CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2A Toelichting - bijlage 18 Parallelstraat 1 Oijen

Gemeenteraad 12 december 2024, gemeente OssBij agendapunt: A Herstelbesluit vaststelling bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’13.096 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

BESTEMMINGSPLAN Buitengebied Oss - 2020 Bijlagen bij toelichting

Bijlage 18 - ruimtelijke onderbouwing Parallelstraat 1, Oijen

Gemeente Oss | Raadhuislaan 2 | 5341 GM | Oss | T: 14 0412 | F: 0412 642605 | www.oss.nl |

Ruimtelijke Onderbouwing Bouw van een loods/veldschuur aan de Parallelstraat 1 te Oijen

Locatie:

Gemeente Oss

Datum:

4 september 2017

Status:

Definitief

Project:

2317

Opdrachtgever:

Reef B.V.

Ingenieursbureau van Nierop: Ruimtelijke Onderbouwing Parallelstraat 1 te Oijen

Ingenieursbureau van Nierop: Ruimtelijke Onderbouwing Parallelstraat 1 te Oijen

VOORWOORD Door Reef B.V. is aan Bureau van Nierop gevraagd een ruimtelijke onderbouwing op te stellen in verband met de voorgenomen bouw van een loods/veldschuur op het perceel Parallelstraat 1 te Oijen. Gemeente Oss heeft aangegeven (brief met kenmerk 2924464) dat deze ontwikkeling niet past binnen het vigerende bestemmingsplan buitengebied. Aangezien het plan op hoofdlijnen wel past binnen het beleid van gemeente en provincie, wil gemeente Oss in principe medewerking verlenen aan deze bouw. Met onderhavig rapport wordt tegemoet gekomen aan de voorwaarde van gemeente Oss om het plan ruimtelijk te onderbouwen. Het rapport is opgesteld door L. van Nierop.

Riethoven, 4 september 2017

Ingenieursbureau van Nierop: Ruimtelijke Onderbouwing Parallelstraat 1 te Oijen

Ingenieursbureau van Nierop: Ruimtelijke Onderbouwing Parallelstraat 1 te Oijen

SAMENVATTING Waterschap Aa en Maas is voornemens om op het perceel Parallelstraat 1 te Oijen een loods/veldschuur te bouwen. Deze nieuwbouw past niet in het vigerende bestemmingsplan buitengebied van de gemeente Oss. In grote lijnen past het plan wel in het beleid van de gemeente en de provincie. Gemeente Oss heeft voor de voorziene ontwikkeling een positieve grondhouding aangenomen. Om mee te kunnen werken aan het plan vraagt zij om een ruimtelijke onderbouwing, een quick scan flora en fauna en een landschappelijk inpassingsplan. Ruimtelijke Onderbouwing De ruimtelijke onderbouwing is het centrale document en heeft als doel om de voorgestane ontwikkeling planologisch te toetsen. Het plan omvat een toelichting op het plan, het ruimtelijk beleid en het verwoordt de benodigde vooronderzoeken. De belangrijkste toetsingscriteria van de ruimtelijke onderbouwing zijn:  Landschappelijke inpassing, verwoord in: “Landschappelijk inpassingsplan Bouw loods aan de Parallelstraat 1 te Oijen, Parallelstraat 1 Ooijen”, Bureau van Nierop 2017);  Natuur en milieu , verwoord in: “Quickscan flora en fauna, Parallelstraat 1 Ooijen”, Bureau van Nierop 2017);  Realiseerbaarheid en duurzaamheid. Nadat aan bovenstaande voorstellen vorm is gegeven, zal deze wijziging planologisch worden verankerd in het bestemmingsplan buitengebied van gemeente Oss.

Wanneer het plan voldoet aan alle voorwaarden en uiterlijk 1 maart 2017 wordt ingeleverd, kan het verzoek worden meegenomen in de procedure van het nieuwe bestemmingsplan Buitengebied Oss - 2017. Conclusie Na goedkeuring van de ruimtelijke onderbouwing kan het plan worden meegenomen in de procedure van het nieuwe Bestemmingsplan Buitengebied Oss - 2017.

Ingenieursbureau van Nierop: Ruimtelijke Onderbouwing Parallelstraat 1 te Oijen

Ingenieursbureau van Nierop: Ruimtelijke Onderbouwing Parallelstraat 1 te Oijen

INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING ............................................................................................................................................... 1 1.1 ALGEMEEN ................................................................................................................................................ 1 1.2 AANLEIDING EN DOEL ................................................................................................................................... 1 1.3 LEESWIJZER ................................................................................................................................................ 1 2 HUIDIGE EN GEWENSTE SITUATIE ........................................................................................................... 3 2.1 HISTORIE ................................................................................................................................................... 3 2.2 BESCHRIJVING BESTAANDE SITUATIE ................................................................................................................ 3 2.3 GEWENSTE SITUATIE .................................................................................................................................... 4 3.

BELEIDSKADERS...................................................................................................................................... 5 3.1 RIJKSBELEID................................................................................................................................................ 5 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ......................................................................................... 5 3.1.2 Bescherming natuur ....................................................................................................................... 5 3.1.3 Nota Belvedère ............................................................................................................................... 6 3.2 PROVINCIAAL BELEID .................................................................................................................................... 6 3.2.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening ............................................................................................... 6 3.2.2 Verordening Ruimte ....................................................................................................................... 6 3.3 GEMEENTELIJK BELEID ................................................................................................................................

10 3.3.1 Structuurvisie Buitengebied Oss - 2015 ....................................................................................... 10 3.3.2 Nota Landschapsbeleid - 2015 .................................................................................................... 11 3.3.3 Bestemmingsplan buitengebied gemeente Oss .......................................................................... 12 4. RUIMTELIJKE ASPECTEN ....................................................................................................................... 13 4.1 LANDSCHAPPELIJKE INPASSING ..................................................................................................................... 13 4.2 NATUUR .................................................................................................................................................. 14 4.3 FLORA- EN FAUNA .................................................................................................................................... 14 4.3.1 Flora ............................................................................................................................................. 14 4.3.2 Fauna ...........................................................................................................................................

14 4.3.3 Conclusie ...................................................................................................................................... 15 4.4 CULTUURHISTORIE EN ARCHEOLOGIE............................................................................................................. 16 4.5 INFRASTRUCTUUR...................................................................................................................................... 16 5. MILIEU ASPECTEN ................................................................................................................................ 17 5.1 M.E.R. BEOORDELING ............................................................................................................................... 17 5.2 BODEM ................................................................................................................................................... 17 5.3 GELUID ................................................................................................................................................... 17 5.4 GEURHINDER VEEHOUDERIJEN ..................................................................................................................... 17 5.5 LUCHTKWALITEIT .......................................................................................................................................

