CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1D Bijlagen bij toelichting - BP Paradijs - Peperstraat 15 Haren - 2024

Gemeenteraad 12 september 2024, gemeente OssBij agendapunt: A Vaststelling bestemmingsplan Paradijs - Peperstraat 15 Haren - 202418.188 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De soorten maken gebruik van oude holen van onder andere mollen en muizen, maar ook houtwallen, steenhopen en ruimtes onder boomwortels. Desbetreffende soorten hebben binnen hun territorium verscheidene verblijfplaatsen. Tijdens het veldbezoek zijn er geen marters of sporen van marters aangetroffen op de onderzoekslocatie. Echter, dit betekent niet dat het gebied niet potentieel in gebruik is door de hermelijn, wezel en/of bunzing als migratieroute. Gezien de onderzoekslocatie kleiner is dan één hectare kan gesteld worden dat deze geen essentieel onderdeel uitmaakt van het leefgebied van een van genoemde

19

Quickscan Flora- en Fauna – Peperstraat 15 Haren

soorten (Bouwens 2017). Indien bij sloop/herinrichting van het gebied groenstructuren rond het perceel behouden blijven, is er geen sprake van een negatief effect op genoemde soorten. Eekhoorn De onderzoekslocatie is vanwege de afwezigheid van voldoende bomen niet geschikt als habitat voor de eekhoorn. Er staan te weinig bomen rondom de projectlocatie. Een negatief effect als gevolg van de werkzaamheden is uitgesloten. Bever Voor de bever is op de onderzoekslocatie geen geschikt habitat aanwezig. Vaste rust- en verblijfplaatsen van de bever kunnen worden uitgesloten. Das Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en de directe omgeving geen loop- of eetsporen, latrines en/of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das. Dassen zullen eerder hun leefgebied hebben in de nabijgelegen natuurgebieden en de aansluitende weilanden. Verstoring ten aanzien van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep is niet aan de orde. Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Vleermuizen Het plangebied is zeer nauwkeurig beoordeeld op de mogelijke waarde voor vleermuizen.

Hierbij is gelet op de geschiktheid van de aanwezige bebouwing als verblijfplaats voor deze dieren: aanwezigheid van spouwgaten en andere openingen in muren en daken, vetstrepen, uitwerpselen en prooiresten bij gevelopeningen. Verblijfsruimte voor vleermuizen hebben specifieke voorwaarden zoals een stabiele temperatuur en het tochtvrij zijn. Bij vleermuizen worden vier verblijfplaatsen onderscheiden; winterverblijven, zomerverblijven, kraamverblijven en paarverblijven. Aan de winterverblijven worden de hoogste eisen gesteld, daarna de kraamverblijven, dan de zomerverblijven en tenslotte de paarverblijven, waarbij de vleermuizen een zeer korte tijd op een bepaalde locatie kunnen verblijven. De dakconstructie van de te slopen varkensstal bestaat uit daken met na-geïsoleerd golfplaten welke niet stabiel blijven qua temperatuur en gedurende de dag aan enorme temperatuurschommelingen onderhevig zijn. De dakconstructie is hierdoor geen geschikte verblijfsplaats voor vleermuizen. De gevel van de stal is een enkel steens muur. Er zijn in en om de stallen geen sporen (vetstrepen, uitwerpselen, prooiresten) aangetroffen. Naast de onderzoekslocatie bevindt zich de boerderijwoning. Eventuele verblijfsplaatsen hierin ondervinden door de afstand tot de slooplocatie en de aard van de ingreep geen hinder.

Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op de aanwezige habitat, gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen. In de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig in de vorm van bomenrijen en bosranden. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen zoals houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfsplaatsen en foerageergebieden. Doordat dergelijke lijnvormige elementen ontbreken op de onderzoekslocatie, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord. Wel zijn deze elementen aanwezig bij het perceel dat behoort bij Peperstraat 11. Maar dat ligt buiten de projectlocatie.

20

Quickscan Flora- en Fauna – Peperstraat 15 Haren

Vogels Tijdens het bezoek is met name gelet op de aanwezigheid van nesten en rustplaatsen voor vogels. Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen het agrarische (buiten)gebied kunnen dit zijn: boomvalk, buizerd, havik, sperwer, wespendief, huismus, steenuil en de kerkuil. Boomvalk De boomvalk is een soort die geen eigen nest maakt, maar broedt in gebruikte kraaien- en/of eksternesten in verschillende typen bos(randen) of in solitaire bomen, populierensingels, of op erven. De soort komt vooral voor in open en halfopen landschappen zoals boerenland en dorpen, alsook in buitenwijken van steden. De bomen op- en nabij de projectlocatie zijn gecontroleerd op dergelijke nesten, deze zijn niet aangetroffen. De te kappen knotwilgen en fruitbomen zijn niet geschikt voor de boomvalk. Negatieve effecten op de boomvalk als gevolg van de werkzaamheden zijn derhalve niet aan de orde. Buizerd en havik De buizerd en havik broeden op grote nesten van ongeveer een meter in doorsnede en 60 centimeter diep. Dergelijke nesten zijn tijdens het veldbezoek niet waargenomen. Een broedgeval van de buizerd en havik is daarom uit te sluiten. Wespendief en sperwer De wespendief is doorgaans gebonden aan grotere bosgebieden van zowel loof- als naaldbomen.

Bij voorkeur is er afwisseling binnen het bosgebied aanwezig in de vorm van open plekken. De sperwer broedt bij voorkeur meer verborgen in naaldbomen. Beide situaties zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Gezien de ligging van de onderzoekslocatie binnen agrarisch gebied en de afwezigheid van voldoende dekking is een nestplaats van de sperwer of wespendief niet te verwachten. Eveneens zijn er tijdens het veldbezoek geen nesten aangetroffen. Een broedgeval van zowel de wespendief als de sperwer zijn uitgesloten. Deze zijn wel te verwachten in het bosje dat behoort bij Peperstraat 11 maar dat is op afstand van de projectlocatie. Steenuil en kerkuil De kerkuil en steenuil hebben een voorkeur voor cultuurlandschappen met allerlei landschapselementen die voor afwisseling zorgen. Beide soorten broeden in gebouwen en gebruiken ook graag speciale nestkasten. Daarnaast worden door de steenuil ook wel boomholten gebruikt, mits er zich grote holten in bevinden. De gebouwen zijn in zijn geheel gecontroleerd op de aanwezigheid van steen- en kerkuilen en is vooral gelet op de aanwezigheid van sporen; braakballen, veren en uitwerpselen. Er zijn geen (sporen van) steen- en kerkuilen waargenomen. Er is geen sprake van een afname van belangrijk foerageergebied. Er blijft er voldoende foerageergebied aanwezig in de omgeving.

Huismus Ook voor de huismus, die veel te vinden is in agrarisch gebied en vooral gebonden aan gebouwen is, is het nest jaarrond beschermd. Er zijn geen nesten van huismussen gevonden in de te slopen bebouwing. Overige broedvogels De beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals de merel en winterkoning. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Er zijn geen nesten van overige broedvogels aangetroffen in de te slopen bebouwing.

