Bijlage 1A Toelichting BP Kerkstraat-Zevenbergseweg Berghem - 2023
Tekst van het document
Tritium stelt dat uit de berekening van het groepsrisico volgt dat na de realisatie van de beoogde 38 woningen het groepsrisico licht toeneemt. Het behelst echter een marginale stijging. Bovendien neemt het aantal potentiële slachtoffers met de beoogde ontwikkeling niet toe. Het planvoornemen heeft dan ook geen significant negatief effect op de hoogte van het groepsrisico. Omdat het plangebied wel binnen het invloedsgebied van het spoor is gelegen en het groepsrisico desalniettemin toeneemt, is een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. In het rapport van Tritium is een verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen planologische belemmering voor het plan. 5.6.4 Geurhinder: agrarisch De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld.
Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2017”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: • de burger beschermen tegen geurhinder; • de veehouderijen niet onnodig beperken; • ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Kerkstraat-Zevenbergseweg Berghem – 2023, pag. 51 van 71 Vastgesteld april 2025
In de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017 wordt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object binnen de gemeente Oss vastgelegd. Conform Artikel 3 Waarden voor de geurbelasting van de verordening zijn de volgende waarden vastgelegd: Lid 1. Op grond van artikel 6, lid 1 van de wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2, lid 1 van deze verordening: A. Stad Oss
1,0 Ou
B. Woonkern met geen/enige intensieve veehouderij
2,0 Ou
C. Plangebied (bij kern A en B)
3,0 Ou
D. Woonkern met intensieve veehouderij
6,0 Ou
E. Zoekgebied + plangebied Maren-Kessel West en Liesdaal
6,0 Ou
F. Recreatiegebieden
8,0 Ou
G. Extensiveringsgebieden
8,0 Ou
H. Bedrijventerreinen
8,0 Ou
I. Bedrijventerrein Vorstengrafdonk
12,0 Ou
J. Verwevingsgebied
14,0 Ou
K. Landbouwontwikkelingsgebied
14,0 Ou
Analyse De gemeente Oss heeft in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij de 'Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017' vastgesteld. Hieruit volgt dat de beoordeling omtrent het leefklimaat ter plaatse van onderhavig plangebied op basis van de indicatieve achtergrondbelasting ter attentie van geurhinder goed is. Daarnaast blijkt dat het initiatief geen belemmeringen geeft voor de omliggende veehouderijen, doordat er tussen de veehouderijen en het plangebied al woningbouw is gesitueerd. Conclusie Het aspect geurhinder veehouderijen vormt geen planologische belemmering voor het plan. 5.6.5 Geur: industrieel Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: • als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; • als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; • de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen.
De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing.
Kerkstraat-Zevenbergseweg Berghem – 2023, pag. 52 van 71 Vastgesteld april 2025
Analyse Onderhavig planvoornemen is niet gelegen in de buurt van industrieterreinen of bedrijven die een geuremissie hebben die het planvoornemen kan schaden. Het aspect ‘industriële geurhinder’ is geen beperkende factor voor het plan. Conclusie Het aspect industriële geurhinder vormt geen planologische belemmering voor het plan. 5.6.6 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit.
Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBMproject is. Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan.
De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit.
Kerkstraat-Zevenbergseweg Berghem – 2023, pag. 53 van 71 Vastgesteld april 2025
Analyse Effecten plan op luchtkwaliteit In de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)" zijn categorieën van gevallen genoemd die niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Zo is een project met maximaal 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg één van de genoemde gevallen. Onderhavig plan omvat circa 38 woningen en betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Er is geen nader onderzoek nodig. Goed woon- en leefklimaat Op basis van de verkeersaantrekkende werking van het beoogd woonprogramma en het aandeel vrachtverkeer conform de richtlijnen van het CROW (publicatie 381 – Toekomstbestendig parkeren) is de NIBM-tool ingevuld. De uitkomst van de NIBM-tool geeft aan dat er geen nader onderzoek noodzakelijk is.
In de Wet milieubeheer zijn voor een groot aantal stoffen grenswaarden opgenomen, maar uit onderzoek blijkt dat langs wegen alleen overschrijdingen van de grenswaarden voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) kunnen optreden. Voor de overige stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wm treden naar verwachting nergens langs het Nederlandse wegennet overschrijdingen van deze grenswaarden op. Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit zijn daarom alleen de volgende criteria van toepassing: • 40 µg/m3 jaargemiddelde concentratie NO2; • 40 µg/m3 jaargemiddelde concentratie PM10; • 25 µg/m3 jaargemiddelde concentratie PM2,5; • 35 overschrijdingsdagen per jaar van de gemiddelde concentratie PM10. Het plan ligt niet in de nabijheid van zware industrie, (een concentratie van meerdere) intensieve veehouderijen of drukke vaarwegen. Uit de NSL monitoringstool blijkt dat voor 2021 de jaargemiddelde grenswaarden van 40 μg/m³ (voor NO2 en PM10) en 25 μg/m³ (voor PM2,5) niet worden overschreden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. De daggemiddelde norm van 50 μg/m³ voor PM10 mag maximaal 35 dagen per jaar worden overschreden.
Kerkstraat-Zevenbergseweg Berghem – 2023, pag. 54 van 71 Vastgesteld april 2025
Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat ter hoogte van het meest nabij gelegen toetspunt voor 2021 wat betreft het aantal overschrijdingsdagen voor PM10 sprake is van minder dan 35 overschrijdingsdagen (te weten 6,0). Om bovenstaande redenatie vormt het onderdeel luchtkwaliteit geen bezwaar tegen de beoogde ontwikkeling. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan. 5.6.7 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. Analyse Het plangebied is niet gelegen binnen een straal van 80 meter van een bovengrondse hoogspanningslijn.
Conclusie Straling van bovengrondse hoogspanningslijnen is geen beperkende factor voor het voorliggende initiatief. 5.6.8 Weg-, spoor- en industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan.
De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen. De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie.
Kerkstraat-Zevenbergseweg Berghem – 2023, pag. 55 van 71 Vastgesteld april 2025
Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluid producerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. Analyse Weg- en railverkeerslawaai op nieuwe woningen Het plan omvat nieuwe geluidgevoelige objecten die in de onderzoekszones van de Zevenbergseweg en de spoorlijn Oss - Nijmegen liggen. Door Cauberg Huygen B.V. is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de optredende geluidbelastingen vanwege weg- en railverkeer. De rapportage “Akoestisch onderzoek weg- en railverkeer; Kerkstraat te Berghem” (6 februari 2025, 05493-51325-07) is opgenomen als bijlage 9 bij dit bestemmingsplan.