19 5.6 EXTERNE VEILIGHEID .................................................................................................................................. 19 5.7 BEDRIJVEN- EN MILIEUZONERING .................................................................................................................. 20 5.8 GEZONDHEID............................................................................................................................................ 20 5.9 WATERPARAGRAAF ................................................................................................................................... 20 6. UITVOERBAARHEID .............................................................................................................................. 22 6.1 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID ......................................................................................................... 22 6.2 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID ................................................................................................................ 22 6.3 JURIDISCHE UITVOERBAARHEID..................................................................................................................... 22

Ingenieursbureau van Nierop: Ruimtelijke Onderbouwing Parallelstraat 1 te Oijen

FIGUREN Figuur 1 Figuur 2 Figuur 3 Figuur 4 Figuur 5 Figuur 6 Figuur 7 Figuur 8

Ligging plangebied ............................................................................................................. 1 Bestaande situatie .............................................................................................................. 3 Ligging gewenste loods/veldschuur ................................................................................... 4 Verordening Ruimte thema agrarische ontwikkelingen ...................................................... 8 Verordening Ruimte thema cultuurhistorie ......................................................................... 8 Verordening Ruimte thema natuur en landschap............................................................... 9 Bestemmingsplan buitengebied Lith 2013 ....................................................................... 12 Huidige situatie en voorgestelde landschappelijke inpassing .......................................... 13

Ingenieursbureau van Nierop: Ruimtelijke Onderbouwing Parallelstraat 1 te Oijen

[1]

1. INLEIDING 1.1 Algemeen De voorliggende ruimtelijke onderbouwing heeft betrekking op de juridisch-planologische regeling voor het bouwen van een loods/veldschuur in het buitengebied van de gemeente Oss. Het beoogde plan past niet binnen het vigerende bestemmingsplan ter plaatse. De gemeente Oss heeft voor de voorziene ontwikkeling echter een positieve grondhouding aangenomen (brief met kenmerk 2924464). Om de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan te beoordelen is de onderhavige ruimtelijke onderbouwing opgesteld.

Figuur 1 Ligging plangebied

1.2 Aanleiding en doel Waterschap Aa en Maas is voornemens om op het perceel Parallelstraat 1 te Oijen een extra loods/veldschuur te bouwen. De gemeente Oss biedt in principe de mogelijkheid om planologische medewerking te verlenen aan dit plan. De ontwikkeling past namelijk in het beleid van de gemeente en de provincie.

1.3 Leeswijzer In het vervolg van deze ruimtelijke onderbouwing wordt eerst de huidige situatie binnen het plangebied beschreven en het beoogde plan toegelicht. In hoofdstuk 3 wordt beschreven hoe het plan zicht verhoudt tot het beleid op rijks- provinciaal- en gemeentelijk niveau. Hoofdstuk 4 verwoordt de ruimtelijke impact van het plan op de omgeving en de ruimtelijke gevolgen vanuit de omgeving op het plan. De verschillende milieu-aspecten worden in hoofdstuk 5 beschreven. In hoofdstuk 6 komt de uitvoerbaarheid. De afsluiting van de ruimtelijke onderbouwing in hoofdstuk 7 wordt gevormd door een beschrijving van de te doorlopen procedure van het plan.

Ingenieursbureau van Nierop: Ruimtelijke Onderbouwing Parallelstraat 1 te Oijen

[2]

Ingenieursbureau van Nierop: Ruimtelijke Onderbouwing Parallelstraat 1 te Oijen

[3]

2 HUIDIGE EN GEWENSTE SITUATIE 2.1 Historie In 1900 had het landschap hier een open karakter en bestond voornamelijk uit weilanden met een kleinschalig verkavelingspatroon. De landschappelijke elementen bestonden onder andere uit kleine essen- en elzenbosjes. Dichter tegen de Maas waren er over het algemeen wilgenbossen. Voor een uitgebreidere beschrijving van de historie wordt verwezen naar het Landschappelijk inpassingsplan, Bureau van Nierop 2017).

2.2 Beschrijving bestaande situatie Op het perceel aan de Parallelstraat 1 te Oijen, staan diverse bouwwerken die eigendom zijn van Waterschap Aa en Maas. De gebouwen, verbonden door verharding, staan ruim gesitueerd en worden omzoomd door bosjes in het terrein en een dijk aan de westzijde. De locatie waarop de loods gerealiseerd gaat worden bestaat op dit moment uit een grasveld/gazon dat ook als zodanig wordt beheerd.

Figuur 2 Bestaande situatie

Ingenieursbureau van Nierop: Ruimtelijke Onderbouwing Parallelstraat 1 te Oijen

[4]

2.3 Gewenste situatie Waterschap Aa en Maas is voornemens om een loods/veldschuur toe te voegen aan de huidige bebouwing en deze nieuwbouw planologisch als zodanig te verankeren binnen het bestemmingsplan Buitengebied Oss - 2017. De loods zal gebruikt worden voor opslag en machines. Het type loods/veldschuur dat wordt gebouwd is gelijk aan het soort dat momenteel al voorkomt op het terrein van de waterzuivering. Het enige verschil is dat deze nieuw te bouwen loods/veldschuur grijs wordt. De loods/veldschuur krijgt een afmeting van circa 16 * 10 meter (oppervlakte 160 m2). Type te bouwen loods/veldschuur

De verharding die wordt toegevoegd bestaat uit 107 m2 betonklinkers.

Figuur 3 Ligging gewenste loods/veldschuur

Ingenieursbureau van Nierop: Ruimtelijke Onderbouwing Parallelstraat 1 te Oijen

[5]

3. BELEIDSKADERS 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), vastgesteld op 13 maart 2012, is het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid van het Rijk opgenomen. De SVIR schetst hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, leefbaar en veilig. De SVIR vervangt onder meer de Nota Ruimte, de Nota Mobiliteit en de Agenda Vitaal Platteland. Het Rijk brengt de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat (burgers en bedrijven), laat het meer over aan gemeenten en provincies (‘decentraal, tenzij…’) en de gebruiker komt centraal te staan. In de nota staan 13 nationale belangen voorop. Twee ervan hebben rechtstreekse relevatie voor het plangebied, te weten:  Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten. Landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten geven identiteit aan een gebied. Bovendien zijn culturele voorzieningen en cultureel erfgoed van belang voor een aantrekkelijk vestigingsklimaat en daarmee voor de concurrentiekracht van Nederland. Het Rijk laat het beleid ten aanzien van landschap over aan de provincies.

 Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten om flora- en faunasoorten in staat te stellen om op lange termijn te overleven en zich te ontwikkelen zijn vanuit ruimtelijk oogpunt twee zaken essentieel: het behoud van leefgebieden en de mogelijkheden om zich te kunnen verplaatsen tussen leefgebieden. Binnen de door het Rijk gestelde kaders begrenzen, beschermen en onderhouden de provincies een natuurnetwerk met de juiste ruimtelijke, water en milieucondities voor kenmerkende (eco)systemen van (inter)nationaal belang. Dit provincie- en landgrensoverschrijdende netwerk is de herijkte nationale Ecologische Hoofdstructuur (EHS). 3.1.2 Bescherming natuur De wettelijke kaders ter bescherming van de natuur bestaan uit gebiedsbescherming en soortbescherming. Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn is geïmplementeerd in de Wet Natuurbescherming, deze wet regelt o.a. de bescherming van Natura 2000 gebieden en Nationaal Natuurnetwerk (voorheen EHS). Deze maakt geen deel uit van de Wet Natuurbescherming. De bescherming van het NNN verloopt via het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).

