Bijlage 1A Toelichting BP Burgemeester van Erpstraat 58 Berghem - 2023
Tekst van het document
Als dit positief is, wordt toestemming verleend in de vorm van een ‘omgevingsvergunning waarbij van het bestemmingsplan wordt afgeweken’. Bij deze afweging spelen publieksaantrekkende werking en milieu- en verkeersaspecten altijd een rol. Deze zijn onder andere opgenomen in de voorwaarden die zijn gesteld. Een onderzoek om aan te tonen dat aan deze voorwaarden wordt voldaan kan hierbij nodig zijn. Voorbeelden van activiteiten waarbij een toetsing vooraf nodig is zijn: een groter oppervlak dan het toegestane 35 m2, andere activiteiten dan die in de lijst zijn opgenomen of groepsmatige activiteiten. In het nieuwe beleid worden de mogelijkheden voor dit afwijkend gebruik beschreven. Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik moet de aanvrager een concrete aanvraag om toestemming bij de gemeente indienen. Analyse Onderhavig zorgt niet direct voor aan huis gebonden activiteiten met een oppervlakte groter dan 35 m². Conclusie Het plan voldoet aan het 'Beleid aan huis gebonden activiteiten'.
Burgemeester van Erpstraat 58 Berghem – 2023, pag. 31 van 58 Vastgesteld
Hoofdstuk 5 5.1
Omgevingsaspecten
Landschap
5.1.1 Nota Landschapsbeleid Binnen de gemeente Oss bestaat grote aandacht voor het landschap en het landelijke gebied. De Nota Landschapsbeleid 2015 zorgt voor een beleidskader welke een sturende werking heeft bij ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied. Ruimtelijke ingrepen en nieuwe functies in het buitengebied hebben een grote uitstraling naar de omgeving. Dit betekent dat bij deze ingrepen (bijvoorbeeld de bouw van agrarische bedrijfsgebouwen) eisen aan de landschappelijke inpassing van objecten moeten worden gesteld. De gemeente wordt verder geconfronteerd met de aanleg (of juist verwijdering) van (landschaps)elementen door particulieren op agrarische percelen in het buitengebied. Dergelijke initiatieven komen vaak niet overeen met de ter plaatse aanwezige en te behouden landschappelijke kwaliteit (bijvoorbeeld behoud van openheid of gebruik van niet-inheemse boomsoorten). Goede toetsingskaders en sturingsinstrumenten zijn voor bescherming maar ook voor ontwikkeling van het landschap onmisbaar. In de Nota Landschapsbeleid wordt per deelgebied beschreven wat de landschappelijke visie is. De verschillende deelgebieden zijn: Uiterwaarden Oeverwal Komgebied Dekzandrand Dekzandrug Per deelgebied wordt aangegeven wat de ontwikkelingsvisie is. Daarbij worden aandachtspunten voor uitwerking en uitvoering geschetst.
Onderhavig plangebied is conform het ‘Landschapsbeleid’ onderdeel van de ‘stad Oss-Berghem’. Hierdoor is dit beleid niet van toepassing op onderhavig planvoornemen. 5.2
Natuur
5.2.1 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. Maar sommige soorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is dan ook belangrijk. Rolverdeling tussen provincies en Rijk Sinds 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur binnen de provincie. De provincies zorgen voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren en internationaal beleid (zoals Natura2000). Ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen die invloed hebben op beschermde natuur moeten passen binnen de Wet natuurbescherming. Daarnaast gelden ook provinciale regelingen voor natuurbescherming. 5.2.2 Groen en natuur/biodiversiteit Natuurinclusief bouwen De gemeente streeft er naar om bij (ver)bouwen zoveel als mogelijk rekening te houden met de natuur en de biodiversiteit ofwel ‘natuurinclusief’ te bouwen. Aan initiatiefnemers wordt gevraagd om dit ook te doen.
