CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2A Toelichting

Gemeenteraad 12 december 2024, gemeente OssBij agendapunt: A Herstelbesluit vaststelling bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’38.021 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

Meer informatie over vergunningen en ontheffingen Wet natuurbescherming staat op de site van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

Buitengebied Oss – 2020, pag. 88 van 148 vastgesteld

4.1.5

Erfgoedwet

De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. De wet is op 1 juli 2016 in werking getreden en vervangt zes wetten en regelingen. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden. De Erfgoedwet vervangt de volgende zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed: − Monumentenwet 1988; − Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten; − Wet tot behoud van cultuurbezit; − Wet tot teruggave cultuurgoederen uit bezet gebied; − Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 over onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen; − Regeling materieel beheer museale voorwerpen. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt. Het beschermingsregime voor archeologische rijksmonumenten net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: − vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. − verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie.

− bescherming van stads- en dorpsgezichten. Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen zoals de Wabo en het Bro.

4.2

Rijksbeleid

4.2.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 heeft de minister van Infrastructuur en Ruimte de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De visie stelt het (integrale) kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau in Nederland. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. In de SVIR zijn tot 2028 drie Rijksdoelen geformuleerd: - Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland. (concurrerend) - Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat. (bereikbaar)

Buitengebied Oss – 2020, pag. 89 van 148 vastgesteld

-

Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke cultuurhistorische waarden behouden zijn. (leefbaar en veilig)

De SVIR vervangt ondermeer de volgende nota’s: - de Nota Ruimte; - de Structuurvisie Randstad 2040; - de Nota Mobiliteit; - de MobiliteitsAanpak; - de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Verder vervallen met de SVIR de ruimtelijke doelen en uitspraken uit de Agenda Landschap, Agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. Oplossingsrichtingen Verstedelijkings- en landschapsbeleid wordt overgelaten aan gemeenten en provincies. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei geënt op het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol. Bij gebiedsontwikkelingen moet de daadwerkelijke vraag van bewoners, bedrijven en organisaties leidend worden. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen wordt een ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd: eerst kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontwikkeling, vervolgens kijken of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergegebruikt en, mocht nieuwbouw echt nodig zijn, altijd zorgen voor een optimale (multimodale) bereikbaarheid. Bij het verbeteren van de bereikbaarheid wordt sterk gelet op het samenspel tussen alle modaliteiten (weg, spoor, water) in samenhang met ruimtelijke ontwikkeling.

Er moet innovatief worden omgegaan met de benutting van de infrastructuur. Het Rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op dertien nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaat boeken. Buiten deze dertien belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De 13 nationale belangen zijn: Vergroten van de concurrentiekracht van Nederland 1. Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren. 2. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie. 3. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen. 4. Efficiënt gebruik van de ondergrond. Verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid. 5. Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen. 6. Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem. 7. Het instandhouden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen. Waarborgen kwaliteit leefomgeving 8.

Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s. 9. Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling. 10. Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten.

Buitengebied Oss – 2020, pag. 90 van 148 vastgesteld

11. Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten. 12. Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten. Overkoepelend 13. Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.

4.2.2

(ontwerp) Nationale Omgevingsvisie (NOVi)

In juni 2019 is de ontwerp-NOVI naar de tweede kamer gestuurd en gepubliceerd. Naar verwachting verschijnt de definitieve NOVI in het voorjaar van 2020. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Hiermee wil het Rijk inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI komt voort uit de Omgevingswet. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes gemaakt worden. Prioriteiten De NOVI schetst een toekomstperspectief naar 2050 waarin vier prioriteiten worden vastgesteld: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. Zeespiegelstijging, hoge rivierafvoeren, wateroverlast en lange periodes van droogte zijn hier voorbeelden van. In 2050 zal Nederland klimaatbestendig en waterrobuust zijn. In 2050 moet Nederland ook een duurzame energievoorziening hebben. Dit vraagt ruimte, onder meer voor windmolens en zonnepanelen. Voorwaarde is dat bewoners goed betrokken zijn en invloed hebben op het gebruik en kunnen meeprofiteren in de opbrengsten. Voor de regio van Oss betekent dit dat in het rivierengebied een grote en urgente waterveiligheidsopgave ligt.

