Bijlage 1A Toelichting BP Heuveleindstraat 4 Huisseling - 2021
Tekst van het document
Maar door bij de inrichting van een plangebied ruimte voor twee of meer doeleinden te gebruiken, is het “verlies” van m2 als gevolg van de toegenomen ruimtevraag vanuit water te beperken. Zo is het in bepaalde gevallen mogelijk om het flauwe talud ook te gebruiken als onderhoudsstrook. Flauwe taluds geven veel ruimte voor buffering van water, maar zijn ook te gebruiken voor recreatieve doeleinden (een fietspad dat af en toe niet te gebruiken is). 7. Voorkomen van vervuiling Bij de inrichting, het bouwen en het beheer van gebieden wordt het milieu belast. Vanuit zijn wettelijke taak ten aanzien van het waterkwaliteitsbeheer streeft het waterschap ernaar om nieuwe bronnen van verontreiniging zoveel mogelijk te voorkomen. Deze bronaanpak is ook verwoord in het Emissiebeheersplan. Het waterschap besteedt hier reeds aandacht aan in de fase van de watertoets, zodat dit aspect als randvoorwaarde kan worden meegenomen in het verdere ontwerpproces. 8. Waterschapsbelangen Er zijn „waterschapsbelangen‟ met een ruimtelijke component. Dit betreft het volgende: a. ruimteclaims voor waterberging b. ruimteclaims voor de aanleg van natte EVZ‟s en beekherstel c. aanwezigheid en ligging watersysteem d. aanwezigheid en ligging waterkeringen e. aanwezigheid en ligging van infrastructuur en ruimteclaims tbv de afvalwaterketen in beheer van het waterschap.
Indien deze belangen een rol spelen in het ruimtelijke plan dan zou hieraan in de toelichting, de voorschriften en de plankaart aandacht besteed moeten worden.
4.2.2
Bestaande waterhuishoudkundige situatie
In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelssloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van good-house-keeping management. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het
Bestemmingsplan Heuveleindstraat 4 Huisseling - 2021
29
hemelwater. Het niet-verontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelssloten. Rondom de locatie is een b-watergang gelegen, zoals te zien is op navolgende afbeelding. Dit betreft een uitsnede van de Vastgestelde Legger Oppervlaktewater van het Waterschap Aa en Maas.
Afbeelding 19: uitsnede Vastgestelde Legger Oppervlaktewater (bron: waterschap Aa en Maas)
4.2.3
Beoogde waterhuishoudkundige situatie
Het plangebied is niet gelegen in een keurwaterbeschermingsgebied of attentiegebied. Zoals aangegeven is waterschap Aa en Maas de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het grond- en oppervlaktewater binnen het plangebied. De Keur van Waterschap Aa en Maas schrijft voor dat voor een toename van minder dan 500 m² verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn. In de beoogde situatie zal er een afname zijn van het totale verhard oppervlak. Er zal ca. 1.332 m2 agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt worden. Ten behoeve van de RvR-woningen zal er vervolgens circa 520 m2 verhard oppervlak (ca. 400 m2 afkomstig van daken van bebouwing en ca. 120 m2 voor de erfverharding) gerealiseerd worden. Omdat er een afname van verharding is dient er geen compenserende maatregel getroffen te worden om het hemelwater op te vangen. Overigens zullen geen wijzigingen plaatsvinden welk betrekking hebben op de omliggende b-watergang. 4.3 Natuur Voorafgaand aan de gewenste wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.
4.3.1
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. De Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen:
Bestemmingsplan Heuveleindstraat 4 Huisseling - 2021
30
-
Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; Alle Natura 2000-gebieden.
Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied.
Natuur Netwerk Brabant (NNB)
Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Verordening de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Verordening. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de themakaart ‘natuur en landschap’ van de Vr is binnen het plangebied geen NNB aanwezig, zie onderstaande afbeelding. De beoogde ontwikkelingen hebben derhalve geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016.
Plangebied
Afbeelding 20: uitsnede themakaart ‘Natuur en Landschap’ Vr (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Bestemmingsplan Heuveleindstraat 4 Huisseling - 2021
31
4.3.2
Wet natuurbescherming
De Wet natuurbescherming vervangt vanaf 1 januari 2017 drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig: 1. bescherming van de biodiversiteit in Nederland; 2. decentralisatie van verantwoordelijkheden; 3. vereenvoudiging van regels. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming.
Gebiedsbescherming
Programma Aanpak Stikstof (PAS) Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in enkele beroepszaken tegen Natura 2000-vergunningen die zijn gebaseerd op het Programma Aanpak Stikstof (PAS) 2015-2021 (Kamerstuk 32 670, nr. 146). Het is een stevige uitspraak die per direct forse consequenties heeft voor individuele ondernemers, maar ook voor ambities van gemeenten, provincies en Rijksoverheid op het terrein van onder meer waterveiligheid, infrastructuur, woningbouw en klimaat. De uitspraak komt er op neer dat de PAS ‘gesneuveld’ is als aanpak en systeem voor vergunningverlening van stikstofvergunningen op basis van de Wet natuurbescherming.
Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn)
Sinds 1 juli 2021 is de Wsn samen met het bijbehorende Besluit stikstofreductie en natuurverbetering van kracht. Deze regelgeving wijzigt de Wet en het Besluit natuurbescherming en moet voorzien in een nieuwe, structurele aanpak van de stikstofproblematiek.
Gebiedsbescherming
Voor de Natura 2000-gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld. Activiteiten en ontwikkelingen die een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen hebben, zijn verboden. Voor een plan geldt op grond van artikel 2.7 lid 1 van de Wet natuurbescherming dat bepalend is of het significante gevolgen kan hebben voor een (of meer) Natura 2000-gebied(en). Is dat het geval, dan dient het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, bij vaststelling van een plan met toepassing van artikel 2.7 Wnb, een passende beoordeling te maken, zoals bedoeld in artikel 2.8 Wnb. In een toetsing wordt bepaald of er negatieve effecten kunnen optreden. Een eerdere toetsing (voortoets) geeft aan of er negatieve effecten kunnen optreden en zo ja of deze van dien aard kunnen zijn dat de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar kunnen komen. Indien dat het geval is, wordt een tweede toetsing verricht welke dieper ingaat op de mate van effect (passende beoordeling). Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft Rijntakken welke is gelegen op een afstand van circa 11 kilometer. Er zijn verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.
Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Om aan te tonen dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt is middels het rekenprogramma AERIUS een berekening gemaakt.
Bestemmingsplan Heuveleindstraat 4 Huisseling - 2021
32
Uit de AERIUS-berekening, die is bijgevoegd in bijlage 4 (en de bijbehorende toelichting in bijlage 5), blijkt dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000gebieden. Er zijn daarom geen negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstof uit de lucht.
Overige storingsfactoren
Vanwege de afstand van de planlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk.
Bescherming van soorten
De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren.
In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van het in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Heuveleindstraat 4 te Huisseling dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de te slopen stallen en de nieuw te realiseren RvR-woningen, beschermde natuurwaarden bevinden, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen desondanks zoveel mogelijk te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten dient zo veel mogelijk voorkomen te worden.
Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak en de landbouwgronden grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten. Door het Ministerie van Economische zaken is een effectenindicator ‘Soorten’ opgesteld. Onderstaand gebied is beoordeeld aan de hand van deze effectenindicator. Als activiteiten zijn aangegeven dat de Bestemmingsplan Heuveleindstraat 4 Huisseling - 2021 33
activiteit ‘slopen en/of asbestverwijderen’; ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’; ‘woning bouwen’ en ‘uitrit aanleggen of veranderen betreffen’. Uit de effectindicator blijkt dat in het geselecteerde gebied, in combinatie met de geselecteerde activiteit(en), geen Wettelijk beschermde soorten voor komen waarbij schadelijke effecten worden verwacht.
Afbeelding 21: resultaat effectenindicator ‘Soorten’ Uit de resultaten van de effectenindicator kan geconcludeerd kan worden dat er geen ontheffing noodzakelijk is in het kader van de Wet natuurbescherming. Er is tevens een Quickscan Soortenbescherming uitgevoerd op de locatie. Het rapport (d.d. 28 juni 2021, projectnummer EP.21.1045) hiervan is als separate bijlage bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 6). Er wordt het navolgende geconcludeerd naar aanleiding van het onderzoek: “Voor de bepaling van de effecten en voor de beantwoording van de vraag of men in strijd komt met de Wet natuurbescherming, wordt de relatie gelegd tussen het initiatief met deze wet door waar mogelijk antwoord te geven op de volgende vragen: 1. Welke wettelijk beschermde soorten komen in het plangebied voor? Welke status hebben deze soorten? 2. Welke invloed heeft de geplande ingreep in het betreffende gebied op de beschermde soorten en de staat van instandhouding? 3. Hoe dient omgegaan te worden met eventuele negatieve effecten van het plan op wettelijk beschermde planten- en diersoorten, en welke vervolgstappen zijn nodig? Het voornemen zoals opgenomen in de inleiding en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten.
Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dieren/ of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening
Bestemmingsplan Heuveleindstraat 4 Huisseling - 2021
34
natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing.” Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het aantreffen van beschermde natuurwaarden niet aan de orde is.
Bestemmingsplan Heuveleindstraat 4 Huisseling - 2021
35
4.4 Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van het initiatief dient onderzocht te worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.
4.4.1
Cultuurhistorie en aardkunde
Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Verordening ruimte Noord-Brabant blijkt dat het plangebied niet is gelegen in een cultuurhistorisch vlak of een aardkundig waardevol gebied. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied.
