Bijlage 1D - Bijlagen bij toelichting BP Mr van Coothstraat 12 Lith - 2023
Tekst van het document
0,8 m -mv) dient het plangebied te worden onderzocht op de aanwezigheid van eventuele archeologische waarden, in de vorm van (grond)sporen en vondsten. Op basis van de ligging van het plangebied in de historische kern van Lith, en de onderzoeken die in omliggende percelen zijn uitgevoerd, heeft de gemeente (met als gemeentelijk archeoloog/beleidsadviseur erfgoed mevr. ir. M. Peeters) aangegeven dat voor de onderhavige ontwikkeling direct een proefsleuvenonderzoek dient te worden uitgevoerd. In de toelichting bij de beleidskaart van 2012 staat dat in historische kernen booronderzoek in het algemeen niet als doeltreffend wordt geacht, waardoor wordt geadviseerd in deze context een proefsleuvenonderzoek uit te voeren, tenzij dit praktisch niet mogelijk is. Voorafgaand aan het gravend archeologisch monumentenzorg-onderzoek moet altijd verplicht een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld en goedgekeurd door de gemeente Oss die het bevoegd gezag is inzake de gemeentelijke archeologische monumentenzorg. Het Programma van Eisen voor de opgraving is op basis van het volgende vormgegeven: • het protocol 4001 Opstellen Programma van Eisen zoals geformuleerd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie versie 4.1; • het protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek zoals geformuleerd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie versie 4.1.
In het onderhavige Programma van Eisen zijn de uitkomsten van de diverse onderzoeken verwerkt als een beknopt bureauonderzoek. Het plangebied heeft een oppervlakte van 1.550 m2. Hiervan dient 10%, circa 160 m2, door middel van proefsleuven te worden onderzocht. Het puttenplan is weergegeven op Kaart 2 (op de topografische ondergrond, op de luchtfoto en geprojecteerd op het inrichtingsplan). Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek wordt dan bekeken of vervolgonderzoek (door middel van een archeologische begeleiding/opgraving) noodzakelijk is. Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie Met ingang van 1 juli 2017 is de nieuwe Erfgoedwet van kracht. In de nieuwe wet is sprake van de certificaathouder die vergunningplichtige handelingen (gravend onderzoek) mag uitvoeren. Tegelijkertijd met de invoering van de nieuwe wet is een certificeringstraject voor archeologische bedrijven gestart op basis van de daartoe aangepaste Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA Landbodems 4.1 en KNA Waterbodems 4.1). Dit Programma van Eisen is opgesteld conform de KNA 4.1 Protocol 4001.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2206, versie 2.0, d.d. 12 april 2022
3
V21-4886: Programma van Eisen ten behoeve van Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven voor plangebied Mr. Van Coothstraat 12 te Lith, gemeente Oss.
Administratieve gegevens participanten Datum akkoord Opdrachtgever Adres Contactpersoon Telefoon Opsteller PvE Adres Sr. Archeoloog KNA register Telefoon e-mail Bevoegd gezag Archeologie Adres
Contactpersoon/Deskundige Telefoon e-mail
Depothoudende overheid
Contactpersoon Telefoon
Paraaf akkoord
BVH Projectontwikkeling BV Canadabaan 16 5388 RT Nistelrode R. van Nistelrooij Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie Spoorstraat 5, 3811 MN Amersfoort C.W. Koot
12 april 2022
53020204
033-2779200 c.koot@vestigia.nl Gemeente Oss Postbus 5 5340 BA Oss Tel. 0412 – 62 97 92 Ir. M. Peeters Archeoloog / beleidsadviseur erfgoed Postbus 5 5340 BA Oss Tel. 0412 – 62 97 92 e-mail: M.Peeters@oss.nl Provinciaal Depot Bodemvondsten Noord-Brabant (PDB) Waterstraat 16 5211 JD ’s-Hertogenbosch Postbus 90151 5200 MC ’s-Hertogenbosch R. Louer 06-18303225 archeologie@brabant.nl
6-9-2022
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2206, versie 2.0, d.d. 12 april 2022
4
V21-4886: Programma van Eisen ten behoeve van Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven voor plangebied Mr. Van Coothstraat 12 te Lith, gemeente Oss.
2
Programma van Eisen Basisgegevens
Projectnaam
Mr. Van Coothstraat 12 te Oss
Provincie
Noord-Brabant
Gemeente
Oss
Plaats
Lith
Toponiem
Mr. Van Coothstraat 12,
Kadaster
LIT00-A-4176, -4177 en -4178
Kaartblad
45 B
RD-centrumcoördinaten van het plangebied Plaats binnen het archeologisch proces
158.580 / 423390 IVO-P BRL 4000 Protocol 4003 KNA 4.1
CMA/AMK-status
Niet van toepassing
Archis monumentnummer
Niet van toepassing
Archis zaakidentificatienummer
Aan te vragen door uitvoerder
Oppervlakte onderzoeksgebied
1.550 m2
Oppervlakte plangebied
1.550 m2
Oppervlakte te onderzoeken gebied
Ongeveer 160 m2 proefsleuven (dekkingsgraad 10%)
Huidig grondgebruik
bebouwd, verhard, weide
Periode (n) Late Prehistorie – Nieuwe Tijd
Complextype (n) Sporen van bewoning en landgebruik/-inrichting, menselijke activiteit
Aanleiding en motivering van het onderzoek Aanleiding en motivering
BVH Projectontwikkeling BV is betrokken bij de herontwikkeling van een plangebied binnen de historische kern van Lith, aan de Mr. Van Coothstraat 12. Hier zullen vijf woningen worden gebouwd. Aangezien de grondingrepen voor de fundering en bouwkuipen groter zijn dan 50 m2 en dieper zullen reiken dan 0,3 m -mv dient het plangebied met behulp van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P) te worden onderzocht op de aanwezigheid van behoudenswaardige archeologische sporen en vondsten.
Selectiebesluit
Proefsleuvenonderzoek
Locatiekaartje
Zie kaart 1
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2206, versie 2.0, d.d. 12 april 2022
5
V21-4886: Programma van Eisen ten behoeve van Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven voor plangebied Mr. Van Coothstraat 12 te Lith, gemeente Oss.
Resultaten van het tot dusver uitgevoerde onderzoek Bureau- en verkennend booronderzoek voor het huidig plangebied Uitvoerder
n.v.t.
Uitvoeringsperiode
n.v.t.
Publicatie
n.v.t.
Bewaarplaats van vondsten en documentatie n.v.t.
Archeologische verwachting Resultaten: landschappelijke en aardwetenschappelijke context Fysiek-landschappelijke, Het plangebied ligt ten zuiden van de Maas, op ca. 500 m afstand ten geologische, geomorfologische zuiden van de huidige Maasloop. Het plangebied bevindt zich op een en bodemkundige kenmerken hoogte van ongeveer 4,5 m +NAP,1 aan de zuidgrens van het rivierengebied, nabij de overgang naar het zuidelijk zandgebied.2 De Pleistocene ondergrond in de directe omgeving van Lith dateert uit het Midden- en Laat-Weichselien. Na het einde van de ijstijd, aan het begin van het Holoceen, warmde het klimaat op. Dit resulteerde erin dat de rivieren een meanderend karakter kregen en zich insneden in de oude riviervlakte. Hierbij werd op de zandige terrassen opnieuw een laag kleiige sedimenten afgezet (Laag van Wijchen).3 Omdat deze sedimenten lange tijd aan de oppervlakte lagen trad er bodemvorming op. Door het smelten van de ijskappen steeg de zeespiegel in een snel tempo. Als gevolg daarvan steeg ook de grondwaterspiegel, waardoor er op de laag van Wijchen veenvorming plaatsvond. In de omgeving van het plangebied is het landschap in de loop van het Holoceen door een aantal opeenvolgende stroomruggen bepaald. Rond 5600 jaar BP ontstond een stroomgordel die vermoedelijk tot ongeveer 5100 BP actief is geweest.4 De bedding van deze stroomgordel ligt ca.
