Bijlage 2A Toelichting - bijlage 08 Kesselsegraaf 12 Lith
Tekst van het document
BESTEMMINGSPLAN Buitengebied Oss - 2020 Bijlagen bij toelichting
Bijlage 8 - ruimtelijke onderbouwing Kesselsegraaf 12, Lith
Gemeente Oss | Raadhuislaan 2 | 5341 GM | Oss | T: 14 0412 | F: 0412 642605 | www.oss.nl |
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING KESSELSEGRAAF 12, LITH
INITIATIEFNEMER De Veer Kesselsegraaf 12 5397 AZ Lith
Locatie
Kesselsegraaf 12 5397 AZ Lith
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING KESSELSEGRAAF 12, LITH Planlocatie:
Kesselsegraaf 12 5397 AZ Lith Kvk nummer: 53320735 Vestigingsnummer: 000023204338
Adviseur/contact:
FarmConsult Sluisstraat 24 7491 GA Delden farmconsult@forfarmers.eu KvK nummer: 08207868 Vestigingsnummer: 000016141881
Datum:
28 februari 2018
Versie:
1.1b
Ruimtelijke onderbouwing Kesselsegraaf 12, Lith
Opsteller F. Heslenfeld tel. 0653-330180 frans.heslenfeld@forfarmers.eu
1
Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 INLEIDING .................................................................................... 3 HOOFDSTUK 2 PLANBESCHRIJVING ...................................................................... 4 2.1 Ligging van de locatie ..................................................................................................... 4 2.2 Huidige situatie .............................................................................................................. 4 2.3 Voorgenomen situatie .................................................................................................... 5
HOOFDSTUK 3 PLANOLOGISCH BELEID ................................................................ 6 3.1 Rijksbeleid ...................................................................................................................... 6 3.1.1
Structuurvisie infrastructuur en ruimte ......................................................................... 6
3.2 Provinciaal beleid ........................................................................................................... 6 3.2.1 Structuurvisie Ruimtelijke ordening Noord-Brabant .............................................................. 6 3.2.2 Verordening Ruimte Noord-Brabant .................................................................................... 7 3.2.3 Verordening natuurbescherming Noord-Brabant .................................................................. 7 3.3 Gemeentelijk beleid ........................................................................................................ 7 3.3.1 Structuurvisie Buitengebied Oss 2015 ................................................................................. 7 3.3.2 Toekomstvisie Oss op weg naar 2020 ................................................................................. 8 3.3.3 Nota landschapsbeleid ....................................................................................................... 8 3.3.4 Bestemmingsplan Buitengebied Lith 2013 en Voorontwerp bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2017 ...................................................................................................................................... 8
HOOFDSTUK 4 RUIMTELIJKE ASPECTEN ............................................................. 11 4.1 Natuur: gebieds- en soortenbescherming .................................................................... 11
4.2 Landschap ..................................................................................................................... 13 4.3 Archeologie en cultuurhistorie ..................................................................................... 14 4.3.1 Archeologie ......................................................................................................................14 4.3.2 Cultuurhistorie .................................................................................................................15 4.4 Parkeren en ontsluiting ................................................................................................ 15 4.4.1 Parkeren ..........................................................................................................................15 4.4.2 Ontsluiting .......................................................................................................................15
HOOFDSTUK 5 MILIEUASPECTEN ........................................................................ 16 5.1 Bodem ........................................................................................................................... 16
Ruimtelijke onderbouwing Kesselsegraaf 12, Lith
4.1.1 Gebiedsbescherming ........................................................................................................11 4.1.2 Soortenbescherming .........................................................................................................13
1
5.2 Externe veiligheid ......................................................................................................... 16 5.3 Geluid............................................................................................................................ 17 5.4 Geur .............................................................................................................................. 18 5.5 Luchtkwaliteit ............................................................................................................... 18 5.6 Water ............................................................................................................................ 19 5.7 Gezondheid ................................................................................................................... 20 5.8 Milieueffectrapportage ................................................................................................. 23
HOOFDSTUK 6 MAATSCHAPPELIJKE/ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID ............. 25 6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ............................................................................... 25 6.2 Economische uitvoerbaarheid ...................................................................................... 25
Ruimtelijke onderbouwing Kesselsegraaf 12, Lith
BIJLAGE 1 SITUATIE HUIDIG EN BEOOGDE BOUWVLAK....................................... 26 BIJLAGE 2 BEREKENING GEURBELASTING MET MOGELIJKE TOEKOMSTIGE ONTWIKKELING ................................................................................................. 27 BIJLAGE 3 LUCHTKWALITEIT .............................................................................. 28 BIJLAGE 4 LANDSCHAPPELIJKE INPASSING ......................................................... 29 BIJLAGE 5 AKOESTISCH RAPPORT ...................................................................... 30 BIJLAGE 6 MEMO ‘CAPACITEIT DRUKRIOLERING’ ................................................ 31 BIJLAGE 7 ARCHEOLOGISCH RAPPORT ............................................................... 32 BIJLAGE 8 MACHTIGING ..................................................................................... 33
2
1 Inleiding
Algemeen
Bestemmingsplan
Keuze voor de procedure
Leeswijzer
De Veer, vertegenwoordigd door H. de Veer (hierna: de initiatiefnemer), exploiteert aan de Kesselsegraaf 12 te Lith een varkenshouderij. Het bedrijf wenst het bouwvlak van vorm te veranderen ten einde een toekomstige uitbreiding van bedrijfsgebouwen mogelijk te maken. Hiervoor is op 3 oktober 2017 een principeaccoord ontvangen door het bevoegd gezag. Ter plaatse is het bestemmingsplan ‘Buitengebied Lith 2013’ vigerend. Voor het plangebied is het nieuwe bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss 2017’ in voorbereiding. Op de gronden waar het de vormverandering is voorzien, geldt in beide plannen de enkelbestemming “Agrarisch met waarden - landschap” en is intensieve veehouderij toegestaan. Om toekomstige bedrijfsontwikkeling mogelijk te maken, wenst initiatiefnemer dat de beoogde vormverandering van het bouwvlak meegenomen wordt in het ontwerp-bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss- 2017’. Hiervoor moet de beoogde vormverandering van het bouwvlak onderbouwd worden in een ruimtelijke onderbouwing. Onderhavig document voorziet hierin.
De volgende deelaspecten worden beschreven: in hoofdstuk 2 komen de aanleiding van het project en de huidige en gewenste situatie aan bod; hoofdstuk 3 gaat in op het vigerende ruimtelijke beleid van het Rijk, de provincie Noord-Brabant en de gemeente Oss; in hoofdstuk 4 worden de ruimtelijke aspecten van het project beschreven, waaronder de gevolgen voor natuur, landschap, cultuur/archeologie en verkeer; hoofdstuk 5 behandelt de milieuaspecten van het project, onder andere met betrekking tot de gevolgen voor bodem, geluid, geur en water.
Ruimtelijke onderbouwing Kesselsegraaf 12, Lith
Hoofdstuk
3
Hoofdstuk
2 Planbeschrijving 2.1 Ligging van de locatie Het plangebied is gelegen aan de Kesselsegraaf 12 te Lith.
Figuur 2.1: Ligging plangebied (Bron: PDOK viewer)
Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Oss, sectie G, nummer 286 (zie onderstaande figuur).
