CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 B toelichting - Binnenstraat ongenummerd in Herpen.PDF

Adviescommissie Ruimte 12 mei 2022, gemeente OssBij agendapunt: A Gebundelde procedure vaststelling bestemmingsplannen 'Berghemseweg 7 Herpen 2022 Binnenstraat ong Herpen-2022, Polderstraat 12 Macharen, en Wilgenstraat 8 Geffen-202221.844 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Binnenstraat ong. Herpen – 2022, pag. 31 van 68 Vastgesteld 8 februari 2022

Op 14 oktober 2010 heeft de gemeente Oss haar ‘archeologiebeleid’ vastgesteld. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk. Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss' (Goddijn, 2012). Aan de hand van onderzoeken, inzichten en boringen in het veld zijn de eerdere archeologische kaarten gedeeltelijk bijgesteld. Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld. Verwachting/waarde Archeologisch beschermd rijksmonument

Vrijstellingsgrenzen 0 m2 / 30 cm -Mv

Archeologisch (AMK-) monument Beschermde stadsgezichten

35 m2 / 30 cm -Mv

Historische stads-/dorpskern

50 m2 / 30 cm -Mv

Hoge verwachtingswaarde

100 m 2 / 30 cm -Mv

Hoge verwachtingswaarde – bedrijventerrein

1000 m2 / 30 cm -Mv

Middelhoge verwachtingswaarde Lage verwachtingswaarde

5 hectare / 30 cm -Mv

Reeds onderzocht

Afhankelijk van de resultaten van het reeds uitgevoerde onderzoek.

Verstoord

Geen onderzoeksplicht

Volgens de archeologische beleidskaart heeft het plangebied een hoge verwachtingswaarde. Vanuit het archeologiebeleid geldt een archeologische onderzoeksplicht als de bodemingrepen dieper zijn dan 30 cm beneden het huidige maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 100 m2. 5.2.3 Archeologietoets Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente is aan het bestemmingsplangebied hoge verwachtingswaarde toegekend. Concreet betekent dit dat er een archeologische onderzoeksplicht geldt indien de bodemingrepen dieper reiken dan 30 cm beneden huidig maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 100 m². Toetsing van de plannen In onderhavige situatie zal meer dan 100 m2 worden geroerd. Dat betekent dat alleen gebouwd kan worden als verzekerd is dat eventuele archeologische waarden zijn zeker gesteld. Door KSP archeologie is een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. De onderzoeksrapportage is als bijlage (2) bijgevoegd bij deze toelichting. De conclusie van het onderzoek en het advies zijn als volgt: “Conclusie Het doel van het archeologische bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied.

Op basis van de landschappelijke ligging op een dekzandwelving en de mogelijk nabije ligging van een Laat-Glaciale beekloop heeft het plangebied een middelhoge verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met Neolithicum. Door de ligging in een zone met dekzandwelvingen heeft het plangebied een hoge verwachting voor nederzettingen uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen. In de Volle Middeleeuwen heeft tot ca. 1360 in Herpen een kasteel gestaan. Rondom het plangebied zijn meldingen van dit kasteel bekend,

Binnenstraat ong. Herpen – 2022, pag. 32 van 68 Vastgesteld 8 februari 2022

maar op basis van recente waarnemingen van de archeologische werkgroep en een getuige van de opgraving van een deel van het kasteel lijkt het kasteelterrein ten zuidwesten van het plangebied gelegen te hebben. Op basis van historisch kaartmateriaal lijkt de kans klein dat in het plangebied een huisplaats uit de Nieuwe tijd aanwezig is geweest door de ligging buiten de dorpskern. Ook archeologische resten uit de Tweede Wereldoorlog worden niet verwacht. Er zijn een aanwijzingen voor diepe verstoringen in het plangebied. Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Uit het booronderzoek is gebleken dat er zoals verwacht een humeus dek aanwezig is. Daaronder werd een podzolbodem verwacht, maar deze is niet of niet overal in het plangebied aanwezig. In het zuiden van het plangebied is mogelijk een podzolbodem aanwezig. In het noorden lijkt een opvulling van een geul aanwezig te zijn, mogelijk is dit een opgevulde geul van de vlechtende Maas uit het Pleistoceen. In het bureauonderzoek was een middelhoge verwachting voor vuursteenvindplaatsen opgesteld, omdat er mogelijk een waterloop in de omgeving was gelegen. De waterloop is bevestigd waardoor de verwachting voor een vuursteenvindplaats in het zuiden van het plangebied verhoogd kan worden naar een hoge verwachting.

De top van de mogelijke podzolbodem is waargenomen vanaf 70 cm-mv. In het noorden is een ca. 1 m dikke geulopvulling aanwezig vanaf 80 cm -mv. In de vulling kan vondstmateriaal voorkomen. Resten uit de steentijd worden aan de onderzijde verwacht van deze geulopvulling. In het bureauonderzoek is een hoge verwachting opgesteld voor nederzettingen vanaf het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen. In het zuiden van het plangebied kan deze verwachting worden behouden. De sporen worden in de top van het dekzand verwacht, vanaf 100 cm-mv. Ook in de top van de geulvulling het noorden van het plangebied kunnen vondsten uit deze periode worden aangetroffen (vanaf 80 cm-mv). De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de lage 3 verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd bij te stellen. Tijdens een booronderzoek kan geen archeologische vindplaats worden aangetroffen, ten hoogste archeologische indicatoren die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Een waardestelling conform protocol 4003, VS06 is dan ook niet van toepassing. Beantwoording van de onderzoeksvragen Wat is de opbouw van de ondergrond en is het bodemprofiel intact? Uit het booronderzoek is gebleken dat er zoals verwacht een humeus dek aanwezig is.

