Bijlage 2A Toelichting - bijlage 03 Eindstraat 18 Haren
Tekst van het document
Afbeelding 10: Mobiliteitsplan 2020
Op basis van het mobiliteitsplan 2020 Oss is Eindstraat 18 gelegen in de zone ‘buitengebied’ (zie afbeelding 10). De Dorpenweg betreft ter hoogte van Eindstraat 18 een 80km/h-gebiedsontsluitingsweg. De overige wegen zijn erftoegangswegen, type II (60km/h bubeko en 30 km/h bibeko). Geconcludeerd kan worden dat de planlocatie goed bereikbaar is via de Dorpenweg als gebiedsontsluitingsweg. Ook is de planlocatie goed te bereiken via een regionale fietsverbinding en is de kern Haren goed ontsloten via het openbaar vervoer (busverbinding). Parkeren Op 22 augustus 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders de nota “parkeernormen voor woonwijken” vastgesteld. In deze notitie staat beschreven welke parkeernormen gehanteerd moeten worden bij nieuwe projecten (zowel uitbreidingen als herstructurering). Uitgangspunt voor herontwikkeling is dat het parkeren op eigen terrein dient te worden opgelost. Zoals in paragraaf 2.3 reeds is aangegeven, zullen er 14 parkeerplaatsen worden gerealiseerd op eigen terrein. Dit is voldoende om de groepen van maximaal 15 personen te kunnen opvangen.
Ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren, pag. 28 van 39 7 februari 2018
3.4.5 Beleid aan huis gebonden activiteiten Op 22 november 2012 heeft de gemeenteraad het Beleid aan huis gebonden activiteiten - Actualisatie 2012 vastgesteld. Het beleid voor aan huis gebonden activiteiten is opgesteld om mogelijkheden te bieden aan ondernemen vanuit de eigen woning. Door de jaren heen zijn de activiteiten die aan huis worden ondernomen steeds meer divers geworden. Het gaat allang niet meer alleen om een huisarts of accountant aan huis. Er is een breed scala dat aan huis uitgeoefend kan worden. Voorbeelden zijn een adviesbureau, pedicure of afslanksalon. Ook komen er steeds vaker vragen om kleinschalige cursussen te mogen geven, voor kleinschalige kinderopvang, ambachtelijke bedrijfjes of een bed en breakfast. Met het beleid wordt ingespeeld op de veranderende inzichten over aan huis gebonden activiteiten. Er wordt ruimte gegeven aan deze nieuwe vormen om vanuit de thuissituatie te werken. Het gaat dus altijd om een bewoner die de activiteit uitvoert. Een andere belangrijke voorwaarde is steeds dat de activiteit zich goed verhoudt met de woonomgeving. Het beleid aan huis gebonden activiteiten is er op gericht om zoveel mogelijk rechtstreeks toe te staan. Er is een lijst opgesteld met een breed scala aan activiteiten die rechtstreeks mogen worden uitgeoefend in de woning. Deze lijst is als bijlage opgenomen in de toelichting van het bestemmingsplan.
Bij het opstellen van de lijst van rechtstreeks toegestane activiteiten is de woonomgeving het uitgangspunt geweest. Dit houdt in dat er geen bedrijven op staan die veel verkeer aantrekken of activiteiten die milieuhinder veroorzaken, die niet past in een woonomgeving. Het oppervlak van de rechtstreeks toegestane activiteiten is 35m2. Maar niet alle activiteiten kunnen rechtstreeks in een woning worden uitgevoerd. Soms is een toetsing vooraf nodig. Als dit positief is, wordt toestemming verleend in de vorm van een ‘omgevingsvergunning waarbij van het bestemmingsplan wordt afgeweken’. Bij deze afweging spelen publieksaantrekkende werking en milieu- en verkeersaspecten altijd een rol. Voorbeelden van activiteiten waarbij een toetsing vooraf nodig is zijn: een groter oppervlak dan het toegestane 35 m2, andere activiteiten dan die in de lijst zijn opgenomen of groepsmatige activiteiten. In het nieuwe beleid worden de mogelijkheden voor dit afwijkend gebruik beschreven. Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik moet de aanvrager een concrete aanvraag om toestemming bij de gemeente indienen. U hoeft hier niets te aan te doen.
Ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren, pag. 29 van 39 7 februari 2018
Hoofdstuk 4
Verantwoording
4.1 Milieu- en omgevingsaspecten In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: -
Bedrijven en milieuzonering (§ 6.1.1)
-
Externe veiligheid (§ 6.1.3)
-
Bodem (§ 6.1.2)
Geurhinder: agrarisch (§ 6.2.4) Geur: industrieel (§ 6.1.5) Luchtkwaliteit (§ 6.1.6)
Mobiliteit en parkeren (§ 6.1.7) Straling (§ 6.1.8) Water (§ 6.1.9)
Weg-, spoor-, en industrielawaai (§ 6.1.10) Gezondheid (PM)
4.1.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uitvoeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen.
Lietingstraat 23
detailhandelsbedrijf Eindstraat 2:
agrarisch bedrijf
Afbeelding 11: nabijgelegen bedrijven
Ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren, pag. 30 van 39 7 februari 2018
Er zijn geen bedrijven gelegen nabij onderhavig plangebied. Het dichtstbij gelegen agrarisch bedrijf (Eindstraat 2) is gelegen op circa 315 meter. Aan Lietingstraat 23 is een detailhandel-bedrijf gevestigd, welke op 400 meter is gelegen van onderhavig plangebied. Geconcludeerd kan worden dat er zich geen bedrijven in de omgeving van onderhavig plangebied bevinden en er derhalve geen sprake is van bedrijfshinder ten opzichte van onderhavig initiatief. Omgekeerde werking Ook dient te worden beoordeeld of er geluidsproblemen ontstaan vanuit de beoogde activiteiten aan Eindstraat 18 ten opzichte van omliggende kwetsbare functies (de omgekeerde werking). Hiervoor is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (bijlage 1). In dit onderzoek zijn de geluidniveaus door de gewenste inrichting aan Eindstraat 18 te Haren berekend. Uit het onderzoek blijkt dat aan de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximaal geluidniveau uit stap 3 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering en de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximaal geluidniveau uit het Activiteitenbesluit wordt voldaan. Ook wordt aan de grenswaarden voor de indirecte hinder uit de schrikkelcirculaire van 29 februari 1996 voldaan. Aan het aspect BBT (best beschikbare technieken) wordt in voldoende mate invulling gegeven.