2.2 Huidige situatie Op 28 april 2011 is een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit milieu voor het milieuneutraal veranderen van de inrichting. De daarvoor liggende vergunning in het kader van de Wet Miliebeheer betrof de vergunning van 21-042009. Dit levert de volgende vergunde situatie op:
Ruimtelijke onderbouwing Kesselsegraaf 12, Lith
Figuur 2.2: Kadastrale kaart (Bron: PDOK viewer)
4
Bedrijfstotaal
Kolom A, B of C
nr stal
A
1
emissie punt RAV code GL nr a
D 3.2.9
diercategorie # dierplaatsen # dieren kg NH3 / dier
omschrijving GL
chemisch luchtwassysteem; 70% BWL 2008.06.V5 ammoniak emissiereductie (30% geur en 35% fijn stof emissiereductie)
Vleesvarkens
3072
2976
2678,40
294624
totaal NH3
0,9
2678,4
Oue / dier fijnstof / dier 16,1
99
totaal fijnstof (gr/jaar) 294624
Hierbij dient opgemerkt dat de in de tabel aangegeven luchtwasser niet aanwezig is. Op 22-09-2017 is een nieuwe aanvraag omgevingsvergunning ingediend voor de actuele situatie, tevens met een 70 % luchtwasser. Op onderstaande luchtfoto is de huidige situatie weergegeven met daarop de stalnummering. Tevens zijn op de inrichting de volgende gebouwen aanwezig: bedrijfswoning; vleesvarkensstal (stal 1); werkplaats (gebouw 2);
Figuur 2.3: Luchtfoto Kesselsegraaf 12 (Bron: PDOK viewer)
In de milieutekening die bij deze omgevingsvergunningaanvraag is gevoegd is een gedetailleerdere weergave van de aanwezige bebouwing opgenomen.
De wens het bouwvlak van vorm te wijzigen komt vanuit het doel een toekomstgerichte bedrijfsopzet te realiseren met daarbij de mogelijkheid ten zuiden van stal 1 een 2e stal voor vleesvarkens re realiseren. Voor het in beeld brengen van mogelijke gevolgen is onderstaande diertabel gehanteerd, uitgaande van huidige wet- en regelgeving:
Toekomstrichting
Bedrijfstotaal Kolom A, B of C A
C
nr stal
emissie punt
RAV code
1
a
D 3.2.14
2
b
D 3.2.15.4
GL nr
omschrijving GL
chemisch luchtwassysteem; 95% BWL 2010.26.V2 ammoniak emissiereductie (30% geur en 35% fijn stof emissiereductie) gecombineerd luchtwassysteem 85% BWL 2009.12.V2 emissiereductie (85% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en
diercategorie
# dierplaatsen # dieren kg NH3 / dier
1785,60
totaal NH3
58329,6
386880
totaal fijnstof Oue / dier totaal Oue fijnstof / dier (gr/jaar)
Vleesvarkens
3072
2976
0,15
446,4
16,1
47913,6
99
294624
Vleesvarkens
3072
2976
0,45
1339,2
3,5
10416
31
92256
Met deze vormverandering wordt het bouwvlak compacter, en maakt een meer logische bedrijfsontwikkeling mogelijk. Voor de situatietekening van het huidige en beoogde bouwvlak zie de bijlagen. Daarbij zij opgemerkt dat er in de beoogde situatie geen sprake meer is van stalling van machines op erfverharding ten noordwesten van de bestaande loods.
Ruimtelijke onderbouwing Kesselsegraaf 12, Lith
2.3 Voorgenomen situatie
5
3 Planologisch beleid Om te oordelen of de in het vorige hoofdstuk beschreven (ruimtelijke) ontwikkeling mogelijk en wenselijk is, is deze getoetst aan het relevante rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid.
3.1 Rijksbeleid Bij het ruimtelijk beleid op Rijksniveau onderscheiden we de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).
3.1.1 Structuurvisie infrastructuur en ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is vastgesteld op 13 maart 2012. In de SVIR legt het Rijk de ambities voor Nederland in 2040 vast door aan te geven waar het land in dat jaar moet staan. Daarbij streeft het Rijk naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Dit betekent onder andere dat het Rijk een aantrekkelijk vestigingsklimaat wil ontwikkelen, waarbij de concurrentiekracht voor internationale bedrijven en een economische ontwikkeling wordt versterkt. Naast deze ambities voor de lange termijn kiest het Rijk tevens voor drie concrete doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028), te weten: het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Hierbij maakt het Rijk gebruik van verschillende nationale belangen, waarvoor zij verantwoordelijk is en resultaten wil boeken.
Uit de beoordeling van de SVIR blijkt dat ter plaatse van de projectlocatie geen sprake is van enige aanduiding van na te streven doelen in het kader van de in de structuurvisie genomende doelen. Conclusie: het plan heeft geen gevolgen voor de in de SVIR nagestreefde nationale belang met betrekking tot cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten.
3.2 Provinciaal beleid Voor wat betreft het provinciaal ruimtelijk beleid is met name de Verordening Ruimte van belang.
3.2.1 Structuurvisie Ruimtelijke ordening Noord-Brabant Op 1 januari 2011 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening Noord-Brabant in werking getreden. In de structuurvisie heeft de provincie haar ruimtelijke keuzes gemaakt middels vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Voor iedere structuur formuleert de provincie ambities en beleid welke verder zijn uitgewerkt in de Verordening Ruimte.
Ruimtelijke onderbouwing Kesselsegraaf 12, Lith
Hoofdstuk
6
3.2.2 Verordening Ruimte Noord-Brabant De Verordening Ruimte Noord-Brabant bevat planologische regels van de provincie Noord-Brabant waarmee bestemmingsplannen in overeenstemming moeten zijn of gebracht worden. De locatie ligt in gemengd landelijk gebied. Ten aanzien van vormverandering van bouwvlak worden er in de verordening ruimte geen regels gesteld.
3.2.3 Verordening natuurbescherming Noord-Brabant Op 23 december 2016 is de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant vastgesteld; vervolgens zijn op 7 juli de tweede en derde, en op 25 september 2017 de 4e wijzigingsverordeningen vastgesteld. Hierin worden eisen aan huisvestingssytemen gesteld voor veehouderij- bedrijven. Daarin is voor bestaande stallen het tijdstip van vergunning (onherroepelijk) medebepalend. Voor de huidige stal is het huisvestingssysteem D 3.2.9 voor het eerst onherroepelijk vergund op 4 mei 2005. Dat betekent dat het huisvestingssysteem dan aangepast dient te worden of, met een nieuwe vergunningaanvraag uiterlijk 01 januari 2010 aan een stalsysteem met minimaal 85% NH3 reductie. Voor een nieuwe stal ter plaatse van het vlak van vormverandering geldt die eis direct. Onder hoofdstuk 4 zijn mogelijke gevolgen met inachtneming van bovenstaande verder uitgewerkt.
3.3 Gemeentelijk beleid Bij de beschrijving van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wordt ingegaan op de Structuurvisie Buitengebied Oss 2015, de Toekomstvisie Oss op weg naar 2020, Nota landschapsbeleid en het bestemmingsplan Buitengebied Lith- 2013 en het voorontwerp-bestemmingsplan Buitengebied Oss- 2017.