Burgemeester van Erpstraat 58 Berghem – 2023, pag. 32 van 58 Vastgesteld
Bijzonder waardevolle bomen In 1998 is de beleidsnota “Bijzonder waardevolle bomen” opgesteld, waarin bomen zijn opgenomen die vanwege specifieke waarden bescherming verdienen. De lijst met waardevolle bomen wordt periodiek geactualiseerd. De laatste actualisatie is opgenomen in de nota “Bijzondere bomen in Oss 2018”. In deze nota is vastgelegd dat de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de aangewezen waardevolle bomen altijd geweigerd moet worden tenzij het kappen van deze bomen vanuit het algemene belang noodzakelijk is. Dit is verder vertaald in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Op grond van de APV is voor het kappen van bomen die op de Beschermde bomenlijst staan een vergunning vereist. De vergunning kan op grond van verschillende criteria door het college van burgemeester en wethouders worden geweigerd. 5.2.3 Natuurtoets Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om soortenbescherming en anderzijds om gebiedsbescherming. Deze bescherming moet er toe leiden dat het voortbestaan van de soort niet in gevaar komt. De gebiedsbescherming is gericht op de bescherming van kwetsbare natuurgebieden Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en het Natuurnetwerk Brabant. Onderhavig planvoornemen ligt op circa 12,5 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’.
Normaliter moet ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan met name om de stikstofdepositie. Conform de Wet natuurbescherming mag de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden niet toenemen. Er geldt dan ook een grenswaarde van 0,00 mol/hectare/jaar. De nieuwe woningen krijgen geen gasaansluiting en de uitstoot van stikstofoxiden is daardoor sterk beperkt. Amitec BV uit Uden heeft een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd waarbij het plan is getoetst aan de wet- en regelgeving van de uitvoeringsaspecten milieu, waarden en water: rapport 'Haalbaarheidstoets (Milieu-onderbouwing), Project: Burgemeester van Erpstraat 58, Berghem - 2023 (20 april 2023, 21.434WR.02). Het rapport is opgenomen als bijlage 2. De nieuwe woningen krijgen geen gasaansluiting en is de uitstoot van stikstofoxiden is daardoor sterk beperkt. Onderhavig planvoornemen ligt op circa 12,5 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied ‘Rijntakken’. Voor de ontwikkeling is een AERIUS berekening uitgevoerd (zie bijlage 2 Haalbaarheidsonderzoek). Hieruit blijkt dat de stikstofdepositie voor onderhavig project 0,00 mol/ha/jaar is. Soortenbescherming Bij ontwikkeling van het initiatief kunnen natuurwaarden in het gebied verstoord worden. Het plangebied is reeds bebouwd. Inventarium heeft een Quickscan natuurwaarden uitgevoerd (bijlage 3).
Hieruit volgen geen nadelige effecten voor de verschillende planten en dieren. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect natuur vormt geen planologische belemmering voor het project. 5.3
Archeologie en Cultuurhistorie
5.3.1 Erfgoedwet en overgangsregeling omgevingswet De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt.
Burgemeester van Erpstraat 58 Berghem – 2023, pag. 33 van 58 Vastgesteld
Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees archeologische resten) net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: • vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. • verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. • bescherming van stads- en dorpsgezichten. Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen, zoals de Wabo en het Bro. 5.3.2 Archeologiebeleid Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van 25 oktober 2019 en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010, herzien 2016. Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld.
Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid. Op 14 oktober 2010 heeft de gemeente Oss haar ‘archeologiebeleid’ vastgesteld. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk. Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss' (Goddijn, 2012). Aan de hand van onderzoeken, inzichten en boringen in het veld zijn de eerdere archeologische kaarten gedeeltelijk bijgesteld. Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld. Verwachting/waarde Archeologisch beschermd rijksmonument
Vrijstellingsgrenzen 0 m2 / 30 cm -Mv
Archeologisch (AMK-) monument Beschermde stadsgezichten
35 m2 / 30 cm -Mv
Historische stads-/dorpskern
50 m2 / 30 cm -Mv
Hoge verwachtingswaarde
100 m 2 / 30 cm -Mv
Hoge verwachtingswaarde – bedrijventerrein
1000 m2 / 30 cm -Mv
Middelhoge verwachtingswaarde Lage verwachtingswaarde
5 hectare / 30 cm -Mv
Reeds onderzocht
Afhankelijk van de resultaten van het reeds uitgevoerde onderzoek.
