CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2A Toelichting - bijlage 07 Hoogveldsestraat 5 Oijen

Gemeenteraad 12 december 2024, gemeente OssBij agendapunt: A Herstelbesluit vaststelling bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’13.913 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

BESTEMMINGSPLAN Buitengebied Oss - 2020 Bijlagen bij toelichting

Bijlage 7 - ruimtelijke onderbouwing Hoogveldsestraat 5, Oijen

Gemeente Oss | Raadhuislaan 2 | 5341 GM | Oss | T: 14 0412 | F: 0412 642605 | www.oss.nl |

Ruimtelijke onderbouwing Hoogveldsestraat 5, Oijen Uitbreiding bouwvlak

Plangebied: Hoogveldsestraat 5, Oijen Omschrijving project: Ruimtelijke onderbouwing vergroting bouwvlak Hoogveldsestraat 5 te Oijen Datum en versie rapportage: 16 februari 2018, versie 2 Opdrachtgever: J.W.J. van Mook en T.J.W. van Mook en M.J.M. van Mook Hoogveldsestraat 5 5394 LH Oijen Opgesteld door: Agron Advies Koppelstraat 95 5741 GB Beek en Donk Tel: 0492-347761 Fax: 0492-347754 Email: info@agronadvies.nl

Ruimtelijke onderbouwing Hoogveldsestraat 5, Oijen

Inhoud 1. 1.1 1.2

Inleiding Aanleiding en doel Ligging en begrenzing plangebied

1 1 1

2. 2.1 2.2

Planbeschrijving Bestaande situatie Gewenste situatie

4 4 4

3. Beleid 3.1 Provinciaal beleid 3.1.1 Structuurvisie ruimtelijke ordening Noord-Brabant 3.1.2 Verordening ruimte 2014 3.2 Gemeentelijk beleid 3.2.1 Structuurvisie ‘Buitengebied Oss – 2015’ 3.2.2 Vigerend bestemmingsplan 3.2.3 Bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2017’

6 6 6 7 12 12 13 14

4. Ruimtelijke aspecten 4.1 Natuur 4.1.1 Gebiedsbescherming 4.1.2 Soortenbescherming 4.2 Landschappelijke inpassing 4.3 Cultuurhistorie en archeologie 4.3.1.1 Cultuurhistorische waarden 4.3.2 Archeologische waarden 4.4 Ontsluiting

16 16 16 17 18 18 18 19 20

5. 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8

Milieuaspecten m.e.r. -beoordeling Bodem Water Bedrijven en milieuzonering Geurhinder Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid

21 21 21 21 22 23 24 25 25

6. 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5

Waterparagraaf Watertoets Beleid Oppervlaktewater Grondwater Afvoer hemelwater

27 27 27 28 29 29

7.

Conclusie

32

Bijlagen    

Situatieschets beoogde situatie Landschappelijk inpassingsplan AAB-advies Rapportage BZV

Ruimtelijke onderbouwing Hoogveldsestraat 5, Oijen

1. Inleiding 1.1

Aanleiding en doel

De familie Van Mook (hierna: de initiatiefnemer) exploiteert een melkveehouderij op de locatie Hoogveldsestraat 5 te Oijen (hierna: het plangebied). De initiatiefnemer is voornemens het bouwvlak te vergroten ten behoeve van de uitbreiding van de melkveehouderij. Hiertoe worden een nieuwe melkstal, een mestsilo en een nieuwe veldschuur opgericht. De initiatiefnemer wil investeren in een nieuwe melkstal voor een grotere capaciteit en betere selectie- en behandelmogelijkheden na de melkstal. Door de nieuwe melkstal te realiseren op de locatie van de huidige veldschuur is het nodig deze te verplaatsen. Tevens is initiatiefnemer voornemens maatregelen te treffen ten aanzien van de landelijke mestverwerkingsplicht. De initiatiefnemer is derhalve voornemens de mest afkomstig van zijn melkveehouderij te bewerken. Op het bedrijf wordt de mest gescheiden in een dikke en een dunne fractie. De dunne fractie wordt opgeslagen in de nieuw op te richten mestsilo waarna deze kan worden uitgereden over de eigen gronden. De dikke fractie wordt afgevoerd en aangeboden aan mestverwerkingsbedrijven. Er wordt geen mest van derden verwerkt. Om onderhavig initiatief mogelijk te maken dient het bouwvlak vergroot te worden tot 1,5 hectare. Op het plangebied is het bestemmingsplan ‘Buitengebied Lith 2013’ van de gemeente Oss van toepassing.

Het beoogde plan is in strijd met de regels van het bestemmingsplan, aangezien buiten de grenzen van het bouwvlak het oprichten van bouwwerken niet is toegestaan. Vergroting van het bouwvlak is derhalve noodzakelijk. De vergroting van het bouwvlak kan meegenomen worden in de algehele herziening van het bestemmingsplan buitengebied (‘Buitengebied Oss – 2017’), mits sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Voorliggende rapportage betreft de ruimtelijke onderbouwing die de planologische inpassing van de vergroting van het bouwvlak mogelijk maakt.

1.2

Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Oss op een afstand van circa 1,5 kilometer van de kern Oijen en circa 1,5 kilometer van de kern Macharen. Kadastraal is het plangebied bekend als gemeente Oijen, sectie F, nummer 163. Aan de noordzijde van het plangebied is de Hoogveldsestraat gelegen. Aan de oostzijde grenst het plangebied aan een burgerwoning. Aan de zuidkant grenst de inrichting aan een open agrarisch polderlandschap. De omgeving is overwegend agrarisch van aard. Het plangebied grenst in het westen aan weiland. De ligging en de begrenzing van het plangebied wordt weergegeven in de volgende figuren.

1

Ruimtelijke onderbouwing Hoogveldsestraat 5, Oijen

Oijen

Macharen

Plangebied

Figuur 1: Topografische ligging plangebied

Oijen

Macharen

Plangebied

Figuur 2: Ligging plangebied in wijdere omgeving

2

Ruimtelijke onderbouwing Hoogveldsestraat 5, Oijen

Plangebied

Figuur 3: Ligging plangebied

3

Ruimtelijke onderbouwing Hoogveldsestraat 5, Oijen

2. Planbeschrijving 2.1

Bestaande situatie

Op de locatie Hoogveldsestraat 5 te Oijen is een melkveehouderij gevestigd waar 197 stuks melkvee en 77 stuks jongvee worden gehuisvest. Het agrarisch bouwvlak heeft een omvang van circa 1,0 hectare. Op het plangebied is het bestemmingsplan ‘Buitengebied Lith 2013’ van de gemeente Oss van toepassing. De bestemming van het perceel is ‘Agrarisch met waarden – Landschap’. Onderstaande figuur geeft een overzicht van de bestaande situatie.

Bestaande bedrijfswoning

Jongveestal

Sleufsilo’s

Veldschuur

Sleufsilo’s

Melkveestal

Melkveestal

Figuur 4: Bestaande situatie

2.2

Gewenste situatie

De initiatiefnemer is voornemens het bouwvlak te vergroten ten behoeve van de uitbreiding van de melkveehouderij. Hiertoe wordt de volgende bebouwing opgericht:  Melkstal;  Mestsilo;  Nieuwe veldschuur (ten behoeve van de opslag van hooi, stro en werktuigen). De uitbreiding ziet niet op een toename van het aantal dieren. Het beoogde plan is in strijd met de regels van het vigerende bestemmingsplan, aangezien buiten de grenzen van het bouwvlak het oprichten van bouwwerken niet is toegestaan. Vergroting van het bouwvlak is derhalve noodzakelijk; de oppervlakte wordt 1,5 hectare. De volgende figuur geeft een weergave van de gewenste ontwikkeling (zie ook bijlage).