Daaronder werd een podzolbodem verwacht, maar deze is niet of niet overal in het plangebied aanwezig. In het zuiden van het plangebied is mogelijk een podzolbodem aanwezig. In het noorden lijkt een opvulling van een geul aanwezig te zijn, mogelijk is dit een opgevulde geul van de vlechtende Maas uit het Pleistoceen. Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied op basis van het bureauonderzoek en wordt deze door het veldonderzoek bevestigd? In het bureauonderzoek was een middelhoge verwachting voor vuursteenvindplaatsen opgesteld, omdat er mogelijk een waterloop in de omgeving was gelegen. De waterloop is bevestigd waardoor de verwachting voor een vuursteenvindplaats in het zuiden van het plangebied verhoogd kan worden naar een hoge verwachting. De top van de podzolbodem is waargenomen vanaf 70 cm-mv. In het noorden is

3 Bij toetsing heeft de gemeentelijk archeoloog aangegeven dat de gemeente de verwachting op kasteelresten als laag tot middelhoog inschat.

Binnenstraat ong. Herpen – 2022, pag. 33 van 68 Vastgesteld 8 februari 2022

een ca. 1 m dikke geulopvulling aanwezig vanaf 80 cm -mv. In de vulling kan vondstmateriaal voorkomen. Resten uit de steentijd worden aan de onderzijde verwacht van deze geulopvulling. In het bureauonderzoek is een hoge verwachting opgesteld voor nederzettingen vanaf het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen. In het zuiden van het plangebied kan deze verwachting worden behouden. De sporen worden in de top van het dekzand verwacht, vanaf 100 cm-mv. Ook in de top van de geulvulling het noorden van het plangebied kunnen vondsten uit deze periode worden aangetroffen (vanaf 80 cm-mv). De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de lage verwachting 4 voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd bij te stellen. In hoeverre wordt het (potentiële) archeologische niveau bedreigd door de voorgenomen ontwikkeling van het gebied? Aangezien de kans dat een vindplaats binnen het plangebied aanwezig is hoog wordt ingeschat, vormen de voorgenomen graafwerkzaamheden mogelijk een bedreiging voor het archeologische bodemarchief. Of eventuele archeologische resten bedreigd worden is afhankelijk van de bouwwijze en diepte van de graafwerkzaamheden. Selectieadvies Op basis van de intactheid van de bodem in het plangebied kan een archeologische vindplaats aanwezig zijn.

Wanneer de geplande graafwerkzaamheden dieper reiken dan 70 cm beneden maaiveld kunnen eventueel aanwezig archeologische resten verloren gaan en is vervolgonderzoek noodzakelijk. De bovengrond is echter geroerd, KSP Archeologie adviseert daarom om de huidige archeologische dubbelbestemming te behouden, maar werkzaamheden tot 70 cm -mv i.p.v. 30 cm-mv toe te staan. Gezien de diepe ligging van de potentiële archeologische niveaus zal de aanleg van een tuin en ondiep gefundeerde bijgebouwen geen bedreiging vormen voor eventuele archeologische resten. Gezien het voorkomen van relatief dikke humeuze afzettingen en het ondiep voorkomen van grondwater is het niet uitgesloten dat de nieuwe woningen op palen moet worden gefundeerd. Een dicht palengrid zal een eventuele archeologisch vindplaats aantasten of eventueel toekomstig onderzoek bemoeilijken. Als echter tussen de palenrijen een afstand van ca. 4 m wordt aangehouden adviseert KSP Archeologie op basis van Handreiking Archeologievriendelijk bouwen (Roorda e.a. 2016) geen vervolgonderzoek. Indien grondroeringen dieper dan 70 cm nodig zijn over een oppervlak meer dan 100 m2 of palenrijen met minder dan 4 m afstand nodig zijn adviseert KSP Archeologie vanwege de beperkte omvang van de ingrepen en het hoge grondwater een vervolgonderzoek in de vorm van een opgraving ter hoogte van het bouwblok.

Gezien het ondiepe voorkomen van grondwater is de kans groot dat er een vorm van bemaling nodig zal zijn om een archeologisch vlak aan te leggen. Het is dan gezien de beperkte omvang van de bodemingreep niet kosteneffectief om eerst een proefsleuvenonderzoek uit te voeren en later een opgraving. Als de palenfundering op een archeologievriendelijke wijze wordt ingestoken, conform Roorda e.a. (2016), zou de opgraving als archeologische begeleiding uitgevoerd kunnen worden. Voor dit gravende onderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk dat is goedgekeurd door de bevoegde overheid.