Onderzocht is of wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarden, vervolgens of bij uitwerking hogere grenswaarde krachtens de Wet geluidhinder kunnen worden aangevraagd en waar zo nodig maatregelen moeten worden toegepast. Tevens is getoetst aan het gemeentelijk geluidbeleid. Uit de berekeningen kunnen de volgende conclusies worden getrokken: • De berekeningen laten zien dat ten gevolge van het wegverkeer op de Zevenbergseweg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. Deze weg vormt geen belemmering voor het bouwplan. • Ten gevolge van het railverkeer op spoorlijn Oss - Nijmegen wordt de voorkeursgrenswaarde van 55 dB overschreden. De maximaal berekende geluidbelasting bedraagt 72 dB, waarmee tevens de maximaal te ontheffen waarde van 68 dB wordt overschreden. Voor het bouwplan dient een hogere waarde procedure te worden doorlopen (zie bijlage 10 Besluit hogere waarde). De aan te vragen hogere waarden zijn gepresenteerd in bijlage V van de rapportage. Hierin is tevens aangegeven welke gevels ‘doof’ uitgevoerd dienen te worden. Dit wil zeggen dat er geen te openen delen in de gevel gerealiseerd mogen worden.
Het gaat hier om de oostgevel van woning 27 en 28, en de zuidgevel van woning 28 (als het geluidscherm niet verlengd wordt aan de oostzijde, zie paragraaf 6.3 in de rapportage) en alleen om de zuidgevel 1e verdieping woning 28 als het geluidscherm wel verlengd wordt tot aan het talud. Voor beide situaties is een overzicht gegeven van de aan te vragen hogere waarden in bijlage V van de rapportage. In het geval van een 'dove' gevel aanduiding wordt er nadrukkelijk geen hogere waarde verleend voor de weergegeven geluidbelasting. In het geval van een 'dove' gevel dient de geluidbelasting uitsluitend gehanteerd te worden in het kader van een aanvraag omgevingsvergunning voor het aspect 'bouwen' waar aangetoond dient te worden dat voldaan wordt aan de vereiste geluidwerende kwaliteit, die namelijk ook voor een 'dove' gevel geldt. • Bron- of overdrachtsmaatregelen om de geluidbelasting te reduceren tot onder de voorkeursgrenswaarde zijn niet doelmatig. • Bij de aanvraag hogere waarde stelt de gemeente Oss een aantal aanvullende randvoorwaarden. Deze randvoorwaarden zullen in het bestemmingsplan opgenomen worden. Aangezien niet alle woningen beschikken over een geluidluwe gevel op de 1e verdieping, vergt de woningindelingseis de nodige aandacht bij met name een deel van bouwblok A en B.
Voor verdere conclusies en aanbevelingen ten aanzien van de toetsing aan het gemeentelijk geluidbeleid, wordt verwezen naar hoofdstuk 7.6. van de rapportage.
Kerkstraat-Zevenbergseweg Berghem – 2023, pag. 56 van 71 Vastgesteld april 2025
In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarin geborgd wordt dat de noodzakelijke geluidwerende maatregelen in de openbare ruimte en aan de gevels worden gerealiseerd. Geluideffecten bij omliggende bestaande woningen Terwijl een geluidscherm een afschermende werking heeft voor de nieuwe woningen, kan deze door weerkaatsing voor geluidseffecten zorgen op de bestaande woningen. Door Cauberg Huygen B.V. is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de optredende geluidbelastingen op de omliggende woningen. De notitie “Nieuwbouwplan Kerkstraat in Berghem; geluideffecten bij omliggende bestaande woningen” (10 december 2024, 05493-60497-01) is opgenomen als bijlage 11 bij dit bestemmingsplan. De optredende geluidbelastingen op de gevels van de omliggende woningen door het railverkeer zijn berekend voor de huidige situatie (zonder bebouwing en geluidscherm) en voor de toekomstige situatie met het nieuwbouwplan inclusief het beoogde geluidscherm langs het spoor. Voor het nieuwe geluidscherm is uitgegaan van een geluidreflecterend scherm. Het toetsingscriterium voor de beoordeling van mogelijke geluidhinder als gevolg van de realisatie van het nieuwbouwplan inclusief geluidscherm langs het spoor is een maximaal toegestane toename van het geluid van 1 dB.
Ter hoogte van een beperkt aantal omliggende bestaande woningen worden toenames van het geluid, ten gevolge van de realisatie van het nieuwbouwplan, berekend van ten hoogste 2,82 dB. Enkel bij de woningen aan de Haargetouw neemt de geluidbelasting 1 dB of meer toe. Bij twee woningen, dit zijn Haargetouw 30 en 32, neemt de geluidbelasting met meer dan 1 dB toe én is de geluidbelasting boven de voorkeursgrenswaarde van 55 dB. Bij de overige woningen aan de Haargetouw is de geluidbelasting gelijk aan of beneden de voorkeursgrenswaarde, en/of blijft de toename in geluidbelasting beperkt tot 1 dB. Bij de overige omliggende woningen aan de Zevenbergseweg en de Bergereind zijn geen toenames in de geluidbelasting geconstateerd. Gezien de geconstateerde toenames in de geluidbelasting is onderzocht of geluidbeperkende maatregelen genomen kunnen worden om te toename van het geluid te voorkomen. Daartoe is voor het nieuwe geluidscherm uitgegaan van een geluidabsorberend scherm aan de spoorzijde. Uit de rekenresultaten volgt dat wanneer het nieuwe geluidscherm een geluidabsorptie categorie A2 (volgens NEN-EN 1793-1) of beter bezit, de toenames in de geluidbelasting bij de bestaande woningen aan de Haargetouw beperkt blijven tot ten hoogste 1 dB (onafgerond 0,9 dB).
In de regels is de voorwaarde opgenomen dat het geluidsscherm moet voldoen aan de geluidabsorptiecategorie A2 volgens NEN-EN 1793-1 en de constructie van het geluidscherm moet bestand zijn tegen een hittestraling van 10 kW/m². Industrielawaai Het plangebied ligt niet binnen een geluidszone van een gezoneerd industrieterrein. Er is geen akoestisch onderzoek nodig. Conclusie Het aspect geluid vormt geen planologische belemmering voor het plan. Een passende oplossing zal verder worden uitgewerkt in een definitief akoestisch onderzoek gevelwering.