4

Ruimtelijke onderbouwing Hoogveldsestraat 5, Oijen

Melkstal

Veldschuur Mestsilo

Figuur 5: Beoogde situatie

5

Ruimtelijke onderbouwing Hoogveldsestraat 5, Oijen

3. Beleid 3.1

Provinciaal beleid

3.1.1

Structuurvisie ruimtelijke ordening Noord-Brabant

Op 7 februari 2014 heeft Provinciale Staten van Noord-Brabant de ‘Structuurvisie ruimtelijke ordening 2010 – partiële herziening 2014’ vastgesteld. Dit betreft een herziening van de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2010. De structuurvisie is op 19 maart 2014 (tegelijkertijd met de Verordening ruimte 2014) in werking getreden en geeft een ruimtelijke vertaling van de opgaven en doelen uit de Agenda van Brabant. In deze structuurvisie zijn de samenhang weergegeven tussen milieu, verkeer, vervoer en water. Daarnaast houdt de structuurvisie rekening met het provinciale economisch, sociaal- cultureel en ecologisch beleid. De provincie stimuleert in landelijke gebieden een menging van functies die leidt tot een sterke plattelandseconomie. In accentgebieden voor agrarische ontwikkeling staat een duurzame ontwikkeling van de landbouw centraal, de ontwikkeling van andere vormen van bedrijvigheid en het behoud en ontwikkelen van natuur, landschap, recreatie en wonen. Het plangebied is deels gelegen binnen de zone ‘accentgebied agrarische ontwikkeling’ en deels binnen de zone ‘gemengd landelijk gebied’(zie volgende figuur).

Plangebied

Figuur 6: Uitsnede kaart ‘Structurenkaart’ Structuurvisie ruimtelijke ordening Noord-Brabant

Het ‘accentgebied agrarische ontwikkeling’ wordt gekenmerkt door mogelijkheden om de positie van de aanwezige sectoren te versterken. De inzet van de provincie richt zich daarbij op behoud en versterking van de economische positie van de aanwezige agrarische sector. De provincie wil dit doen door optimale ontwikkelingsmogelijkheden te bieden voor het verbeteren van de agrarische productiestructuur. De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is: het ‘gemengd landelijk gebied’. De mate van menging varieert daarbij van de gebieden waarbinnen meerdere functies in evenwicht naast elkaar bestaan tot gebieden waar de land- en tuinbouw de dominante functie is. Onderhavig initiatief past binnen de visie van de provincie Noord-Brabant doordat een bijdrage geleverd wordt aan de versterking van de plattelandseconomie.

6

Ruimtelijke onderbouwing Hoogveldsestraat 5, Oijen

3.1.2

Verordening ruimte Noord-Brabant

Op 7 februari 2014 hebben Provinciale Staten van Noord-Brabant de Verordening ruimte 2014 vastgesteld en op 19 maart 2014 in werking getreden. Vervolgens hebben Provinciale Staten van Noord-Brabant in hun vergadering van 10 juli 2015 de Verordening ruimte 2014 opnieuw vastgesteld. Deze is op 15 juli 2015 in werking getreden. Alle wijzigingen nadien zijn vastgelegd in de geconsolideerde versie van 1 januari 2017. Op 7 juli 2017 is de actualisatie van de Verordening ruimte 2014 vastgesteld. De verordening is een uitwerking van de provinciale Structuurvisie ruimtelijke ordening en bestaat uit kaartmateriaal en regels waarmee gemeenten rekening moeten houden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Belangrijke onderwerpen in de Verordening ruimte zijn:  Ruimtelijke kwaliteit;  Stedelijke ontwikkelingen;  Natuurgebieden en andere gebieden met waarden;  Agrarische ontwikkelingen;  Overige ontwikkelingen in het landelijk gebied. Het plangebied is ingevolge de Verordening ruimte Noord-Brabant gelegen binnen de structuur ‘gemengd landelijk gebied’ (zie volgende figuur).

Plangebied

Figuur 7: Uitsnede kaart ‘Structuren’ Verordening ruimte

Tot gemengd landelijk gebied behoren de gebieden buiten bestaand stedelijk gebied met uitzondering van Natuur Netwerk Brabant, ecologische verbindingszone, primaire waterkeringen, rivierbed en groenblauwe mantel. De provincie geeft binnen deze gebieden ruimte aan de gemeenten om zelf aan te geven welke ontwikkelmogelijkheden er zijn voor een gevarieerde plattelandseconomie en in welke gebieden het agrarische gebruik prevaleert. Functies die niet passen bij het gewenste ontwikkelingsperspectief worden in de bestemmingsplannen uitgesloten. Om de ruimte voor de agrarische sector ook naar de toekomst toe te bewaren, is het wenselijk strijdige functies te beperken. Het staat niet op voorhand vast welke functies strijdig zijn met de in het gebied aanwezige land- en tuinbouw. Het plangebied is tevens deels gelegen binnen de aanduiding ‘grondwaterbeschermingsgebied’. Deze gebieden liggen als een 'schil' om het waterwingebied heen. Sommige van de grondwaterbeschermingsgebieden zijn zeer kwetsbaar. In deze gebieden ontbreekt een slecht doorlaatbare kleilaag boven de laag waaruit grondwater wordt onttrokken. Voor de grondwaterbeschermingsgebieden geldt dat de kwaliteit van het grondwater bescherming vraagt. Daarom geldt binnen deze gebieden dat in

7

Ruimtelijke onderbouwing Hoogveldsestraat 5, Oijen

de regels geborgd moet zijn dat er bij (het toelaten van een) ruimtelijke ontwikkeling een zorgvuldige afweging plaatsvindt dat de risico's voor de kwaliteit van het grondwater niet toenemen. Overigens liggen de grondwaterbeschermingsgebieden veelal in gebieden waar op grond van regels elders in de verordening toch al beperkingen gelden, bijvoorbeeld ten aanzien van stedelijke ontwikkeling. De regels voor grondwaterbescherming zijn hier aanvullend op. Bij bestemmingsplannen waar wateraspecten een rol spelen dient de waterbeheerder (waterschap of Rijkswaterstaat) om advies gevraagd te worden (watertoets), in dit geval ook het waterwinbedrijf. Tevens is het plangebied gelegen binnen de besluitvakken algemene en rechtstreeks werkende regels voor veehouderijen en voor mestbewerking en ligt het plangebied in stalderingsgebied. Echter, de algemene en rechtstreeks werkende regels voor mestbewerking zien alleen op bewerking van niet ter plaatse geproduceerde mest. De mestsilo in de beoogde situatie ziet juist op mestbewerking van ter plaatse geproduceerde mest. Staldering is enkel van toepassing op een hokdierhouderij; hier valt een melkrundveehouderij niet onder. Derhalve zijn deze regels niet van toepassing.