4

Bij toetsing heeft de gemeentelijk archeoloog aangegeven dat de gemeente de verwachting op kasteelresten als laag tot middelhoog inschat.

Binnenstraat ong. Herpen – 2022, pag. 34 van 68 Vastgesteld 8 februari 2022

Als alternatief zou nog een karterend booronderzoek uitgevoerd kunnen worden om op deze wijze de aanwezigheid van een vindplaats in te schatten. De gemeente heeft echter bij eerdere projecten aangegeven dat vondststrooiingen van vindplaatsen in de gemeente een dermate lage vondstdichtheid / hoge fragmentatiegraad kennen dat deze enkel met gravend onderzoek opgespoord kunnen worden. Bovenstaand advies vormt een zogenaamd selectieadvies. Dit selectieadvies betekent nog niet dat reeds bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zijn inmiddels beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Oss), die binnenkort een selectiebesluit zal nemen. Het uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Het onderzoek is erop gericht om de kans op het aantreffen dan wel vernietigen van archeologische waarden bij bouwwerkzaamheden in het plangebied te verkleinen. Aangezien het onderzoek is uitgevoerd door middel van een steekproef kan echter, op basis van de onderzoeksresultaten, de aan- of afwezigheid van eventuele archeologische waarden niet met zekerheid gegarandeerd worden. Indien bij graafwerkzaamheden archeologische waarden worden aangetroffen, dienen deze conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10, bij de minister gemeld te worden.

In de praktijk kan de vinder terecht bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (T 033 – 4217 456 of info@cultureelerfgoed.nl) zodat de vondst geregistreerd wordt in het centraal archeologische informatiesysteem. Daarnaast wordt het advies gegeven om de vondst ook bij de gemeente te melden.” Het bevoegd gezag (gemeente Oss) heeft ingestemd met het uitgevoerde bureau- en inventariserend veldonderzoek en heeft conform het door KSP Archeologie gedane advies een selectiebesluit genomen. De dubbelbestemming in het kader van de bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden blijft voor de locatie van kracht. De onderzoeksgrens wordt verlegd naar 70 cm beneden maaiveld, de bijbehorende ondergrens met betrekking tot de oppervlakte van 100 m2 blijft behouden. Bij de huidige plannen (bouw van een twee onder één kap woning) geldt het volgende: Indien de verstoring, dieper dan 70 cm beneden het huidige maaiveld, niet beperkt kan worden tot maximaal 100 m2 en/of palenrijen nodig zijn met minder dan 4 meter afstand tussen de rijen, dan is vervolgonderzoek noodzakelijk. Dit vervolgonderzoek dient te bestaan uit een opgraving van de bouwputten (eerst de woningen en indien relevant vervolgens ook de garages), eventueel in de variant van een archeologische begeleiding, waarbij dit onderzoek geldt als proefsleuvenonderzoek voor het gehele perceel.

Indien voor de fundering enkel gebruik gemaakt wordt van palenrijen (met een afstand van minder dan 4 meter), dan is een archeologische begeleiding geen optie. In dat geval dient de bouwput te worden opgegraven. Voor de verdere (plan)procedure betekent dit het volgende: • • • •

Een opgraving/ begeleiding dient te worden uitgevoerd op basis van een Programma van Eisen (PvE) dat dient te zijn goedgekeurd door de gemeentelijk archeoloog (M. Peeters, gemeente Oss). De aanvang van het archeologisch onderzoek dient twee weken voor de start aan de gemeentelijk archeoloog te worden gemeld per email (m.peeters@oss.nl). Er geldt ten alle tijden een meldingsplicht bij het aantreffen van archeologische resten. Zolang terreinen een (te verwachte) archeologische waarde hebben en deze terreinen nog niet volledig zijn onderzocht (definitief vrijgegeven), dienen deze planologisch beschermd te blijven door middel van een dubbelbestemming ‘Waarde-archeologie verwachtingswaarde hoog’ in het betreffende bestemmingsplan.

Binnenstraat ong. Herpen – 2022, pag. 35 van 68 Vastgesteld 8 februari 2022

5.2.4 Cultuurhistorie Wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening.

In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen.

De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen. Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2009. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang. Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Interim omgevingsverordening NoordBrabant Met de onder het kopje ‘archeologie’ genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen.

Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje ‘archeologie: bestemmingsplanregels’ verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden.

Binnenstraat ong. Herpen – 2022, pag. 36 van 68 Vastgesteld 8 februari 2022

Ingevolge het erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem” zijn voor onderhavige locatie geen specifieke cultuurhistorische waarden aan de orde. Volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant is het plangebied niet in of nabij een gebied gelegen waarvoor Cultuurhistorische Waarden zijn aangewezen. Ingevolge de gemeentelijke monumentenlijst blijkt dat in het plangebied geen monument is gelegen. Uit het oogpunt van cultuurhistorie zijn geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling en andersom.

