Bijlage 1D Bijlagen bij toelichting BP Haagstraat 3-5 Oss - 2023.PDF
Tekst van het document
BESTEMMINGPSLAN Haagstraat 3-5 Oss - 2023 Bijlagen bij toelichting
Gemeente Oss | Raadhuislaan 2 | 5341 GM | Oss | T: 14 0412 | F: 0412 642605 | www.oss.nl |
Indexpagina bijlagen bij de toelichting Bestemmingsplan Haagstraat ong. Oss - 2023 Bijlage 1
- Landschappelijk inpassingsplan Haagstraat 3-5 Oss
Bijlage 2
- Quickscan Wet natuurbescherming
Bijlage 3
- Stikstofdepositietoets
Bijlage 4
- Watertoets
Bijlage 5
- Verkennend en aanvullend bodemonderzoek
Bijlage 6
- Verslag omgevingsdialoog
Bijlage 7
- Advies van de Veiligheidsregio - Brandweer Brabant-Noord
Bijlage 8
- Quickscan aardkundige waarden
Bijlage 9
- Nota van zienswijzen en wijzigingen
Bijlage 1
- Landschappelijk inpassingsplan Haagstraat 3-5 Oss
Nieuwbouwwoning tussen Haagstraat 3-5 te Oss
LANDSCHAPPELIJK INPASSINGSPLAN
Nieuwbouwwoning tussen Haagstraat 3-5 te Oss
Dolmans landscaping group in opdracht van MILON bv 6 oktober 2022, Nuenen
LANDSCHAPPELIJK INPASSINGSPLAN
I N H O U D S O P G AV E
Inleiding 7
Toelichting landschappelijke inpassing 13
Bijlage 1. Plattegrond landschappelijk inpassingsplan
4.1
Landschappelijk inpassingsplan 12
4
Plangebied & Historie 9 landschapsbeleid Oss 10
Gewenste ontwikkeling 11
2.1 2.2
Plangebied en omgeving 8
3
2
1
INHOUDSOPGAVE
LEESWIJZER Deze rapportage bestaat uit drie delen. Het eerste deel geeft een overzicht van de omgeving en de huidige situatie van het plangebied. In het tweede deel wordt de gewenste ontwikkeling/uitbreiding beschreven. Deel 3 vormt de tekening met een toelichting van het landschappelijk inpassingsplan.
DOEL De doelstelling van het landschappelijke inpassingsplan is het verhogen van de natuur en de landschapswaarde en het vergroten van de cultuurbeleving. De investering die wordt gedaan dient in verhouding te staan met de omvang van de ontwikkeling. Deze rapportage geeft inzicht in de analyse van het landschap waarin de ontwikkeling geprojecteerd wordt. De landschappelijke inpassing van de woning wordt hier omschreven en er wordt aangegeven op welke wijze deze vormgegeven is.
Op basis van artikel 3.9 dient voor de bouw van een woning aan de Haagstraat een landschappelijk inpassingsplan te worden opgesteld. De beoordeling of aan de kwaliteitsverbetering wordt voldaan, wordt per individuele case bepaald. In onderhavige rapportage is een invulling gegeven aan de landschappelijke inpassing.
De ruimtelijke kwaliteit van het landschap en met name het buitengebied is één van de provinciale belangen. De uitwerking hiervan heeft de provincie vastgelegd in artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Onder kwaliteitsverbetering van het landschap wordt verstaan dat ruimtelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied een bijdrage dienen te leveren aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de aanwezige ruimtelijke kwaliteit.
Deze rapportage omvat het landschappelijk inpassingsplan voor de gewenste nieuwbouw van een woning aan de Haagstraat te Oss. Deze rapportage is opgesteld na de uitspraak voor principemedewerking van de gemeente Oss in samenwerking met MILON bv.
1 Inleiding
Landschappelijk inpassingplan woningbouw Haagstraat te Oss 7
Landschappelijk inpassingplan woningbouw Haagstraat te Oss
8
gel
het plangebied en zijn omgeving (Dolmans L+P, google maps januari 2022).
DORPSKERN HEESCH
A59
l
singe
a Julian
DORPSKERN OSS
Nieuwbouwlocatie Haagstraat
dsin aar w u R
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het plangebied in haar omgeving. Hierbij wordt aandacht besteedt aan de ontstaansgeschiedenis en de huidige situatie van het plangebied.
2 Plangebied en omgeving
Nieuwe Hescheweg
BEDRIJVENTERREIN
Herperduin
plangebied
1925
luchtfoto met plangebied (Dolmans L+P, januari 2022).
plangebied
Het plangebied grenst aan de noord- en zuidzijde aan een burgerwoning met weide met verderop een bosgebied. Ten zuidwesten bevinden zich landbouwpercelen en de bedrijfshallen van DFM bloemen en planten. In het oosten liggen agrarische gronden met verderop een manege.