Verstoord
Geen onderzoeksplicht
5.3.3 Archeologietoets Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente is het bestemmingsplangebied zowel gelegen binnen de verwachtingswaarde ‘Historische kern’ als ‘Middelhoge verwachtingswaarde’. Concreet betekent dit dat er ter plaatse van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie historische kern’ een archeologische onderzoeksplicht geldt indien de bodemingrepen dieper reiken dan 30 cm beneden huidig maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 50 m² en dat ter plaatse van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie verwachtingswaarde middelhoog’ een archeologische onderzoeksplicht geldt
Burgemeester van Erpstraat 58 Berghem – 2023, pag. 34 van 58 Vastgesteld
indien de bodemingrepen dieper reiken dan 30 cm beneden huidig maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 1.000 m². Toetsing van de plannen Amitec BV uit Uden heeft een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd waarbij het plan is getoetst aan de wet- en regelgeving van de uitvoeringsaspecten milieu, waarden en water: rapport 'Haalbaarheidstoets (Milieu-onderbouwing), Project: Burgemeester van Erpstraat 58, Berghem - 2023 (20 april 2023, 21.434WR.02). Het rapport is opgenomen als bijlage 2. In het bestemmingsplan ‘Berghem Dorp - 2015” is de locatie aangeduid als 'Waarde - Archeologie verwachtingswaarde middelhoog’, waarvoor een vergunningplicht geldt bij een oppervlakte van 1.000 m² of meer en dieper dan 0,3 m ten opzichte van het maaiveld. De gemeente heeft in haar beoordeling aangegeven dat een deel van het gebied binnen de historisch kern ligt, waar een ondergrens van 50m² geldt. Met de realisatie van de woningen wordt minder dan 1.000 m², maar meer dan 50m², bebouwd. Onduidelijk is hoe (diep) de fundering uitgevoerd zal worden. Daarom dient na sloop van de huidige bebouwing, maar voor realisatie van de nieuwe woningen, een integraal proefsleuvenonderzoek uitgevoerd te worden. Door Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie uit Amersfoort is een bureauonderzoek uitgevoerd, voor de ruimtelijke procedure.
Tussen de gemeente en initiatiefnemer is afgesproken dat na sloop van de huidige bebouwing een integraal archeologisch proefsleuvenonderzoek wordt uitgevoerd voor het totale gebied. Het bureauonderzoek van Vestigia is in bijlage 4 opgenomen. Indien onverhoopt tijdens werkzaamheden archeologische resten worden aangetroffen dan dienen deze terstond bij het bevoegd gezag te worden gemeld. Bestemmingsplanregels De gemeente Oss vertaalt de wet en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. Om het archeologisch traject te borgen is aan het gebied een tweetal dubbelbestemmingen toegekend: ‘Waarde – Archeologie historische kern’ en ‘Waarde - Archeologie verwachtingswaarde middelhoog’.
Voor het gebied ‘Waarde – Archeologie historische kern’ geldt dat bij bodemverstoringen groter dan 50 m² en dieper dan 30 cm beneden huidig maaiveld archeologisch onderzoek nodig is. Voor het gebied ‘Waarde – Archeologie verwachtingswaarde middelhoog’ geldt dat bij bodemverstoringen groter dan 1.000 m² en dieper dan 30 cm beneden huidig maaiveld archeologisch onderzoek nodig is. 5.3.4 Cultuurhistorie Wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van
Burgemeester van Erpstraat 58 Berghem – 2023, pag. 35 van 58 Vastgesteld
cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening. In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten.
Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen. De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen. Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2019. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang.
Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Interim omgevingsverordening NoordBrabant Met de onder het kopje ‘archeologie’ genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen. Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje ‘archeologie: bestemmingsplanregels’ verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden. Toetsing van de plannen Het planvoornemen is, conform de Erfgoedkaart Oss 2005, gesitueerd in het oude bebouwingslint van Berghem (historische kern) naast een Rijksmonument. De verkavelingsopzet van onderhavig planvoornemen wijkt af van de traditionele invulling aan dit bebouwingslint / historische kern van Berghem. Amitec BV uit Uden heeft een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd waarbij het plan is getoetst aan de wet- en regelgeving van de uitvoeringsaspecten milieu, waarden en water: rapport 'Haalbaarheidstoets (Milieu-onderbouwing), Project: Burgemeester van Erpstraat 58, Berghem - 2023 (20 april 2023, 21.434WR.02). Het rapport is opgenomen als bijlage 2. Aan de zuidzijde van de Burgemeester van Erpstraat (nr.
60) is een rijksmonument aanwezig dat omstreeks 1870, van oorsprong wellicht zeventiende-eeuwse woonhuis met koetshuis, grondig werd verbouwd en voorzien van een nieuwe voorgevel in sobere traditionele vormen. Het pand heeft een oudere kern en ook zijn veel van de oude bouwfragmenten hergebruikt. Het voormalige koetshuis aan de rechter zijde is in 1978 grotendeels gesloopt en valt buiten de van rijkswege geldende bescherming. Dit
Burgemeester van Erpstraat 58 Berghem – 2023, pag. 36 van 58 Vastgesteld
geldt ook voor de vierkante éénlaags aanbouw aan de achterzijde en de vrijstaande grote schuur aan de achterzijde van het erf. De ontwikkeling van de woning zorgt voor meer openheid en afstand tot aan het naastgelegen rijksmonument, waardoor geen inbreuk op de cultuurhistorische waarde plaatsvindt. Door het parkeren achter op het perceel te situeren, wordt geen inbreuk gemaakt op het historisch bebouwingslint. 5.4
Mobiliteit en parkeren
5.4.1 Verkeer De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. De mobiliteitsvisie is uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan Wegen werkt het gewenste netwerk voor het autoverkeer uit. Per weg is de gewenste functie vastgelegd. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden. Verkeer: extra verkeersbewegingen De realisatie van woningen heeft invloed op de verkeersgeneratie. De digitale publicatie ''ASVV 2012'' (CROW) bevat kencijfers voor de verkeersgeneratie van diverse functies. De gemeente Oss wordt aangeduid als sterk stedelijk gebied, waarin de locatie van het deelgebied binnen de gemeente Oss tot het buitengebied behoort. Het aantal verkeersbewegingen in de huidige situatie bestaat uit één onderdeel, namelijk de sportschool No Limit Sports. De ''ASVV 2012'' (CROW) geeft voor dit onderdeel kencijfers voor de verkeersgeneratie. Oude situatie Sportschool (per 100 m2 bvo) Totaal
Aantal 1.000 m2
Verkeersgeneratie 33,2
Totaal 332 332
Het aantal verkeersbewegingen in de nieuwe situatie bestaat uit twee onderdelen, namelijk de drie rijwoningen (koop), vijf starterswoningen (koop) en twee twee-onder-een-kapwoningen (koop). In het kader van de berekening van de verkeersgeneratie worden alle woningen geschaard onder de noemer ‘Koop, huis, tussen/hoek’. Dit initiatief leidt volgens de kencijfers uit de ''ASVV 2012'' (CROW) tot een verkeersaantrekkende werking van: Nieuwe situatie Koop, huis, tussen/hoek Totaal
Aantal 10
Verkeersgeneratie 7,1
Totaal 71 71
Gemiddeld is er sprake van een verkeersdalende werking van (332 – 71 =) 261 motorvoertuigen per etmaal. Het initiatief zorgt daarmee voor een flinke afname van het aantal verkeersbewegingen. Volgens het 'Mobiliteitsplan 2020' past dit binnen de functie van de weg welke een verkeersintensiteit tussen de 6.000 en 15.000 mvt/etm. Verkeer: ontsluitingswegen Het bouwplan wordt ontsloten aan de Burgemeester van Erpstraat en voldoet aan de normen in het beleid (Mobiliteitsplan 2020) van de gemeente Oss. De Burgemeester van Erpstraat en omliggende straten kunnen deze 'extra' verkeersbewegingen verdragen. 5.4.2 Parkeren Het voorzien in voldoende parkeerplaatsen is noodzakelijk voor goed functioneren van het initiatief en voorkomt overlast voor de omgeving. Het gemeentelijke parkeerbeleid is vastgelegd in de gemeentelijke nota ''Parkeernormen 2017, gemeente Oss'' en bevat de hoofdlijnen van het beleid. Dit document wordt gebruikt bij het opstellen van de parkeerbalans. Uitgangspunt is de parkeernorm in de kolom 'Kernen'.