21

Quickscan Flora- en Fauna – Peperstraat 15 Haren

Er zijn vogels gezien en gehoord, namelijk: 

Tabel 1: overzicht waargenomen vogels

Soort Kraaien

Reptielen, amfibieën en vissen Er zijn tijdens het terreinbezoek geen reptielen, amfibieën en/of vissen waargenomen. Voor de in Nederland voorkomende reptielsoorten zoals de hazelworm, de levendbarende hagedis en ringslang biedt de onderzoekslocatie geen geschikt habitat. Deze soorten worden vrijwel alleen aangetroffen in specifieke natuurgebieden. Dit geldt ook voor de specifieke beschermende amfibieënsoorten die veel eisen stellen aan zijn habitat; alpenwatersalamander, heikikker, vinpootsalamander, poelkikker en rugstreeppad. Deze zijn allen uit te sluiten omdat de betreffende locatie geen goed habitat biedt voor deze soorten door het ontbreken van voldoende oppervlaktewater. De onderzoekslocatie vormt wel een geschikt habitat voor algemene amfibieënsoorten als de bruine kikker en de gewone pad. Op de onderzoekslocatie kunnen deze soorten beschutting vinden tussen de begroeiing en onder takken- of stenenhopen. Voor algemene amfibieënsoorten geldt in het kader van de Wet natuurbescherming een vrijstelling, zodat een ontheffing bij verstoring niet noodzakelijk is. Het is echter wel zaak om aandacht te schenken aan de zorgplicht. Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten.

Overige Van de overige soortgroepen, zoals dagvlinders, insecten en libellen, kan worden aangenomen dat deze soorten gedurende het jaar in het plangebied aanwezig kunnen zijn of dit gebied in de migratieroute hebben liggen. Afhankelijk van het seizoen zijn mogelijk algemene soorten te vinden op/of binnen de planlocatie. Specifieke beschermende soorten zijn voornamelijk afhankelijk van specifieke terreinkenmerken met specifieke biotopen. Binnen het plangebied is een dergelijk biotoop niet aanwezig.

2.3

Effecten van de ingreep De effecten op beschermde soorten zijn onderzocht op basis van het voornemen binnen het plangebied. Flora algemeen Er is geen bijzondere flora aangetroffen binnen het plangebied, negatieve effecten zijn uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Verstoring van algemene zoogdieren vindt mogelijk plaats. De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als de egel, konijn en diverse muissoorten. De verblijfsplaatsen van deze soorten worden door de voorgenomen ingreep echter niet aangetast. Verblijfplaatsen van beschermde zoogdiersoorten zijn ter plaatse niet aangetroffen.

22

Quickscan Flora- en Fauna – Peperstraat 15 Haren

Vleermuizen Er zijn geen sporen van vleermuizen aangetroffen waaruit blijkt dat de gebouwen als verblijfplaats worden gebruikt. Nader onderzoek in het kader van de soortenbescherming is niet noodzakelijk. Vogels Door de voorgenomen ingreep worden geen vogels en jaarrond beschermde nesten aangetast. Reptielen, amfibieën en vissen Er zijn geen reptielen, amfibieën en/of instandhoudingsdoelstellingen komen niet in het gedrang.

vissen

waargenomen.

De

Overige Omdat er geen geschikt biotoop is waargenomen voor overige beschermde soorten, zijn negatieve effecten uitgesloten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

23

Quickscan Flora- en Fauna – Peperstraat 15 Haren

Hoofdstuk 3

3 Conclusie en aanbevelingen Het natuuronderzoek is gebaseerd op inventarisatiegegevens van derden, literatuuronderzoek en een verkennend veldbezoek aan het plangebied. Het beeld dat uit het onderzoek naar voren is gekomen vormt voldoende basis om gefundeerd uitspraken te doen over de gevolgen van de voorgenomen werkzaamheden voor beschermde soorten en gebieden.

3.1

Conclusie Voor de bepaling van de effecten en voor de beantwoording van de vraag of men in strijd komt met de Wet natuurbescherming, wordt de relatie gelegd tussen het initiatief met deze wet door waar mogelijk antwoord te geven op de volgende vragen: 1.

Welke wettelijk beschermde soorten komen in het plangebied voor? Welke status hebben deze soorten? 2. Welke invloed heeft de geplande ingreep in het betreffende gebied op de beschermde soorten en de staat van instandhouding? 3. Hoe dient omgegaan te worden met eventuele negatieve effecten van het plan op wettelijk beschermde planten- en diersoorten, en welke vervolgstappen zijn nodig?

Het voornemen zoals opgenomen in de inleiding en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dieren/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing.

24

Quickscan Flora- en Fauna – Peperstraat 15 Haren

Literatuur     

    

         

25

Broekhuizen, S., Hoekstra, B., Laar, van, V., Smeenk, C. & Thissen, J.B.M., 1992 Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Stichting uitgeverij van de KNNV, Utrecht. Europese Gemeenschappen, Richtlijn no 92/409 inzake het behoud van de vogelstand. Brussel, 1979. Europese Gemeenschappen, Richtlijn no 92/43 inzake instandhouding van de natuurlijke habitat en de wilde flora en fauna. Brussel, 1992. Provinciale Verordening (Wet) natuurbescherming Hollander, H., & Geest, van der, P., 1994. Rode-Lijst van bedreigde zoogdieren in Nederland. Red data book of threatened mammals in the Netherlands. Vereniging voor Zoogkunde en Zoogdierbescherming, Utrecht. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Ministerie van Volkshuisvesting. Ruimtelijke Ordening en milieu, 2004. Nota Ruimte. De Nederlandse libellen, Nederlandse Fauna, deel 4 Nationaal historisch museum, KNNV uitgeverij (2002) Vereniging voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming (VZZ) Vleermuizen en planologie, Zoogdiervereniging (2010) Wet natuurbescherming. Vastgesteld d.d. 1 januari 2017. www.waarneming.nl www.synbiosys.alterra.nl www.atlasleefomgeving.nl www.ravon.nl www.sovon.nl www.google.nl www.floron.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.natura2000.nl www.ecologica.eu

Quickscan Flora- en Fauna – Peperstraat 15 Haren

1 Waarnemingen Bijlage

26

Quickscan Flora- en Fauna – Peperstraat 15 Haren

27

Quickscan Flora- en Fauna – Peperstraat 15 Haren

28

Quickscan Flora- en Fauna – Peperstraat 15 Haren

29

Quickscan Flora- en Fauna – Peperstraat 15 Haren

2 Effecten indicator soorten Bijlage

30

Quickscan Flora- en Fauna – Peperstraat 15 Haren

31

Quickscan Flora- en Fauna – Peperstraat 15 Haren

32

Quickscan Flora- en Fauna – Peperstraat 15 Haren

33

Quickscan Flora- en Fauna – Peperstraat 15 Haren

34

Quickscan Flora- en Fauna – Peperstraat 15 Haren

35

Quickscan Flora- en Fauna – Peperstraat 15 Haren

Bijlage 3

- Verkennend bodemonderzoek Peperstraat 15 Haren

Rapport

verkennend bodemonderzoek Peperstraat 15 te Haren

Projectnaam Projectnummer

Peperstraat 15 te Haren B3293

Opdrachtgever Postadres

familie Van de Camp Peperstraat 15 5368 AE Haren heer J. van de Camp

Contactpersoon Status Versie

Definitief 2

Aantal pagina’s Datum

17 (exclusief bijlagen) 24 oktober 2023

Samenstelling rapport en kwaliteitscontrole

dhr. M. Gloudemans

Paraaf

Bezoekadres Postcode en plaats Telefoon e-mail internet

Jekschotstraat 12 5465 PG Veghel 0413 287068 info@bodem-inzicht.nl www.bodem-inzicht.nl

Inhoudsopgave 1 INLEIDING ................................................................................................................................................................. 4

2

3

4

5

1.1

Algemeen ................................................................................................................................................................ 4

1.2

Aanleiding en doel van het onderzoek.................................................................................................................... 4

1.3

Partijdigheid ............................................................................................................................................................ 4

1.4

Opbouw van het rapport ........................................................................................................................................ 4