Gelet op het bovenstaande zijn er wat betreft bedrijfs- en milieuzonering geen knelpunten voor de gewenste bedrijfsvoering. 4.1.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. De volgende informatiebronnen zijn voor de locatie en de aangrenzende percelen (binnen een straal van 25 meter vanaf de locatie) doorzocht: - het Bodem Informatie Systeem (BIS). Het BIS van de gemeente Oss is gevuld met de, bij de gemeente bekend zijnde, onderzoeken die uitgevoerd zijn, o.a. verkennend bodemonderzoeken, nadere onderzoeken en evaluaties van uitgevoerde saneringen. - het gemeentelijke tankenbestand. Dit bestand bevat alle bij de gemeente bekend zijnde tanksaneringen. Dit bestand is onder andere tot stand gekomen op basis van vrijwilligheid en mogelijk daardoor niet volledig. - het Historische Bodem Bestand (HBB).
Het HBB is een samenwerkingsproject van ReGister Historisch Onderzoeksbureau en Arcadis en bevat op basis van historische (bedrijfs-) activiteiten gegevens van potentieel verontreinigde locaties. De gegevens zijn verwerkt in een Access database. Voor een deel van alle potentieel verontreinigde locaties is nader historisch onderzoek uitgevoerd. De rapporten hiervan zijn in pdf beschikbaar. - het Bodemloket. De gegevens uit het bodemloket zijn afkomstig van de website www.bodemloket.nl, Deze site wordt door de provincie Noord-Brabant onderhouden. Het bodemloket bevat informatie over toekomstige en uitgevoerde bodemonderzoeken en bodemsaneringen en tevens informatie over mogelijk bodembelastende (bedrijfs-) activiteiten in het verleden. Hieronder is per thema de gevonden informatie aangegeven. Indien voor een thema geen informatie wordt vermeld, dan betekent dit dat de geraadpleegde bron op dit moment geen informatie bevat voor de doorzochte locatie: - In 2003 is als onderdeel van een bouwvergunning op een deel van het perceel door MOS Grondmechanica een verkennend bodemonderzoek NEN5740 uitgevoerd, kenm. R557403-RH1. Vastgesteld werd dat de concentraties van alle in de vaste bodem en het grondwater onderzochte parameters rond of beneden de streefwaarde (Sw*) lagen.
Ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren, pag. 31 van 39 7 februari 2018
- Tankenbestand: geen info - Historisch bodem bestand: geen info - Bodemloket: geen info
4.1.3
Externe veiligheid
Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: -
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)
-
het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
-
de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRNVGS)
Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.
De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1%
Ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren, pag. 32 van 39 7 februari 2018
letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt.
Afbeelding 12: Uitsnede kaart externe veiligheid
Beperkt kwetsbaar object. Onderhavig initiatief betreft een beperkt kwetsbaar object op de volgende omschrijving: objecten waar gedurende langere aangesloten tijd minder dan 50 personen aanwezig zijn, zoals bijvoorbeeld in kantoren met een bruto vloeroppervlak kleiner dan 1500 m². Het plangebied is buiten een plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6/jaar) gelegen. Ook is het plangebied niet gelegen binnen het invloedsgebied van een risicobron (groepsrisico). 4.1.4 Geurhinder: agrarisch De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2013”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: -
de burger beschermen tegen geurhinder de veehouderijen niet onnodig beperken
ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woonen leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren, pag. 33 van 39 7 februari 2018
Onderhavig initiatief betreft een geurgevoelig object in de zin van de wet. De afstanden ten opzichte van omliggende agrarische bedrijven zijn dusdanig dat dit geen belemmering oplevert voor onderhavig initiatief. De dichtstbijzijnde agrarische bedrijf is gelegen op circa 315 meter. Het uitvoeren van een geuronderzoek is niet noodzakelijk.
4.1.5 Geur: industrieel Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: - als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; - als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; - de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing. Onderhavig initiatief is niet gelegen in de buurt van industrieterreinen of bedrijven.
4.1.6 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBMproject is.
Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de
Ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren, pag. 34 van 39 7 februari 2018
context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. Onderhavig initiatief betreft NIBM-project. Er is geen luchtkwaliteitonderzoek noodzakelijk.
4.1.7 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. Onderhavig initiatief is niet gelegen binnen een zone van 80 meter van een bovengrondse hoogspanninglijn.
4.1.8 Water De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGPR een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen.
De watertoets is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Huidige situatie
Beoogde situatie
Afbeelding 13: aanwezige verharding en toekomstig aan te leggen halfverharding (binnen de met rood omcirkelde zone)
Ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren, pag. 35 van 39 7 februari 2018
Onderhavig initiatief ziet niet toe op een ingreep met gevolgen voor de waterhuishouding. Er wordt geen verharding toegevoegd. Zie daarvoor afbeelding 13. De hierop aangegeven verharde weg is thans reeds aanwezig. De nieuw aan te leggen parkeerplaatsen alsmede de toegang tot die parkeerplaatsen worden in halfverharding uitgevoerd. Het hemelwater kan hierdoor prima ter plekke wegzakken in de bodem.