5.3

Mobiliteit en parkeren

5.3.1 Mobiliteit en parkeren De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. De mobiliteitsvisie is uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan Wegen werkt het gewenste netwerk voor het autoverkeer uit. Per weg is de gewenste functie vastgelegd. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden. Verkeer: extra verkeersbewegingen De verkeersgeneratie die gepaard gaat met de nieuwe functie bestaat uit 16 verkeersbewegingen per dag (8 per woning, 2 woningen). De huidige verkeersgeneratie is 0, er was namelijk nog geen functie aanwezig die verkeer genereerde. Dit betekent een toename van 16 verkeersbewegingen per dag, een geringe toename. De reeds aanwezige infrastructuur (erftoegangsweg type II) kan dit prima afwikkelen, het wegprofiel is afdoende. Verkeer: ontsluitingswegen Er worden twee seniorenwoningen gerealiseerd, type twee onder één kap met volledig woonprogramma op de begane grond. De woningen worden via ieder een eigen inrit waarop twee auto’s achter elkaar kunnen parkeren direct aan de Binnenstraat ontsloten.

5.3.2 Parkeren De gemeente Oss heeft een gemeentelijk parkeerbeleidsplan vastgesteld. De nota ‘Parkeernormen 2017’ geeft aan welke parkeernormen voor welke gebieden gelden. Voldaan dient te worden aan de parkeernormen zoals opgenomen in de nota ‘Parkeernormen 2017’. De parkeereis is volgens die nota 2,2 parkeerplaatsen per woning (koop, twee-onder-één kap, kernen), waarvan 0,3 parkeerplaatsen per woning voor bezoekers. De totale parkeereis voor dit project wordt daarmee 5 parkeerplaatsen (= 4,4 afgerond). In de nieuwe situatie worden 4 parkeerplaatsen op eigen terrein (achter elkaar, 2,5x5 meter per parkeerplaats) toegevoegd, zie de afbeelding hieronder.

Binnenstraat ong. Herpen – 2022, pag. 37 van 68 Vastgesteld 8 februari 2022

Voor de resterende op te lossen parkeerplaats (1 stuk) wordt gebruik gemaakt van de ruimte die daarvoor reeds aanwezig is in het openbaar gebied. Dit is mogelijk, omdat er geen directe parkeerdruk is op dit gedeelte van de Binnenstraat. Belangrijk hierbij is wel dat de nieuwe bewoners van het initiatief daadwerkelijk op eigen terrein parkeren. De gemeente beschouwt alle parkeerruimte op eigen terrein die voldoet aan de richtlijnen, als volwaardige parkeerplaatsen. Dit betekent dat een lange oprit (minimaal 10 meter) als twee parkeerplaatsen gezien wordt. Wanneer parkeerproblemen in de praktijk ontstaan, kunnen bewoners eerst worden gewezen op het juiste gebruik van de parkeerplaatsen op eigen terrein (optimaal benutten lange inrit). Hiermee worden bewoners zelf verantwoordelijk voor het juiste gebruik van de beschikbare parkeerplaatsen. Voldaan wordt aan de parkeernorm.

5.4

Water

5.4.1 Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de

Binnenstraat ong. Herpen – 2022, pag. 38 van 68 Vastgesteld 8 februari 2022

waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGPR een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen. De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod.

Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’.

Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; Voorkomen van vervuiling van water; Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Afvoer Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties;

Binnenstraat ong. Herpen – 2022, pag. 39 van 68 Vastgesteld 8 februari 2022

4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied.

5.4.2 Watertoets Op de www.dewatertoets.nl is de digitale watertoets ingevuld. Hiervan zijn drie mogelijke uitkomsten/ procedures: • Geen waterbelang: Er is een functiewijziging zonder relevante wateraspecten • Verkorte procedure: U heeft een klein plan met weinig relevante wateraspecten • Normale procedure: U heeft een groot plan met meerdere relevante wateraspecten. Na het invullen van de digitale watertoets werd direct aangegeven dat voor het ruimtelijk plan de verkorte procedure geldt. De verhardingstoename en/of -afkoppeling is maximaal 2.000 m2. Het plangebied valt buiten de ruimtelijk begrensde waterbelangen. Bijgevoegd bij deze toelichting treft u het toetsresultaat en de samenvatting van www.dewatertoets.nl aan (bijlage 4) Conform het gemeentelijke beleid geldt ten aanzien van de verwerking van hemelwater dat van het verhard oppervlak de eerste 20 millimeter geïnfiltreerd moet worden op eigen terrein, van de woningen moet de eerste 10 millimeter geïnfiltreerd worden, daarna mag het aan de openbare ruimte aangeboden worden. De rekensom om het te bergen en infiltreren m3’s hemelwater te berekenen is dan als volgt: compensatie-eis verhard oppervlak (20 mm) x verhard oppervlak (93,3 m2) + compensatie-eis woningen (10 mm) x oppervlakte woningen (232,5 m2).