De volgende regels zijn van toepassing:  Artikel 3.1 Zorgplicht voor de ruimtelijke kwaliteit;  Artikel 3.2 Kwaliteitsverbetering van het landschap;  Artikel 7.1 Beschrijving gemengd landelijk gebied;  Artikel 7.3 Veehouderijen;  Artikel 16.1 Grondwaterbeschermingsgebied. Regels voor zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit In artikel 3.1 van de Verordening ruimte 2014 worden regels verbonden aan de ruimtelijke kwaliteit van de provincie. De regels hebben betrekking op bescherming van onder andere natuurwaarden, landschappelijke en cultuurhistorische waarden en zien toe op het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. 1. De toelichting bij een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling bevat een verantwoording dat: a. het plan bijdraagt aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, waaronder in ieder geval een goede landschappelijke inpasbaarheid; b. toepassing is gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. De nieuwe bebouwing wordt zo dicht mogelijk tegen de bestaande bebouwing gerealiseerd en landschappelijk ingepast. Daarmee wordt toepassing gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. 2. Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in het eerste lid houdt in ieder geval in dat: a.

een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied gebruik maakt van een bestaand bouwperceel, tenzij in deze verordening uitdrukkelijk anders is bepaald; Bij onderhavige ontwikkeling wordt gebruik gemaakt van een bestaand bouwperceel, dat wordt uitgebreid. b. uitbreiding van het op grond van het geldende bestemmingsplan toegestane ruimtebeslag slechts is toegestaan mits de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen dat toegestane ruimtebeslag te doen plaatsvinden; Binnen de grenzen van het bestaande bouwvlak is geen ruimte om de mestsilo en de nieuwe veldschuur te realiseren. Hiermee ontbreken de feitelijke mogelijkheden om de ontwikkelingen binnen het toegestane ruimtebeslag te doen plaatsvinden. c. ingeval van stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); Niet van toepassing

8

Ruimtelijke onderbouwing Hoogveldsestraat 5, Oijen

d. een bestemmingsplan buiten bestaand stedelijk gebied bepaalt dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen binnen het bouwperceel worden opgericht en daarbinnen worden geconcentreerd; De beoogde ontwikkelingen worden gerealiseerd binnen een bouwperceel. 3. Ten behoeve van het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit bevat de toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid een verantwoording waaruit blijkt dat: a. in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de gevolgen van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voor de in het plan begrepen gronden en de naaste omgeving, in het bijzonder wat betreft de bodemkwaliteit, de waterhuishouding, de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, de cultuurhistorische waarden, de ecologische waarden, de aardkundige waarden en de landschappelijke waarden; Ten aanzien van de gevolgen van de beoogde ontwikkeling op de omgeving wordt in het plan rekening gehouden met bodemkwaliteit, waterhuishouding, cultuurhistorische waarden, ecologische waarden, aardkundige waarden en landschappelijke waarden en overige aspecten om te voldoen aan een goede ruimtelijke ordening (zie hoofdstuk 4 en 5). b.

de omvang van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling, de omvang van de bebouwing en de beoogde functie, past in de omgeving gelet op de bestaande en toekomstige functies in de omgeving en de effecten die de ontwikkeling op die functies heeft, waaronder de effecten vanwege milieuaspecten en volksgezondheid; De beoogde mestsilo, veldschuur en melkstal zijn gelegen in agrarisch gebied en passen hiermee bij de bestaande en toekomstige agrarische functie in de omgeving van de projectlocatie. De effecten op het milieu worden in hoofdstuk 5 in beeld gebracht. c. een op de beoogde ruimtelijke ontwikkeling afgestemde afwikkeling van het personen- en goederenvervoer is verzekerd, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor, inclusief openbaar vervoer, een en ander onder onverminderd hetgeen in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en elders in deze verordening is bepaald. Onderhavige ontwikkeling ziet toe op een goede aansluiting van het plangebied op de aanwezige infrastructuur (zie paragraaf 4.4). 4. Het eerste tot en met het derde lid is niet van toepassing op een uitwerking van een bestemmingsplan, mits dat niet ouder is dan tien jaar, als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder b, van de wet. Niet van toepassing op onderhavige situatie. Onderhavig initiatief past binnen de regels ten aanzien van de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit.

Regels voor kwaliteitsverbetering van het landschap In artikel 3.2 van de Verordening ruimte 2014 wordt verplicht gesteld dat ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied bij moeten dragen aan de verbetering van de kwaliteit van het landschap. Deze zogenaamde landschapsinvesteringsregeling is van toepassing op alle ontwikkelingen in het buitengebied die in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan, maar waaraan vanuit ruimtelijke overwegingen toch medewerking kan worden verleend. De verplichting om de kwaliteit te verbeteren komt bovenop de ‘basis’-verplichting om te zorgen voor de (handhaving) van de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied. Onderstaand zijn de regels met betrekking tot de kwaliteitsverbeteringseis weergegeven en wordt in cursief onderbouwd of aan de regels wordt voldaan. 1. Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk maakt, bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving;

9

Ruimtelijke onderbouwing Hoogveldsestraat 5, Oijen

In onderhavig plan dient de kwaliteitsverbetering van het landschap te worden gezocht in de landschappelijke inpassing van de beoogde ontwikkeling in de omgeving. 2. De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid bevat een verantwoording: a. van de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde verbetering financieel, juridisch en feitelijk is geborgd; De gemeente Oss gaat uit van de afspraken gemaakt in het Regionaal Ruimtelijk Overleg, welke gebaseerd zijn op het provinciale beleid. Hierin wordt een drietal categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen onderscheiden waarin wordt bepaald hoe invulling wordt gegeven aan artikel 3.2 van de Verordening ruimte: 1) Categorie 1: voor ontwikkelingen die geen of een verwaarloosbare impact hebben ten opzichte van het huidige gebruik geldt geen landschappelijke tegenprestatie. 2) Categorie 2: voor ontwikkelingen die een beperkte impact hebben ten opzichte van huidige gebruik op de omgeving is een landschappelijke inpassing vereist op basis van een goedgekeurd landschapsplan en borging van uitvoering en beheer. 3) Categorie 3: voor ontwikkelingen met een aanzienlijke impact ten opzichte van het huidige gebruik is een landschappelijke investering vereist. Het gaat hier om minimaal 20% van de meerwaarde van de gronden (en niet de gebouwen).

Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling die valt onder categorie 2; het betreft een vergroting van een bouwvlak tot 1,5 hectare. Bij zowel categorie 2 als categorie 3 is het verplicht om minimaal 10% van of aangrenzend aan het bouwvlak of bestemmingsvlak in te vullen als landschappelijke inpassing. Hiertoe is een (erf)beplantingsplan opgesteld dat is toegevoegd als bijlage. De kwaliteitsverbetering van het landschap dient juridisch te worden vastgelegd. Het (erf)beplantingsplan en de uitvoering daarvan worden als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van het bestemmingsplan. Daarmee is ook de feitelijke waarborging van de kwaliteitsverbetering van het landschap verzekerd. b. dat de in het eerste lid bedoelde verbetering past binnen de hoofdlijnen van het te voeren ruimtelijk beleid voor dat gebied. De verbetering van de kwaliteit van het landschap past binnen het beleid van de gemeente Oss. 3. De in het eerste lid bedoelde verbetering kan mede betreffen: a. de landschappelijke inpassing van bebouwing, voor zover expliciet vereist op grond van deze verordening; b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; c.

