Bijlage 1D Bijlagen met toelichting BP Burgemeester van Erpstraat 58 Berghem - 2023 (2)
Tekst van het document
BESTEMMINGPSLAN Burg. van Erpstraat 58 Berghem - 2023 Bijlagen bij toelichting
Gemeente Oss | Raadhuislaan 2 | 5341 GM | Oss | T: 14 0412 | F: 0412 642605 | www.oss.nl |
Indexpagina bijlagen
Burgemeester van Erpstraat 58 Berghem - 2023 Bijlage 1
Inrichtingsschets
Bijlage 2
Haalbaarheidsonderzoek
Bijlage 3
Quickscan natuurtoets
Bijlage 4a
Archeologisch bureauonderzoek
Bijlage 4b
Selectiebesluit
Bijlage 5
Verkennend bodemonderzoek
Bijlage 6
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
Bijlage 7
Omgevingsdialoog
Besluit hogere grenswaarden Burgemeester van Erpstraat 58 Berghem Nota van zienswijzen en wijzigingen ontwerpbestemmingsplan Burgemeester van Erpstraat 58 Berghem - 2023
Bijlage 1
Inrichtingsschets
Burgemeester van Erpstraat
raat Burgemeester van Erpst PA3
PA2
PA1
P1
P2
2500
5000
P3
Woning 2
Woning 1
2
Woning 3
5578
4702
3
1 15890
4
114-B-2224
Woning 4
6786 114-B-6786
10
5
Woning 5
6785 114-B-6785 1500
1164
2501
P5
P4
P9
P8 P7
P6
3810
P10
114-B-3810
5130
2500
2500
2500
2500
2500
2500
7 parkeerplaatsen
Woning 6
Woning 8
Woning 7
Woning 10
Woning 9
6000
10 P12
P13
P15
P16
8 parkeerplaatsen 2500
2500
2500
2500
P17
P18
9
5130
P11
P14
2500
2500
7 2500
2500
8
6
4573
Achterpad 4698 4697 4696
114-B-4573
4574 114-B-4574
114-B-4698
114-B-4697
114-B-4696
4695
Wijziging A B C
114-B-4695
3973 3970 3969 3968
3971
Datum 24-10-2022 01-02-2023 06-04-2023
Omschrijving Bomen Divers Divers
Getekend Ha
114-B-3973
114-B-3971
114-B-3970
3974
114-B-3969
114-B-3974
3975
OPDRACHTGEVER:
114-B-3975
BVH projectontwikkeling bv De la Sallestraat 10 5384 NK Heesch
114-B-3968
3972 PROJEKT:
Ontwikkeling Burg. van Erpstraat Burgemeester van Erpstraat 58 5351 AX Berghem
Situatie PLANFASE:
Definitief ontwerp Situatie
Ariënscs
ARCHITECTEN & INGENIEURS
A Boterstraat 1a | 5341 GH | Oss T 0412-692031 E architecten@ariens-cs.nl W www.ariens-cs.nl
WERK
202112
DATUM
BLAD
D08 1:200
FORMAAT
SCHAAL
22-03-2022 420x700
GETEKEND
AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN CONFORM DE WET
Bijlage 2
Haalbaarheidsonderzoek
adres: Hobostraat 1E 5402 CB Uden T. 0413-269091 F. 0413-252513 E. info@amitec.nl I. www.amitec.nl IBAN NL90ABNA0408488735 K.v.K. nr. 16058413 Amitec bv is gecertificeerd Volgens ISO 9001:2015
datum: 20-4-2023 Kenmerk: 21.434-WRO.03 pagina: i
HAALBAARHEIDSTOETS (milieu-onderbouwing)
Project: Burgemeester van Erpstraat 58 Berghem – 2023
© Amitec BV, Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de uitgever.
datum: 20-4-2023 Kenmerk: 21.434-WRO.03 pagina: ii
ONDERZOEK voor
Locatie
: :
Burgemeester van Erpstraat 58 5351 AX Berghem
Auteur
:
ing. J.M.A. Clemens
datum: 20-4-2023 Kenmerk: 21.434-WRO.03 pagina: iii
Inhoudsopgave INLEIDING ........................................................................................................................................................ 1 1.1 1.2 1.3 2
ALGEMEEN ................................................................................................................................................ 1 AANLEIDING .............................................................................................................................................. 1 SITUATIE ................................................................................................................................................... 1
MILIEU-ASPECTEN .................................................................................................................................... 2 2.1 BODEM .................................................................................................................................................... 2 2.2 BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING .................................................................................................................... 3 2.3 WET GELUIDHINDER .................................................................................................................................... 4 2.4 WET LUCHTKWALITEIT ................................................................................................................................. 4 2.5 WET NATUURBESCHERMING ......................................................................................................................... 6 2.6 ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE .............................................................................................................. 7 2.6.1 Archeologie ....................................................................................................................................... 7 2.6.2 Cultuurhistorie ...................................................................................................................................
8 2.7 WATERHUISHOUDING.................................................................................................................................. 9 2.8 EXTERNE VEILIGHEID.................................................................................................................................. 11 2.9 GEURHINDER VEEHOUDERIJEN..................................................................................................................... 15 2.10 VOLKSGEZONDHEID................................................................................................................................... 16 2.11 OVERIGE ASPECTEN ................................................................................................................................... 16 2.12 MER-BEOORDELING .................................................................................................................................. 18
3
CONCLUSIE............................................................................................................................................. 19
BIJLAGEN: 1. Aeriusberekening
datum: 20-4-2023 Kenmerk: 21.434-WRO.03 pagina: 1
INLEIDING 1.1 Algemeen Voorliggend rapport betreft het toetsen van de milieuaspecten m.b.t. het realiseren van woningbouw aan de Burgemeester van Erpstraat 58 in Berghem. De gemeente Oss acht het plan in principe haalbaar en is bereid om mee te werken aan een ruimtelijke procedure, mits het niet op milieurelevante bezwaren stuit. De beoogde situatie van de locatie is weergegeven op de onderstaande afbeelding.
Afbeelding 1: situatie initiatief
(bron: PDOK)
1.2 Aanleiding De ontwikkeling van de locatie bestaat uit het realiseren van woningbouw aan de Burgemeester van Erpstraat 58 in Berghem. In de reactie van 6 juni 20211 geeft de gemeente Oss aan in principe bereid te zijn om mee te werken, waartoe een aantal voorwaarden zijn benoemd. De doelgroep en prijs moeten passend zijn (voorkeur: senioren, sociale huur, goedkope/middeldure koop) en het parkeren dient aan de achterzijde van de bebouwing te worden gesitueerd.