4.1.9 Weg-, spoor- en industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen.
De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie. Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluidproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe.
Ook dient te worden beoordeeld of er geluidsproblemen ontstaan vanuit de beoogde activiteiten aan Eindstraat 18 ten opzichte van omliggende kwetsbare functies (de omgekeerde werking). Hiervoor is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (bijlage 1). In dit onderzoek zijn de geluidniveaus door de gewenste inrichting aan Eindstraat 18 te Haren berekend. Geluidsnota Oss De omgeving van het projectgebied valt binnen het gebiedstype ‘Kernen en bebouwingsclusters’ conform bijlage 4 van de geluidsnota Oss. Voor de ontwikkeling van bedrijven in dat gebiedstype geldt: In principe moet worden voldaan aan de streefwaarde van 50 dB(A), maar eventueel kan de normstelling gemotiveerd (in de considerans van de vergunning) worden verruimd tot 55 dB(A). Wanneer een bedrijf onder een AMvB valt, is de normstelling automatisch 50 dB(A). Eventueel zou, middels een nadere eis, de normstelling verruimd kunnen worden tot 55 dB(A). Uit het onderzoek blijkt dat aan de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximaal geluidniveau uit stap 3 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering en de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximaal geluidniveau uit het Activiteitenbesluit wordt voldaan. Ook wordt aan de grenswaarden voor de indirecte hinder uit de schrikkelcirculaire van 29 februari 1996 voldaan.
Aan het aspect BBT (best beschikbare technieken) wordt in voldoende mate invulling gegeven. Gelet op het bovenstaande zijn er wat betreft geluid geen knelpunten voor de gewenste bedrijfsvoering.
Ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren, pag. 36 van 39 7 februari 2018
4.2 Waarden Binnen het plangebied voorkomende waarden op het vlak van natuur, archeologie of cultuurhistorie dienen te worden gerespecteerd en beschermd, mogelijk zelfs bevorderd. Bij ontwikkelingen moet proactief rekening worden gehouden met de aanwezige waarden. Achtereenvolgens komen aan bod: -
Archeologie en cultuurhistorie (§ 4.2.1) Natuur (§ 4.2.2)
- Kwaliteitsverbetering van het landschap (§ 4.2.3) 4.2.1 Archeologie en cultuurhistorie Met betrekking tot onderhavig initiatief vindt er géén roering van de grond plaats. Er zal dus ook géén sprake zijn van aantasting van eventuele archeologische waarden.
4.2.2 Natuur Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om soortenbescherming en anderzijds om gebiedsbescherming. Beschermde plant- en diersoorten ontlenen hun bescherming onder andere aan opname in de Flora- en faunawet. Deze bescherming moet er toe leiden dat het voortbestaan van de soort niet in gevaar komt. De gebiedsbescherming is verankerd in de Natuurbeschermingswet. Flora- en faunawet De Flora- en faunawet beschermt in het wild levende planten- en diersoorten. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen leiden tot verstoring, aantasting van broedplaatsen en vernietiging van verblijfplaatsen van beschermde soorten. De mate van bescherming hangt samen met de zeldzaamheid en kwetsbaarheid van de soort. Artikel 2 van de Flora- en faunawet houdt een algemene zorgplicht in. Op basis hiervan worden ook niet beschermde soorten zoveel mogelijk ontzien. De Flora- en faunawet hanteert het ‘nee, tenzij’ principe. Activiteiten die mogelijk leiden tot negatieve effecten op beschermde soorten zijn in principe verboden, tenzij maatregelen kunnen worden genomen om dit te voorkomen. In sommige gevallen dient voor een ruimtelijke ontwikkeling een ontheffing bij het ministerie te worden aangevraagd. Deze ontheffing wordt alleen verleend, als aangetoond wordt dat de voorgenomen ruimtelijke ingreep geen afbreuk zal doen aan de gunstige staat van instandhouding van de beschermde soorten.
Onderhavig initiatief richt zich niet op een ontwikkeling die negatieve gevolgen ten aanzien van ecologische waarden met zich meebrengt. Er wordt gebruik gemaakt van reeds bestaande bebouwing. Het dak van het voormalige agrarische bedrijfsgebouw is recent vervangen. Daarbij is de asbest verwijderd en zijn zonnepanelen geplaatst. Daarbij is niet gebleken dat het gebouw werd gebruikt als schuilplaats voor vleermuizen. De nieuw te realiseren parkeerplaatsen worden op het terrein gerealiseerd tussen de gebouwen in. Dit terrein is momenteel in gebruik als tuin. De landschappelijke versterking op het terrein achter de bijgebouwen, zal juist een vergroting van de ecologische waarden met zich meebrengen. Er is geen nader ecologisch onderzoek nodig. 4.2.3
Kwaliteitsverbetering van het landschap
Regeling ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’ In 2010 is de regeling ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’ uit de Verordening ruimte (destijds art. 2.2, nu artikel 3.2) in werking getreden. In het RRO van januari 2013 is het afsprakenkader over de toepassing en uitwerking van deze regeling vastgesteld. In 2014 – 2015 is de regeling geëvalueerd en zijn aanbevelingen opgesteld voor bijstelling van het afsprakenkader. Toepassingsbereik De notitie toepassingsbereik vormt het basisdocument voor het afsprakenkader van de provincie met de gemeenten in de regio Noordoost. Deze notitie bevat de categorie-indeling voor de niet-planmatige
Ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren, pag. 37 van 39 7 februari 2018
ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied en de bijbehorende tegenprestatie. Voor planmatige ontwikkelingen in het buitengebied is art. 3.2. altijd van toepassing. Deze notitie geeft de minimale inspanning aan die we regionaal hebben afgesproken. Gemeenten hebben alle vrijheid om meer kwaliteitsverbetering te verlangen als ze dat nodig vinden op basis van beleids- of gebiedsambities. Het afsprakenkader is nadrukkelijk geen ruimtelijk afwegingskader. Gemeenten moeten zelf beoordelen of een ontwikkeling ruimtelijk gewenst is. Vervolgens kan aan de hand van het afsprakenkader beoordeeld worden waar de kwaliteitsverbetering minimaal aan moet voldoen. Afspraken toepassingsbereik 1. de notitie Toepassingsbereik en met name de verdeling van ruimtelijke ontwikkelingen over de verschillende categorieën is de basis voor het afsprakenkader over toepassingsbereik. 2. bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen is kwaliteitsverbetering altijd van toepassing; 3. bij niet-planmatige ontwikkelingen: tegenprestatie gerelateerd aan impact: cat. 1 geen impact: geen tegenprestatie cat. 2 beperkte impact: landschappelijke inpassing cat. 3 grote impact: berekende kwaliteitsverbetering van het landschap Onderhavig initiatief betreft een niet planmatige ontwikkeling met een beperkte impact. Er wordt immers gebruik gemaakt van de reeds aanwezige bebouwing.