Het plangebied is gelegen in de groenbuffer tussen de dorpskernen Oss en Heesch. De nabije omgeving kenmerkt zich door een kleinschalig overwegend agrarisch landschap omringd door bosgebieden. Percelen worden afgebakend met houtsingels en op diverse plekken staan solitaire ‘landschapsbomen’ die vaak de hoekpunten van kavelgrenzen aanduiden.
plangebied
2.1 Plangebied & historie
Groenstructuren moeten wijken voor agrarische percelen. Op de kaart van 1975 worden door de ruilverkaveling de kavels steeds groter van omvang. De stroken verkaveling verdwijnt en biedt ruimte aan grootschaligere landbouw.
50 jaar later zijn de heidegebieden grotendeels veranderd in bosgebieden. De agrarische percelen nemen toe in omvang en de wegenstructuur wordt langzaam intensiever.
Op de kaart van 1875 kenmerkt de omgeving van de ‘Haagstraat’ zich door grote heidegebieden met aangrenzende bosstroken. Daarnaast zijn er kleinschalige langgerekte percelen aanwezig. Het gebied binnen de plangrenzen bestaat uit bos en landbouwgrond.
Met historische kaarten wordt de verandering van een gebied inzichtelijk. In de hiernaast weergegeven afbeeldingen wordt aandacht besteed aan het plangebied en zijn omgeving in de tijdsperiode van 1875 tot 1975.
Historische kaarten
Landschappelijk inpassingplan woningbouw Haagstraat te Oss 9
1875 1975
Landschappelijk inpassingplan woningbouw Haagstraat te Oss
10
Landschapstypen (Landschapsbeleid gemeente Oss, september 2015).
Plangebied
Voor het gebied tussen Oss en Heesch (ook wel de zuidelijke geledingzone genoemd) is een visie ontwikkeld. Insteek is herstel van het oude kampenlandschap met bosjes, houtwallen en –singels en andere landschappelijke elementen. Het maken van ecologische verbindingen tussen de Geffense Bosjes, Herperduin en de Maashorst is belangrijk.
De grote verschillen tussen de landschappelijke eenheden zijn bepalend voor de kwaliteit van het Osse landschap. Vooral ook omdat deze dicht bij elkaar liggen. De onderscheiden landschapstypen zijn uiterwaard, oeverwal, komgebied, dekzandrand en dekzandrug. Binnen deze landschapstypen is er sprake van een verdergaande differentiatie en verfijning. Tussen deze landschapstypen zijn er verschillen in de ruimtelijke karakteristiek, identiteit, beleving, aanwezige functies en in flora en fauna.
2.2 Landschapsbeleid Oss
Bij de invulling van het landschappelijk inpassingsplan is rekening gehouden met de kenmerken van het landschaptype waarbinnen het plangebied zich bevindt.
Het plangebied is gelegen in een uitloper van de typologie ‘Dekzandrug - kamp- & heideontginning. Het aangrenzende landschapstype (‘dekzandrug - stuifduinen & boscomplex’) is in het landschap goed zichtbaar vanwege de aanwezige boscomplexen in de nabijheid van het plangebied.
Daarnaast is het dynamische karakter van de ligging tegen de stadsrand een belangrijk uitgangspunt voor ontwikkelingen.
Op naastgelegen afbeelding is de gewenste ontwikkeling zichtbaar gemaakt.
De initiatiefnemer is voornemens het bestaande terrein, dat agrarisch in gebruik is, te voorzien van een nieuwbouwwoning.
3 Gewenste ontwikkeling
indicatieve positionering van gewenste woning (bron: Edo Meijs, maart 2021)
PLATTEGROND TOEVOEGEN
Landschappelijk inpassingplan woningbouw Haagstraat te Oss 11
Landschappelijk inpassingplan woningbouw Haagstraat te Oss
12
De inrichting is gebaseerd op de landschappelijke waarden en historie van het gebied. Het doel is om het initiatief als geheel in het landschap op te nemen.
Om ervoor te zorgen dat de woning op een landschappelijke en duurzame manier worden ingepast is onderstaand en in bijlage 1 de tekening van het landschappelijk inpassingsplan toegevoegd.
4 Landschappelijk inpassingsplan
uitsnede landschappelijk inpassingsplan
1. 2. 3. 4. 5. 6.
Herstellen kavelrand beplanting Erfbeplanting op perceelsgrens (Beukenhaag) Handhaven waardevolle bomenrij Verlengen boomstructuur (Zomereiken 5 stuks) Handhaven zandpad Verwijderen van bestaande opstallen
Onderdelen van het landschappelijk inpassingsplan zijn:
Quercus robur - plantmaat 18/20
De bestaande boomstructuur van Zomereiken wordt verlengd in zuidelijke richting. Er worden een vijftal Zomereiken aangeplant. Hiermee wordt deze structuur versterkt en biedt dit een breder habitat voor diverse flora en fauna. De boomstrucuur zal in de toekomst een lijn element vormen welke ook gebruik wordt door vleermuizen om te navigeren in het gebied.