3.3.1 Structuurvisie Buitengebied Oss 2015
De gemeente Oss heeft in 2015 een integrale visie op het totale buitengebied van de gemeente Oss vastgesteld. De structuurvisie biedt de juridische basis voor financiële bijdragen bij ruimtelijke ontwikkelingen. In de structuurvisie zijn doelstellingen opgenomen die moeten leiden tot een robuuste en duurzame ruimtelijke structuur voor een vitaal en multifunctioneel buitengebied. De doelstellingen zijn doorvertaald naar een ontwikkelingsvisie per landschapstype. Per landschapstype is een gebiedsbeschrijving, een ruimtelijke en een functionele visie opgenomen. De locatie ligt in Primair agrarisch gebied. In dit gebied staat landbouw voorop en wordt gestreefd naar duurzame bedrijfslocaties binnen de randvoorwaarden van de verordening ruimte. Het voorgenomen plan en vormverandering past past binnen de kaders van deze structuurvisie.
Ruimtelijke onderbouwing Kesselsegraaf 12, Lith
De gemeenteraad van Oss heeft op 17 september 2015 de “Structuurvisie 2015” (hierna: de structuurvisie) vastgesteld.
7
3.3.2 Toekomstvisie Oss op weg naar 2020 De toekomstvisie ‘Oss op weg naar 2020’ (2004) is richtinggevend voor de beleidsontwikkeling op de langere termijn. Eén van de potenties van Oss ligt volgens deze visie in het gevarieerde landelijk gebied waarin zich tal van kleine kernen bevinden. Uitgangspunt is het werken aan het behoud van het platteland met zijn rust en ruimte, aantrekkelijke kleinschalige toeristische voorzieningen en aan de ontplooiing van levenskrachtige dorpen. Een andere potentie ligt in het werken aan een duurzame gemeente. Duurzame ontwikkeling van natuur, landschap en ecologie draagt bij aan de leefkwaliteit. De toekomstvisie stelt dat Oss vele ‘kostbare’ plekjes kent en een groots landschap, met ruimte voor landbouw en natuur. De locatie ligt in een gebied waar landbouw de ruimte krijgtzich duurzaam te ontwikkelen. Het voorgenomen plan past binnen deze toekomstvisie.
3.3.3 Nota landschapsbeleid De Nota Landschapsbeleid zorgt voor een beleidskader voor het landschap in landelijk gebied welke een sturende werking heeft bij ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied. Ruimtelijke ingrepen en nieuwe functies in het buitengebied hebben een grote uitstraling naar de omgeving. Dit betekent dat bij deze ingrepen (bijvoorbeeld de bouw van agrarische bedrijfsgebouwen) eisen aan de landschappelijke inpassing van objecten moeten worden gesteld. De gemeente wordt verder geconfronteerd met de aanleg of verwijdering van (landschaps)elementen op agrarische percelen in het buitengebied. Dergelijke initiatieven komen vaak niet overeen met de ter plaatse aanwezige en te behouden landschappelijke kwaliteit. In de Nota Landschapsbeleid wordt per deelgebied beschreven wat de landschappelijke visie is. Per deelgebied wordt aangegeven wat de ontwikkelingsvisie is. Daarbij worden aandachtspunten voor uitwerking en uitvoering geschetst. De locatie ligt in een komgebied (het landschapstype Rivierkom- en oeverwalachtige vlakte). In het komgebied bestaan mogelijkheden voor zowel intensieve als extensieve veehouderijen. Het landschap is grootschalig, open tot zeer open en wordt gekenmerkt door een zeer regelmatig, rationeel, rechtlijnig verkavelingspatroon. De openheid in het komgebied is zeer kenmerkend en uniek
Voor de beoogde vormverandering van het bouwvlak is in het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Lith 2013’ onder artikel 37.2 een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor een vormverandering van het bouwvlak onder voorwaarden: a. indien het een bouwvlak betreft met de aanduiding 'intensieve veehouderij', het gronden betreft die zijn gelegen binnen de zone 'reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied' of 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied'; Onderhavige locatie heeft de anduiding ‘intensieve veehouderij op gronden met de aanduiding ‘verwevingsgebied’. b. de oppervlakte van het te wijzigen bouwvlak niet wijzigt; Dat is met het voornemen aan de orde. c. aangetoond is dat voldaan wordt aan de eisen van de milieuwetgeving (ammoniak, geur, volksgezondheid en dergelijke) en er geen onevenredige nadelige gevolgen zijn voor de in de omgeving aanwezige waarden (zoals water, ecologie, Natura 2000-gebied, landschap, cultuurhistorie en archeologie) en
Ruimtelijke onderbouwing Kesselsegraaf 12, Lith
3.3.4 Bestemmingsplan Buitengebied Lith 2013 en Voorontwerp bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2017
8
voor de belangen van derden; in hierna volgende hoofdtukken worden onderbouwingen betreffende deze aspecten opgenomen. d. het bouwvlak goed en zorgvuldig landschappelijk wordt ingepast met inheemse beplanting; In een aparte bijlage is een landschappelijk inpassingsplan toegevoegd. e. wordt voldaan aan bijlage 6 (Stimuleringskader beeldkwaliteit) dan wel anderszins een goede uitstraling van het geheel in stedenbouwkundige, landschappelijke en/of architectonische zin wordt bereikt. Aan de in bijlage 6 genoemde aspecten voor het gebied ‘Lithse Polder’ zal/ kan met de toekomstige bebouwing worden voldaan. In het voorontwerp bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2017’ is onder artikel 40.2 een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor een vormverandering van het bouwvlak onder voorwaarden: a. er sprake is van een grondgebonden veehouderij indien het een veehouderij betreft binnen de zone 'overige zone - beperking veehouderij'; onderhavige locatie is gelegen in het gebied met aanduiding ‘gemengd landelijk gebied’. Daarmee is deze voorwaarde niet van toepassing. b. de oppervlakte van het te wijzigen bouwvlak niet wijzigt; Dat is met het voornemen aan de orde. c.
aangetoond is dat voldaan wordt aan de eisen van de milieuwetgeving (ammoniak, geur, volksgezondheid en dergelijke) en er geen onevenredige nadelige gevolgen zijn voor de in de omgeving aanwezige waarden (zoals water, ecologie, Natura 2000-gebied, landschap, cultuurhistorie en archeologie) en voor de belangen van derden; in hierna volgende hoofdtukken worden onderbouwingen betreffende deze aspecten opgenomen. d. het bouwvlak goed en zorgvuldig landschappelijk wordt ingepast met inheemse beplanting; In een aparte bijlage is een landschappelijk inpassingsplan toegevoegd. e. wordt voldaan aan het stimuleringskader beeldkwaliteit (bijlage PM) dan wel anderszins een goede uitstraling van het geheel in stedenbouwkundige, landschappelijke en/of architectonische zin wordt bereikt. Ervan uitgaande dat het stumuleringskader beeldkwaliteit in grote mate overeenkomt met bijlage 6 in het vigerende bestemmingsplan zal/ kan met de toekomstige bebouwing worden voldaan.
Ruimtelijke onderbouwing Kesselsegraaf 12, Lith
Verbeelding vormverandering bouwvlak Navolgend de verbeelding van het bouwvlak zoals aangeduid in het vigerende bestemmingsplan.