Plangebied
Afbeelding 22: uitsnede themakaart ‘Cultuurhistorie’ Vr (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
4.4.2
Archeologie
Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht geworden. De Erfgoedwet maakt een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. De Erfgoedwet heeft bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland gebundeld in één wet. Aan de Erfgoedwet zijn een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden blijven gehandhaafd. De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. In 2015 is het archeologiebeleid geactualiseerd in verband met de gemeentelijke herindeling. De gemeente Oss heeft het archeologisch beleid door vertaalt in de bestemmingsplanregels van het ontwerp bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2019’. Zo heeft de gemeente bestemmingplanregels
Bestemmingsplan Heuveleindstraat 4 Huisseling - 2021
36
(dubbelbestemmingen) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. Uit het ontwerp bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2019’ blijkt dat voor het plangebied geen archeologische verwachtingswaarde of bescherming van historische kernen of (beschermende) monumenten zijn opgenomen. Te allen tijde geldt wel een meldingsplicht bij het aantreffen van archeologische toevalsvondsten op basis van art. 5.10 van de Erfgoedwet. Bodemvondsten kunnen telefonisch worden gemeld bij het Meldpunt Provinciaal Depot Bodemvondsten Noord-Brabant. Er is daarom geen nader onderzoek naar archeologische waarden noodzakelijk. Ten aanzien van cultuurhistorie, aardkunde en archeologie zijn derhalve geen bezwaren ten aanzien van de gewenste ontwikkeling. 4.5 Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden.
Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: - Het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; - Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: - Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. - Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid.
Ook gebieden direct naast de hoofdinfrastructuur gelegen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Onderhavige locatie is gelegen in omgevingstype ‘gemengd gebied’. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door een matige tot sterke functiemenging. In de omgeving bevinden zich direct naast woningen andere functies zoals o.a. agrarische bedrijvigheid. Wat betreft veehouderijen wordt in de volgende paragraaf getoetst aan de wetgeving die specifiek van toepassing is voor veehouderijen met betrekking tot het aspect geur. De dichtstbijzijnde niet-agrarische bedrijvigheid is een sportveld, wat behoort tot milieucategorie 3.1. Conform de handreiking geldt voor een bedrijf in deze milieucategorie, gelegen in gemengd gebied, een richtafstand van 30 meter. Het sportveld is gelegen op circa 88 m van het plangebied. De dichtstbijzijnde niet-agrarische bedrijvigheid is een pedicuresalon, wat behoort tot milieucategorie 1. Conform de handreiking geldt voor een bedrijf in deze milieucategorie, gelegen in gemengd gebied, een richtafstand van 0 meter. De pedicuresalon is gelegen op circa 397 m van het plangebied. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de richtafstanden voor een verantwoorde afstand tussen bedrijvigheid en woningen. In tabel 1 zijn de bedrijven aangegeven met bijbehorende richtafstanden.
Bestemmingsplan Heuveleindstraat 4 Huisseling - 2021
37
Tabel 1: richtafstanden milieuzonering
Omschrijving Veldsportcomplex (met verlichting) Kappersbedrijven en schoonheidsinstituten
SBI-code SBI-931 SBI-9602
Milieucategorie 3.1 1
Geur 0 0
*bij omgevingstype ‘gemengd gebied’ kan worden uitgegaan van kleinere richtafstanden
Stof 0 0
Geluid 30* 0*
Gevaar 0 0
Op grond hiervan kan worden gesteld dat ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstanden. 4.6 Geur In het kader van onderhavige ruimtelijke procedure is het wenselijk dat de ontwikkeling geen negatief effect heeft op het woon- en leefklimaat in de omgeving van het plangebied. Ook na de beoogde ontwikkeling dient er sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Er is een rapportage opgesteld ten behoeve van de beoordeling van het woon- en leefklimaat ter plaatse. Deze is opgenomen als separate bijlage bij deze toelichting (bijlage 1). ‘Geur’ is ook één van de aspecten die in dit kader is beoordeeld. In de rapportage wordt geconcludeerd dat het initiatief de omliggende veehouderijen niet belemmert. Ze worden niet geschaad in hun bedrijfsvoering. Ook voldoet het initiatief aan de achtergrond geurnorm uit de Verordening ruimte Noord-Brabant. Ten aanzien van het aspect geur kan derhalve worden gesteld dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat heerst in de beoogde situatie. 4.7 Geluid De Wet geluidhinder is sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen.
In de Wet geluidhinder is bepaald dat voor locaties in het bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting wordt onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. Het plangebied is niet gelegen binnen de geluidszone van een op grond van de Wet geluidhinder gezoneerde spoorweg of industrieterrein. Het planvoornemen voorziet in de realisatie van twee geluidgevoelige objecten in het kader van de Wet Geluidhinder. Er zal derhalve moeten worden getoetst of er in de omgeving objecten aanwezig zijn die een belemmering kunnen zijn voor realisatie van deze geluidsgevoelige objecten. Conform de toetsing aan de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (zie hoofdstuk 4.5) zal voor het dichtstbijzijnde bedrijf (sportveld aan de Heuveleindstraat te Huisseling) een richtafstand voor geluid van 30 meter aangehouden moeten worden en voor de pedicuresalon (Woordstraat 3 Huisseling) minimaal 0 meter. Ten aanzien van dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf (Heuveleindstraat 8) moet 30 meter aangehouden worden. De nieuw te bouwen woningen zijn op meer dan 30 meter afstand gelegen van dit bedrijf. De betreffende bedrijvigheid vormt derhalve geen belemmering voor realisatie van onderhavig initiatief.