Nieuwe normen voor waterveiligheid en door toenemende rivierafvoeren maakt dat hier op moet worden ingespeeld. Voor de ontwikkeling van duurzame energie zijn regionale energiestrategieën (RES) essentieel. Medeoverheden geven, in samenwerking met de energiesector, gebruikers en andere belanghebbenden, in de RES invulling aan de inpassing van duurzame energie op het land. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. De Nederlandse economie dient toekomstbestendig te worden, oftewel concurrerend, duurzaam, en circulair. Het gebruik van duurzame energiebronnen en verandering van productieprocessen wordt gestimuleerd. Hiernaast zijn de steden erg belangrijk voor onze economie, een optimale afstemming van wonen, werken en verplaatsen in en bij deze steden is van groot economisch belang. Steden en stedelijke regio’s zijn belangrijk voor onze economie. Dit geldt vooral daar waar sprake is van een aantrekkelijke en gezonde omgeving en diversiteit in aanwezige economische functies, opleidingen en andere voorzieningen. De steden, hun aantal inwoners, culturele én economische activiteiten groeien de laatste jaren in hoog tempo. De leefbaarheid in de steden moet dan wel blijvend aandacht krijgen en op een nog hoger niveau uitkomen.

De gemeente Oss is als stedelijke regio en met goede verbindingen naar andere steden een stad die deze ontwikkelingen aandacht dient te geven.

Buitengebied Oss – 2020, pag. 91 van 148 vastgesteld

Sterke en gezonde steden en regio’s Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. De leefbaarheid van stedelijk gebied staat voorop. Hiervoor dienen deze gebieden in te zetten op klimaatadaptatie om de gevolgen van klimaatverandering tegen te gaan. Ook dient de bouw van nieuwe woningen te zijn gericht om een zo breed mogelijk aantal inwoners te bereiken. Mobiliteit dient aan te sluiten op nieuwe ontwikkelingen waarbij onder meer de Co2 uitstoot wordt verminderd. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. Er dient een balans tussen de ontwikkeling van natuur en landbouw te worden gevonden. Hiernaast dient het een prettige omgeving te zijn om te werken, wonen en te recreëren. Biodiversiteit van gebieden en de verduurzaming van landbouw zijn kernpunten. Afwegingsprincipes Het stellen van de bovenstaande prioriteiten kan een situatie maken dat belangen soms botsen. Om in zo’n situatie keuzes te maken worden er drie afwegingsprincipes gebruikt: -

-

-

Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

De uitvoering van de NOVI moet gezamenlijk worden aangepakt. Rijk, provincies en gemeenten gaan meer samenwerken als één overheid. Ook staat participatie centraal. Daarnaast is de NOVI continu in beweging. Het is de bedoeling dat het zich continu aanpast aan ontwikkelingen, in een permanent en cyclisch proces.

4.2.3

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Indien nationale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening dat vergen, kan de minister regels stellen aan de inhoud van bestemmingsplannen. Dit heeft de minister, in de vorm van een algemene maatregel van bestuur, gedaan in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Op 30 december 2011 is dit besluit in werking getreden. Het kabinet heeft in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld dat voor een aantal onderwerpen verdere regels gesteld moeten worden. In het Barro komen dertien nationale belangen als titels terug. De volgende kunnen relevant zijn voor ruimtelijke plannen in de gemeente Oss: - Rijksvaarwegen - Grote rivieren - Defensie

Buitengebied Oss – 2020, pag. 92 van 148 vastgesteld

-

Hoofdwegen en hoofdspoorwegen Elektriciteitsvoorziening Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen Natuurnetwerk Nederland Primaire waterkeringen buiten het kustfundament

De regels in het besluit zijn concreet normstellend benoemd en moeten direct of indirect (door tussenkomst van de provincie) doorwerken tot het niveau van de lokale besluitvorming. De indirecte doorwerking komt bij de Natuurnetwerk Nederland en de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden voor. Het Barro voorziet verder in een hoofdstuk overige bepalingen en gaat gepaard met meerdere bijlagen. In deze bijlagen worden onder andere de belangen van de grote rivieren en defensie geografisch begrensd. Bij het opstellen van bestemmingsplannen (en andere ruimtelijke besluiten) dient rekening te worden gehouden met de bepalingen van het Barro. Voor de gemeente Oss zijn met name de titels met betrekking tot de rijksvaarwegen, de grote rivieren, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en defensie (rechtstreeks) van belang. De regels in titel 2.4 Grote rivieren vormen feitelijk de doorwerking van de Beleidsregels Grote rivieren. Ten aanzien van titel 2.6 Defensie wordt de enige mogelijke beperking gevormd door de bescherming van het radarverstoringsgebied van de vliegbasis Volkel.