Kerkstraat-Zevenbergseweg Berghem – 2023, pag. 57 van 71 Vastgesteld april 2025
5.6.9 Trillingen In het geval van bouwactiviteiten in de nabijheid van spoorwegen is het gewenst rekening te houden met trillingen als gevolg van het railverkeer. Om overlast te voorkomen dienen mogelijk bouwkundige maatregelen worden getroffen. In het kader van het nog uit te werken bouwplan zal dit bij de aanvraag omgevingsvergunning verder worden toegelicht. Analyse Trillingsonderzoek Om het aspect ‘Trillingen’ nader te onderbouwen heeft Cauberg-Huygen een trillingsonderzoek uitgevoerd, rapport: ‘’Trillingsonderzoek bouwplan Kerkstraat te Berghem Prognose trillingen treinverkeer’’ (13 november 2023, 05493-54040-03). Dit rapport is bijgevoegd als bijlage 12. Cauberg-Huygen concludeert dat: 1. De locatie van het bouwplan is zodanig dat hinder door trillingen als gevolg van treinverkeer mogelijk is. Uitgaande van een ongunstige eigenfrequentie van de vloer (8 Hz), bedraagt Vmax 0,87 (bouwblok B). Bij een gunstige eigenfrequentie (20 Hz), bedraagt Vmax rond 0,6 (bouwblok A). In deze situatie bedraagt de overschrijding van de streefwaarde voor de nacht in de nieuwe situatie, iets meer dan een factor 3. 2. De gemiddelde trillingssterkte Vper voldoet aan de streefwaarden voor de nieuwe situatie. 3.
Door middel van constructieve maatregelen (dragend maken van wanden, vergroten van de dikte van de verdiepingsvloeren, zie hoofdstuk 6 van de rapportage) kan de trillingssterkte Vmax zodanig gereduceerd worden, dat in de dag- en avondperiode in alle verblijfsruimten aan de streefwaarden voor de nieuwe situatie wordt voldaan. Dat geldt in de nachtperiode ook voor de slaapkamers op de eerste verdieping. 4. In de woonkamer voldoet de Vmax in de nachtperiode ook na maatregelen niet aan de streefwaarde voor de nieuwe situatie, maar ruimschoots aan de streefwaarden voor de bestaande situatie. Het ontwerp van de woning bevat geen slaapkamer op de begane grond. De overschrijding van de streefwaarden voor de nieuwe situatie leidt dus niet tot meer hinder dan de situatie waarin wel zou worden voldaan aan deze streefwaarden. Daardoor is toch sprake van een goed woon- en leefklimaat, ondanks de (beperkte) overschrijding van de streefwaarden voor de nieuwe situatie In de planregels horend bij dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen m.b.t. trillingen. Er moet voldaan worden aan de streefwaarden voor nieuwe situatie. Prognose trillingssterkte Cauberg Huygen B.V.
een trillingsonderzoek (20 december 2024, 05493-56106-01 zie bijlage 13) uitgevoerd in verband met de herbestemming van het projectgebied Kerkstraat te Berghem en de invloed van spoortrillingen op de toekomstige woningen in blok A in dit gebied. Ten behoeve van dit onderzoek is een prognose opgesteld van de trillingssterkte in de toekomstige woningen. Daarbij is gebruik gemaakt van de in 2023 beschikbare gegevens inzake de constructie van de woningen en de bodemeigenschappen. De prognose van de trillingssterkte, veroorzaakt door spoortrillingen, met het geactualiseerde rekenmodel en de gekozen trillingsreducerende maatregelen in Blok A, leidt tot de conclusie dat de trillingssterkte voldoet aan de toetswaarden uit de voorwaardelijke verplichting zoals opgenomen in de planregels van het bestemmingsplan. Hierbij is wel opgemerkt dat de trillingssterkte op de 2e verdieping (zolder) is niet beoordeeld omdat hier vooralsnog geen geluidgevoelig vertrek is gelegen. In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee middels een dynamische berekening van de trillingssterkte aangetoond dient te worden dat de streefwaarden voor een nieuwe situatie niet worden overschreden en, indien noodzakelijk, het treffen van maatregelen is geborgd.
Kerkstraat-Zevenbergseweg Berghem – 2023, pag. 58 van 71 Vastgesteld april 2025
Conclusie Het aspect trillingen vormt geen planologische belemmering voor het plan. Uit het onderzoek blijkt dat voor de dichtst bij het spoor gelegen woningen in ieder geval voor de 5.6.10 Gezondheid Uit de VGO-rapporten die afgelopen jaren zijn gepubliceerd door het RIVM komt duidelijk naar voren dat er een relatie wordt gevonden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden. Deze relatie is door de onderzoeker op verschillende manieren vastgesteld. Daarbij komt dichtheid van veehouderijbedrijven en afstand tot bepaalde type individuele veehouderijen concreet naar voren als factoren die van invloed zijn op de gezondheid van omwonenden. Verder blijkt uit VGO-onderzoek dat er in een straal van twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde incidentie van longontstekingen (ca. 25-30% hoger) voorkomt. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek. Op dit moment kan er geen enkele bron-effect relatie worden beschreven tussen de verhoogde longontsteking incidentie en de uitstoot vanuit geitenhouderijen. Wel is er een causaal verband geconstateerd waarbij de associatie sterker is naarmate de afstand tot een geitenhouderij kleiner is. Tot er meer duidelijkheid is over de bron van de verhoogde incidentie longontstekingen kan niet worden geadviseerd over beschermde maatregelen.
Afstand houden en goed informeren is de enige maatregel die de GGD op dit moment adviseert. In afwachting van het vervolgonderzoek heeft de provincie besloten dat geitenstallen uitbreiden of in gebruik nemen niet meer is toegestaan. Het moratorium is in beginsel tijdelijk. Als de uitkomsten van het vervolgonderzoek bekend worden, wordt er gekeken of er redenen zijn het besluit in te trekken of aan te passen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het bevoegd gezag verplicht om alle bekende risico's bij een nieuwe ontwikkeling af te wegen. Er is geen sprake van een omgekeerde werking van het moratorium (met andere woorden de 'stop' op uitbreidingen van geitenbedrijven zorgt niet voor een stop op ontwikkelingen binnen de 2 km straal van een geitenhouderij), maar wel van een risico dat beoordeeld en meegewogen moet worden bij nieuwe ontwikkelingen. Het verantwoorden van dit verhoogde risico is aan het bevoegd gezag, in casu de gemeente. Deze geeft een oordeel over en maakt een afweging of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (m.b.t. onder andere gezondheid & geitenhouderijen). Het college van B&W besloot op 5 december 2017 dat wenselijke ontwikkelingen na een zorgvuldige afweging met betrekking tot volksgezondheid kunnen worden toegestaan binnen een straal van twee kilometer rondom een geitenhouderij.