Burgemeester van Erpstraat 58 Berghem – 2023, pag. 37 van 58 Vastgesteld
Oude situatie Sportschool Totaal
Aantal m2 bvo 1.000
Nieuwe situatie Koop, huis, tussen/hoek Koop, huis, twee-onder-een-kap Totaal
Parkeerplaatsen per 100 m2 bvo 4,7
Aantal woningen 8 2
Parkeerplaatsen per woning 2 2,2
Totaal 47 47 Totaal 16 4,4 20,4
Onderhavig initiatief moet, conform de nota ‘Parkeernormen 2017, gemeente Oss’’, voorzien in 21 parkeerplaatsen. Van deze 21 parkeerplaatsen worden er 18 gerealiseerd binnen het plangebied. De overige 3 parkeerplaatsen worden gerealiseerd langs de Burgemeester van Erpstraat. Dit is visueel weergegeven op de inrichtingsschets in hoofdstuk 3. Hiermee wordt voldaan aan de ‘Parkeernormen 2017, gemeente Oss’’. 5.5
Water
5.5.1 Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in december 2022 een Water- en Rioleringsprogramma vastgesteld (WRP 20232029). Het programma biedt een kader voor de gemeente watertaken en regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater doelmatige verwerking van afvloeiend (overtollig) hemelwater en overtollig grondwater. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen. De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro).
Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt.
Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000
Burgemeester van Erpstraat 58 Berghem – 2023, pag. 38 van 58 Vastgesteld
m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: • Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; • Voorkomen van vervuiling van water; • Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: o Hergebruik o Infiltratie/bergen o Afvoer • Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: o De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; o De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; o Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; o De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; o Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied. Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld.
In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd.
In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: • schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; • de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; • de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; • de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. ‘ 5.5.2 Watertoets Amitec BV uit Uden heeft een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd waarbij het plan is getoetst aan de wet- en regelgeving van de uitvoeringsaspecten milieu, waarden en water: rapport 'Haalbaarheidstoets (Milieu-onderbouwing), Project: Burgemeester van Erpstraat 58, Berghem - 2023 (20 april 2023, 21.434WR.02). Het rapport is opgenomen als bijlage 2. In de rapportage wordt verwezen naar het aspect ‘Waterhuishouding’. Hieruit volgt dat met de realisatie van de nieuwe woningen het verhard oppervlak met ca. 960 m² afneemt.
Burgemeester van Erpstraat 58 Berghem – 2023, pag. 39 van 58 Vastgesteld
De eenvoudige rekenregel uit de Algemene regel (Artikel 15 Afvoer hemelwater door verhard oppervlak), behorend bij de keuren van de drie Brabantse waterschappen, is alleen van toepassing indien een toename van het verhard oppervlak tussen 500 m² en maximaal 10.000 m² aanwezig is. Nu dit niet het geval is, wordt door de gemeente Oss de eis gehanteerd om minimaal 10 mm van het aangesloten verhard (dak) oppervlak te bergen op eigen terrein (ongeacht het type verharding). De benodigde compensatie voor de toename komt hierdoor op (1126 x 0,01) 11,26 m³. Ten behoeve van de aanvraag omgevingsvergunning, activiteit bouwen, zal een definitieve systeemkeuze en berekening overlegd dienen te worden. Binnen het plangebied zijn verschillende groengebieden beschikbaar om 20-30 cm verlaagd aan te leggen. In de volgende afbeelding zijn deze gebieden geel gemarkeerd. Hierdoor worden ‘wadi’s’ gecreëerd waar hemelwater opgevangen kan worden voor infiltratie. Vanuit het oogpunt van klimaatadaptie is een sedumdak op de bergingen (plat- of licht hellend dak) gewenst en kunnen ook de parkeerplaatsen groen uitgevoerd worden, door toepassing van grastegels of gelijkwaardige oplossingen. Bij de uitwerking van de omgevingsaanvraag zal het definitief verhard oppervlakte berekend moeten worden en zal in een rioleringstekening de uitwerking van het bovenstaande moeten worden weergegeven.