Het plangebied is gelegen in een ‘gemengd gebied’ dat gekenmerkt wordt door een matige tot sterke functiemenging met weinig verstoring door verkeer. Eventuele geluidsoverlast bij derden zou kunnen ontstaan vanwege verkeersbewegingen. Het aantal verkeersbewegingen zal echter gering zijn. Verwacht wordt dat dit niet zal toenemen. Bovendien zijn gevoelige objecten zoals (bedrijfs)woningen ruimschoots buiten de invloedssfeer van de toekomstige activiteiten gelegen. Er is dan ook geen sprake van nadelige milieuhygiënische effecten op de omgeving in de zin van geluid, als gevolg van het initiatief. Ten aanzien van wegverkeerslawaai zijn worden geen bezwaren verwacht. De RvR-woningen worden gesitueerd in de vorm van boerenschuren (een boerenerf) en worden achter de achtergevel gesitueerd
Bestemmingsplan Heuveleindstraat 4 Huisseling - 2021
38
van de bestaande woning. Hiermee worden de woningen op ca. 40 meter en ca. 50 meter afstand van de bestemming Verkeer opgericht. Gezien de afstand vanaf de woningen tot bestemming Verkeer wordt hier geen geluidshinder verwacht. Tevens worden de RvR-woningen landschappelijk ingepast met elementen zoals een nieuwe houtwal. Verwacht wordt dat deze een geluid reducerend effect hebben. Ten aanzien van wegverkeerslawaai zijn er derhalve geen bezwaren ten aanzien van de gewenste ontwikkeling. Ten aanzien van het aspect geluid kan derhalve worden gesteld dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat heerst in de beoogde situatie. 4.8 Luchtkwaliteit Op 15 november 2007 (Stb. 2007, 434) is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. Met de nieuwe Wet luchtkwaliteit en de bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. De kern van deze wetgeving bestaat uit de (Europese) luchtkwaliteitseisen. Nieuw zijn het ‘Besluit niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. Voor projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeft niet langer te worden getoetst aan de grenswaarden.
Niet in betekende mate bijdragen In de Algemene Maatregel van Bestuur ‘Niet in betekende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Per 1 augustus 2009 geldt als NIBM 3% van de grenswaarde. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die Niet in Betekende Mate bijdragen aan de luchtverontreiniging (specifiek gekwantificeerde bedrijfsactiviteiten of het realiseren van kantoor- en woningbouwlocaties in een maximale omvang). Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. Om versnippering van in betekende mate (IBM) projecten in meerdere NIBM-projecten te voorkomen is in het Besluit NIBM een anti-cumulatieartikel opgenomen. In de Handreiking NIBM is de toepassing van het Besluit NIBM en de Regeling NIBM toegelicht en uitgewerkt. De bijdrage van NIBM-projecten aan de luchtverontreiniging wordt binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) gecompenseerd met algemene maatregelen.
Voor woningen gelden volgens de Regeling NIBM de volgende NIBM-grenzen: 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen. Het toevoegen van 2 RvR-woningen blijft hier ruimschoots onder. Het project is derhalve dermate beperkt van aard dat het niet in betekenende mate bijdraagt aan verandering van de luchtkwaliteit. Ten aanzien van luchtkwaliteit zijn er derhalve geen bezwaren ten aanzien van de gewenste ontwikkeling. Fijnstof In de Wet zijn normen vastgelegd voor de concentraties van fijnstof in de lucht, met doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van fijnstof gezien de ligging van het plangebied zijn de grenswaarden voor de jaargemiddelde concentraties voor de zwevende deeltjes fijnstof (PM10 & PM2,5 ) van belang. Ook na de beoogde ontwikkeling dient er sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de rapportage woon- en leefklimaat is ‘Luchtkwaliteit’ één van de aspecten die in dit kader is beoordeeld. In de rapportage wordt geconcludeerd dat gezien de geringe hoeveelheid fijnstof in de lucht kan worden gesteld dat qua fijnstof een goed woon- en leefklimaat heerst in de beoogde situatie.
Bestemmingsplan Heuveleindstraat 4 Huisseling - 2021
39
4.9 Volksgezondheid Bij voorliggend initiatief is een rapportage met betrekking tot de beoordeling van het woon- en leefklimaat opgesteld. Deze is opgenomen als separate bijlage bij deze toelichting (bijlage 1). In dit rapport wordt met betrekking tot volksgezondheid het volgende gesteld: - Veedichtheid: Er wordt voldaan aan de richtlijn voor veedichtheid. Hiermee is het niet aannemelijk dat er geen verhoogd risico is voor een verminderde longfunctie bij omwonenden; - Endotoxinen: Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Het plangebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico; - Zoönosen: Uit dossieronderzoek is niet gebleken dat er binnen de invloedsfeer van het plangebied veehouderijen aanwezig zijn waarbij sprake zou zijn van een bedrijfsmatige gemengde bedrijfsvoering van pluimvee en varkens. Er is derhalve geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico; - Geitenhouderijen: Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen 2 km van het plangebied zijn geen geitenhouderijen gelegen.
Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Ten aanzien van volksgezondheid zijn er derhalve geen bezwaren ten aanzien van de gewenste ontwikkeling. 4.10 Landschappelijk inpassingsplan In de beantwoording van het principeverzoek heeft gemeente Oss als voorwaarden gesteld dat plan moet voldoen aan stedenbouwkundige en landschappelijke randvoorwaarden. Dit betekend dat het weiland aan de westzijde van het bedrijf onbebouwd moet blijven. Het plan moet landschappelijk worden ingepast met elementen zoals een nieuwe houtwal in noord-zuid richting, een boomgaard, bloemenweide en een poel. Voor onderhavig initiatief is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Deze is opgenomen als bijlage 3 bij deze toelichting en tevens als bijlage bij de regels van voorliggend bestemmingsplan. In dit inpassingsplan wordt een beschrijving gegeven van de aanwezige bebouwing en beplanting, de gewenste ontwikkeling en de inpassing hiervan. Er wordt in het inpassingsplan voorgesteld om de inpassing van het plangebied te versterken door: - Het omzomen van het erf door struweelhagen; - Een groene erfafscheiding door middel van knip- en scheerheggen; - Aanplant van boomgroepen met hoogstam fruitbomen; - Aanleg van een landschapspoel ten behoeve van de biodiversiteit. Op navolgende afbeelding zijn de verschillende elementen vanuit het landschappelijk inpassingsplan weergegeven.
Bestemmingsplan Heuveleindstraat 4 Huisseling - 2021
40
Afbeelding 23: uitsnede landschappelijk inpassingsplan 4.11 Bodemkwaliteit Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen, die met ruimtelijke plannen mogelijk worden gemaakt, onderzocht moet worden. Voornemens is om de functieaanduiding ‘Specifieke vorm van agrarisch – veehouderij’ te wijzigingen naar ‘wonen’ en de bouw van twee RvR-woningen. Als gevolg van voorliggend initiatief wordt ter plaatse van het plangebied twee RvR- woningen toegevoegd. Daarnaast worden de bestaande stallen gesloopt. Het merendeel van het plangebied is in gebruik ten behoeve van het agrarische bedrijf. Omdat RvRwoningen deels op de plaats van de bestaande stallen worden gebouwd is bodemonderzoek op dit moment niet mogelijk. Voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor de bouw van de RvR-woningen zal beoordeeld worden of er al dan niet een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd moeten worden. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er derhalve geen bezwaren voor de gewenste ontwikkeling. De bodemkwaliteit staat de ontwikkeling niet in de weg en er zijn geen onoverkomelijke financiële risico’s te verwachten.
4.12 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.
Bestemmingsplan Heuveleindstraat 4 Huisseling - 2021
41
4.12.1 Regelgeving
De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, voor Heuveleindstraat 4 te Huisseling kunnen zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit.
Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt. De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar.
Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico.
Beleidsvisie externe veiligheid De gemeente Oss beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (2011). Hierin wordt invulling gegeven aan de gemeentelijke omgang met externe veiligheid. De beleidsvisie bevat geen gebiedstypering of uitgangspunten die gehanteerd kunnen worden voor de verantwoording van het groepsrisico. Overige wet- en regelgeving Tot slot moet er in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ (art. 3.1 Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit en effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken.
Bestemmingsplan Heuveleindstraat 4 Huisseling - 2021
42
4.12.2 Toetsing aan beleid
Plangebied
Afbeelding 22: uitsnede risicokaart (bron: www.risicokaart.nl) Uit de risicokaart (zie bovenstaande afbeelding) blijkt, dat in de omgeving van het plangebied zijn geen wegen, vaarwegen, spoorlijnen, buisleidingen of inrichtingen gelegen, waarvan een risicocontour over het plangebied is gelegen. Het plangebied ligt op 590 meter van de snelweg A50 gelegen en 652 meter van de spoorlijn. Hiermee ligt het plangebied geheel buiten 200 meter zone van verantwoording groepsrisico zoals gesteld is in het Basisnet. Over de A50 worden wel toxische stoffen vervoerd. Het invloedsgebied van deze stoffen valt over het plangebied. Om deze reden dient het groepsrisico te worden verantwoord. Het relevante scenario in relatie tot het plangebied is een toxische wolk. Een toxische wolk wordt veroorzaakt door een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank. Hierdoor ontstaat een gat in de tank, waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreid. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Voor het scenario toxische wolk is schuilen het beste handelingsperspectief. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen.
Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen niet- of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt. Initiatiefnemer zal de toekomstige bewoners actief informeren over het aanwezige risico en handelingsperspectief. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten binnen het plangebied is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de risicokaart (bovenstaande afbeelding) blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij het plangebied. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen op het plangebied. Onderhavig initiatief voorziet wel in de realisatie van nieuwe beperkt kwetsbare objecten. Aangezien onderhavig plangebied niet is gelegen binnen een
Bestemmingsplan Heuveleindstraat 4 Huisseling - 2021
43
risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden zijn geen risico’s aanwezig voor de voorgenomen ontwikkelingen. Derhalve kan worden geconcludeerd dat er voor dit initiatief geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De ontwikkeling ligt buiten het invloedsgebied van de spoorweg. Voor het spoortraject Den BoschNijmegen, ter hoogte van Ravenstein, is voor het plaatsgebonden risico (PR) een Pr 10-6 contour van 0 meter opgenomen en met betrekking tot het groepsrisico een PR 10-7 contour opgenomen van 4 meter en PR 10-8 contour van 29 meter. Het plangebied ligt buiten de genoemde afstanden van de risicoplafonds. De ontwikkeling ligt het buiten het invloedgebied van de A50. Voor de knooppunten Ewijk-Bankhoef en Bankhoef-Paalgraven is voor het plaatsgebonden risico (PR) een Pr 10-6 contour van 0 meter opgenomen en met betrekking tot het groepsrisico een PR 10-7 contour opgenomen van 74 meter. Het plangebied ligt buiten deze risicoplafonds. Wel wordt voor de A50 aangegeven dat het een plasbrandaandachtsgebied is. In het kader van het plasbrandaandachtsgebied wordt het groepsrisico verantwoordt op grond van artikel 7 van het Bevt. Zie navolgend kader. Verantwoording groepsrisico, artikel 7 -
De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg en; De opkomsttijd bedraagt ongeveer 8 minuten. Er is geen sprake van een zorgfunctie en/of zeer kwetsbare objecten; De plangebied is voldoende bereikbaar voor voertuigen van hulpverleningsdiensten; De plangebied ligt binnen de cirkel van goede hoorbaarheid van de waarschuwings- en alarmeringsinstallatie. De plangebied valt binnen het dekkingsgebied van NL-alert De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg een ramp voordoet. Er zijn voldoende vluchtwegen. Er is geen sprake van (structurele) aanwezigheid van groepen verminderd zelfredzame personen.
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) In het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss - 2020’ is in de nabijheid geen dubbelbestemming voor buisleidingen opgenomen. De voorgenomen ontwikkelingen liggen buiten deze dubbelbestemming en de voorgenomen ontwikkelingen hebben geen invloed op het bepaalde in de bijbehorende regels. Derhalve hebben de ontwikkeling is gelegen buiten de invloedsfeer van de in het Bevb opgenomen buisleidingen. Derhalve is verdere beoordeling aan het Bevb niet van toepassing. 4.13
Verkeer en parkeren
4.13.1 Verkeer
Het plangebied is gelegen aan de Heuveleindstraat 4, buiten de bebouwde kom van Huisseling. De woningen worden via de bestaande in- en uitrit ontsloten op de straat ‘Heuveleindstraat’. Het plangebied aan de Heuveleindstraat is bereikbaar via de Heuveleindstraat vanuit Huisseling, Baxenbosstraat vanuit Ravenstein en Beving vanuit overige richtingen. De realisatie van het initiatief zal een beperkte verkeer aantrekkende werking hebben, van met name personenauto’s. Echter door de ligging buiten de bebouwde kom zal deze nieuwe ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredig veel gevolgen hebben voor de verkeersaspecten. Ook zal bij de inrichting van het initiatief rekening worden gehouden met de bestaande inrit. De kosten voor aanpassingen hierop zijn, indien nodig, voor initiatiefnemer.
Bestemmingsplan Heuveleindstraat 4 Huisseling - 2021
44
4.13.2 Parkeren
Met de inwerkingtreding van de “Reparatiewet BZK” op 29 november 2014 is het verplicht om het parkeren te reguleren middels de bestemmingsregeling. In de bestemmingsregeling kan worden opgenomen dat bij aanvraag om omgevingsvergunning (voor het bouwen en / of afwijken) dient te worden aangetoond dat wordt voldaan aan de van toepassing zijnde parkeernormen. In het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’ dient echter al bij vaststelling van een bestemmingsplan inzichtelijk te worden gemaakt dat redelijkerwijs in de aldus benodigde parkeerplaatsen feitelijk duurzaam kan worden voorzien (ECLI:NL:RVS:2017:1036, r.o. 5.3). Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door het geldende parkeerbeleid. Op basis van de Parkeernormennota van de gemeente Oss (vastgesteld op 13 december 2016) dient parkeren op eigen terrein plaats te vinden. Voor de functie wonen ‘koop, vrijstaand’ geldt in het buitengebied dat er 2,4 parkeerplaatsen per woning gerealiseerd moeten worden. Het parkeren ten behoeve van de te realiseren RvR-woningen zal plaatsvinden op eigen perceel. Het erf bij de woningen biedt hier ruimte voldoende voor. Hierbij zal voldaan worden aan de gestelde parkeernorm. Dit zal derhalve geen belemmering vormen voor realisatie van het initiatief. Realisatie van de benodigde parkeerplaatsen is gewaarborgd in de planregels.