Het beleid voor geitenhouderijen in Oss houdt in dat bij de realisering van een ruimtelijke ontwikkeling binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij rekening moet worden gehouden met de volgende criteria: a. het infomeren van de aanvragers over het risico b. terughoudend omgaan met ontwikkelingen betreffende het huisvest of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen c. na een zorgvuldige afweging en eventueel maatwerk kunnen wenselijke ontwikkelingen binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij worden toegestaan.
Kerkstraat-Zevenbergseweg Berghem – 2023, pag. 59 van 71 Vastgesteld april 2025
‘De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De zeven stappen dienen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er aandachtspunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de beoogde ontwikkeling. Analyse Het plan omvat nieuwe, milieugevoelige objecten. In een straal van 600 meter rondom het plangebied zijn geen (intensieve) veehouderijen actief. Er hoeft geen nadere beoordeling van het aspect endotoxinen plaats te vinden. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van endotoxinen. Het plan omvat nieuwe, milieugevoelige objecten. In een straal van 2 km rondom het plangebied zijn echter geen geitenhouderijen met meer dan 100 geiten actief. Er hoeft geen nadere beoordeling van het aspect geitenhouderijen plaats te vinden. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van geitenhouderijen. Conclusie Het aspect volksgezondheid vormt geen planologische belemmering voor het plan. 5.6.11 Spuitzones Bij boom- en fruitteelt worden vaak gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Deze middelen kunnen een gevaar opleveren voor de volksgezondheid. Als gevolg van de wind kunnen gewasbeschermingsmiddelen verwaaien. Dit wordt drift genoemd.
Om te voorkomen dat derden als gevolg van drift in aanraking komen met gewasbeschermingsmiddelen wordt een spuitzone van 50 meter gehanteerd. Analyse Het plan leidt tot het toevoegen van een woning waar personen gedurende langere tijd verblijven. Desalniettemin wordt opgemerkt dat de gronden rondom het plangebied thans niet in gebruik zijn voor boom- en fruitteelt en bovendien ook niet zijn aangewezen als boomteeltontwikkelingsgebied. Geconcludeerd wordt dat er geen rekening gehouden hoeft te worden met spuitzones als gevolg van boom- en fruitteelt. Conclusie Het aspect spuitzones vormt geen planologische belemmering voor het plan. 5.7 Milieueffectrapportage (M.e.r.) Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over wordt genomen. In een milieueffectrapport worden de gevolgen voor het milieu beschreven. Zo kan de overheid die het besluit neemt de milieugevolgen bij haar afwegingen betrekken. Het doel van m.e.r. is om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over plannen en projecten. In een m.e.r.-beoordeling kijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Wanneer speelt een m.e.r.-beoordeling? In het Besluit m.e.r. staat wanneer m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling aan de orde is.
De activiteit die het project mogelijk maakt en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de C- en D-lijst in de Bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of m.e.r.beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven.
Kerkstraat-Zevenbergseweg Berghem – 2023, pag. 60 van 71 Vastgesteld april 2025
Boven de C-drempel geldt een m.e.r.-plicht, tussen de C- en D-drempel geldt een plan-m.e.r.-plicht en onder de D-drempel geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient onderbouwd te worden of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Sinds de implementatie van de gewijzigde M.e.r.-richtlijn op 16 mei 2017 is de procedure voor de vormvrije en de formele m.e.r.-beoordeling bijna gelijk. Het enige verschil is dat van het besluit bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling geen kennisgeving wordt gedaan. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit De initiatiefnemer stelt een aanmeldnotitie op, waarover het bevoegd gezag binnen zes weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit moet nemen. Het bevoegd gezag motiveert het besluit door in te gaan op de selectiecriteria van Bijlage III van de M.e.r.-richtlijn. Het gaat daarbij om de hoofdcategorieën: 1) kenmerken van het project 2) plaats van het project 3) kenmerken van het potentiële effect. Is het bevoegd gezag zelf initiatiefnemer, dan is het bevoegd gezag, anders dan een derde, niet verplicht een aanmeldnotitie op te stellen. Verantwoording Het plan valt onder de activiteit D11.2 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen) zoals genoemd in de bijlage Besluit milieueffectrapportage.
Voor deze ontwikkeling is sprake van een vormvrije m.e.r.beoordeling. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is altijd nodig als een besluit wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en die onder de drempelwaarden liggen. Het realiseren van woningen is opgenomen in de D-lijst (D.11.2). Een woningbouwproject van circa 38 woningen ligt onder de drempelwaarde (2.000 woningen) die opgenomen is in de D-lijst. Dit betekent dat de vormvrije m.e.r.beoordeling van toepassing is. De M.E.R.-aanmeldnotitie is opgenomen als bijlage 14. Uit deze beoordeling wordt geconcludeerd dat de aard van de effecten die gekoppeld zijn aan de realisering van de voorgenomen ontwikkeling van een nieuw woongebied met maximaal 38 woningen, in voldoende mate in beeld zijn gebracht en dat er geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die leiden tot dermate belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu dat het maken van een milieueffectrapport een toegevoegde waarde zou hebben.
Kerkstraat-Zevenbergseweg Berghem – 2023, pag. 61 van 71 Vastgesteld april 2025
Hoofdstuk 6
Toelichting op de regels
6.1 Algemeen Het bestemmingsplan bevat regels die het juridisch instrumentarium geven voor het regelen van het gebruik van de gronden en opstallen én bepalingen over de toelaatbaarheid van bebouwing. Het bestemmingsplan kan worden verbeeld op papier, en gaat vergezeld van deze toelichting. De toelichting heeft geen bindende werking en maakt juridisch geen deel uit van het bestemmingsplan. Wel heeft zij een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan. De Wet ruimtelijke ordening biedt zowel de mogelijkheid om een globaal bestemmingsplan te maken als de mogelijkheid van een gedetailleerd bestemmingsplan. In het bestemmingsplan ''KerkstraatZevenbergseweg Berghem – 2023'' is gekozen voor een gedetailleerde regeling. Voor de opzet van de regels is aangesloten bij de “Standaardregels bestemmingsplannen Oss”. De regels bestaan uit vier hoofdstukken. Dit zijn de inleidende regels (artikelen 1 en 2), de bestemmingsregels (artikelen 3 tot en met 10), de algemene regels (artikelen 11 tot en met 15) en de overgangs- en slotregels (de artikelen 17 en 18). Bij de regels horen twee bijlagen, te weten de Lijst van rechtstreeks toelaatbare aan huis gebonden activiteiten en een milieuzoneringslijst. In de volgende paragraaf worden de diverse artikelen uit de regels en de bijlage toegelicht.