activiteiten, gericht op behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing; f. een fysieke bijdrage aan de realisering van de ecologische hoofdstructuur en ecologische verbindingszones. De verbetering wordt in onderhavig plan uitgevoerd in de vorm van landschappelijke inpassing van de ontwikkelingen in het buitengebied. 4. Indien een kwaliteitsverbetering als bedoeld in het eerste lid niet is verzekerd, wordt het bestemmingsplan slechts vastgesteld indien een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd en wordt over de werking van dat fonds regelmatig verslag gedaan in het regionaal ruimtelijk overleg. Niet van toepassing

10

Ruimtelijke onderbouwing Hoogveldsestraat 5, Oijen

Beschrijving gemengd landelijk gebied Artikel 7.1 geeft regels met betrekking tot behoud en versterking van het gemengd landelijk gebied. 1. Een bestemmingsplan gelegen in gemengd landelijk gebied onderscheidt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening gebieden waar: a. een gemengde plattelandseconomie wordt nagestreefd met daarbij passende bestemmingen, en b. een in hoofdzaak agrarische economie wordt nagestreefd met daarbij passende bestemmingen. De bestaande melkveehouderij maakt onderdeel uit van de agrarische sector, een van de dragers van het landelijk gebied, en betreft een bedrijf dat bijdraagt aan een gemengde plattelandseconomie. De uitbreiding van de inrichting met de bouw van een melkstal, mestsilo en nieuwe veldschuur is noodzakelijk voor een goede en optimale bedrijfsvoering. 2. De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid bevat een verantwoording waaruit blijkt dat: a.

het aanwijzen van bestemmingen, als bedoeld in het eerste lid, een uitwerking is van de voorgenomen ontwikkeling en het te voeren ruimtelijk beleid voor dat gebied en tevens bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit als bedoeld in artikel 3.1; Onderhavige ontwikkeling past binnen het provinciale en gemeentelijke ruimtelijk beleid voor dit gebied; het betreft een agrarisch gebied waar de agrarische sector een van de belangrijkste dragers van het gebied is en een belangrijke economische rol speelt. b. het aanwijzen van bestemmingen in het gebied als bedoeld in het eerste lid, onder b geen afbreuk doet aan de ontwikkeling van de agrarische economie. Onderhavige ontwikkeling versterkt de agrarische economie in het gebied. Het bedrijf levert een belangrijke bijdrage aan de agrarische sector die in deze regio een van de belangrijkste economische motoren is. Regels voor veehouderijen in gemengd landelijk gebied Ten aanzien van een uitbreiding van een bouwperceel tot maximaal 1,5 zijn in artikel 7.3 regels opgenomen: 1. Een bestemmingsplan gelegen in gemengd landelijk gebied kan voorzien in een uitbreiding van, een vestiging van of een omschakeling naar een veehouderij, mits: a.

is geborgd dat ter plaatse alleen een zorgvuldige veehouderij is toegestaan; Uitbreiding van de melkveehouderij aan de Hoogveldsestraat 5 is ingevolge de Verordening ruimte 2014 slechts mogelijk als deze veehouderij zorgvuldig is. Hiervoor wordt getoetst aan de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV), welke is uitgevoerd is toegevoegd als bijlage. b. het bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedraagt; De beoogde oppervlakte van het bouwvlak bedraagt in de beoogde situatie 1,5 hectare. c. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de aspecten als benoemd in artikel 3.1, derde lid, inpasbaar is in de omgeving; Onderhavige ontwikkeling ziet toe op zorgvuldig ruimtegebruik en draagt bij aan de verbetering van de kwaliteit van het landschap (zie onder kopje ‘Regels voor zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit’ en ‘Regels voor kwaliteitsverbetering van het landschap’). Door uitbreiding van het bedrijf worden geen landschappelijke, cultuurhistorische, ecologische en aardkundige waarden aangetast, zie hoofdstuk 4. d.

is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentagesmaatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;

11

Ruimtelijke onderbouwing Hoogveldsestraat 5, Oijen

e.

f. g.

Het betreft hier een melkveehouderij, waarvoor niet getoetst wordt aan de geurnormen maar aan vaste afstanden. Deze zijn echter niet van toepassing op onderhavige ontwikkeling omdat er geen toename van het aantal dieren is beoogd. is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m3; De fijnstofconcentratie bedraagt ter plaatse circa 19,2 µg/m3 . de landschappelijke inpassing tenminste 10% van de omvang van het bouwperceel omvat; De landschappelijke inpassing op het bedrijf omvat tenminste 10% van het bouwperceel. de toelichting een verantwoording bevat dat een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling. De zorgvuldige dialoog met de omgeving wordt in het kader van de voorbereiding van de aanvraag uitgevoerd, zie bijlage van de aanvraag.

In lid 2 zijn regels opgenomen waaraan dient te worden voldaan bij een toename van de oppervlakte van de dierenverblijven. Dit betreffen dezelfde regels als opgenomen in lid 1. Derhalve wordt verwezen naar deze voorwaarden. Verder is geregeld dat mestbewerking alleen is toegestaan ten behoeve van ter plaatse geproduceerde mest. In de beoogde mestsilo wordt enkel ter plaatse geproduceerde en bewerkte mest opgeslagen. Regels grondwaterbeschermingsgebied Voor ontwikkelingen in grondwaterbeschermingsgebieden zijn in artikel 16 regels opgenomen: In aanvulling op hoofdstuk 3 ‘Structuren’ strekt een bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding ‘Grondwaterbeschermingsgebied’ mede tot bescherming van de kwaliteit van het grondwater. Er moet blijken dat de risico's voor de kwaliteit van het grondwater geheel of nagenoeg geheel gelijk blijven. Voor de grondwaterbeschermingsgebieden geldt een verantwoordingsplicht: uit de verantwoording bij het bestemmingsplan moet blijken dat er een zorgvuldige afweging heeft plaatsgevonden en dat de risico's voor de kwaliteit van het grondwater niet toenemen. Het plangebied is gelegen binnen een grondwaterbeschermingszone van een grondwaterwinningsgebied. De grondwaterbeschermingszones zijn opgenomen met het doel bescherming van het grondwater ten behoeve van de drinkwaterwinning.

Op bedrijfsniveau worden maatregelen getroffen die ervoor zorgen dat mogelijke verontreiniging van het grondwater wordt voorkomen. De mestsilo wordt mestdicht uitgevoerd. De vloeren van de loods en de melkstal worden vloeistofkerend uitgevoerd. Eventuele chemicaliën die worden opgeslagen in de melkstal worden volgens de daarvoor geldende regels opgeslagen. In de melding in het kader van de Activiteitenbesluit welke wordt ingediend ten behoeve van de realisering van de uitbreiding worden regels verbonden ter bescherming van het grondwater. Het gaat hier over regels met betrekking tot bijvoorbeeld de opslag van chemicaliën. Op basis van de onderbouwing in dit bestemmingsplan kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling geen verstorende effecten heeft op het grondwaterbeschermingsgebied waarin deze is gelegen. Conclusie Onderhavige ontwikkeling past binnen de beleidsregels van de Verordening ruimte 2014 die van toepassing zijn op onderhavige locatie.