De beoogde activiteiten zullen plaatsvinden in deze gebouwen én het terrein tussen de gebouwen in. Het achterterrein wordt ingezet voor landschappelijke versterking en zal minimaal worden betreden. Conclusie is dat voor onderhavig initiatief een landschappelijke inpassing is vereist. In overleg met Brabants Landschap is voor het achterterrein reeds een landschappelijk ontwikkelingsplan opgesteld en gerealiseerd (zie afbeelding 4) op basis van het Groen Blauwe Stimuleringskader. Aanvullend op dat plan zullen de volgende landschapselementen worden aangebracht: -
Aanplant struweelbeplanting aan achterzijde van de voormalige varkensschuur; Aanplant knotwilgen aan westzijde van het perceel; Aanplant hoogstam-fruitbomen tegen perceelsgrens oostzijde; Aanleg gemengde haag (o.a. met (veld)esdoorn) tegen perceelsgrens oostzijde
Afbeelding 6 laat de beoogde situatie zien. 4.2.4 Defensie Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: -
Radarverstoringsgebieden;
-
Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen;
-
Obstakelbeheergebieden;
- Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling.
Ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren, pag. 38 van 39 7 februari 2018
Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen. Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden. 4.2.5 Milieueffectrapportage (M.e.r.) Op grond van het Besluit milieueffectrapportage, mede in relatie tot bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, moet voor bepaalde projecten een m.e.r. worden gemaakt of een m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd. Met een m.e.r. worden vooraf de milieugevolgen van een besluit in beeld gebracht. Voor onderhavig initiatief hoeft op grond van de Wet milieubeheer geen milieueffectrapport te worden gemaakt. Op grond van de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling is niet gebleken dat er belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn die leiden tot een m.e.r.-beoordelingsplicht. Hierbij wijzen wij op wat wij elders in deze toelichting over de afzonderlijke milieuaspecten hebben opgemerkt. Er bestaat dan ook geen aanleiding tot het uitvoeren van een m.e.r.beoordeling.
Ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren, pag. 39 van 39 7 februari 2018
Hoofdstuk 5 5.1
Haalbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub f van het Besluit ruimtelijke ordening onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan, een projectbesluit of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. • de bouw van een of meer woningen; • de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; • de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m² of met een of meer woningen; • de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; • de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies tenminste 1.000 m² bedraagt; • de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m².
Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is én er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld. Voor onderhavig initiatief zal met de initiatiefnemer een exploitatie/anterieure overeenkomst worden gesloten. Middels deze overeenkomst is de economische uitvoerbaarheid van het voorgenomen plan verzekerd. 5.2
Inspraak en vooroverleg
Onderhavig initiatief krijgt haar planologische vertaling in de algehele herziening van het bestemmingsplan Buitengebied Oss 2016. Dit bestemmingsplan zal in procedure worden gebracht waarbij inspraak en vooroverleg plaatsvindt.
AKOESTISCH ONDERZOEK INDUSTRIELAWAAI
Eindstraat 18 te Haren Oprichting biocentrisch centrum
Opdrachtgever: Contactpersoon:
Van Gessel Advisering drs. M.H.H. van Gessel
Documentnummer: 20170288/C01/RK Datum: 1 mei 2017 Opdrachtnemer: Auteur: Projectleider:
De Roever Omgevingsadvies ir. R. Keetels drs. ing. C. den Hertog
INHOUDSOPGAVE
1.
INLEIDING ..................................................................................................... 3 1.1. 1.2.
2.
NORMSTELLING .............................................................................................. 5 2.1. 2.2. 2.3.
3.
Representatieve bedrijfssituatie ............................................................... 8 Geluidbronnen ....................................................................................... 8 Berekeningswijze ................................................................................... 9
REKENRESULTATEN ........................................................................................11 4.1. 4.2. 4.3. 4.4. 4.5.
5.
Beoordelingskader ruimtelijke ordening..................................................... 5 Beoordelingskader milieu ........................................................................ 6 Definitie periodes ................................................................................... 7
REKENONDERZOEK ......................................................................................... 8 3.1. 3.2. 3.3.
4.
Ruimtelijk plan ....................................................................................... 3 Akoestisch onderzoek ............................................................................. 4
Rekenresultaten langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ..............................11 Rekenresultaten maximaal geluidniveau ...................................................12 Rekenresultaten indirecte hinder .............................................................13 Bijzondere geluiden ...............................................................................14 Maatregelen (BBT) ................................................................................14
CONCLUSIES .................................................................................................15
BIJLAGE I.
GEGEVENS ........................................................................................16
BIJLAGE II.