6.2 Regels Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1: Begrippen In dit artikel worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard om verschillen in interpretatie te voorkomen. Artikel 2: Wijze van meten Dit artikel geeft aan op welke manier het meten van in de regels genoemde begrippen moet plaatsvinden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels De in dit hoofdstuk geregelde bestemmingen zijn achtereenvolgens: Artikel 3: Groen Binnen deze bestemming zijn alleen de grotere en/of, structurele groengebieden opgenomen. Artikel 4: Tuin De bestemming ‘Tuin’ is toegekend aan de voor- en zijtuinen van de gebouwen met de bestemming ‘Wonen – Halfvrijstaand’ en ‘Wonen - Patio’. Binnen de tuinbestemming mogen enkel bouwwerken die geen gebouw zijn worden gebouwd. Artikel 5: Verkeer De bestemming ‘Verkeer’ geldt voor wegen die gericht zijn op de afwikkeling van het doorgaande verkeer. Op deze gronden zijn in beginsel geen gebouwen toegestaan. Artikel 6: Verkeer – Verblijf De openbare ruimte is, met uitzondering van de onder Verkeer genoemde wegen, veelal bestemd als Verkeer – Verblijf. De openbare ruimte heeft naast de verkeersfunctie een belangrijke verblijfsfunctie. De straten, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen en ondergeschikte groenvoorzieningen krijgen een bestemming Verkeer – Verblijf. Binnen deze bestemming kunnen nutsvoorzieningen worden opgericht.
Ook mogen er evenementen binnen deze bestemming plaatsvinden.
Kerkstraat-Zevenbergseweg Berghem – 2023, pag. 62 van 71 Vastgesteld april 2025
Artikel 7: Wonen Halfvrijstaand Binnen deze bestemming zijn zowel vrijstaande als halfvrijstaande woningen toegestaan. Aan huis gebonden activiteiten zijn direct toegestaan. Ook zijn er verschillende afwijkingsmogelijkheden opgenomen, onder andere voor bed en breakfast. Artikel 8: Wonen – Patio Binnen deze bestemming zijn patiowoningen toegestaan. Aan huis gebonden activiteiten zijn direct toegestaan. Ook zijn er verschillende afwijkingsmogelijkheden opgenomen, onder andere voor bed en breakfast. Artikel 9: Wonen – Rijen Binnen deze bestemming zijn geschakelde woningen toegestaan. Aan huis gebonden activiteiten zijn direct toegestaan. Ook zijn er verschillende afwijkingsmogelijkheden opgenomen, onder andere voor bed en breakfast. Artikel 10: Waarde - Archeologie verwachtingswaarde Hoog Deze dubbelbestemming is opgenomen om de archeologische waarden binnen het gebied te beschermen. Hoofdstuk 3: Algemene regels Dit hoofdstuk geeft een aantal gebruikelijke algemene regels. Het betreft achtereenvolgens: Artikel 11: Anti-dubbeltelregel In dit artikel is bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. Artikel 12: Algemene bouwregels Dit artikel bevat regels ten aanzien van afwijkende bestaande bebouwing en ondergeschikte bouwdelen.
Dit artikel bevat tevens de verplichting tot het voorzien in voldoende parkeergelegenheid, waarbij een verwijzing is opgenomen naar het relevante beleidsdocument. Artikel 13: Algemene gebruiksregels In dit artikel is nader omschreven welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig met het bestemmingsplan worden aangemerkt, waaronder het gebruik van bouwwerken en terreinen zonder voldoende parkeergelegenheid. Artikel 14: Algemene aanduidingsregels In dit artikel is de gebiedsaanduiding opgenomen voor de voorwaardelijke verplichting voor het aanvullend onderzoek naar de steen- en/of kerkuil(en). Artikel 15: Afwijken van de bouwregels algemeen In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Deze afwijkingen betreffen onder meer het overschrijden van de maximaal toegestane maten, afmetingen en percentages. Artikel 16: Algemene wijzigingsregels In dit artikel zijn voor burgemeester en wethouders enkele mogelijkheden gecreëerd om, via een voorgeschreven procedure, in iets ruimere mate dan bij de “algemene afwijkingsregels” af te wijken van de regels. Het gaat dan echt om een wijziging van het bestemmingsplan. De wijzigingsbevoegdheden dragen bij aan een meer flexibel plan. Artikel 17:
Overige regels
Kerkstraat-Zevenbergseweg Berghem – 2023, pag. 63 van 71 Vastgesteld april 2025
In dit artikel worden de verwijzingen naar andere wetten en regeling voor de toepasbaarheid van de bouwverordening geregeld. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 18: Overgangsrecht Dit artikel regelt het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik van gronden en bouwwerken. Artikel 19: Slotregel Dit artikel regelt de formele titel waaronder het bestemmingsplan kan worden aangehaald.
Bijlagen: • Lijst van rechtstreeks toelaatbare aan huis gebonden activiteiten In deze bijlage zijn de bedrijfsactiviteiten genoemd die volgens de regels rechtsreeks toelaatbaar zijn. De lijst is opgesteld vanuit de typering van het plangebied als een rustige woonwijk. • Milieuzoneringslijst In deze bijlage zijn de bedrijfsactiviteiten genoemd die volgens de regels via afwijking toelaatbaar zijn. De lijst is opgesteld vanuit de typering van het plangebied als een rustige woonwijk • Archeologisch onderzoek In deze bijlage is het archeologisch onderzoek opgenomen waarin de onderzoeksverplichting met betrekking tot archeologie is opgenomen. • Akoestisch onderzoek In deze bijlage is het akoestisch onderzoek opgenomen waarin de vereiste maatregelen en nadere onderzoeksverplichting met betrekking tot gevels is opgenomen. .
Kerkstraat-Zevenbergseweg Berghem – 2023, pag. 64 van 71 Vastgesteld april 2025
Hoofdstuk 7
Handhaving
7.1 Beleidskader Naar aanleiding van een landelijk traject heeft de gemeente Oss in 2005 de nodige besluiten genomen om de handhaving te professionaliseren. De gemeente wil namelijk een professionele organisatie zijn. Om haar handhavingstaken zo transparant en objectief mogelijk uit te voeren, heeft zij een toezicht-, sanctie- en gedoogstrategie opgesteld. De wijze waarop de gemeente handelt bij overtredingen is daarin vastgelegd. Het uitgangspunt voor handhaving is: elke norm die het verdient te worden gesteld, verdient het ook te worden gehandhaafd. De gemeente is verantwoordelijk voor het algemeen belang, dat concreet wordt in de belangen van veiligheid, volksgezondheid, natuurlijk milieu en ruimtelijke kwaliteit. Deze belangen vragen om een actieve handhaving. Een goede handhaving start echter al bij het opstellen van beleid, regels en voorschriften. Om in dit verband bestemmingsplannen actief te kunnen handhaven moet voldaan zijn aan de volgende criteria: • het opstellen van uitvoerbaar beleid en duidelijke regels; • het verstrekken van duidelijke informatie op basis waarvan burgers en bedrijven hun keuzes kunnen maken; • zorgen voor de naleving van regels door middel van toezicht en de inzet van handhavingsinstrumenten.
Als primaire verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven wordt gezien: • het aanvaarden van de consequenties van de eigen keuzes; • nakoming van afspraken en naleving van regels. In het Handhavingsprogramma wordt het concrete belang van handhaving van regels van bestemmingsplannen aangegeven. De negatieve effecten van niet-handhaving kunnen immers groot zijn, zoals schade aan natuur en ruimtelijke kwaliteit, financieel-economische schade en onveiligheid. Maar ook kunnen burgers en bedrijven worden benadeeld door illegale activiteiten van hun buren/omwonenden. De ruimte in Nederland is schaars en iedereen heeft belang bij een goede woon-, werk- en leefomgeving. De kwaliteit hiervan wordt grotendeels in bestemmingsplannen vastgelegd en die kwaliteit verdient het om te worden beschermd, onder meer door toezicht op naleving van de regels en desnoods bestuursrechtelijke handhaving. Het bestuurlijke belang van een adequate handhaving van bestemmingsplannen is dus groot, maar dat geldt ook voor de individuele belangen van burgers en bedrijven. 7.2 Professionele handhaving en handhavingsprogramma De gemeente Oss voldoet aan de wettelijke kwaliteitscriteria voor een professionele handhavingsorganisatie. Elke vier jaar wordt er een Handhavingsprogramma opgesteld waarin de prioriteiten voor de uitvoering worden vastgelegd.
Dit gebeurt na de aantreding van een nieuwe gemeenteraad en de vorming van een nieuw college van burgemeester en wethouders. Elk jaar wordt aan de hand van een probleem- of omgevingsanalyse een voortschrijdend programma gemaakt, waarin rekening wordt gehouden met gewijzigde wetgeving en de op dat moment concrete problematiek. Handhaving van bestemmingsplannen is een vaste prioriteit in het programma. 7.3 Handhaafbaarheid, positief bestemmen, overgangsrecht De regels van dit bestemmingsplan zijn getoetst op handhaafbaarheid. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voorziet in een verbod op het (laten) gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Overtreding van dit verbod is een strafbaar feit.
Kerkstraat-Zevenbergseweg Berghem – 2023, pag. 65 van 71 Vastgesteld april 2025
In beginsel worden bouwwerken die in overeenstemming zijn met het vorige bestemmingsplan positief bestemd. Hetzelfde geldt voor gebruik in overeenstemming met het vorige bestemmingsplan. Met andere woorden: bestaande rechten worden gerespecteerd. Zij zijn in beginsel alleen onder het algemene overgangsrecht gebracht als te voorzien is dat zij binnen de planperiode van tien jaar zullen verdwijnen. Als sprake is van een naar huidige beleidsinzichten onwenselijke situatie die in het vorige bestemmingsplan al onder het overgangsrecht valt, is bezien of deze onder het persoonsgebonden overgangsrecht kan worden gebracht. Dat wil zeggen dat het overgangsrecht voor de betreffende percelen is beperkt tot degenen die die percelen gebruiken op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Voortgezet gebruik door anderen wordt niet als bestaand gebruik aangemerkt. Wij geven hieraan de voorkeur boven een uitsterfconstructie. Een uitsterfconstructie houdt in feite een positieve bestemming in, die afloopt na beëindiging van het betreffende gebruik. Dit maakt opvolging in de tijd door meerdere gebruikers mogelijk. Daarmee kan in beginsel het ongewenste gebruik eindeloos lang duren. Persoonsgebonden overgangsrecht heeft als voordeel dat het gekoppeld is aan gebruik door één specifieke gebruiker of een beperkt aantal specifieke gebruikers.
Daarmee kan het ongewenste gebruik in de praktijk eerder beëindigd worden, en zeker niet eindeloos lang voort blijven duren, waarmee mee recht wordt gedaan aan de bedoeling van overgangsrecht. Het persoonsgebonden overgangsrecht heeft zeker bij situaties die illegaal zijn ontstaan onze voorkeur boven een uitsterfregeling. Daarnaast kan het voorkomen dat bouwwerken in strijd met het vorige bestemmingsplan zijn opgericht, of dat bestaand gebruik in strijd is met dat plan. Een positieve bestemming ligt dan in de rede als de met het vorige bestemmingsplan strijdige situatie naar huidige beleidsinzichten ruimtelijk aanvaardbaar is. Indien de betreffende situatie ruimtelijk niet aanvaardbaar is, zal hiertegen in beginsel handhavend worden opgetreden. Indien dat in een uitzonderlijk geval niet (meer) mogelijk is, is bezien of de situatie onder het persoonsgebonden overgangsrecht gebracht kan worden. Overigens zijn strijdige situaties op grond van de planregels standaard uitgezonderd van het algemene overgangsrecht. Het Besluit ruimtelijke ordening schrijft dit voor. Uiteindelijk is altijd maatwerk vereist om te bepalen of een positieve bestemming, algemeen overgangsrecht of persoonsgebonden overgangsrecht mogelijk is.
Kerkstraat-Zevenbergseweg Berghem – 2023, pag. 66 van 71 Vastgesteld april 2025
Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid Dit bestemmingsplan voorziet in nieuwe bouwmogelijkheden. De Grondexploitatie-wetgeving is dan ook van toepassing. Dat betekent dat meerkosten voor de planologische procedure als gevolg van particuliere ontwikkelingen dienen te worden verhaald op de initiatiefnemer(s). De verhaal van deze kosten kan op twee manieren worden geregeld, namelijk via een anterieure overeenkomst of via een exploitatieplan. De gemeente Oss heeft nadrukkelijk de voorkeur om dit via een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer te regelen omdat het opstellen van een exploitatieplan aanzienlijke meerkosten voor gemeente én initiatiefnemer tot gevolg heeft. Dit plan is een particulier initiatief. Met initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten. De kosten die voortvloeien uit het plan zijn voor rekening en risico van initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. In de anterieure overeenkomst is ook vastgelegd dat de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.