4.14 Technische infrastructuur In of nabij het plangebied liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart in afbeelding 22. Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van het plangebied in beeld te brengen. In de omgeving van het plangebied zijn geen hoogspanningsleidingen gelegen. Zie afbeelding 23.
Plangebied
Afbeelding 23: weergave hoogspanningslijnen (bron: www.rivm.nl)
Bestemmingsplan Heuveleindstraat 4 Huisseling - 2021
45
5. Juridische planbeschrijving
In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling van dit bestemmingsplan. 5.1 Juridische achtergrond De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan (ook: wijzigingsplan) in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar. Dat is in principe de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.
Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven. Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meerdere locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Hierbij kan gedacht worden aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling en het monitoren van beleid. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels. Voor bestemmingsplannen, zoals voorliggend plan, is het verplicht de regels van de SVBP te volgen. 5.2 Toelichting verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd.
Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: - Enkelbestemming: Wonen; - Enkelbestemming:– Agrarisch met waarden - landschap; - Gebiedsaanduiding: Overige zone – beperking veehouderij; - Gebiedsaanduiding: Overige zone – komgebied; - Gebiedsaanduiding: Overige zone – overig agrarisch gebied Voor de benaming van de bestemmingen en aanduidingen is aangesloten bij het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’. Voor het overige wordt aangesloten bij het SVBP. 5.3 Toelichting regels De regels behorende bij voorliggend bestemmingsplan bestaan bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels.
uit
inleidende
regels,
De regels bij voorliggend bestemmingsplan worden gewijzigd ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. Echter waar het mogelijk is wordt aangesloten bij de regels van het vigerende bestemmingsplan. De regels hebben betrekking op de in de verbeelding opgenomen bestemmingen en aanduidingen.
Bestemmingsplan Heuveleindstraat 4 Huisseling - 2021
46
6. Uitvoerbaarheid 6.1 Financiële uitvoerbaarheid De voorgestane ontwikkeling aan de Heuveleindstraat 4 te Huisseling betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit kan worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarbij de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. In dat kader is de gelegenheid tot inspraak geboden (in de vorm van publicatie van het (voor)ontwerpbestemmingsplan). Ook heeft vooroverleg plaatsgevonden met de daartoe aangewezen instanties.
6.2.1
Omgevingsdialoog
Initiatiefnemer heeft een omgevingsdialoog uitgevoerd, conform de ‘Handreiking omgevingsdialoog’ van de gemeente Oss. De buren zijn geïnformeerd over voorliggend initiatief. De uitgevoerde omgevingsdialoog is als separate bijlage (bijlage 8) opgenomen bij deze toelichting. De naaste buren hebben geen opmerkingen of tips aangegeven ten behoeve van dit initiatief. Omdat het stedenbouwkundig plan is aangepast, heeft initiatiefnemers nogmaals omwonenden over het plan geïnformeerd.
6.2.2
Vooroverleg
Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat ‘het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn’. Ter uitvoering daarvan zijn de provincie Noord-Brabant, Waterschap Aa en Maas en Veiligheidsregio Brabant-Noord in de gelegenheid gesteld om te reageren op het concept ontwerpbestemmingsplan. Het ontwerpbestemmingsplan is ter informatie toegestuurd naar de Dorpsraad Ravenstein. Het plan is niet overlegd met de diensten van de Rijksoverheid, omdat het Rijk in 2012 heeft aangegeven dat vooroverleg alleen nog maar hoeft als het gaat om defensie, waterstaat en energievoorzieningen. In dit plan gaat het hier niet om en daarom is het niet voorgelegd aan het Rijk. Het vooroverleg heeft het volgende opgeleverd. Provincie Noord-Brabant De gemeente kan met behulp van een e-formulier een ruimtelijk plan elektronisch toezenden aan de provincie Noord-Brabant. Met dat formulier is beoogd de procedure rond het wettelijk vooroverleg te verkorten. Op basis van de ingevulde ruimtelijke aspecten kan in veel gevallen worden volstaan met het invullen van het formulier.