AFBEELDINGEN REKENMODEL ..........................................................17
BIJLAGE III.
INVOERGEGEVENS REKENMODEL......................................................18
BIJLAGE IV.
REKENRESULTATEN .........................................................................19
1. INLEIDING 1.1. Ruimtelijk plan De initiatiefnemer heeft het voornemen het aanwezige (voormalige) agrarische bedrijfsgebouw op het perceel aan Eindstraat 18 te Haren om te bouwen tot biocentrisch centrum. Via het aanbieden van cursussen voor yoga, meditatie, Tai Chi en biodanza, kunnen mensen leren wat het biocentrisch principe inhoudt. Het gebouw zal in de beoogde situatie bestaan uit een ontmoetingsruimte, meditatieruimte, sanitaire ruimte en entreeruimte waaronder een omkleedruimte. Daarnaast wordt een Bed & Breakfastvoorziening (twee appartementen) gerealiseerd. Op de afbeelding 1 is de locatie van het plangebied aangegeven.
Afbeelding 1. Locatie plangebied Bron: PDOK
Eindstraat 18 Haren, akoestisch onderzoek industrielawaai
Pagina 3 van 19
Op afbeelding 2 is de gewenste situatie aangegeven. De gewenste situatie is in detail weergegeven in bijlage I.
Afbeelding 2. Gewenste situatie Oprichten biocentrisch centrum en bijbehorende parkeervoorzieningen
De dichtstbijzijnde woning van derden is gelegen aan Eindstraat 16 op ongeveer 6 meter ten westen van de inrichting. 1.2. Akoestisch onderzoek Om de geluidbelasting vanwege de inrichting in de omgeving vast te stellen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai, 1999. Het onderzoek geeft inzicht in de volgende aspecten: - de akoestisch relevante representatieve bedrijfssituatie van de inrichting; - het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau; - de maximale geluidniveaus; - de indirecte hinder. Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van de volgende gegevens: - plattegrondtekening; - toelichting door de opdrachtgever; - via internet toegankelijke informatie zoals Streetview en Bing Maps en digitale ondergronden (PDOK); - gegevens en bureauexpertise De Roever Omgevingsadvies.
Eindstraat 18 Haren, akoestisch onderzoek industrielawaai
Pagina 4 van 19
2. NORMSTELLING 2.1. Beoordelingskader ruimtelijke ordening Bij de toetsing of de gewenste bestemming inpasbaar is in de omgeving wordt aangesloten bij de Handreiking Bedrijven en milieuzonering1. Het beoordelingskader bij een bestemmingsplanwijziging is opgenomen in bijlage B5.3 van die publicatie. Bij de toetsing wordt onderscheid gemaakt in de gebiedstypen rustige woonwijk/rustig buitengebied en gemengd gebied. Een omschrijving van deze gebieden wordt gegeven in hoofdstuk 2.3 van de publicatie. Voor de omgeving van het plangebied wordt uitgegaan van een rustig buitengebied, omdat direct naast woningen geen andere functies, zoals kleine bedrijven, voorkomen. Stap 1 Als de richtafstand voor het aspect geluid niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect geluid in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk.
Stap 2 Als stap 1 niet toereikend is, dan is inpassing mogelijk bij een geluidbelasting op geluidgevoelige objecten van maximaal: - 45 dB(A) etmaalwaarde langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, ofwel; 45 dB(A) in de dagperiode 40 dB(A) in de avondperiode 35 dB(A) in de nachtperiode - 65 dB(A) etmaalwaarde maximaal geluidniveau (piekgeluiden), ofwel; 65 dB(A) in de dagperiode 60 dB(A) in de avondperiode 55 dB(A) in de nachtperiode - 50 dB(A) etmaalwaarde indirecte hinder, ofwel; 50 dB(A) in de dagperiode 45 dB(A) in de avondperiode 40 dB(A) in de nachtperiode Stap 3 Als stap 2 niet toereikend is, dan is inpassing is mogelijk bij een geluidbelasting op woningen van maximaal: - 50 dB(A) etmaalwaarde langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, ofwel; 50 dB(A) in de dagperiode 45 dB(A) in de avondperiode 40 dB(A) in de nachtperiode - 70 dB(A) etmaalwaarde maximaal geluidniveau (piekgeluiden), ofwel; 70 dB(A) in de dagperiode
1
Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), 2009
Eindstraat 18 Haren, akoestisch onderzoek industrielawaai
Pagina 5 van 19
-
65 dB(A) in de avondperiode 60 dB(A) in de nachtperiode 50 dB(A) etmaalwaarde indirecte hinder, ofwel; 50 dB(A) in de dagperiode 45 dB(A) in de avondperiode 40 dB(A) in de nachtperiode
Het bevoegd gezag dient echter te motiveren waarom het deze geluidbelasting in de concrete situatie acceptabel acht, waarbij tevens de cumulatie met eventueel reeds aanwezige geluidbelasting moet worden betrokken. Stap 4 Bij een hogere geluidbelasting dan aangegeven in stap 3 zal inpassing doorgaans niet mogelijk zijn. Indien het bevoegd gezag niettemin tot inpassing wil overgaan, dient het dit grondig te onderzoeken, onderbouwen en motiveren, waarbij tevens de cumulatie met eventueel reeds aanwezige geluidbelasting moet worden betrokken. Beoordeling De gewenste inrichting kan wat betreft milieubelasting worden gezien als een bedrijf van milieucategorie 1, zoals artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven. Bij dit soort bedrijven hoort een richtafstand van 10 meter voor het aspect geluid (en een afstand van 0 meter voor de overige milieuaspecten geur, stof en gevaar). De afstand tot de dichtstbijzijnde woning bedraagt 6 meter. Omdat niet aan de richtafstand kan worden voldaan, wordt in dit rapport de geluidbelasting nader onderzocht en wordt deze getoetst volgens bovenstaande vervolgstappen. 2.2. Beoordelingskader milieu Naast de beoordeling op basis van richtafstanden wordt in dit onderzoek ook de inpasbaarheid ten aanzien van bestaande geluidgevoelige objecten in de omgeving getoetst.