9
Figuur 3.5: Vigerend bouwvlak Bestemmingsplan “Buitengebied Lith 2013” (www.ruimtelijkeplannen.nl)
Het bestaande bouwvlak omvat een oppervlakte van ruim 1,85 ha Onderstaand de verbeelding van het bouwvlak zoals gewenst op te nemen in het ontwerp bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2017’ . Dit bouwvlak heeft een oppervlak van 1,84 ha (naar boven afgerond). Zie voor nadere situatieschetsen de bijlagen
Ter plaatse zijn de volgende bestemmingen/aanduidingen in het voorontwerp “Buitengebied Oss – 2017” van toepassing: de enkelbestemming “Agrarisch met waarden - landschap” (artikel 3); de functieaanduiding “specifieke vorm van agrarisch – veehouderij” de gebiedsaanduidingen: o “overige zone – komgebied” o “overige zone - primair agrarisch gebied” Deze aanduidingen dienen ook voor het plangebied van de vormverandering opgenomen worden.
Ruimtelijke onderbouwing Kesselsegraaf 12, Lith
Figuur 3.6: Gewenst bouwvlak
10
Hoofdstuk
4 Ruimtelijke aspecten In dit hoofdstuk worden de ruimtelijke aspecten van het project beschreven, waaronder de gevolgen voor natuur, flora en fauna, landschap, cultuur/archeologie en verkeer.
4.1 Natuur: gebieds- en soortenbescherming De bescherming van de natuur in Nederland vindt plaats door Europese en nationale wetgeving. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 zijn de gebieds- en soortenbescherming op nationaal niveau zijn opgegaan in één wet, de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb). Omdat er nog steeds wel sprake is van een afzonderlijk beoordelings kader wordt hierna afzonderlijk ingegaan op de gebieds- en soortenbescherming.
4.1.1 Gebiedsbescherming Bij de beschrijving van de ter plaatse geldende gebiedsbescherming gaan we in op de Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (hierna: NNN) en de zeer kwetsbare gebieden op grond van de Wet ammoniak en veehouderij (hierna: Wav). Natura 2000 Natura 2000 is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebied-en in Europa, die worden aangewezen ter uitvoering van twee Europese richtlijnen: de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wnb beschermd. Op onderstaande kaart zijn de Natura 2000-gebieden weergegeven die in de omgeving van de projectlocatie liggen.
Op 21 juli 2015 is er een melding in het kader van de Wet natuurbescheming gedaan onder de regels van de PAS voor wat betreft invloed van stikstof gerelateerde aspecten; er is een registerberekening uit het programma Aerius ontvangen (berekeningsnummer 1e7Xjkwtn (21 juli 2015). De vormverandering van het bouwvlak is als zodanig niet als project aan te merken in het kader van de Wet natuurbescherming. Voor de realisatie van een toekomstige stal ter plaatse is een nieuwe melding of aanvraag in het kader van deze wet aan de orde. Binnen de kaders van de huidige toestemming van 21 juli
Ruimtelijke onderbouwing Kesselsegraaf 12, Lith
Figuur: 4.1: Natura 2000- gebieden in omgeving projectlocatie (Bron: Aerius)
11
2015 en een evt. beroep op de dan te bepalen ontwikkelingsruimte in het kader van de PAS is een dergelijke ontwikkeling mogelijk. Ter onderbouwing is een verschilberekening van depositie met de huidige versie van het programma Aerius gemaakt van de vergunde situatie met een 95% luchtwasser op stal 1 (practisch haalbare aanpassing vlgns de VR natuurbescherming) en de mogelijke stal 2 met een 85% luchtwasser (VR natuurbescherming), zoals ls weergegeven in de diertabel in hoofdstuk 2. Daaruit blijkt dat, indien er zg. ontwikkelruimte in het kader van de PAS beschikbaar is, deze situatie vergunbaar is. Voor het geval er geen ontwikkelruimte beschikbaar is, is er een 2e verschilberekening gemaakt met op beide stallen een 95% luchtwasser. Daaruit blijkt dat deze ontwikkeling haalbaar is binnen de vergunde situatie in het kader van de Wet natuurbescherming onder de PAS regels. Zie de bijlage voor de verschilberekeningen van depositie. Overige mogelijke invloedsfactoren Gezien de aard en omvang van de veehouderij, en de afstand tot de betreffende gebieden zijn overige mogelijke overige storingsfactoren uit te sluiten. Conclusie: De voorgenomen vormverandering brengt geen significante gevolgen met zich mee voor de Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied.
Kwetsbare gebieden Wet ammoniak en veehouderij De Wav vormt een onderdeel van de ammoniakregelgeving voor dierenverblijven van veehouderijen. Deze wet beschermt onder andere zeer kwetsbare gebieden tegen de uitstoot van ammoniak van veehouderijen. Deze geldt voor vergunningplichtige bedrijven (die een omgevingsvergunning milieu nodig hebben). Op grond van artikel 2 van de Wav wijst de provincie de gebieden aan die als zeer kwetsbaar gebied worden aangemerkt. Het betreft alleen de voor verzuring gevoelige gebieden, of delen daarvan, die zijn gelegen in de ecologische hoofdstructuur. In figuur 4.2 zijn met okergeel de kwetsbare gebieden in de omgeving van de projectlocatie weergegeven.
De locatie is niet gelegen in een 250 meter zone rondom een zeer kwetsbaar gebied in het kader van de Wet ammoniak en veehouderij (Wav). Het dichtstbijzijnde zeer kwetsbaar Wav-gebied is gelegen op 6,3 km. Conclusie: de projectlocatie ligt niet in een zone van 250 meter rondom een zeer kwetsbaar gebied in het kader van de Wav.
Ruimtelijke onderbouwing Kesselsegraaf 12, Lith
Figuur: 4.2: Ligging zeer kwetsbare gebieden Wav in omgeving projectlocatie (Bron: provincie NoordBrabant
12
4.1.2 Soortenbescherming Voor soortenbescherming geldt dat deze gericht is op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. Binnen de Wnb wordt de soortbescherming opgedeeld in drie categorieën: 1. De bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogels van soorten die voorkomen in de EU als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten (art. 3.1 – 3.4). 2. De bescherming van in het wild levende dieren en planten van soorten die voorkomen in de EU op grond van de Habitatrichtlijn (bijlagen I, II, IV en V) en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5 – 3.9). 3. De bescherming van niet onder de bovenstaande twee categorieën vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland, vermeld in de bijlage van de Wet natuurbescherming (art. 3.10 – 3.11). Voor de zoogdier- amfibie- en reptielsoorten opgenomen in deze bijlage geldt geen Europese verplichting tot bescherming. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren een bescherming behoeven. De andere in de bijlage opgenomen soorten worden om ecologische redenen beschermd.
Hiermee geeft Nederland uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om kwetsbare en bedreigde dier- en plantsoorten te beschermen. De Wnb bestaat uit aparte verboden voor elk van de drie categorieën beschermde soorten. De verboden en uitzonderingen sluiten met de nieuwe wet nauw aan op de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en voor de aanvullend beschermde soorten geldt een minder strikt regime. In relatie tot soortenbescherming kan over het projectgebied het volgende worden opgemerkt: het projectgebied ligt niet in de nabijheid van Natura 2000 gebieden; het projectgebied bestaat momenteel uit akkerbouwland die frequent wordt bewerkt. . Deze gronHet is niet aannemelijk dat er sprake van leefgebied van bijvoorbeeld vleermuizen, muizen en / of mussen. Conclusie: gezien het bovenstaande kan worden geconcludeerd het project niet leidt tot nadelige gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten. Er is geen noodzaak tot het uitvoeren van een ecologisch onderzoek.