In onderhavige situatie betekent dat, dat 4,2 m3 water op eigen terrein tijdelijk moet worden geborgen en vervolgens geïnfiltreerd. Op het perceel is voldoende ruimte aanwezig voor een hemelwatervoorziening van minimaal 4,2 m3, daarnaast is ook de GHG (gemiddeld hoogste grondwaterstand) en K-waarde geschikt voor deze vorm van tijdelijk bergen en infiltreren. De initiatiefnemer heeft gekozen voor de aanleg van een infiltratievoorziening op eigen terrein in de vorm van infiltratiekratten. De kratten zullen tijdelijk minimaal 4,2 m3 aan hemelwater bergen dat vervolgens langzaam in de grond wordt geïnfiltreerd. Voor hevige regenval wordt een overstort/ overloop op de erfgrens gecreëerd die ervoor zorgt dat wanneer er meer hemelwater valt dan er op eigen terrein verwerkt kan worden het extra water bij de openbare ruimte wordt aangeboden en verwerkt. De specifieke infiltratievoorziening is onderdeel van de aanvraag omgevingsvergunning en wordt in dat kader nader uitgewerkt en voorgelegd aan de gemeente ter goedkeuring. Afvalwater Aangaande de afvoer van afvalwater is de gemeente bevoegd gezag. Er moet gescheiden (afvalwater apart van overstort/ overloop hemelwater) worden aangeboden. De initiatiefnemer en de gemeente hebben afspraken gemaakt over de aansluiting van de nieuwe woningen op het gemeentelijk riool.

De initiatiefnemer is ervoor verantwoordelijk dat hij een dwa (droogweerafvoer) rioolstelsel aanlegt. Daarnaast is hij ervoor verantwoordelijk dat dit wordt aangesloten op het hoofdriool. Hierbij is hij ook aan zet voor de daarvoor benodigde voorzieningen en de eventueel benodigde aanpassingen op de bestaande voorzieningen buiten het plangebied. Een en ander ter realisering en aansluiting in overleg met de gemeente. Voor de te realiseren rioolaansluiting moet de initiatiefnemer een aansluitvergunning aanvragen.

Binnenstraat ong. Herpen – 2022, pag. 40 van 68 Vastgesteld 8 februari 2022

5.5

Defensie

Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: - Radarverstoringsgebieden; - Obstakelbeheergebieden; - Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; - Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen.

Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden.

Binnenstraat ong. Herpen – 2022, pag. 41 van 68 Vastgesteld 8 februari 2022

5.6

Milieuaspecten

In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: - Bedrijven en milieuzonering - Bodem - Externe veiligheid - Geurhinder: agrarisch - Geur: industrieel - Luchtkwaliteit - Straling - Weg-, spoor-, en industrielawaai - Gezondheid - Spuitzones

5.6.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uitvoeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. Dichtbij het plangebied ligt het centrum van Herpen. In het centrum zijn centrumfuncties toegestaan en ook horeca. Het gaat om meerdere percelen voor centrumfuncties. Op die percelen zijn detailhandel, maatschappelijke functies, bedrijven in milieucategorie 1 en 2 en dienstverlening toegestaan. Het gebied kan door deze functionele karakteristiek worden getypeerd als een ‘gemengd gebied’ zoals dat omschreven wordt in de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De genoemde centrumfuncties zijn in een gemengd gebied passend en niet belemmerend qua milieubelasting voor gevoelige functies zoals wonen.

De dichtstbij gelegen gevel in het plangebied ligt er (gemeten tussen de gevel van de woning in het plangebied en het dichtstbij gelegen bestemmingsvlak ‘Centrum’) 7 meter vanaf, dit is afdoende. Daarnaast worden de centrumbedrijven niet in hun belangen geschaad omdat reeds gevels van woningen dichterbij zijn gelegen. Naast deze centrumfuncties is in de nabijheid ook horeca in de hoogste categorie toegestaan. Daarvoor geldt op basis van de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering (SBI-code 563, discotheken, muziekcafés) een richtafstand voor geur 0m, stof 0m, geluid 30m, gevaar 10m. De dichtstbij gelegen gevel in het plangebied ligt 50 meter van het bestemmingsvlak ten behoeve van de horeca vandaan. De horecavoorziening is niet belemmerend voor onderhavige ontwikkeling. Er is daarnaast sprake van dichterbij gelegen gevels van gevoelige bestemmingen. De horecavoorziening wordt daardoor ook niet belemmerd in haar ontwikkelingsmogelijkheden. Nabij het plangebied zijn geen bedrijven gelegen die belemmerend zouden kunnen zijn voor wat betreft het woon- en leefklimaat voor onderhavige ontwikkeling. Of andersom waarvoor onderhavige ontwikkeling een belemmering zou kunnen vormen in de bedrijfsvoering.

5.6.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste

Binnenstraat ong. Herpen – 2022, pag. 42 van 68 Vastgesteld 8 februari 2022

functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Door Van Oort Bodemonderzoek is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage (3) bijgevoegd bij deze toelichting. De samenvatting van dit onderzoek en het advies zijn als volgt: “Op een locatie aan de Binnenstraat (ong) te Herpen is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd in verband met een bestemmingswijziging en de nieuwbouw van twee woningen. Kadastraal staat de locatie bekend als; gemeente Ravenstein, sectie I, nummers 458 en 459. De oppervlakte van de locatie bedraagt circa 550 m2. Het doel van het onderzoek is het vastleggen van de kwaliteit van grond en grondwater en te beoordelen of er bezwaren zijn tegen een woonbestemming en het verlenen van een omgevingsvergunning. Bij de uitvoering van het onderzoek is gebruik gemaakt van de NEN 5725 en NEN 5740. De strategie van het onderzoek is afgestemd op het vooronderzoek (historie). Gebruik is gemaakt van de onderzoeksopzet voor een onverdachte niet lijnvormige locatie (ONV-NL). Het veldwerk is uitgevoerd op basis van de BRL SIKB 2000.