1.3 Situatie In de directe omgeving zijn voornamelijk woningen gelegen.
1 Brief, kenm VTH/ZKN 871357
datum: 20-4-2023 Kenmerk: 21.434-WRO.03 pagina: 2
2 MILIEU-ASPECTEN In dit hoofdstuk worden de milieuaspecten beschreven, die als haalbaarheidstoetsing fungeren. In de navolgende paragraven worden de relevante aspecten benoemd en omschreven, waaruit een conclusie zal worden samengesteld.
2.1 Bodem Algemeen Het bestemmingsplan dient een motivering over de bodemkwaliteit in relatie tot de beoogde bestemming(en) / gebruiksfunctie(s) te bevatten. De (milieuhygiënische) bodemkwaliteit in het plangebied moet geschikt zijn voor de gewenste bestemming(en). Er gelden daarbij andere eisen voor de gevoelige bestemming wonen dan bijvoorbeeld voor de minder gevoelige bestemmingen openbaar groen of infrastructuur zoals wegen. In het plan is in hoofdzaak sprake van de bestemming wonen. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Is er toch sprake van risico’s als gevolg van bodemverontreiniging, dan zullen er maatregelen nodig zijn om die risico’s weg te nemen. Deze maatregelen kunnen bestaan uit het saneren van de verontreiniging zodat de bodemkwaliteit geschikt gemaakt wordt of door te schuiven met de gebruiksfuncties zodat de verontreiniging geen belemmering meer vormt. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet zoals bij graafwerkzaamheden tijdens de realisatie / de inrichting van het plangebied. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. In geval maatregelen aan de orde zijn, dan speelt het kostenaspect een belangrijke rol. In het kader van het bestemmingsplan moet namelijk ook de economische uitvoerbaarheid aangetoond worden.
In sommige gevallen wegen de kosten voor sanering niet op tegen de opbrengsten. Mede daarom is het belangrijk om vroeg in het planproces eventuele kosten samenhangend met het aspect bodem in beeld te brengen. Bodemtoets De voorgenomen ontwikkeling omvat een bodemroerende activiteit omvat, waarvoor een verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd. In de onderstaande afbeelding is de locatie aangegeven.
Afbeelding 2 : uitsnede kaart
(bron: omgevingsrapportage)
datum: 20-4-2023 Kenmerk: 21.434-WRO.03 pagina: 3
Voor het initiatief is een verkennend bodemonderzoek (Van Oort, BES.320921 conform de NEN5740 uitgevoerd, welke separaat is bijgevoegd. De resultaten van dit onderzoek) geven geen aanleiding tot een vervolgonderzoek. Er zijn geen gehaltes gemeten tot boven de tussenwaarde (Tw). Op basis van het totaal aan onderzoeks-gegevens behoeft de bodemkwaliteit geen belemmering te vormen voor een herbestemming en het verlenen van een omgevingsvergunning voor nieuwbouw. Vanwege de aangetroffen lichte verontreinigingen dient bij grondverzet rekening te worden gehouden met mogelijke gebruiksbeperkingen bij hergebruik van de vrijkomende grond op een andere locatie. Na de sloop moet de kwaliteit van de bodem onder de bestaande gebouwen aanvullend worden onderzocht. Tevens dient aangetoond dat de aanwezige baksteenresten inderdaad baksteenresten zijn en niet mogelijk verdachte puinresten. Indien dit wel zo blijkt moet alsnog verkennend onderzoek naar asbest (NEN-5707) worden gedaan. Conclusie Samenvattend kan geconcludeerd worden dat de bodemkwaliteit (zowel grond als grondwater) in het plangebied geen (financiële) risico’s oplevert en een belemmering vormt voor het voorgenomen plan.
2.2 Bedrijven en milieuzonering In de handreiking Bedrijven en Milieuzonering (VNG, editie 2009, Sdu Uitgevers BV, Den Haag) zijn richtafstanden opgenomen voor diverse bedrijfstypering. Deze richtafstand hebben betrekking op de omgevingstypen ‘rustige woonwijk’ en ‘rustig buitengebied’, gebaseerd op gemiddeld moderne bedrijfsactiviteiten. Hierbij is de omgeving van de locatie aan te merken als ‘rustige woonwijk’. Milieuzonering zorgt voor een voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven en voorzieningen) en milieugevoelige functies (zoals woningen) in ruimtelijke plannen. Het doel hiervan is enerzijds in ruimtelijke plannen milieuhinder bij woningen (en andere gevoelige functies) te voorkomen, en anderzijds aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun bedrijfsactiviteiten. In de omgeving zijn verschillende aanwezig, waarvoor de richtwaarden uit tabel 1 van toepassing zijn. Het gaat om de volgende bedrijven: 1. Hoessenboslaan 4 (milieucategorie 2) 2. Burgemeester van Erpstraat 77 (paarden, schapen) 3. Harenseweg 8-14 (milieucategorie 2) Tabel 1: richtafstanden bij rustige woonwijk (in m)
nr
bestemming
Geur
Stof
Geluid
Gevaar
grootste afstand
werkelijke afstand*
1 2 3
Max. milieucategorie 2 Agrarisch, SBI 0413, 0145 Max. milieucategorie 2
50 -
30 -
30 -
0 -
30 50 30
142 m 110 m 183 m
* afstand randen bestemmingsvlak
Uit tabel 1 blijkt dat voor de planlocatie wordt voldaan wordt aan de richtafstanden.
datum: 20-4-2023 Kenmerk: 21.434-WRO.03 pagina: 4
2.3 Wet geluidhinder In het kader van goede ruimtelijke ordening moet bij ontwikkelingen in de omgeving van drukke doorgaande wegen een zorgvuldige afweging met betrekking tot wegverkeerslawaai worden gemaakt. Daarnaast dienen eveneens de onderdelen vliegverkeer- en industrielawaai beschouwd worden. Wegverkeer De noordelijk gelegen Burgemeester van Erpstraat betreft een 50-km zone en is een verbindingsweg, waar doorgaand verkeer overheen rijd. Voor het project wordt een onderzoek uitgevoerd naar de gevelbelasting (21.434-FB.w-4). Uit dit onderzoek is gebleken dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB bij de nieuwbouwwoningen ten gevolge van verkeer op de Burgemeester van Erpstraat overschreden wordt op bijna alle gevels van blok 1, blok 2 en blok 3. Alleen op de zuidgevels van blok 1, blok 2 en blok 3 wordt hieraan voldaan. De maximale geluidbelasting bedraagt 64 dB. De maximaal te ontheffen waarde van 63 dB wordt op de noordgevels van blok 1 (deels) en blok 2 (volledig) overschreden met ten hoogste 1 dB. De gemeente moet gevraagd worden om een procedure te starten voor het vaststellen van een hogere grenswaarde. Bij de vastgestelde geluidbelasting (excl. aftrek) van ten hoogste 69 dB wordt bij een minimale geluidwering van 36 dB voldaan aan de ten hoogste toegestaan binnenniveau van 33 dB. De noordgevels van blok 1 (deels) en 2 (volledig) moeten doof worden uitgevoerd.
Vliegverkeer De locatie ligt niet binnen de invloedsfeer een vliegveld en behoeft niet nader onderzocht te worden. Industrielawaai Het plangebied ligt niet binnen de richtafstanden / invloedsfeer van omliggende bedrijven.
2.4 Wet Luchtkwaliteit Van toepassing is de Wet luchtkwaliteit. Getoetst is of het project al ‘niet in betekenende mate’, bijdraagt aan de luchtkwaliteit, zoals gesteld in het Besluit ‘niet in betekenende mate’ (NIBM). Sinds 1 augustus 2009 is de Nationaal Samenwerking Luchtkwaliteit (NSL) van kracht. Hierin is opgenomen dat een project ‘niet in betekende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging als 3% van de jaargemiddeldegrenswaarde niet wordt overschreden. Voor de luchtkwaliteit maatgevende stoffen “fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2)”, komt dit overeen met een bijdrage aan de jaargemiddeldeconcentratie van 1,2 µg/m³. Voor ontwikkelingen die een NIBM-bijdrage leveren aan de concentratie luchtverontreinigende, stoffen vormt de Wet luchtkwaliteit geen belemmering. In de “Regeling niet in betekenende mate bijdragen ” wordt aangegeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwplan op de luchtkwaliteit onder het begrip 'niet in betekenende mate' valt. De bijlage geeft een duidelijke grens aan voor een aantal gevallen. Zo geldt bij één ontsluitingsweg het aantal van 1.500 nieuwe woningen netto (vervanging van bestaande woningen geldt als bijdrageneutraal) of 100.000 m² kantoren.
datum: 20-4-2023 Kenmerk: 21.434-WRO.03 pagina: 5
Met de nieuwe woningen zullen de verkeersbewegingen per dag beperkt toenemen. Het initiatief heeft hierdoor een NIBM-bijdrage, zoals in de onderstaand tabel te zien is. Uitgaande van 10 woningen en een verkeersaantrekkende werking van 6 bewegingen per woning/kavel, resulteert dit in totaal 60 voertuigbewegingen. Tabel 2: NIBM berekening
In het kader van het NSL is door diverse bronbeheerders zoals gemeenten, provincies en Rijkswaterstaat de Monitoringstool2 ingevoerd. Uit de resultaten van de Monitoringstool blijkt dat het dichtstbijzijnde meetpunt, 1,8 km ten westen van de locatie ligt. Op deze punten wordt voldaan aan bovengenoemde grenswaarden (jaargemiddelde en overschrijdingsdagen) voor PM2.5, PM10 en NO2. De volgende afbeeldingen geven de resultaten van de monitoringstool voor de stoffen PM2.5, PM10 en NO2 voor het jaar 2030 weer.
Afbeelding 3a : concentraties NO2 voor het jaar 2030
Afbeelding 3b : concentraties PM10 voor het jaar 2030
2 https://www.nsl-monitoring.nl/viewer/
datum: 20-4-2023 Kenmerk: 21.434-WRO.03 pagina: 6
Afbeelding 3c : concentraties PM2.5 voor het jaar 2030
De tien woningen hebben een beperkte verkeersaantrekkende werking tot gevolg, waardoor de luchtkwaliteit ter plaatse wordt beïnvloedt. Deze invloed is verwaarloosbaar. Conclusie Ter plaatse van de locatie is sprake van een lichte toename van verkeer, er heerst een goed woon/leefklimaat en vormt de luchtkwaliteit geen belemmering voor het initiatief.
2.5 Wet natuurbescherming gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en het Natuurnetwerk Brabant. Normaliter moet ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan met name om de stikstofdepositie. Conform de Wet natuurbescherming mag de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden niet toenemen. Er geldt dan ook een grenswaarde van 0,00 mol/hectare/jaar. De nieuwe woningen krijgen geen gasaansluiting en is de uitstoot van stikstofoxiden is daardoor sterk beperkt. Onderhavig planvoornemen ligt op circa 12,5 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied ‘Rijntakken’. Voor de ontwikkeling is een AERIUS berekening uitgevoerd (zie bijlage 1), voor de aanleg- en gebruiksfase. Hieruit blijkt dat de stikstofdepositie voor onderhavig project 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. soortenbescherming Ten behoeve van de bescherming van zeldzame of kwetsbare planten en dieren is sinds 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming van kracht, welke de flora en faunawet vervangt. Door Inventarium is een quickscan (kenm. QS5065) uitgevoerd voor de planlocatie.
Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. De opstallen op de planlocatie zijn vrij van kieren holten en spleten. Het betreft enkele stenen gebouwen zonder (open) stootvoegen en bedekt met goed sluitende kantpannen in een versteende omgeving. De kantpannen en de nokvorsten zijn dichtgemetseld en bieden geen
datum: 20-4-2023 Kenmerk: 21.434-WRO.03 pagina: 7
gelegenheid voor bijvoorbeeld gierzwaluw, vleermuis en huismus om zich toegang te verschaffen. De schuur betreft een golfplaten gebouw zonder potentie voor huismus, vleermuis en gierzwaluw vanwege het ontbreken van toegankelijke holten alsmede het ongunstige microklimaat. Conclusie Het aspect natuur vormt geen planologische belemmering voor het project.
2.6 Archeologie en cultuurhistorie In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de specifieke waarden van het plangebied.
2.6.1 Archeologie Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet (2016). In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden. Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is weergegeven in een archeologische beleidskaart. Op deze kaart is de archeologische verwachting van gebieden vertaald naar beleidscategorieën waarvoor een ondergrens onderzoeksplicht geldt. Zoals te zien in de volgende figuur (IKAW3), is de locatie vanuit de archeologische beleidskaart gelegen in een gebied met een middelhoge trefkans.
LOCATIE
Afbeelding 4 : uitsnede beleidskaart
(bron: gemeente Ossl)
bestemmingsplan ‘Berghem Dorp - 2015” is de locatie aangeduid als 'Waarde - Archeologie verwachtingswaarde middelhoog’, waarvoor een vergunningplicht geldt bij een oppervlakte van 1.000
datum: 20-4-2023 Kenmerk: 21.434-WRO.03 pagina: 8
m² of meer en dieper dan 0,3 m ten opzichte van het maaiveld. De gemeente heeft in haar beoordeling aangegeven dat een deel van het gebied binnen de historisch kern ligt, waar een ondergrens van 50m² geldt. Met de realisatie van de woningen wordt minder dan 1.000m², maar meer dan 50m², bebouwd. Onduidelijk is hoe (diep) de fundering uitgevoerd zal worden. Daarom dient na sloop van de huidige bebouwing, maar voor realisatie van de nieuwe woningen, een integraal inventariserend onderzoek uitgevoerd te worden. Door Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie uit Amersfoort is een Archeologisch vooronderzoek uitgevoerd, t.b.v. de ruimtelijke procedure. Dit onderzoek is bij het ruimtelijk plan gevoegd. Op basis van het voorgaande kan worden gesteld dat met de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen archeologische waarden worden geschaad.
2.6.2 Cultuurhistorie Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2009. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Verordening ruimte provincie NoordBrabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang
Afbeelding 5 uitsnede kaart erfgoedmonitor
(bron: cultureelerfgoed.nl)
Aan de zuidzijde van de Burgemeester van Erpstraat (nr 60) is een rijksmonument aanwezig dat omstreeks 1870, van oorsprong wellicht zeventiende-eeuwse woonhuis met koetshuis, grondig werd verbouwd en voorzien van een nieuwe voorgevel in sobere traditionele vormen. Het pand heeft een oudere kern en ook zijn veel van de oude bouwfragmenten hergebruikt. Het voormalige koetshuis aan de rechter zijde is in 1978 grotendeels gesloopt en valt buiten de van rijkswege geldende
datum: 20-4-2023 Kenmerk: 21.434-WRO.03 pagina: 9
bescherming. Dit geldt ook voor de vierkante éénlaags aanbouw aan de achterzijde en de vrijstaande grote schuur aan de achterzijde van het erf. De ontwikkeling van de woning zorgt voor meer openheid en afstand tot aan het naastgelegen rijksmonument, waardoor geen inbreuk op de cultuurhistorische waarde plaatsvindt. Door het parkeren achter op het perceel te situeren, wordt geen inbreuk gemaakt op het historisch bebouwingslint. Verder is met de invulling van de woningen, als een Conclusie: Het initiatief leidt niet tot beïnvloeding van cultuurhistorische waarden.
2.7 Waterhuishouding Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1.
Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem.
2.
Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch).
3.
Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol.
Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: •
schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt;
•
de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen;
•
de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is;
•
de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen.
Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.
datum: 20-4-2023 Kenmerk: 21.434-WRO.03 pagina: 10
Hemelwater Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van Waterschap Aa en Maas. Door het waterschap is een aantal principes opgesteld, waaraan ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst. Per 26 maart 2021 geldt de Derde partiële herziening van de Keur 3. De gemeente Oss heeft de voorkeur voor alleen een DWA stelsel. Uitgangspunt hierbij is dat het afstromend regenwater (verharding en bebouwing) ter plaatse wordt verwerkt. Het plangebied is aan de Maas gelegen, de freatische grondwaterstand in het plangebied wordt beïnvloed door het peil van de Maas. De Maas is in dit gebied ongestuwd. Tijdens hoogwaterafvoeren van de Maas stijgt ook de grondwaterstand. De stijging van de grondwaterstand is afhankelijk van het waterpeil en de duur van de hoogwatergolf. Het grondwater reageert met enige vertraging op het stijgen en dalen van het waterpeil in de Maas. Het project omvat verdere verharding van het plangebied en is nog niet definitieve invulling van de terreininrichting (verharding) bekend. In de volgende tabel is vergelijk gemaakt van de huidige en toekomstige situatie, waarbij de situatietekening (werk. 202029-V01, 19-03-2021) is gehanteerd. Tabel 3 : overzicht
Omschrijving Bebouwing Verharding (globaal) Onverhard Totaal
Bestaand 1204 m² 885 m² 0 m² 2.089 m²
Toekomstig 516 m² 610 m² 963 m² 2.089 m²
Met de realisatie van de nieuwe woningen, neemt het verhard oppervlak met ca. 960 m² af. De eenvoudige rekenregel uit de Algemene regel (Artikel 15 Afvoer hemelwater door verhard oppervlak), behorend bij de keuren van de drie Brabantse waterschappen, is alleen van toepassing indien een toename van het verhard oppervlak tussen 500 m2 en maximaal 10.000 m2 aanwezig is. Nu dit niet het geval is, wordt door de gemeente Oss de eis gehanteerd om minimaal 10mm van het aangesloten verhard (dak) oppervlak te bergen op eigen terrein (ongeacht het type verharding). De benodigde compensatie voor de toename komt hierdoor op (1126x0,01) 11,26 m³. Ten behoeve van de aanvraag omgevingsvergunning, activiteit bouwen, zal een definitieve systeemkeuze en berekening overlegd dienen te worden. Binnen het plangebied zijn verschillende groengebieden beschikbaar om 20-30 cm verlaagd aan te leggen. In de volgende afbeelding zijn deze gebieden geel gemarkeerd. Hierdoor worden ‘wadi’s’ gecreëerd waar hemelwater opgevangen kan worden voor infiltratie. Vanuit het oogpunt van klimaatadaptie is een sedumdak op de bergingen (plat- of licht hellend dak) gewenst en kunnen ook de parkeerplaatsen groen uitgevoerd worden, door toepassing van grastegels of gelijkwaardige oplossingen.
Bij de uitwerking van de omgevingsaanvraag zal het definitief verhard oppervlakte berekend moeten worden en zal in een rioleringstekening de uitwerking van het bovenstaande moeten worden weergegeven.
3 Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater
datum: 20-4-2023 Kenmerk: 21.434-WRO.03 pagina: 11
Afbeelding 6: groengebieden, lager aan te leggen
Legger In de nabijheid van het plangebied is geen watergang gelegen. Ten noorden van de locatie, op een afstand van ca. 90 m, is de dichtstbijzijnde primaire watergang (code: 1045250) aanwezig. Afvalwater In de openbare weg ten noorden van het plangebied ligt het gemeentelijk rioolstelsel. Het afvalwater wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI). De nieuwe woningen zullen hierop aangesloten moeten worden middels bestaande en nieuwe uitleggers. Ten behoeve van de aanvraag omgevingsvergunning, activiteit bouwen dient de afvalwaterriolering en locatie van aansluiting op het gemeentelijk riool duidelijk aangegeven te worden. Binnen het plangebied is voldoende ruimte om middels verzamelleiding te realiseren, die op het gemeentelijk riool wordt aangesloten. De exacte loop en afmeting hiervan, dient in een rioleringstekening te worden vastgelegd bij de uitwerking van de omgevingsaanvraag. Conclusie De waterhuishouding vormt geen belemmering voor het initiatief.
2.8 Externe veiligheid Wet- en regelgeving Externe veiligheid gaat over het beheersen van risico's die mensen lopen door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen van personen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. Risicobronnen kunnen onderscheiden worden in risicovolle inrichtingen (onder andere LPG-tankstations), vervoer van
datum: 20-4-2023 Kenmerk: 21.434-WRO.03 pagina: 12
gevaarlijke stoffen (via wegen, spoorwegen, vaarwegen) en buisleidingen (onder andere aardgas en brandbare vloeistoffen). De wet- en regelgeving ten aanzien van externe veiligheid is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), de Structuurvisie buisleidingen, het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling basisnet. Voorts dient in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ (art. 3.1 Wro) ook getoetst te worden aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit en effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’. Om voldoende ruimte te scheppen tussen risicobronnen en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans dat een persoon die (onafgebroken en onbeschermd) op een bepaalde plaats aanwezig is, overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit.
Het GR bestaat uit de cumulatieve kans per jaar dat een groep van een bepaalde omvang overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit Risiconormering Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen, welke hieronder verder worden beschreven: Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.
Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron
Wanneer Groepsverantwoording?
datum: 20-4-2023 Kenmerk: 21.434-WRO.03 pagina: 13
Inrichtingen (bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoorwegen, wegen en waterwegen (Bevt)
Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen.4 Altijd wanneer binnen 200 meter afstand van de transportroute een ruimtelijk besluit wordt genomen.5
Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico', dat overblijft nadat de benodigde veiligheid verhogende maatregelen genomen zijn. Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Oss Een belangrijke reden voor de gemeente Oss om een integrale visie op externe veiligheid te formuleren is de door landelijke wetgeving opgelegde plicht tot het expliciet verantwoorden van veranderingen in de voor inwoners aanwezige risico’s. In de gemeente Oss heeft vrijwel iedere ruimtelijke verandering invloed op de aanwezige risico’s, zodat er bij vrijwel ieder ruimtelijk besluit aan deze plicht moet worden voldaan. Met de beleidsvisie externe veiligheid Oss6 kan de invulling van deze verantwoording worden gestroomlijnd en ad-hoc besluiten kunnen worden vermeden. De verantwoording is verder in deze paragraaf opgenomen, met betrekking tot de aanwezige risicobronnen. Beschouwing risicobronnen In de volgende afbeelding is een uitsnede opgenomen uit de risicokaart, waarin de ligging van het plangebied is aangeduid.
Figuur 7 : uitsnede risicokaart Nederland
Inrichtingen De planlocatie is niet gelegen binnen risicocontouren van risicobronnen. De westelijk gelegen LPG tankstation ligt op een afstand van >600 m. Transportroutes 4 Bij buisleidingen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de
oriëntatiewaarde of 2) de toename minder is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of 3) personen zich buiten de 100%letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. 5 Bij transportroutes kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of 2) het groepsrisico met niet meer dan 10%toeneemt en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. 6 Beleidsvisie externe veiligheid Oss - maart 2011, revisie 6.4
datum: 20-4-2023 Kenmerk: 21.434-WRO.03 pagina: 14
Ten zuiden van het plangebied (ca. 440 m) is een spoorweg7 gelegen, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Gezien de ligging van het plangebied (> 300 meter van het spoor, zone IV) wordt alleen rekening gehouden met de effecten van een toxische gaswolk. Volgens de Beleidsvisie externe veiligheid Oss dient kan hiervoor bij de standaardverantwoording worden aangehaakt. Buisleidingen Er zijn geen buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen met een risicocontour aanwezig, die van invloed is op het plangebied. Verantwoording groepsrisico Zoals hierboven benoemd zal voor een standaardverantwoording groepsrisico aandacht worden besteed aan transport van gevaarlijke stoffen over het spoor. De onderdelen van de verantwoording groepsrisico vindt u hieronder. Het aantal aanwezige en te verwachten personen in het invloedgebied In de nieuwe situatie zal dit toenemen van 10 gezinnen (ca. 20-25 personen), wat vergelijkbaar is ten opzichte van de huidige sportschool. Alleen de perioden van de dag zal anders ingevuld zijn. Het groepsrisico verandert niet significant. De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van de ramp Voor dit onderdeel en het onderdeel zelfredzaamheid is advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Brabant Noord. De bestrijdbaarheid dient op twee aspecten te worden beoordeeld: 1.
Is het rampscenario te bestrijden? 2. Is de omgeving voldoende ingericht om bestrijding te faciliteren? 1. Is het rampscenario te bestrijden? Gezien de afstand van het plangebied tot het spoor (ca. 440 meter) is hiervoor het vrijkomen van een toxische wolk het maatgevende scenario. Bij (zeer) toxische vloeistoffen is het scenario dat ten gevolge van een ongeval de tankwagen lek raakt en een vloeistofplas vormt. Vervolgens verdampen deze toxische vloeistoffen waardoor een gaswolk ontstaat (met dezelfde gevolgen als een gaswolk van toxisch gas). Het scenario toxische wolk kan doorgaans bestreden worden door de gaswolk neer te slaan middels een waterscherm. In de omgeving van de locatie van de calamiteit is hiervoor echter onvoldoende bluswater aanwezig. De bestrijdbaarheid van dit scenario is dan ook matig te noemen. 2. Is de omgeving van het rampgebied voldoend ingericht om bestrijding te faciliteren? Het optreden van de brandweer zal zich in eerste instantie beperken tot het evacueren van mensen en het afzetten van het gevarengebied. Daarna zal worden overgegaan tot het beperken van de omvang van de calamiteit. Het rampgebied is vanaf meerdere zijden door de hulpdiensten te bereiken. In de directe omgeving van het rampgebied is echter voldoende bluswatervoorziening aanwezig.
7 basisnet_spoor_trajecten.529
datum: 20-4-2023 Kenmerk: 21.434-WRO.03 pagina: 15
De mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote calamiteiten bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting en zijn afhankelijk van het maatgevende scenario. De mogelijkheden t.a.v. zelfredzaamheid zijn goed. Er zijn geen aanwijzingen dat een groep niet of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied aanwezig (zullen) zijn. De aanwezigen zijn naar verwachting voldoende mobiel om zelfstandig te kunnen vluchten. Het aantal mensen in het plangebied is zeer beperkt. Behalve de vraag of zelfredzaamheid mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredzaamheid optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang dat het plangebied: 1. goed te alarmeren is; 2. goed te ontvluchten is; 3. goed te schuilen is. 1. Alarmering: Over het algemeen is in de gemeente Oss de WAS‐dekking op orde in de bebouwde kommen (zone III). Daarnaast kan in geval van een calamiteit NL-alert in worden gezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon.
Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. 2. Vluchtmogelijkheden: Binnen het plangebied zijn voldoende vluchtwegen van de risicobronnen af. 3. Schuilen: Bij een toxische wolk is schuilen het beste handelingsperspectief. Nieuwbouw van gebouwen is als gevolg van de eisen in het Bouwbesluit doorgaans goed geïsoleerd en beschikt over een uitschakelbare mechanische ventilatie. Het schuilen kan hierdoor effectief plaatsvinden. Conclusie Het groepsrisico is beperkt verantwoord en wordt aanvaardbaar geacht. De volgende overwegingen spelen daarbij een rol: • Het groepsrisico ter plaatse neemt door het plan slechts marginaal toe; • Binnen het plangebied zijn alleen zelfredzame personen aanwezig. Er zijn derhalve geen belemmeringen ten aanzien van het aspect externe veiligheid voor het plan.
2.9 Geurhinder veehouderijen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met milieuhinder van bedrijven in de directe omgeving van het plangebied. In het bestemmingsplan zijn geen 'nieuwe' agrarische activiteiten mogelijk. Wel worden met het plan nieuwe geurgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Het wettelijk kader voor de beoordeling van geurhinder vanwege veehouderijen bestaat uit de Wet geurhinder en veehouderij, de gemeentelijk verordening geurhinder en veehouderij 2016 en de beleidsregel geur en ruimtelijke plannen 2016. Het plan mag niet leiden tot een onevenredige
datum: 20-4-2023 Kenmerk: 21.434-WRO.03 pagina: 16
belemmering van veehouderijen in de omgeving en het woon- en leefklimaat moet aanvaardbaar zijn. In de geurverordening heeft de gemeente Oss, is voor de bebouwde kom van Berghem een norm van 2 ouE/m³ opgenomen (zie afbeelding 7). De nieuwe woningen brengen hier geen wijziging in en beperken de aanwezige veehouderijen niet.
Afbeelding 8: Kaart Geurnormen Verordening 2017
(bron: gemeente Oss)
Conclusie Vanuit het deelaspect geurhinder zijn geen belemmeringen aanwezig voor het initiatief.
2.10 Volksgezondheid De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen kunnen stuk voor stuk worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan hoeft, gezien de ligging in de bebouwde kom, niet plaats te vinden. De belangrijkste onderdelen uit het stappenplan worden hierna beschreven en getoetst.
Endotoxinetoetsingskader Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’8 kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Het plangebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. De dichtstbijzijnde intensieve veehouderij (Valendonkstraat 12) ligt op ca. 650 m afstand, ten noordwesten van de locatie. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico en endotoxine vormt geen belemmering voor het project. Geitenhouderijen Uit het aanvullende VGO rapport blijkt dat gemiddeld over de onderzoeksjaren 2009 - 2013 een 29% verhoogde kans op longontsteking bestaat voor mensen die rondom een geitenhouderij wonen, tot een afstand van 1,5 – 2 km. Het provinciaal verbod op het uitbreiden van het bestaand oppervlakte dierenverblijf (staloppervlak) voor geiten dient te voorkomen dat (nieuwe of grotere) knelpunten 8 Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid, d.d. 25-11-2016
datum: 20-4-2023 Kenmerk: 21.434-WRO.03 pagina: 17
ontstaan vanwege de volksgezondheid rond geitenhouderijen, die later met veel inspanning en kosten moeten worden weggenomen. Beoordeling geitenhouderijen Het VGO-onderzoek is uitgevoerd voor geitenhouderijen met meer dan 50 geiten op het bedrijf. Binnen de 2 kilometer van de planlocatie is één geitenhouderij (Harenseweg 44) aanwezig. Deze ligt op ca 1,25 km ten noorden van de planlocatie, zoals in afbeelding 8 is weergegeven.
Afbeelding 9: fragment overzicht geitenhouderijen (met 2 km-zones)
(bron: ruimtelijke plannen)
De gemeente Oss heeft op 5 maart 2020 het ‘Parapluplan Geitenhouderijen 2019’ vastgesteld, waarin de uitbreiding van de geitenhouderij is verboden. De ontwikkeling is gericht op zelfredzame groepen en niet actief op kwetsbare groepen. Mede gezien de afstand tot het spoor en door de nieuwe bewoners te informeren, bestaat er geen aanleiding om niet uit te gaan van een aanvaardbaar gezondheidsrisico.
2.11 Overige aspecten Spuitzone In de directe nabijheid van de op te richten woningen is geen sprake van bomenteelt of hiermee te vergelijken activiteiten. Er is voor het plan geen sprake van een aanwezige spuitzone. Hoogspanningslijnen In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen hoogspanningslijnen. Gezien de afstand van de hoogspanningsleidingen tot het plangebied (ca. 1,9 km), heeft dit geen invloed op de ontwikkeling en leidt dit niet tot een belemmering. Conclusie: Er is geen sprake van een belemmering voor de ontwikkeling c.q. schade voor de volksgezondheid van de toekomstige bewoners op dit aspect.
datum: 20-4-2023 Kenmerk: 21.434-WRO.03 pagina: 18
2.12 Mer-beoordeling Mer-beoordeling De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject is een activiteit als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). De realisatie van 10 woningen is een stedelijke ontwikkeling, maar niet in de zin van het Besluit m.e.r. Uit jurisprudentie blijkt namelijk dat het antwoord op de vraag of sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. afhangt van de concrete omstandigheden van het geval (ABRvS 11 maart 2020, uitspraak 201901464/1/R1). Daarbij spelen onder meer aspecten als de aard en omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol. Uit eerdere jurisprudentie (ABRvS 27 mei 2015, uitspraak 201404713/1/R3) blijkt dat voor nieuwvestiging van 95 woningen geen m.e.r.-beoordeling nodig is
datum: 20-4-2023 Kenmerk: 21.434-WRO.03 pagina: 19
3 Conclusie Uit de toetsing van de verschillende milieuaspecten, met betrekking tot het realiseren van tien woningen, blijkt dat milieutechnisch oogpunt geen belemmeringen te verwachten zijn.
datum: 20-4-2023 Kenmerk: 21.434-WRO.03 Bijlage - 1 -
BIJLAGE 1 Aeriusberekening
NOTITIE
BURGEMEESTER VAN ERPSTRAAT 58, BERGHEM datum: project: onderwerp: referentie:
6 oktober 2023 23.903Aerius-berekening 23.903-001A (Aerius)
Aanleiding De initiatiefnemer van het perceel gelegen aan de Burgemeester van Erpstraat 58 te Berghem wenst tien woningen te realiseren. Getoetst zal worden of de werkzaamheden een significant negatief effect hebben op stikstofgevoelige habitatten in nabijgelegen Natura-2000 gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied is de Rijntakken, ten noorden van Boven-leeuwen, dat op circa 12,7 km van de planlocatie is gelegen. In afbeelding 1 is de situatie en ligging van de locatie weergegeven.
Afbeelding 1: Geografische ligging project
(Bron: PDOK)
1
Achtergrondinformatie Wettelijk kader en berekeningsmethodiek Natura 2000-gebieden Ingevolge artikel 2.1 van de Wet natuurbescherming zijn er Natura 2000-gebieden aangewezen ter uitvoering van Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn. Dit impliceert dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor deze gebieden en dat negatieve gevolgen zo veel mogelijk beperkt dienen te worden. Voor de habitattypen en leefgebieden waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden in Natura 2000-gebieden zijn kritische depositiewaarden (KDW) voor stikstofdepositie vastgesteld. Met de KDW wordt bedoeld: de grens waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Plannen zoals het in dit rapport genoemde project kunnen door stikstofemissie effect hebben op habitattypen binnen omliggende Natura 2000-gebieden en gelet op de instandhoudingsdoelstelling van een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soort verslechteren. Gezien het gegeven dat stikstofemissie, in de vorm van stikstofoxiden (NOx) of ammoniak (NH3), kan plaatsvinden bij onder andere landbouw, gemotoriseerd verkeer, industrie en ook bij de verwarming van huizen, is het wettelijk vereist deze emissie in beeld te brengen. Het voorliggende rapport voldoet aan deze vereiste.
In de onderstaande afbeelding is de ligging van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied weergegeven.
Afbeelding 2: overzicht Natura 2000-gebieden
(Bron: Aerius Calculator)
2
Het betreft de volgende dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden met de bijbehorende afstanden tot de ontwikkellocatie: - Rijntakken
circa 12,7 kilometer
Overige Natura 2000-gebieden zijn op grotere afstand van het plangebied gelegen. De opgesomde en grafisch weergegeven Natura 2000-gebieden zijn niet per definitie gelijk aan de Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen, maar geven slechts een overzicht van de ligging van het plan ten opzichte van nabijgelegen Natura 2000-gebieden. In voorgaande figuur wordt de locatie van het plan inzichtelijk gemaakt en tevens worden de mogelijk aanwezige stikstofgevoelige habitattypen weergegeven, van zeer gevoelig (donker paars), gevoelig (licht paars) tot minder/niet gevoelig (licht groen).
Berekeningsmethodiek De berekeningen naar de stikstofdepositiebijdrage vanwege de gebruiksfase van het plan/project worden uitgevoerd met het programma Aerius Calculator 2023. Hierbij dient inzichtelijk te worden gemaakt of sprake is van een toename van de stikstofdepositie op reeds overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. De gehanteerde ‘grenswaarde’ voor de stikstofdepositie bedraagt 0,00 mol/hal/j. In het kader van een stikstofonderzoek kunnen significant negatieve effecten met deze waarde worden uitgesloten, waardoor het uitvoeren van vervolgonderzoeken niet aan de orde is en het aspect stikstofdepositie geen belemmering vormt voor de realisatie van een plan of project. Een hogere waarde wordt beschouwd als overschrijding zodat er op verzoek van het bevoegd gezag een nadere beschouwing conform wettelijke kaders dient plaats te vinden. Blijkens jurisprudentie kan daarbij nader onderzoek achterwege blijven wanneer stikstofdepositie plaatsvindt op hexagonen die niet overbelast of naderend overbelast zijn. Immers, op deze hexagonen leidt een stikstofdepositie niet tot een overschrijding of naderende overschrijding van de kritische depositiewaarde. Dit betekent per definitie dat stikstofdepositie daar geen probleem vormt voor de gunstige staat van instandhouding van de aanwezige habitats en dat significante gevolgen in zoverre zijn uitgesloten.
Uit het navolgende hoofdstuk zal moeten blijken of op basis van de rekenresultaten een overschrijding op overbelaste hexagonen wordt geconstateerd.
3
Aanlegfase Voor de realisatie van de woningen dienen sloop-, graaf- en bouwwerkzaamheden te worden uitgevoerd, welke de stikstofdepositie bevorderen. De Raad van State heeft op 2 november 20221 een streep gehaald door het onderdeel van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) en het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn). Het onderdeel waarin een gedeeltelijke vrijstelling mogelijk is gemaakt van de natuurvergunningplicht voor het aspect stikstof voor activiteiten van de bouwsector 2 is niet geaccepteerd. In tabel 1 is een overzicht gemaakt van stikstofrelevante activiteiten met betrekking tot de eerder genoemde werkzaamheden. Verwacht wordt dat de aanlegfase circa 1 jaar in beslag neemt. Voor de mobiele werktuigen wordt gehanteerd dat deze een AdBlue toevoeging hebben van 5%. Tabel 1: Mobiele werktuigen aanlegfase
Emissie bron
Vermogen (kW)
Leeftijd
Draaiuren
Verbruik (l/j)
Graafmachine
75-560
Stage IV
120
2400
Betonpomp
75-560
Stage IV
40
800
Mobiele hijskraan
75-560
Stage IV
40
800
Shovel
75-560
Stage IV
100
2000
Sloopkraan
75-560
Stage IV
40
800
Wals
75-560
Stage IV
20
400
Verkeersaantrekkende werking Gemiddeld zal 1 keer per week een vrachtwagen bouwmateriaal leveren en/of bouwafval afvoeren. Dagelijks komen gemiddeld 5 bestelbusjes en 3 personenauto’s op locatie. Gezien de ligging van de locatie is er sprake van filevorming in de vorm van stagnerend stadsverkeer. Tijdens het laden en/of lossen zal voorkomen dat voertuigen stationair draaien. Resultaat aanlegfase Met bovengenoemde uitgangspunten is een berekening gemaakt in de Aerius-calculator. Uit deze berekening blijkt dat de aanlegfase geen significant negatief effect veroorzaakt op de stikstofgevoelige habitatten in de nabijgelegen Natura-2000 gebieden. De berekening is opgenomen in bijlage 1.
1
Raad van State ECLI:NL:RVS:2022:3159
2
https://www.aanpakstikstof.nl/actueel/nieuws/2021/06/18/stikstofwet-gaat-in-per-1-juli-2021
4
Gebruiksfase Alle tien de nieuwe woningen zullen gasloos worden gerealiseerd, waarbij de hoofdverwarming geschiedt middels een warmtepomp, er elektrisch wordt gekookt en water wordt verwarmd middels een elektrische boiler. Dit houdt in dat er geen NOx-emissie wordt meegenomen met betrekking tot hoofdverwarming, koken en warmwater. Daarnaast wordt wel rekening gehouden met NOx-emissie ten gevolgen van met name sfeerverwarming en NH3-emissie door bewoning (mens en dier) 3. In tabel 2 is een overzicht weergegeven met emissiefactoren behorende bij het gebruik van de woning. Tabel 2: Emissiefactoren wonen
Emissieoorzaak
Emissie per jaar
Hoofdverwarming/ koken/ warmwater
0 kg NOx
Sfeerverwarming
0,44 kg NOx per woning
Bewoning
*0,61 kg NH3 /pp.
*Volgens het CBS4 bestond in 2021 de stikstofemissie naar de lucht voor 122 miljoen kilo uit ammoniak (NH3), waarvan 8,6% afkomstig was van particulieren huishoudens. Het CBS stelt ook dat er aan het begin van 2022, 8,1 miljoen particuliere huishoudens waren met een gemiddelde van 2,13 bewoners5. Uit bovenstaande gegevens kan worden berekend dat de gemiddelde uitstoot per persoon 0,61 kg NH3 per jaar bedraagt. Het project realiseert zeven tweepersoons woningen en drie gezinswoningen (4 personen). In de berekening wordt uitgegaan van totaal 26 bewoners. Verkeersaantrekkende werking Uitgaande van een verkeersaantrekkende werking van 6 bewegingen per woning/kavel, resulteert dit in een totaal van 60 voertuigbewegingen. Deze voertuigbewegingen kunnen zich in twee richtingen over de Burgemeester van Erpstraat spreiden. Uitgegaan wordt van een gelijke verdeling over beide richtingen. Ook hier word rekening gehouden met filevorming in de vorm van stagnerend stadsverkeer. Resultaat gebruiksfase Met bovengenoemde uitgangspunten is een berekening gemaakt in de Aerius-calculator. Uit deze berekening blijkt dat er in de gebruiksfase geen sprake is van significant negatieve effecten op stikstofgevoelige habitatten in nabijgelegen Natura-2000 gebieden. De berekening is opgenomen in bijlage 2.
3
https://www.rivm.nl/sites/default/files/2019-11/Stikstof%20%20Methode%20inschatting%20depositie%20woningbouwprojecten.pdf 4 5
CBS, stikstofemissies naar de lucht. CBS, Huishoudens nu.
5
Bijlage 1 Aanlegfase
6
Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.
Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via:
www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers
Projectberekening
Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie
Activiteit
Omschrijving Toelichting
Berekening
Burgemeester van Erpstraat 58, 5351 AX Berghem 23.903 Aanlegfase (sloop + bouw)
AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie
RTN3B8hzpmM1 06 oktober 2023, 09:56 Wnb-rekengrid
Totale emissie
Rekenjaar
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
Resultaten
Hoogste bijdrage
Hexagon
Gebied
Situatie 1 - Beoogd Situatie 1 - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename Grootste afname
RTN3B8hzpmM1 (06 oktober 2023)
2024 -
1,8 kg/j
78,8 kg/j
2/7
Projectberekening
Situatie 1 (Beoogd), rekenjaar 2024 Emissiebronnen 1
Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning | Bron 1 Verkeersnetwerk
RTN3B8hzpmM1 (06 oktober 2023)
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
1,7 kg/j 0,1 kg/j
73,8 kg/j 5,0 kg/j
3/7
Projectberekening
Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald
Grootste toename (projectberekening) Grootste afname (projectberekening) Hoogste totaal (achtergrond + projectberekening)
De letters bij de bronlabels op de kaart geven bij welke type situaties de bronnen horen: beoogde situatie (B), referentiesituatie (R) en/of salderingssituatie (S). RTN3B8hzpmM1 (06 oktober 2023)
4/7
Projectberekening
Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Situatie 1" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Berekend (ha gekarteerd)
Totaal
RTN3B8hzpmM1 (06 oktober 2023)
-
Hoogste totale Met toename Grootste depositie (mol (ha gekarteerd) toename (mol N/ha/jr) N/ha/jr)
-
-
-
Met afname (ha Grootste afname gekarteerd) (mol N/ha/jr)
-
-
5/7
Projectberekening
Situatie 1, Rekenjaar 2024 1
Naam Locatie
Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning Bron 1 X:168239,22 Y:420756,59
NOₓ NH₃
Naam
Stageklasse
Graafmachine
Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja
Betonpomp
73,8 kg/j 1,7 kg/j
Brandstofverbruik
Draaiuren AdBlue verbruik
Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja
800 l/j
40 u/j
Shovel
Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja
2000 l/j
100 u/j 100 l/j
Sloopkraan
Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja
800 l/j
40 u/j
40 l/j
NH₃ 0,2 kg/j NOₓ 20,5 kg/j NH₃ 0,5 kg/j NOₓ 8,2 kg/j
Wals
Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja
400 l/j
20 u/j
20 l/j
NH₃ 0,2 kg/j NOₓ 4,1 kg/j
Mobiele hijskraan
Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja
800 l/j
40 u/j
40 l/j
NH₃ 96,0 g/j NOₓ 8,2 kg/j
2
2400 l/j
Wegverkeer | Weg
Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte t.o.v. maaiveld Verkeer
Bron 2 X:168062,86 Y:420787,29 404,66 m Binnen bebouwde kom (doorstromend) Beide richtingen 1 Normaal 0m
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer
RTN3B8hzpmM1 (06 oktober 2023)
Max. snelheid
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
120 u/j 120 l/j 40 l/j
Stof Emissie
NOₓ
24,6 kg/j NH₃ 0,6 kg/j NOₓ 8,2 kg/j
NH₃ 0,2 kg/j Links Rechts NOₓ 3,8 kg/j Type scherm - - NO₂ 0,9 kg/j Hoogte - - NH₃ 97,0 g/j Afstand tot de weg - -
Aantal voertuigbewegingen
2.190,0 /jaar 3.650,0 /jaar 104,0 /jaar 0,0 /jaar
In file
5,0 % 5,0 % 10,0 % 0,0 %
6/7
Projectberekening
3
Wegverkeer | Weg
Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte t.o.v. maaiveld Verkeer
Stationair draaiend verkeer X:168232,18 Y:420760 52,47 m Binnen bebouwde kom (doorstromend) Beide richtingen 1 Normaal 0m
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer
Max. snelheid
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
Links Rechts NOₓ 1,2 kg/j Type scherm - - NO₂ 0,3 kg/j Hoogte - - NH₃ 13,1 g/j Afstand tot de weg - -
Aantal voertuigbewegingen
2.190,0 /jaar 3.650,0 /jaar 104,0 /jaar 0,0 /jaar
In file
100,0 % 100,0 % 100,0 % 0,0 %
Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van AERIUS versie 2023_20231004_fd8d865135 Database versie 2023_fd8d865135_calculator_nl_stable Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/
RTN3B8hzpmM1 (06 oktober 2023)
7/7
Bijlage 2 Gebruiksfase
7
Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.