VOORONDERZOEK .................................................................................................................................................... 5 2.1

Beschrijving onderzoekslocatie ............................................................................................................................... 5

2.2

Voormalig en huidig gebruik van de locatie ............................................................................................................ 5

2.3

Toekomstig gebruik................................................................................................................................................. 6

2.4

Beschikbare onderzoeksgegevens .......................................................................................................................... 6

2.5

Bodem- en geohydrologische gegevens ................................................................................................................. 7

2.6

Terreinverkenning ................................................................................................................................................... 7

2.7

Conclusie vooronderzoek en hypothese ................................................................................................................. 7

2.8

Onderzoeksstrategie verdachte deellocaties .......................................................................................................... 7

2.9

Onderzoeksstrategie overig verdacht terrein ......................................................................................................... 7

2.10

Onderzoeksstrategie druppelzone .......................................................................................................................... 8

VERKENNEND BODEMONDERZOEK VERDACHTE LOCATIE ......................................................................................... 9 3.1

Veldwerkzaamheden .............................................................................................................................................. 9

3.2

Monsternemingspatroon ........................................................................................................................................ 9

3.3

Zintuiglijke waarnemingen en veldmetingen .......................................................................................................... 9

3.4

Meetgegevens grondwater ..................................................................................................................................... 9

3.5

Analyse en monsterselectie .................................................................................................................................... 9

3.6

Geselecteerde grondmonsters en analysepakket ................................................................................................... 9

3.7

Overzicht grondwatermonsters en analysepakket ............................................................................................... 10

3.8

Toetsingskader ...................................................................................................................................................... 10

3.9

Analyseresultaten grondmonsters en interpretatie.............................................................................................. 10

3.10

Analyseresultaten grondwatermonsters en interpretatie .................................................................................... 10

VERKENNEND BODEMONDERZOEK OVERIG VERDACHT TERREIN ............................................................................ 11 4.1

Veldwerkzaamheden ............................................................................................................................................ 11

4.2

Monsternemingspatroon ...................................................................................................................................... 11

4.3

Zintuiglijke waarnemingen en veldmetingen ........................................................................................................ 11

4.4

Analyse en monsterselectie .................................................................................................................................. 11

4.5

Geselecteerde grondmonsters en analysepakket ................................................................................................. 11

4.6

Toetsingskader ...................................................................................................................................................... 12

4.7

Analyseresultaten grondmonsters en interpretatie.............................................................................................. 12

BODEMONDERZOEK DRUPPELZONE ....................................................................................................................... 13 5.1

Veldwerkzaamheden ............................................................................................................................................ 13

5.2

Maaiveldinspectie ................................................................................................................................................. 13

5.3

Zintuiglijke waarnemingen en veldmetingen ........................................................................................................ 13

5.4

Geselecteerde grondmonsters.............................................................................................................................. 13

5.5

Toetsingskader ...................................................................................................................................................... 13

rapport B3293 Peperstraat 15 te Haren

2

6

5.6

Analyseresultaten PCB’s grondmonsters en interpretatie .................................................................................... 14

5.7

Monstersamenstelling en analyses asbest ............................................................................................................ 14

5.7.1 Toetsingskader ............................................................................................................................................ 14 5.7.2 Analyseresultaten asbestanalyses NEN5898 ............................................................................................... 15 5.7.1 Analyseresultaten asbestanalyses SEM ....................................................................................................... 15 CONCLUSIES EN ADVIES .......................................................................................................................................... 16

BIJLAGEN Bijlage 1: Topografische ligging onderzoekslocatie Bijlage 2: Situatietekening met boorpunten Bijlage 3: Boorprofielbeschrijvingen Bijlage 4: Getoetste tabellen grond en grondwater Bijlage 5: Analysecertificaten Bijlage 6: veldwerkrapportage Bijlage 6a: foto’s veldwerk

rapport B3293 Peperstraat 15 te Haren

3

1

INLEIDING

1.1

Algemeen

In opdracht van familie Van de Camp te Haren heeft Bodeminzicht een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op het perceel Peperstraat 15 te Haren (gemeente Oss). 1.2

Aanleiding en doel van het onderzoek

Aanleiding voor het verkennend bodemonderzoek wordt gevormd door bestemmingswijziging en bouw van woningen. Het doel van het onderzoek is drieledig: • Het doel van het bodemonderzoek op locaties met bodembelasting is het verkrijgen van een toetsingsgrondslag met het oog op mogelijke bodemverontreiniging voortvloeiend uit bedrijfsactiviteiten (Wm of Activiteitenbesluit); • Het doel van het verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 is het bepalen van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie; • De doelstelling van het druppelzone-onderzoek is om met een relatief geringe onderzoeksinspanning na te gaan of de verdenking op verontreiniging van de bodem met asbest en PCB terecht is en een indicatieve uitspraak te doen over het PCB- en asbestgehalte in de bodem. 1.3

Partijdigheid

Bodeminzicht en partijen die een bijdrage hebben geleverd aan de totstandkoming van dit rapport hebben op geen enkele wijze een relatie met de opdrachtgever en zijn geen belanghebbenden bij de onderzochte locatie. Bodeminzicht garandeert hiermee derhalve dat een volledig onafhankelijk en onpartijdig onderzoek is uitgevoerd. 1.4

Opbouw van het rapport

In het voorliggende rapport komen de volgende aspecten aan de orde: Vooronderzoek NEN5725 (hoofdstuk 2) Bodemonderzoek bij verdachte locaties conform NEN5740 (hoofdstuk 3) Bodemonderzoek overig verdacht terrein conform NEN5740 (hoofdstuk 4) Bodemonderzoek druppelzone conform NEN5740 en NEN5707 (hoofdstuk 5) Conclusies en aanbevelingen (hoofdstuk 6)

rapport B3293 Peperstraat 15 te Haren

4

2

VOORONDERZOEK

De NEN 5725 (versie oktober 2017) beschrijft de werkwijze voor het uitvoeren van het vooronderzoek naar de (mogelijke) aanwezigheid van verontreinigingen in en de verwachte milieuhygiënische kwaliteit van de landbodem. Daarnaast dient het milieuhygiënisch vooronderzoek als basis voor de hypothese over veld- en laboratoriumonderzoek. Hierbij zijn de volgende bronnen geraadpleegd: A. opdrachtgever B. Het milieu-archief van de gemeente Oss C. Kadastrale kaarten D. Topografische kaarten (topotijdreis) E. Grondwaterkaarten F. Omgevingsrapportage Brabant Noord G. Locatiebezoek 2.1

Beschrijving onderzoekslocatie

adres onderzoekslocatie kadastrale gegevens eigendomssituatie oppervlakte ligging onderzoekslocatie huidige functie beschrijving bebouwing/inrichting beschrijving maaiveld, (half)verhardingslagen, funderingslagen omgeving

2.2

Peperstraat 15 te Haren Gemeente Megen sectie G nummer 283 Eigendom van heer J.S.M. van de Camp 4.000 m² Binnen de bebouwde kom. Woning met tuin en twee schuren. De woning is opgetrokken uit bakstenen en voorzien van dakpannen. Het maaiveld is deels verhard met klinkers en deels met grind. Overig terrein is onverhard en in gebruik als tuin en weide. Inpandig is sprake van betonvloeren. noord Landbouwgrond oost Openbare weg Luensestraat zuid Openbare weg Peperstraat, woningen, parkachtige tuin west Woningen, parkachtige tuin, landbouwgrond

Voormalig en huidig gebruik van de locatie

voormalig gebruik locatie algemeen

voormalige bebouwing (sloot-)dempingen (historische) ophogingen/aangevoerde grond/depots ongewone voorvallen bodembedreigende activiteiten, opslagtanks en opslag bodembedreigende stoffen

rapport B3293 Peperstraat 15 te Haren

Op de locatie van de woning vermelden oude topografische kaarten al sinds begin 20e eeuw bebouwing ter plaatse van de woning. In de jaren ’50 worden twee stallen opgericht. In de jaren ’70 wordt de meest noordelijk stal verbouwd en verlengd en ontstaat de huidige situatie. Er is sprake geweest van een varkenshouderij. Er werd gestookt op gas.

