analytisch is de roofgrond (0 – 0,35 m-mv) aangemerkt als klasse 2 en voldoet daarmee aan de toetsingswaarde maar niet aan de grenswaarde. De klasse bepalende stoffen zijn hier zink, cadmium, koper, PAK, HCH en hexachloorbenzeen. De kleitussenlaag (0,25 – 0,9 m-mv) is als klasse 2 aangemerkt en voldoet hiermee aan de toetsingswaarde maar niet aan de grenswaarde. De klasse bepalende stoffen zijn hier nikkel, HCH, PCB en hexachloorbenzeen. De ondergrond (2,3 – 5 m-mv) als klasse 0 en voldoet daarmee aan de streefwaarde. Het grondwater is niet onderzocht.
Tankenbestand:
geen info
Historisch bodem bestand:
geen info
Bodemloket: Op de provinciale inventarisatielijst bodem hebben de volgende locaties een vermelding. -
Parallelstraat 1, locatie ID NB080800024
Voor meer uitgebreide informatie over de status van dit perceel wordt verwezen naar www.bodemloket.nl Niet gesprongen explosieven: Op grond van het door AVG in 2016 uitgevoerde vooronderzoek kan worden geconcludeerd dat de locatie niet verdacht is voor wat betreft de aanwezigheid van conventionele explosieven.
* Streefwaarde (Sw)/Achtergrondwaarde (Aw): De achtergrondwaarden (grond) en streefwaarden (grondwater en tot 2009 voor grond) zijn verbonden aan de risicogrenzen voor mens en ecosysteem. Ze geven het niveau aan waarbij sprake is van duurzame en goede bodemkwaliteit. Indien de aangetroffen concentraties de achtergrond- of streefwaarden niet overschrijden wordt de bodem beschouwd als niet verontreinigd. ** Tussenwaarde (Tw): De tussenwaarde is de helft van de som van de achtergrond- of streefwaarde en de interventiewaarde. Bij overschrijding van de tussenwaarde bestaat er in principe een noodzaak tot aanvullend onderzoek en wordt de bodem beschouwd als matig verontreinigd. Liggen de gemeten concentraties boven de achtergrond- of streefwaarde maar beneden de tussenwaarde dan wordt de bodem beschouwd als licht verontreinigd. *** Interventiewaarde (Iw): De interventiewaarden geven het concentratieniveau aan waarboven ernstige of dreigende vermindering optreedt van de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens en ecosysteem. Afhankelijk van de omvang kan er bij concentraties boven de interventiewaarde sprake zijn van een saneringsnoodzaak. Bij overschrijdingen van de interventiewaarde wordt de bodem beschouwd als sterk verontreinigd.
Archeologie:
Het noordoostelijke deel van de locatie (geel) maakt deel uit van een gebied met waarbij de archeologische verwachtingswaarde laag is. Het westelijk en zuidelijk deel van het perceel (oranje) maakt deel uit van een gebied waarbij de archeologische verwachtingswaarde middelhoog is. Het zuidwestelijke deel van het perceel (rood) maakt deel uit van een gebied waarbij de archeologische verwachtingswaarde hoog is. Ten westen van de locatie (groen) is de grond al onderzocht.
Aan de verstrekte gegevens kunnen geen rechten worden ontleend.
* Streefwaarde (Sw)/Achtergrondwaarde (Aw): De achtergrondwaarden (grond) en streefwaarden (grondwater en tot 2009 voor grond) zijn verbonden aan de risicogrenzen voor mens en ecosysteem. Ze geven het niveau aan waarbij sprake is van duurzame en goede bodemkwaliteit. Indien de aangetroffen concentraties de achtergrond- of streefwaarden niet overschrijden wordt de bodem beschouwd als niet verontreinigd. ** Tussenwaarde (Tw): De tussenwaarde is de helft van de som van de achtergrond- of streefwaarde en de interventiewaarde. Bij overschrijding van de tussenwaarde bestaat er in principe een noodzaak tot aanvullend onderzoek en wordt de bodem beschouwd als matig verontreinigd. Liggen de gemeten concentraties boven de achtergrond- of streefwaarde maar beneden de tussenwaarde dan wordt de bodem beschouwd als licht verontreinigd. *** Interventiewaarde (Iw): De interventiewaarden geven het concentratieniveau aan waarboven ernstige of dreigende vermindering optreedt van de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens en ecosysteem. Afhankelijk van de omvang kan er bij concentraties boven de interventiewaarde sprake zijn van een saneringsnoodzaak. Bij overschrijdingen van de interventiewaarde wordt de bodem beschouwd als sterk verontreinigd.
