Bijlage 2A Toelichting - bijlage 03 Eindstraat 18 Haren
Tekst van het document
BESTEMMINGSPLAN Buitengebied Oss - 2020 Bijlagen bij toelichting
Bijlage 3 - ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren
Gemeente Oss | Raadhuislaan 2 | 5341 GM | Oss | T: 14 0412 | F: 0412 642605 | www.oss.nl |
Ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren, pag. 1 van 39 7 februari 2018
Ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren
Gemeente Oss, 7 februari 2018
Ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren, pag. 2 van 39 7 februari 2018
Ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren, pag. 3 van 39 7 februari 2018
INHOUDSOPGAVE Ruimtelijke onderbouwing Hoofdstuk 1
Inleiding ............................................................................................................. 5
1.1
Aanleiding ................................................................................................................................................... 5
1.3
Vigerend bestemmingsplan ...................................................................................................................... 5
1.2
Begrenzing plangebied.............................................................................................................................. 5
Hoofdstuk 2
Bestaande situatie en programma ............................................................................ 7
2.1
Ontstaansgeschiedenis ............................................................................................................................. 7
2.3
Beoogde situatie ........................................................................................................................................ 8
2.2 2.4 2.5 2.7
Bestaande situatie ..................................................................................................................................... 7
Stedenbouwkundige karakteristiek ........................................................................................................ 10 Functionele karakteristiek ....................................................................................................................... 11 Beeldkwaliteit ........................................................................................................................................... 11
Hoofdstuk 3
Beleidskader ..................................................................................................... 13
3.1
Wettelijk kader .......................................................................................................................................... 13
3.3
Provinciaal beleid..................................................................................................................................... 17
3.2 3.4
Rijksbeleid ................................................................................................................................................ 14
Gemeentelijk beleid ................................................................................................................................. 23
Hoofdstuk 4 4.1 4.2
Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................... 29 Waarden .................................................................................................................................................... 36
Hoofdstuk 5 5.1 5.2
Verantwoording ................................................................................................. 29
Haalbaarheid ..................................................................................................... 39
Economische uitvoerbaarheid ................................................................................................................ 39 Inspraak .................................................................................................................................................... 39
BIJLAGEN 1.
AKOESTISCH ONDERZOEK INDUSTRIELAWAAI (DE ROEVER)
2.
BEPLANTINGSPLAN
Ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren, pag. 4 van 39 7 februari 2018
Ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren
Ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren, pag. 5 van 39 7 februari 2018
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Familie Ploegmakers zijn eigenaar van het object aan Eindstraat 18 te Haren. Ze wil het ter plekke aanwezige (voormalige) agrarische bedrijfsgebouw ombouwen tot biocentrisch centrum. 1.2
Begrenzing plangebied
Het plangebied wordt gevormd door perceel kadastraal bekend gemeente Oss, sectie R, nr. 82 (zie afbeelding 1).
Afbeelding 1: kadastrale situatie Eindstraat 18, rood omlijnd het plangebied
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Voor onderhavig plangebied geldt het bestemmingsplan Buitengebied Oss 2010. Dit plan werd op 1 juli 2010 vastgesteld. In dit plan zijn voor het plangebied de volgende relevante bestemmingen/aanduidingen opgenomen: • • • •
Agrarisch; Wonen; Functieaanduiding specifieke vorm van wonen - voormalig agrarisch bedrijf Dubbelbestemming Waarde - Archeologie 2
Afbeelding 2 biedt een uitsnede van de plankaart uit onderhavig bestemmingsplan.
Ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren, pag. 6 van 39 7 februari 2018
Afbeelding 2: uitsnede vigerend bestemmingsplan Buitengebied Oss
Ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren, pag. 7 van 39 7 februari 2018
Hoofdstuk 2 2.1
Bestaande situatie en programma
Ontstaansgeschiedenis
Het object aan Eindstraat betreft een Vrijkomende Agrarische Bedrijfslocatie (VAB). De voormalige bedrijfswoning wordt al lange tijd gebruikt als burgerwoning en de locatie heeft in het geldende bestemmingsplan een woonbestemming. Eén van de voormalige varkensschuren is nog altijd op de locatie aanwezig. Initiatiefnemer wil dit voormalige agrarische bedrijfsgebouw gebruiken ten behoeve van een recreatief-maatschappelijke functie (biocentrisch centrum). 2.2
Bestaande situatie
Aan Eindstraat 18 is een woning gelegen met een vrijstaand bijgebouw. Daarnaast bevindt zich op het perceel een voormalig agrarisch bedrijfsgebouw van 47 bij 9 meter (423 m2). Deze (varkens)schuur is gelegen aan de westzijde van het perceel. De grens van het bestemmingsvlak ‘wonen’ loopt vlak achter de aanwezige bijgebouwen. Het perceel loopt nog circa 190 meter noordwaarts door (tot aan de aanwezige oost-west georiënteerde sloot). Dit deel van het perceel betreft grasland (agrarisch gebruik). Initiatiefnemer heeft op dit achterterrein, met ondersteuning van Brabants Landschap, diverse landschappelijke elementen aangebracht Het plangebied is georiënteerd aan de Eindstraat. De Eindstraat is een uitloper van de kern Haren. Het betreft een bebouwingslint waaraan vanuit het verleden met name agrarische functies gevestigd waren. Door de jaren heen zijn aan de Eindstraat de agrarische functies vervangen door met name woningen.
Voormalig
bedrijfsgebouw
woning
Afbeelding 3: bestaande situatie Eindstraat 18
bijgebouw
Ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren, pag. 8 van 39 7 februari 2018
Het plangebied is ontsloten via de Eindstraat. Vanaf de Eindstraat is er een directe verbinding met de Dorpenweg. Parkeren geschiedt momenteel op eigen terrein, via een inrit is het terrein tussen de woning en de bijgebouwen te bereiken, alweer het parkeren plaatsvindt. Landschappelijke inrichting Het plangebied is, op basis van het Groen-Blauwe stimuleringskader, reeds voorzien van een stevige landschappelijke inrichting/inpassing, zie daarvoor afbeelding 4.
Afbeelding 4: huidige landschappelijke inrichting Eindstraat 18
2.3
Beoogde situatie
Het plan van initiatiefnemer ziet toe op de volgende elementen:
1. Het ontwikkelen van een biocentrisch centrum in het noordelijk deel van het voormalige bedrijfsgebouw. Een biocentrisch centrum richt zich op het biocentrisch leven. Het biocentrisch principe gaat uit van het centraal stellen van het leven. Het leven is heilig, kostbaar en samenhangend. Dit betreft het uitgangspunt voor alle takken van wetenschap en menselijke gedragingen. Het basisidee van het Goede is, het leven te behouden, het te bevorderen en het tot zijn hoogste waarde te brengen. En dat het Kwade is, alles wat het leven vernietigt, intimideert, devalueert en de bloei ervan belemmert.
Ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren, pag. 9 van 39 7 februari 2018
Via het aanbieden van programma’s voor yoga, meditatie, Tai Chi en biodanza, kunnen mensen leren wat het biocentrisch principe inhoudt. Mensen kunnen elkaar in het centrum ontmoeten, onder andere om eenzaamheid te voorkomen. Afbeelding 5 toont de nieuwe beoogde situatie aan Eindstraat 18. Het voormalige agrarisch bedrijfsgebouw is daarbij deels ingericht ten behoeve van het biocentrisch centrum. De volgende ruimten zijn beoogd: Ontmoetingsruimte (72 m2); Meditatieruimte (112 m2); Sanitair zoals toilet, douche (30 m2); Entreeruimte waaronder omkleedruimte (30 m2).