De analyses (AS3000) zijn uitgevoerd door Synlab Analytics & Services BV uit Rotterdam. Zintuiglijk zijn tijdens de veldwerkzaamheden in de bodem geen verontreinigingen waargenomen. De in lichte vorm aangetroffen baksteenresten in de bovengrond zijn eenduidig en niet asbestverdacht. Met laboratoriumonderzoek is aangetoond dat de bovengrond licht verontreinigd is met zink (>Aw). De ondergrond en het grondwater zijn niet verontreinigd (<Aw/<Sw). Op basis van het totaal aan onderzoeksresultaten behoeft de bodemkwaliteit ons inziens geen belemmering te vormen voor een woonbestemming en nieuwbouw. Er is geen aanleiding tot een vervolgonderzoek. Geadviseerd wordt de resultaten van het bodemonderzoek voor te leggen aan de gemeente Oss. Als onderzoeksbureau hebben we een adviserende taak. Het bevoegd gezag bepaald of het onderzoek volstaat en/of aanvullend onderzoek noodzakelijk is.” De rapportage van het verkennend bodemonderzoek is voorgelegd aan het bevoegd gezag (gemeente Oss). Het bevoegd gezag heeft met het onderzoek en de resultaten ervan ingestemd. Op basis van de onderzoeksresultaten zijn er geen bodemhygiënische bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling.

5.6.3 Externe veiligheid Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: - het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) - het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Binnenstraat ong. Herpen – 2022, pag. 43 van 68 Vastgesteld 8 februari 2022

Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat eronder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.

De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Hieronder is een uitsnede opgenomen van de risicokaart behorende bij de gemeentelijke Beleidsvisie Externe veiligheid. Zie de blauwe stip voor de aanduiding van onderhavige locatie.

Kwetsbaar object De ontwikkeling betreft meerdere kwetsbare objecten (2) zoals geformuleerd in het Bevi, artikel 1 onder b. Ligging plangebied

Binnenstraat ong. Herpen – 2022, pag. 44 van 68 Vastgesteld 8 februari 2022

De twee nieuwe woningen zijn niet gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour (PR10-6/jaar). De dichtstbijzijnde is gelegen op circa 625 meter, nl. Van den Broek Olie B.V. met LPG op Berghemseweg 1 in Herpen. Zie onderstaande uitsnede van de risicokaart. Zie het oranje rondje voor de ligging van het plangebied.

Op meer dan 550 meter van het plangebied liggen meerdere leidingen voor het transport van gas (gasunie). Op 2400 meter ligt de spoorlijn Oss-Ravenstein. Op 800 meter ligt de A50. Transportassen Spoorlijn Oss - Ravenstein De spoorlijn Oss – Ravenstein ligt op circa 2400 meter van het plangebied. Over deze spoorlijn worden brandbare en toxische gassen als vloeistoffen vervoerd. Zie onderstaande afbeeldingen die dit illustreren.

Binnenstraat ong. Herpen – 2022, pag. 45 van 68 Vastgesteld 8 februari 2022

Gezien de ligging van het plangebied (> 300 meter van het spoor, zone IV) wordt alleen rekening gehouden met de effecten van een toxische gaswolk. In dit gebied zijn geen functies uitgesloten, bescherming wordt geboden door ‘ramen en deuren te sluiten’. Voor de motivatie van ontwikkelingen in deze zone is door de gemeente Oss een standaard verantwoording geschreven. Die verantwoording geldt voor onderhavige ontwikkeling. De verantwoording luidt als volgt:

Binnenstraat ong. Herpen – 2022, pag. 46 van 68 Vastgesteld 8 februari 2022

Ontwikkeling groepsrisico Indien een ruimtelijk plan tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dit dat: • vanwege de afstand tot de plaats van het mogelijke incident; •

de aard van incident (blootstelling aan toxisch gas); het groepsrisico niet significant zal toenemen.

Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is geen item. • •

Toename van de personendichtheid heeft geen significant effect op het groepsrisico. De kans op overlijden door een incident met gevaarlijke stoffen is hier bijzonder klein 5.

De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Voor deze gebieden speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op afstand van deze gebieden. Ten aanzien van de algemene mogelijkheden van de bestrijdbaarheid wordt verwezen naar het door de regionale brandweer/de Veiligheidsregio opgestelde 'risicoprofiel'. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelinginstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden.

Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS 6 als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. De zone III gebieden in de bebouwde kom van Oss vallen geheel binnen het dekkingsgebied van het WAS. A50 Onderhavige locatie ligt op meer dan 300 meter vanaf de A50, daarmee is de locatie in zone 4 gelegen. Hiervoor geldt de standaard verantwoordingsplicht. Vanaf 300 meter wordt alleen rekening gehouden met de effecten van een toxische gaswolk. In dit gebied zijn geen functies uitgesloten, bescherming wordt geboden door ramen en deuren te sluiten. De verantwoording voor een ontwikkeling op deze plek is als volgt. Ontwikkeling groepsrisico Indien een ruimtelijk plan tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dit dat: • vanwege de afstand tot de plaats van het mogelijke incident, • de aard van het mogelijke incident (blootstelling aan toxisch gas), het groepsrisico niet significant zal toenemen.