Landschappelijk inpassingsplan Bouw loods aan de Parallelstraat 1 te Oijen
Locatie:
Gemeente Oss
Datum:
12 juni 2017
Status:
Definitief
Project:
2318
Opdrachtgever:
Reef B.V.
Ingenieursbureau van Nierop: Landschappelijk inpassingsplan Parallelstraat 1 Oijen
VOORWOORD Door Reef B.V. is aan Bureau van Nierop gevraagd een landschappelijk inpassingsplan op te stellen in verband met de voorgenomen bouw van een opslagloods/schuur op het perceel Oijen E 375. Het perceel is gelegen aan de Parallelstraat 1 te Ooijen en is eigendom van het Waterschap Aa en Maas. Op het terrein is een waterzuiveringsinstallatie aanwezig. Dit plan beschrijft de inpassing van de voorgenomen realisatie in het landschap. Uitgangspunten voor de inpassing in het landschap zijn het soort landschap, de ligging in het landschap, ecologie en de abiotische factoren. Het rapport werd opgesteld door Luuk Pruijsten, de eindredactie werd gedaan door Leon van Nierop. Riethoven, 12 juni 2017
Ingenieursbureau van Nierop: Landschappelijk inpassingsplan Parallelstraat 1 Oijen
INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING ............................................................................................................................................... 4 1.1 AANLEIDING ............................................................................................................................................... 4 1.2 BESCHRIJVING PLANGEBIED EN OMGEVING ....................................................................................................... 4 2 LANDSCHAPPELIJKE CONTEXT ................................................................................................................. 5 2.1 HISTORIE ................................................................................................................................................... 5 2.2 ABIOTISCHE FACTOREN.................................................................................................................................. 6 2.2.1 Bodem ............................................................................................................................................ 6 2.2.2 Geomorfologie ............................................................................................................................... 7 2.2.3 Hoogtekaart ...................................................................................................................................
8 2.3 CONCLUSIES LANDSCHAPPELIJKE CONTEXT ......................................................................................................... 8 3. VOORGENOMEN ONTWIKKELING .......................................................................................................... 9 4. LANDSCHAPPELIJK INPASSING ............................................................................................................. 11 4.1 VOORGESTELDE INPASSING.......................................................................................................................... 11 4.2 SOORTEN EN AANTALLEN BEPLANTING ........................................................................................................... 13
FIGUREN Figuur 1 Ligging plangebied ............................................................................................................. 4 Figuur 2 Kaart 1900 .......................................................................................................................... 5 Figuur 3 Bodem ................................................................................................................................ 6 Figuur 4 Geomorfologie .................................................................................................................... 7 Figuur 5 Hoogte ................................................................................................................................ 8 Figuur 6 Voorgenomen ontwikkeling ................................................................................................ 9 Figuur 7 Type loods dat wordt gebouwd ......................................................................................... 10 Figuur 8 Zichtlijnen .......................................................................................................................... 11 Figuur 9 huidige situatie en voorgestelde landschappelijke inpassing ........................................... 12
Ingenieursbureau van Nierop: Landschappelijk inpassingsplan Parallelstraat 1 Oijen
[4]
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding Waterschap Aa en Maas is voornemens om op het perceel Parallelstraat 1 te Oijen een extra loods/veldschuur te bouwen. De gemeente Oss biedt in principe deze mogelijkheid en heeft planologische medewerking toegezegd aan dit plan (Kenmerk 2924464). De ontwikkeling past in het gemeentelijk en provinciaal beleid. Een van de onderdelen van dit plan is een landschappelijk inpassingsplan, waarin is uitgewerkt op welke wijze de geplande ontwikkelingen in het landschap worden verwerkt.