1911 nee nee nee

1950

1970

nee Er is sprake geweest van een spoelplaats, waar veewagens werden gespoeld met water.

5

2.3

Toekomstig gebruik

bestemming bodembedreigende activiteiten opslagtanks opslag bodembedreigende stoffen 2.4

Wonen, beoogd wordt de agrarische bestemming te wijzigen naar een woonbestemming en twee nieuwe woningen op te richten. nee nee nee

Beschikbare onderzoeksgegevens

onderzoek op locatie Kwaliteit op basis van Bodemkwaliteitskaart Sweco, kenmerk 347820, nov 2019 onderzoek in directe omgeving

Beïnvloeding grond en/of grondwater vanuit de omgeving

rapport B3293 Peperstraat 15 te Haren

Er zijn geen onderzoeken verricht op de locatie. Verwachte ontgravingskwaliteit bovengrond Wonen. Verwachte ontgravingskwaliteit ondergrond <AW. PFAS onverdacht Op het 60 meter ten zuidwesten gelegen perceel Groenstraat 2 is in 2003 verkennend bodemonderzoek verricht (Van Oort bodemonderzoek BV, kenmerk GRO.72703) in het kader van bouw van woningen. In de plastic-, baksteen- en kalkrestenhoudende bovengrond licht verhoogde gehalten zink en minerale olie aangetoond. In de zintuiglijk schone ondergrond (ijzerconcreties zichtbaar) zijn licht verhoogde gehalten minerale olie aangetoond. Het grondwater bevat geen verhoogde gehalten. Er was geen aanleiding voor nader onderzoek. Na sloop van de stallen in 2005 zijn restanten asbest aangetroffen waarna een verkennend en nader asbestonderzoek (van de Poel Onderzoek en Advies, kenmerk 05.329/02) verricht. Zintuiglijk zijn restanten asbestcementgolfplaten en een stortplaats bouwafval en sloopafval aangetroffen. In 2007 is het rapport aangevuld. Uit de resultaten blijkt dat sprake is van 590 m³ met asbest verontreinigde grond. In juni 2008 is door NIPA milieutechniek een saneringsevaluatierapport opgesteld (kenmerk 08.9757). In totaal is 3.165 ton verontreinigde grond afgevoerd. In oktober 2014 is een actualiserend bodemonderzoek (van Oort bodemonderzoek BV, kenmerk GRO.161514) verricht. Er zijn geen verontreinigingen aangetoond.

Er is geen bezwaar voor de nieuwbouw van woningen. Op het oostelijk gelegen adres Luensestraat ong. is in 2003 door Van Oort Bodemonderzoek BV een verkennend bodemonderzoek (kenmerk LUE.72603) verricht. Er zijn geen verontreinigingen aangetoond. Aan de slootkant aan het verlengde van een betonpad is asbest aangetroffen, geadviseerd wordt verkennend asbestonderzoek te verrichten. In april 2009 is een verkennend asbestonderzoek verricht (NIPA, kenmerk 08.10999) naar aanleiding van veldwerkbevindingen tijdens verkennend bodemonderzoek. Ter plaatse van de slootkant wordt een gehalte asbest aangetoond boven de interventiewaarde. Geadviseerd wordt nader asbestonderzoek te verrichten waarna een sanering kan worden opgesteld. Uit het nader asbestonderzoek (NIPA, november 2010) blijkt sprake van een ernstig geval van asbestverontreiniging in sleuf 5, 15 m³ dient te worden gesaneerd middels een BUS-melding. In november 2018 is een verkennend bodem- en asbestonderzoek verricht (Antea, kenmerk 434216). De locatie is recent opgehoogd met 1 meter grond afkomstig van een asbestsanering aan de overzijde van de weg, de bodemkwaliteit van de onderliggende laag dient te worden vastgesteld. Tevens dient ter plaatse van een specifieke deellocatie (lantaarnpaal aanvullend asbestonderzoek te worden verricht.

uit de analyseresultaten blijkt dat de plaatselijk resten baksteen- en puinhoudende laag (1-1,5 m-mv) plaatselijk een sterk verhoogd gehalte PAK bevat, overige bodem is maximaal licht verontreinigd met APK, PCB en minerale olie en voldoet aan de kwaliteitsklasse AW2000. Nader onderzoek naar het gehalte PAK bij meetpunt 214 wordt geadviseerd. In het grondwater wordt een licht verhoogd gehalte barium gemeten. Ter plaatse van de lantaarnpaal is zintuiglijk en analytisch geen asbest aangetoond. In de regio worden verhoogde gehalten aan zware metalen (met name barium) in het grondwater aangetoond. Deze kunnen als regionaal verhoogd worden beschouwd.

6

2.5

Bodem- en geohydrologische gegevens

deklaag eerste watervoerend pakket

Bodemopbouw fijn tot zeer grof zand. Plaatselijk komt klei en grind voor. Lokaal humeus. Zand, fijn tot uiterst grof, lokaal grindig

Formatie van Boxtel

0-1,5 m-mv

Formatie van Kreftenheye/Beegden/Peize

1,5-35 mmv

hydrologie diepte freatisch grondwater stromingsrichting 2.6

1,5 m-mv westelijk

Terreinverkenning

Voorafgaand aan het eerste veldwerk is de onderzoekslocatie geïnspecteerd. Bij de rondgang zijn geen bijzonderheden geconstateerd. 2.7

Conclusie vooronderzoek en hypothese

Uit het verrichte vooronderzoek zijn bronnen vastgesteld die bodemverontreiniging tot gevolg kunnen hebben. Het betreft de voormalige spoelplaats. In het kader van beëindiging van bedrijfsactiviteiten worden deze beschouwd als verdachte locatie met een plaatse bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern (VEP). Het overige terrein wordt, met het oog op het voormalig bedrijfsmatig/agrarisch gebruik, beschouwd als verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming (VED-HE). De bodem ter plaatse van de druppelzone van het asbesthoudende dak zonder goot van de stal wort als verdacht beschouwd op aanwezigheid van asbest en PCB. De overige bodem binnen de onderzoekslocatie wordt op basis van het vooronderzoek en de terreinverkenning niet als asbestverdacht beschouwd. Vanuit de directe omgeving wordt geen beïnvloeding verwacht op de bodemkwaliteit. In de regio worden gehalten aan zware metalen (met name barium) in het grondwater aangetoond. Deze kunnen als regionaal verhoogd worden beschouwd. 2.8