500 m ten westen van het plangebied. Ten oosten van het plangebied op ca. 300 m afstand, bevindt zich een stroomgordel (nummer 263), actief van 4504 tot 3020 jaar BP, en verder ten zuidwesten en zuiden de nummers 251 en 99, actief van respectievelijk 4504 tot 4100 jaar BP en 3500 tot 2734 jaar BP. De stroomgordel van de Maas, aan de noordzijde van het plangebied, domineert de landschappelijke ontwikkeling van het landschap rond Lith vanaf 2000 jaar BP.5 Op de oever- en komafzettingen van de Maas zijn enkele vondsten bekend die in de Romeinse Tijd worden geplaatst, maar het meeste materiaal dat wordt aangetroffen dateert uit de Middeleeuwen. De Maas is rond de 13e eeuw bedijkt; tot die tijd had het water vrij spel, waardoor kronkelwaarden, oevers en komgronden werden gevormd. Na de bedijking van de Maas lag de loop van de rivier min of meer vast, met 1 www.ahn.nl 2 Berendsen 1997. 3 Törnqvist 1993. 4 Nummer 252 bij Cohen et al. 2012. 5 Stroomgordelnummers 302 en 309; Cohen et al. 2012.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2206, versie 2.0, d.d. 12 april 2022
6
V21-4886: Programma van Eisen ten behoeve van Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven voor plangebied Mr. Van Coothstraat 12 te Lith, gemeente Oss.
uitzondering van tijdelijke dijkdoorbraken. Vanwege het water werden plaatselijk terpen opgeworpen om droog te kunnen wonen, met name in de 14e en 15e eeuw. De bodemopbouw kan daarom bestaan uit kleiige oever- of komafzettingen, of zandige overslagafzettingen ten gevolge van dijkdoorbraken. Ook kan de bodem door de mens zijn opgehoogd. Op de geomorfologische kaart is het plangebied vanwege de ligging in de bebouwde kom niet gekarteerd, maar direct ten zuiden van het plangebied staat een stroomrug gekarteerd (B44). Op de bodemkaart is het plangebied vanwege de ligging in de bebouwde kom niet gekarteerd, maar direct ten zuiden van het plangebied liggen kalkloze poldervaaggronden, van zware zavel en lichte klei (Rn95C). Regionale cultuurlandschappelijke en historischgeografische kenmerken
De naam Lith wordt voor het eerst in 991 genoemd, wanneer de Franse koning de eigendomsrechten van de Sint-Remigiusabdij te Reims op goederen in onder meer Lithoijen bevestigd. Lithoijen wordt aangeduid met Litta of Klein-Lith, in tegenstelling tot Groot-Lith, het huidige Lith. Vanaf 1024 kwam de heerlijkheid Heerewaarden, waar Lith deel van uitmaakte, in handen van het domkapittel van SintLambertus te Luik. Het waterschap Polder het Hoog Hemaal werd in 1325 opgericht en had heemraden uit Lith, Lithoijen, Geffen en Oss. De eerste betrouwbare kaart met betrekking tot het plangebied is de Kadasterkaart uit 1811-1832 (afbeelding 1). Op deze kaart is rondom het plangebied bebouwing te zien, maar niet binnen de nog steeds herkenbare driehoek tussen de huidige mr. Van Coothstraat, Valkseweg en de Lithergraaf. Op de topografische kaarten van 1900, 1950 en 1975 is te zien dat er langzaam wat spaarzame bebouwing verschijnt; de huidige bebouwing aan de mr. Van Coothstraat 12 en 12a dateert volgens de BAG-viewer uit 1937. De percelering blijft in al die tijd goed herkenbaar.
Afbeelding 1: Uitsnede Kadasterkaart 1811-1832. Plangebied globaal in rood. Bron: RCE.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2206, versie 2.0, d.d. 12 april 2022
7
V21-4886: Programma van Eisen ten behoeve van Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven voor plangebied Mr. Van Coothstraat 12 te Lith, gemeente Oss.
Afbeelding 2: Uitsneden topografische kaarten 1900 (boven), 1950 (midden) en 1975 (onder). Plangebied globaal in rood. Bron: Topotijdreis.
Het plangebied ligt op de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) niet binnen een zone waar conflictarcheologie verwacht mag worden, op basis van gevechtshandelingen of de aanwezigheid van linies of
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2206, versie 2.0, d.d. 12 april 2022
8
V21-4886: Programma van Eisen ten behoeve van Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven voor plangebied Mr. Van Coothstraat 12 te Lith, gemeente Oss.
Huidig grondgebruik en (sub) recente ingrepen en verstoringen
fortificaties.6 Tijdens de Tweede Wereldoorlog lag het plangebied niet in de frontlinie van de grondgevechten. In het verliesregister met de locatie van bekende vliegtuigcrashes zijn drie meldingen opgenomen met toponiem Lith, maar die zijn op basis van de aangegeven locatie niet te koppelen aan het onderhavige plangebied.7 Op de website met bekende crashes van V1 en V2 vliegende bommen zijn bij Lith enkele crashes geregistreerd, aan de noordzijde van Lith bij de Maas.8 Het plangebied is deels bebouwd, deels verhard en deels in gebruik als weide. De diepte van de verstoringen van de huidige bebouwing zijn onbekend, maar gezien de aard van de bebouwing zal deze waarschijnlijk tot 0,8-1,0 m -mv reiken.
NAP-hoogte maaiveld
Ca. 4,5 m + NAP
Grondwaterstand
GWT VI: GHG 40-80 cm -mv; GLG dieper dan 120 cm -mv
Resultaten: archeologische context Regionale archeologische context
Het plangebied heeft op de gemeentelijke archeologische beleidskaart de aanduiding historische kern. De kern van Lith heeft geen AMK-status. Het meest dichtbij zijnde AMK-terrein ligt ca. 500 m ten oosten van het plangebied, bij de Valkse Weg / Heilig Kemke (AMK-nr. 4189). Het betreft een terrein met waarschijnlijk sporen van bewoning uit de Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen. In een straal van 500 m rondom het plangebied zijn vijf vondstlocaties bekend, die voornamelijk bestaan uit (resten van) bewoning uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd, zoals bij de N.H. Lambertuskerk (Zaak ID 2876054100 en 2769345100), waar ook vroeger materiaal is gevonden, zoals bot, metaal en aardewerk uit de Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen. Bij de bijbehorende kosterwoning werd aardewerk uit de Bronstijd/Romeinse tijd aangetroffen (Zaak ID 3130036100). Bijna 500 m ten noordoosten van het plangebied werd bij een oude woongrond op een overslaggrond aardewerk uit de Romeinse tijd, Vroege- en Late Middeleeuwen gevonden (Zaak ID 2909280100). Verder staat nog een melding van een ijzeren zwaard uit de La Tene periode (Late IJzertijd), maar deze is administratief op land geplaatst, terwijl het is aangeduid als baggervondst (Zaak ID 3130247100).
Direct ten zuiden van het plangebied, bij het naastgelegen perceel Valkweg 3, is in 2009 een bureau- en booronderzoek (karterende fase) uitgevoerd met Zaak ID 2240973100.9 De begrenzing in Archis lijkt te overlappen met het plangebied maar de boringen zijn allemaal in het belendende perdeel gezet. De ondergrond van het betreffende plangebied bestond uit opgebrachte lagen op komafzettingen. De komafzettingen kunnen afkomstig zijn van de Maas en van de Beerse Overlaat. Er zijn geen overslaggronden en geen oeverafzettingen binnen het plangebied aangetroffen, zoals op basis van de hoogtekaart werd verwacht. Het lijkt er op dat het perceel is afgegraven en later weer is opgehoogd.
6 http://www.ikme.nl/. 7 https://verliesregister.studiegroepluchtoorlog.nl/rs.php?aircraft=&sglo=&date=&location=oud-
beijerland&pn=&unit=&name=&cemetry=&airforce=&target=&area=&airfield=. 8 www.vergeltungswaffen.nl. 9 Nijdam 2009a.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2206, versie 2.0, d.d. 12 april 2022
9
V21-4886: Programma van Eisen ten behoeve van Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven voor plangebied Mr. Van Coothstraat 12 te Lith, gemeente Oss.