1.2 Beschrijving plangebied en omgeving Het plangebied is gelegen op perceel Oijen E 375 aan de Parallelstraat 1 te Ooijen in de Gemeente Oss, zie figuur 1. Het terrein is op dit moment in gebruik als waterzuivering en is grotendeels bebouwd en verhard. Het plangebied is gelegen in een landschap tegen de uiterwaarden van de Maas. De omgeving van het plangebied wordt grotendeels agrarisch gebruikt en heeft een vrij grootschalig verkavelingspatroon. De rode stip op de kaartuitsnede geeft de locatie weer waar de opslagloods wordt gerealiseerd. Aan de westzijde van het plangebied zijn de Maasuiterwaarden aanwezig. Het gebied de Hemelrijkse Waard wordt op dit moment opnieuw ingericht om de Maas meer ruimte te geven. Hier moet een natuurgebied van 225 hectare ontstaan. De locatie waar de opslagloods gerealiseerd gaat worden bestaat uit een grasveld, gelegen tegen een klein boselement.
Figuur 1 Ligging plangebied
Ingenieursbureau van Nierop: Landschappelijk inpassingsplan Parallelstraat 1 Oijen
[5]
2 Landschappelijke context 2.1 Historie In 1900 bestond het plangebied voor een groot deel uit weilanden. Daarnaast is te zien dat er een waterpartij was gelegen. Mogelijk is dit een “wiel” geweest, welke is ontstaan na een dijkdoorbraak. Het landschap had een open karakter en bestond voornamelijk uit weilanden met een kleinschalig verkavelingspatroon. Daarnaast valt op dat de Maas nog zijn oude loop heeft. Op de kaart zijn ook enkele landschappelijke elementen aanwezig zoals kleine bosjes. Deze bosjes bestonden vaak uit essen- en elzenbossen, die als hakhout werden beheerd (geriefhout). De bossen tegen de Maas bestonden over het algemeen uit wilgenbossen.
Figuur 2 Kaart 1900
Ingenieursbureau van Nierop: Landschappelijk inpassingsplan Parallelstraat 1 Oijen
[6]
2.2 Abiotische factoren 2.2.1 Bodem De bodem binnen het plangebied bestaat uit kalkloze poldervaaggronden. Deze gronden bestaan uit lichte- en zware zavelgronden en lichte kleigronden. Over het algemeen worden deze gronden gebruikt als grasland vanwege de relatief lage ligging in het landschap. Daarnaast ligt er in het plangebied een dijk. Hier is geen bodemtype of grondsoort van bekend. Het is mogelijk dat dit aangevoerde grond betreft. De grondwatertrappen in het plangebied zijn V, V* en VI, in onderstaande tabel zijn de grondwatertrappen weergegeven.
Figuur 3 Bodem GRONDWATERTRAP Natte gronden III Vochtige gronden V VI Droge gronden VII VII*
GEMIDDELD HOOGSTE GRONDWATERSTAND (cm-mv)
GEMIDDELD LAAGSTE GRONDWATERSTAND (cm-mv)
25 – 40
80 – 120
25 - 40 40 - 80
> 120 > 120
80 - 140 > 140
> 160 > 160
Ingenieursbureau van Nierop: Landschappelijk inpassingsplan Parallelstraat 1 Oijen
[7]
2.2.2 Geomorfologie In figuur 4 is de geomorfologie weergegeven. De vormen van het landschap en de ontstaansgeschiedenis zijn hierop duidelijk te zien. Uit de figuur wordt duidelijk dat het grootste deel van het plangebied kunstmatig is ontstaan. Een groot deel bestaat uit bebouwing en opgehoogd terrein. Daarnaast is er nog een dijk aanwezig. Een klein deel bestaat uit een rivieroeverwal. Dit betreft langgerekte hoogtes die langs de oever van een rivier liggen. Ze zijn door de rivier zelf gevormd door afzettingen van grof zand en fungeren als een soort natuurlijke dijk. Binnen het plangebied zelf is nog maar weinig zichtbaar van de natuurlijke ontstaansgeschiedenis van het landschap.