4.2.4

Ladder voor duurzame verstedelijking

Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, en is ‘de ladder voor duurzame verstedelijking’ daaraan toegevoegd. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen (Bro, artikel 3.1.d). Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van ruimte in stedelijke gebieden. Tot 1 juli 2017 dienden overheden nieuwe stedelijke ontwikkeling te motiveren met drie voorgeschreven, opeenvolgende trappen (de treden van de ladder). Omdat de ladder als te ingewikkeld werd ervaren en voor veel onderzoekslasten zorgde, is de regeling per 1 juli 2017 gewijzigd. In de nieuwe regeling is de tekst teruggebracht tot de essentie: de drie treden worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst (artikel 3.1.6 lid 2 Besluit ruimtelijke ordening): “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”.

4.2.5

Nationaal Waterplan

Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Het Nationaal Waterplan is een algemeen plan voor het op nationaal niveau te voeren waterhuishoudkundig beleid. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 – 2021 voert om te komen tot duurzaam waterbeheer. Daarbij heeft het plan het karakter van een kapstokplan, waarop grote beleidsvelden zoals Stroomgebiedsbeheersplannen en WB21 (Waterbeheer 21e eeuw) als min of meer zelfstandige eenheden zijn aangehaakt. De Waterwet schrijft voor dat de hoofdlijnen van het nationaal waterplan in ieder geval de volgende punten omvatten:

Buitengebied Oss – 2020, pag. 93 van 148 vastgesteld

a) een aanduiding, in het licht van de wettelijke doelstellingen en normen, van de gewenste ontwikkeling, werking en bescherming van de watersystemen, alsmede van de bijbehorende termijnen; b) een uiteenzetting van de maatregelen en voorzieningen, die met het oog op die ontwikkeling, werking en bescherming nodig zijn; c) een aanduiding van de redelijkerwijze te verwachten financiële en economische gevolgen van het te voeren beleid. Daarnaast worden in het plan de volgende onderdelen opgenomen: a) de stroomgebiedbeheerplannen voor de stroomgebieddistricten Rijn, Maas, Schelde en Eems, voor zover die betrekking hebben of mede betrekking hebben op het Nederlandse grondgebied; b) het Noordzeebeleid; c) de functies van de rijkswateren Over de grote rivieren, waaronder de Maas, zijn in het plan de volgende beleidskeuzes gemaakt: - Huidige afvoerverdeling handhaven; - Bestaande buitendijkse ruimte behouden, beschermen en beheren; - Ruimte voor de rivier om het riviersysteem op orde te brengen; - Anticiperen op hogere rivierafvoeren en een hogere zeespiegel; - Duurzaam behouden van bevaarbaarheid voor scheepvaart.

4.2.6

Waterbesluit

Het Waterbesluit vormt samen met de Waterregeling een uitwerking van de bepalingen van de Waterwet. De Waterwet maakt het mogelijk of schrijft voor dat bepaalde onderwerpen worden uitgewerkt in een algemene maatregel van bestuur (bijvoorbeeld het Waterbesluit), een ministeriële regeling (bijvoorbeeld de Waterregeling) of in regelgeving van decentrale overheden. Dit waarborgt de samenhang tussen verschillende aspecten van het waterbeheer en bevordert ook de overzichtelijkheid van de waterbeheerregelgeving. Bij het opstellen van het Waterbesluit is prioriteit gegeven aan die gevallen waarin de wet nadere regeling voorschrijft. Daarnaast is voor de gevallen waarin nadere regeling kan plaatsvinden het uitgangspunt gekozen om het accent vooral te leggen op "codificeren", in plaats van "modificeren" van bestaande regelgeving. Hierbij is het uitgangspunt uiteraard dat gestreefd wordt naar zo min mogelijk regels met een zo laag mogelijke regeldruk.