Natura 2000

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit Europees perspectief. Natura 2000 komt voort uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van de Natura 2000.

NNN

Het Nationaal Natuurnetwerk (NNN) is de opvolger van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het is een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. De provincie is verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Het netwerk helpt te voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde natuurgebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen.

Ingenieursbureau van Nierop: Ruimtelijke Onderbouwing Parallelstraat 1 te Oijen

[6]

Grote delen van het NNN vallen samen met Natura 2000 gebieden. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. Ruimtelijke plannen van gemeenten moeten hieraan worden getoetst. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van de NNN. 3.1.3 Nota Belvedère De Belvedère-strategie (1999) gaat over cultuurhistorie als uitgangspunt voor de ruimtelijke inrichting van Nederland. 'Behoud door ontwikkeling' staat daarbij centraal. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen op die manier profiteren van de cultuurhistorie in bodem, landschap en gebouwde omgeving in een gebied. Tegelijk wordt het behoud van erfgoed gestimuleerd. De strategie is toepasbaar bij alle ruimtelijke ontwikkelingen in Nederland; zowel in het stedelijke en landelijke gebied als bij de aanleg van infrastructuur en water. Om het hierboven beschreven doel te bereiken hebben de vier samenwerkende ministeries VROM, OCW, V&W en LNV zogenaamde Belvedère gebieden aangewezen. Uit verschillende onderzoeken komt naar voren dat er een toenemende vraag is naar ruim, groen en landelijk wonen. Ook vanuit dat oogpunt liggen er dus kansen voor kwalitatief hoogwaardig bouwen in het buitengebied.

Maar tegelijkertijd stellen bewoners, recreanten en beleidsmakers steeds hogere eisen aan de kwaliteit van het landelijk gebied: het platteland mag niet dichtslibben, het moet aantrekkelijk blijven en de dorpen moeten hun karakteristieke uitstraling behouden. Om dat dilemma op te lossen heeft het kabinet gekozen voor een nieuwe benadering, waarin bouwen in het landelijk gebied niet meer als taboe en bedreiging wordt gezien, maar als kans om de identiteit van het landelijk gebied te versterken. Er is daarbij ruimte voor ten hoogste de natuurlijke bevolkingsgroei en voor regionale en lokale bedrijvigheid, schrijft het kabinet. Het plangebied ligt niet binnen een aangewezen Belvedèregebied.

3.2 Provinciaal beleid De Provincie Noord Brabant legt haar hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 vast in de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (SVRO) en de te beschermen provinciaal ruimtelijke belangen in de Verordening Ruimte 2014. 3.2.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Op de kaart structuurvisie herziening 2014 zijn de volgende gebieden aangewezen: accentgebied agrarische ontwikkeling, waterbergingsgebied, groenblauwe mantel en kernen in het landelijk gebied. Deze gebieden zijn uitgewerkt in de Verordening Ruimte en worden als zodanig toegelicht in § 3.2.2. 3.2.2 Verordening Ruimte Op 19 maart 2014 hebben Provinciale Staten de Verordening Ruimte vastgesteld die vanaf die datum in werking is getreden. In navolgende tekst is gebruik gemaakt van de geconsolideerde versie per 01-01-2017. In artikel 3 van de regels in de Verordening ruimte 2014 worden de algemene regels ten aanzien van het bevorderen van de ruimtelijke kwaliteit gegeven. In het algemeen houdt ruimtelijke kwaliteit in dat gebruikers van een gebied rekening houden met het karakter, de grootte en de functie ervan. De bevordering van de ruimtelijke kwaliteit is uiteengezet in drie artikelen: 1. Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit.

Een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling moet bijdragen aan behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke

Ingenieursbureau van Nierop: Ruimtelijke Onderbouwing Parallelstraat 1 te Oijen

[7]

2.

3.

kwaliteit. Er moet in ieder geval sprake zijn van een goede landschappelijke inpassing en zorgvuldig ruimtegebruik. Zorgvuldig ruimtegebruik is het gebruik van bestaande ruimte. Dit betekent dat gebruik gemaakt wordt van bestaande bouwpercelen en dat ontwikkelingen worden verantwoord middels de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Er moet ook rekening worden gehouden met de maat en schaal van de ontwikkeling en de impact op de omgeving. Kwaliteitsverbetering van het landschap. Een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het gebied of de omgeving. De verbetering moet zijn financieel, juridisch en feitelijk zijn geborgd en passen in het ruimtelijk beleid. Er moet ook verantwoord worden hoe de regionale afspraken over de kwaliteitsverbetering van het landschap worden nagekomen. Afwijking in verband met maatwerk. Bij ontwikkelingen van een groot openbaar belang kan worden afgeweken van provinciaal beleid. Nieuwvestiging is echter alleen mogelijk als aangetoond kan worden dat er geen mogelijkheden zijn voor vestiging.

Deze algemene regels zijn van toepassing op zowel stedelijk, als landelijk gebied. 1. Thema’s Verordening Ruimte In de Verordening Ruimte zijn verschillende ruimtelijke thema’s opgenomen, waaraan een bestemmingsplan gelegen in deze thema’s moet voldoen. De verschillende thema’s worden in onderstaande teksten uitgewerkt. De topografische ligging van de thema’s bepaald welke regelgeving hier van toepassing is. Deze regelgeving worden vervolgens in de tekst uitgewerkt. Themakaart agrarische ontwikkelingen Binnen het thema agrarische ontwikkelingen is het gehele plangebied en omgeving opgenomen als gemengd landelijk gebied en gebied met beperkingen ten aanzien van veehouderijen. Er wordt een gemengde plattelandseconomie nagestreefd met daarbij passende bestemmingen en beperkingen voor veehouderijen. Het plangebied betreft een bestaande situatie van een waterzuivering. Ontwikkelingen op het gebied van landbouw of veehouderij zijn niet aan de orde.

Ingenieursbureau van Nierop: Ruimtelijke Onderbouwing Parallelstraat 1 te Oijen

[8]

Figuur 4 Verordening Ruimte thema agrarische ontwikkelingen

Themakaart cultuurhistorie Binnen het thema cultuurhistorie is het plangebied niet opgenomen. Dit betekent dat er een lage kans is op de aanwezigheid van archeologische en cultuurhistorische waarden.

Figuur 5 Verordening Ruimte thema cultuurhistorie Ingenieursbureau van Nierop: Ruimtelijke Onderbouwing Parallelstraat 1 te Oijen

[9]

Themakaart stedelijke ontwikkeling Binnen het thema stedelijke ontwikkeling is het plangebied niet opgenomen. Themakaart natuur en landschap De onderzoekslocatie en het gehele terrein van de waterzuivering is niet gelegen binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Noord-Brabant (NNB), voorheen EHS. Het NNB maakt onderdeel van het NNN. De omliggende bossen vallen wel binnen de begrenzing van het NNB. Langs de Hemelrijkseweg ligt eveneens een ecologische verbindingszone. Rondom het plangebied ligt een provinciale ecologische verbindingszone NNB met beperkingen ten aanzien van bebouwing en verhardingen. Zoals in onderstaande figuur te zien is valt het plangebied hier buiten.