Kerkstraat-Zevenbergseweg Berghem – 2023, pag. 67 van 71 Vastgesteld april 2025
Hoofdstuk 9
Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid
9.1 Omgevingsdialoog De initiatiefnemer heeft contact gezocht met de directe omwonenden en heeft hen geïnformeerd over voorliggend initiatief. Er heeft op 31 oktober 2023 een inloopavond plaatsgevonden. Tijdens deze avond konden de belangstellenden vragen stellen. Daarnaast kregen zij de mogelijkheid een reactieformulier in te vullen. In bijlage 15 is een samenvatting van het omgevingsdialoog toegevoegd. 9.2 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat ‘het bestuursorgaan’ dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Ter uitvoering daarvan zijn op 25 juli 2023 de provincie Noord-Brabant, Waterschap Aa en Maas, Veiligheidsregio Brabant-Noord en ProRail in de gelegenheid gesteld om te reageren op het concept ontwerpbestemmingsplan. Ook is het concept ontwerpbestemmingsplan ter informatie doorgestuurd naar de Dorpsraad Berghem. Het plan is niet overlegd met de diensten van de Rijksoverheid, omdat het Rijk in 2012 heeft aangegeven dat vooroverleg alleen nog maar hoeft als het gaat om defensie, waterstaat en energievoorzieningen.
In dit plan gaat het hier niet om en daarom is het niet voorgelegd aan het Rijk. Het vooroverleg heeft het volgende opgeleverd. 9.2.1 Provincie Noord-Brabant De gemeente kan met behulp van een e-formulier een ruimtelijk plan elektronisch toezenden aan de provincie Noord-Brabant. Met dat formulier is beoogd de procedure rond het wettelijk vooroverleg te verkorten. Op basis van de ingevulde ruimtelijke aspecten kan in veel gevallen worden volstaan met het invullen van het formulier. De gemeente ontvangt vervolgens via de e-mail een afschrift van de inventarisatie van de ruimtelijke aspecten, waarmee het wettelijk vooroverleg is afgerond. In het kader van het wettelijk vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening is het concept ontwerpbestemmingsplan op 25 juli 2023 aangemeld via het e-formulier bij de provincie Noord-Brabant. De provincie heeft hierop gereageerd dat er geen aanleiding is tot het maken van opmerkingen. Het wettelijk vooroverleg kan als afgerond worden beschouwd. 9.2.2 Waterschap Aa en Maas Waterschap Aa en Maas heeft op 8 augustus 2023 gereageerd op het concept ontwerpbestemmingsplan. Er is geconstateerd dat er wel opmerkingen zijn op het betreffende planvoornemen. Onderstaand de opmerkingen vanuit het Waterschap Aa en Maas.
Naar aanleiding van de toelichting en de bijbehorende waterparagraaf te hebben beoordeeld, is geconcludeerd dat er geen ruimtelijke waterschapbelangen van toepassing zijn binnen het plangebied. De nieuwbouw ontwikkeling leidt echter wel tot een toename van het verhard oppervlak van meer dan 500 m². Hierdoor is een waterbergende voorziening van toepassing die minimaal gedimensioneerd dient te zijn aan de rekenregel van 60 liter per m² aan toename van het verhard oppervlak. Naar aanleiding van bijlage 4 ‘Watertoets’ te hebben gelezen, is geconstateerd dat deze uitwerking is beschreven. Desondanks hebben wij hier wel een inhoudelijke vraag over. Op pagina 7 is geformuleerd dat 75% als aanname wordt gedaan t.b.v. verharding in tuinen, waarbij wordt gesteld dat dit neerkomt op 2.250 m². Deze berekening wordt niet begrepen. Wij zien graag dat deze berekening wordt aangepast. Wij vragen om de 75% aan toename van het verhard oppervlak van alle uit te geven percelen te berekenen. Dit percentage leidt tot een toename verhard oppervlak op basis van alle percelen, exclusief de gebouwen. De onderbouwing van het huidige aantal lijkt niet correct te zijn.
Kerkstraat-Zevenbergseweg Berghem – 2023, pag. 68 van 71 Vastgesteld april 2025
Daarnaast is in de waterparagraaf van het bestemmingsplan enkel invulling gegeven aan de waterberging (regenwater). Hierdoor ontbreekt een beschrijving van het afval-, grond- en oppervlakte water in de waterparagraaf. Het verzoek om op basis van deze onderwerpen een beschrijving op te nemen van zowel de huidige situatie en wat voor effect dit heeft op de nieuwe situatie. Verder zijn er geen opmerkingen op het betreffende planvoornemen. De vooroverleg reactie leidt wel tot inhoudelijke aanpassingen van het ontwerpbestemmingsplan. De opmerkingen zijn verwerkt in de toelichting van het bestemmingsplan. 9.3.2 Veiligheidsregio Brabant Noord De Veiligheidsregio Brabant Noord heeft op 3 augustus 2023 gereageerd op het concept ontwerpbestemmingsplan. Er is geconstateerd dat er wel opmerkingen zijn op het betreffende planvoornomen. Onderstaand de opmerkingen vanuit de Veiligheidsregio Brabant-Noord. Het plangebied ligt binnen een afstand van ca. 80 meter van de spoorlijn ’s Hertogenbosch – Nijmegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaats vindt. Dit betekent zoals in paragraaf 5.6.3 van het plan opgemerkt wordt dat een verantwoording van het groepsrisico conform artikel 8 BEVT aan de orde is. Deze vooroverlegreactie kunt u beschouwen als ons advies volgens artikel 9 BEVT. In het kader van de verantwoording is een QuickScan Externe veiligheid uitgevoerd.