De locatie ligt in een komgebied. Het landschap is grootschalig, open tot zeer open en wordt gekenmerkt door een zeer regelmatig, rationeel, rechtlijnig verkavelingspatroon. De ruimtelijke opbouw wordt bepaald door de openheid, de smalle slagenverkaveling, waterlopen, enkele kades, boerderijen al dan niet met erfbeplanting, een aantal eendenkooien en laanbeplanting. De openheid in het komgebied is zeer kenmerkend en uniek. Een belangrijk aandachtspunt is een goede landschappelijke inpassing van ruimtelijke ontwikkelingen. Het landschapsplan moet gebaseerd zijn op de uitgangspunten in het landschapsbeleid en de structuurvisie van de gemeente Oss (zie ook paragraaf 3.3 inzake gemeentelijk beleid). Voor de beoogde bouwblokverandering is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld en bijgevoegd in bijlage 4. Hierin is de schuine landschapslijn die achter het bouwvlak loopt betrokken.
Ruimtelijke onderbouwing Kesselsegraaf 12, Lith
4.2 Landschap
13
Afspraken over de uitvoering van het landschappelijk inpassingsplan worden vastgelegd in een overeenkomst met de gemeente Oss en worden tevens bestuursrechtelijk vastgelegd in het bestemmingsplan. Hiermee wordt de uitvoering en instandhouding van het landschappelijke inpassingsplan gewaarborgd. Conclusie: het plan voorziet in een goede landschappelijke inpassing.
4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.3.1 Archeologie Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn. Is de verwachting dat er archeologisch waardevolle zaken aanwezig kunnen zijn, dan is vooronderzoek nodig.
Voor onderhavige locatie en de locatie van de beoogde 2e stal is deels in een gebied dat al eerder op archeologie is onderzocht. Het overige deel ligt in een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde. Aangezien er tot een oppervlakte van 5 ha geen onderzoeksplicht is, kan met het reeds bestaande archeologische rapport uit 2005 worden volstaan. Genoemd rapport is in de bijlagen opgenomen. Conclusie: Er behoeft geen nieuw archeologisch onderzoek plaats te vinden.
Ruimtelijke onderbouwing Kesselsegraaf 12, Lith
De Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) 2010 met de archeologische verwachtingen van de provincie vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente Oss. De archeologische waarden- en verwachtingskaart is een kaart waarop bekende en vermoedelijke archeologische vindplaatsen en terreinen staan weergegeven. De kaart vormt een instrument voor het omgaan met archeologische waarden in ruimtelijke planvorming. Zij ligt ook ten grondslag aan de archeologische dubbel-bestemmingen die in het bestemmingsplan “Buitengebied Lith 2013” en “Buitengebied Oss – 2017” zijn opgenomen.
14
4.3.2 Cultuurhistorie
Bovenstaande resulteert in het bestemmingsplan tot de aanduiding Agrarisch met waarden – Landschap. De mogelijke ontwikkelingen op het bedrijf zijn niet strijdig met de daarbij behorende regels. Conclusie: het project tast geen cultuurhistorische waarden aan.
4.4 Parkeren en ontsluiting 4.4.1 Parkeren Uitgangspunt is dat elke initiatiefnemer van bedrijfsontwikkelingen zorgdraagt voor zijn eigen parkeeroplossing en dat een nieuw bouwinitiatief geen parkeerproblemen in de omgeving mag veroorzaken. Binnen de inrichting is, ook bij toekomstige realisatie van een 2e stal, voldoende parkeergelegenheid aanwezig voor bezoekers en medewerkers. In het geval waarin meerdere vrachtwagens tegelijkertijd het bedrijf aandoen, is er binnen het beoogde bouwblok, ook in geval mogelijke ontwikkelingen, bij ruimte om deze te herbergen. Conclusie: Op het bedrijfsperceel is voldoende ruimte om in de parkeerbehoefte te voorzien.
4.4.2 Ontsluiting Het bedrijf van initiatiefnemer ligt op de hoek van de Kesselsegraaf en de Tiendweg. Het wordt ontsloten door 1 oprit voor privé en schoon bedrijfsverkeer. Daarnaast zijn er aan de Tiendstraat 2 opritten voor de bedrijfsactiviteiten . Het verkeer dat zich op de Kesselsegraaf en Tiendweg Loostraat bevindt, bestaat uit bestemmingsverkeer. Het plan kan leiden tot een uitbreiding van bedrijfsactiviteiten en daarmee een verhoging van de verkeersintensiteit. Dit betreft een relatief beperkte toename van bestemmingsverkeer welke geen consequenties voor de wegenstructuur tot gevolg heeft. Conclusie: Het plangebied wordt goed ontsloten. Het project heeft beperkt gevolgen voor de verkeersintensiteiten, noch de bestaande wegenstructuur.
Ruimtelijke onderbouwing Kesselsegraaf 12, Lith
Figuur: 4.3: Ligging locatie op Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW 2010) (Bron: provincie NoordBrabant
Uit informatie van de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart blijkt dat de locatie is gelegen in een gebied met aanduiding Archeologisch landschap. Zie onderstaande figuur 4.3
15
5 Milieuaspecten In dit hoofdstuk worden de milieuaspecten van het project behandeld. We gaan nader in op de gevolgen voor bodem, externe veiligheid, geluid, geur, luchtkwaliteit, water, volksgezondheid en milieueffectrapportage.
5.1 Bodem Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is de bescherming van de bodem. Een bodemonderzoek moet worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak. Voor de volgende bouwwerken moet de bodemkwaliteit worden getoetst: bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven (verblijfsduur van twee of meer uren per (werk)dag; voor het bouwen waarvoor een omgevingsvergunning om te bouwen vereist is. Voor een toekomstige nieuwe stal op de geplande vormverandering is weliswaar een omgevingsvergunning om te bouwen vereist, maar het is geen bouwwerk waarin mensen (nagenoeg) voortdurend zullen verblijven; De staluitvoering is dusdanig dat de voedering en de klimaatinstellingen automatisch geschieden. Per dag behoeft er enkel 1 a 2 keer een controleronde gelopen te worden. De verblijfsduur zal daarmee uitkomen op minder dan twee uur per (werk)dag. Aldus hoeft de bodemkwaliteit niet getoetst te worden. In de huidige situatie is het plangebied reeds sinds jaar en dag in gebruik als akkerbouwgrond en grasland. In het verleden zijn er geen bodembedreigende activiteiten verricht. Voor zover bekend is het plangebied niet verdacht voor een ernstig geval van bodemverontreiniging. Voor de ruimtelijke procedure is geen aanvullend bodemonderzoek nodig.
Conclusie: de bodemgesteldheid vormt geen belemmering voor het toekomstig gebruik van het perceel.