Figuur 4 Geomorfologie
Ingenieursbureau van Nierop: Landschappelijk inpassingsplan Parallelstraat 1 Oijen
[8]
2.2.3 Hoogtekaart Op de hoogtekaart (AHN) is te zien dat er binnen het plangebied veel hoogteverschil aanwezig is. Het aanwezige hoogteverschil is echter kunstmatig en het gevolg van de aangelegde dijk en delen met opgebrachte grond. Het noordelijke deel van het plangebied is relatief laag gelegen ten opzichte van de rest van het plangebied en komt qua hoogte overeen met de rest van de omgeving. Dat gebied is met name in gebruik als grasland. De locatie waar de loods wordt gerealiseerd is gelegen op de overgang naar het hoogst gelegen deel in het terrein. Hier ligt ook de dijk. Het bos is gelegen in het laagste deel van het gebied.
Figuur 5 Hoogte
2.3 Conclusies landschappelijke context
Het plangebied is gelegen in het uiterwaardengebied van de Maas. Het is een open en grootschalig landschap met weinig variatie. Er zijn weinig landschappelijke elementen aanwezig; In het plangebied ligt een waterzuiveringsinstallatie en is voor het merendeel bebouwd en verhard; De bodem in het plangebied bestaat uit kalkloze zavel- en kleigronden; De bodems zijn vochtig tot nat (GWT V t/m VI); Er is veel (kunstmatig) hoogteverschil aanwezig binnen het plangebied, met een maximum van 5 meter tussen het hoogste en laagste deel. Van de natuurlijke ontstaansgeschiedenis van het landschap is binnen het plangebied niet veel meer zichtbaar;
Ingenieursbureau van Nierop: Landschappelijk inpassingsplan Parallelstraat 1 Oijen
[9]
3. Voorgenomen ontwikkeling Zoals in eerdere hoofdstukken reeds beschreven, is er het voornemen om hier een nieuwe opslagloods te realiseren. Op de onderstaande afbeeldingen is weergegeven op welke wijze deze wordt gebouwd en om welk type loods het gaat. Omdat de loods toegankelijk moet zijn voor voertuigen wordt aan de voorzijde een verharding aangebracht. Het type loods dat wordt gebouwd is gelijk aan het soort dat momenteel al voorkomt op het terrein van de waterzuivering (afbeelding 7). Het enige verschil is dat deze nieuw te bouwen loods grijs wordt.
Figuur 6 Voorgenomen ontwikkeling
Ingenieursbureau van Nierop: Landschappelijk inpassingsplan Parallelstraat 1 Oijen
[10]
Figuur 7 Type loods dat wordt gebouwd
Ingenieursbureau van Nierop: Landschappelijk inpassingsplan Parallelstraat 1 Oijen
[11]
4. Landschappelijk inpassing 4.1 Voorgestelde inpassing De landschappelijke inpassing van de loods is erop gericht om de loods zoveel mogelijk aan het zicht te onttrekken en te laten opgaan in het aanwezige landschap. Op de onderstaande afbeelding zijn de belangrijkste zichtpunten opgenomen die weergeven of de loods van buiten het plangebied zichtbaar zal zijn. Vanaf de westzijde wordt de loods geheel aan zicht onttrokken door aanwezige groenelementen (bosjes). In zuid- noordrichting, op de Parallelstraat, wordt de loods aan het zicht onttrokken door de reeds aanwezige bebouwing en enkele bomen/singels die tegen het hekwerk staan/liggen. In noord-zuid richting ligt de loods echter wél in het zicht vanaf de Parrallelweg. Hiermee wordt tevens gewerkt aan de ecologische potentie van het gebied. Om de loods aan het zicht te onttrekken en zoveel mogelijk aan te sluiten op de reeds bestaande situatie in het landschap, is de meest eenvoudige- en effectieve oplossing, om het aanwezige bosje door te trekken tot voorbij de loods. Op afbeelding 9 is dit weergegeven.