3.2

Gemeentelijk beleid

3.2.1

Structuurvisie ‘Buitengebied Oss – 2015’

Op 1 april 2015 heeft de gemeente Oss voor haar buitengebied een structuurvisie opgesteld. Het hoofddoel van deze structuurvisie is het bieden van een integrale visie op het buitengebied.

12

Ruimtelijke onderbouwing Hoogveldsestraat 5, Oijen

In de visie wordt een aantal hoofdgebieden onderscheiden, waarbinnen het beleid is uitgestippeld ten aanzien van de functies en ontwikkelingen die in deze gebieden voorkomen. Het plangebied is gelegen binnen het gebied oeverwal (zie volgende figuur).

Plangebied

Figuur 8: Uitsnede kaart structuurvisie

Buiten de kernen en bebouwingsconcentraties heeft de oeverwal nog steeds een overwegend agrarische functie. Een groot deel van de oeverwal ligt binnen de provinciale zonering ‘beperkingen veehouderij’. Dit betekent dat alleen echt grondgebonden agrarische bedrijven groeimogelijkheden hebben. Onderhavige locatie betreft een grondgebonden melkveehouderij. 3.2.2

Vigerend bestemmingsplan

Op het plangebied is het bestemmingsplan ‘Buitengebied Lith 2013’ van de gemeente Oss van toepassing. Het perceel heeft in dit bestemmingsplan de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden - Landschap’ met dubbelbestemming ‘Waarde – Landschap’ en een bouwvlak, de gebiedsaanduidingen ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’, ‘overig – bebouwingsconcentraties’ en ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied’ (zie volgende figuur).

13

Ruimtelijke onderbouwing Hoogveldsestraat 5, Oijen

Plangebied

Figuur 9: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied Lith 2013’

Het beoogde plan is in strijd met de regels van het bestemmingsplan; situering van een mestsilo en veldschuur buiten het bouwvlak is niet toegestaan. Derhalve wordt het bouwvlak vergroot naar 1,5 hectare. 3.2.3

Bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2017’

De gemeente Oss bereidt momenteel een algehele herziening van het bestemmingsplan voor het buitengebied voor. In dit bestemmingsplan zijn de bestemmingen en aanduidingen uit het bestemmingsplan ‘Buitengebied Lith 2013’ grotendeels overgenomen. In de regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2017’ is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van het vergroten van een bouwvlak van een agrarisch bedrijf tot een maximale oppervlakte van 1,5 hectare (artikel 40.3.1). Aan deze regels wordt volledigheidshalve getoetst. In cursief wordt aangegeven of aan de voorwaarde wordt voldaan. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om een bouwvlak van een agrarisch bedrijf binnen de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap’ te vergroten tot een maximale oppervlakte van 1,5 hectare mits: a. de noodzaak ervan is aangetoond aan de hand van een ondernemersplan, in welk kader burgemeester en wethouders advies inwinnen van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen; Het advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen is toegevoegd als bijlage aan onderhavige rapportage. b.

aangetoond is dat voldaan wordt aan de eisen van de milieuwetgeving (ammoniak, geur, volksgezondheid en dergelijke) en er geen onevenredige nadelige gevolgen zijn voor de in de omgeving aanwezige waarden (zoals water, ecologie, Natura2000-gebied, landschap, cultuurhistorie en archeologie) en voor de belangen van derden; Ten aanzien van de gevolgen van de beoogde ontwikkeling op de omgeving wordt in het plan rekening gehouden met bodemkwaliteit, waterhuishouding, cultuurhistorische waarden, ecologische waarden, aardkundige waarden en landschappelijke waarden en overige aspecten om te voldoen aan een goede ruimtelijke ordening (zie hoofdstuk 4 en 5). c. het bouwvlak goed en zorgvuldig landschappelijk wordt ingepast met inheemse beplanting; Er is een inrichtingsplan opgesteld waarbij de gemeentelijke (landschappelijke en stedenbouwkundige) beleidseisen in acht worden genomen.

14

Ruimtelijke onderbouwing Hoogveldsestraat 5, Oijen

d. wordt voldaan aan het stimuleringskader beeldkwaliteit dan wel anderszins een goede uitstraling van het geheel in stedenbouwkundige, landschappelijke en/of architectonische zin wordt bereikt; Zie uitleg onder c. f. voor zover er sprake is van veehouderij: 1. er geborgd is dat ter plaatse alleen een zorgvuldige veehouderij is toegestaan; 2. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving inpasbaar is in de omgeving. Het betreft hier onder andere bodemkwaliteit, de waterhuishouding, de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, de cultuurhistorische waarden, de ecologische waarden, de aardkundige waarden en de landschappelijke waarden, verkeersafwikkeling, milieuaspecten en volksgezondheid; 3. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentagesmaatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; 4. is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m3; 5.

de landschappelijke inpassing tenminste 10% van de omvang van het bouwperceel omvat; 6. de toelichting een verantwoording bevat dat een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling; 7. binnen de zone 'overige zone – beperkingen veehouderij' sprake is van een grondgebonden veehouderij. Dit zijn de voorwaarden uit de Verordening ruimte 2014; in het voorgaande is hier reeds aan getoetst. Onderhavige ontwikkeling voldoet aan de voorwaarden voor vergroting van het bouwvlak.

15

Ruimtelijke onderbouwing Hoogveldsestraat 5, Oijen

4.

Ruimtelijke aspecten

4.1

Natuur

De bescherming van de natuur in Nederland vindt plaats door Europese en nationale wetgeving. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen soortbescherming en gebiedsbescherming. Deze staan los van elkaar en hebben ieder hun eigen werking. 4.1.1

Gebiedsbescherming

Natura2000 Natura2000-gebieden zijn beschermde gebieden die worden aangewezen ter uitvoering van twee Europese richtlijnen: de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. Internationale verplichtingen volgend uit deze richtlijnen zijn verwerkt in de Wet natuurbescherming (per 1 januari 2017 is de Natuurbeschermingswet vervallen). Het doel van deze wet is het beschermen van terreinen en wateren met bijzondere natuur- en landschapswaarden, waaronder de Natura2000-gebieden. Het meest nabijgelegen Natura2000-gebied betreft Rijntakken op een afstand van circa 7,7 kilometer (zie volgende figuur).

Plangebied

Rijntakken

Figuur 10: Ligging Natura2000-gebieden ten opzichte van de bedrijfslocatie

Initiatiefnemer beschikt over een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming die is verleend op 15 januari 2014. Stikstofdepositie De ammoniakdepositie is de belangrijkste factor die voor verstoring in de natuurgebieden kan zorgen. De verstoring heeft betrekking op verzuring en/of vermesting van het desbetreffende gebied. Onderhavige ontwikkeling betreft enkel het realiseren van een melkstal, nieuwe veldschuur en mestsilo; ten opzichte van de verleende vergunning Wet natuurbescherming neemt de ammoniakemissie dan ook niet toe. Significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de in de Natura2000-gebieden voorkomende soorten en habitats als gevolg van stikstofdepositie zijn uitgesloten.