5.2 Externe veiligheid De regelgeving op het gebied van externe veiligheid beoogt een minimaal veiligheidsniveau te garanderen voor de burger voor wat betreft risico's van opslag en transport van gevaarlijke stoffen. Hiervoor zijn normen en richtwaarden opgenomen in de wetgeving in de vorm van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico is de plaatsgebonden kans per jaar dat een onbeschermd persoon komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans van éénmaal in de miljoen jaar op een dergelijk ongeval is als norm in de regelgeving opgenomen. Het plaatsgebonden risico (PR) is weer te geven met een contour rondom een activiteit. Het groepsrisico geeft de kans per jaar aan dat een groep personen van een bepaalde grootte (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) tegelijk slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) wordt weergegeven in een curve waarin het aantal personen is afgezet tegen de kans
Ruimtelijke onderbouwing Kesselsegraaf 12, Lith
Hoofdstuk
16
per jaar op (tegelijk) overlijden. Het groepsrisico is echter geen harde norm, maar een oriënterende waarde. Het plan is niet van (negatieve) invloed de persoonsdichtheden binnen het gebied. Ook biedt het de vormverandering geen mogelijkheden voor nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten en is het project daarmee niet van invloed op de hoogte van het groepsrisico. Onderstaande figuur geeft de aanwezigheid van andere risicovolle inrichtingen in de omgeving weer. Figuur 5.1: Risicokaart omgeving projectgebied (Bron: Risicokaart)
In directe omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen. Verder is het plangebied niet gelegen binnen een (hinder)zone of werkstrook van hoofdleidingen of kabels. Er liggen geen hoofdleidingen voor olie, gas of water en geen hoogspanningsleidingen in of nabij het plangebied, waarmee rekening zou moeten worden gehouden. Conclusie: Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
In het kader van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidbelasting in de toekomst. Voor de bepaling van de geluidbelasting moeten woningen van derden worden aangemerkt als geluidgevoelige objecten. Het plan leidt bij mogelijk ontwikkelen van een nieuwe stal tot een verschuiving van projectgebied. Daarmee is het een verschuiving van mogelijke geluidsbronnen ten opzichte van het dichtstbij gelegen geluidsgevoelige object; de woning bij het bedrijf aan de Hoevenweg 1 te Maren-Kessel. Vanwege de beoogde uitbreiding is er een akoestisch onderzoek ten behoeve van de beoogde vormverandering van het bouwvlak opgesteld en als bijlage toegevoegd . Aanvaardbaar woon- en leefklimaat De VNG-publicatie houdt voor het geluid van het houden van varkens een (maximale) richtafstand aan van 50 meter. Het dichtsbijzinde geurgevoelige object bevindt zich met een afstand van 61 meter tot het huidige bouwvlak buiten deze richtafstand. Het plan is erop gericht een vormverandering van het
Ruimtelijke onderbouwing Kesselsegraaf 12, Lith
5.3 Geluid
17
bouwvlak waarbij deze afstand 98 meter wordt. Dit betekent een vergroting van de feitelijke afstand. Conclusie: het plan is uitvoerbaar voor het onderdeel geluid.
5.4 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het beoordelingsskader voor inrichtingen die een omgevingsvergunning milieu nodig hebben in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo. Bij een beslissing inzake de omgevingsvergunning milieu voor het oprichten of veranderen van een veehouderij betrekt het bevoegd gezag de geurhinder, door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 9 van de Wgv. Als er voor de voorgenomen ontwikkeling geen omgevingsvergunning milieu nodig is, gelden de geurvoorschriften uit paragraaf 3.5.8 van het Activiteitenbesluit. Voor een toekomstige ontwikkeling van initiatiefnemer wordt een omgevingsvergunning activiteit milieu aangevraagd. Derhalve gelden de geurvoorschriften uit de Wgv. Het plan leidt niet direct tot een aanpassing van de mogelijke vergunde geurruimte binnen het huidige bouwvlak. Voor de beoordeling van een mogelijke ontwikkeling zijn is een geurberekening van de worstcase situatie in de bijlagen opgenomen. Dit is de situatie met een 95% luchtwasser op de bestaande stal 1 en een 85% luchtwasser op de mogelijke stal 2. Aanvaardbaar woon- en leefklimaat De VNG-publicatie houdt voor de geur van het houden van varkens een (maximale) richtafstand aan van 200 meter.
Het dichtstbijzijnde geurgevoelige object bevindt zich met een afstand van ca. 1300 meter tot het huidige bouwvlak buiten deze richtafstand. Het plan is erop gericht een vormverandering van het bouwvlak waarbij deze afstand ca 40 meter groter wordt. Conclusie: het plan is uitvoerbaar voor het onderdeel geur.
Ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit is titel 5.2 (‘Luchtkwaliteitseisen’) van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) van belang. De kern van deze wettelijke regeling is artikel 5.16 Wm. In het tweede lid van dit artikel staan de bevoegdheden genoemd bij de uitvoering waarvan aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit moet worden getoetst. Deze grenswaarden zijn genoemd in bijlage 2 van de Wm. Ten aanzien van de bestaande activiteiten op de locatie kan gesteld worden dat alleen de emissie van fijn stof relevant is. Ten behoeve van concretisering is er een berekening van de verspreiding van fijnstof (PM10) uitgevoerd met het programma Isl3a V2017, rekening houdend met een worstcase situatie zoals beschreven onder de kop Geur. Deze berekening is bijgevoegd in bijlage 3 en uit de berekeningsresultaten volgt dat de concentraties fijnstof ruim onder de norm van 31,2 ug/m3 van de Verordening ruimte blijven. Aanvaardbaar woon- en leefklimaat Gezien de afstand van de huidige situatie van circa 60 meter tot de dichtstbijzijnde woning, kan met de verruimming van deze afstand naar ca. 98 meter eveneens een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd voor wat betreft de stofhinder. Immers, de VNG-publicatie houdt daarvoor een richtafstand aan van maximaal 30 meter.
Ruimtelijke onderbouwing Kesselsegraaf 12, Lith
5.5 Luchtkwaliteit
18
Conclusie: het plan is uitvoerbaar voor het onderdeel luchtkwaliteit
5.6 Water Watertoets Op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) worden de waterhuishoudkundige aspecten betrokken in ruimtelijke plannen. Onderhavig plan omvat enkel de vormverandering van het bouwvlak. Daarbij is bij een toekomstige aanvraag omgevingsvergunning voor een nieuwe stal uiteraard wel een waterparagraaf aan de orde. Voorkeursbeleid hemel- en afvalwater Bij het afvoeren van overtollig hemelwater is het landelijk beleid dat het afstromend hemelwater ter plaatse in het milieu moet worden gebracht, dat wil zeggen lozen in de bodem (infiltratie) of in het oppervlaktewater. Het waterschap heeft de voorkeur om het hemelwater, daar waar mogelijk, te het infiltreren in de bodem. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's geniet daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (ITriool) of infiltratiekratten een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf nieuwe dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. De afvoer van overtollig hemelwater uit het projectgebied mag, ongeacht de toegepaste methode, niet tot wateroverlast leiden op aangrenzende percelen.
Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen.
In de toekomstige aanvraag Omgevingsvergunning wordt dit nader uitgewerkt middels een vergroting van het reeds aanwezige wateropvangbekken op het terrein. Voor het huidige afvalwater is het bedrijf reeds aangesloten op de aanwezige drukriolering. Als gevolg van de beoogde situatie zal de hoeveelheid afvalwater toenemen. Bij neen toekomstige aanvraag omgevingsvergunning zal voor deze toename de gemeentelijke memo ‘Capaciteit drukriolering’ toesingsmiddel zijn. Zie bijlage voor deze memo. Conclusie: er staan geen waterhuishoudkundige belangen in de weg aan het plan.