Onderzoeksstrategie verdachte deellocaties

(deel)-locatie

spoelplaats

2.9

oppervlakte (m²) 25 m²

strategie

boringen tot 0,5 m-mv

2,0 m-mv

peilbuis

analyses

VEP

2

-

1*

1 1*

standaardpakket bovengrond standaardpakket grondwater

Onderzoeksstrategie overig verdacht terrein

De NEN 5740+A1 (versie april 2016) beschrijft de werkwijze voor het opstellen van een onderzoeksstrategie voor verkennend bodemonderzoek naar de aanwezigheid van bodemverontreiniging. (deel)-locatie opperstrateboringen tot analyses vlakte gie 0,5 m-mv 2,0 m-mv peilbuis (m²) overig terrein 4.000 VED-HE 12 2 1* 3 standaardpakket bovengrond standaardpakket ondergrond 1* standaardpakket grondwater *grondwateronderzoek wordt gecombineerd

rapport B3293 Peperstraat 15 te Haren

7

2.10

Onderzoeksstrategie druppelzone

Verkennend asbest- en bodemonderzoek van druppelzone van het asbesthoudende dak zonder goot of hemelwaterafvoer: Op basis van het vooronderzoek wordt uitgegaan van een asbest- en PCB-verdachte toplaag (0 tot 10 cm -maaiveld) in de druppelzones of lozingspunten van asbesthoudende daken ter plaatse van onverhard maaiveld. Verkennend asbestonderzoek NEN5707; een verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern. Verkennend bodemonderzoek NEN5740; een verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern. Stal : druppelzone westzijde (deel)-locatie opperinspectiegaten/sleuven vlakte 30x30cm 200x30cm (m²) Westzijde stal 40,5 2 -

rapport B3293 Peperstraat 15 te Haren

analyses diepe boring -

1

asbestanalyse en PCB

8

3

VERKENNEND BODEMONDERZOEK VERDACHTE LOCATIE 3.1 Veldwerkzaamheden verricht onder procescertificaat BRL SIKB 2000 conform protocol 2001 ja datum 13 september 2023 veldmedewerker(s) M. Gloudemans, Bodeminzicht certificaat EC-SIK-20303 afwijkingen bijzonderheden conform protocol 2002 ja datum 20 september 2023 veldmedewerker(s) M. Gloudemans, Bodeminzicht certificaat EC-SIK-20303 afwijkingen bijzonderheden • In bijlage 2 is de plaats van de meetpunten in de situatietekening opgenomen. • Voor de gedetailleerde boorprofielbeschrijvingen per boring wordt verwezen naar bijlage 3. • In bijlage 6 zijn de veldwerkrapportages opgenomen

3.2

Monsternemingspatroon

De boringen en peilbuis worden geplaatst in de klinkerbestrating en onverhard erf op de rand van de spoelplaats (verontreinigingskern). De resultaten van grond en grondwater kunnen als voldoende representatief worden beschouwd. 3.3

Zintuiglijke waarnemingen en veldmetingen

Tijdens het verrichten van veldwerk zijn geen bijmengingen aangetroffen in de bodem die duiden op bodemverontreiniging zoals een olie-waterreactie, passieve geurwaarneming, bijmenging van kooltjes, slakken of andere zintuigelijke bevindingen. boring

diepte boring traject soort waargenomen bijzonderheden (m -mv) (m -mv) 1 3,50 0,12 - 0,25 volledig menggranulaat 2 0,70 0,12 - 0,30 volledig menggranulaat De beoordeling van de opgeboorde grond vormt geen aanleiding voor aanpassingen van de onderzoeksstrategie. 3.4

Meetgegevens grondwater

peilbuisnummer

filterdiepte grondwaterstand zuurgraad EC troebelheid belucht monster (m-mv) (m-mv) (pH) (µS/cm) (NTU) 1-1-1 2,50 - 3,50 1,47 6,7 648 6,1 Nee De gemeten waardes worden niet als afwijkend beschouwd voor de regio en geven geen indicatie voor de aanwezigheid van verontreinigingen in het grondwater. Tijdens de monsterneming van het grondwater zijn zintuiglijk geen bijzonderheden waargenomen die zouden kunnen duiden op een mogelijke bodemverontreiniging. 3.5

Analyse en monsterselectie

De analyses van de grond- en grondwatermonsters geven informatie over de feitelijke aanwezigheid en concentraties van onderzochte stoffen of groepen stoffen. De chemische analyses zijn uitgevoerd volgens het door de door de Raad voor Accreditatie (RvA) geaccrediteerde laboratorium Al-West B.V. in Deventer. Het laboratorium werkt volgens de meest van toepassing zijnde normen van het Nederland Normalisatie Instituut (NNI). 3.6

Geselecteerde grondmonsters en analysepakket

analyse- traject monster (m -mv) BG1 0,00 - 0,70 spoelplaats 1.

deelmonsters analysepakket1 1 (0,25 - 0,60) AS3000 NEN 5740 standaardpakket + 2 (0,30 - 0,70) Struct.+voorb. 3 (0,00 - 0,50)

Het NEN 5740 standaardpakket bodem bestaat uit de volgende parameters: droogrest, metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), PCB’s, PAK, minerale olie.

rapport B3293 Peperstraat 15 te Haren

9

3.7

Overzicht grondwatermonsters en analysepakket analysemonster 1-1-1 1.

filterdiepte (m-mv) 2,50 - 3,50

bijzonderheden Troebelheid > 10 NTU, belucht

Analysepakket2 standaardpakket grondwater

Het standaardpakket grondwater bestaat uit de volgende parameters: metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), vluchtige aromatische koolwaterstoffen, vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen, minerale olie.

3.8

Toetsingskader

De verontreinigingssituatie van de bodem kan worden beoordeeld door toetsing van de gemeten gehaltes in grond en grondwater aan de achtergrondwaardes grond en streefwaarden grondwater en de interventiewaarden grond en grondwater. De achtergrondwaarden geven het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. Om van een “geval van ernstige bodemverontreiniging” te spreken dient voor ten minste één stof de gemiddelde concentratie van minimaal 25 m³ grond of 100 m³ grondwater hoger te zijn dan de interventiewaarde. In onderhavig rapport worden de volgende termen gebruikt om de mate van verontreiniging aan te geven: • niet verontreinigd: de concentratie aan verontreiniging is lager dan of gelijk aan de achtergrondwaarde; • licht verontreinigd: de concentratie aan verontreiniging is hoger dan de achtergrondwaarde maar lager dan of gelijk aan de halve som van de achtergrond- en interventiewaarde; • matig verontreinigd: de concentratie aan verontreiniging is hoger dan de halve som van de achtergrond- en interventiewaarde maar lager dan of gelijk aan de interventiewaarde; • sterk verontreinigd: de concentratie aan verontreinigingen is hoger dan de interventiewaarde. Uit de NEN 5740 kan het volgende worden afgeleid.

Uitvoering van vervolgonderzoek is in de meeste gevallen alleen noodzakelijk wanneer de concentratie van een stof de halve som van de achtergrondwaarde en de interventiewaarde overschrijdt. Deze waarde wordt ook in de Leidraad Bodembescherming gehanteerd als de concentratiegrens waarboven een nader onderzoek moet worden uitgevoerd. Bij overschrijding van de interventie-waarde wordt vaak een nader onderzoek uitgevoerd om de ernst van de verontreiniging en de saneringsurgentie te bepalen. Toetsing analyseresultaten grond en grondwater De analyseresultaten van de grond zijn getoetst aan de achtergrond- (A) en interventiewaarden (I) uit de circulaire streef- en interventiewaarden bodemsanering [Staatscourant 2000-39]. In de toetsingstabel zijn zowel de achtergrondwaarden (A) als de interventiewaarden (I) voor microverontreinigingen opgenomen. De achtergrond- en interventiewaarden zijn afhankelijk van het (gemeten) lutum- en organisch stofgehalte van de bodem. De analyseresultaten van het grondwater zijn getoetst aan de streef- (S) en interventiewaarden (I). De gemeten waarden van de onderzochte (meng-)monsters met overschrijdingstabellen zijn in bijlage 4 weergegeven. In bijlage 5 zijn de analysecertificaten opgenomen. 3.9