16

Ruimtelijke onderbouwing Hoogveldsestraat 5, Oijen

Overige storende effecten Daarnaast heeft men te maken met de volgende mogelijke storende aspecten ten gevolge van activiteiten en plannen zoals verlies van oppervlakte, barrièrewerking en versnippering, verstoring door geluid en licht, trilling, optische verstoring, verstoring door mensen, mechanische effecten, verontreiniging, verdroging en bewuste verandering soortensamenstelling. Door de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling en de geruime afstand tot de Natura2000gebieden zijn storende effecten op deze gebieden uitgesloten. Natuur Netwerk Nederland Natuur Netwerk Nederland (voorheen ecologische hoofdstructuur) is een samenhangend geheel van natuurgebieden van (inter)nationaal belang met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten, bestaande uit de meest waardevolle natuur- en bosgebieden en andere gebieden met belangrijke aanwezige en te ontwikkelen natuurwaarden. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat de natuurgebieden hun waarde verliezen. Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 225 meter noordwestelijk van een natuurgebied behorende tot het Natuur Netwerk Nederland en op een afstand van circa 300 meter zuidelijk van een natuurgebied behorende tot het Natuur Netwerk Nederland (zie volgende figuur).

Door de beoogde ontwikkelingen en vergroting van het bouwvlak worden deze gebieden niet aangetast c.q. doorkruist.

Natuur Netwerk Nederland

Plangebied

Natuur Netwerk Nederland

Figuur 11: Natuurnetwerk Nederland omgeving plangebied

4.1.2

Soortenbescherming

In zijn algemeenheid is bij ruimtelijke ingrepen sprake van directe, indirecte, tijdelijke en permanente effecten. Onder directe effecten worden effecten verstaan waarmee planten en dieren rechtstreeks te maken krijgen als gevolg van de uitbreiding van het bedrijf. Verlies van habitat en kwaliteit zijn directe effecten en bovendien permanent. Indirecte effecten betreffen onder andere verstoring, waarbij de aanwezigheid van mensen, licht en geluid een rol speelt. Verstoring tijdens de bouwwerkzaamheden zijn tijdelijk, maar verstoringen kunnen ook een permanent karakter hebben. De toets in het kader van de soortenbescherming is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb), die per 1 januari 2017 is ingegaan. Deze vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. De Wnb regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die

17

Ruimtelijke onderbouwing Hoogveldsestraat 5, Oijen

in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. De bouwactiviteiten zorgen voor een tijdelijke verstoring van de directe omgeving. Permanente verstoring door menselijke activiteiten, zoals licht en geluid, zullen beperkt blijven tot het plangebied. In relatie tot de Wet natuurbescherming kan over het plangebied het volgende worden opgemerkt:  Het terrein is in momenteel in gebruik voor agrarische doeleinden. Door het huidige intensieve gebruik van de gronden (onder andere bemesting, grondbewerking) is het zeer onwaarschijnlijk dat beschermde flora en fauna voorkomen;  Door de landschappelijke inpassing van de ontwikkeling middels beplanting ontstaat een aantrekkelijke leefomgeving met rust- en verblijfsplaatsen voor eventueel voorkomende soorten. De geplande activiteiten leiden niet tot overtredingen van de Wet natuurbescherming. De ontwikkeling heeft naar verwachting geen negatieve effecten op beschermde dier- en plantensoorten. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is dan ook niet noodzakelijk.

Tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden geldt de algemene zorgplicht. In het kader van de algemene zorgplicht wordt aanbevolen om de bouw- en aanlegwerkzaamheden buiten het broedseizoen te laten plaats vinden (maart-september). Indien dit niet mogelijk is dient het terrein voorafgaand aan de bouwactiviteiten onderzocht te worden op het voorkomen van broedende vogels.

4.2

Landschappelijke inpassing

In het gebied ‘oeverwal’, waar het plangebied is gelegen, geldt op basis van de gemeentelijke structuurvisie dat de agrarische bouwvlakken landschappelijk zorgvuldig ingepast dienen te worden. Kavels zijn kleinschalig en vaak onregelmatig. Als contrast met de beslotenheid van de erven zijn er fraaie zichtlijnen op meer (open of) half open gebied. Aansluitend op de losse structuur en vaak wisselende kavelrichtingen op de oeverwal, is de bebouwing vaak op een schijnbaar willekeurige manier op de kavel gesitueerd. Bebouwing staat vaak niet parallel en de erven zijn op een informele manier gedeeltelijk door bebouwing begrensd. Voor onderhavig plan is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld (zie bijlage). Met het plan wordt aangesloten bij de kenmerkende landschapsstructuren en beplanting in de omgeving van het plangebied. Hierbij is rekening gehouden met het open karakter van het omliggende gebied en de waardevolle zichtlijnen tussen de bebouwing. In de regels van het bestemmingsplan wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen ter uitvoering en beheer van de landschappelijke inpassing. Daarnaast wordt de landschappelijke inpassing, het beheer en onderhoud verankerd in de anterieure overeenkomst die wordt gesloten tussen de gemeente en de initiatiefnemer.

4.3

Cultuurhistorie en archeologie

4.3.1.1

Cultuurhistorische waarden

Met cultuurhistorische waarden dient bij het opstellen van ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden in de vorm van bescherming en behoud van deze karakteristieke gebiedswaarden.

18

Ruimtelijke onderbouwing Hoogveldsestraat 5, Oijen

Volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart 2010 van de provincie Noord-Brabant is het plangebied gelegen binnen de cultuurhistorisch van belang zijnde regio Maaskant en het cultuurhistorisch landschap Beerse en Baardwijkse Overlaat (zie volgende figuur).

Plangebied

Regio Maaskant

Beerse en Baardwijkse Overlaat

Figuur 12: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant 2010, herziening 2016

De regio Maaskant maakt onderdeel uit van het jonge rivierkleilandschap van de Maas met zandige oeverwallen en donken en lager gelegen open komgronden. Aan de zuidzijde wordt het gebied begrensd door een brede dekzandrug die de overgang met het Brabant van het zand markeert. De oude dorpen en steden in de regio liggen op de oeverwallen en donken en op de flanken van de dekzandrug in het zuiden. Het gebied van de Beerse Overlaat weerspiegelt 700 jaar waterstaatgeschiedenis. Het systeem van de Beerse Maas was het meest uitgebreide overlaatstelsel van ons land. De inrichting en het gebruik van het gebied waren geheel op deze functie afgestemd. De vele landschapselementen vertellen het verhaal van deze bijzondere vorm van waterbeheer. De vergroting van het bouwvlak ten behoeve van de melkstal, nieuwe veldschuur en mestsilo tast de voorkomende cultuurhistorische waarden van het gebied niet aan. 4.3.2

Archeologische waarden

Bij de opstelling en uitvoering van ruimtelijke plannen moet rekening gehouden worden met bekende archeologische waarden en de te verwachten archeologische waarden. Het uitgangspunt hierbij is dat het archeologisch erfgoed moet worden beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen. Gezien dit uitgangspunt moeten, in het geval van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden met een hoge of middelhoge verwachtingswaarde voor archeologisch erfgoed, de archeologische waarden door middel van een vooronderzoek in kaart worden gebracht. In het nieuwe bestemmingsplan is ter plaatse van het plangebied een archeologische dubbelbestemming opgenomen die correspondeert met de verwachtingswaarde middelhoog. Voor dergelijke gebieden dient een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd indien er meer dan 1.000 m 2 wordt verstoord en dieper dan 30 centimeter wordt verstoord. De loods heeft een oppervlakte van circa 1.260 m2 en de mestsilo circa 490 m2. De melkstal wordt gebouwd, deels op de locatie waar momenteel de bestaande loods staat; de grond is hier reeds verstoord.