Figuur 6 Verordening Ruimte thema natuur en landschap

Ecologische verbindingszone Over het RWZI-terrein loopt een ecologische verbindingszone (paars in onderstaande figuur). De bijbehorende figuur geeft echter niet de juiste ligging van de ecologische verbindingszone weer. Dit is een fout in de provinciale Verordening ruimte 2014. De werkelijke ligging van de ecologische verbindingszone loopt over de Oijense Benedendijk. Deze zone volgt een bestaande lijnstructuur in het landschap waar de waterbeheerder, in dit geval het waterschap, eigenaar/beheerder van is. Het betreft een lang lint met een kenmerkende flora (en fauna). De waardevolle flora op en langs de dijk (bijvoorbeeld wielen) en daarbij behorende fauna vormen de doelsoorten. Het gaat daarbij met name om behoud, ontwikkeling en

Ingenieursbureau van Nierop: Ruimtelijke Onderbouwing Parallelstraat 1 te Oijen

[10]

bescherming van de natuurkwaliteit en niet om het verwerven en inrichten. Er is geen inrichtingsopgave buiten de dijk en de verbinding staat dan ook niet als opgave in het waterbeheerplan. De geplande maatregelen bestaan uit de realisatie van een opslagloods met bijbehorende verharding op een locatie buiten de ecologische verbindingszone. Aangezien de locatie op enige afstand van de ecologische verbindingszone ligt, heeft de ontwikkeling die met dit plan mogelijk wordt gemaakt geen nadelige gevolgen voor de natuurkwaliteit.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Buitengebied Oss - 2015 De gemeente Oss heeft een omvangrijk buitengebied. In de afgelopen jaren zijn de buitengebieden van Oss, Lith en Geffen samengevoegd. Voor de afzonderlijke buitengebieden waren al structuurvisies opgesteld. Het is belangrijk dat de gemeente een integrale visie heeft op het totale buitengebied van de gemeente Oss. Deze visie is samengekomen in de ‘Structuurvisie Buitengebied Oss - 2015’. Het plangebied van deze structuurvisie is het totale buitengebied van de gemeente Oss, met uitzondering van motorcrosscircuit Nieuw-Zevenbergen en vakantiepark Herperduin. De structuurvisie biedt de juridische basis voor financiële bijdragen bij ruimtelijke ontwikkelingen. In de structuurvisie zijn doelstellingen opgenomen die moeten leiden tot een robuuste en duurzame ruimtelijke structuur voor een vitaal en multifunctioneel buitengebied.

Dit moet resulteren in:  Een vitaal buitengebied, waar een goed evenwicht is tussen alle aanwezige functies zoals landbouw, toerisme, recreatie, natuur, water en wonen  Een versterking van de ruimtelijke identiteit met aandacht voor verscheidenheid, ruimte en landelijkheid  Een versterking van de aanwezige landschapstypen: uiterwaarden, oeverwal, komgebied, dekzandrand en dekzandrug  Behoud, herstel en/of ontwikkeling van de landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische structuren en elementen  Gebieden met blijvende ruimte en mogelijkheden voor (grondgebonden) landbouw, met name binnen het primaire agrarisch gebied  Voldoende afstand tussen slecht verenigbare functies zoals wonen en intensieve veehouderij  De instandhouding van de leefbaarheid door het zorgvuldig en afgewogen bieden van ruimte aan nieuwe economische dragers  Nieuwe impulsen voor toerisme en recreatie, met bijzondere aandacht voor versterking van de recreatie in de Maashorst en het Maasgebied en het ontwikkelen van aantrekkelijke uitloopgebieden met natuur en recreatie nabij de stad Oss en toeristischrecreatieve verbindingen tussen kernen op afstand van de Maas en de Maasdijk  Het bieden van ruimte voor waterveiligheid, waterkwantiteit en waterkwaliteit De bovenstaande doelstellingen worden door vertaald naar een ontwikkelingsvisie per landschapstype.

We maken onderscheid tussen:  Uiterwaarden  Oeverwal  Komgebied  Dekzandrand  Dekzandrug  Primair agrarisch gebied

Ingenieursbureau van Nierop: Ruimtelijke Onderbouwing Parallelstraat 1 te Oijen

[11]

Oeverwal Het plangebied ligt in landschapstype oeverwal. De oeverwal heeft een kleinschalig en halfopen tot besloten karakter. het landschap aanwezig. Het verkavelingspatroon is blokvormig en overwegend onregelmatig. De kleinschaligheid van de oeverwal wordt behouden en versterkt door het terugbrengen (of toevoegen) van kleinschalige landschapselementen. De aanleg van nieuwe landschapselementen wordt gestimuleerd. Landschappelijke inpassing (agrarische) bedrijven Oeverwal De oeverwal is een gemengd gebied met als hoofdfuncties wonen, toerisme, recreatie en landbouw. De (agrarische) bedrijven op de oeverwal dienen in het kleinschalige landschap van de oeverwal ingepast te worden. Het gaat hier om maatwerk, waarbij gelet moet worden op het behoud en/of creëren van waardevolle doorzichten op het landschap. Erfbeplanting maakt onderdeel uit van de landschappelijke inpassing van de (agrarische) bedrijven. 3.3.2 Nota Landschapsbeleid - 2015 Binnen de gemeente Oss bestaat grote aandacht voor het landschap en het landelijke gebied. De Nota Landschapsbeleid -2015 zorgt voor een beleidskader welke een sturende werking heeft bij ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied. Ruimtelijke ingrepen en nieuwe functies in het buitengebied hebben een grote uitstraling naar de omgeving.

Dit betekent dat bij deze ingrepen (bijvoorbeeld de bouw van agrarische bedrijfsgebouwen) eisen aan de landschappelijke inpassing van objecten moeten worden gesteld. De gemeente wordt verder geconfronteerd met de aanleg (of juist verwijdering) van (landschaps)elementen door particulieren op agrarische percelen in het buitengebied. Dergelijke initiatieven komen vaak niet overeen met de ter plaatse aanwezige en te behouden landschappelijke kwaliteit (bijvoorbeeld behoud van openheid of gebruik van niet-inheemse boomsoorten). Goede toetsingskaders en sturingsinstrumenten zijn voor bescherming maar ook voor ontwikkeling van het landschap onmisbaar. In de Nota Landschapsbeleid - 2015 wordt per deelgebied beschreven wat de landschappelijke visie is. De verschillende deelgebieden zijn: Uiterwaarden Oeverwal Komgebied Dekzandrand Dekzandrug Het plangebied ligt in het landschapstype oeverwal. De oeverwal is een hoger gelegen rug in het landschap en ligt hoog en droog, binnendijks op enige afstand van de rivier de Maas. Het karakter van de oeverwal is kleinschalig en halfopen tot besloten. Het verkavelingspatroon op de oeverwal is blokvormig en overwegend regelmatig. Bebouwing (veelal geconcentreerd in kleine kernen en in bebouwingslinten), beplantingselementen (houtwallen, een enkele boomgaard) en grondgebruik (grasland, bouwland) bepalen hier de maat van de ruimte.