Ruimtelijke onderbouwing Kesselsegraaf 12, Lith
Uitgaande van het voorlopig fictieve plan een nieuwe stal te realiseren gelijk aan de bestaande stal is er sprake van een uitbreiding van verhard oppervlak van ca. 3860 m2 aan stal en ca 800 m2 aan erfverharding. Ter compensatie is dat aan de orde: 3860 + 800 = 4660 m2 meer verhard oppervlakte Gevoeligheidsfactor ter plaatse: 0,5 4660 x 0,5 = 2330 Compensatiefactor: 0,06 (bron Waterschap Aa en Maas) Benodigde extra watercompensatie: 2330 x 0,06 = 140 m3
19
5.7 Gezondheid Het aspect volksgezondheid richt zich met name tot de aspecten luchtkwaliteit, geur, geluid en zoönosen. Luchtkwaliteit, geur en geluid zijn in voorgaande paragrafen reeds toegelicht. Zoönosen varkens De verbetering van de diergezondheid op veehouderijen is volop in ontwikkeling. Een aantal besmettelijke dierziekten is al uitgeroeid of sterk teruggedrongen. Kwaliteitszorgsystemen hebben door controles op het vóórkomen van ziekten en naleving van hygiënevoorschriften hieraan bijgedragen. Zoönosen zijn infectieziekten veroorzaakt door micro-organismen die kunnen overgaan van dieren naar mensen. De belangrijkste zoönosen die voorkomen in de varkenssector worden hier toegelicht: Varkensinfluenza Mensen kunnen door direct contact met varkens besmet raken met varkensinfluenzavirussen. Dit komt in Nederland zelden voor. Mensen die geïnfecteerd raken met een varkensinfluenzavirus hebben dezelfde klachten als na infectie met een humaan influenzavirus. Omdat bij varkens dezelfde subtypen voorkomen als bij mensen bestaat er een bepaalde mate van immuniteit waardoor infectie minder ernstige gevolgen heeft. Bij mensen die beroepsmatig in contact komen met varkens worden in het bloed vaker antistoffen gevonden tegen varkens-influenzavirussen dan bij mensen die dit contact niet hebben.
Antibiotica-resistentie Mensen kunnen antibiotica-resistente bacteriën overnemen van dieren, via voedsel of contact met dieren. Bacteriën kunnen resistentie ontwikkelen als neveneffect van het gebruik van antibiotica om dierziekten te bestrijden. De resistentie is het hoogst bij dieren die voor de vleesproductie worden gehouden. Het risico voor de volksgezondheid is dat resistente bacteriën kunnen veranderen in meer virulente of aan de mens aangepaste varianten of hun resistentie overdragen aan andere bacteriën. Omdat voor dieren grotendeels dezelfde antibiotica worden gebruikt als voor mensen vormt resistentie een risico voor de volksgezondheid. Het antibioticagebruik in de veehouderij is door zorgvuldig gebruik fors gereduceerd (70% in 2015). Maatregelen op bedrijfsniveau Binnen de inrichting zijn maatregelen getroffen om de insleep en verspreiding van ziektekiemen te voorkomen en de uitstoot van stoffen te reduceren. Een goed ontwerp van de stal en goede bedrijfsvoering zijn hierbij erg belangrijk. Daarnaast minimaliseert een gezond dierbestand de kans op problemen met volksgezondheid. Het houden van varkens vereist de nodige hygiëne-
Ruimtelijke onderbouwing Kesselsegraaf 12, Lith
MRSA MRSA is een bacterie die voorkomt bij gezonde mensen, zonder dat zij daar last van hebben. MRSA is resistent voor behandeling met de meeste antibiotica. Personen die nauw contact hebben met varkens, hebben een verhoogd risico op een besmetting met de veehouderij-gerelateerde MRSA. Transmissie van MRSA op veehouderijbedrijven van dier naar mens vindt plaats door contact met dieren, mest of stof of inhalatie van stallucht. Lopende onderzoeken moeten meer inzicht verschaffen. Het MRSA-dragerschap is voor de meeste mensen geen grote bedreiging voor de gezondheid. In hoeverre de uitstoot van stallucht kan leiden tot MRSA-besmetting van omwonenden is nog onduidelijk. In de buitenlucht vindt een sterke verdunning plaats, waardoor de kans op contact met MRSA snel afneemt met toenemende afstand van de stal. Toepassing van luchtwassers heeft mogelijk ook een beperkend effect op de aanwezigheid van MRSA.
20
maatregelen om insleep en eventuele verspreiding van besmettelijke dierziekten zo veel mogelijk te voorkomen. De volgende bedrijfsmaatregelen worden getroffen: • Periodieke reiniging en desinfectie van gebouwen en materialen • Bezoekersregeling: in principe worden er zo weinig mogelijk bezoekers toegelaten in de stallen en in het ‘schone gedeelte’ van het bedrijf. • Bezoekers die voorafgaand aan het bezoek in aanraking zijn geweest met varkens of pluimvee worden niet op het schone gedeelte van het bedrijf toegelaten. • Het dragen van bedrijfskleding en bedrijfsschoeisel dat op het bedrijf wordt verstrekt. • Waar nodig zullen dieren preventief ingeënt worden. • Het gebruik van antibiotica wordt zoveel mogelijk beperkt en er wordt voldaan aan de PVE-verordening voor antibioticaregistratie en verantwoord antibioticaverbruik. • Goede ongediertebestrijding die wordt verzorgd door een professionele ongediertebestrijder. • Door een optimale klimaatregeling worden emissies in de stal gereduceerd en wordt naar de laatste stand der techniek naar behoefte geventileerd. Hiermee wordt voorkomen dat er teveel of te weinig geventileerd wordt zonder noodzaak. Onderzoek Intensieve Veehouderij en Gezondheid (IVG)
De Gezondheidsraad heeft op 30 november 2012 het advies ‘Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen’ gepubliceerd. Hierin wordt gesteld dat het niet bekend is tot welke afstand omwonenden van veehouderijen verhoogde gezondheidsrisico’s lopen. Op basis hiervan is niet op wetenschappelijke gronden één landelijke ‘veilige’ minimumafstand vast te stellen tussen veehouderijen en woningen. Er zijn wel aanwijzingen dat omwonenden kunnen worden blootgesteld aan endotoxinen. Concentraties van bepaalde stofdeeltjes, endotoxinen en micro-organismen, zullen afnemen met toenemende afstand tot een bedrijf en ook afhangen van de mate van emissie vanuit een bedrijf. Ook de meteorologische omstandigheden, de lokale bebouwing en beplanting kunnen van invloed zijn. Onderzoek Veehouderij en Gezondheid van Omwonenden (VGO) In 2014 is het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid van Omwonenden (VGO)’ van start gegaan. Het RIVM, Wageningen UR, IRAS en NIVEL hebben gezamenlijk dit aanvullende onderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn bekend gemaakt in juli 2016. In het VGO is onderzocht of het wonen in de buurt van veehouderijen effect kan hebben op de gezondheid van de omwonenden. Hieruit komen een aantal positieve en een aantal negatieve gezondheidseffecten naar voren. Een eenduidig antwoord is dan ook niet te
Ruimtelijke onderbouwing Kesselsegraaf 12, Lith
Het RIVM heeft in 2008 een rapport gepubliceerd met betrekking tot intensieve veehouderij en volksgezondheid. Strekking van het Rapport RIVM 2008: Effecten van intensieve veehouderij-(mega)bedrijven op de volksgezondheid kunnen op verschillende manieren tot stand komen. Bijvoorbeeld via direct diercontact, via de lucht, via mest en via voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong. In 2009 is het onderzoek Intensieve Veehouderij en Gezondheid (IVG) gestart. In juni 2011 zijn de resultaten bekend gemaakt van dit IVG-onderzoek. Hieruit is geen duidelijke afstand tot veehouderijbedrijven gebleken en geen relatie met de omvang van veehouderijen of dierdichtheid te benoemen waarbij gezondheidseffecten bij mensen vaker optreden. Uit een publicatie van juli 2012 inzake het infectierisico van omwonenden van veehouderijen blijkt dat nog geen wetenschappelijk onderbouwde uitspraken kunnen worden gedaan, met uitzondering van Q-koorts.