Directe hinder De normstelling voor het in werking hebben van de inrichting volgt uit het Artikel 2.17, lid 1 van het Activiteitenbesluit: Voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau LAmax, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, geldt dat: a. de niveaus op de in tabel 2.17a genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden;
Eindstraat 18 Haren, akoestisch onderzoek industrielawaai
Pagina 6 van 19
Tabel 2.17a 07:00–19:00 uur
19:00–23:00 uur
23:00–07:00 uur
LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen
50 dB(A)
45 dB(A)
40 dB(A)
LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen
70 dB(A)
65 dB(A)
60 dB(A)
b. de in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur in tabel 2.17a opgenomen maximale geluidsniveaus LAmax niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten; Indirecte hinder Verkeersbewegingen van en naar de inrichting op de openbare weg worden volgens de schrikkelcirculaire van 29 februari 1996 getoetst aan het door die verkeersbewegingen veroorzaakte equivalente geluidniveau: - voorkeursgrenswaarde 50 dB(A) etmaalwaarde, ofwel; 50 dB(A) in de dagperiode 45 dB(A) in de avondperiode 40 dB(A) in de nachtperiode - maximale grenswaarde 65 dB(A), ofwel: 65 dB(A) in de dagperiode 60 dB(A) in de avondperiode 55 dB(A) in de nachtperiode 2.3. Definitie periodes De periodes worden als volgt gedefinieerd: - dagperiode: 07.00 tot 19.00 uur - avondperiode: 19.00 tot 23.00 uur - nachtperiode: 23.00 tot 07.00 uur
Eindstraat 18 Haren, akoestisch onderzoek industrielawaai
Pagina 7 van 19
3. REKENONDERZOEK 3.1. Representatieve bedrijfssituatie In het biocentrisch centrum worden enkele malen per week cursussen gegeven. Het betreffen cursussen voor yoga, meditatie, Tai Chi en biodanza. Daarnaast is sprake van een B&B met twee appartementen. Voertuigbewegingen van en naar de inrichting en het parkeren vormen de geluidrelevante activiteiten. Alle overige activiteiten vinden inpandig plaats. Vanwege de aard van de cursussen is geen sprake van een relevante geluiduitstraling van het pand. Er is alleen sprake van voertuigbewegingen en parkeren door personenwagens. De inrichting wordt niet bezocht door zwaar verkeer. De cursussen beginnen om 19.00 uur of om 19.45 uur en duren 90 minuten. Na 22.00 verlaat de laatste personenwagen de inrichting. In de dagperiode wordt de inrichting door 10 maximaal personenwagens bezocht. In de avondperiode wordt de inrichting door maximaal 8 personenwagens bezocht. Er zijn geen voertuigbewegingen in de nachtperiode. Deze voertuigbewegingen zijn inclusief de B&B. De personenwagens bezoeken en verlaten de inrichting via de inrit aan Eindstraat. De gemiddelde snelheid over het terrein bedraagt 10 km/uur. Voor het manoeuvreren op het terrein wordt rekening gehouden met 10 seconde per beweging. Verder worden de twee parkeerplaatsen bij de inrit aan de Eindstraat alleen in de dagperiode gebruikt.
Voor het bronvermogen van personenwagens is uitgegaan van 90 dB(A). De piekgeluiden bij personenwagens worden met name bepaald door het optrekken (94 dB(A)) en het dichtslaan van portieren (100 dB(A)). Deze waarden worden als representatief gezien voor het gemiddelde Nederlandse wagenpark. 3.2. Geluidbronnen Op basis van de representatieve bedrijfssituatie zijn de relevante geluidbronnen voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, het maximale geluidniveau en de indirecte hinder bepaald. De geluidbronnen zijn opgenomen in tabel 1. Tabel 1. Geluidbronnen Code
Bron
Dag
Avond
Nacht
Type
LW dB(A)
Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau PWr
Personenwagens rijden
PWm
Personenwagens manoeuvreren
20x
16x
-
Mobiele bron
90
200 sec
160 sec
-
Puntbron
90
Maximaal geluidniveau xPWo
Personenwagens optrekken
-
Puntbron
94
xPWp
Personenwagens portieren
-
Puntbron
100
20x
16x
-
Mobiele bron
90
Indirecte hinder ihPW*
Personenwagens
* gemodelleerd als enkele rijlijn, aantal bewegingen heen en terug
Eindstraat 18 Haren, akoestisch onderzoek industrielawaai
Pagina 8 van 19
3.3. Berekeningswijze Voor de berekeningen is gebruik gemaakt van het softwarepakket Geomilieu (versie 4.21, module IL). De rekenpunten zijn aangebracht ter plaatse van geluidgevoelige objecten, op die locaties en hoogten waar zich ook verblijfsruimtes kunnen bevinden. De rekenhoogte bedraagt 1,5 meter boven maaiveld (dagperiode) en 5,0 meter boven maaiveld (avondperiode). Voor het rekengebied is uitgegaan van een akoestisch absorberende (zachte) bodem, met uitzondering van akoestisch reflecterende delen, zoals wegen, trottoirs en overige verhardingen. De overige invoergegevens (bodemgebieden, gebouwen en terrein- en gebouwhoogtes) zijn afgelezen uit topografische gegevens van het Kadaster, het AHN, bestemmingsplankaarten en uit de beschikbare bronnen via internet. De hoogtes van de gebouwen in de omgeving zijn in detail bepaald op basis van het AHN. Voor de berekening van de maximale geluidniveaus is in het rekenmodel een afzonderlijke groep geluidbronnen (LAmax) aangemaakt. De maximale geluidniveaus zijn berekend door per beoordelingslocatie het hoogste Li minus Cm te bepalen. Hiervoor is gebruik gemaakt van de in Geomilieu ingebouwde functionaliteit. De indirecte hinder is (conform de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening) gemodelleerd tot het punt waar de voertuigen zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Als gemiddelde snelheid is 30 km/uur gehanteerd.