Ruimtelijk gezien is het wenselijk om de hoogteligging van de oeverwal in het landschap duidelijker te laten zien. Daarnaast is het wenselijk om de kleinschaligheid en het groene karakter van de oeverwal te versterken. Met name in en rond de kernen wordt gestreefd naar een verdichting met beplanting. Het onregelmatige, kleinschalige Ingenieursbureau van Nierop: Ruimtelijke Onderbouwing Parallelstraat 1 te Oijen

[12]

verkavelingspatroon moet versterkt te worden. Door de aanleg van kavelgrens- en erfbeplantingen wordt het kleinschalige verkavelingspatroon benadrukt en kunnen droge ecologische verbindingszones ontstaan. Door het versterken van verkavelingspatronen wordt het oorspronkelijke karakter van het landschap op de oeverwal verduidelijkt. Het toevoegen van nieuwe landschapselementen, zoals houtwallen, grienden en bosjes kan hier worden gestimuleerd. 3.3.3 Bestemmingsplan buitengebied gemeente Oss In het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Lith – 2013’ heeft betreffend perceel de bestemming ‘Bedrijf’ en de functieaanduiding ‘waterzuiveringsinstallatie’. De bouw van een loods/veldschuur op de beoogde locatie is in strijd met dit bestemmingsplan omdat de loods/veldschuur is gesitueerd buiten het bouwvlak en omdat de maximale bebouwingsoppervlakte wordt overschreden. De gemeente Oss heeft aangegeven (brief met kenmerk 294464) dat deze ontwikkeling niet past binnen het vigerende bestemmingsplan Buitengebied. Aangezien het plan op hoofdlijnen wel past binnen het beleid van gemeente en provincie, wil gemeente Oss in principe medewerking verlenen aan deze bouw.

Figuur 7 Bestemmingsplan buitengebied Lith 2013

Ingenieursbureau van Nierop: Ruimtelijke Onderbouwing Parallelstraat 1 te Oijen

[13]

4. RUIMTELIJKE ASPECTEN 4.1 Landschappelijke inpassing De nieuw te bouwen loods/veldschuur wordt grotendeels aan het zicht onttrokken door reeds bestaande bebouwing en de bestaande groenelementen. Omdat de loods/veldschuur in noordzuid richting wél in het zicht zal komen, is het wenselijk het daar aanwezige bosje door te trekken tot voorbij de nieuwbouw. Het type loods/veldschuur dat wordt gebouwd is gelijk aan het soort dat momenteel al voorkomt op het terrein van de waterzuivering. Het enige verschil is dat deze nieuw te bouwen loods/veldschuur grijs wordt. De loods/veldschuur krijgt een afmeting van circa 16 * 10 meter (oppervlakte 160 m2). Type te bouwen loods/veldschuur De verharding die wordt toegevoegd bestaat uit 107 m2 betonklinkers. De landschappelijke inpassing bestaat uit het toevoegen van 443 m2 bos met inlandse soorten gebaseerd op de Potentieel Natuurlijke Vegetatie. Voor een uitgebreide beschrijving van de landschappelijke inpassing wordt verwezen naar het rapport Landschappelijk inpassingsplan, Bureau van Nierop (2017).

Figuur 8 Huidige situatie en voorgestelde landschappelijke inpassing

De totale oppervlakte van het aan te planten terrein bedraagt ongeveer 800 m2 waarvan 500 m2 bos en 300 m2 mantel- zoomvegetatie. In de onderstaande tabel is de

Ingenieursbureau van Nierop: Ruimtelijke Onderbouwing Parallelstraat 1 te Oijen

[14]

soortensamenstelling opgenomen zoals deze wordt aangeplant. Het plantsoen zal formaat 60/80 hebben. Omdat het relatief snelgroeiende soorten betreft zal het snel dichtgroeien.

Nederlandse naam Wenschappelijke naam Aantal Ruwe iep Ulmus glabra Zwarte els Alnus glutinosa Meidoorn Crataegus monogyna Sleedoorn Prunus spinosa Gelderse roos Viburnum opulus Hondsroos Rosa canina Lijsterbes Sorbus aucuparia

Soort aanplant 200 Groepsgewijs 160 Groepsgewijs op laagste delen 50 Groepsgewijs in mantel 50 Groepsgewijs in mantel 50 Groepsgewijs in mantel 50 Groepsgewijs in mantel 50 Groepsgewijs in mantel

4.2 Natuur De onderzoekslocatie zelf heeft geen status in het kader van de Wet Natuurbescherming (Natura 2000, Vogel- of Habitatrichtlijn). In de directe omgeving, binnen een straal van 3 kilometer zijn ook geen natura 2000 gebieden gelegen. De onderzoekslocatie en het gehele terrein van de waterzuivering is niet gelegen binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Noord-Brabant (NNB), voorheen EHS. Het NNB maakt onderdeel van het NNN. De omliggende bossen vallen wel binnen de begrenzing van het NNB (afbeelding 4). De voorgenomen ontwikkelingen zullen echter niet leiden tot aantasting van de wezenlijk kenmerken en waarden, of leiden tot een vermindering van de oppervlakte van of samenhang tussen die gebieden.

4.3 Flora- en Fauna Ten behoeve van de geplande ruimtelijke ontwikkeling is een quick scan flora en fauna uitgevoerd (Quickscan flora en fauna Parralelstraat 1 Ooijen, Bureau van Nierop 2017). In onderstaande tekst worden de resultaten en de conclusie weergegeven. 4.3.1 Flora De onderzoekslocatie bestaat uit een soortenarme gesloten grasmat die regelmatig wordt gemaaid. Binnen de onderzoekslocatie zijn geen beschermde soorten aanwezig. De directe omgeving bestaat voornamelijk uit gebouwen en verharding. Ook hier zijn geen beschermde soorten aanwezig. Noordelijk van de onderzoekslocatie is een landschappelijk element/houtopstand gelegen, met daarin een poel. De vegetatie bestaat hier voornamelijk uit opgaand bos met als belangrijkste soorten; es, populier en zwarte els. De struiklaag bestaat voornamelijk uit zwarte els en braam, de kruidlaag is grotendeels afwezig. Er zijn tijden het veldbezoek geen beschermde soorten vastgesteld, waarmee rekening moet worden gehouden. 4.3.2 Fauna Vogels Alle van nature in het wild levend vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn zijn beschermd. Het is verboden om ze opzettelijk te doden of te vangen of om opzettelijk hun nesten, eieren, of rustplaatsen te beschadigen of te vernietigen. Voor een aantal soorten zijn de nesten en hun functionele omgeving zelfs jaarrond beschermd, zie bijlage 1.