Analyseresultaten grondmonsters en interpretatie

analysemonster

overschrijding overschrijding overschrijding achtergrondwaarde tussenwaarde interventiewaarde BG1 spoelplaats 0,00 - 0,70 PCB (som 7) (0,01) Zink (0,03) 1Index

traject

(GSSD - AW) / (I - AW)

In mengmonster BG1, samengesteld uit visueel schone bovengrond ter plaatse van de voormalige spoelplaats, zijn gehaltes aan PCB en zink aangetoond boven de achtergrondwaarden. De aangetoonde verhoogde gehaltes kunnen gerelateerd worden aan het voormalige gebruik van de spoelplaats. De gemeten concentraties vormen geen aanleiding voor aanvullend onderzoek. 3.10

Analyseresultaten grondwatermonsters en interpretatie

analysemonster 1-1-1 1Index

traject

overschrijding overschrijding overschrijding streefwaarde tussenwaarde interventiewaarde 2,50 - 3,50 Barium (0,09) (GSSD - AW) / (I - AW)

In het grondwater ter plaatse van peilbuis 1, gesitueerd ter plaatse van de voormalige spoelplaats, is een gehalte aan barium gemeten boven de streefwaarde. Het aangetoonde verhoogde gehalte aan barium kan als natuurlijk verhoogd worden beschouwd.

rapport B3293 Peperstraat 15 te Haren

10

4

VERKENNEND BODEMONDERZOEK OVERIG VERDACHT TERREIN

4.1

Veldwerkzaamheden

verricht onder procescertificaat BRL SIKB 2000 conform protocol 2001 ja datum 13 september 2023 veldmedewerker(s) M. Gloudemans, Bodeminzicht certificaat EC-SIK-20303 afwijkingen bijzonderheden conform protocol 2002 ja datum 20 september 2023 veldmedewerker(s) M. Gloudemans, Bodeminzicht certificaat EC-SIK-20303 afwijkingen bijzonderheden • In bijlage 2 is de plaats van de meetpunten in de situatietekening opgenomen. • Voor de gedetailleerde boorprofielbeschrijvingen per boring wordt verwezen naar bijlage 3. • In bijlage 6 zijn de veldwerkrapportages opgenomen 4.2

Monsternemingspatroon

De situering van meetpunten is aselect gekozen met voldoende spreiding. De spreiding van meetpunten is niet ernstig belemmerd door aanwezigheid van obstakels. Het terrein was volledig toegankelijk. De peilbuis is centraal op het perceel geplaatst. Het verrichten van inpandige boringen is niet noodzakelijk geacht. De resultaten van grond en grondwater kunnen als voldoende representatief worden beschouwd. 4.3

Zintuiglijke waarnemingen en veldmetingen

Tijdens het verrichten van veldwerk zijn geen bijzonderheden aangetroffen in de bodem die duiden op bodemverontreiniging zoals een visuele bijmenging van baksteen, puin, asbest, kooltjes en slakken of een waarneming van afwijkende kleur of geur. De beoordeling van de opgeboorde grond vormt geen aanleiding voor aanpassingen van de onderzoeksstrategie. Het aangetroffen menggranulaat rondom de spoelplaats is duidelijk visueel herkenbaar als eenduidig materiaal en, voor zover zintuiglijk beoordeeld kan worden, niet vermengd met asbesthoudend materiaal. Het menggranulaat wordt niet als asbestverdacht beschouwd. De halfverharding wordt niet als bodem beschouwd en valt buiten de scope van dit onderzoek. 4.4

Analyse en monsterselectie

De analyses van de grond- en grondwatermonsters geven informatie over de feitelijke aanwezigheid en concentraties van onderzochte stoffen of groepen stoffen. De chemische analyses zijn uitgevoerd volgens het door de door de Raad voor Accreditatie (RvA) geaccrediteerde laboratorium Al-West B.V. in Deventer. Het laboratorium werkt volgens de meest van toepassing zijnde normen van het Nederland Normalisatie Instituut (NNI). 4.5

Geselecteerde grondmonsters en analysepakket

analyse- traject monster (m -mv) BG2 erf 0,00 - 0,60

BG3 erf

0,00 - 0,50

BG4 weide

0,00 - 0,50

1.

deelmonsters analysepakket1 6 (0,15 - 0,60) 8 (0,00 - 0,50) 9 (0,00 - 0,50) 10 (0,00 - 0,50) 11 (0,00 - 0,50) 12 (0,00 - 0,50) 13 (0,00 - 0,50) 14 (0,00 - 0,50) 15 (0,00 - 0,50) 16 (0,00 - 0,50) 17 (0,00 - 0,50)

NEN 5740 Standaardpakket + Structuur en voorb. (AS3000)

NEN 5740 Standaardpakket + Structuur en voorb. (AS3000) NEN 5740 Standaardpakket + Structuur en voorb. (AS3000)

Het NEN 5740 standaardpakket bodem bestaat uit de volgende parameters: droogrest, metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), PCB’s, PAK, minerale olie.

rapport B3293 Peperstraat 15 te Haren

11

4.6

Toetsingskader

De verontreinigingssituatie van de bodem kan worden beoordeeld door toetsing van de gemeten gehaltes in grond en grondwater aan de achtergrondwaardes grond en streefwaarden grondwater en de interventiewaarden grond en grondwater. De achtergrondwaarden geven het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. Om van een “geval van ernstige bodemverontreiniging” te spreken dient voor ten minste één stof de gemiddelde concentratie van minimaal 25 m³ grond of 100 m³ grondwater hoger te zijn dan de interventiewaarde. In onderhavig rapport worden de volgende termen gebruikt om de mate van verontreiniging aan te geven: • niet verontreinigd: de concentratie aan verontreiniging is lager dan of gelijk aan de achtergrondwaarde; • licht verontreinigd: de concentratie aan verontreiniging is hoger dan de achtergrondwaarde maar lager dan of gelijk aan de halve som van de achtergrond- en interventiewaarde; • matig verontreinigd: de concentratie aan verontreiniging is hoger dan de halve som van de achtergrond- en interventiewaarde maar lager dan of gelijk aan de interventiewaarde; • sterk verontreinigd: de concentratie aan verontreinigingen is hoger dan de interventiewaarde. Uit de NEN 5740 kan het volgende worden afgeleid.

Uitvoering van vervolgonderzoek is in de meeste gevallen alleen noodzakelijk wanneer de concentratie van een stof de halve som van de achtergrondwaarde en de interventiewaarde overschrijdt. Deze waarde wordt ook in de Leidraad Bodembescherming gehanteerd als de concentratiegrens waarboven een nader onderzoek moet worden uitgevoerd. Bij overschrijding van de interventie-waarde wordt vaak een nader onderzoek uitgevoerd om de ernst van de verontreiniging en de saneringsurgentie te bepalen. Toetsing analyseresultaten grond en grondwater De analyseresultaten van de grond zijn getoetst aan de achtergrond- (A) en interventiewaarden (I) uit de circulaire streef- en interventiewaarden bodemsanering [Staatscourant 2000-39]. In de toetsingstabel zijn zowel de achtergrondwaarden (A) als de interventiewaarden (I) voor microverontreinigingen opgenomen. De achtergrond- en interventiewaarden zijn afhankelijk van het (gemeten) lutum- en organisch stofgehalte van de bodem. De analyseresultaten van het grondwater zijn getoetst aan de streef- (S) en interventiewaarden (I). De gemeten waarden van de onderzochte (meng-)monsters met overschrijdingstabellen zijn in bijlage 4 weergegeven. In bijlage 5 zijn de analysecertificaten opgenomen. 4.7