In bijlage II is een grafische presentatie gegeven van het ingevoerde rekenmodel weergegeven. De numerieke invoergegevens van het rekenmodel zijn opgenomen in bijlage III. Op afbeeldingen 3 en 4 zijn 3d-impressies van het rekenmodel weergegeven.
Eindstraat 18 Haren, akoestisch onderzoek industrielawaai
Pagina 9 van 19
Afbeelding 4. Rekenmodel, 3d-weergave Kijkhoek vanuit zuiden
Afbeelding 5. Rekenmodel, 3d-weergave Kijkhoek vanuit zuidwesten
Eindstraat 18 Haren, akoestisch onderzoek industrielawaai
Pagina 10 van 19
4. REKENRESULTATEN 4.1. Rekenresultaten langtijdgemiddeld beoordelingsniveau In tabel 2 zijn de rekenresultaten voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ter plaatse van de maatgevende beoordelingspunten weergegeven. De volledige rekenresultaten zijn opgenomen in bijlage IV. Tabel 2. Rekenresultaten LAr,LT Punt
Omschrijving
richtwaarde/grenswaarde
Lden [dB(A)]
LAr,LT [dB(A)]
Hoogte Dag
Avond
Nacht
Etmaal
45/50
40/45
35/40
45/50
d/a/n
ES16n_A
Eindstraat 16 noordgevel
1.5
36.4
--
--
36.4
38.6
ES16n_B
Eindstraat 16 noordgevel
5.0
--
39.8
--
44.8
38.6
ES16w_A
Eindstraat 16 westgevel
1.5
40.3
--
--
40.3
42.4
ES16w_B
Eindstraat 16 westgevel
5.0
--
43.5
--
48.5
42.4
ES16z_A
Eindstraat 16 zuidgevel
1.5
33.7
--
--
33.7
40.0
ES16z_B
Eindstraat 16 zuidgevel
5.0
--
37.2
--
42.2
40.0
De hoogst berekende waarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau bedraagt 40,3 dB(A) in de dagperiode en 43,5 dB(A) in de avondperiode. Voor het beoordelen van het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de woning aan Eindstraat 16 moet worden aangesloten bij de beoordelingsmethodiek uit de Handreiking Bedrijven en milieuzonering, zie paragraaf 2.1. Ter plaatse van de westgevel van de woning wordt in de avondperiode niet aan de richtwaarde uit stap 2 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering (40 dB(A) in de avondperiode) voldaan. Wel wordt aan de grenswaarde uit stap 3 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering (45 dB(A) in de avondperiode) voldaan. Deze grenswaarde is gelijk aan de grenswaarde die geldt volgens het Activiteitenbesluit. Bij het hanteren van de grenswaarde uit stap 3 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering moet ook de cumulatie met de eventueel reeds aanwezige geluidbelasting worden betrokken. In de directe omgeving van de woning aan Eindstraat 16 liggen alleen woonbestemmingen, is geen sprake van andere relevante geluidbronnen. Voor het beoordelen van het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de woning wordt gebruik gemaakt van de ‘kwaliteitsindicatie geluid’ van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).
In tabel 3 is de classificering van de milieukwaliteit bij verschillende waarden van de cumulatieve geluidbelasting (in Lden) weergegeven.
Eindstraat 18 Haren, akoestisch onderzoek industrielawaai
Pagina 11 van 19
Tabel 3. Milieukwaliteit Lden Lden cumulatief
Milieukwaliteit
< 45 dB
Zeer goed
46 - 50 dB
Goed
51 – 55 dB
Redelijk
56 – 60 dB
Matig
61 – 65 dB
Slecht
> 65
Zeer slecht
De hoogst berekende geluidbelasting in Lden bedraagt 42,4 dB(A). De milieukwaliteit is daarom ‘zeer goed’. Gesteld kan worden dat de geluidbelasting een acceptabel woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat. Voor het beoordelen van de inpasbaarheid van de gewenste inrichting wordt getoetst aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit, zie paragraaf 2.2. Ter plaatse van alle beoordelingspunten wordt aan de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau uit het Activiteitenbesluit voldaan. Om bovenstaande redenen kan worden gesteld dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau geen knelpunt vormt voor de gewenste ruimtelijke ontwikkeling. 4.2. Rekenresultaten maximaal geluidniveau In tabel 4 zijn de rekenresultaten voor het maximale geluidniveau ter plaatse van de maatgevende beoordelingspunten weergegeven. De volledige rekenresultaten zijn opgenomen in bijlage IV. Tabel 4. Rekenresultaten LAmax Punt
Omschrijving
Hoogte
ES16n_A
Eindstraat 16 noordgevel
1.5
ES16n_B
Eindstraat 16 noordgevel
ES16w_A
LAmax [dB(A)] Dag
Avond
Nacht
65/70
60/65
55/60
59.2
--
--
5.0
--
61.8
--
Eindstraat 16 westgevel
1.5
66.2
--
--
ES16w_B
Eindstraat 16 westgevel
5.0
--
60.3
--
ES16z_A
Eindstraat 16 zuidgevel
1.5
68.8
--
--
ES16z_B
Eindstraat 16 zuidgevel
5.0
--
62.5
--
richtwaarde/grenswaarde
De hoogst berekende waarde voor het maximaal geluidniveau bedraagt 68,8 dB(A) in de dagperiode en 62,5 dB(A) in de avondperiode. Voor het beoordelen van het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de woning aan Eindstraat 16 moet worden aangesloten bij de beoordelingsmethodiek uit de Handreiking Bedrijven en milieuzonering, zie paragraaf 2.1.