Doelgroep voor het biocentrisch centrum zijn 50 plussers (met name 60-ers). Het gaat om mensen voor wie fitness te veel is, een marathon niet meer haalbaar is maar dat er, in gezamenlijkheid, wel behoefte is aan beweging. Dit kan plaatsvinden via diverse workshops voor onder andere yoga of meditatie. Daarbij zal gewerkt worden met groepen van 6 tot15 deelnemers. Met als doel om vereenzaming te voorkomen wordt naast de workshops en lessen ook vóór en ná de gezamenlijke sessie de mogelijkheid geboden om onder het genot van een thee of koffie, na te keuvelen.
2. Het ontwikkelen van verblijfsrecreatieve voorzieningen. Dit in de vorm van 2 Bed & Breakfastvoorzieningen in het zuidelijk deel van het voormalige bedrijfsgebouw. Op afbeelding 4 zijn de twee beoogde verblijfsvoorzieningen aangegeven als appartement 1 en appartement 2. Beide appartementen krijgen een omvang van 60 m2. 3. Creëren ontvangstplein. De ruimte tussen de aanwezige woning en de bijgebouwen zal dusdanig worden ingericht dat dit een centraal ontvangstplein wordt. Hier dienen onder andere voldoende parkeervoorzieningen worden gerealiseerd. Achter het bijgebouw zullen eveneens enkele parkeerplaatsen worden gerealiseerd, zodat ook bij piekmomenten voldoende parkeerruimte op eigen terrein aanwezig is. Er worden 14 parkeerplaatsen gerealiseerd. 4. Realiseren en uitbreiden landschappelijke zone. Het deel van perceel R.82 wat zich achter de bijgebouwen bevindt, zal landschappelijk worden versterkt. Naast dat dit een bijdrage oplevert voor de natuurlijke omgeving, wordt hiermee de locatie van het biocentrisch centrum versterkt. Het achterterrein is vooral bedoeld om bezoekers aan het centrum het gevoel van rust en ruimte te geven. Het achterterrein zal slechts beperkt worden betreden om een wandeling te maken en via meditatie één te worden met de natuur.
De beoogde (aanvulling op de) landschappelijke inrichting voorziet in de volgende elementen: - Aanplant struweelbeplanting aan achterzijde van de voormalige varkensschuur; - Aanplant knotwilgen aan westzijde van het perceel; - Aanplant hoogstam-fruitbomen tegen perceelsgrens oostzijde; - Aanleg gemengde haag (o.a. met (veld)esdoorn) tegen perceelsgrens oostzijde Het plan ziet dus niet toe op nieuwbouw. Initiatiefnemer wil gebruik maken van de reeds aanwezige bebouwing. Deze bebouwing dient een verbouwing te ondergaan om de beoogde functies volgens wens in het gebouw onder te brengen.
Ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren, pag. 10 van 39 7 februari 2018
ontvangstplein
Afbeelding 5: beoogde situatie Eindstraat 18
2.4 Stedenbouwkundige karakteristiek Aangezien gebruik wordt gemaakt van reeds aanwezige bebouwing, treedt er geen verandering op in de stedenbouwkundige situatie ter plaatse. Ook de ontsluiting vindt plaats via de reeds aanwezige inrit en infrastructuur op het achterterrein. Initiatiefnemer heeft als ambitie om het deel van het perceel wat buiten de woonbestemming is gelegen, landschappelijk te versterken. Afbeelding 6 laat zien op welke wijze deze versterking is beoogd. De inpassing ziet toe op de volgende elementen: -
Aanleg van een forse houtwal ten westen van het voormalige agrarische bedrijfsgebouw. Dit heeft als doel om het zicht op dit gebouw te beperken en het geheel een groenere uitstraling te geven. Naast een grote meerwaarde voor het landschap ter plekke, vormt het tevens een versterking van uitstraling van het biocentrisch centrum. De houtwal zal zuidwaarts worden doorgetrokken zodat het aldaar aanwezige tuinhuis in de houtwal wordt geïntegreerd en daarmee uit het zicht wordt gehaald. De houtwal, zoals deze in een eerdere fase is ingetekend, wordt aangelegd met de volgende soorten: 20 hazelaar 30 rode kornoelje 20 liguster 20 lijsterbes 20 egalantier 20 gelderse roos 20 kardinaalshoed Om deze beplantingsstrook te verdichten worden hier nog eens 20 hazelaar en 20 lijsterbes aan toegevoegd.
-
Aanleg diverse bomen, zoals knotwilgen; Behoud en aanleg van struwelen op delen van de perceelgrenzen. Aan de achetrzijde van de voormalige varkensschuur worden de volgende struweelsoorten gebruikt: veldesdoorn, krenteboom, gele kornoelje, hulst, lijsterbes, meidoorn, gelderse roos, sleedoorn, rode kornoelje. Aanleg gemengde haag aan oostzijde. Hierin worden veldesdoorn, sleedoorn en hazelaar toegepast. Aanleg hoogstamfruitbomen.
Ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren, pag. 11 van 39 7 februari 2018
Afbeelding 6: beoogde landschappelijke inrichting Eindstraat 18
2.5
Functionele karakteristiek
Het plangebied is gelegen aan de Eindstraat te Haren. De Eindstraat betreft een bebouwingslint behorende bij de dorpskern Haren. Dit lint kenmerkt zich door afwisseling van bebouwing (hoofdzakelijk woningen met bijgebouwen en nog relatief veel voormalige agrarische bedrijfsgebouwen) en open plekken, waar zicht is op het agrarische achterland. Eindstraat 18 is daarmee gelegen in een gemengd gebied. Aan het bebouwingslint wordt op basis van het ruimtelijk beleid kansen gezien voor ontwikkeling van kleinschalige bedrijvigheid en functies. Onderhavig initiatief sluit qua aard en omvang prima aan op het beleid voor Vrijkomende Agrarische Bedrijfsbebouwing. 2.6
Groen en water
2.7
Beeldkwaliteit
Zoals onder 2.4 aangegeven, richt onderhavig initiatief zich onder andere op de versteviging van de landschappelijke waarden binnen het plangebied. Het terrein wat gelegen is achter de bijgebouwen (en wat reikt tot aan de oost-west georiënteerde sloot) wordt hiervoor ingezet. Mogelijk wordt binnen de plannen ruimte gecreëerd voor de aanleg van een vijver.
U hoeft niets te doen, de gemeente vult deze paragraaf in.
Ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren, pag. 12 van 39 7 februari 2018
.
Ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren, pag. 13 van 39 7 februari 2018
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Wettelijk kader
3.1.1 Wet ruimtelijke ordening Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening in werking getreden. De hoofdlijnen van de nieuwe wet zijn samengevat: -
Decentraal wat kan en centraal wat moet: rijk en provincie moeten en mogen niet meer regelen dan wat de taak van deze overheden direct met zich brengt; Rijk, provincie en gemeente hebben gelijke instrumenten en kunnen die inzetten voor de eigen taken op het gebied van de ruimtelijke ordening: structuurvisie, bestemmingsplan en projectafwijkingsbesluit;
Rijk en provincie kunnen zaken voor gemeente dwingend voorschrijven via een verordening en via een aanwijzing;
Er is een strikte scheiding tussen beleid en bestemmingsplan; beleidsdocumenten hebben geen directe juridische werking meer; De goedkeuring van de provincie op bestemmingsplannen is vervallen;
De gemeente moet meer werk maken van de herziening van bestemmingsplannen: o Er komt een sanctie op verouderde bestemmingsplannen: geen legesheffing meer mogelijk; o Voor de realisering van projecten kan een projectafwijkingsbesluit genomen worden;
Voor gebieden waar geen ruimtelijke ontwikkelingen spelen kan de gemeente kiezen om een beheersverordening te maken in plaats van een bestemmingsplan; Er is een drempel voor planschade van 2%;
De mogelijkheid van kostenverhaal bij grondexploitatie is verbeterd; Bestemmingsplannen moeten analoog en digitaal worden gemaakt.
3.1.2 Grondexploitatiewet Tegelijk met de Wet ruimtelijke Ordening is de nieuwe Grondexploitatiewet (Grex-wet) in werking getreden. De grondexploitatiewet is als paragraaf 6.4 in de nieuwe Wet ruimtelijke ordening opgenomen. De Grex-wet is noodzakelijk omdat eerdere wettelijke instrumenten voor kostenverhaal, te weten de exploitatieverordening en de baatbelasting, niet toereikend bleken. Doelstelling van de nieuwe wet is een goede regeling voor kostenverhaal, binnenplanse verevening en enkele locatie-eisen bij particuliere grondexploitatie. Onder de Grex-wet is kostenverhaal mogelijk via het privaatrechtelijke spoor (door middel van een vrijwillige samenwerkingsovereenkomst) en door middel van het publiekrechtelijke spoor. Eén van de belangrijkste vernieuwingen die de wet brengt, is het verplichtende karakter van kostenverhaal. Privaatrechtelijke afspraken hebben de voorkeur. Maar als een gemeente er niet in geslaagd is met alle particuliere eigenaren in een gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie moet de gemeente publiekrechtelijk kosten verhalen bij partijen waarmee geen contract is gesloten. Dit publiekrechtelijke verhaal gaat door middel van een exploitatieplan, waarvan de totstandkoming gelijk op moet lopen met een bestemmingsplan. De verplichting tot een publiekrechtelijke regeling is gekoppeld aan twee voorwaarden: 1.
In de eerste plaats is een ruimtelijk besluit op grond van de Wet ruimtelijke ordening nodig. Het publiekrechtelijk instrumentarium is alleen van toepassing bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijziging van een bestemmingsplan, of een projectafwijkingsbesluit. 2. De tweede voorwaarde is dat het ruimtelijk besluit voorziet in nieuwbouw of in belangrijke en omvangrijke verbouwplannen met functiewijzigingen. De bouwplannen waar het om gaat zijn in het Besluit ruimtelijke ordening aangewezen.
Ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren, pag. 14 van 39 7 februari 2018
Onderhavige ruimtelijke onderbouwing voorziet niet in nieuwe bouwmogelijkheden en/of omvangrijke verbouwplannen met functiewijzigingen. De Grondexploitatie-wetgeving is dan ook niet van toepassing. 3.1.3 Wet op de archeologische monumentenzorg In de Wet op de archeologische monumentenzorg, aangenomen in 2006, is het doel van het in 1992 gesloten Verdrag van Valletta (Malta) verwerkt: bescherming van het archeologische erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Om dat doel te bereiken moet de wetgever het archeologisch erfgoed betrekken bij de ruimtelijke ordening. Met de wet wordt het Verdrag van Valletta in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De kern van de wet is dat gemeenten verantwoordelijk worden voor de archeologische monumentenzorg binnen de gemeentegrenzen. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient de gemeente rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. 3.1.4 Flora- en faunawet Met het inwerking treden van de Flora- en faunawet is het soortenbeleid uit de Vogelrichtlijn van 1979 en de Habitatrichtlijn van 1992 van de Europese Unie in de nationale wetgeving verwerkt.
Achter de Flora- en faunawet staat het idee van de zorgplicht voor in het wild levende dieren en planten (zowel beschermde als onbeschermde) en hun leefomgeving. Die zorgplicht houdt in ieder geval in dat iedereen die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen nadelige gevolgen heeft voor flora of fauna, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten. Diegene moet alle maatregelen nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verwacht om die nadelige gevolgen te voorkomen, zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken (artikel 2). Volgens de Flora- en faunawet is het verboden om beschermde planten te verwijderen of te beschadigen (artikel 8), beschermde dieren te doden, te verwonden, te vangen (artikel 9) of opzettelijk te verontrusten (artikel 10) en voortplantings- of vaste rusten verblijfplaatsen te beschadigen (artikel 1). Ook het rapen of beschadigen van eieren van beschermde dieren is verboden (artikel 12). Voor een goede instandhouding van een diersoort is echter ook behoud van foerageergebied en migratieroutes nodig. Aan soorten van de Rode lijst dient ook aandacht te worden geschonken. Hierop staan Nederlandse soorten die bijzondere aandacht nodig hebben. Deze soorten worden bedreigd, zijn zeldzaam of erg kwetsbaar of nemen sterk in aantal af.
De Rode lijsten zijn officieel door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit vastgesteld (Besluit Rode lijsten flora en fauna, november 2004). 3.2
Rijksbeleid
3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 heeft de minister van Infrastructuur en Ruimte de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De visie stelt het (integrale) kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau in Nederland. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd: -
Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland. (concurrerend) Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat. (bereikbaar)
Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke cultuurhistorische waarden behouden zijn. (leefbaar en veilig)
De SVIR vervangt onder meer de volgende nota’s: -
de Nota Ruimte;
de Structuurvisie Randstad 2040;
Ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren, pag. 15 van 39 7 februari 2018
-
de Nota Mobiliteit;
de MobiliteitsAanpak;
- de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Verder vervallen met de SVIR de ruimtelijke doelen en uitspraken uit de Agenda Landschap, Agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. Oplossingsrichtingen Verstedelijkings- en landschapsbeleid wordt overgelaten aan gemeenten en provincies. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei geënt op het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol. Bij gebiedsontwikkelingen moet de daadwerkelijke vraag van bewoners, bedrijven en organisaties leidend worden. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen wordt een ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd: eerst kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontwikkeling, vervolgens kijken of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt en, mocht nieuwbouw echt nodig zijn, altijd zorgen voor een optimale (multimodale) bereikbaarheid. Bij het verbeteren van de bereikbaarheid wordt sterk gelet op het samenspel tussen alle modaliteiten (weg, spoor, water) in samenhang met ruimtelijke ontwikkeling. Er moet innovatief worden omgegaan met de benutting van de infrastructuur. Het Rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op dertien nationale belangen.
Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaat boeken. Buiten deze dertien belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De 13 nationale belangen zijn: Vergroten van de concurrentiekracht van Nederland 1. Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren. 2. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie. 3. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen. 4. Efficiënt gebruik van de ondergrond. Verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid. 5. Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen. 6. Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem. 7. Het in stand houden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen. Waarborgen kwaliteit leefomgeving 8. Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s. 9. Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling. 10.
Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten. 11. Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten. 12. Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten. Overkoepelend 13. Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Indien nationale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening dat vergen, kan de minister regels stellen aan de inhoud van bestemmingsplannen. Dit heeft de minister, in de vorm van een
Ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren, pag. 16 van 39 7 februari 2018
algemene maatregel van bestuur, gedaan in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Op 30 december 2011 is dit besluit in werking getreden. Het kabinet heeft in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld dat voor een aantal onderwerpen verdere regels gesteld moeten worden. In het Barro komen dertien nationale belangen als titels terug. De volgende kunnen relevant zijn voor ruimtelijke plannen in de gemeente Oss: -
Rijksvaarwegen
-
Defensie
-
Grote rivieren
Hoofdwegen en hoofdspoorwegen Elektriciteitsvoorziening
Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen Ecologische hoofdstructuur
Primaire waterkeringen buiten het kustfundament
De regels in het besluit zijn concreet normstellend benoemd en moeten direct of indirect (door tussenkomst van de provincie) doorwerken tot het niveau van de lokale besluitvorming. De indirecte doorwerking komt enkel bij de Ecologische Hoofdstructuur en de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden voor. Het Barro voorziet verder in een hoofdstuk overige bepalingen en gaat gepaard met meerdere bijlagen. In deze bijlagen worden onder andere de belangen van de grote rivieren en defensie geografisch begrensd. Bij het opstellen van bestemmingsplannen (en andere ruimtelijke besluiten) dient rekening te worden gehouden met de bepalingen van het Barro. Voor de gemeente Oss zijn met name de titels met betrekking tot de rijksvaarwegen, de grote rivieren, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en defensie (rechtstreeks) van belang. De regels in titel 2.4 Grote rivieren vormen feitelijk de doorwerking van de Beleidsregels Grote rivieren. Ten aanzien van titel 2.6 Defensie wordt de enige mogelijke beperking gevormd door de bescherming van het radarverstoringsgebied van de vliegbasis Volkel. 3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, en is ‘de ladder voor duurzame verstedelijking’ daaraan toegevoegd.
De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen (Bro, artikel 3.1.d). Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van ruimte in stedelijke gebieden. Overheden dienen nieuwe stedelijke ontwikkeling te motiveren met de drie opeenvolgende stappen: a) er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte (trede 1); b) indien uit de beschrijving, bedoeld onder a, blijkt dat van een actuele regionale behoefte sprake is, dan wordt beschreven in hoeverre in die behoefte kan worden voorzien in bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins (trede 2); c) blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio plaats kan vinden, dan wordt beschreven in hoeverre in die behoefte wordt voorzien op locaties die, gebruik makend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld (trede 3) Er is sprake van een bestaand gebouw binnen een bebouwingsconcentratie. Er wordt met het plan geanticipeerd op VAB-beleid in het buitengebied.
Er is hier geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling waardoor de “ladder” doorlopen moet worden. (opmerking gemaakt in tekst)
Ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren, pag. 17 van 39 7 februari 2018
3.3
Provinciaal beleid
3.3.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 – partiële herziening 2014 Op 19 maart 2014 hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2014 vastgesteld. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. Met deze structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijke beleid tot 2025, met een doorkijk naar 2040. De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie en vormt de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten die de Wet ruimtelijke ordening biedt inzet. Naast de Structuurvisie stelt de provincie een verordening ruimte op. In deze verordening vertaalt de provincie de kaderstellende elementen uit het provinciaal beleid in regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Aanvullend zijn ook gebiedspaspoorten opgesteld. Deze vormen een uitwerking van de visie en bevatten de landschapskenmerken die bepalend zijn voor de kwaliteit van een gebied of een landschapstype en hoe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen bijdragen aan het behoud en versterking daarvan. De provincie kiest met de structuurvisie voor een duurzame ontwikkeling waarin de kwaliteiten van de provincie sturend zijn bij de ruimtelijke keuzes die de komende jaren op de provincie af komen.
Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de kracht en identiteit van Noord-Brabant. Provinciale belangen en ruimtelijke keuzes De provincie wil sturen op ruimtelijke kwaliteit. De ruimtelijke keuzes geven inhoud aan het streven naar ruimtelijke kwaliteit en zijn van provinciaal belang. De belangrijkste keuzes voor de gemeente Oss zijn: -
-
Regionale contrasten De provincie wil de contrasten tussen klei, zand en veenontginningen versterken.
Een multifunctioneel landelijk gebied De provincie kiest voor een integrale aanpak. Waar de landbouw de drager van het landschap is wordt ruimte gegeven aan optimale en duurzame ontwikkeling van de aanwezige landbouwsector. In de jonge rivierkleigebieden moet de agrarische functie (rundveehouderij) behouden blijven. Op de oeverwallen langs de rivieren wordt ruimte geboden voor menging van landbouw, natuur, landschap, recreatie, wonen, werken en zorg. Dit is van belang voor de plattelandseconomie. Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem Het patroon van beken en kreken moet beter beleefbaar worden. De ecologische hoofdstructuur wordt versterkt door het natuursysteem nog beter aan het watersysteem te koppelen.
Een betere waterveiligheid door preventie Gestreefd wordt naar vergroting van de watervoerende capaciteit van het rivierbed in combinatie met het concept van de doorbraakvrije dijk. Concentratie van verstedelijking Brabant heeft de ambitie zich te ontwikkelen tot een top kennis- en innovatieregio op Europees niveau. De provincie vindt het daarom belangrijk dat er verschil blijft tussen de steden en de kernen in het landelijk gebied, de zogenaamde mozaïekstructuur. Sterk stedelijk netwerk De provincie wil een sterk stedelijk netwerk van Brabantse steden. Goede bereikbaarheid tussen de steden onderling en andere omliggende stedelijke netwerken is belangrijk. Groene geledingszones tussen steden De provincie zet in op behoud en ontwikkeling van groene geledingszones tussen de stedelijke kernen. Gedifferentieerd aanbod goed bereikbare vrijetijdsvoorzieningen Een kwalitatief goede vrijetijdsbesteding is een belangrijke voorwaarde voor het realiseren van een goed leef-, werk- en vestigingsklimaat. Belangrijk aandachtspunt daarbij is dat er een breed aanbod aan vrijetijdsvoorzieningen is met een goede toegankelijkheid en bereikbaarheid.
Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. De hoofdregel is dat ontwikkelruimte dient bij te dragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Het ontwikkelen
Ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren, pag. 18 van 39 7 februari 2018
van landschap reikt verder dan vasthouden aan wat er is, ontwikkelen van het landschap gaat ook om het toevoegen van nieuwe kwaliteiten. De zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit bepaalt dat: -
er zorgvuldig wordt omgegaan met het ruimtegebruik; er rekening wordt houden met de omgeving;
- de ontwikkeling bijdraagt aan het behoud of de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Dit principe is van toepassing op zowel het stedelijk als het landelijk gebied en wordt uitgewerkt in de Verordening ruimte 2012. Zorgvuldig ruimtegebruik De provincie wil dat gemeenten bij ruimtelijke afwegingen het principe van zorgvuldig ruimtegebruik toepassen. Nieuw ruimtebeslag moet zoveel mogelijk voorkomen worden. In eerste instantie krijgen initiatieven een plek binnen bestaand bebouwd gebied. Pas als hier geen mogelijkheden zijn of de kwaliteiten van de geplande ontwikkeling hier niet bij passen, wordt er in de omgeving gezocht naar de best mogelijke plek. Naast zuinig ruimtegebruik richt de provincie zich ook op herstructurering en hergebruik van verouderde locaties in het stedelijk gebied en op sanering van ongewenste functies in het buitengebied. Rekening houden met de omgeving Gebiedskenmerken en omliggende waarden, gebaseerd op de lagenbenadering, zijn leidend bij de vraag “waar” en “hoe” de nieuwe ruimte wordt aangesneden. De ruimtelijke onderbouwing van een ontwikkeling geeft aan hoe is omgegaan met de ambities zoals verwoord in de structuren en in de gebiedspaspoorten. Hierbij wordt een relatie gelegd tussen de ruimtelijke ontwikkeling en de gebiedskenmerken van de plek.
Kwaliteitsverbetering van het landschap Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wil de provincie dat de initiatiefnemer zorgt voor een kwaliteitsverbetering van het landschap om daarmee het verlies aan omgevingskwaliteit te beperken. Dit uitgangspunt geldt voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied én buiten de ecologische hoofdstructuur en maakt de principes van ontwikkelingsplanologie toepasbaar. Concreet betekent dit dat passende functies zich kunnen ontwikkelen als er ook een prestatie voor het landschap tegenover staat. Daardoor wordt aantasting van de basiskwaliteit (bodem, water) en verlies aan ecologische, cultuurhistorische en landschappelijke waarden voorkomen. Ontwikkelingen die passen bij de aard, schaal en functie van het landelijk gebied, zoals agrarische en recreatieve ontwikkelingen en kleinschalige dienstverlening zijn mogelijk. Ook de ontwikkeling van andere (rode) functies is onder voorwaarden mogelijk. De ruimtelijke onderbouwing van een besluit geeft aan welke bijdrage wordt geleverd aan de kwaliteitsverbetering van het landschap en hoe dit is geborgd. In principe gaat de provincie uit van de realisering van een fysieke prestatie op de projectlocatie en/of de directe projectomgeving. Indien dat niet mogelijk is, is de vorming van gemeentelijk of regionaal landschapsfonds een optie.
Structuren: ambitie, beleid en uitvoering De structuren geven een hoofdkoers aan, een ruimtelijk ontwikkelingsperspectief voor een combinatie van functies. Maar ook waar functies worden uitgesloten of welke randvoorwaarden de provincie aan functies stelt. Binnen de structuren is ruimte voor regionaal maatwerk. De volgende vier structuren worden onderscheiden. -
De groenblauwe structuur
-
De stedelijke structuur
-
Het landelijk gebied De infrastructuur
Ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren, pag. 19 van 39 7 februari 2018
Afbeelding 6: Structurenkaart.
=plangebied
Onderhavig plangebied is gelegen binnen de structuur ‘gemengd landelijk gebied’ en Accentgebied agrarische ontwikkeling. In de structuurvisie is het volgende opgenomen met betrekking tot deze onderscheiden structuren. Het landelijk gebied Het landelijk gebied omvat het gebied buiten de groenblauwe structuur en de stedelijke structuur zoals steden, dorpen en bedrijventerreinen. Het gebied biedt een multifunctionele gebruiksruimte. Naast landen tuinbouw is er ruimte voor niet-agrarische functies. Binnen het landelijk gebied wil de provincie het volgende bereiken: 1. Ruimte voor een breed georiënteerde plattelandseconomie; 2. Ruimte voor duurzame agrarische ontwikkeling; 3. Versterking van het landschap. Er worden binnen het landelijk gebied twee perspectieven onderscheiden: -
-
Gemengd landelijk gebied De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is: het gemengd landelijk gebied. Binnen dit gebied wordt de agrarische functie vaak in samenhang met andere functies (in de omgeving) uitgeoefend. Hier kan worden voldaan aan de vraag naar kleinschalige stedelijke voorzieningen, recreatie en ondernemingen in een groene setting. Daarnaast wil de provincie ook dat er ruimte beschikbaar blijft om de agrarische productiestructuur te behouden en te versterken. Dat betekent dat (stedelijke) functies die ten koste gaan van de ruimte voor agrarisch gebruik of die strijdig zijn met de landbouw in die gebieden geweerd worden. Hierdoor blijft er ruimte gereserveerd voor agrarische ontwikkelingen. De provincie vraagt aan gemeenten om deze gebieden vast te leggen en te beschermen. De landbouwontwikkelingsgebieden en de vestigingsgebieden glastuinbouw beschouwt de provincie in ieder geval als primair agrarisch gebied. Ook delen van het verwevingsgebied richten zich vaak primair op agrarische ontwikkeling.
Accentgebied agrarische ontwikkeling Binnen deze gebieden ziet de provincie ruimte en kansen om de agrarische productiestructuur te verduurzamen en te versterken. Op de structurenkaart zijn vanuit een regionaal schaalniveau vier accentgebieden agrarische ontwikkeling aangeduid. Onderhavig plangebied is niet binnen zo’n accentgebied gelegen.
Onderhavig initiatief past binnen de ambities die de provincie Noord-Brabant in de structuurvisie heeft geformuleerd voor het gemengd landelijk gebied. 3.3.2 Verordening ruimte 2014 In de Verordening ruimte 2014 vertaalt de provincie Noord-Brabant de kaderstellende elementen uit haar beleid en rijksbeleid, waaronder het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, in regels die van
Ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren, pag. 20 van 39 7 februari 2018
toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. De Verordening ruimte 2014 geldt als vervanging van de Verordening ruimte 2012. In artikel 3 van de regels in de Verordening ruimte 2014 worden de algemene regels ten aanzien van het bevorderen van de ruimtelijke kwaliteit gegeven. In het algemeen houdt ruimtelijke kwaliteit in dat gebruikers van een gebied rekening houden met het karakter, de grootte en de functie ervan. De bevordering van de ruimtelijke kwaliteit is uiteengezet in drie artikelen: - Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit Een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling moet bijdragen aan behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. Er moet in ieder geval sprake zijn van een goede landschappelijke inpassing en zorgvuldig ruimtegebruik. Zorgvuldig ruimtegebruik is het gebruik van bestaande ruimte. Dit betekent dat gebruik gemaakt wordt van bestaande bouwpercelen en dat ontwikkelingen worden verantwoord middels de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Er moet ook rekening worden gehouden met de maat en schaal van de ontwikkeling en de impact op de omgeving. - Kwaliteitsverbetering van het landschap Een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het gebied of de omgeving.