Belangrijke onderwerpen in het Waterbesluit zijn: - De landelijke rangorde bij watertekorten, de zogenaamde verdringingsreeks: verdringingsreeks bij watertekorten; - De toedeling van oppervlaktewaterlichamen en waterkeringen in beheer bij het Rijk: rijkswateren en regionale wateren; - De procedurele en inhoudelijke aspecten van het nationale waterplan en het beheerplan voor de rijkswateren: beheerplannen; - Enkele inhoudelijke aspecten van de plannen in verband met implementatie van de kaderrichtlijn water en de richtlijn overstromingsrisico's; - De vergunningsplicht en algemene regels voor het gebruik van rijkswaterstaatswerken: gebruik maken van een waterstaatswerk; - De wijze waarop de aanvraag om een watervergunning wordt gedaan: een watervergunning aanvragen.

Buitengebied Oss – 2020, pag. 94 van 148 vastgesteld

4.2.7

Beleidsregels grote rivieren

De beleidsregels grote rivieren berusten op artikel 6.12 van het Waterbesluit. Het toepassingsbereik van de beleidsregels wordt grotendeels gevormd door de rivieren de Maas, de Rijn, de Waal en de IJssel. In aanvulling op artikel 6.12 van het Waterbesluit bepalen de beleidsregels de voorwaarden waaronder toestemming voor diverse activiteiten in het rivierbed kan worden verkregen. Toestemming moet daarbij gezien worden als de toelaatbaarheid vanuit rivierkundig opzicht bezien, nodig voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 6.5 van de Waterwet en artikel 6.12 van het Waterbesluit. Voortvloeiend uit de Waterwet en het Waterbesluit wordt in de Beleidsregels grote rivieren binnen het rivierbed een nader onderscheid gemaakt tussen een bergend regime en een stroomvoerend regime. In de beleidsregels, met bijbehorende kaarten, wordt de exacte begrenzing van deze regimes vastgelegd. Vervolgens wordt de toelaatbaarheid van diverse soorten activiteiten beschreven waarbij onderscheid wordt gemaakt in: - activiteiten bergend regime; - riviergebonden activiteiten stroomvoerend regime; - niet-riviergebonden activiteiten stroomvoerend regime; - overige activiteiten.

Toepassingsgebied Beleidslijn grote rivieren

De onderscheiden regimes en de toelaatbaarheid van verschillende activiteiten dienen in bestemmingsplannen te worden doorvertaald.

4.2.8

Integrale Verkenning Maas – 2

Integrale Verkenning Maas In 2003 is het rapport Integrale Verkenning Maas uitgebracht. In dit rapport wordt een overzicht gegeven van de wijze waarop rivierverruimende maatregelen kunnen bijdragen aan de hoogwaterbescherming op lange termijn. Op verzoek van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat is een vervolg aan het traject gegeven, waarbij een advies is afgegeven voor mogelijkheden van toekomstige veiligheid met ruimtelijke kwaliteit: Integrale Verkenning Maas – 2. (IVM-2). In kader van IVM-2 zijn binnen de plangrenzen van dit bestemmingsplan de volgende maatregelen voorgesteld: - weerdverlaging - nevengeul Hemelrijkse Waard - hoogwatergeul Lithse Ham In het vergunningenspoor van de Waterwet worden alle nieuwe ontwikkelingen ondermeer getoetst aan het mogelijke ruimtebeslag, zoals aangegeven in het IVM-2 projectenplan.