Eindstraat 18 Haren, akoestisch onderzoek industrielawaai
Pagina 12 van 19
Ter plaatse van de westgevel van de woning wordt in de dag- en avondperiode niet aan de richtwaarde uit stap 2 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering (65 dB(A) in de dagperiode en 60 dB(A) in de avondperiode) voldaan. Wel wordt aan de grenswaarde uit stap 3 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering (70 dB(A) in de dagperiode en 65 dB(A) in de avondperiode) voldaan. Deze grenswaarde is gelijk aan de grenswaarde die geldt volgens het Activiteitenbesluit. Bij het hanteren van de grenswaarde uit stap 3 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering moet ook de cumulatie met de eventueel reeds aanwezige geluidbelasting worden betrokken. Bij piekgeluiden is geen sprake van cumulatie. Het dichtslaan van portieren betreft een piekgeluid dat gebiedseigen is en niet afwijkt van de piekgeluiden veroorzaakt door het verkeer over de openbare weg of het dichtslaan van portieren op de oprit bij de buren. Voor het beoordelen van de inpasbaarheid van de gewenste inrichting wordt getoetst aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit, zie paragraaf 2.2. Ter plaatse van alle beoordelingspunten wordt aan de grenswaarden voor het maximale geluidniveau uit het Activiteitenbesluit voldaan. Hierbij merken wij op dat de piekgeluiden door laad- en losactiviteiten in de dagperiode volgens het Activiteitenbesluit niet worden getoetst.
Om bovenstaande redenen kan worden gesteld dat het maximaal geluidniveau geen knelpunt vormt voor de gewenste ruimtelijke ontwikkeling. 4.3. Rekenresultaten indirecte hinder In tabel 5 zijn de rekenresultaten voor de indirecte hinder ter plaatse van de maatgevende beoordelingspunten weergegeven. De volledige rekenresultaten zijn opgenomen in bijlage IV. Tabel 5. Rekenresultaten indirecte hinder Punt
Omschrijving
Hoogte richtwaarde/grenswaarde
Indirecte hinder [dB(A)] Dag
Avond
Nacht
Etmaal
50/65
45/60
40/55
50/65
ES16n_A
Eindstraat 16 noordgevel
1.5
8.4
--
--
8.4
ES16n_B
Eindstraat 16 noordgevel
5.0
--
13.4
--
18.4
ES16w_A
Eindstraat 16 westgevel
1.5
22.4
--
--
22.4
ES16w_B
Eindstraat 16 westgevel
5.0
--
27.1
--
32.1
ES16z_A
Eindstraat 16 zuidgevel
1.5
33.5
--
--
33.5
ES16z_B
Eindstraat 16 zuidgevel
5.0
--
37.2
--
42.2
De hoogst berekende waarde voor de indirecte hinder bedraagt 33,5 dB(A) in de dagperiode en 37,2 dB(A) in de avondperiode. Voor het beoordelen van de inpasbaarheid van de gewenste inrichting wordt getoetst aan de grenswaarden uit de schrikkelcirculaire van 29 februari 1996, zie paragraaf 2.2. Ter plaatse van alle beoordelingspunten wordt aan de richtwaarde voor de indirecte hinder voldaan.
Eindstraat 18 Haren, akoestisch onderzoek industrielawaai
Pagina 13 van 19
4.4. Bijzondere geluiden De aard van het materieel en van de activiteiten geeft geen aanleiding om te veronderstellen dat ter plaatse van de beoordelingspunten sprake zal zijn van geluid met een tonaal of impulsachtig karakter. De piekniveaus die kunnen optreden zijn zodanig kortstondig en niet veelvuldig aanwezig dat het toepassen van de toeslag K2 van 5 dB tijdens het optreden hiervan niet zal bijdragen tot een verhoging van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau bij de beoordelingspunten. 4.5. Maatregelen (BBT) In het algemeen geldt dat voor een inrichting ten minste de voor die inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) moeten worden toegepast. Voor geluid geldt dat aan BBT wordt voldaan als voldaan wordt aan de te stellen geluidgrenswaarden. Voor de gewenste inrichting geldt verder onder meer: - voor de personenwagens zijn geen geluidreducerende maatregelen mogelijk, aangezien het materieel van derden betreft waarover het bedrijf geen zeggenschap heeft. Verder geldt dat voldaan wordt aan de richtwaarden en de grenswaarden, zodat geen verdere geluidreducerende maatregelen hoeven te worden getroffen2.
2
zie ABRvS 200906507/1/M2 van 2 juni 2010
Eindstraat 18 Haren, akoestisch onderzoek industrielawaai
Pagina 14 van 19
5. CONCLUSIES In dit onderzoek zijn de geluidniveaus door de gewenste inrichting aan Eindstraat 18 te Haren berekend. Uit het onderzoek blijkt dat aan de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximaal geluidniveau uit stap 3 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering en de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximaal geluidniveau uit het Activiteitenbesluit wordt voldaan. In hoofdstuk 4 is toegelicht waarom de grenswaarden uit stap 3 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering kunnen worden gehanteerd. Ook wordt aan de grenswaarden voor de indirecte hinder uit de schrikkelcirculaire van 29 februari 1996 voldaan. Aan het aspect BBT wordt in voldoende mate invulling gegeven. Gelet op het bovenstaande zijn er wat betreft geluid geen knelpunten voor de gewenste bedrijfsvoering.