De verbetering moet zijn financieel, juridisch en feitelijk zijn geborgd en passen in het ruimtelijk beleid. Er moet ook verantwoord worden hoe de regionale afspraken over de kwaliteitsverbetering van het landschap worden nagekomen. - Afwijking in verband met maatwerk Bij ontwikkelingen van een groot openbaar belang kan worden afgeweken van provinciaal beleid. Nieuwvestiging is echter alleen mogelijk als aangetoond kan worden dat er geen mogelijkheden zijn voor vestiging. Deze algemene regels zijn van toepassing op zowel stedelijk, als landelijk gebied. Ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied: In de Verordening ruimte 2014 worden voor het buitengebied regels gesteld met betrekking tot ruimtelijke ontwikkeling binnen de volgende structuren: -
de ecologische hoofdstructuur
-
het gemengd landelijk gebied
-
de groenblauwe mantel
Afbeelding 7: Uitsnede kaart Verordening ruimte 2014
Ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren, pag. 21 van 39 7 februari 2018
Onderhavig plangebied is gelegen binnen het gemengd landelijk gebied. Gemengd landelijk gebied Dit artikel geeft twee mogelijke ontwikkellijnen aan om op te nemen in een bestemmingsplan in agrarisch gebied: een gemengde plattelandseconomie en een agrarische economie. Gemeenten houden bij het bepalen van het lokale beleid rekening met de aard van de economieën die in een bepaald gebied aanwezig zijn. Het artikel veronderstelt dat het bedoelde lokale beleid een ruimtelijke ontwikkelvisie op het agrarische gebied bevat, bij voorkeur gebaseerd op de gemeentelijke structuurvisie. De aanduiding van een gebied als gemengde plattelandseconomie impliceert meer ruimte voor niet-agrarische functies. Het gaat daarbij onder andere om het zoeken naar nieuwe economische dragers voor een vitaal platteland. Binnen de structuur gemengd landelijk gebied worden de volgende relevante kaders gegeven voor onderhavig initiatief. -
Artikel 7.10, lid 1: niet-agrarische functies
-
Artikel 7.14 afwijkende regels voor horecabedrijven en maatschappelijke voorzieningen
-
Artikel 7.13 afwijkende regels recreatieve bedrijven
Artikel 7.10 Niet-agrarische functies 1. Een bestemmingsplan dat is gelegen in gemengd landelijk gebied kan voorzien in een vestiging van een niet-agrarische functie, mits: a. de totale omvang van het bouwperceel van de beoogde ontwikkeling ten hoogste 5.000 m2 bedraagt; b. dit bijdraagt en past binnen de beoogde ontwikkeling van gemengd landelijk gebied; c. is verzekerd dat overtollige bebouwing wordt gesloopt; d. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bedrijf, behorend tot de milieucategorie 3 of hoger; e. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot twee of meer zelfstandige bedrijven; f. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een al dan niet zelfstandige kantoorvoorziening met een baliefunctie; g. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot al dan niet zelfstandige detailhandelsvoorziening met een verkoopvloeroppervlakte van meer dan 200 m2; h. is aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling ook op langere termijn past binnen de op grond van deze verordening toegestane omvang; i. de beoogde activiteit niet leidt tot een grootschalige ontwikkeling. Onderhavig initiatief voldoet aan de gestelde voorwaarden. Artikel 7.13 Afwijkende regels voor recreatieve bedrijven 1.
In afwijking van artikel 7.10, eerste lid, onder a en d (niet-agrarische functies), kan een bestemmingsplan dat is gelegen in gemengd landelijk gebied voorzien in een vestiging van een recreatiebedrijf, mits de ontwikkeling niet leidt tot een recreatiebedrijf behorende tot milieucategorie 4 of hoger. 2. In geval het bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid de bouw van recreatiewoningen op een verblijfsrecreatief terrein mogelijk maakt, is geborgd dat deze woningen bedrijfsmatig worden beheerd. 3. In afwijking van artikel 7.10, eerste lid, onder i (niet-agrarische functies), kan een bestemmingsplan dat is gelegen in gemengd landelijk gebied voorzien in een vestiging van een recreatiebedrijf, mits: a. het plan bepaalt dat de beoogde ontwikkeling ten hoogste 300.000 bezoekers en overnachtingen samen per jaar bedraagt, wat blijkt uit daartoe verricht onderzoek; b. de ruimtelijke ontwikkeling in samenhang wordt bezien met een ruimtelijke visie op het gebied waar de ontwikkeling plaatsvindt en de directe omgeving, waarbij een kwaliteitswinst voor meerdere ruimtelijke functies, waaronder natuur, wordt bereikt; c. het initiatief niet ligt binnen de aanduiding Nieuwe Hollandse Waterlinie;
Ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren, pag. 22 van 39 7 februari 2018
d. het plan een beschrijving bevat van de resultaten van de regionale afstemming (taken RRO) over de beoogde ontwikkeling. Onderhavig initiatief richt zich slechts op ondergeschikt niveau op een recreatieve ontwikkeling, namelijk een B&B-voorziening in de omvang van maximaal 2 verblijfseenheden. Een dergelijke ontwikkeling is op basis van het thans vigerende bestemmingsplan Buitengebied Oss 2010 (artikel 17.4) reeds toegestaan zonder dat daar een regionale afstemming (RRO) voor plaats hoeft te vinden. Artikel 7.14 Afwijkende regels voor horeca en maatschappelijke voorzieningen 1. In afwijking van artikel 7.10, eerste lid onder a en d (niet-agrarische functies), kan een bestemmingsplan dat is gelegen in gemengd landelijk gebied voorzien in een vestiging van een horecabedrijf of van een maatschappelijke voorziening, mits: a. de omvang van het bouwperceel van de beoogde ontwikkeling ten hoogste 1,5 hectare bedraagt, en b. de ontwikkeling niet leidt tot een bedrijf behorende tot milieucategorie 4 of hoger. Onderhavig initiatief voldoet aan de gestelde voorwaarden. De Verordening ruimte 2014 kent verder meerdere gebiedsaanduidingen en/of aandachtsvelden die doorwerking dienen te krijgen in bestemmingsplannen. Hieronder wordt aangegeven hoe aan de voorwaarden van de aanduidingen wordt voldaan.
Ecologische Hoofdstructuur Met betrekking tot de ecologische hoofdstructuur (EHS) zijn er, naast de ecologische hoofdstructuur zelf, twee aanduidingen opgenomen in de Verordening ruimte: -
ecologische verbindingszones;
attentiegebieden ecologische hoofdstructuur.
Het initiatief raakt geen van deze onderdelen. Water Ten aanzien van water zijn in de Verordening ruimte wateraanduidingen opgenomen. Deze aanduidingen zijn: -
Regionale waterberging
-
Waterwingebied
-
Reservering waterberging Grondwaterbeschermingsgebied Aansluiting primaire waterkering Rivierbed
Boringsvrije zone
Behoud en herstel van watersystemen
Het initiatief raakt geen van deze onderdelen. Aardkunde en cultuurhistorie In de verordening stelt de provincie aanduidingen op ten aanzien van: -
aardkundig waardevolle gebieden;
-
de Nieuwe Hollandse Waterlinie;
-
cultuurhistorische vlakken;
complexen van cultuurhistorisch belang.
Ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren, pag. 23 van 39 7 februari 2018
In het plangebied zijn geen onderdelen van de Nieuwe Hollandse Waterlinie gelegen. De betreffende regels van de verordening vinden dan ook geen doorwerking in dit bestemmingsplan. Het initiatief raakt geen van deze onderdelen. Agrarische gebieden Bestemmingsplannen kunnen gebieden aanduiden als: - Beperkingen veehouderij - Vestigingsgebied glastuinbouw - Doorgroeigebied glastuinbouw - Teel ondersteunende kassen - Teeltgebied Zundert - Maatwerk glastuinbouw Beperkingen veehouderij Voor de begrenzing van de gebieden met de aanduiding ‘beperkingen veehouderij’ is aangesloten bij de grenzen van het extensiveringsgebied die op grond van de Reconstructiewet waren vastgesteld. De regels binnen het gebied Beperkingen veehouderij gelden in tegenstelling tot de extensiveringsgebieden voor alle veehouderijen. Ook binnen de melkrundveehouderij, die van oudsher als extensief werd aangemerkt, is een tendens waar te nemen naar toenemende intensivering. Doel van de aanduiding is om een verdere intensivering vanwege ontwikkelingen in de veehouderij in de aangeduide gebieden tegen te gaan. Binnen het gebied wordt een uitzondering gemaakt voor grondgebonden veehouderijen; de voorwaarden die hieraan worden gesteld zijn voor alle veehouderijen gelijk. Het initiatief raakt geen van deze onderdelen.
Sanerings- en verplaatsingslocatie Een bestemmingsplan kan in gebieden ter plaatse van de aanduiding sanerings- en verplaatsingslocatie voorzien in een passende herbestemming op locaties waar de volgende regelingen zijn toegepast: - Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV) - Subsidieregeling Beëindiging Intensieve Veehouderijen (BIV) - Subsidieregeling sanering glastuinbouwbedrijven in kwetsbare gebieden (GTB) - Verplaatsingsregeling Intensieve veehouderij (VIV) Het initiatief raakt geen van deze onderdelen. 3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Structuurvisie Buitengebied Oss - 2015 In de structuurvisie zijn doelstellingen opgenomen die moeten leiden tot een robuuste en duurzame ruimtelijke structuur voor een vitaal en multifunctioneel buitengebied. Dit moet resulteren in: - Een vitaal buitengebied, waar een goed evenwicht is tussen alle aanwezige functies zoals landbouw, toerisme, recreatie, natuur, water en wonen - Een versterking van de ruimtelijke identiteit met aandacht voor verscheidenheid, ruimte en landelijkheid - Een versterking van de aanwezige landschapstypen: uiterwaarden, oeverwal, komgebied, dekzandrand en dekzandrug - Behoud, herstel en/of ontwikkeling van de landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische structuren en elementen - Gebieden met blijvende ruimte en mogelijkheden voor (grondgebonden) landbouw, met name binnen het primaire agrarisch gebied - Voldoende afstand tussen slecht verenigbare functies zoals wonen en intensieve veehouderij
Ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren, pag. 24 van 39 7 februari 2018
-
De instandhouding van de leefbaarheid door het zorgvuldig en afgewogen bieden van ruimte aan nieuwe economische dragers Nieuwe impulsen voor toerisme en recreatie, met bijzondere aandacht voor versterking van de recreatie in de Maashorst en het Maasgebied en het ontwikkelen van aantrekkelijke uitloopgebieden met natuur en recreatie nabij de stad Oss en toeristisch-recreatieve verbindingen tussen kernen op afstand van de Maas en de Maasdijk Het bieden van ruimte voor waterveiligheid, waterkwantiteit en waterkwaliteit
De bovenstaande doelstellingen worden door vertaald naar een ontwikkelingsvisie per landschapstype. We maken onderscheid tussen: - Uiterwaarden - Oeverwal - Komgebied - Dekzandrand - Dekzandrug - Primair agrarisch gebied Per landschapstype is een gebiedsbeschrijving, een ruimtelijke en een functionele visie opgenomen. Naast de visies per landschapstype zijn er ook ontwikkelingsvisies opgesteld per bebouwconcentratie. Per bebouwingsconcentratie is een beschrijving van de ruimtelijke situatie van het gebied gegeven, evenals een visie over landschappelijke kenmerken en de mogelijkheden voor ontwikkelingen en transformaties.
Onderhavig plangebied is gelegen binnen het komgebied Afbeelding 8: uitsnede Structuurvisie Buitengebied Oss - 2015(zie afbeelding 8). Het komgebied kenmerkt zich als volgt: De komgronden beslaan een groot gedeelte van het grondoppervlak van de gemeente Oss. Deze kleiige, relatief laaggelegen gronden worden in het noorden begrensd door de oeverwal en in het zuiden door de dekzandrand. Het landschap is grootschalig, open tot zeer open en wordt gekenmerkt door een zeer regelmatig, rationeel, rechtlijnig verkavelingspatroon. Dit verkavelingspatroon bestaat over het algemeen uit een slagenverkaveling. De openheid van het gebied is zeer kenmerkend en uniek in het Brabantse land. Deze openheid maakt dit gebied landschappelijk waardevol. Het komgebied was eeuwenlang te nat om in gebruik te nemen. Dat kwam ook door de regelmatige overstromingen door de Beerse Overlaet. (Zie paragraaf 2.2.3 cultuurhistorie) Door betere beheersing van de grondwaterstanden en het buiten werking stellen van de Overlaet werd het gebied intensiever in bezit genomen door landbouwbedrijven. In het gebied zijn een groot aantal kades of dwarsdijken aangelegd, enerzijds om de dorpen te beschermen
Ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren, pag. 25 van 39 7 februari 2018
tegen wateroverlast en anderzijds om de polders af te bakenen. Zo had elke kern op de oeverwal vroeger zijn eigen polder. Deze landschappelijk waardevolle kades/dwarsdijken zijn deels verdwenen, en deels nog intact, zoals de Groenendijk bij Haren. De ruimtelijke opbouw van het komgebied wordt bepaald door de openheid met daarin de waterlopen, de slagenverkaveling, de kades, de boerderijen, al dan niet met erfbeplanting, en in het zuidwesten door de eendenkooien. In het komgebied liggen hoger gelegen rivierduinen. Op deze duinen of donken zijn de kernen Teeffelen, Haren en Deursen-Dennenburg ontstaan. Vanwege de openheid is het gebied belangrijk voor weidevogels, zoals kievit, scholekster, tureluur en grutto en overwinterende watervogels. Door het intensief agrarisch gebruik, de daarmee gepaard gaande ontwatering en door opgaande beplanting neemt het aantal weidevogels af. De komgronden zijn belangrijk als overwinteringsgebied voor ganzen en zwanen. Er is een groot ganzenfoerageergebied aangewezen.
Op het gebied van toerisme en recreatie zijn verschillende trends waar te nemen. Vergrijzing Nederland vergrijst snel. De ouderen van nu hebben relatief veel geld en tijd en hebben vaak een goede gezondheid. Zij zijn niet alleen op zoek naar rust en ruimte, maar hebben ook behoefte aan het zien en ervaren van dingen. De maatschappij vraagt veel en vreet energie. Er is een toenemende behoefte aan ontspanning en nieuwe energie om je goed te voelen en er goed uit te zien. Ruimtelijk gezien wordt Nederland steeds voller. Dit maakt dat de consument in zijn vrije tijd niet alleen de stress en de gejaagdheid van het dagelijkse leven maar ook de drukte en de congestie wil ontvluchten. Gebieden met vergezichten, een horizon, weidsheid en een schone lucht appelleren aan deze behoefte. Voor het landelijk gebied geldt dat er grote veranderingen plaatsvinden in de agrarische sector. Hoewel land- en tuinbouw gezichtsbepalend blijven, zijn andere sectoren ‘nieuwe economische dragers’ geworden. Voorbeelden hiervan zijn handel, transport, toerisme en andere dienstverlening. Deze sectoren vangen deels de teruggang in werkgelegenheid in de agrarische sector op.