21
geven. Aangetoond is dat mensen die rondom veehouderijen wonen minder astma en allergieën hebben. Dicht bij veehouderijen wonen minder mensen met COPD, een chronische ziekte aan de longen. Daar staat tegenover dat de mensen in deze omgeving die wel COPD hebben, daar vaker en/of ernstigere complicaties van hebben. Verder is er een verband gevonden tussen wonen nabij veehouderijen en een verlaagde longfunctie. Dit wordt waarschijnlijk veroorzaakt door stoffen die afkomstig zijn van de veehouderij. Er werd een verband gevonden tussen pluimveehouderijen binnen 1 kilometer afstand van de woning en een licht verhoogde kans op longontsteking. Het is onduidelijk of de extra longontstekingen in dit onderzoeksgebied worden veroorzaakt door specifieke ziekteverwekkers die van dieren afkomstig zijn (zoönose-verwekkers), of dat mensen gevoeliger voor longontsteking worden door de blootstelling aan stoffen die veehouderijbedrijven uitstoten, zoals fijnstof, endotoxines (onderdelen van micro-organismen) en ammoniak. In het onderzoek is ook gekeken of bepaalde zoönoseverwekkers vaker voorkomen in de omgeving van veehouderijen ten opzichte van de rest van het land. Bij het hepatitis E-virus, de bacterie Clostridium difficile en ESBL-producerende bacteriën is dat niet het geval. Wel lijken mensen iets vaker drager te zijn van de veegerelateerde MRSA-bacterie.
Of deze verhoging komt door uitstoot vanuit veehouderijen is nog onduidelijk. Dit zijn de belangrijkste conclusies uit het VGO-onderzoek.
Vervolgstudies VGO-onderzoek Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten uit het VGO- en het endotoxinen onderzoek vindt in 2017 nader aanvullend onderzoek plaats. De aanvullende studies die in het kader van het VGO-onderzoek zijn uitgevoerd, zitten in de afrondende fase. Het advies van de Gezondheidsraad inzake secundair fijnstof ten gevolge van de emissie van ammoniak en de rol van fijnstof uit veehouderijen in het optreden van hart- en vaatziekten en longkanker zal naar verwachting eind 2017 opgeleverd worden. Ten aanzien van endotoxinen zijn meer metingen en betere berekeningen nodig. Dit moet uiteindelijk leiden tot een beoordelingsinstrumentarium. Te zijner tijd zal worden bezien op welke wijze dit beoordelingsinstrumentarium en de normstelling voor endotoxinen zullen worden verwerkt in de AmvB’s onder de Omgevingswet. Notitie handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid Het bestuurlijk Platform Omgevingsrecht (BPO) heeft een Notitie handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid opgesteld (25 november 2016). Deze notitie bevat als hulpmiddel voor bevoegde gezagen een systematiek om de endotoxineblootstelling van omwonenden van veehouderijen te beoordelen en helpt bevoegde gezagen om vergunningaanvragen te toetsen aan de adviesgrenswaarde van 30 EU/m3 endotoxinen. Hiervoor is voor oa.
varkens een grafiek opgesteld waarbij de fijnstofemissie in kg/jaar is gerelateerd aan minimale afstand in meters. Het endotoxine onderzoek laat zien dat bij varkenshouderijen een overschrijding van de advieswaarde mogelijk is, maar dat in de praktijk de wettelijke de geur- en fijnstofnormen doorgaans zodanig beperkend zijn dat een overschrijding van de advieswaarde van de
Ruimtelijke onderbouwing Kesselsegraaf 12, Lith
Rapport Emissies van Endotoxinen uit de veehouderij (fase 3a) Tegelijk met het VGO-rapport is in juli 2016 het Rapport Emissies van endotoxinen uit de veehouderij (fase 3a) bekend gemaakt. Dit rapport beschrijft het resultaat van metingen aan de emissies van endotoxinen uit de veehouderij. In stof worden van micro-organismen afkomstige endotoxinen gevonden. Endotoxinen zijn dode celwand-deeltjes van bacteriën die geen pathogene eigenschappen meer hebben. Wel kunnen endotoxinen na inademing tot gezondheidsklachten leiden. Meer onderzoek is nodig om de invloed van deze eigenschappen bij endotoxinen te bepalen. De Gezondheidsraad beveelt ten aanzien van de endotoxinen-blootstelling een grenswaarde van 30 EU/m3 aan.
22
Gezondheidsraad wordt voorkomen (zie paragraaf 2.4 van de Notitie handelingsperspectieven). Figuur 5.2: Grafiek fijnstof emissie PM10 versus minimale afstand tot woningen (varkens) (Notitie handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid, BPO)
De vigerende, vergunde fijn stof emissie bedraagt: 295 kg/jaar. De maximale fijn stof emissie van het plan bedraagt: 387 kg/jaar. Op basis van het excel-bestand behorende bij de afstandsgrafiek zijn de volgende adviesafstanden aan de orde:
Op basis van de Notitie Handelingsperspectieven dient de adviesafstand gemeten te worden vanaf het dichtstbijgelegen emissiepunt.
Conclusie: Het plan is uitvoerbaar ten aanzien van het aspect volksgezondheid en endotoxinen.
5.8 Milieueffectrapportage Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) ontwikkeld. Het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is binnen het Nederlands recht het beoordelingskader om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit een m.e.r.procedure moet worden doorlopen. In onderdelen C en D van de bijlage van het Besluit m.e.r. staat omschreven voor welke activiteiten, plannen of besluiten het Besluit m.e.r. van toepassing is. Daaruit volgt dat er een m.e.r-
Ruimtelijke onderbouwing Kesselsegraaf 12, Lith
In de vigerende situatie bedraagt de kortste afstand tussen emissiepunt en de bedrijfswoning van naastgelegen veehouderij (Hoevenweg 1) ca. 238 meter. Aan de adviesafstanden kan in zowel de vigerende als de nieuwe situatie voldaan worden. De beoogde vormverandering vergroot daarbij ook nog de afstand tussen deze woning en het bouwvlak.
23
(beoordelings)plicht geldt voor een oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren als deze boven een bepaalde drempelwaarde uitkomt. De D-drempelwaarde is indicatief. Onder deze drempelwaarde is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Tabel 5.2 Onderdeel C Besluit m.e.r.: drempelwaarden m.e.r.-plicht
Tabel 5.3 Onderdeel D Besluit m.e.r.: drempelwaarden m.e.r.-beoordelingsplicht
De beoogde vormverandering is kaderstellend voor een later te nemen besluit op een omgevingsvergunning, voor het oprichten van een installatie voor het houden van vleesvarkens, waarbij de maximale mogelijkheden van het gewenste bouwvlak de D-drempel van 2.000 vleesvarkens kan overschrijden. Echter, de beoogde vormverandering wordt meegenomen in het bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2017, waarvoor een plan-MER opgesteld wordt. Beoogde vormverandering past binnen de reikwijdte van dit plan-MER. Dit neemt niet weg dat voor een toekomstige nieuwe stal een omgevingsvergunning noodzakelijk is en voorafgaand aan de aanvraag dient minimaal een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden.