CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1D Bijlagen bij toelichting Langwijkstraat 27 Lithoijen

Gemeenteraad 11 april 2024, gemeente OssBij agendapunt: A Vaststelling bestemmingsplannen 'Langwijkstraat 27 Lithoijen - 2023' en 'Molenstraat 30 Geffen – 2023’21.561 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Lithoijen Langwijkstraat tussen 25-29

21 2.

Complextype

Er moet rekening gehouden worden met archeologische resten uit de periode van jager-verzamelaars, landbouwsamenlevingen en staatssamenlevingen gerelateerd aan bewoning, economie, infrastructuur, rituelen en begravingen. 3.

Omvang

Archeologische resten gerelateerd aan bewoning uit de periode van de jagerverzamelaars worden beschouwd als vlakelementen met kleine tot zeer kleine omvang. Resten gerelateerd aan landbouwsamenlevingen en staatssamenlevingen kunnen worden beschouwd als vlakelementen met variabele omvang (klein tot groot). Sommige complextypen kunnen zich ook als puntelementen manifesteren (begravingen, depots) of als lijnelementen (wegen, watergangen, percelering). 4.

Diepteligging

De top van het laagterras (Paleolithicum tot en met Neolithicum) ligt waarschijnlijk tussen 0 en -2 m NAP (5 tot 7 m-mv). De top van de zandige beddingafzettingen van de Lith beddinggordel (Bronstijd, IJzertijd, Romeinse tijd) ligt tussen 3,5 en 2,5 m NAP. De oeverafzettingen waarin archeologische resten kunnen liggen, liggen hierop. Als we rekening houden met een pakket oeverafzettingen van ongeveer één meter dik, dan ligt de top hiervan tussen 4,5 en 2,5 m NAP (1,5 tot 2,5 m-mv). Archeologische resten in de oever/crevasseafzettingen van de Maas (Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen) en archeologische resten gerelateerd aan de historische kern van Lithoijen liggen in het afdekkende pakket. De diepteligging van deze niveaus is niet nauwkeurig te bepalen met de beschikbare gegevens. Grofweg liggen deze niveaus onder de bouwvoor en circa 2,5 m-mv. 5.

Gaafheid en conservering (fysieke kwaliteit)

De conservering van organische archeologische resten (zoals hout, textiel, leer en bot) in kleiige sedimenten is vaak matig tot goed, zeker als het grondwater hoog staat. Hier staat het grondwater echter matig diep, waarschijnlijk regelmatig dieper dan 120 cm -mv. Daarnaast is het natuurlijke sediment kalkloos, hetgeen ongunstig is voor de chemische conservering. Over de gaafheid en conservering van eventuele sporen en artefacten zijn niet meer gegevens bekend. 6.

Locatie

In het hele plangebied kunnen archeologische resten aanwezig zijn. 7.

Uiterlijke kenmerken (prospectie kenmerken):

Uiterlijke kenmerken: Archeologische resten van jager-verzamelaars bestaan hoofdzakelijk uit ondiepe sporen (haardkuilen) en strooiingen van vuursteen. Daarnaast kunnen resten zonder bodemkundige context zoals vuurstenen werktuigen (pijlpunten, bijlen) en wildvallen aanwezig zijn. Archeologische resten uit landbouwsamenlevingen kunnen bestaan uit sporen in de natuurlijke ondergrond zoals resten van beer- en/of waterputten of afvalkuilen, paalsporen en greppels. Daarnaast kunnen fragmenten aardewerk (urnen), crematieresten en inhumaties aanwezig zijn. Fragmenten hiervan kunnen door ploegwerkzaamheden ook in de bouwvoor of (als deze aanwezig is) bouwlanddek aanwezig zijn. Archeologische resten van staatssamenlevingen hebben vergelijkbare uiterlijke kenmerken, daarnaast moet (rekening gehouden worden met resten van steenbouw (fragmenten baksteen, uitbraaksleuven, Bureau voor Archeologie Rapport 1324

Lithoijen Langwijkstraat tussen 25-29

22 metselwerk). Prospectiekenmerken: Archeologische resten van jager-verzamelaars en eerste landbouwers kenmerken zich door de aanwezigheid van een strooiing van artefacten. Archeologische resten van landbouwers en staatssamenlevingen in het rivierengebied kenmerken zich door de aanwezigheid van een archeologische laag. Dit is een doorwerkte laag bestaande uit het oorspronkelijke sediment dat is vermengd met archeologische indicatoren zoals bot-, houtskoolen aardewerkfragmenten. 8.

Mogelijke verstoringen

Er zijn geen grootschalige bodemverstoringen bekend.

Bureau voor Archeologie Rapport 1324

Lithoijen Langwijkstraat tussen 25-29

23

3

Booronderzoek

3.1

Inleiding De ligging van het plangebied staat afgebeeld in figuur 1. In het plangebied is een ontwikkeling met grondwerkzaamheden voorzien. Daardoor worden mogelijk archeologische resten verstoord. Voor de beoogde ontwikkeling is een bureauonderzoek uitgevoerd (zie hoofdstuk 2 van dit rapport) waarbij een gespecificeerde archeologische verwachting is opgesteld. Op basis daarvan is een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van boringen uitgevoerd. Het veldonderzoek is uitgevoerd zoals voorgeschreven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie 4.1,29 in het bijzonder het hoofdstuk ”protocol 4003 inventariserend veldonderzoek overig”. Het veldonderzoek is uitgevoerd volgens specificatie “VS03 Uitvoeren booronderzoek”. Het onderzoek is gerapporteerd volgens specificatie “VS05 Opstellen standaardrapport IVO - O/P”. Het onderzoeksgebied voor het booronderzoek is hetzelfde als het plangebied. De boringen zijn gezet met het doel de bodemopbouw te verkennen. Met de gegevens van de verkenning wordt de aard en intactheid van de bodemopbouw gecontroleerd en kan de verwachting worden verfijnd. Tevens wordt zo inzicht verkregen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden en kunnen eventueel kansarme zones worden uitgesloten en kansrijke zones worden geselecteerd.

3.2

Methode De werkwijze in het veld was als volgt: Boortype:

7 cm Edelmanboor (boven het grondwater) en 3 cm guts (vanaf het grondwater).

Aantal boringen:

Zes.

Boordiepte:

Vijf boringen zijn gezet tot 200 cm-mv. Eén boring is gezet tot 400 cm-mv.

Verspreiding van de boorpunten: De boringen zijn verspreid in het plangebied geplaatst. Waarnemingswijze: Het sediment is met de hand bemonsterd en met het blote oog onderzocht door het te versnijden en te verbrokkelen. De opgeboorde grond is systematisch uitgelegd op een plastic zeil. Representatieve uitgelegde boorprofielen zijn gefotografeerd. Classificatie bodemtextuur en archeologische indicatoren: De opgeboorde grond is beschreven op basis van de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode versie 1.1 (ASB 1.1), dit omvat NEN 5104.30 Locatie bepaling X en Y: De X en Y coördinaten van de boringen zijn bepaald met een GPS met een nauwkeurigheid van 2 m. 29 SIKB 2018 30 Bosch 2008; Nederlands Normalisatie Instituut 1989 Bureau voor Archeologie Rapport 1324

Lithoijen Langwijkstraat tussen 25-29

24 Hoogte bepaling: De Z coördinaat is na afloop van het veldwerk bepaald aan de hand het AHN.31 De gegevens zijn digitaal in het veld geregistreerd. Het veldwerk is uitgevoerd op woensdag 12 april 2023 door A. de Boer (KNA Senior Prospector). Voorgaand aan het veldwerk is een plan van aanpak opgesteld.32 Het Plan van Aanpak is geregistreerd in ARCHIS3.

3.3

Resultaten met geologische interpretatie De locaties van de boringen zijn in figuur 30 weergegeven. De boorgegevens staan in Bijlage 1. Met de gegevens is een schematische doorsnede gemaakt. Deze is weergegeven in figuur 31. Er zijn archeologische indicatoren aangetroffen. De verspreiding van de indicatoren is aangegeven in figuur 30. Er zijn geen vondsten verzameld. Het grondwater stond voor zover aangetroffen tijdens het onderzoek tussen 100 en 180 cm -mv. Al het bodemmateriaal is kalkloos. Op basis van de textuur, kleur en bijmengingen kunnen de volgende lagen worden onderscheiden, van onder naar boven: 1: Beddingafzettingen Het onderste pakket bestaat uit zand. Dit pakket is alleen aangetroffen bij boorpunt 2 waar tot 4m-mv is geboord. De top van dit pakket ligt op 350 cm-mv (180 cm NAP). Het zand liep vrijwel geheel uit de guts. Dit zand kan worden gerekend tot de beddingafzettingen van de Lith beddinggordel die zuidelijk langs het plangebied loopt (figuur 9). 2: Oeverafzettingen Op de beddingafzettingen in boorprofiel 2 ligt een pakket zandige en sterk tot uiterst siltige klei. In dit pakket bevindt zich ook een 20 cm dikke zandlaag. Vanwege deze textuur en de stratigrafische ligging op de beddingafzettingen kunnen deze lagen worden geïnterpreteerd als oeverafzettingen van de Lith beddinggordel.

De onderste zandige en sterk/uiterst siltige afzettingen van boorprofielen 5 en 6 worden ook tot deze afzettingen gerekend. Hetzelfde geldt voor de dunne lagen met vergelijkbare textuur die in de komafzettingen (zie hieronder) zijn ingeschakeld in boorprofielen 1, 3 en 4. Er moet rekening mee worden gehouden dat deze dunne lagen ook crevasse-afzettingen kunnen zijn. De top van de ondiepste lagen met oeverafzettingen ligt tussen 120 en 230 cm -mv (408 en 300 cm NAP). 3: Komafzettingen Het onderste pakket natuurlijke afzettingen in boorprofielen 1, 3 en 4 bestaat overwegend uit matig siltige klei. Het bodemmateriaal is roestig en heeft mangaan concreties. Dit pakket is ook aanwezig in boorprofiel 6 waar het op de oeverafzettingen ligt. De afzettingen worden op basis van de zware textuur geïnterpreteerd als komafzettingen. De top van het pakket ligt tussen 60 en 130 cm -mv (462 en 382 cm NAP). 31 Kadaster en PDOK 2014 32 De Boer 2023 Bureau voor Archeologie Rapport 1324

Lithoijen Langwijkstraat tussen 25-29

25 4: Cultuurlaag Op de natuurlijke afzettingen ligt een pakket klei met archeologische indicatoren. De indicatoren bestaan hoofdzakelijk uit fosfaat, houtskool en baksteen. Bij boorpunt 5 was op 170 cm -mv een klein aardewerkfragment aanwezig, mogelijk uit de Late Middeleeuwen. Bij boorpunt 6 was tussen 20 en 60 cm een klein fragment industrieel wit aardewerk aanwezig (Nieuwe tijd B of C). De cultuurlaag is maximaal 205 cm dik (boorprofiel 2) en ontbreekt bij boorpunt 4, waar het maaiveld het laagst is. De top van de laag ligt tussen 20 en 50 cm -mv (508 en 487 cm NAP). 5: bouwvoor De bovenste laag bestaat uit recent geroerde grond, de bouwvoor. Hierin bevinden zich ook fragmenten baksteen en bij boorpunt 4 tevens een fragment vensterglas (vlakglas). Deze laag is 20 tot 40 cm dik.

3.4

Archeologische interpretatie De cultuurlaag is waarschijnlijk ontstaan door langdurige (eeuwenlange) gebruik. Waarschijnlijk bestaat de cultuurlaag uit de top van de oorspronkelijke natuurlijke ondergrond die is omgewerkt en doelbewust opgehoogd om wateroverlast tegen te gaan. Het ophoogmateriaal bestaat ook uit sloopafval getuige de (zachte) baksteenfragmenten die in alle boorprofielen tot vrij grote diepte nog aanwezig zijn. Het aardewerk fragment wijst erop dat het terrein in de Late Middeleeuwen al in gebruik was. Mogelijk bevinden zich archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd in de cultuurlaag.

Bureau voor Archeologie Rapport 1324

Lithoijen Langwijkstraat tussen 25-29

26

4

Conclusie

4.1

Conclusie Bureauonderzoek 1.

Waaruit bestaan de voorgenomen bodemingrepen?

Het plan voorziet in de bouw van een woning aan de zuidkant van het perceel, en een bijgebouw daar ten noordwesten van. Details omtrent de ingreep ontbreken omdat het plan nog in ontwerp is. 2.

Wat is de landschappelijke ligging van het plangebied in termen van geomorfologie, geologie en bodemkunde?

Het plangebied ligt in de Rijn-Maasdelta. De top van de Pleistocene afzettingen ligt op 5 m-mv of dieper. Mogelijk hebben zich op het Pleistocene laagterras rivierduinafzettingen gevormd. Hierop ligt een meters dik pakket Holocene rivierafzettingen, mogelijk afgewisseld met veen. In de Bronstijd loopt een Maasarm langs de zuidrand van het plangebied (Lith fase 3 beddinggordel). Op deze afzettingen zijn mogelijk door de Maas crevasse-afzettingen gevormd, en na de bedijkingen kunnen overstromingsafzettingen zijn afgezet. 3.

Is sprake van bekende bodemverstoringen?

Er zijn geen grootschalige bodemverstoringen bekend. 4.

Wat is de historische ontwikkeling van het plangebied?

Lithoijen is vermoedelijk ontstaan aan het einde van de 10e eeuw. De woningen worden op terpen gebouwd. Op de kadastrale minuut ligt een lint met bebouwing langs de Langwijkstraat. Twee van deze erven liggen deels in het plangebied en vermoedelijk liggen deze erven op terpen. In de loop van de 19e eeuw wordt het oostelijke gebouw gesloopt. Het westelijke wordt uitgebreid in de 19e eeuw en blijft tot in de 20e eeuw bestaan. Het plangebied is sindsdien paardenwei. 5.

Is sprake van bekende archeologische waarden (zoals AMK terreinen, vondstlocaties, historische kernen) in het plangebied en directe omgeving, en zo ja welke?

In het plangebied liggen geen (delen van) AMK terreinen en geen archeologische vondsten. Het plangebied ligt wel in de historische kern van Lithoijen. Bij het plangebied bevinden zich twee historische erven die staan afgebeeld op de kadastrale minuut van begin 19e eeuw. Deze bewoningsstructuur kan enkele eeuwen ouder zijn. 6.

Kunnen archeologische resten in het plangebied aanwezig zijn? Zo ja, wat is daarvan op hoofdlijnen de omvang, ligging, aard en datering?

Op basis van de landschappelijke en historische ligging moet rekening worden gehouden met archeologische resten in het plangebied. Het gaat om archeologische resten uit het Paleolithicum, Mesolithicum en Neolithicum op het Laagterras (5 tot 7 m-mv), archeologische resten uit de Bronstijd, IJzertijd en Romeinse tijd op afzettingen van de Lith beddinggordel (1,5 tot 2,5 m-mv), en archeologische resten uit de Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen op crevasses van de Maas (2,5 m-mv en ondieper). Tot slot kunnen in de top van het bodemprofiel archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd gerelateerd aan de historische kern van Lithoijen aanwezig zijn.

Bureau voor Archeologie Rapport 1324

Lithoijen Langwijkstraat tussen 25-29

27 7.

Worden deze archeologische resten verstoord door de voorgenomen bodemingrepen? Zo ja, op welke wijze?

Het is nog niet bekend hoe omvangrijk en diep de graafwerkzaamheden zullen zijn als de woning wordt gerealiseerd. Als gegraven wordt tot onder de bouwvoor dan kunnen al archeologische resten worden verstoord. 8.

Welke vervolgstap(pen) kunnen worden genomen om rekening te houden met (mogelijke) archeologische resten?

Aanbevolen wordt om een de aard en intactheid van het bodemprofiel nader te bepalen. 9.

Indien vervolgonderzoek wordt geadviseerd: Welke methode(n), techniek(en) en strategie(ën) van Inventariserend veldonderzoek zijn hiervoor geschikt?

De geschikte wijze om de aard en intactheid van het bodemprofiel nader te bepalen is het uitvoeren van een verkennend archeologisch booronderzoek.

4.2

Conclusie Booronderzoek 10.

Wat is de aard (geologisch en bodemkundig) en intactheid (verstoringen) van het bodemprofiel?

Het natuurlijke bodemmateriaal bestaat in hoofdlijnen uit komafzettingen (matig siltige klei) op oeverafzettingen (sterk tot uiterst siltige klei en zandige klei) op beddingafzettingen (zand). De top van deze natuurlijke afzettingen ligt 30 tot 205 cm-mv. Hierop ligt in vijf boorprofielen een cultuurlaag bestaande uit siltige en zandige klei. 11.

Zijn potentiële archeologische niveaus aanwezig, en zo ja, wat is de aard, diepteligging en verbreiding daarvan?

De cultuurlaag is een potentieel archeologisch niveau met in de meeste lagen fragmenten houtskool en baksteen. Daarnaast zijn op veel plaatsen fosfaatvlekken aanwezig. Bij één boorpunt bevond zich in de opgeboorde grond een fragment aardewerk die mogelijk uit de Late Middeleeuwen komt. Mogelijk bevinden zich archeologische resten gerelateerd aan bewoning op een terp uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd in de cultuurlaag. De cultuurlaag is maximaal 205 cm dik. De top van de laag ligt tussen 20 en 50 cm -mv (508 en 487 cm NAP). Eindoordeel: 12.

Indien (mogelijk) archeologische resten aanwezig zijn: a) Worden deze archeologische resten verstoord door de voorgenomen bodemingrepen? Zo ja, op welke wijze? Tenzij het terrein is wordt opgehoogd en ondiep wordt gefundeerd zal bij bij de aanleg van funderingen en het aanleggen van ondergrondse leidingen worden gegraven tot in het archeologische niveau. In dat geval kunnen archeologische resten worden vergraven. b) Welke maatregelen kunnen worden genomen om voldoende rekening te houden met deze archeologische resten? Aanbevolen wordt om graafwerkzaamheden tot in het archeologische niveau te vermijden door niet dieper te graven dan 508 cm NAP (de top van

Bureau voor Archeologie Rapport 1324

Lithoijen Langwijkstraat tussen 25-29

28 het hoogste voorkomen van deze laag, blauw in figuur 31). Als voorzien wordt dat wel in dit niveau zal worden gegraven, dan wordt aanbevolen om eerst te bepalen of zich behoudenswaardige archeologische resten in het te vergraven gebied bevinden. 13.

Indien vervolgonderzoek nodig is: Welke methode(n), techniek(en) en strategie(ën) van Inventariserend veldonderzoek zijn hiervoor geschikt?

De meest geschikte wijze voor het waarderen van archeologische resten is het uitvoeren van een proefsleuvenonderzoek. Gezien de kleine omvang van het onderzoeksgebied kan, als is vastgesteld dat sprake is van behoudenswaardige archeologische resten, overwogen deze aansluitend op te graven (doorstart naar opgraving).

Bureau voor Archeologie Rapport 1324

Lithoijen Langwijkstraat tussen 25-29

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=f341c82c-8626-44c1-bc40-6fb9d7964fe9