5 Hier is de kans op overlijden van een persoon ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen vele

malen kleiner dan één op één miljoen. 6 Waarschuwings- en AlarmeringsSysteem.

Binnenstraat ong. Herpen – 2022, pag. 47 van 68 Vastgesteld 8 februari 2022

Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is geen item. • Toename van de personendichtheid heeft geen significant effect op het groepsrisico. • De kans op overlijden door een incident met gevaarlijke stoffen is hier bijzonder klein (kleiner dan 1 op 1.000.000). De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Voor deze gebieden speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op afstand van deze gebieden. Ten aanzien van de algemene mogelijkheden van de bestrijdbaarheid wordt verwezen naar het door de regionale brandweer/ de Veiligheidsregio opgestelde ‘risicoprofiel’. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas.

Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwings- en AlarmeringsSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. De zone III gebieden in de bebouwde kom vallen geheel binnen het dekkingsgebied van het WAS. Dit geldt ook voor onderhavig plangebied. LPG-tankstations Er zijn binnen de gemeente Oss meerdere LPG-tankstations gelegen. Zo ook in de nabijheid van het plangebied (ca. 550 meter afstand). Het invloedsgebied voor een LPG tankstation is ten tijde van het opstellen van het EV-beleid voor de gemeente Oss, in de Regeling externe veiligheid inrichtingen wettelijk vastgesteld op 150 meter 7. Op 28 juni 2016 is aanvullend hierop de ‘Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de externe veiiigheid’ gepubliceerd. Daarin wordt aan gemeenten gevraagd om naast Bevi/ Revi ook effectbenadering toe te passen bij besluiten rondom LPG-tankstations. In samenhang met deze circulaire is de Revi aangepast.

De vaste afstanden die grofweg de contour voor het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar weergeven, gemeten vanaf het vulpunt, zijn zodanig aangepast dat voor alle situaties (bestaand en nieuw) de in de onderstaande tabel opgenomen afstanden gelden.

7 Zie artikel 6, lid 2 van de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) i.c.m. bijlage 2 van de Revi.

Binnenstraat ong. Herpen – 2022, pag. 48 van 68 Vastgesteld 8 februari 2022

Deze afstanden gelden als grenswaarde ten opzichte van kwetsbare objecten en als richtwaarde ten opzichte van beperkt kwetsbare objecten. Daarnaast blijft de verantwoordingsplicht voor het groepsrisico onverkort van toepassing binnen het invloedsgebied van 150 meter vanaf het vulpunt van het reservoir. Gezien de afstand tot het plangebied groter dan 150 meter is, is het planologisch kader voor LPGtankstations niet van toepassing. Hier hoeft geen verdere verantwoording voor te worden opgesteld. Buisleidingen Uitgaande van de Beleidsvisie Externe veiligheid gemeente Oss wordt geconstateerd dat: • Nabij bebouwingsconcentraties geen sprake is van relevante plaatsgebonden risicocontouren; • in het buitengebied plaatselijk omvangrijke plaatsgebonden risicocontouren aanwezig zijn; • invloedsgebieden tot circa 600 meter van de transportleidingen gelden. Het plangebied is nog net binnen het invloedsgebied van 600 meter van een transportleiding gelegen. Het plangebied ligt daardoor in de 1 tot 100% letaliteitscontour. Een fakkelbrand is het maatgevende scenario. Voor het groepsrisico geldt de verantwoording in zwaarte twee. 1. Er hoeft geen noodzaak te worden aangetoond om voorziening op deze plek te realiseren; 2. de zelfredzaamheid is goed; 3.

bestrijdbaarheid: • er is een goede verkeerskundige ontsluiting voor hulpdiensten; • er wordt voldaan aan de Handleiding bluswatervoorziening of een gelijkwaardig voorstel van de brandweer; • er is voldoende opvang, afvoersloten; • er zijn minimaal twee vluchtroutes van de bron af; • kwetsbare objecten moeten aan risicoluwe zijde worden gerealiseerd; 4. maatregelen: • maatregelen moeten in beschouwing worden genomen; • •

privaatrechtelijk afdwingen is niet nodig; aandacht voor organisatorische en communicatiemaatregelen.