4. Verlengen boomstructuur door aanplant Zomereiken
Toe te passen soorten: - Rhamnus frangula (Vuilboom) - Viburnum opulus (Gelderse roos) - Amelanchier lamarckii (Krent) - Prunus spinosa (Sleedoorn) - Hulst (Ilex aquifolium)
Vanuit het landschapsbeleid Oss wordt kavelrandbeplanting gezien als een landschappelijk kwaliteit in het gebied. De noordwestgrens van het plangebied zal worden aangeplant met gebiedseigen beplanting zodat een waardevol struweel met een breedte van 4 meter ontstaat.
1. Herstellen kavelrand beplanting
4.1 Toelichting van de landschappelijke inpassing
4. Handhaven zandpad Uit het landschapsbeleid van de gemeente Oss wordt als kwaliteit van het gebied (dekzandrug) het behoud van zandpaden als aandachtspunt benoemd. Het aanwezig zandpad zal dan ook gehandhaafd blijven.
De afscheidingen op het terrein zullen voor een groot gedeelte uit hagen bestaan. Zo wordt er gebruik gemaakt van lage en hoge Beukenhagen. Voor de rooilijn zullen de hagen maximaal 1 m hoog worden en achter de rooijlijn kan dit oplopen tot maximaal 2 m.
2. Erfbeplanting op perceelsgrens (Beukenhaag)
Een solitair boomgroep is vaak een markant herkenningspunt in het landschap. Ze zijn van belang als broedplaats voor vogels.
Deze bomenrij parallel aan de perceelsgrens zal behouden blijven. Het gaat hiebij om een 4-tal Zomereiken en een Kastanje. De kroonprojecten van de bomen vrijhouden van verharding en bebouwing
Op en nabij het perceel staan een tweetal bijgebouwtjes welke gebruikt worden voor opslag. Doordat deze rommelig ogen doen ze afbreuk aan het landschap. Deze zullen ook worden afgebroken zodra er een woning gevestigd mag worden op het perceel.
6. Verwijderen van bestaande opstallen
3. Handhaven waardevolle boomgroep
Landschappelijk inpassingplan woningbouw Haagstraat te Oss 13
de heer R. van Heeswijk
Datum:
06-10-2022
Contactpersoon: Koen van Ham Koen.van.ham@dolmanslp.com + 31 (0)40 295 29 90
Projectlocatie: Haagstraat ongenummerd te Oss Opdrachtnemer: Dolmans l+p ontwerpers en adviseurs Urkhovenseweg 39a 5641 KA Eindhoven
Opdrachtgever:
Initiatiefnemer: MILON bv Rembrandtlaan 4 5462 CH Veghel
Colofon
website www.dolmanslp.com
telefoon (040) 295 29 90
5641 KA Eindhoven
Urkhovenseweg 39a
Dolmans landscaping group L+P ontwerpers en adviseurs
Bijlage 2
- Quickscan Wet natuurbescherming
Quickscan Wet natuurbescherming Haagstraat ong. te Oss Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon
Status:
Definitief
Project:
2022-0194
Datum:
4 maart 2022
Samensteller:
ing. G. Fairhurst
Collegiale toets:
ing. M.A. Brinkbaumer
Opdrachtgever:
Milon – zuiver in advies & onderzoek
Contactpersoon:
R. van Heeswijk
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud 1 Inleiding
4
1.1
Planlocatie
5
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep
6
2 Methode
7
2.1
Uitvoering onderzoek
7
2.2
Soortenbescherming
7
2.3
Gebiedsbescherming
8
2.4
Houtopstanden
9
2.5
Houdbaarheid en toepassing
10
3 Beoordeling
11
3.1
Soortenbescherming
11
3.2
Gebiedsbescherming
15
3.3
Houtopstanden
17
4 Samenvatting
18
4.1
Soortenbescherming
18
4.2
Gebiedsbescherming
18
4.3
Houtopstanden
18
5 Conclusie
19
5.1
Conclusie
19
5.2
Uitvoerbaarheid
19
5.3
Vervolgstappen
19
5.4
Te treffen maatregelen
19
1 Inleiding Aan de Haagstraat ong. nabij nr. 3-5 te Oss is een woonperceel en agrarisch perceel met opstallen gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens het huidig woonvlak te vergroten, de bestaande opstallen op de planlocatie te slopen en een aantal bomen te kappen ten behoeve van één nieuwe woning. Het bestemmingsplan voorziet niet volledig in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd van ‘Agrarisch met waarden’ naar ‘Wonen’. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Milon – zuiver in advies & onderzoek begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid. Onderzoeksdoelen • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art.
3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?
Figuur 1.1
De planlocatie is gelegen aan de Haagstraat ong. te Oss. Rechts betreft loods b. 4
1.1
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Haagstraat ong. nabij nr. 3-5 te Oss (figuur 1.2). Het betreft een grasperceel (agrarisch) en woonperceel met bomen met daartussen een half verhard pad dat naar Haagstraat nr. 5 leidt. Er zijn 4 opstallen aanwezig: a. kapschuur volledig opgetrokken uit damwandplaten; b. loods opgetrokken uit damwandplaten, gaas en een plat dak; c. lage schuur opgetrokken uit damwandplaten, houtpanelen en een golfplaten dak; d. voormalige kippenhok opgetrokken uit houtpanelen, glas en een golfplaten dak. Geen van de opstallen bevatten een spouwmuur of dakbeschot. Omliggend groen betreft een bomenrij van zomereik en een opstand sparren en populieren. Oppervlaktewater ontbreekt op de planlocatie. In figuur 1.3 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Haagstraat ong. te Oss. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door een landelijke en bosrijke omgeving. Circa 250 meter ten noorden ligt de bebouwde kom van Oss en aan de zuid-, oost- en westzijde liggen verscheidene agrarische percelen met een afwisseling van groenstructuren. Op circa 1,7 km ten oosten ligt het natuurgebied de Herperduin (onderdeel van de Maashorst).
5
Figuur 1.3 Fotografische indruk van de planlocatie met kapschuur a.
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft het vergroten van het woonvlak, slopen van de aanwezige opstallen, kappen van een aantal bomen en de realisatie van één woning. De functie van het perceel dient te wijzigen van ‘Agrarisch met waarden’ naar ‘Wonen’. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • slopen van opstallen: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • kappen van bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
6
2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.
2.1
Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 22 februari 2022 en is uitgevoerd door ing. G. Fairhurst. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 8/8 bewolkt, 8 Celsius en windkracht 2 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.
7
5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of
bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11) . Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden.
Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van provincie Noord-Brabant is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.1
Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie NoordBrabant.
Vrijgestelde soorten Aardmuis
Gewone pad
Ree
Bastaardkikker
Haas
Rosse woelmuis
Bosmuis
Huisspitsmuis
Tweekleurige bosspitsmuis
Bruine kikker
Kleine watersalamander
Veldmuis
Dwergmuis
Konijn
Vos
Dwergspitsmuis
Meerkikker
Wild zwijn
Egel
Ondergrondse woelmuis
Woelrat
Gewone bosspitsmuis
2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid (provincie Noord-Brabant) Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening.
8
Natuurnetwerk Brabant Binnen het Natuurnetwerk Brabant geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingplan van toepassing op het Natuurnetwerk Brabant strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken. Binnen het Natuurnetwerk Brabant gelden regels omtrent nieuwe ontwikkelingen. Zo is bijvoorbeeld het realiseren van nieuwvestiging toegestaan als een deel van het desbetreffende NNB door stedelijke gebied loopt, en de nieuwvestiging geen aantasting geeft aan de ecologische waarden en kenmerken van het NNB. Wanneer er sprake is van een groot openbaar belang en er geen alternatieven zijn, zijn ontwikkelingen binnen het NNB ook mogelijk. Bij verlies van ecologische waarden en kenmerken geldt een compensatieplicht. Groenblauwe mantel De provincie streeft naar samenhangende aanpak van natuur, landschap en water die de omgevingskwaliteit en recreatiemogelijkheden versterkt en waardoor de gevolgen van klimaatveranderingen voor de natuur en het watersysteem beter kunnen worden opgevangen. Om de robuustheid van het systeem te bevorderen, zijn er gebieden opgenomen als verbinding tussen het Natuurnetwerk Brabant en het Landelijk gebied; de Groenblauwe mantel. Het beleid in de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap.
Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het NNB. Binnen de groenblauwe mantel is volop ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties zoals landbouw en recreatie, met een meer extensief karakter en als die bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap. De ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve functies, zoals stedelijke ontwikkeling of intensieve vormen van recreatie of en landbouw (zoals de bouw van kassen, (bezoekers-)intensieve recreatie, of concentratiegebieden voor intensieve landbouwfuncties) passen minder bij het karakter van deze gebieden. Daarom geldt binnen de groenblauwe mantel soms aanvullende regels voor de ontwikkeling van die functies. Het concrete beleid in een gebied behorend tot de groenblauwe mantel is uitgewerkt door de desbetreffende gemeente.
2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art.
4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
9
2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.
10
3 Beoordeling 3.1
Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen bekend van de volgende beschermde: brave hendrik, kartuizer anjer en kluwenklokje (NDFF 2012-2022). Kartuizer anjer en kluwenklokje zijn plantensoorten die beide groeien op zonnige, kalkhoudende en matig voedselrijke bodems. De planlocatie betreft een agrarisch perceel dat voorheen ook gebruikt werd als stortplaats. Op de planlocatie zijn voornamelijk sparren en zomereiken aanwezig. Dit resulteert tot verzuring van de humuslaag. Wegens voorgenoemde kan geconcludeerd worden dat op de planlocatie geen geschikte groeiplaatsen aanwezigheid van de kartuizer anjer en kluwenklokje. Brave hendrik geeft de voorkeur aan zonnige groeiplaatsen op zeer verstoorde bodems.
Doordat de planlocatie op de rand ligt van een voormalige stortplaats is er sprake van een verstoorde bodem, echter door de aanwezigheid van veel bomen zijn er zeer beperkt zonnige standplaatsen aanwezig. Hierdoor kan ook aanwezigheid van brave hendrik uitgesloten worden. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: gewone braam, gewone paardenbloem, gewone vlier, kleine brandnetel, kleine veldkers, paarse dovenetel, populier, ridderzuring, spar en zomereik. Op de muren van de opstallen is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bosmuis, bruine rat, bunzing, das, egel, haas, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis en vos (NDFF 2012-2022).
Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bunzing, das, rode eekhoorn en steenmarter. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. De bunzing en steenmarter geven de voorkeur aan kleinschalige leefgebieden met een afwisseling van groenstructuren als houtsingels, ruigte begroeiing en natuurlijke oevers. Takkenstapels en (oude) konijnenholen worden gebruikt als rust- en voortplantingsplaats. De steenmarter maakt hierbij ook gebruik van oude stallen en schuren. Bij aanwezigheid van dergelijk verblijfplaatsen zijn dan veelal sporen aanwezig als latrines, uitwerpselen en prooiresten. De planlocatie is grondig geïnspecteerd op aanwezigheid van dergelijke sporen, deze zijn ten tijde van het veldbezoek niet aangetroffen. Daarnaast kan aanwezigheid van essentieel leefgebied uitgesloten worden door het kleine formaat van de planlocatie en de aanwezigheid van verschillende groenstructuren in de directe omgeving, waar minder verstoring plaats vindt en meer voedsel te vinden is. Aantasting, alsmede negatieve effecten op de bunzing en steenmarter zijn uitgesloten. 11
De das geeft de voorkeur aan kleinschalige landschappen met afwisseling van bosschages, houtsingels, maïsakker en paardenweides. Op de planlocatie zijn voornamelijk opstallen en puin aanwezig, welke niet voorzien in geschikte foerageerplaatsen voor de das. Daarnaast ontbreekt het aan sporen als wissels, burchten, latrines, prenten en neusputjes, welke aanwezigheid van de das aantonen. Tevens is er geen sprake van essentieel leefgebied of wissels aanwezig. Negatieve effecten op de das zijn uitgesloten. De rode eekhoorn leeft in bossen, parken en landgoederen met bomen van voldoende formaat om geschikte nestplaatsen in te bouwen. Op de planlocatie zijn een aantal bomen aanwezig waaronder populier, spar en zomereik. Hierin zijn geen nestplaatsen van de rode eekhoorn aangetroffen. Mogelijk komt de soort sporadisch op de planlocatie en de directe omgeving. Echter maakt de planlocatie geen deel uit van het essentieel leefgebied van de rode eekhoorn. Negatieve effecten op de soorten zijn uitgesloten. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat de planlocatie een essentiële functie bevat voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, vos en veldmuis.
Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art. 3.10). Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (NDFF 2012-2022). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten.
Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. In één van de populieren is een kleine holte aangetroffen. Echter door de beperkte ruimte hiervan, aanwezigheid van boomsappen en de slechte aanvliegroute (door voorhangende takken) kan aanwezigheid van een verblijfplaats van boombewonende vleermuizen uitgesloten worden. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. De te slopen opstallen zijn nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. Het kippenhok en de lage schuur (c. en d.) zijn door de opbouw van panelen, damwandplaten en afwezigheid van openingen, welke leiden naar geschikte verblijfsruimte, ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen.
De open kapschuur (a.) is opgebouwd uit damwandplaten en het ontbreekt aan spouw en/of dakruimtes die gelegenheid bieden tot geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen. De loods (b.) is volledig opgebouwd uit damwandplaten met een plat dak. Er zijn geen openingen aanwezig die leiden tot geschikte rust- en verblijfplaatsen voor vleermuizen. Aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen op de planlocatie is uitgesloten.
12
Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Wegens de kleinschaligheid van de planlocatie is er geen sprake van een essentieel foerageergebied. De planlocatie staat niet in verbinding of maakt onderdeel uit van een essentiële vliegroute. Ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep worden deze structuren dan ook niet aangetast. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kamsalamander, kleine watersalamander, poelkikker, rugstreeppad en vinpootsalamander (NDFF 2012-2022). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Alpenwatersalamander, heikikker, kamsalamander, poelkikker, rugstreeppad en vinpootsalamander. Amfibieën leven zowel in een aquatisch als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden (zomerhabitat) en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Op de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig, daarnaast is er sprake van een verstoorde omgeving.
Hierdoor kan aanwezigheid van voortplantingswater en zomerhabitat uitgesloten worden. Daarnaast ontbreekt het aan geschikt voortplantingswater in de directe omgeving. Over het algemeen ligt het winterhabitat in de nabijheid van het voortplantingswater. Hierdoor kan aanwezigheid van beschermde amfibieën uitgesloten worden op de planlocatie. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende inheemse reptielen: hazelworm en levendbarende hagedis (NDFF 2012-2022). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Voornamelijk de hazelworm en levendbarende hagedis geven door voorkeur aan (half) open bossen met rijke strooisel laag.
Gezien de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen essentieel leefgebied van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 20122022). Daarnaast bevindt er binnen de invloedssfeer van de beoogde ruimtelijke ingreep geen oppervlaktewater. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: grote vos (NDFF 2012-2022). Grote vos komt voornamelijk voor in (open) bossen, bosrangen en boomgaarden. Waardplanten betreffen iep en zoete kers. Wegens het ontbreken van deze soorten op de planlocatie, is er geen sprake van essentieel leefgebied van grote vos. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde ongewervelden.
13
Ten aanzien van insecten en andere ongewervelden is er geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: buizerd, heggenmus, koolmees, merel en roodborst. Gedurende het veldbezoek zijn nesten en/of sporen niet aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2012-2022). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017).
Alle aanwezige opstallen zijn opgetrokken uit damwandplaten of panelen met een damwandplaten of golfplaten dak zonder dakbeschot. Hierdoor ontbreekt het aan geschikte nestlocaties. Daarnaast kan aanwezigheid van essentieel leefgebied uitgesloten worden door de aanwezigheid van veel hoge bomen (verhoogde kans op predatie) en de afwezigheid van groenblijvende struiken en hagen. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Gezien de soort niet direct vanuit zijn nest kan opstijgen, moet hij zich naar beneden kunnen laten vallen. Voedselvluchten kunnen op vele kilometers (tot wel 1000 km) van het nest plaatsvinden, waardoor het foerageergebied niet nader te definiëren is. In de opstallen zijn geen geschikte openingen en ruimten aanwezig die geschikt zijn als nestlocatie voor de gierzwaluw. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. Rondom de bebouwing en tussen de sparren zijn geen sporen van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil, steenuil of ransuil) aangetroffen.
Hierdoor kan aanwezigheid van een nest- of rustplaats van uilensoorten uitgesloten worden. Er zijn tevens geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van nesten van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en havik kan uitgesloten worden. Op de planlocatie is ook geen sprake van functioneel leefgebied van roofvogelsoorten, wegens de kleinschaligheid van de planlocatie en de afwezigheid van voldoende afwisselende structuren. Ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nesten is geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken en bomen vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli.
Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de kap- en sloopwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
14
3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 13,7 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (figuur 3.1).
Figuur 3.1 De planlocatie ligt op een afstand van circa 13,7 km tot het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van één woning. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een zeer beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. De Wet natuurbescherming bevat ten gevolge van de Stikstofwet per d.d. 1 juli 2021 een partiële vrijstelling voor activiteiten gedurende de bouwfase. Hiermee kunnen de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door aangewezen activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing worden gelaten (Wnb art. 2.9a).
De juridische status van deze partiële vrijstelling kan in de toekomst wijzigen. Als activiteiten van de bouwsector worden aangewezen (algemene maatregelen van bestuur stikstofreductie en natuurverbetering): a. het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; b. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen.
15
Gezien er sprake is van een grote afstand (13,7 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven. Provinciaal aangewezen gebieden (Noord-Brabant) De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Natuurnetwerk Brabant of de Groenblauwe mantel. Op een afstand van circa 70 m ligt het Natuurnetwerk Brabant (figuur 3.2). Op een afstand van circa 1,2 km ligt de Groenblauwe mantel (figuur 3.3). Ten aanzien van het Natuurnetwerk Brabant geldt dat externe werking (o.a. geluid, licht of betreding) een toetsingskader biedt. Door de afstand van 70 m met daartussen een woning en opstallen kunnen negatieve effecten ten aanzien van licht, geluid en trillingen uitgesloten worden. Daarnaast resulteert de beoogde ontwikkeling niet tot betreding of schaduwwerking van het Natuurnetwerk Brabant. Negatieve effecten op provinciaals beschermde natuurgebieden is uitgesloten.
Figuur 3.2 De planlocatie ligt op een afstand van circa 70 m tot het Natuurnetwerk Brabant (bron: noordbrabant.tercera-ro.nl).
16
Figuur 3.3 De planlocatie ligt op een afstand van circa 70 m tot het Natuurnetwerk Brabant (bron: noordbrabant.tercera-ro.nl)
3.3 Houtopstanden Wet natuurbescherming In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Algemene Plaatselijke Verordening Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
17
4 Samenvatting 4.1
Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1
Overzicht van de Soortenbescherming.
Soortgroep
Bescherming Wnb
Soortspecifiek onderzoek
Planten
Nee
Grondgebonden zoogdieren
Nee
Vleermuizen
Nee
Amfibieën
Nee
Reptielen
Nee
Vissen
Nee
Insecten en andere ongewervelden
Nee
Vogels (cat. 1 t/m 4)
Nee
Vogels (Algemeen en cat. 5)
Nee
Mogelijke functie planlocatie
4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden of provinciaals beschermde gebieden geen sprake. Een Aerius-berekening Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Tabel 4.2
Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming
Afstand
Effecten
Nader onderzoek
Natura 2000
13,7 km
Geen
N.v.t.
Natuurnetwerk Brabant
70 m
Geen
N.v.t.
Groenblauwe mantel
1,2 km
Geen
N.v.t.
4.3 Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
18
5 Conclusie 5.1
Conclusie De beoogde sloop van diverse opstallen ten behoeve van de realisatie van één woning aan de Haagstraat ong. te Oss is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
5.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels (in het kader van algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.
5.3 Vervolgstappen De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.
5.4 Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Mogelijke overwinteringslocaties van algemene amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april.
• De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
19
Bronvermelding Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Buizerd (Buteo buteo) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.kaartbank.brabant.nl www.ndff.nl www.noord-brabant.tercera-ro.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
Bijlage 1
Fotografische impressie
20
Bijlage 1
Fotografische impressie
Figuur 1
Het voormalige kippenhok (d.).
Figuur 2
De loods (b.) heeft tussen de damwandplaten gaas.
21
Figuur 3
De lage schuur (c.).
Figuur 4
De planlocatie, links de kapschuur (a.) en rechts de loods (b.).
22
Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288
blomecologie.nl 23
Bijlage 3
- Stikstofdepositietoets
STIKSTOFDEPOSITIEONDERZOEK HAAGSTRAAT 3-5 OSS
1
De Roever Omgevingsadvies Rembrandtlaan 4 5462 CH Veghel T 073 594 10 11 E info@deroever.nl W www.deroever.nl NL97 RABO 0122 6903 11 Advies- en ingenieursbureau J.G. de Roever B.V. KvK 16068733 BTW NL 8015.63.136.B.01
Titel document: Referentie: Datum: Opdrachtgever:
Stikstofdepositieonderzoek Haagstraat 3-5 in Oss Milon.20221212.v02 8 mei 2023 Milon
Stikstofdepositieonderzoek Haagstraat 3-5 in Oss Datum: 8 mei 2023 ; Referentie: Milon.20221212.v02
2
INHOUDSOPGAVE 1.
INLEIDING ....................................................................................................................................... 4
1.1. 1.2.
Algemeen ..................................................................................................................................... 4 Ligging van het plangebied .......................................................................................................... 5
2.
WETTELIJK KADER ...................................................................................................................... 6
2.1. 2.2. 2.3. 2.4. 2.5.
Wet natuurbescherming .............................................................................................................. 6 Programma Aanpak Stikstof (PAS) ............................................................................................. 6 Beleidsregels intern en extern salderen ...................................................................................... 6 Referentiesituatie ......................................................................................................................... 7 Wet stikstofreductie en natuurverbetering ................................................................................... 7
3.
REKENONDERZOEK ..................................................................................................................... 8
3.1. Uitgangspunten aanlegfase ......................................................................................................... 8 3.1.1. Mobiele werktuigen .............................................................................................................. 8 3.1.2. Bouwverkeer ........................................................................................................................ 9 3.2. Uitganspunten gebruiksfase ...................................................................................................... 11 3.2.1. Verkeer .............................................................................................................................. 11 3.2.2. Stookinstallaties ................................................................................................................. 11 3.3.
Berekeningswijze ....................................................................................................................... 12
4. CONCLUSIES ............................................................................................................................... 13 BIJLAGE I. METHODIEK KENTALLEN AANLEGFASE WONINGBOUW ................................... 14 BIJLAGE II. AERIUS BEREKENING AANLEG ............................................................................... 15 BIJLAGE III. AERIUS-BEREKENING GEBRUIK .......................................................................... 16
Stikstofdepositieonderzoek Haagstraat 3-5 in Oss Datum: 8 mei 2023 ; Referentie: Milon.20221212.v02
3
1.
INLEIDING
1.1.
Algemeen
Initiatiefnemer heeft het planvoornemen om 1 vrijstaande woning tussen Haagstraat 3 en 5 in Oss te realiseren. In het kader van deze ontwikkeling moet het huidige bestemmingsplan worden herzien. Als onderdeel hiervan is een stikstofdepositieonderzoek voor de aanlegfase en gebruiksfase uitgevoerd. Het plangebied is kadastraal bekend als perceel 627, sectie M te OSS00 (Oss). Op afbeelding 1 is de locatie van het plangebied weergegeven.
Afbeelding 1. Locatie plangebied. Bron: kadastalekaart.com
Stikstofdepositieonderzoek Haagstraat 3-5 in Oss Datum: 8 mei 2023 ; Referentie: Milon.20221212.v02
4
1.2.
Ligging van het plangebied
De ligging van het plangebied en de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden met stikstof gevoelige habitattypen zijn weergegeven op afbeelding 2. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied betreft ‘Rijntakken’ en is gelegen op een afstand van circa 13 kilometer vanaf het plangebied. Dit is tevens een Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitats.
Afbeelding 2. Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden Bron: AERIUS Calculator
Stikstofdepositieonderzoek Haagstraat 3-5 in Oss Datum: 8 mei 2023 ; Referentie: Milon.20221212.v02
5
2.
WETTELIJK KADER
2.1.
Wet natuurbescherming
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. In deze wet worden drie eerdere wetten vervangen. Het gaat om de Natuurbeschermingswet 1998 (Nb-wet) inclusief het Programma Aanpak Stikstof, de Boswet en de Flora- en faunawet. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is ondervangen in onderdeel gebiedsbescherming (vervangt Nb-wet). Voor bestemmingsplannen is het toetsingskader voor deze gebieden in de basis ongewijzigd gebleven ten opzichte van de Nb-wet. Als (een wijziging van) een bestemmingsplan negatieve gevolgen heeft voor de Natura 2000gebieden kan het plan in beginsel niet worden vastgesteld. In dat geval moet het bevoegd gezag volgens artikel 2.8, van de Wet natuurbescherming (Wnb) eerst een passende beoordeling opstellen. Uit de passende beoordeling moet blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan. Eventueel worden maatregelen opgenomen die getroffen worden om dit te bereiken. Als niet aangetoond wordt dat aan de instandhoudingsdoelstellingen voldaan wordt, kan het plan geen doorgang vinden. Met behulp van een voortoets kan het bevoegd gezag bepalen of op voorhand negatieve gevolgen uit te sluiten zijn. Hierbij moet voor de gewenste situatie worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden.
Voor plannen die ten opzichte van de uitgangssituatie op het referentiemoment geen significante toename in stikstofdepositie veroorzaken, zijn negatieve effecten ten aanzien van dit aspect uit te sluiten. In dat geval hoeft geen passende beoordeling te worden opgesteld.
2.2.
Programma Aanpak Stikstof (PAS)
Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019, kan de PAS niet meer worden gehanteerd als toetsingskader op grond van de Wet natuurbescherming. Inmiddels is een nieuwe versie van het rekenprogramma AERIUS Calculator uitgebracht. Met deze nieuwe tool is de depositie op de stikstofgevoelige natuurgebieden berekend. Hoe de resultaten worden beoordeeld, is aan het bevoegd gezag.
2.3.
Beleidsregels intern en extern salderen
Vanwege de vernietiging van het PAS is het voor het bevoegd gezag niet mogelijk om toestemmingen te verlenen voor projecten waarvoor ontwikkelingsruimte nodig is. Om aan te tonen dat een project geen significant effect heeft op de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden bestaan de volgende mogelijkheden: - aantonen dat in de beoogde situatie geen effect (stikstofdepositie < 0,00 mol/ha/jaar) op de omliggende stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden optreedt. - middels intern of extern salderen aantonen dat in de beoogde situatie geen sprake is van een stikstoftoename met significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden ten opzichte van de referentiesituatie. - middels een ecologische voortoets onderzoeken of significante negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen kunnen worden uitgesloten. Een ecologische voortoets is een mogelijkheid voor activiteiten die enkel zorgen voor een stikstofdepositie op hectares waarvan de kritische depositiewaarde (KDW) niet wordt overschreden. Stikstofdepositieonderzoek Haagstraat 3-5 in Oss Datum: 8 mei 2023 ; Referentie: Milon.20221212.v02