Het plan en de QuickScan geven ons aanleiding tot het maken van twee opmerkingen. Opmerking 1: De uitvoerder van de QuickScan stelt dat het aantal potentiële slachtoffers niet toeneemt. Dit is niet juist. In de bestaande situatie bevinden zich geen personen in het plangebied. Na realisatie van het plan wonen hier ca. 90 personen die met de gevolgen van een incident geconfronteerd kunnen worden. De kas op een ongeval is overigens erg klein. Opmerking 2: Wij anticiperen in dit advies op de komst van de Omgevingswet waarbij in het kader van omgevingsveiligheid sterker op het beperken van de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen wordt gefocust. Hierbij onderscheidt men drie aandachtsgebieden: het brand- explosie- en gifwolkaandachtsgebied. Scenario’s De relevante scenario’s i.r.t. het plangebied zijn een plasbrand; een BLEVE en een toxische wolk. Plasbrand Een plasbrand ontstaat na een lekkage van een ketelwagon bijv. na een hoge mechanische impact op een ketelwagon waarbij de brandbare stof ontsteekt. Een plasbrand gaat gepaard met een hoge hittestraling. BLEVE Een BLEVE wordt veroorzaakt doordat een aanwezige brand de druk in de tank doet oplopen. Hiervoor verzwakt en bezwijkt de tank. LPG komt vrij en ontsteekt. Er ontstaat een vuurbal en een drukgolf.
Toxische wolk Een toxische wolk wordt veroorzaakt door een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank. Hierdoor ontstaat een gat in de tank waardoor in kort tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreid. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof.
Kerkstraat-Zevenbergseweg Berghem – 2023, pag. 69 van 71 Vastgesteld april 2025
Het slachtoffer- en schadebeeld is afhankelijk van de afstand tot de incidentlocatie en feit of personen binnen of buiten zijn. Het slachtoffer- en schadebeeld voor de 3 scenario’s wordt zichtbaar gemaakt in de tabellen in de bijlage van dit advies. Het stedenbouwkundig plan draagt bij aan het beperken van de gevolgen van een incident omdat de rijwoningen en de rug aan rug woningen het dichtst bij het spoor liggend noord-zuid zijn georiënteerd. De aanwezigheid van het geluidscherm en de parkeerplaatsen tussen de woningen en de spoorlijn dragen hier eveneens aan bij. Beoordeling zelfredzaamheid De zelfredzaamheid is afhankelijk van verschillende factoren. Gezien de aard van de ontwikkeling mag worden aangenomen dat personen aanwezig in het plangebied zelfstandig op de juiste manier op een (dreigend) incident kunnen reageren. Voor het scenario toxisch geldt dat mensen binnen moeten schuilen. De woningen zijn als gevolg van de energiepresentatie eisen goed geïsoleerd en beiden daardoor goede bescherming tegen het binnendringen van schadelijke stoffen mits ook de ventilatie kan worden gestopt. Voor het scenario BLEVE geldt vluchten als beste handelingsperspectief. Het plangebied kan in de richting van de Zevenbergseweg en de Kerkstraat ontvlucht worden.
Bouwkundige maatregelen aan de woningen om de woningen beter te beschermen tegen de gevolgen van een BLEVE zijn niet zinvol vanwege de zeer beperkt afstand tot de spoorlijn en de hoge druk die gepaard gaat met een BLEVE. Beoordeling bestrijdbaarheid Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan. Hiervoor is de beschikbaarheid van voldoende bluswater een vereiste. Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld. De bestrijding van het scenario BLEVE wordt als slecht beoordeeld. Een ketelwagon kan bij een blootstelling aan een hoge hittestraling na 15 minuten exploderen. Het is voor de brandweer niet mogelijk binnen dit tijdsbestek een effectieve koeling voor bedreigde tankwagons in te richten. Advies Uit de beoordelingen blijkt dat het beste ingezet kan worden op het optimaliseren van de mate van zelfredzaamheid van personen die aanwezig zijn in het plangebied. De veiligheidsregio adviseert om de volgende maatregelen te nemen om de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in het plangebied te verhogen. 1. De spoorbaan ligt hoger dan het plangebied. Dit betekent dat een uitstomende vloeistof in de richting van het plangebied kan stromen. Ontwerp of plaats het geluidscherm zodanig dat vloeistof niet onder het geluidscherm door kan stromen.
De constructie van het geluidscherm moet bestand zijn tegen een hittestraling van 10kW/m². 2. Een aanwezige mechanische ventilatie moet handmatig kunnen worden afgeschakeld. Dit zal na invoering van de Omgevingswet een verplichting zijn. Ontwerp het ventilatiesysteem zo dat het voor de bewoners direct helder is waar en hoe zij het systeem kunnen uitschakelen. 3. Informeer de toekomstige bewoners actief over het aanwezige risico en het handelingsperspectief. Dit kan door het verspreiden van hiervoor ontwikkelde communicatiemiddelen in het kader van de campagne ‘op het juiste spoor’, waar gemeente Oss aan deelneemt. Deze informatie kan worden meegenomen in het besluit om zich op deze locatie te vestigen. Hiermee wordt in optimale vorm invulling gegeven aan het risicobewustzijn van- en het nemen van een eigen verantwoordelijkheid door de burger. Deze informatie zorgt er ook voor dat de bewoners op het moment dat een incident plaatsvindt direct weten hoe te handelen, dit heeft een positieve invloed op de mate van zelfredzaamheid.
Kerkstraat-Zevenbergseweg Berghem – 2023, pag. 70 van 71 Vastgesteld april 2025
4. Opgemerkt wordt dat de gegeven adviezen in het kader van vigerende wet- en regelgeving niet als ruimtelijk relevant worden beschouwd en daarom concretisering in het bestemmingsplan regels niet mogelijk is. Om deze reden adviseren wij u om met de planontwikkelaar over het concretiseren in gesprek te gaan en hierover afspraken te maken. 5. Uit het stedenbouwkundig plan blijkt dat er sprake is van een doodlopend eind met keerlus. De woningen zijn via een voetpad bereikbaar. Voor de bereikbaarheid voor de hulpdiensten gelden richtlijnen. De maximale afstand tussen de toegang van een woning mag 40 meter zijn. Wij adviseren om in het definitief ontwerp met deze richtlijnen rekening te houden. Definitieve bestemmingsplan Wij ontvangen graag het definitieve bestemmingsplan wanneer dit ter inzage ligt. Dit is ten behoeve van ons adviesproces en de voorbereiding op het bestrijden van branden, rampen en crisis. De vooroverleg reactie leidt wel tot inhoudelijke aanpassingen van het ontwerpbestemmingsplan. 9.2.4 ProRail ProRail heeft op 22 augustus 2023 gereageerd op het concept ontwerpbestemmingsplan. Er is geconstateerd dat er wel opmerkingen zijn op het betreffende planvoornomen. Onderstaand de opmerkingen vanuit ProRail. Weg,- spoor- en industrielawaai Akoestisch onderzoek nog nagestuurd op 22 augustus 2023.