19

Ruimtelijke onderbouwing Hoogveldsestraat 5, Oijen

De nieuwe loods wordt op een dergelijke manier uitgevoerd dat alleen de poeren dieper reiken dan 30 centimeter. Het totale verstoringsoppervlakte dieper dan 30 centimeter komt daarmee uit op minder dan 1.000 m2. Derhalve is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk.

4.4

Ontsluiting

Ontsluiting Het plangebied wordt ontsloten door middel van een tweetal uitritten op de Hoogveldsestraat 5 (parallelweg van de doorgaande Beatrixweg). Het verkeer dat gebruik maakt van deze verbinding is voornamelijk bestemmingsverkeer. De nieuwe bebouwing leidt tot een uitbreiding van agrarische bedrijfsactiviteiten. De toename van verkeers- en transportbewegingen is echter gering en heeft geen significante verhoging van de verkeersintensiteit tot gevolg. Parkeren Parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden. Binnen de inrichting is voldoende parkeergelegenheid aanwezig voor bezoekers en bewoners.

20

Ruimtelijke onderbouwing Hoogveldsestraat 5, Oijen

5.

Milieuaspecten

5.1

m.e.r. -beoordeling

De vormvrije m.e.r.-beoordeling is het gevolg van de uitspraak van het Europese hof over de manier waarop de EU-richtlijn in de Nederlandse regelgeving was geïmplementeerd, één van de aanleidingen voor de aanpassing van het Besluit m.e.r. De essentie van die uitspraak is dat altijd een m.e.r. noodzakelijk is als belangrijke nadelige milieugevolgen niet kunnen worden uitgesloten. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is bedoeld als waarborg dat in dergelijke gevallen de m.e.r.(-beoordelingsplicht) niet over het hoofd wordt gezien. Het ten onrechte niet doorlopen van een m.e.r. doet immers geen recht aan de bedoeling van m.e.r. en is een risico in de procedure. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling bestaan geen vereisten voor de vorm, maar wel voor de inhoud. Met betrekking tot de inhoud dient deze aan bijlage III van de Europese richtlijn (2011/ 92EU) ‘betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten’ te voldoen. Hierin staan drie hoofdcriteria centraal: • de kenmerken van het project; • de plaats van het project; • de kenmerken van de potentiële effecten. De activiteit op de bedrijfslocatie betreft de vergroting van het bouwvlak ten behoeve van een melkstal, nieuwe veldschuur en mestsilo (geen uitbreiding in dieraantallen). Deze ontwikkeling staat niet in de D-lijst van de bijlage bij het Besluit Milieueffectrapportage.

Derhalve geldt voor deze ontwikkeling geen m.e.r.-beoordelingsplicht. Het opstellen van een vormvrije m.e.r. is gelet op de aard van de ontwikkeling ook niet noodzakelijk.

5.2

Bodem

Artikel 9 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het wijzigen of opstellen van een bestemmingsplan of afwijking van het bestemmingsplan. Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is de bescherming van de bodem. Hieruit kan voortkomen dat een bodemonderzoek dient te worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak. De gronden waar de beoogde nieuwe bebouwing (melkstal, veldschuur en mestsilo) is gelegen betreffen landbouwgronden waar zich in het verleden naar verwachting geen bodembedreigende activiteiten hebben voorgedaan. Het aspect bodem vormt dan ook geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. In 2014 is een bodemonderzoek uitgevoerd ten behoeve van de oprichting van een melkveestal binnen het bedrijf. De locatie is als onverdacht beschouwd. Op basis van dit onderzoek betreffen de locatie van de veldschuur, melkstal en mestsilo eveneens onverdachte locaties.

5.3

Water

Volgens de Verordening ruimte 2014 zijn in de omgeving van het plangebied belangrijke hydrologisch waardevolle gebieden aanwezig. Een deel van het plangebied is binnen een grondwaterbeschermingsgebied gelegen (zie volgende figuur).

21

Ruimtelijke onderbouwing Hoogveldsestraat 5, Oijen

Plangebied

Figuur 13: Uitsnede kaart ‘Water’ Verordening Ruimte 2014

Hiervoor staan regels opgenomen in het voorontwerpbestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2017’. Hierin staat beschreven dat op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone grondwaterbeschermingsgebied', zo nodig in afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald, geen gebouwen en bouwwerk geen gebouw zijnde worden gebouwd. Hiervan kan worden afgeweken middels 38.94.2 ‘Afwijken van de bouwregels’; ‘Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 38.94.1 voor bebouwing als toegestaan ingevolge de voor deze gronden geldende bestemmingen, indien door de bouw en situering van de betreffende bebouwing geen onevenredige schade wordt of kan worden toegebracht aan de grondwaterbeschermingsgebieden. Op bedrijfsniveau worden maatregelen getroffen die ervoor zorgen dat mogelijke verontreiniging van het grondwater wordt voorkomen. De mestsilo wordt mestdicht uitgevoerd. De vloeren van de loods en de melkstal worden vloeistofkerend uitgevoerd. Eventuele chemicaliën die worden opgeslagen in de melkstal worden volgens de daarvoor geldende regels opgeslagen. In de melding in het kader van de Activiteitenbesluit welke wordt ingediend ten behoeve van de realisering van de uitbreiding worden regels verbonden ter bescherming van het grondwater. Het gaat hier over regels met betrekking tot bijvoorbeeld de opslag van chemicaliën.

5.4

Bedrijven en milieuzonering

Er dient voldoende ruimtelijke scheiding te zijn tussen hinderveroorzakende en hindergevoelige functies ter bescherming en/of vergroting van de woon- en leefkwaliteit. Indien milieubelastende functies in het plangebied mogelijk worden gemaakt, dient de invloed op de omgeving inzichtelijk te worden gemaakt. De VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) geeft per bedrijfsactiviteit (ook landbouwactiviteiten zoals het houden van dieren) richtafstanden met betrekking tot geur, fijn stof, geluid en gevaar die in de meeste gevallen kunnen worden aangehouden tussen een bedrijf en woningen om hinder en schade aan mensen in de directe omgeving van een ruimtelijke ontwikkeling binnen aanvaardbare normen te houden. De afstanden gelden in principe tussen de grenzen van de bestemmingsvlakken van het bedrijf en het gevoelige object. Toetsing ontwikkeling Gelet op de beoogde ontwikkeling wordt getoetst aan de richtafstanden die gelden voor het bedrijf aan de Hoogveldsestraat 5 te Oijen.

22

Ruimtelijke onderbouwing Hoogveldsestraat 5, Oijen

De volgende tabel toont de richtafstanden die van toepassing zijn op de ontwikkeling. Tabel 1: Richtafstanden op basis van 'Bedrijven en Milieuzonering' (VNG) Categorie bedrijvigheid Richtafstanden (meters) Hoogveldsestraat 5 (melkveehouderij) Landbouw en dienstverlening t.b.v. de landbouw Geur Stof Fokken en houden van rundvee 100 30

Geluid 30

Gevaar 0

In de volgende figuur zijn de gevoelige locaties in de omgeving van het bedrijf weergegeven (zie volgende figuur).