Tijdens de literatuurstudie kwamen een aantal soorten met jaarrond beschermde nesten naar voren die in de directe omgeving voorkomen, zie bijlage 2. Tijdens het veldbezoek zijn geen jaarrond beschermde nesten vastgesteld. Wel zijn er twee kraaiennesten vastgesteld in het

Ingenieursbureau van Nierop: Ruimtelijke Onderbouwing Parallelstraat 1 te Oijen

[15]

landschappelijke element. Deze worden echter niet beïnvloed door de voorgenomen maatregelen. Terrestrische zoogdieren Er zijn geen waarnemingen bekend van beschermde of kwetsbare terrestrische zoogdieren in het plangebied. Uit de directe omgeving zijn waarnemingen bekend van een aantal beschermde zoogdieren waaronder; vos, haas en das (zie ook bijlage 2). Binnen de onderzoekslocatie zijn geen verblijfplaatsen aanwezig van terrestrische zoogdieren, er zijn alleen sporen van konijnen aangetroffen (konijnenschraapjes en uitwerpselen). Vleermuizen Alle in Nederland voorkomende vleermuizen zijn opgenomen in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en strikt beschermd middels de Wet Natuurbescherming. Er zijn geen waarnemingen bekend van het gebruik van de onderzoekslocatie door vleermuizen. Wel zijn er waarnemingen bekend van een tweetal soorten uit de directe omgeving; gewone dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis. Vanwege het open karakter is het landschap in de directe omgeving niet bijzonder geschikt voor de meeste soorten. Er kunnen echter wel vleermuizen gebruik maken van het gebied om te foerageren zoals bijvoorbeeld, de rosse vleermuis. Binnen de onderzoekslocatie zijn geen verblijfplaatsen aanwezig. Het is mogelijk dat de gebouwen worden gebruikt door vleermuizen als verblijfplaats. Deze worden echter niet beïnvloed door de voorgenomen maatregelen.

Amfibieën en reptielen De onderzoekslocatie zelf heeft geen functie voor amfibieën, omdat er geen geschikt leefgebied aanwezig is (ontbreken geschikt voorplantingswater en landbiotoop). Er zijn waarnemingen bekend van een aantal amfibieën uit de directe omgeving waaronder de strikt beschermde kamsalamander (wnb Habitatrichtlijn). Er is echter geen geschikte leefgebied voor amfibieën aanwezig in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. De poel is potentieel geschikt, maar lijkt niet van voldoende kwaliteit voor de meeste amfibieën. Daarnaast wordt deze niet beïnvloed door de voorgenomen ontwikkelingen. Vlinders en libellen Er zijn geen waarnemingen bekend van beschermde vlinders of libellen op de onderzoekslocatie of de directe omgeving. De onderzoekslocatie zelf is niet geschikt als leefgebied voor beide soortgroepen. Ook de directe omgeving is niet bijzonder geschikt, voornamelijk door het open en grootschalige karakter van het landschap. Overige beschermde soorten Er zijn geen waarnemingen bekend van overige beschermde soorten op de onderzoekslocatie of de directe omgeving die gebruik kunnen maken van de onderzoekslocatie. Binnen de onderzoekslocatie of de directe omgeving worden ook geen beschermde of kwetsbare soorten verwacht die kunnen worden beïnvloed door de voorgenomen ontwikkeling.

4.3.3 Conclusie De onderzoekslocatie bestaat uit een monotoon, soortenarm gesloten grasveld dat regelmatig wordt gemaaid, de locatie heeft geen beschermde status. Er zijn geen (potentiële) verblijf- of standplaatsen van beschermde dier- of plantensoorten aanwezig. Ook maakt het geen onderdeel uit van een essentieel leef- of foerageergebied van beschermde soorten. De geplande maatregelen bestaan uit de realisatie van een opslagloods en verharding op de locatie. De opslagloods wordt gebouwd op het terrein van de waterzuivering waar al veel bedrijfsgebouwen aanwezig zijn. Er zijn binnen de onderzoekslocatie geen bomen of houtopstanden aanwezig die worden beschermd volgens hoofdstuk 4 van de Wet Natuurbescherming. Ingenieursbureau van Nierop: Ruimtelijke Onderbouwing Parallelstraat 1 te Oijen

[16]

De geplande maatregelen kunnen worden uitgevoerd zonder een overtreding van de verbodsartikelen uit de Wet Natuurbescherming.

4.4 Cultuurhistorie en Archeologie Het terrein heeft binnen het gemeentelijke bestemmingsplan buitengebied en provinciale Verordening Ruimte geen specifieke aanduiding ten aanzien van cultuurhistorie en archeologie. Er is derhalve geen archeologisch vooronderzoek nodig.

4.5 Infrastructuur Aan de voorkant van de te bouwen loods/veldschuur zal erfverharding worden aangelegd. Deze verharding sluit aan op de aanwezige erfverharding op het perceel.

Ingenieursbureau van Nierop: Ruimtelijke Onderbouwing Parallelstraat 1 te Oijen

[17]

5. MILIEU ASPECTEN 5.1 M.E.R. beoordeling In het besluitgebied wordt voorzien in de bouw van een loods/veldschuur. Deze activiteiten komen niet voor in bijlage C van het besluit M.E.R. Er is dus geen sprake van verplichting om een M.E.R. procedure te doorlopen.

5.2 Bodem Het nationale bodembeleid is geregeld in de Wet bodembescherming (Wbb). Het doel van de Wbb is om te voorkomen dat nieuwe gevallen van bodemverontreinigingen ontstaan. Voor bestaande bodemverontreinigingen is aangegeven in welke situaties (omvang en ernst van verontreiniging) en op welke termijn sanering moet plaatsvinden. Hierbij dient de bodemkwaliteit tenminste geschikt te worden gemaakt voor de functie die erop voorzien is, waarbij verspreiding van verontreiniging zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Voorliggend bestemmingsplan regelt de bestaande situatie, voor de bouw van de loods/veldschuur of het stallen van auto’s is geen NEN5740 onderzoek noodzakelijk. In 2011 is er wel een grondwatermonitoring uitgevoerd. Hierbij zijn geen verontreinigingen aangetoond. In 1999 is een historisch onderzoek uitgevoerd die inmiddels is verouderd. De gemeente heeft echter recente bodeminformatie aangeleverd op 28 juni 2017. Hieruit blijkt dat in de tussenliggende periode geen nadere verontreinigingen werden aangetoond. De informatie is opgenomen in de notitie Bodeminformatie NEN5725 Parallelstraat 1 Oijen (RWZI). Conclusie Bodem In het kader van de RO procedure zijn in het plangebied geen verontreinigingen aangetoond.

5.3 Geluid Het plangebied ligt in een aanduiding 'geluidzone - industrie'. Hier is het niet toegestaan om geluidgevoelige bebouwing op te richten. Het bouwen van een loods/veldschuur wordt beschouwd als niet geluidgevoelige bebouwing. Derhalve is het niet noodzakelijk om een geluidsonderzoek uit te voeren. Conclusie Geluid Het bouwen van een loods/veldschuur wordt beschouwd als niet geluidgevoelige bebouwing. Derhalve is het niet noodzakelijk om een geluidsonderzoek uit te voeren.

5.4 Geurhinder veehouderijen Bij de beoordeling of het leefklimaat ter plaatse van de gerealiseerde bouwwerken is veranderd, dient de geurbelasting veroorzaakt door de individuele bedrijven (voorgrondbelasting) en de geurbelasting op het plangebied veroorzaakt door alle veehouderijen samen (achtergrondbelasting) in beeld gebracht te worden. Verder moet bekeken worden dat zich geen belemmeringen vormen voor de in de omgeving gelegen bedrijven.

Ingenieursbureau van Nierop: Ruimtelijke Onderbouwing Parallelstraat 1 te Oijen

[18]

Op circa 420 meter van de bouwlocatie ligt de dichtstbijzijnde veehouderij met een milieuvergunning: Bedrijfsnaam Mts J.P.A. Bouwens en J.M.H. Bouwens Adres Parallelstraat 2 5394LW Oijen Grootteklasse 01 t/m 03, 0 t/m 4 werkzame personen SBI-code 01.41 SBI-omschrijving Fokken en houden van melkvee Categorie Landbouw, bosbouw en visserij LISA vestigingsnummer BE601155505 KvK nummer 000026159864 Kadastraal perceel Perceelnummer OEN00E 223 2 Oppervlakte 93840.4088605 m

Figuur 9 Interactieve kaart veehouderijen provincie Noord Brabant (www.brabant.nl) Conclusie geurhinder De te realiseren loods/veldschuur is op meer dan 300 meter van de dichtstbijzijnde veehouderij gesitueerd. Ten aanzien van de geurcontouren van dit bedrijf worden geen belemmeringen verwacht.

Ingenieursbureau van Nierop: Ruimtelijke Onderbouwing Parallelstraat 1 te Oijen

[19]

Door de gerealiseerde bouwwerken worden de veehouderijbedrijven in de omgeving voor wat betreft de geurbelasting niet belemmerd in hun toekomstige ontwikkelingen.

5.5 Luchtkwaliteit Regelgeving Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) vervallen. Omdat titel 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Specifieke onderdelen van de wet zijn uitgewerkt in algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen. De nieuwe wetgeving kent een dubbele doelstelling: • De overheid wil een belangrijke impuls geven aan het treffen van maatregelen zodat in ons land de Europese normen worden gehaald. • De overheid wil er ook voor zorgen dat er meer mogelijkheden zijn om projecten door te laten gaan. Dat was nodig omdat in het verleden veel plannen door de rechter werden stilgelegd vanwege het niet halen van de normen. Een belangrijk verschil met het Blk 2005 is dat de nieuwe regelgeving geen directe en harde koppeling meer kent tussen besluiten en grenswaarden. Deze is vervangen door een meer flexibele toetsing of koppeling tussen (ruimtelijke) besluiten en de gevolgen voor de luchtkwaliteit. Eén van de elementen daarvan is dat projecten die ‘niet in betekenende mate bijdragen’ aan de concentraties, niet meer afzonderlijk getoetst hoeven te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht.

Voor projecten die wél in betekenende mate bijdragen aan de concentraties is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) relevant. De mogelijkheid van projectsaldering, die het Blk 2005 al kende, is blijven bestaan. Bij projectsaldering wordt een besluit nog wél getoetst aan de grenswaarden. Onderzoek In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Voor de periode tussen het in werking treden van de ‘Wet luchtkwaliteit’ en het verlenen van derogatie door de EU is het begrip 'niet in betekenende mate' gedefinieerd als 1% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. Na verlening van derogatie treedt het NSL in werking en wordt de definitie van NIBM verschoven naar 3% van de grenswaarde. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven.

Op basis van het bovenstaande regelgeving op het terrein van de luchtkwaliteitseisen, rekening houdend met de ruimte geboden door de Regeling NIBM, valt af te leiden dat er in beginsel geen bezwaren zijn die de plannen voor de ontwikkeling van de nieuwe loods/veldschuur in de weg staan. Conclusie luchtkwaliteit Er kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering vormen voor het realiseren van een loods/veldschuur in het plangebied en dat voldaan wordt aan het gestelde eisen in de nieuwe Wet luchtkwaliteit.

5.6 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de richtlijnen Ingenieursbureau van Nierop: Ruimtelijke Onderbouwing Parallelstraat 1 te Oijen

[20]

voor vervoer gevaarlijke stoffen vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het besluitgebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer van gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn onder andere woningen, scholen, kantoorgebouwen met een bruto vloeroppervlak van minder dan of gelijk aan 1.500 m², ziekenhuizen, hotels, restaurants. Een loods/veldschuur is geen kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object. Nadere toetsing aan externe veiligheidsaspecten is dan ook niet noodzakelijk. Conclusie externe veiligheid Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect externe veiligheid geen belemmeringen bestaan voor de gerealiseerde bouwwerken.

5.7 Bedrijven- en milieuzonering Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009. In deze publicatie worden indicatieve richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. Volgens deze publicatie dient vanuit milieubelastende functies een richtafstand te worden aangehouden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. Een loods/veldschuur zal een minimaal belastend bedrijfsonderdeel zijn en valt daarmee binnen milieucategorie 2. Dit betekent dat de afstand tot milieugevoelige functies minimaal 30 meter moet bedragen. De dichtstbijzijnde woning ligt op 420 meter afstand en vormt daarmee geen belemmering. Conclusie milieuzonering Op basis van het aspect ‘milieuzonering’ bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen ontwikkelingen.

5.8 Gezondheid Ten aanzien van realisering van een gezondheidsanalyse uit te voeren.

loods/veldschuur het niet noodzakelijk om een

5.9 Waterparagraaf Onlangs is door het Waterschap besloten dat tot 2.000 m2 bouwoppervlak geen watertoets dient te worden uitgevoerd. In totaal wordt in het plangebied 276 m2 toegevoegd aan verharding. Aangezien de toename Omschrijving Oppervlakte (m2) van bebouwing en verharding minder is dan 2.000 m² is het niet Loods 169 noodzakelijk dat er een watertoets Landschappelijne inpassing (bos) 443 wordt uitgevoerd. Het hemelwater Verharding oprit 107 wordt verwerkt in het TOTAAL VERHARDING 276 naastliggende groenvak.

Ingenieursbureau van Nierop: Ruimtelijke Onderbouwing Parallelstraat 1 te Oijen

[21]

Tegen het plangebied ligt een waterkering met de bijbehorende beschermingszone (zie afbeelding). De te bouwen loods ligt niet in de keringszone, zoals uit onderstaande afbeelding blijkt.

Ingenieursbureau van Nierop: Ruimtelijke Onderbouwing Parallelstraat 1 te Oijen

[22]

6. UITVOERBAARHEID 6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De in de ruimtelijke onderbouwing geschetste ontwikkelingen worden meegenomen in de herziening van het bestemmingsplan buitengebied. In het kader van dit plan vindt vooroverleg en inspraak plaats.