De gemeente ontvangt vervolgens via de e-mail een afschrift van de inventarisatie van de ruimtelijke aspecten, waarmee het wettelijk vooroverleg is afgerond. In het kader van het wettelijk vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening is het concept ontwerpbestemmingsplan door middel van het e-formulier aangemeld bij de provincie Noord-Brabant. Op 15 november 2021 hebben wij een reactie ontvangen van de provincie. In deze reactie geven zij aan dat het provinciaal beleid nog op onvoldoende wijze in het bestemmingsplan is vertaald. De provincie is vooralsnog niet overtuigd dat het hier een bebouwingsconcentratie betreft. De voorgenomen locatie is niet gelegen in een door de gemeente Oss begrensde bebouwingsconcentratie; zoals opgenomen in de Structuurvisie buitengebied 2015. Er dient een nader te onderbouwen motivering te worden opgesteld op grond van artikel 3.80 IOV (bebouwingsconcentratie). Daarnaast moet inzichtelijk worden gemaakt hoe het toevoegen van twee ruimte-voor-ruimte woningen zich verhoudt tot de rest Bestemmingsplan Heuveleindstraat 4 Huisseling - 2021 47
van de woningen. De beoogde woningen worden gesitueerd in een boerenerf. De provincie zijn geen voorstander van burgerwoningen in het buitengebied die zijn vormgegeven als een boerenerf of knooperf; behalve wanneer deze gebiedseigen zijn. De provincie adviseert dan ook om dit ontwerpvraagstuk nader te bekijken. Als laatste punt dringt de provincie erop aan dat de bewijsstukken (titels) voor de realisatie van de ruimte-voor-ruimtewoningen worden toegevoegd aan het plan (artikel 3.80 IOV). De bewijsstukken van de aankoop van de ruimte-voor-ruimtetitel zijn toegevoegd bij de vastgestelde versie van het plan. De opmerkingen van de provincie Noord-Brabant zijn verwerkt in de toelichting van het bestemmingsplan. Waterschap Aa en Maas Waterschap Aa en Maas heeft op 9 juni 2022 aangegeven dat het plan is beoordeeld. Er is geconstateerd dat er opmerkingen zijn op het betreffende planvoornemen. Het waterschap heeft het volgende opgemerkt. De waterparagraaf is niet volledig beschreven en tevens wordt er verwezen naar het verouderde waterbeheerprogramma. Het waterschap verzoekt om de waterparagraaf op het gebied van beleid en uitgangspunten aan te passen. Daarnaast ontbreekt er ook een beschrijving van de aanwezige b-watergang die om het plangebied is gesitueerd. Het waterschap stelt de vraag of deze watergang verder wordt gehandhaafd of dat hiervoor ook plannen zijn.
Indien er aanpassingen beoogd zijn voor de b-watergang dient dit eerst te worden besproken met het waterschap. Als de b-watergang in stand blijft dan is het enkel van belang om deze ook te benoemen in de toelichting en dat deze blijft gehandhaafd. De opmerkingen van het Waterschap Aa en Maas zijn verwerkt in de toelichting van het bestemmingsplan. Veiligheidsregio Brabant-Noord De Veiligheidsregio Brabant-Noord heeft op 14 juni 2022 het plan beoordeeld. Er is geconstateerd dat er opmerkingen zijn op het betreffende planvoornemen. De veiligheidsregio heeft het volgende opgemerkt. De ruimtelijke ontwikkeling vindt plaats in het invloedsgebied van de rijksweg A50. Daarom dient comform artikel 7 het groepsrisico te worden verantwoord. In paragraaf 4.12 wordt ingegaan op het aspect externe veiligheid. De beoordeling van deze paragraaf is niet juist. Er wordt gesteld dat het plasbrandaandachtsgebied relevant is en daar wordt een verantwoording voor gegeven. Het plasbrandaandachtsgebied bedraagt 30 meter en daar valt het plangebied niet binnen. Over de A50 worden wel toxische stoffen vervoerd. Het invloedsgebied van deze stoffen valt wel over het plangebied. Om deze reden dient het groepsrisico te worden verantwoord. Het relevante scenario in relatie tot het plangebied is een toxische wolk.
Een toxische wolk wordt veroorzaakt door een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank. Hierdoor ontstaat een gat in de tank, waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreid. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Voor het scenario toxische wolk is schuilen het beste handelingsperspectief. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen niet- of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt. De veiligheidsregio adviseert om de initiatiefnemers c.q. de toekomstige bewoners actief te informeren over het aanwezige risico en handelingsperspectief.
Bestemmingsplan Heuveleindstraat 4 Huisseling - 2021
48
In de toelichting wordt in paragraaf 4.12 (externe veiligheid) opgenomen dat de initiatiefnemer is geïnformeerd over de risico’s en hem hebben geadviseerd potentiële huurders/kopers te informeren over deze risico’s en handelingsperspectief.
6.2.3
Inspraak
De gemeente is wettelijk niet verplicht om een voorontwerpbestemmingsplan te maken en daar een inspraakprocedure voor te volgen. Het gemeentelijk beleid voor de toepassing van inspraak bij ruimtelijke plannen biedt de mogelijkheid om bij kleine plannen af te zien van inspraak. Dit is aan de orde bij plannen die een beperkte impact hebben. In dit geval gaat het om het saneren van aan agrarisch bedrijf, het omschakelen van de bedrijfswoning naar burgerwoningen en het toevoegen van één extra woning. De gemeente heeft in dit geval geen voorontwerpbestemmingsplan gemaakt en dus ook geen inspraakprocedure gevolgd.
6.2.4
Zienswijzen en beroep
De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vind plaats volgens artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. Er is één zienswijze ingebracht. De ingebrachte zienswijze wordt behandeld in de zienswijzenota die is opgenomen in de bijlage van deze toelichting. De eventuele wijzigingen t.o.v. het ontwerp zullen hierin worden verwoord. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.