Een vitaal en multifunctioneel buitengebied Het buitengebied herbergt verschillende functies. Het gebied is al lang niet meer alleen bestemd voor agrariërs. Recreanten, nieuwe bewoners en ondernemers hebben hun weg naar het buitengebied gevonden. Deze diversiteit kenmerkt het multifunctionele karakter van het buitengebied. De uitdaging is dat karakter op de juiste manier te versterken. Door de afname van het aantal agrarische bedrijven ontstaat aanleiding om ruimte te bieden aan nieuwe functies. Zo kunnen er nieuwe economische dragers komen. Verloedering en verpaupering van leegstaande bebouwing kan worden voorkomen. Het bieden van ontwikkelruimte gaat uit van het principe ‘voor wat hoort wat’. Het onderdeel ‘niet-agrarische bedrijvigheid’ gaat hier nader op in. 3.4.2 Toekomstvisie Oss op weg naar 2020 De toekomstvisie ‘Oss op weg naar 2020’ (2004) is richtinggevend voor de beleidsontwikkeling op de langere termijn. Eén van de potenties van Oss ligt volgens deze visie in het gevarieerde landelijk gebied waarin zich tal van kleine kernen bevinden. Uitgangspunt is het werken aan het behoud van het platteland met zijn rust en ruimte, aantrekkelijke kleinschalige toeristische voorzieningen en aan de ontplooiing van levenskrachtige dorpen. Een andere potentie ligt in het werken aan een duurzame gemeente.
Duurzame ontwikkeling van natuur, landschap en ecologie draagt bij aan de leefkwaliteit. De toekomstvisie stelt dat Oss vele ‘kostbare’ plekjes kent en een groots landschap, met ruimte voor landbouw en natuur. ‘Het bewaren van dat kostbare voor de toekomst is een opdracht die we onszelf stellen’. Onderhavig initiatief voldoet aan het geformuleerde beleid. . 3.4.3 Nota Landschapsbeleid - 2015 Binnen de gemeente Oss bestaat grote aandacht voor het landschap en het landelijke gebied. De Nota Landschapsbeleid -2015 zorgt voor een beleidskader welke een sturende werking heeft bij ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied. Ruimtelijke ingrepen en nieuwe functies in het buitengebied hebben een grote uitstraling naar de omgeving. Dit betekent dat bij deze ingrepen (bijvoorbeeld de bouw van
Ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren, pag. 26 van 39 7 februari 2018
agrarische bedrijfsgebouwen) eisen aan de landschappelijke inpassing van objecten moeten worden gesteld. De gemeente wordt verder geconfronteerd met de aanleg (of juist verwijdering) van (landschaps)elementen door particulieren op agrarische percelen in het buitengebied. Dergelijke initiatieven komen vaak niet overeen met de ter plaatse aanwezige en te behouden landschappelijke kwaliteit (bijvoorbeeld behoud van openheid of gebruik van niet-inheemse boomsoorten). Goede toetsingskaders en sturingsinstrumenten zijn voor bescherming maar ook voor ontwikkeling van het landschap onmisbaar. In de Nota Landschapsbeleid - 2015 wordt per deelgebied beschreven wat de landschappelijke visie is. De verschillende deelgebieden zijn: - Uiterwaarden - Oeverwal - Komgebied - Dekzandrand - Dekzandrug
Afbeelding 9: uitsnede Nota Landschapsbeleid
Onderhavig plangebied is gelegen op een rivierduin in het komgebied. In het komgebied bevinden zich drie hogergelegen rivierduinen. Op deze duinen –ook wel donken genoemd- zijn de dorpen Teeffelen, Haren en Deursen-Dennenburg ontstaan. Deze kernen hebben een rommelige netwerkachtige opbouw. Haren is een typisch esdorp: rondom een aantal essen –gezamenlijk gebruikte bouwlanden- werden de boerderijen gebouwd. Deze structuur is nog altijd herkenbaar in het dorp. De rivierduinen liggen als markante eilanden in het lege komgebied. De ‘bolling’ van het rivierduin is in het komgebied nog steeds zichtbaar. Het contrast tussen het rivierduin en de kom kan worden verbeterd door de grenzen heel scherp en abrupt te houden. Dit betekent dat vanuit landschappelijk oogpunt dorpse activiteiten beperkt moeten blijven tot het rivierduin. Het is niet wenselijk dat (bouw)activiteiten buiten de duinen plaatsvinden. Binnen de grenzen van het duin kunnen de kernen ‘opgevuld’ worden met opgaand groen in de vorm van bosjes met bijvoorbeeld eik en beuk. Vooral het zicht op Haren vanuit westelijke zijde zou hierdoor verzacht kunnen worden.
Ruimtelijke onderbouwing Eindstraat 18, Haren, pag. 27 van 39 7 februari 2018
3.4.4
Verkeer
Mobiliteitsvisie, Balans in beweging In de mobiliteitsvisie (2009) staan drie begrippen centraal; bereikbaarheid, verkeersveiligheid en leefbaarheid. Het centrale doel van de mobiliteitsvisie is het in balans brengen van de bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid in de gemeente, nu en in de toekomst. Om deze balans te bereiken streeft de gemeente naar een verschuiving in het gebruik van vervoerswijzen. Een groter deel van de verplaatsingen moet plaats gaan vinden met de fiets of met het openbaar vervoer. Dit is nodig om Oss bereikbaar en leefbaar te houden. Oss wil de verschuiving bereiken door het gebruik van fiets en openbaar vervoer te stimuleren. Deze vervoerswijzen moeten veilig en comfortabel zijn en men moet snel op de plaats van bestemming kunnen komen. De goede bereikbaarheid is met name gericht op de economisch belangrijke gebieden van Oss. De bedrijventerreinen vallen hieronder. De doorstroming op de wegen naar de bedrijventerreinen (i.c. N329) moet optimaal zijn. Hoewel de bereikbaarheid van de economisch belangrijke gebieden voor alle vervoerswijzen goed moet zijn, streeft de gemeente wel naar een verschuiving van vervoerswijze. Korte verplaatsingen moeten bij voorkeur per fiets of te voet afgelegd worden en niet per auto. Voor het vervoer van goederen zal het gebruik van water en spoor verder gestimuleerd worden.
In de uitwerkingsfase zullen de doelstellingen uit de visie langs drie lijnen worden uitgewerkt: infrastructuur, gedrag en organisatie. Er heeft inmiddels een uitwerking plaatsgevonden in de deelplannen Wegen, Fiets, Openbaar Vervoer en Gedrag. Onderhavig initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen. Momenteel is op de Eindstraat sprake van bestemmingsverkeer. Het beoogde initiatief zal naar verwachting groepen mensen trekken van maximaal 15 personen. De bezoekers zullen deels per auto komen. Deze zullen de Eindstraat via de Dorpenweg benaderen. Vanaf het punt dat men de Eindstraat op rijdt is het circa 110 meter tot aan de entree aan Eindstraat 18. De auto’s zullen vervolgens op het achterterrein geparkeerd worden.