Hoogveldsestraat 3 Plangebied

Waterleidingstraat 1

Figuur 14: Gevoelige locaties in omgeving plangebied

Binnen een afstand van 100 meter (grootste richtafstand voor rundveehouderijen voor het aspect geur) bevinden zich twee gevoelige objecten (Hoogveldsestraat 3 en Waterleidingstraat 1). Voor wat betreft het aspect geur wordt niet voldaan aan de richtafstanden; echter, er vindt geen uitbreiding van dieren plaats, waardoor niet aan de wettelijke vaste afstanden hoeft te worden voldaan. Voldaan wordt aan de afstandeisen welke van toepassing zijn op een mestsilo (zie voor een uitgebreide toelichting de volgende paragraaf). Voor wat betreft de aspecten stof en geluid voldoen onderhavige ontwikkelingen aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie wanneer er gekeken wordt naar de afstand tussen de precieze locatie van respectievelijk de melkstal, veldschuur en mestsilo en de gevoelige objecten. Onderhavige ontwikkeling vormt dan ook geen belemmering voor de omgeving.

5.5

Geurhinder

De Wet geurhinder en veehouderij schept het kader voor de onderbouwing van nieuwe plannen voor het aspect geur. De Wgv heeft ook consequenties voor de ontwikkeling van nieuwe ruimtelijke projecten. Dit wordt de omgekeerde werking genoemd. Een geurnorm is bedoeld om mensen te beschermen tegen geurhinder, omgekeerd moet het bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat nieuwe projecten gerealiseerd worden op plaatsen waar de geurhinder onaanvaardbaar hoog is of door nieuwe ontwikkelingen te hoog zal worden. Voor melkvee gelden geen geuremissiefactoren, maar vaste afstanden. Er hoeft niet te worden getoetst aan deze afstanden, aangezien niet in dieren wordt uitgebreid en er geen nieuwe dierenverblijven worden gebouwd.

23

Ruimtelijke onderbouwing Hoogveldsestraat 5, Oijen

Onderhavige ontwikkeling ziet op de vergroting van het bouwvlak ten behoeve van de realisatie van onder andere een melkstal en een nieuwe veldschuur. Het betreft geen toename van dieren. Voor wat betreft de mestsilo staan geurvoorschriften in het activiteitenbesluit milieubeheer Artikel 3.4.6. Voor geurgevoelige objecten bij een veehouderij wordt in het besluit een afstandseis gesteld van 50 meter, voor overige geurgevoelige objecten 100 meter. De inrichting ligt in een agrarische omgeving, omringd door agrarische bedrijven en burgerwoningen. De burgerwoning Waterleidingstraat 1 ligt op een afstand van circa 80 meter van de mestsilo. Er wordt voldaan aan de afstandseisen uit het Activiteitenbesluit. De mestsilo wordt volledig afgedekt. De geuremissie samenhangend met het gebruik van deze mestsilo is derhalve zeer beperkt.

5.6

Geluid

Wegverkeerslawaai Voor het aspect geluid is binnen het plangebied de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De wet kent voor weg- en railverkeer alsmede voor gezoneerde industrieterreinen voorkeursgrenswaarden op nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen, scholen en ziekenhuizen. De Wgh gaat uit van zones langs (spoor)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen en bestemmingsplannen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. Een melkstal, veldschuur en mestsilo worden in het kader van de Wgh niet als geluidgevoelig beschouwd. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is dan ook niet noodzakelijk. Industrielawaai De VNG publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (2009) hanteert voor een rundveehouderij een richtafstand voor het aspect geluid van 30 meter. De melkstal, nieuwe veldschuur en mestsilo zijn gelegen op een grotere afstand van geluidgevoelige objecten rondom de locatie. Er wordt dan ook voldaan aan de richtafstand. Een akoestisch onderzoek is niet noodzakelijk.

In de representatieve situatie vinden de volgende geluidsproducerende activiteiten plaats:  Laden/lossen vee;  Lossen voer;  Voederen dieren;  Opmixen mest;  Verwijderen vaste mest of afvoer percolaat;  Afvoer drijfmest en vaste mest;  Melkinstallatie;  Melkkoeling;  Oppompen melk;  Lossen hooi/stro/diesel;  Lossen kunstmest;  Afvoer spoelwater melkstal;  Afvoer kadavers;  Tractor/loader/shovelbewegingen op het terrein;  Voertuigbewegingen met personenwagens en bestelbusjes. Daarnaast is er sprake van incidentele bedrijfssituaties, zoals het inkuilen van maïs en gras. Deze activiteiten vinden maximaal 12 dagen per jaar plaats. Op die dagen wordt af- en aangereden met tractoren

24

Ruimtelijke onderbouwing Hoogveldsestraat 5, Oijen

met kiepkarren, die het maïs en gras naar de silo’s vervoeren. Daarnaast worden extra voerbewegingen gemaakt door de loaders die het gras en de maïs vastrijden. Door de oprichting van de nieuwe gebouwen worden geen extra verkeersbewegingen gegenereerd. Het aantal te huisvesten melk- en jongvee binnen de inrichting blijft namelijk gelijk.

5.7

Luchtkwaliteit

Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Titel 5.2 handelt over luchtkwaliteit; daarom staat deze ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Specifieke onderdelen van de wet zijn uitgewerkt in amvb's en ministeriële regelingen. De kern van de ‘Wet luchtkwaliteit’ bestaat uit de (Europese) luchtkwaliteitseisen. Verder bevat zij basisverplichtingen op grond van de richtlijnen, namelijk: plannen, maatregelen, het beoordelen van luchtkwaliteit, verslaglegging en rapportage. De wet regelt het zogenaamde Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Daarbinnen werken het rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Per 1 augustus 2009 geldt als NIBM 3% van de grenswaarde. Toetsing initiatief De melkstal, nieuwe veldschuur en mestsilo hebben geen invloed op de luchtkwaliteit. Het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied neemt nauwelijks toe. Het plan is te kleinschalig om in betekenende mate bij te dragen aan een verandering/verslechtering van de luchtkwaliteit.

5.8

Externe veiligheid

Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico’s moeten aanvaardbaar blijven. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven. Bij ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met dit aspect. Daartoe moeten de risico’s voor de bevolking, die verbonden zijn aan gevaar veroorzakende activiteiten, in beeld worden gebracht. Voor de normstelling van risicovolle bedrijven moet worden aangesloten bij het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Het toetsingskader is meer gedetailleerd uitgewerkt in de Regeling externe veiligheid voor inrichtingen (Revi). De eisen ten aanzien van vervoer van gevaarlijke stoffen en de daarmee samenhangende risico’s zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Voor buisleidingen die risicovolle stoffen transporteren geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Dit besluit regelt de taken en verantwoordelijkheden van de leidingexploitant en de gemeenten en geeft de eisen en veiligheidsafstanden voor buisleidingen die worden gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen ten opzichte van kwetsbare objecten. De volgende figuur laat zien waar zich de meest nabijgelegen risicobronnen bevinden.

25

Ruimtelijke onderbouwing Hoogveldsestraat 5, Oijen

Plangebied

Figuur 15: Uitsnede risicokaart

In de nabije omgeving van het plangebied bevinden zich geen risicobronnen, inrichtingen of transporten met risicoafstanden welke van invloed zijn op het plangebied. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

26

Ruimtelijke onderbouwing Hoogveldsestraat 5, Oijen

6. Waterparagraaf 6.1

Watertoets

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=a6038cb6-5a66-43f9-bb76-6f199c6623c9