4.2.9

Deltaprogramma

De plannen in het Deltaprogramma moeten ervoor zorgen dat Nederland veilig blijft om in te wonen. De twee hoofddoelen zijn: Nederland nu en in de toekomst beschermen tegen overstromingen Zorgen voor voldoende zoetwater

Buitengebied Oss – 2020, pag. 95 van 148 vastgesteld

De stijgende zeespiegel, de dalende bodem en de stijgende temperaturen zorgen ervoor dat de overheid ver vooruit moet kijken. Dat doen het Rijk, de provincies, de waterschappen en de gemeenten samen in het Deltaprogramma. We moeten plannen maken voor een nog onbekende toekomst. Uiteraard wel op basis van prognoses en uitgebreid onderzoek. Die plannen worden steeds concreter. Ze komen elk jaar in het Deltaprogramma te staan. Voor het buitengebied van de gemeente Oss zijn met name de Deltabeslissingen Waterveiligheid, Ruimtelijke adaptatie en Zoetwaterstrategie van belang. Deltabeslissing Waterveiligheid In de Deltabeslissing Waterveiligheid staan nieuwe afspraken om Nederland te beschermen tegen overstromingen. Denk bijvoorbeeld aan afspraken over de hoogte van dijken. Het voorstel is om nieuwe normen af te spreken. Die worden bepaald door: − De kans op een overstroming − Hoe de groot de gevolgen van een eventuele overstroming zijn Op basis van de nieuwe normering en de prognoses voor de afvoer van de Maas kan de opgave voor het gebied langs de Maas worden berekend. Samen met de regio werken we aan een integrale lange termijnopgave voor de Maas geformuleerd waarin de integrale (ruimtelijke) opgaven en oplossingsrichtingen voor het rivierengebied voor lange termijn (tot 2100) zijn benoemd en sleutelkeuzes voor de inrichting zijn vastgelegd.

Waterveiligheid en afvoerverwachtingen van 4.600 m 3/s voor de Maas zijn hierbij de randvoorwaarden. In 2014 is in een regioproces voor de bedijkte Maas gewerkt aan een (potentiële) voorkeursstrategie: een gebiedsvisie en een maatregelenpakket waarmee de opgave ingevuld kan worden. Nu moet deze voorkeursstrategie worden uitgewerkt in een meer definitief maatregelenpakket. Dat pakket zal bestaan uit rivierverruimende maatregelen en dijkverhogende/versterkende maatregelen. De gemeente Oss pleit in dat verband voor rivierverruiming boven dijkverhoging. Maar er zal hoe dan ook aan de dijken gewerkt moeten worden. Op sommige plaatsen is de stabiliteit van de dijk onvoldoende voor de toekomstige opgave. Welke delen dat zijn is nu nog niet precies bekend, maar waarschijnlijk zal de gehele dijk op minstens een van de faalmechanismen niet voldoen. De basis van de gebiedsvisie is het versterken van het ‘plan Lely’, zijn ontwerp voor de grote Maaswerken. Waar mogelijk wordt natuur gecreëerd en worden meekoppelkansen benut. Naast de uitwerking van het maatregelenpakket zijn enkele kansrijke koploperprojecten genoemd en in 2015 – 2016 onderzocht. Twee daarvan liggen in de gemeente Oss: de dijkverbetering en rivierverruiming op het dijktraject Ravenstein – Lith en de flessenhals bij Ravenstein.

In het dijktraject Ravenstein – Lith liggen grote kansen om de waterveiligheidsopgave te combineren met natuurontwikkeling en versterking van de recreatieve waarden van Oss en de regio. Een andere meekoppelkans is het verbeteren van de toegang van het Burgemeester Delenkanaal. Bij dijkversterking zal echter wel goed gekeken moeten worden naar de aanwezige cultuurhistorische waarden in het gebied: bijvoorbeeld oude lintbebouwing op en aan de Maasdijk. Op die plekken kan een spanningsveld ontstaan tussen waterveiligheid en het behoud van cultuurhistorische waarden. Het koploperproject Waterfront Ravenstein kan een belangrijke integrale gebiedsontwikkeling op gang brengen waarbij waterveiligheid, verbetering van het spoor, het versterken van de historische vesting, ontwikkeling van toerisme en recreatie en het verbeteren van de leefbaarheid gecombineerd worden. In het verleden heeft de gemeente hiervoor al het plan Waterfront Ravenstein opgesteld. Dat plan wordt herijkt, en biedt een goede basis voor de gebiedsontwikkeling. In het BO MIRT1 van najaar 2016 heeft de minister zich samen met de regio gebogen over de onderzoeksresultaten van de koploperprojecten. Voor Waterfront Ravenstein is besloten dat er op dit moment nog geen zicht is op een sluitende businesscase.