6.2 Economische uitvoerbaarheid De realisering en de plankosten zijn voor rekening van de particuliere initiatiefnemer. Er wordt geen gebruik gemaakt van subsidies. Tussen de gemeente Oss en de initiatiefnemer wordt mogelijk een anterieure overeenkomst afgesloten betreffende de realisatie. De gemeente Oss heeft hierover nog geen uitspraak gedaan. Het plan is daarmee economisch uitvoerbaar.

6.3 Juridische uitvoerbaarheid Het bestemmingsplan buitengebied reguleert het gebruik van de gronden binnen het plangebied. Het plan biedt het gemeentebestuur een basis voor handhaving, indien op een bepaalde locatie activiteiten plaatsvinden die strijdig zijn met het bestemmingsplan en derhalve uit ruimtelijk oogpunt onwenselijk worden geacht.

Ingenieursbureau van Nierop: Ruimtelijke Onderbouwing Parallelstraat 1 te Oijen

Quickscan flora en fauna Parallelstraat 1 Ooijen

Datum:

15 februari 2016

Project:

2324

Opdrachtgever:

Reef B.V.

Auteur:

Bureau van Nierop Bisschop Rythoviusdreef 6A 5561 TD Riethoven

Colofon Projectnummer:

2324

Auteur: Veldmedewerker:

ing. L.J.M. Pruijsten ing. L.J.M. Pruijsten

Copyright:

Reef BV / Bureau van Nierop

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming Reef BV en/of Bureau van Nierop. Ingenieursbureau van Nierop Bosbouw en Ecologie Bisschop Rythoviusdreef 6a 5561 TD Riethoven Tel.: (0497) 53 54 00 Fax.: (0497) 53 51 00 Email: info@bureauvannierop.nl

Quickscan flora en fauna Parralelstraat 1 Ooijen Bureau van Nierop 2017

1

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1. Inleiding ............................................................................................................ 3 1.1 Aanleiding .................................................................................................................... 3 1.2 Doel onderzoek ............................................................................................................ 3 1.3 Opbouw rapport ........................................................................................................... 3 Hoofdstuk 2. Wettelijk kader .................................................................................................. 4 2.1 Gebiedsbescherming ................................................................................................... 4 2.1.1 Natura 2000 ........................................................................................................... 4 2.1.2 NNN ...................................................................................................................... 4 2.1.3 Uitvoering Gebiedsbescherming ............................................................................ 5 2.2 Soortenbescherming ....................................................................................................

6 2.3 Houtopstanden, hout en houtproducten ....................................................................... 8 Hoofdstuk 3. Onderzoekslocatie ............................................................................................ 9 3.1 Beschrijving onderzoekslocatie .................................................................................... 9 3.2 Beschrijving geplande maatregelen ............................................................................10 3.3 Ligging ten opzichte van beschermde gebieden ..........................................................10 3.4 Houtopstanden hout en houtproducten .......................................................................11 Hoofdstuk 4. Onderzoeksmethode .......................................................................................12 4.1 Literatuurstudie en deskresearch ................................................................................12 4.2 Veldbezoek .................................................................................................................12 Hoofdstuk 5.

Resultaten onderzoek ......................................................................................12 5.1 Flora ...........................................................................................................................12 5.2 Vogels .........................................................................................................................12 5.3 Terrestrische zoogdieren ............................................................................................12 5.4 Vleermuizen ................................................................................................................13 5.5 Amfibieën en reptielen ................................................................................................13 5.6 Vlinders en libellen ......................................................................................................13 5.7 Overige beschermde soorten ......................................................................................13 Hoofdstuk 6. Effectenbeoordeling .........................................................................................14 Hoofdstuk 7.

Conclusie en aanbeveling ................................................................................14 Bijlage 1 Jaarrond beschermde vogels .................................................................................15 Bijlage 2 Gegevens NDFF ....................................................................................................16 Bijlage 3 Foto’s onderzoekslocatie .......................................................................................17

Quickscan flora en fauna Parralelstraat 1 Ooijen Bureau van Nierop 2017

2

Hoofdstuk 1. Inleiding 1.1 Aanleiding Aanleiding voor deze quickscan flora en fauna is de voorgenomen realisatie van een opslagloods op het terrein van de waterzuivering aan de Parralelstraat te Ooijen. Deze rapportage beschrijft eventuele gevolgen voor beschermde soorten flora of fauna en/of beschermde gebieden.

1.2 Doel onderzoek In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen en ruimtelijke plannen zoals bijvoorbeeld, bestemmingsplannen, is inzicht gewenst in de aanwezigheid van beschermde soorten en elementen. Er dient een potentie-inschatting gemaakt te worden van welke soorten in een gebied kunnen voorkomen, in combinatie met een toetsing aan de Wet Natuurbescherming. Het doel van dit onderzoek is om vast te stellen of in te schatten, of er binnen het plangebied planten- en/of diersoorten aanwezig zijn, die volgens de huidige wetgeving een beschermde status hebben. Ook dient er vastgesteld te worden of het plangebied in potentie geschikt is voor bepaalde soorten. Indien een planlocatie zich nabij een beschermd gebied bevind, zoals nabij het Nationaal Natuurnetwerk (NNN) of een Natura 2000 gebied, dient tevens te worden vastgesteld of de voorgenomen activiteiten een negatief effect kunnen hebben op het beschermde gebied. Ook dient te worden bepaald of de geplande ingreep een mogelijke afbreuk doet op de werking van het NNN of de waarde van het gebied.

1.3 Opbouw rapport       

In hoofdstuk 1 wordt een korte inleiding gegeven op de aanleiding van deze quickscan en het doel hiervan; Hoofdstuk 2 omschrijft het wettelijke kader, hier wordt een korte toelichting gegeven op de natuurwetgeving, waarin soortenbescherming, gebiedsbescherming en bescherming van houtopstanden aan bod komen; In hoofdstuk 3 wordt de onderzoekslocatie beschreven. Hierbij wordt de huidige en de geplande situatie behandeld en de ligging ten opzichte van beschermde gebieden; Hoofdstuk 4 geeft een toelichting op de gebruikte onderzoeksmethode die is uitgesplitst in een literatuurstudie en een veldbezoek. In hoofdstuk 5 worden de resultaten uit de inventarisatie weergegeven; Hoofdstuk 6 behandeld de effecten van de ingreep en de soorten die er (mogelijk) voor komen. In hoofdstuk 7 wordt op basis van de effectenbeoordeling uit hoofdstuk 6 een advies opgesteld.

Quickscan flora en fauna Parralelstraat 1 Ooijen Bureau van Nierop 2017

3

Hoofdstuk 2. Wettelijk kader In dit hoofdstuk wordt kort het wettelijke kader en de toepassing op ruimtelijk ingrepen beschreven. 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming ingegaan. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Middels deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de Vogel- en Habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. De Wet Natuurbescherming benoemt niet welke concrete activiteiten wel of niet zijn toegestaan. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=febffed5-6594-4077-9b9a-9baa4fdf39f7