Analyseresultaten grondmonsters en interpretatie

analysemonster BG2 erf BG3 erf

BG4 weide

1Index

traject

overschrijding overschrijding overschrijding achtergrondwaarde tussenwaarde interventiewaarde 0,00 - 0,60 0,00 - 0,50 Kobalt (-) Koper (0,05) Zink (0,28) Cadmium (-) 0,00 - 0,50 Kobalt (-) Zink (0,05) Lood (-) (GSSD - AW) / (I - AW)

In mengmonster BG2, samengesteld uit visueel schone bovengrond, zijn geen gehaltes aan onderzochte stoffen aangetoond boven de achtergrondwaarden. In mengmonster BG3, samengesteld uit visueel schone bovengrond, zijn gehaltes aan kobalt, koper, zink en cadmium aangetoond boven de achtergrondwaarden. In mengmonster BG4, samengesteld uit visueel schone bovengrond ter plaatse van de dierweide, zijn gehaltes aan kobalt, zink en lood aangetoond boven de achtergrondwaarden. De aangetoonde verhoogde gehaltes aan zware metalen in BG3 en BG4 kunnen gerelateerd worden aan het gebruik van de locatie door de jaren heen.

rapport B3293 Peperstraat 15 te Haren

12

5

BODEMONDERZOEK DRUPPELZONE

5.1

Veldwerkzaamheden

verricht onder procescertificaat BRL SIKB 2000 conform protocol 2018 ja datum 20 september 2023 veldmedewerker(s) M. Gloudemans, Bodeminzicht certificaat EC-SIK-20303 afwijkingen Uitgegraven grond is niet gezeefd. bijzonderheden • In bijlage 2 is de plaats van de inspectiemeetpunten in de situatietekening opgenomen. • Voor de gedetailleerde profielbeschrijvingen per meetpunt wordt verwezen naar bijlage 3. • In bijlage 6 zijn de veldwerkrapportages • In bijlage 6a zijn foto’s opgenomen 5.2

Maaiveldinspectie

Tijdens de inspectie van het maaiveld wordt visueel beoordeeld of mogelijk sprake is van asbesthoudend (plaat-)materiaal. De weersomstandigheden worden omschreven als droog met voldoende zicht. Het geïnspecteerde maaiveld aan de westzijde van de stal is begroeid met gras. De inspectiegraad wordt beoordeeld op 80%. Tijdens de inspectie is geen asbestverdacht (plaat-)materiaal aangetroffen op maaiveld. 5.3

Zintuiglijke waarnemingen en veldmetingen

De uitgegraven grond is niet gezeefd, maar als totaal monster aangeboden aan het lab. Hierdoor is fractie groter dan 20 mm niet bepaald. De reden hiervoor is het mogelijk vrijkomen van losse asbestvezels, zeker onder zomerse omstandigheden. Hierdoor kunnen risico’s van mogelijke respirabele vezels voor de veldwerkers worden voorkomen. 5.4

Geselecteerde grondmonsters

analysemonster BG5 dz stal

5.5

traject (m -mv) 0,00 - 0,15

deelmonsters analysepakket1 18 (0,00 - 0,15) PCB (7) (AS3000), Structuurpakket (lu19 (0,00 - 0,15) tum/humus) (AS3000)

Toetsingskader

De verontreinigingssituatie van de bodem kan worden beoordeeld door toetsing van de gemeten gehaltes in grond en grondwater aan de achtergrondwaardes grond en streefwaarden grondwater en de interventiewaarden grond en grondwater. De achtergrondwaarden geven het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. Om van een “geval van ernstige bodemverontreiniging” te spreken dient voor ten minste één stof de gemiddelde concentratie van minimaal 25 m³ grond of 100 m³ grondwater hoger te zijn dan de interventiewaarde. In onderhavig rapport worden de volgende termen gebruikt om de mate van verontreiniging aan te geven: • niet verontreinigd: de concentratie aan verontreiniging is lager dan of gelijk aan de achtergrondwaarde; • licht verontreinigd: de concentratie aan verontreiniging is hoger dan de achtergrondwaarde maar lager dan of gelijk aan de halve som van de achtergrond- en interventiewaarde; • matig verontreinigd: de concentratie aan verontreiniging is hoger dan de halve som van de achtergrond- en interventiewaarde maar lager dan of gelijk aan de interventiewaarde; • sterk verontreinigd: de concentratie aan verontreinigingen is hoger dan de interventiewaarde. Uit de NEN 5740 kan het volgende worden afgeleid.

Uitvoering van vervolgonderzoek is in de meeste gevallen alleen noodzakelijk wanneer de concentratie van een stof de halve som van de achtergrondwaarde en de interventiewaarde overschrijdt. Deze waarde wordt ook in de Leidraad Bodembescherming gehanteerd als de concentratiegrens waarboven een nader onderzoek moet worden uitgevoerd. Bij overschrijding van de interventie-waarde wordt vaak een nader onderzoek uitgevoerd om de ernst van de verontreiniging en de saneringsurgentie te bepalen. Toetsing analyseresultaten grond en grondwater De analyseresultaten van de grond zijn getoetst aan de achtergrond- (A) en interventiewaarden (I) uit de circulaire streef- en interventiewaarden bodemsanering [Staatscourant 2000-39]. In de toetsingstabel zijn zowel de achtergrondwaarden (A) als de interventiewaarden (I) voor microverontreinigingen opgenomen. De achtergrond- en interventiewaarden zijn afhankelijk van het (gemeten) lutum- en organisch stofgehalte van de bodem. De analyseresultaten van het grondwater zijn getoetst aan de streef- (S) en interventiewaarden (I). De gemeten waarden van de onderzochte (meng-)monsters met overschrijdingstabellen zijn in bijlage 4 weergegeven. In bijlage 5 zijn de analysecertificaten opgenomen. rapport B3293 Peperstraat 15 te Haren

13

5.6

Analyseresultaten PCB’s grondmonsters en interpretatie

analysemonster BG5 dz stal

traject

overschrijding overschrijding overschrijding achtergrondwaarde tussenwaarde interventiewaarde 0,00 - 0,15 PCB (som 7) (0,01) -

In mengmonster BG5, samengesteld uit de toplaag ter plaatse van de druppelzone van de stal, is een gehalte aan PCB’s aangetoond boven de achtergrondwaarde. Het gehalte kan gerelateerd zijn aan de verwering van de coatinglaag van de golfplaten. De aangetoonde concentratie vormt geen aanleiding voor aanvullend onderzoek. 5.7

Monstersamenstelling en analyses asbest

Ten behoeve van het asbestonderzoek zijn van de ongezeefde grond uit de proefgaten mengmonsters samengesteld. omschrijving monster soort monster traject in m-mv analysepakket mm1 dz stal Totaal monster 0,00 - 0,15 Asbest grond NEN 5898 (<20mm) 10-15 kg (AS3000) 5.7.1

Toetsingskader

De beoordeling en interpretatie van de analyseresultaten van de grondmonsters geschiedt op basis van het Besluit Bodemkwaliteit. De hoogte van zowel de interventiewaarde, de hergebruikwaarde, als de rest-concentratienorm voor asbest is vastgesteld op 100 mg/kg d.s. De berekening voor de toetsing aan deze norm wordt op de volgende wijze uitgevoerd: (10x gehalte ambifool asbest)+(gehalte serpentijn asbest)=<100 mg/kg d.s. Per (deel)locatie en per (verdachte) bodemlaag moeten alle indicatieve resultaten worden getoetst aan de interventiewaarde, volgens onderstaande criteria. • Gaten 30 cm x 30 cm: indien voor een (deel)locatie en bodemlaag het gewogen gehalte aan asbest (hoogste gehalte) kleiner is dan de helft van de interventiewaarde is verder onderzoek niet noodzakelijk en is het statistisch aannemelijk dat de interventiewaarde ook niet in een nader onderzoekstraject zal worden overschreden; • Gaten 30 cm x 30 cm; indien voor een (deel)locatie en bodemlaag het gewogen gehalte aan asbest (hoogste gehalte) groter is dan de helft van de interventiewaarde is nader onderzoek noodzakelijk; • Boringen (< 35 cm): indien in het opgeboorde materiaal uit minimaal één boring binnen een (deel)locatie asbest wordt aangetroffen, dan is aanvullend onderzoek verplicht.