Voor Ravenstein – Lith is dat wel het geval, dat project gaat verder als MIRT-verkenning onder de naam Meanderende Maas. 1

Bestuurlijk Overleg Meerjarenprogramma Infrastructuur Ruimte en Transport

Buitengebied Oss – 2020, pag. 96 van 148 vastgesteld

Meanderende Maas Meanderende Maas, verkenning Ravenstein – Lith, is een samenwerkingsverband van 10 verschillende partijen: de waterschappen Aa en Maas en Rivierenland, de provincies Noord-Brabant en Gelderland, gemeenten Oss, West Maas en Waal en Wijchen, Natuurmonumenten, het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en Rijkswaterstaat. Waterschap Aa en Maas is de trekker van de verkenning. Meanderende Maas maakt deel uit van het nationale hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) en het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT). De projectorganisatie Meanderende Maas gaat de dijk tussen Ravenstein en Lith verbeteren, de Maas meer ruimte geven en het gebied ontwikkelen. Het project richt zich op beide kanten van de Maas, tussen de A50 en de sluis bij Lith. Het gebied voldoet dan aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, die sinds 2017 van kracht zijn. Met de versterking van de 25 km lange dijk tussen Ravenstein en Lith, in combinatie met verruiming van de Maas, worden in de toekomst zo’n 270.000 mensen beschermd tegen overstromingen. De noodzaak om maatregelen aan de rivier en dijk te treffen biedt tegelijkertijd kansen voor de regio rondom de Meanderende Maas: kansen voor natuur, recreatie, cultuurhistorie, leefomgeving en economie. Het project kent een zeer intensief traject van participatie.

Plangebied Meanderende Maas

De planontwikkeling werkt in verschillende fasen van trechtering naar de uitvoering toe. In december 2019 heeft de stuurgroep Meanderende Maas het voorkeursalternatief vastgesteld, het plan op hoofdlijnen. Het plan gaat uit van het borgen van de waterveiligheid in combinatie met het versterken van de gebiedskwaliteiten. De Brabantse Maasdijk wordt over het gehele plangebied aangepakt. Met de versterking worden twee (basis)typen gehanteerd: de tuimeldijk en moderne gronddijk. Bij Ravenstein liggen er kansen om de dijkversterking met constructie aan te grijpen om de vestingstad meer beleefbaar te maken aan de Maas. In de uiterwaarden worden grote oppervlaktes Natuur Netwerk Brabant en Kaderrichtlin Water maatregelen gerealiseerd. Daarbij worden ook nieuwe mogelijkheden voor recreatie en toerisme toegevoegd: struinpaden, fietspaden (o.a. op de tuimeldijk, aanlegplaatsen en strandjes. Het plan versterkt en ontsluit de cultuurhistorie. Het herstelt de balans tussen de oude meanderende en de gekanaliseerde Maas, houdt rekening met een bakenbomenstrategie en de waardevolle bomendijken, versterkt het gezicht van de vestingsteden Megen en Ravenstein en speelt in op de Zuiderwaterlinie.

Buitengebied Oss – 2020, pag. 97 van 148 vastgesteld

Voorkeursalternatief Meanderende Maas

In 2020 start de planuitwerking. De uitvoering van het project vindt plaats in de periode 2023 – 2028. De uitvoering van het plan past niet volledig 1 op 1 in het bestemmingsplan zoals dat nu voorligt. Dat heeft verschillende redenen. Het gegeven dat het plan nog verder uitgewerkt moet worden en dat nog niet alle benodigde gronden in eigendom van de projectpartijen is, zijn daarbij de belangrijkste. Voor het plan zal dus nog een ruimtelijke procedure gevoerd moeten worden. Naar verwachting zal dat onder de werking van de Omgevingswet zijn. Met de partijen worden nog afspraken gemaakt welke planfiguur het meest passend is. Dit bestemmingsplan voorziet wel in een wijzigingsbevoegdheid naar natuur voor de gronden in de uiterwaarden die als Natuur Netwerk Brabant zijn aangemerkt maar nog niet zijn uitgevoerd. Deltabeslissing Zoetwaterstrategie In droge perioden ontstaan in Nederland nu al knelpunten in de zoetwatervoorziening. In de toekomst kunnen vaker knelpunten optreden als de vraag naar zoetwater toeneemt en het klimaat verandert. Voor watergebruikers is het belangrijk te weten waar ze op kunnen rekenen. Met het agrarische karakter van onze gemeente, maar ook door aanwezige natuurwaarden, is ook in Oss voldoende zoetwater van cruciaal belang.