Figuur 8 Zichtlijnen
Ingenieursbureau van Nierop: Landschappelijk inpassingsplan Parallelstraat 1 Oijen
[12]
Figuur 9 huidige situatie en voorgestelde landschappelijke inpassing
Zoals op de bovenstaande afbeelding is te zien wordt het reeds aanwezige groenelement uitgebreid om de loods als het ware te omzomen. Op deze wijze wordt de loods op fraaie wijze opgenomen in het reeds aanwezige landschap.
Ingenieursbureau van Nierop: Landschappelijk inpassingsplan Parallelstraat 1 Oijen
[13]
4.2 Soorten en aantallen beplanting De beplanting die wordt aangebracht is bepaald op basis van de Potentieel Natuurlijke Vegetatie (PNV) en de boom- en struikvormers die reeds aanwezig zijn. De Potentieel Natuurlijke Vegetatie (PNV) geeft de samenstelling van de vegetatie weer bij een ongestoorde spontane ontwikkeling gedurende enkele honderden jaren. Deze is afhankelijk van de groeiplaats en concurrentiekracht van boomsoorten op die groeiplaats. Hierbij wordt uitgegaan van de afwezigheid van exoten. De PNV wordt bepaald op basis van onder andere: de actuele vegetatie, de bodem, het grondwater en (zeer beperkt van belang). het (micro)klimaat.
De PNV op deze locatie bestaat uit Elzenrijk Essen- Iepenbos. De belangrijkste boomsoort in dit type is de gewone es. Omdat deze soort gevoelig is voor de essentakziekte is er voor gekozen deze niet toe te passen in. Zwarte els en gladde iep komen binnen dit type voor als mengboom voor, deze soorten zullen dan ook worden aangeplant. De PNV sluit goed aan bij de huidige situatie. Het huidige bos bestaat o.a. uit gewone es en zwarte els en daarnaast ook populier. De samenstelling van gewone es en zwarte els is kenmerkend voor het type landschap. Vaak werden deze bosjes in uiterwaarden gebruikt als hakhoutbos. Naast het aanplanten van boomvormers worden er aan de randen struikvormers aangeplant om een mantelzoomvegetatie te ontwikkelen. Op de onderstaande afbeelding is het principe van een mantel- zoomvegetatie weergegeven. Het doel is om een geleidelijke overgang tussen bos en open terrein te creëren waardoor er op een kleine oppervlakte verschillende microklimaten ontstaan.
De totale oppervlakte van het aan te planten terrein bedraagt ongeveer 800 m2 waarvan 500 m2 bos en 300 m2 mantel- zoomvegetatie. In de onderstaande tabel is de soortensamenstelling opgenomen zoals deze wordt aangeplant. Het plantsoen zal formaat 60/80 hebben. Omdat het relatief snelgroeiende soorten betreft zal het snel dichtgroeien.
Nederlandse naam Wenschappelijke naam Aantal Ruwe iep Ulmus glabra Zwarte els Alnus glutinosa Meidoorn Crataegus monogyna Sleedoorn Prunus spinosa Gelderse roos Viburnum opulus Hondsroos Rosa canina Lijsterbes Sorbus aucuparia
Soort aanplant 200 Groepsgewijs 160 Groepsgewijs op laagste delen 50 Groepsgewijs in mantel 50 Groepsgewijs in mantel 50 Groepsgewijs in mantel 50 Groepsgewijs in mantel 50 Groepsgewijs in mantel
Ingenieursbureau van Nierop: Landschappelijk inpassingsplan Parallelstraat 1 Oijen