Aan de zuidzijde van de Valkweg, op 10 tot 30 meter ten zuiden van het plangebied, zijn bij de Valkweg 3A, 5 en 7 onderzoeken verricht. Het booronderzoek bij de Valkweg 5 leverde een bodemopbouw op van opgebrachte lagen op komafzettingen. De komafzettingen lagen in een tweetal boringen op oeverafzettingen, en dan op beddingafzettingen. In drie van de zes boringen werd een restgeul aangetroffen; in één boring een archeologische laag (op 120-150 cm -mv), die werd gedateerd in de Late Middeleeuwen. De laag bevatte fosfaatvlekken, houtskoolspikkels en puinbrokjes. Geadviseerd is een vervolg door middel van proefsleuven uit te voeren.10 Dit onderzoek is uitgevoerd in 2018, nu onder toponiem Valkseweg 3a. Tijdens het proefsleuvenonderzoek met Zaak ID 4602188100) is een bodemopbouw waargenomen van een bouwvoor, op deels geroerde kleilagen, op kleiige komafzettingen. Er zijn twee sporen aangetroffen in werkput 2. De verwachte terp is niet aangetroffen, wel is er een greppel gevonden met gefragmenteerd laatmiddeleeuws aardewerk (daterend vanaf ca. 1300 t/m 1500 na Chr.). Mogelijk hoorde deze greppel bij de verwachte huisterp, maar dit was lastig vast te stellen omdat deze terp hoogstwaarschijnlijk vergraven is bij het bouwen van een boerderij rond 1872.
Ook kunnen agrarische activiteiten aan het verdwijnen van de huisterp hebben bijgedragen.11 Direct aan de oostzijde van het betreffende perceel is in 2011 een booronderzoek uitgevoerd met Zaak ID 2339178100. Tijdens het verkennende booronderzoek is vastgesteld dat de bovengrond van het betreffende plangebied tot 75- 190 cm –mv is vergraven. Onder het vergraven pakket zijn oeverafzettingen van de Maas aangetroffen. De top van de oeverafzettingen van de Maas is vergraven, waardoor een eventueel archeologisch niveau reeds is verdwenen. Onder de oeverafzettingen zijn komafzettigen aangetroffen, die in het noorden van de onderzoekslocatie tussen tussen 160 en 210 cm –mv overgaan in crevasse-afzettingen. Hierin zijn geen bodemhorizonten waargenomen. Dit betekent dat er waarschijnlijk sprake is geweest van continue sedimentatie, waardoor de crevasse niet geschikt is geweest voor bewoning. Er zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van een middeleeuwse huisterp, zoals die werd verwacht op basis van het naastgelegen booronderzoek uit 2009. Door de vergraving van de oeverafzettingen van de Maas en de continue sedimentatie van de crevasse is de archeologische verwachting voor het betreffende plangebied bijgesteld naar laag.12 Ca.
80 meter ten noorden van het plangebied is in 2010 een bureauonderzoek uitgevoerd onder Zaak ID 2311920100, en een booronderzoek in 2011 met Zaak ID 2321024100 (Constantijnstraat – De Pas). Tijdens dit onderzoek werd een verstoord dek van 50-100 cm dikte aangetroffen, met in het westen komklei, en in het oostelijke deel van het betreffende plangebied afzettingen van een oeverwal of crevasse.13 Ca. 110 meter ten noorden van het plangebied is recentelijk een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd met Zaak ID 4929201. De bodem van het betreffende plangebied bestond uit oeverafzettingen van de Maas, waarin een aantal dunne vegetatiehorizonten zichtbaar waren. “Het lijkt 10 Nijdam 2009b. 11 Meurs 2018. 12 Verboom-Jansen. 13 Pepers 2011.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2206, versie 2.0, d.d. 12 april 2022
10
V21-4886: Programma van Eisen ten behoeve van Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven voor plangebied Mr. Van Coothstraat 12 te Lith, gemeente Oss.
niet waarschijnlijk dat gedurende deze perioden het plangebied geschikt was voor bewoning, er zijn in deze vegetatiehorizonten in ieder geval geen archeologische indicatoren aangetroffen. De top van de afzettingen bestond uit humeuzere klei die, gezien het aardewerk dat in de laag werd aangetroffen, vermoedelijk een akkerlaag vormde. Het aardewerk dateert deze laag in de late middeleeuwen, met name de 13e en het begin van de 14e eeuw. De laag werd afgedekt door een ophogingspakket waarin twee fasen onderscheiden konden worden, gescheiden door een schone, mogelijk natuurlijk afgezette, laag lichtbruine klei. De onderste laag van dit ophogingspakket moet mogelijk tussen 1650 en 1850 gedateerd worden, de datering van de bovenste laag is onduidelijk maar moet in ieder geval ná 1650 gedateerd worden. Binnen het plangebied bevond zich een verspitte zone met daarin een klein muurfragment, negen paalkuilen en een kuil. Een datering van het geheel aan sporen in de tweede helft van de 19e eeuw of later lijkt het meest waarschijnlijk. Op historische kaarten is in dit deel van het plangebied bebouwing te zien vanaf het eind van de 19e eeuw tot circa 1965. Het lijkt meer dan waarschijnlijk dat de sporen, en de recente verstoring, samenhangen met deze bebouwing. De tweede vindplaats bestaat uit een zevental, verspreid over het plangebied aangetroffen, (paal)kuilen.
De dateringen van de verschillende kuilen omvatten de 13e eeuw (S8003; datering tussen 1225 en 1250), de 14e /15e eeuw (S9002; 1350-1450), de 16e /17e eeuw (S8004; 1550-1650) en de 17e /18e eeuw (S8002; 1650-1750). Uit de dateringen van de sporen blijkt dat het plangebied vanaf de 13e tot in de 19e eeuw in gebruik was, zij het op een extensieve wijze. De sporen uit de nieuwe tijd zouden gerelateerd kunnen zijn aan het erf dat aan de noordzijde van het plangebied heeft gelegen, getuige de eerste kadastrale kaart uit het begin van de 19e eeuw. Dit erf zou zelfs nog haar oorsprong kunnen hebben gehad in de late middeleeuwen, maar dit is minder waarschijnlijk aangezien het terrein na de late middeleeuwen is opgehoogd.”14 Deze onderzoeken geven aan dat het plangebied in een dynamisch gebied is gelegen (eigen aan het rivierengebied in zijn algemeenheid), wat betekent dat in de ondergrond op korte afstand grote verschillen kunnen optreden.
Aard en ouderdom van de Onbekend, Late Prehistorie (vanaf de Bronstijd, met name vanaf de vindplaats Romeinse tijd) – Late Middeleeuwen/ Nieuwe Tijd Begrenzing en oppervlakte van Onbekend (nog geen vindplaats aangetroffen) de totale vindplaats (dus ook buiten het plangebied) Begrenzing en oppervlakte van Onbekend (nog geen vindplaats aangetroffen) (het deel van) de vindplaats binnen het plangebied Structuren en sporen Ophogingslagen, (afval)kuilen, paalgaten, (paal)kuilen, greppels, waterputten, drenkkuilen, bezinkputten, funderingen, kelders, graven e.d. Artefacten: anorganisch Aardewerk, glas, pijpaarde, baksteen, natuursteen, metalen voorwerpen. Artefacten: organisch Paleo-ecologische resten
O.a.: gebruiksgereedschappen van hout en been; verder bouwhout/ vlechtwerk, etc. (niet)verkoolde plantenresten, botmateriaal, etc. in relevante contexten.
14 Ter Wal 2021.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2206, versie 2.0, d.d. 12 april 2022
11
V21-4886: Programma van Eisen ten behoeve van Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven voor plangebied Mr. Van Coothstraat 12 te Lith, gemeente Oss.
Motivatie Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen
Gaafheid en conservering (vondsten, paleo-ecologische resten) Complexiteit
Door de voorgenomen nieuwbouw van woningen worden eventuele archeologische waarden bedreigd. Binnen het plangebied zijn nog geen archeologische vondsten of sporen aangetroffen. De archeologische sporen kunnen mogelijk al aan of vlak onder het maaiveld worden aangetroffen voor wat betreft de Nieuwe Tijd. Die uit de middeleeuwen of ouder liggen onder eventuele overslagzanden en in oeverkleisedimenten of crevasses.. Op basis van de lage grondwaterspiegel zal onverbrand organisch materiaal niet meer bewaard zijn, maar in diepe sporen kunnen dergelijke resten (bot, hout, zaden) nog wel goed zijn bewaard. Gemiddeld
Doelstelling en vraagstelling Doelstelling
Relatie NOaA en/of andere onderzoekskaders
Vraagstelling
Onderzoeksvragen
Het doel van het inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven is om vast te stellen of er een betekenisvolle archeologische vindplaats aanwezig is uit de Late Prehistorie t/m de Nieuwe Tijd, en, indien een vindplaats aanwezig is, het bepalen van de inhoudelijke en fysieke kwaliteit van aangetroffen archeologische resten aan de hand van de aard, ouderdom, omvang en conservering op basis waarvan besloten kan worden dat de vindplaats(en) al dan niet behoudenswaardig is (zijn) conform bijlage IV van de KNA. Het onderzoek beoogt een verdere detaillering te geven in de bewoningsgeschiedenis van het gebied. Afhankelijk van wat wordt aangetroffen, kan mogelijk een bijdrage worden geleverd aan onderzoeksvragen in de NOaA/NOaA 2.0 (Archeo-regio Brabant zandgebied). Zijn op de onderzoekslocatie archeologische resten aanwezig en wat is de waardering van deze archeologische informatie conform Bijlage IV van de KNA? De basisvragen bij het inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven zijn: 1. Zijn binnen het plangebied één of meer archeologische vindplaatsen aanwezig? 2. Wat is de lithologische, lithogenetische en bodemkundige bodemopbouw van het plangebied? 3. Zijn in de bodemopbouw lagen te onderscheiden die als begraven/bedekte bodems zijn te bestempelen; wat is hun diepteligging in NAP en bevatten zij archeologische indicatoren? 4.
In welke mate is het onderzoeksgebied verstoord? 5. Indien sporen en/of structuren aanwezig zijn, wat is de aard, omvang, datering, fasering en conserveringstoestand van de vindplaats(en)? 6. Welke materiaalcategorieën zijn aanwezig en hoe is de conserveringstoestand van de verschillende vondstcategorieën? 7. Wat is de datering van de archeologische vondsten, tot welke vondsttypen of vondstcategorieën behoren zij en hoe is de
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2206, versie 2.0, d.d. 12 april 2022
12
V21-4886: Programma van Eisen ten behoeve van Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven voor plangebied Mr. Van Coothstraat 12 te Lith, gemeente Oss.
conserveringstoestand? 8. Indien archeologische resten afwezig zijn: wat is hiervoor de verklaring? 9. Wat is de ruimtelijke spreiding van de archeologische resten, zowel horizontaal als verticaal / stratigrafisch? 10. Indien een vindplaats in het plangebied aanwezig is, kan een relatie, en zo ja welke, worden gelegd tussen de vindplaats in het plangebied en de omliggende vindplaatsen? 11. Is sprake van een behoudenswaardige vindplaats op basis van de criteria voor het waarderen van vindplaatsen uit KNA 4.1? 12. Welk risico lopen de geconstateerde archeologische waarden door de voorgenomen verstoring? 13. Welke strategische en methodische aanbevelingen kunnen worden gedaan voor eventueel vervolgonderzoek? 14. Waar en in welke mate is deze locatie geschikt voor paleo-ecologisch en natuurwetenschappelijk onderzoek? Welke methoden zijn het meest kansrijk? 15. Hoe is de stratigrafie in antropogene zin? Is er sprake van loopvlakken, ophogingslagen of cultuurlagen? Wat zijn de kenmerken van de stratigrafische eenheden en wat is de datering? Wat was (waarschijnlijk) het niveau van het maaiveld in de onderscheiden archeologische perioden?
Aanbevelingen
16. Wat is de status van het terrein na afronding van het archeologisch onderzoek? Zijn er nog behoudenswaardige archeologische resten in het gebied aanwezig of te verwachten die nog niet zijn onderzocht / opgegraven en die een bescherming van het terrein noodzakelijk maken? Op basis van het onderzoek worden uitspraken gedaan over de aanwezigheid van archeologische resten. Van de resten wordt een waardering gemaakt conform de vigerende KNA (VS 06). Aansluitend wordt een advies opgesteld of eventueel vervolgonderzoek noodzakelijk is (VS 07).
Veldwerk Strategie
• Het werk zal bestaan uit het aanleggen van vier proefsleuven met de afmetingen 4 x 10 m2 (totaal 160 m2), wat neerkomt op ca. 10% van het plangebied. De sleuven zijn deels over de bestaande bebouwing geplot ter controle van de diepte van deze verstoringen. Voor de ligging en oriëntatie van de sleuven wordt verwezen naar bijlage kaart 2. • Het eerste vlak wordt aangelegd direct onder de bouwvoor. Vanaf hier wordt een profielput aangelegd om de profielopbouw en de diepteligging van eventuele archeologische lagen te identificeren. Deze put wordt aangelegd met een smalle bak van 50 cm tot een
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2206, versie 2.0, d.d. 12 april 2022
13
V21-4886: Programma van Eisen ten behoeve van Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven voor plangebied Mr. Van Coothstraat 12 te Lith, gemeente Oss.
Fysisch-geografisch onderzoek
Methoden en technieken
Omgang kwetsbare vondsten en monsters Structuren en grondsporen
diepte van 1,5 m -mv. • Wanneer in de profielput sprake is archeologische lagen, niveaus met gerijpte klei of van een overslagpakket onder de bouwvoor, dan worden ook hier vlakken aangelegd en gedocumenteerd. De maximale diepte van het vlak wordt aangelegd op 1,5 m -mv. • Sporen worden steeksproefgewijs gecoupeerd voor een betrouwbare waardering. • Van elke proefsleuf wordt één lengteprofiel getekend. • Bij het aantreffen van eventuele geulvullingen met daarin archeologisch vondstmateriaal en die dieper reiken dan 1,5 m -mv wordt met het bevoegd gezag afgestemd hoe hiervan het dieper verloop in kaart wordt gebracht. • Eventuele uitbreiding van de sleuven vindt pas plaats na instemming van de opdrachtgever en het bevoegd gezag. • Per proefsleuf één lengteprofiel getekend en gefotografeerd. Bij een gelijkmatig profiel kan worden volstaan met het tekenen van twee 1 m brede profielkolommen aan het begin en einde van de werkputten. • Van het profiel dient minimaal de bodemopbouw (bodemkundig, lithologisch, lithogenetisch) vanaf het maaiveld tot het niveau van het diepst aangelegde vlak te worden gedocumenteerd. • Het onderzoek dient conform de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie / KNA (Centraal College van Deskundigen 2016) te worden uitgevoerd.
• Er zal worden gegraven met een bandenkraan met gladde bak, afhankelijk van de situatie en de te verwachten sporen. • Het verdiepen naar, en opzoeken van, het juiste archeologische niveau aan de hand van de profielputten dient laagsgewijs te gebeuren, met lagen van ca. 5 centimeter. • Het vlak wordt met een professionele metaaldetector systematisch en vlakdekkend onderzocht. Metaalvondsten worden als puntlocatie ingemeten. De vulling uit de gecoupeerde sporen wordt ook nagezocht met de metaaldetector. Tevens behoort de stort te worden gecontroleerd op metalen voorwerpen. • Bij het aantreffen van funderingen dienen deze in relatie tot de omliggende lagen en vullingen te worden bekeken, getekend, beschreven en gefotografeerd. Tevens dienen de steenmaten te worden opgemeten en het metselverband en versnijdingen te worden gedocumenteerd. • Een sporenvlak wordt geschaafd, gefotografeerd, ingekrast en getekend. Het vlak wordt gewaterpast en een selectie van sporen wordt gecoupeerd voor site- en waardebepaling. • Er dienen foto’s gemaakt te worden van de algemene situatie, de vlakken, de profielen, van grondsporen in het vlak en van de coupes. • Fragiele en/of belangwekkende vondsten dienen op de plaats van aantreffen gefotografeerd te worden. • Profielen en coupes worden schaal 1:20 getekend. Op de profieltekeningen worden de NAP-hoogten gezet.
Kwetsbare vondsten en monsters worden verzameld en behandeld conform KNA specificatie OS10wb, OS11wb en de KNA - Leidraad ‘Eerste hulp bij kwetsbaar vondstmateriaal’. • Vage, onduidelijk sporen worden altijd gecoupeerd om tot een goede waardering van de vindplaats te komen, om de kwaliteit en conservering van sporen te kunnen inschatten en om de
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2206, versie 2.0, d.d. 12 april 2022
14
V21-4886: Programma van Eisen ten behoeve van Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven voor plangebied Mr. Van Coothstraat 12 te Lith, gemeente Oss.
Artefacten: (an)organisch
Paleo-ecologische resten
Dateringstechnieken
Inzet van specialisten in het veld Specialistisch onderzoek
Beperkingen
onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden. Indien sprake van duidelijke sporen wordt van een selectie de diepte bepaald door middel van een zandguts of boring. • Gecoupeerde sporen worden niet ‘afgewerkt’, en daarom moeten coupes weer worden opgevuld voordat de proefsleuf wordt dichtgeworpen. • De opgeboorde grond uit eventuele waterputten of drenkkuilen wordt verzameld als monster. • Wanneer sporen aanwezig zijn, maar de datering hiervan is onduidelijk vanwege het ontbreken van anorganisch dateerbaar vondstmateriaal, dan worden uit enkele sporen grondmonsters genomen voor eventuele C14-analyse. • Stortvondsten worden per sleuf verzameld en geregistreerd; • Vlakvondsten worden verzameld per sleuf per 4 m lengte; • Vondsten worden aan een spoor of laag toegewezen. • Vondsten en monsters worden verzameld conform KNA specificatie OS10wb, OS11wb en de KNA - Leidraad ‘Eerste hulp bij kwetsbaar vondstmateriaal’. • Indien mogelijk en relevant voor het beantwoorden van de onderzoeksvragen worden monsters genomen uit kansrijke sporen. • Vondsten en monsters worden verzameld conform KNA specificatie OS10wb, OS11wb en de KNA - Leidraad ‘Eerste hulp bij kwetsbaar vondstmateriaal’. • Indien hout aanwezig is dienen monsters voor houtanalyse en dendrochronologische te worden genomen. • C14-monsters worden genomen uit kansrijke sporen wanneer er geen andere aanwijzingen zijn voor een datering.
De noodzaak van inzet van specialisten in het veld wordt aan de beoordeling door de senior archeoloog overgelaten • Eventuele houten palen/artefacten dienen op bewerkingssporen te worden beschreven. • Zeefresiduen uit prehistorische niveaus worden gesplitst op indicatoren, houtskool, bot, vuursteen enz. en beoordeeld door een specialist. Het plangebied is ten tijde van het opstellen van dit PvE nog deels bebouwd en deels verhard; deze obstakels zullen worden gesloopt/verwijderd voorafgaand aan het onderzoek. Voorafgaand aan het onderzoek dient een KLIC-melding te worden gedaan om de aanwezigheid van de kabels en leidingen te bepalen. Voorafgaand aan het onderzoek dient met de opdrachtgever te worden overlegd of er nog kabels- en leidingen binnen het plangebied aanwezig zijn die niet op de KLIC staan weergegeven. Eventuele milieukundige onderzoeken behoren te worden gedeeld met de archeologisch uitvoerder met het oog op eventuele vervuiling.
Analyse en rapportage Evaluatie na veldwerk
Na afloop van het veldwerk wordt binnen 6 weken een evaluatieverslag met uitwerkingsvoorstel aangeleverd. Hierin wordt kort vermeld wat is aangetroffen tijdens het veldwerk, de voorlopige waardering van een
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2206, versie 2.0, d.d. 12 april 2022
15
V21-4886: Programma van Eisen ten behoeve van Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven voor plangebied Mr. Van Coothstraat 12 te Lith, gemeente Oss.
eventuele vindplaats, en een gemotiveerd voorstel gedaan voor de waardering/analyse van monsters en vondsten, en rapportage, inclusief selectie, deselectie, afbeeldingen en conservering van vondstmateriaal en monsters. De keuze wordt door de opsteller onderbouwd in relatie tot de in dit PvE geformuleerde onderzoeksvragen. Tevens wordt aangegeven hoe voorgestelde uitwerking zich verhoudt tot de in tabel 2 genoemde “verwachte aantallen (N)”. De uitvoerder begint niet eerder met de uitwerking dan nadat de opdrachtgever en bevoegd gezag het evaluatierapport/ uitwerkingsvoorstel hebben geaccordeerd. Wanneer in overleg met de bevoegde overheid is besloten dat een evaluatierapport niet nodig is kan direct aan de uitwerking worden begonnen. Dit evaluatierapport dient door de bevoegde overheid te worden vastgesteld en dient daarna als aanvulling op dit PvE. Fysische geografie De analyse van de fysisch-geografische gegevens gebeurt zoveel mogelijk in het veld op basis van de bestudeerde profielen. De verzamelde gegevens worden uitgewerkt tot het niveau dat noodzakelijk is voor beantwoording van de onderzoeksvragen. Tevens wordt een globale landschapsbeschrijving van het plangebied opgesteld. Structuren en grondsporen Alle sporen en structuren worden beschreven en gewaardeerd conform de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie / (KNA).
De sporen worden in een archeologische context geplaatst. De verzamelde gegevens worden geanalyseerd en geïnterpreteerd tot het niveau dat noodzakelijk is voor beantwoording van de onderzoeksvragen. Cultuurhistorische en De aangetroffen sporen en structuren worden, indien mogelijk en historisch geografische context relevant, gekoppeld aan hun historische context. Artefacten: (an)organisch Alle aangetroffen artefacten worden beschreven en gewaardeerd conform de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en de daartoe geldende richtlijnen. Metaalvondsten en vondsten van organisch materiaal dienen, voor zover behoudenswaardig, geconserveerd te worden. Van onherkenbare voorwerpen (roestklompen) worden na selectie en in overleg met de opdrachtgever en het bevoegd gezag röntgenopnamen gemaakt. Hiertoe wordt in het verslag/evaluatierapport na het veldwerk een voorstel gedaan. Paleo-ecologische resten De monsters worden beschreven in het evaluatieverslag met vermelding welke hiervan waarom dienen te worden gewaardeerd. Met de vaststelling van het evaluatieverslag door bevoegd gezag en acceptatie door de opdrachtgever kan dit werk worden aangevangen. Containers/ beenderblokken Containers (bijv. -vrijwel- compleet vaatwerk van aardewerk of glas) en/of beenderblokken worden behandeld als monsters.
De inhoud van de containers en de beenderblokken dienen via een “micro-opgraving” en/of zeefmethode onder laboratoriumomstandigheden onderzocht te worden. Na overleg tussen de opdrachtgever en de bevoegde overheid wordt tot “micro-opgraving” en/of zeefmethode overgegaan. Hiertoe wordt in het verslag/evaluatierapport na het veldwerk een voorstel gedaan. Menselijk en dierlijk Het waarderen en eventueel determineren van de vondstcategorieën skeletmateriaal menselijk en dierlijk skeletmateriaal dient volgens de binnen de beroepsgroep heersende normen (o.a. leeftijdsbepaling, geslachtsbepaling, pathologie, bijgaven, etc.) te geschieden. Na instemming van de opdrachtgever en de bevoegde overheid wordt het materiaal gedetermineerd en geïnterpreteerd. Hiertoe wordt in het
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2206, versie 2.0, d.d. 12 april 2022
16
V21-4886: Programma van Eisen ten behoeve van Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven voor plangebied Mr. Van Coothstraat 12 te Lith, gemeente Oss.
verslag/evaluatierapport na het veldwerk een voorstel gedaan. Dateringstechnieken
Inzet van specialisten bij de uitwerking
Specialistisch onderzoek
Beeldrapportage (objecttekeningen, foto’s, kaarten, e.d.)
Na instemming van de opdrachtgever en de bevoegde overheid worden kansrijke monster gedateerd. Hiertoe wordt in het verslag/evaluatierapport na het veldwerk een voorstel gedaan. Alleen na instemming van de opdrachtgever en de bevoegde overheid worden artefacten of botten gedetermineerd en geïnterpreteerd, en/of monsters gewaardeerd of geanalyseerd. Hiertoe wordt in het verslag/evaluatierapport na het veldwerk een voorstel gedaan. De beoordeling van de noodzaak van inzet van specialisten bij de uitwerking wordt aan de beoordeling door de senior archeoloog overgelaten. Alleen na instemming van de opdrachtgever en de bevoegde overheid wordt het specialistisch onderzoek uitgevoerd. Hiertoe wordt in het verslag/evaluatierapport na het veldwerk een voorstel gedaan. Vondsten die kenmerkend zijn voor een specifieke periode of chronotypologisch zijn te benoemd worden gefotografeerd. Van uitzonderlijke vondsten wordt tevens een tekening gemaakt. Hiertoe wordt in het evaluatierapport een voorstel gedaan.
Conservering en deponering Conservering
Deponering
Kwetsbaar vondstmateriaal dient zodanig te worden geconserveerd dat de toestand stabiel blijft. In het voorstel ter conservering dient per vondst/voorwerp te worden opgenomen: materiaal, vorm, datering, conserveringstoestand en advies hoe te conserveren. Welke artefacten daadwerkelijk voor selectie, conservering en/of restauratie in aanmerking komen wordt, op basis van het evaluatie- / selectierapport, bepaald door de bevoegde overheid en de depothoudende overheid. Dit in overleg met (de adviseur van) de opdrachtgever en de uitvoerder van het archeologisch onderzoek. In afwachting van eventueel vervolgonderzoek en/of uitwerking dienen de vondsten en documentatie te worden bewaard in het depot van de opdrachtnemer waarna het geheel, conform de daarvoor geldende normen en eisen in de KNA 4.1, wordt overgedragen aan het archeologisch depot van de provincie Noord-Brabant. De digitale documentatie wordt conform KNA-specificatie DS 05 overgedragen aan een e-Depot. Alle vondsten en de opgravingsdocumentatie dienen te worden aangeleverd bij het provinciaal depot voor bodemvondsten van de provincie Noord-Brabant. De eisen ten behoeve van aanlevering van vondsten en onderzoeksdocumentatie bij het depot kunnen bij de provincie worden opgevraagd (zie ook tabel 3 en 4).
Eindproduct: rapport, documentatie Standaardrapport
De resultaten van het onderzoek dienen te worden opgeleverd in de vorm van een standaardrapport conform de KNA 4.1 inclusief vlaktekeningen en profieltekeningen en inclusief vondstenlijsten, sporenlijsten, monsterlijsten en een allesporenkaart. Indien dit ten goede komt wordt ook een periodenkaart toegevoegd.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2206, versie 2.0, d.d. 12 april 2022
17
V21-4886: Programma van Eisen ten behoeve van Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven voor plangebied Mr. Van Coothstraat 12 te Lith, gemeente Oss.
Digitale documentatie
Het Nederlandstalige rapport wordt uitgegeven door de opdrachtnemer. Digitale exemplaren van het rapport worden ter beschikking gesteld aan de opdrachtgever, de gemeente, en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Conform depot-eisen van het depot waar documentatie en eventuele vondsten en monsters worden aangeleverd.
Randvoorwaarden, planning en termijnen Organisatie en personeel
Kwaliteitsbewaking, toezicht, overleg en evaluatie
Uitvoeringsperiode en opleveringstermijn veldwerk
Uitvoeringscondities veldwerk
Uitvoeringsperiode en
Het onderzoek moet verricht worden door een archeologisch bedrijf met een certificaat tot het uitvoeren van het onderhavige onderzoek conform de KNA 4.1 – protocol 4003. Het onderzoek moet verricht worden door een archeologisch bedrijf dat conform de BRL 4000 archeologie is gecertificeerd voor protocol 4003. De archeologische onderzoek wordt uitgevoerd door minimaal een KNA-archeoloog, onder leiding van een senior KNA-archeoloog. De senior KNA-archeoloog dient aanwezig te zijn bij de aanleg van het eerste vlak. Zowel de KNA-archeoloog als de senior KNA-archeoloog hebben aantoonbare ervaring met onderzoek naar vindplaatsen uit de periode Neolithicum t/m de Late MiddeleeuwenNieuwe Tijd in het Rivierengebied. De eindverantwoordelijkheid voor de archeologische werkzaamheden liggen in handen van de projectleider van het uitvoerende opgravingsbedrijf. De inhoudelijke kwaliteitsbewaking van het onderzoek wordt verzorgd door de verantwoordelijke senior KNA-archeoloog. Na beëindiging van het veldwerk wordt een evaluatieverslag opgesteld, inclusief een voorstel voor de invulling van de uitwerking en rapportage en de (de)selectie van vondsten en monsters ter voorbereiding van de deponering. Het evaluatie- en selectierapport wordt getoetst en vastgesteld door de bevoegde overheid en fungeert daarna als aanvulling op dit Programma van Eisen.
Na aanbieding, maar voor vaststelling van het evaluatie- en selectierapport heeft de opdrachtgever de gelegenheid zijn visie op de mate van uitwerking en rapportage kenbaar te maken. Na vaststelling van het evaluatie- en selectierapport door de bevoegde overheid geeft de opdrachtgever opdracht tot uitwerking, rapportage en conservering volgens het vastgestelde evaluatie- en selectierapport, rekening houdende met de vastgestelde termijn voor oplevering van het concept- en eindrapport. De uitvoering van het veldwerk vindt plaats in overleg met de opdrachtgever. De duur van het veldwerk wordt ingeschat op ca. 1 dag. De opdrachtnemer informeert de bevoegde overheid minimaal twee weken voor aanvang van het veldwerk en bij het einde van het veldwerk. Over de toegankelijkheid van het terrein, milieuaspecten, eventuele afzettingen en vergunningen en andere condities die van belang zijn voor het veldwerk wordt na gunning overleg gevoerd met de opdrachtgever. Eventuele beschikbare documenten zullen daartoe na gunning aan de opdrachtnemer ter beschikking worden gesteld. Voor het veldwerk is er een mogelijk tot de inzet van amateurarcheologen van de gemeente Oss / Stichting Archeologie Maasland Maximaal 6 weken na de afronding van het veldwerk wordt een
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2206, versie 2.0, d.d. 12 april 2022
18
V21-4886: Programma van Eisen ten behoeve van Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven voor plangebied Mr. Van Coothstraat 12 te Lith, gemeente Oss.
opleveringstermijn verslaglegging
Procedure toetsing eindproduct door bevoegde overheid
Opleveringstermijn vondsten, monsters en documentatie Externe communicatie
evaluatierapport aangeleverd. Na afstemming met, en goedkeuring door het bevoegd gezag wordt dit verslag vastgesteld en ter kennisgeving doorgestuurd naar het provinciaal / gemeentelijk depot. Het conceptstandaardrapport dient binnen uiterlijk 3 maanden na vaststelling van het evaluatieverslag te worden ingediend bij het bevoegd gezag. In het geval van eventueel benodigde 14C-analyses kan hiervan worden afgeweken Het concept-standaardrapport wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de opdrachtgever en de bevoegde overheid. De bevoegde overheid laat het door een daartoe gekwalificeerde persoon toetsen, waarna de opdrachtgever van de bevindingen op de hoogte wordt gesteld. Het rapport wordt zo nodig aangepast en omgezet in een eindversie door de opdrachtnemer. De vondsten en documentatie dienen binnen 2 jaar na de afronding van het veldwerk te worden gedeponeerd. Alle externe communicatie verloopt primair via de opdrachtgever. Het is de opdrachtnemer niet toegestaan om zonder toestemming vooraf van de opdrachtgever met anderen (pers, publiek en archeologische instellingen) over het veldwerk of het plan in contact te treden. Zij worden doorverwezen naar de opdrachtgever.
Wijzigingen t.o.v. vastgestelde PvE Wijzigingen tijdens het veldwerk
Belangrijke wijzigingen
Wijziging na evaluatie van het veldwerk
Wijzigingen tijdens uitwerking en conservering
Indien zich tijdens het veldwerk bijzondere vondsten voordoen zoals menselijke begravingen, worden de opdrachtgever, het bevoegd gezag en de depothouder direct op de hoogte gesteld. Indien substantieel van het PvE afgeweken moet worden, wordt hiervoor overleg gevoerd met de bevoegde overheid en depothouder. In gezamenlijk overleg zal worden besloten hoe om te gaan met de bijzondere vondsten en hoe dit verder dient te worden onderzocht en geborgen. Onderstaande belangrijke wijzigingen worden te allen tijde aantoonbaar voorgelegd aan alle betrokken partijen: • Wijzigingen van de gehanteerde onderzoeksmethode; • Wijzigingen fysieke of technische omstandigheden; • Vastleggen overleg-en evaluatiemomenten; • Onvoorziene omstandigheden (bijvoorbeeld m.b.t. omvang vindplaats, complextype, aantallen vlakken et cetera); • Significante afwijkingen van verwachte vondsten en monsters (hoeveelheid, soorten materialen, soorten voorwerpen, type conservering). Na afloop van het veldwerk wordt in overleg met de bevoegde overheid en de depothouder besloten welke vondsten en monsters in aanmerking komen voor nadere uitwerking en conservering. Hiertoe wordt door de opdrachtnemer in het verslag / evaluatierapport een overzicht opgesteld. Wijzigingen in het PvE worden eveneens in het evaluatieverslag door de opdrachtnemer gemotiveerd.
De selectie van de te conserveren vondsten wordt in overleg met de opdrachtgever en de bevoegde overheid/de depothouder bepaald, op voorstel van de opdrachtnemer. Kwetsbaar vondstmateriaal dient zodanig te worden geconserveerd dat de toestand stabiel blijft. De keuze voor de te conserveren vondsten ligt bij de beheerder van het depot.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2206, versie 2.0, d.d. 12 april 2022
19
V21-4886: Programma van Eisen ten behoeve van Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven voor plangebied Mr. Van Coothstraat 12 te Lith, gemeente Oss.
Wijzigingen die van invloed zijn op het conserveren van de vondsten, dienen schriftelijk aan de opdrachtgever te worden medegedeeld.
Bronmateriaal en bijlagen Bronmateriaal
Schriftelijke bronnen Goddijn, M.A., 2012: Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, Leiden (Archol-rapport 183). Meurs, M., 2018: Archeologisch proefsleuvenonderzoek Valkseweg 3a te Lith in de gemeente Oss, Boxmeer (Econsultancy rapport 6150.002). Nijdam, L.C., 2009a: Archeologisch bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek (karterende fase) Valkseweg 3 te Lith in de gemeente Oss, Den Bosch (BAAC rapport V-09.0138). Nijdam, L.C., 2009b: Plangebied Valkseweg 5. Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek (karterende fase), Den Bosch (BAAC rapport V-09.114). Pepers, K.H.J., 2011: Gemeente Oss, plangebied Constantijnstraat – De Pas te Lith. Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase), Den Bosch (BAAC rapport V-11.0080). Verboom-Jansen, M.: 2011: Een verkennend inventariserend veldonderzoek door middel van boringen aan de Valkseweg 7 te Lith, gemeente Oss (NB), Geldermalsen (ARC rapport 2011-96). Wal, A. ter, 2021: Lith De Meander. Inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P), Den Bosch (BAAC rapport V-20.0334).
Lijst van kaarten Lijst van tabellen
Varia • Centraal College van Deskundigen, 2018: Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1, Gouda. • ARCHEOLOGISCH INFORMATIESYSTEEM (ARCHIS): http://archis2.archis.nl/archisii/html/index.html. • STICHTING INFRASTRUCTUUR KWALITEITSBORGING BODEMBEHEER: www.sikb.nl. • TOPOTIJDREIS: www.topotijdreis.nl. Kaart 1: Ligging plangebied Kaart 2: Puttenplan (topo, luchtfoto, geplande ingrepen) Tabel 1: Overzicht te raadplegen specialisten/specialismen Tabel 2: Verwachte omvang en aantallen Tabel 3: Selectie vondstmateriaal in het veld (fase 1) Tabel 4: Selectie vondstmateriaal voor deponering (fase 2)
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2206, versie 2.0, d.d. 12 april 2022
20
V21-4886: Programma van Eisen ten behoeve van Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven voor plangebied Mr. Van Coothstraat 12 te Lith, gemeente Oss.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2206, versie 2.0, d.d. 12 april 2022
21
V21-4886: Programma van Eisen ten behoeve van Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven voor plangebied Mr. Van Coothstraat 12 te Lith, gemeente Oss.
Linksonder het puttenplan geprojecteerd op een luchtfoto ten opzichte van de voormalige bebouwing en inrichting en rechtsonder het proefsleuvenplan geprojecteerd op de plantekening van de nieuwbouw in nieuwe inrichting.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2206, versie 2.0, d.d. 12 april 2022
22
V21-4886: Programma van Eisen ten behoeve van Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven voor plangebied Mr. Van Coothstraat 12 te Lith, gemeente Oss.
TABEL 1: Overzicht te raadplegen specialisten/specialismen Vondstcategorie Aardewerk Bouwmateriaal Metaal (ferro) Metaal (non-ferro) Slakmateriaal Vuursteen Overig natuursteen Glas Menselijk botmateriaal onverbrand Menselijk botmateriaal verbrand Dierlijk botmateriaal onverbrand Dierlijk botmateriaal verbrand Visresten Schelpen Hout Houtskool(monsters) Textiel Leer Submoderne materialen
Raadplegen bij PvA Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee
Raadplegen bij veldwerk Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Ja Nee Nee Nee Nee Nee Ja Nee Nee Nee Nee
Raadplegen bij uitwerking* Ja Nee Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Nee Ja Ja Nee
Monstername Algemeen biologisch monster (ABM) Nee Nee Ja Algemeen zeefmonster (AZM) Nee Nee Nee Pollen, diatomeeën en andere microfossielen Nee Nee Ja Monsters voor anorganisch chemisch Nee Nee Ja onderzoek Monsters voor micromorfologisch onderzoek Nee Nee Ja Monsters voor luminescentiedatering (OSL) Nee Nee Ja 14 Monsters voor koolstofdatering ( C) Nee Nee Ja DNA Nee Ja Ja Dendrochronologisch monster Nee Nee Ja * specialisten alleen nodig bij de analyse van de vondsten en de monsters na een opgraving
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2206, versie 2.0, d.d. 12 april 2022
23
V21-4886: Programma van Eisen ten behoeve van Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven voor plangebied Mr. Van Coothstraat 12 te Lith, gemeente Oss.
TABEL 2: verwachte omvang en aantallen
Onderzoek Omvang plangebied (m²) Ca. 1.550 m2
Verwachting Verwacht aantal m2 ca. 160 m2
Vondstcategorie Aardewerk Bouwmateriaal Metaal (ferro) Metaal (non-ferro) Slakmateriaal Vuursteen Overig natuursteen Glas Menselijk botmateriaal onverbrand Menselijk botmateriaal verbrand Dierlijk botmateriaal onverbrand Dierlijk botmateriaal verbrand Dierlijk botmateriaal bewerkt Visresten Schelpen Hout Hout (bewerkt) Houtskool(monsters) Textiel Leer Submoderne materialen
Verwachte aantallen (N) 25 5 10 5 3 2 5 2 Onbekend (tussen 0 en 5 stuks) Onbekend (tussen 0 en 5 stuks) 10 5 Onbekend (tussen 0 en 5 stuks) Onbekend (tussen 0 en 5 stuks) Onbekend (tussen 0 en 5 stuks) Onbekend (tussen 0 en 5 stuks) Onbekend (tussen 0 en 5 stuks) Onbekend (tussen 0 en 5 stuks) 0 0 Onbekend (tussen 0 en 10 stuks)
Monstername Algemeen biologisch monster (ABM) Algemeen zeefmonster (AZM) Pollen, diatomeeën en andere microfossielen Monsters voor koolstofdatering (14C) Monster voor OSL-datering DNA Dendrochronologisch monster
Verwachte aantallen (N) 4 0 2 4 0 0 2
Toelichting: De precieze verwachte aantallen zijn onbekend omdat er nog geen eerder gravend onderzoek op deze locatie heeft plaatsgevonden.
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2206, versie 2.0, d.d. 12 april 2022
24
V21-4886: Programma van Eisen ten behoeve van Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven voor plangebied Mr. Van Coothstraat 12 te Lith, gemeente Oss.
TABEL 3: Selectie vondstmateriaal in het veld (fase 1) Context
Materiaal
Periode(n)
Meenemen
explosief en/of verontreinigd materiaal explosief en/of verontreinigd materiaal
Stort / bouwvoor
Alle materiaal categorieën
Perioden van onderzoek
exposabel, bijzonder materiaal metaaldetectie vondsten (vuur)stenen artefacten
Alle lagen / sporen
Alle materiaal categorieën
alle perioden
Exposabel, bijzonder materiaal
Aardewerk
Perioden van onderzoek
Alles
Bot, (dierlijk, menselijk, artefact)
Perioden van onderzoek
Alles
Bouwmateriaal, onversierd (natuursteen, keramiek)
Perioden van onderzoek
representatief sample: minimaal 2 exemplaren per soort/ formaat/ type/ datering
Bouwmateriaal, versierd / met inscriptie Glas
Hout
Archeologische (cultuur) lagen/ vlak, sporen
Hutteleem
Overleg (wel/niet meenemen of representatief sample)
Perioden van onderzoek Perioden van onderzoek
Perioden van onderzoek
Perioden van onderzoek
bij grote hoeveelheden en/of bij stads/dorpskern onderzoek miltvuur besmet bij grote hoeveelheden
Alles Alles (fragment van) artefact (onderdeel van) nietcomplexe structuur (bv waterput / resten in paalgaten): in overleg (onderdeel van) complexe structuur (bv haven, sluis, brug, huis): in overleg
altijd
altijd
Alles
Perioden van onderzoek
Alles
bij grote aantallen (uit beer-/ afval-putten, productie-afval looierij); bij stads/dorpskern onderzoek
Metaal (e.g. goud, zilver, brons, ijzer, tin lood)
Perioden van onderzoek
(fragment van) artefact productiemateriaal/afval ondetermineerbaar (mits van zinvolle omvang)
schatvondsten altijd direct melden
Natuursteen; bijl, maalsteen, bouwmateriaal
Perioden van onderzoek
(fragment van) artefact, inclusief productie afval
bij niet lokaal van nature voorkomend, onbewerkt materiaal
Leer
Barnsteen, git Textiel Overig (o.a. haar, touw, schelpen, herkenbare vruchten/ zaden)
Perioden van onderzoek Perioden van onderzoek Perioden van onderzoek
Uitgezonderd
Alles Alles
Alles
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2206, versie 2.0, d.d. 12 april 2022
25
V21-4886: Programma van Eisen ten behoeve van Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven voor plangebied Mr. Van Coothstraat 12 te Lith, gemeente Oss.
TABEL 4: Selectie vondstmateriaal voor deponering (fase 2) **aan depothouder ter goedkeuring voorleggen in selectierapport** Context
(uit veld meegenomen) Materiaal
Deponeren
Aardewerk
al het uit het veld meegenomen materiaal
Bot (dierlijk, menselijk, artefact)
al het uit het veld meegenomen materiaal
Bouwmateriaal, onversierd (natuursteen, keramiek) Bouwmateriaal, versierd / met inscriptie (natuursteen, keramiek) Glas
Alle Hutteleem Leer
bij grote hoeveelheden en/of bij stads-/ dorpskern onderzoek: representatief sample mogelijk bij wens/verzoek tot herbegraven; bij grote hoeveelheden: representatief sample mogelijk (advies specialist)
Voorwaarden (de)selectie
zie tabel 3
depothouder akkoord met herbegraven
al het uit het veld meegenomen materiaal
indien selectie fase 1 in het veld niet is toegepast, alsnog representatief sample toepassen
zie tabel 3
al het uit het veld meegenomen materiaal
bij grote hoeveelheden: representatief sample mogelijk
zie tabel 3
al het uit het veld meegenomen materiaal (fragment van) artefact
Hout
Deselecteren / evt. gedeelte deselecteren
(onderdeel van) structuur, indien tijdens fase 1 tot behoud is overeengekomen al het uit het veld meegenomen materiaal al het uit het veld meegenomen materiaal
Metaal
al het uit het veld meegenomen materiaal
Vuursteen; (Wommersom) kwartsiet
al het uit het veld meegenomen materiaal
Natuursteen (excl. vuursteen, bouwmateriaal)
al het uit het veld meegenomen materiaal
Textiel
al het uit het veld meegenomen materiaal
Overig (o.a. haar, touw, schelp, herkenbare vruchten/ zaden)
al het uit het veld meegenomen materiaal
bij grote hoeveelheden: representatief sample mogelijk (advies specialist) bij grote hoeveelheden: representatief sample mogelijk (advies specialist) (gedetermineerde) houtmonsters bij grote hoeveelheden: representatief sample mogelijk selectie fase 1 indien niet in het veld toegepast (advies specialist) door röntgenopname vastgestelde lege ‘klomp’
röntgenfoto van ‘klomp’ (van enige omvang)
bij grote hoeveelheden spijkers, slak: representatief sample mogelijk dat wat 1) door de specialist als onbewerkt wordt geclassificeerd, 2) lokaal van nature voorkomt, 3) niet als potentiële grondstof is geclassificeerd dat wat 1) door de specialist als onbewerkt wordt geclassificeerd, 2) lokaal van nature voorkomt, 3) niet als potentiële grondstof is geclassificeerd
VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2206, versie 2.0, d.d. 12 april 2022
26
Bijlage 3
- Aerius-berekening
NOTITIE
MR. VAN COOTHSTRAAT 12, L ITH datum: project: onderwerp: referentie:
22 februari 2023 23.902 Aerius-berekening 23.902- 001(Aerius)
Aanleiding De initiatiefnemer van het perceel gelegen aan de Meester van Coothstraat 12, te Lith wenst vijf woningen te realiseren. Getoetst zal worden of de werkzaamheden significant negatief effect hebben op stikstofgevoelige habitatten in de nabijgelegen Natura-2000 gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura2000 gebied is de Rijntakken, ten westen van Dreumel, dat op circa 3,65 km van de plan locatie is gelegen. In afbeelding 1 is de situatie en ligging van de locatie weergegeven.
Locatie
Afbeelding 1: topografische ligging project
(Bron: PDOK)
1
Achtergrondinformatie Wettelijk kader en berekeningsmethodiek Natura 2000-gebieden Ingevolge artikel 2.1 van de Wet natuurbescherming zijn er Natura 2000-gebieden aangewezen ter uitvoering van Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn. Dit impliceert dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor deze gebieden en dat negatieve gevolgen zo veel mogelijk beperkt dienen te worden. Voor de habitattypen en leefgebieden waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden in Natura 2000-gebieden zijn kritische depositiewaarden (KDW) voor stikstofdepositie vastgesteld. Met de KDW wordt bedoeld: de grens waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Plannen zoals het in dit rapport genoemde project kunnen door stikstofemissie effect hebben op habitattypen binnen omliggende Natura 2000-gebieden en gelet op de instandhoudingsdoelstelling van een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soort verslechteren. Gezien het gegeven dat stikstofemissie, in de vorm van stikstofoxiden (NOx) of ammoniak (NH3), kan plaatsvinden bij onder andere landbouw, gemotoriseerd verkeer, industrie en ook bij de verwarming van huizen, is het wettelijk vereist deze emissie in beeld te brengen. Het voorliggende rapport voldoet aan deze vereiste.
In de onderstaande afbeelding is de ligging van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden weergegeven.
Afbeelding 2: overzicht Natura 2000-gebieden
(Bron: Aerius Calculator)
Het betreft de volgende dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden met de bijbehorende afstanden tot de ontwikkellocatie: - Rijntakken
circa 3,65 kilometer
Overige Natura 2000-gebieden zijn op grotere afstand van het plangebied gelegen.
2
De opgesomde en grafisch weergegeven Natura 2000-gebieden zijn niet per definitie gelijk aan de Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen, maar geven slechts een overzicht van de ligging van het plan ten opzichte van nabijgelegen Natura 2000-gebieden. In voorgaande figuur wordt de locatie van het plan inzichtelijk gemaakt en tevens worden de mogelijk aanwezige stikstofgevoelige habitattypen weergegeven, van zeer gevoelig (donker paars), gevoelig (licht paars) tot minder/niet gevoelig (licht groen). De meest actuele kaart van alle Natura 2000-gebieden is via de website van de provincie te raadplegen en niet per definitie opgenomen in het programma Aerius Calculator 2022. Berekeningsmethodiek De berekeningen naar de stikstofdepositiebijdrage vanwege de gebruiksfase van het plan/project worden uitgevoerd met het programma Aerius Calculator 2021. Hierbij dient inzichtelijk te worden gemaakt of sprake is van een toename van de stikstofdepositie op reeds overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. De gehanteerde ‘grenswaarde’ voor de stikstofdepositie bedraagt 0,00 mol/hal/j.