De Deltabeslissing Zoetwaterstrategie moet zorgen dat Nederland de komende jaren kan blijven beschikken over voldoende water van goede kwaliteit. De hoge zandgronden (Overijssel e.o.) in oostelijk en zuidoost-Nederland (Noord-Brabant en Limburg) nemen daarin een aparte plek in. In regionaal verband hebben de regionale partners in oost en zuidoost-Nederland het Deltaplan Hoge Zandgronden opgesteld. Hierin is een maatregelprogramma opgenomen om de watervoorziening te borgen/verbeteren. Ook adaptieve maatregelen zoals bijvoorbeeld andere gewasteelten behoren tot de mogelijkheden. Voor Oss zal dit met name van belang zijn in het zuidelijke deel van de gemeente (onder andere verdrogingsbestrijding rondom Maashorst-Herperduin (natuur) en rondom Geffen en de zuidelijke geledingszone (agrarisch)).

Buitengebied Oss – 2020, pag. 98 van 148 vastgesteld

4.3

Provinciaal beleid

4.3.1

Brabantse Omgevingsvisie: De kwaliteit van Brabant, visie op de Brabantse leefomgeving

Met de Brabantse Omgevingsvisie wil de provincie gaan werken volgens de uitgangspunten van de Omgevingswet. In december 2018 is de Brabantse Omgevingsvisie vastgesteld. De visie werkt vervolgens door op de schaal van de omgevingsverordening. De Brabantse Omgevingsvisie is een samenhangende visie op de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een ‘klimaatproof’ Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Participatie is een sleutelonderdeel. De Omgevingsvisie geeft aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken en welke waarden daarbij centraal staan. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten, als een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke- en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan.

Om deze basisopgave te verwezenlijken zijn er 4 hoofdopgaven gesteld: Werken aan de Brabantse energietransitie Door de grote invloed van klimaatverandering nu, en in de toekomst werkt de provincie aan een energietransitie met als einddoel om in 2050 100% duurzame energie op te wekken. Door aan te sluiten bij de Nationale Energieagenda wordt het landelijk beleid gevolgd. Vervolgens wordt een heldere koers opgesteld met regio en gemeentes. Participatie zal een essentieel onderdeel vormen voor verdere planvorming. Werken aan een ‘klimaatproof’ Brabant Door de alsmaar groter wordende impact van klimaatverandering op ons dagelijks leven dient Brabant hier maatregelen voor te nemen. Er zal een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting worden ontwikkeld. Dit houdt in dat het beeklandschap wordt aangepast om wateroverlast te voorkomen. Om schade aan de landbouwsector te voorkomen wordt innovatie van deze sector, om in te spelen op klimaatverandering, gestimuleerd. Het einddoel is dat Brabant in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is ingericht. Werken aan de slimme netwerkstad Duurzame verstedelijking draagt bij aan de ontwikkeling van steden die voorbereid zijn op de toekomst. Steden worden beter met elkaar verbonden. Mensen moeten zich makkelijker kunnen verplaatsen. Ook wordt de bereikbaarheid van nabije voorzieningen gestimuleerd.

Hierdoor wordt het aantal verkeersbewegingen met de auto teruggedrongen en wordt deze van de fiets bijvoorbeeld gestimuleerd. Ondertussen wordt de mobiliteit gestimuleerd door het openbaar vervoer toekomstbestendig te maken, wordt innovatie van zelfrijdende auto’s gestimuleerd en wordt de mobiliteit van bedrijven vergroot. Met als doel: dat in 2050 het stedelijk netwerk van Brabant als één samenhangend duurzaam en concurrerend netwerk van steden en dorpen functioneert, als onderdeel van de Noordwest- Europese metropool.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=bdfcc32f-ecc7-46df-9587-dc7c5b9a0997