Er kan worden gekozen voor een volledig verkennend onderzoek met behulp van gaten of er kan direct worden overgegaan tot nader onderzoek. • Boringen(< 35 cm): indien in geen van de boringen binnen een (deel)locatie asbest wordt aangetroffen, dan is nader onderzoek niet verplicht. Bij toetsing is de hoogste bepaalde waarde binnen een (deel)locatie en bodemlaag bepalend. SEM-analyse Analyse op de respirabele asbestvezels is aan te raden als er een specifieke verdenking voor respirabele vezels is vanuit het vooronderzoek of als de reguliere asbestanalyse (fracties 0,5-20 mm) aanwijzingen geeft op asbest in de fractie <0,5 mm. • • •

locaties waar asbesthoudend isolatiemateriaal is gebruikt zoals bovengrondse leidingstraten of procesinstallaties die geërodeerd kunnen zijn locaties bij geërodeerde asbestdaken locaties waar met asbest verontreinigd havenslib is toegepast

Afhankelijk van de situatie is het daarbij aan te raden om bij het onderzoek uit te gaan van een dunnere laag dan 0,5 meter, als deze specifiek verdacht op het voorkomen van respirabele vezels. Een voorbeeld hiervan is de toplaag van de bodem onder een geërodeerd asbesthoudend dak waarbij geen dakgoot aanwezig is. Dit gehalte moet opgeteld worden bij het gehalte zoals is bepaald uit de fractie 0,5-20 mm (grondmengmonster) en >20 mm (verzamelmonster grovere delen) om te bepalen of de interventiewaarde wordt overschreden. Daarnaast moet bij bodemonderzoek gericht op het bepalen van de ernst en de spoedeisendheid van een verontreiniging dit gehalte separaat getoetst worden aan de risiconorm van 10 mg/kg zoals genoemd in het protocol asbest in bijlage 3 van de Circulaire bodemsanering om te bepalen of sprake is van spoedeisendheid. Insteek Bodeminzicht: Een SEM-analyse is duur en wordt alleen ingezet wanneer het noodzakelijk is. Dit houdt in dat eerst een asbest in grond analyse (NEN5898) wordt verricht waarbij middels optische lichtmicroscopie de fragmenten (asbestbundels) kleiner dan 0,5 mm worden geteld. Wanneer meer dan 10 fragmenten kleiner dan 0,5 mm worden geteld, is het zinvol om een SEM-analyse te verrichten. De ervaring leert echter dat respirabele vezels, zelfs ter plaatse van druppelzones, zelden worden aangetoond boven de detectiegrens.

rapport B3293 Peperstraat 15 te Haren

14

5.7.2

Analyseresultaten asbestanalyses NEN5898

inspectiegaten

monster

18, 19

mm1 dz stal

traject in m-mv 0,00 - 0,15

verhoogde parameter Chrysotiel

analyseresultaten hecht-gegewogen concentratie bonden (mg/kg d.s.) nee 50

Vezels < 0,5mm 17

In het geanalyseerde grondmengmonster mm1 is een concentratie asbest aangetroffen. Uit de berekening van het gewogen gehalte blijkt een gehalte van 50 mg/kgds. De aanwezigheid van respirabele vezels in de toplaag is hoger dan 10 en aanvullend onderzoek naar respirabele vezels wordt geadviseerd. 5.7.1

Analyseresultaten asbestanalyses SEM

inspectiegaten

monster

traject in m-mv

analyseresultaten

18, 19

mm1 dz stal

0,00 - 0,15

gewogen concentratie respirabele vezels (mg/kg d.s.) <1,1

Uit de aanvullende SEM-analyse blijkt dat sprake is van een gehalte aan respirabele asbestvezels van minder dan 1,1 mg/kgds. Dit gehalte overschrijdt de grenswaarde voor respirabele vezels (norm <10 mg/kgds) niet. De toplaag ter plaatse van de druppelzone van stal 1 is niet ernstig verontreinigd geraakt door verwering en afspoeling van asbestvezels.

rapport B3293 Peperstraat 15 te Haren

15

6

CONCLUSIES EN ADVIES

In opdracht van familie Van de Camp te Haren heeft Bodeminzicht een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op het perceel Peperstraat 15 te Haren (gemeente Oss). Aanleiding voor het verkennend bodemonderzoek wordt gevormd door bestemmingswijziging en bouw van woningen. Vooronderzoek NEN5725 Uit het verrichte vooronderzoek zijn (voormalige) potentiële bronnen vastgesteld die bodemverontreiniging tot gevolg kunnen hebben. Het betreft de voormalige spoelplaats. In het kader van beëindiging van bedrijfsactiviteiten worden deze beschouwd als verdachte locatie met een plaatse bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern (VEP). Het overige terrein wordt, met het oog op het voormalig bedrijfsmatig/agrarisch gebruik, beschouwd als verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming (VED-HE). De bodem ter plaatse van de druppelzone van het asbesthoudende dak zonder goot van de stal wort als verdacht beschouwd op aanwezigheid van asbest en PCB. De overige bodem binnen de onderzoekslocatie wordt op basis van het vooronderzoek en de terreinverkenning niet als asbestverdacht beschouwd. Vanuit de directe omgeving wordt geen beïnvloeding verwacht op de bodemkwaliteit. In de regio worden gehalten aan zware metalen (met name barium) in het grondwater aangetoond. Deze kunnen als regionaal verhoogd worden beschouwd.

Bodemonderzoek verdachte (deel-)locatie NEN5740 Zintuiglijke waarnemingen verkennend bodemonderzoek Tijdens het verrichte veldwerk ter plaatse van de spoelplaats zijn geen bodemvreemde bijmengingen aangetroffen in de opgeboorde grond. Analyseresultaten (meng-)monsters In mengmonster BG1, samengesteld uit visueel schone bovengrond ter plaatse van de voormalige spoelplaats, zijn gehaltes aan PCB en zink aangetoond boven de achtergrondwaarden. De aangetoonde verhoogde gehaltes kunnen gerelateerd worden aan het voormalige gebruik van de spoelplaats. De gemeten concentraties vormen geen aanleiding voor aanvullend onderzoek. Analyseresultaten grondwater In het grondwater ter plaatse van peilbuis 1, gesitueerd ter plaatse van de voormalige spoelplaats, is een gehalte aan barium gemeten boven de streefwaarde. Het aangetoonde verhoogde gehalte aan barium kan als natuurlijk verhoogd worden beschouwd. Conclusie De aanwezigheid van de voormalige spoelplaats heeft niet geleid tot verhoogde gehaltes aan onderzochte stoffen in vaste bodem of grondwater. Bodemonderzoek overig verdacht terrein NEN5740 Zintuiglijke waarnemingen verkennend bodemonderzoek Tijdens het verrichten van veldwerk zijn geen bijzonderheden aangetroffen in de bodem die duiden op bodemverontreiniging zoals een visuele bijmenging van baksteen, puin, asbest, kooltjes en slakken of een waarneming van afwijkende kleur of geur.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=c32a315e-465e-4c2a-87d7-3631349e739d