Advies veiligheidsregio In artikel 9 van het Besluit externe veiligheid transportroutes is opgenomen dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan zoals bedoeld in artikel 7 het bevoegd gezag het bestuur van de veiligheidsregio in wiens regio het gebied ligt waarop het plan betrekking heeft in de gelegenheid stelt advies uit te brengen over de in artikel 7 en, voor zover van toepassing, artikel 8 genoemde onderwerpen. In het kader van het wettelijk vooroverleg vraagt de gemeente advies aan de veiligheidsregio. Het advies wordt hier verwerkt zodra het is ontvangen. Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmeringen voor het realiseren van de ontwikkeling. Het plangebied is

Binnenstraat ong. Herpen – 2022, pag. 49 van 68 Vastgesteld 8 februari 2022

niet binnen een 10-6-contour gelegen, enkel binnen het invloedsgebied van het spoor, de A50 en buisleidingen. Er is verantwoord met een standaard tekst. En in verband hiermee is het bestemmingsplan via het wettelijk vooroverleg voor advies voorgelegd aan de veiligheidsregio. Het advies van de veiligheidsregio wordt hier verwerkt zodra het is ontvangen. Het plangebied ligt ook buiten het invloedsgebied van een LPG tankstation (> 150 meter afstand), hiervoor is daarom geen aanvullende verantwoording opgesteld. 5.6.4 Geurhinder: agrarisch De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2017”.

Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: - de burger beschermen tegen geurhinder; - de veehouderijen niet onnodig beperken; - ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017 wordt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object binnen de gemeente Oss vastgelegd. Conform Artikel 3 Waarden voor de geurbelasting van de verordening zijn de volgende waarden vastgelegd: Lid 1. Op grond van artikel 6, lid 1 van de wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2, lid 1 van deze verordening: A. Stad Oss

1,0 Ou

B. Woonkern met geen/enige intensieve veehouderij

2,0 Ou

C. Plangebied (bij kern A en B)

3,0 Ou

D. Woonkern met intensieve veehouderij

6,0 Ou

E. Zoekgebied + plangebied Maren-Kessel West en Liesdaal

6,0 Ou

F. Recreatiegebieden

8,0 Ou

G. Extensiveringsgebieden

8,0 Ou

H. Bedrijventerreinen

8,0 Ou

I. Bedrijventerrein Vorstengrafdonk

12,0 Ou

J. Verwevingsgebied

14,0 Ou

K. Landbouwontwikkelingsgebied

14,0 Ou

In het plangebied worden twee nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk gemaakt. De onder lid 1 van de Verordening geurhinder en veehouderij genoemde gebieden staan aangegeven op de bij de verordening behorende kaart ‘Geurnormen Verordening 2017’, zie hieronder een uitsnede van de kaart ter hoogte van het plangebied.

Binnenstraat ong. Herpen – 2022, pag. 50 van 68 Vastgesteld 8 februari 2022

Hieruit blijkt dat voor het plangebied een geurnorm van 2 Ou/E per M3 geldt. In mei 2017 heeft de Omgevingsdienst Brabant-Noord (Odbn) voor de gemeente Oss een kaart opgesteld waarin alle (agrarische) gecumuleerde geurbelasting is opgenomen voor de, op dat moment huidige situatie. De afbeelding hieronder betreft een uitsnede van die kaart ter hoogte van het plangebied.

Binnenstraat ong. Herpen – 2022, pag. 51 van 68 Vastgesteld 8 februari 2022

De afbeelding hieronder betreft een uitsnede van de voorloper van de kaart uit 2017, nl. de kaart ‘Beoordeling leefklimaat op basis van de indicatieve achtergrondbelasting uit 2012’.

Uit beide kaarten blijkt dat er in het plangebied sprake is van een goede situatie t.a.v. geurhinder van agrarische bedrijven. Hieruit kan worden afgeleid dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (m.b.t. geur). Gezien het plangebied in het bestaand stedelijk gebied is gelegen en geen veehouderijen in de nabijheid aanwezig zijn is geen sprake van veehouderijen waarvoor i.v.m. geurhinder een vaste afstand in acht moet worden genomen.

Binnenstraat ong. Herpen – 2022, pag. 52 van 68 Vastgesteld 8 februari 2022

Conclusie Geurhinder ten gevolge van veehouderijen vormen geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 5.6.5 Geur: industrieel Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: - als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; - als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; - de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing.

Rondom het plangebied zijn geen bedrijven gelegen waarvoor een in acht te nemen richtafstand geldt voor geurhinder vanuit die bedrijven ten opzichte van gevoelige functies zoals die in het plangebied worden ontwikkeld (‘Wonen’). Industriële geurhinder vormt daarom geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 5.6.6 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit.

Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBMproject is. Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan.

Binnenstraat ong. Herpen – 2022, pag. 53 van 68 Vastgesteld 8 februari 2022

Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit. Grenswaarden luchtkwaliteit Voor de meest voorkomende stoffen zijn de luchtkwaliteitsnormen als volgt:

Gekeken naar de voorspellingen voor deze stoffen met behulp van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) 8 blijkt dat (ruim) voldaan wordt aan deze grenswaarden. Uitsneden van de kaarten ter hoogte van het plangebied zijn hieronder opgenomen.

8 Bron: http://geodata.rivm.nl/gcn/

Binnenstraat ong. Herpen – 2022, pag. 54 van 68 Vastgesteld 8 februari 2022

Binnenstraat ong. Herpen – 2022, pag. 55 van 68 Vastgesteld 8 februari 2022

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; • woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; • kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Aangezien het hier een ruimtelijke ontwikkeling betreft die genoemd staat in de Regeling NIBM, een woningbouwlocatie met minder dan 1.500 woningen, kan geconcludeerd worden dat de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project NIBM is. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=3eaf6604-ff2a-4b4d-a976-ecf9c11ca2de