5.6 Defensie Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: • Radarverstoringsgebieden; • Obstakelbeheergebieden; • Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; • Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen.
Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden. 5.7 Milieuaspecten In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: • Bedrijven en milieuzonering • Bodem • Externe veiligheid • Geurhinder: agrarisch • Geur: industrieel
Burgemeester van Erpstraat 58 Berghem – 2023, pag. 40 van 58 Vastgesteld
• • • • •
Luchtkwaliteit Straling Weg-, spoor-, en industrielawaai Gezondheid Spuitzones
5.7.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uitvoeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. Amitec BV uit Uden heeft een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd waarbij het plan is getoetst aan de wet- en regelgeving van de uitvoeringsaspecten milieu, waarden en water: rapport 'Haalbaarheidstoets (Milieu-onderbouwing), Project: Burgemeester van Erpstraat 58, Berghem - 2023 (20 april 2023, 21.434WR.02). Het rapport is opgenomen als bijlage 2. In de rapportage wordt verwezen naar het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’. Hieruit volgt dat in de omgeving verschillende bedrijven aanwezig zijn, waarvoor de richtwaarden uit tabel 1 van toepassing zijn. Het gaat om de volgende bedrijven: 1. Hoessenboslaan 4 (milieucategorie 2) 2. Burgemeester van Erpstraat 77 (paarden, schapen) 3. Harenseweg 8-14 (milieucategorie 2)
Uit de tabel volgt dat voor de planlocatie wordt voldaan wordt aan de richtafstanden. 5.7.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Amitec BV uit Uden heeft een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd waarbij het plan is getoetst aan de wet- en regelgeving van de uitvoeringsaspecten milieu, waarden en water: rapport 'Haalbaarheidstoets (Milieu-onderbouwing), Project: Burgemeester van Erpstraat 58, Berghem - 2023 (20 april 2023, 21.434WR.02). Het rapport is opgenomen als bijlage 2. In de rapportage wordt verwezen naar het aspect ‘Bodem’. Hieruit volgt dat de voorgenomen ontwikkeling een bodemroerende activiteit omvat, waarvoor een verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd (bijlage 5). Voor het initiatief is een verkennend bodemonderzoek (Van Oort, BES.320921 conform de NEN5740 uitgevoerd, welke separaat is bijgevoegd.
De resultaten van dit onderzoek) geven geen aanleiding tot een vervolgonderzoek. Er zijn geen gehaltes gemeten tot boven de tussenwaarde (Tw). Op basis van het totaal aan onderzoeksgegevens behoeft de bodemkwaliteit geen belemmering te vormen voor een herbestemming en het verlenen van een omgevingsvergunning voor nieuwbouw. Vanwege de
Burgemeester van Erpstraat 58 Berghem – 2023, pag. 41 van 58 Vastgesteld
aangetroffen lichte verontreinigingen dient bij grondverzet rekening te worden gehouden met mogelijke gebruiksbeperkingen bij hergebruik van de vrijkomende grond op een andere locatie. Na de sloop moet de kwaliteit van de bodem onder de bestaande gebouwen aanvullend worden onderzocht. Tevens dient aangetoond dat de aanwezige baksteenresten inderdaad baksteenresten zijn en niet mogelijk verdachte puinresten. Indien dit wel zo blijkt moet alsnog verkennend onderzoek naar asbest (NEN-5707) worden gedaan. 5.7.3 Externe veiligheid Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) • het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) • het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten.
Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar.
Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld (versie 6.4, maart 2011). Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. Amitec BV uit Uden heeft een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd waarbij het plan is getoetst aan de wet- en regelgeving van de uitvoeringsaspecten milieu, waarden en water: rapport 'Haalbaarheidstoets (Milieu-onderbouwing), Project: Burgemeester van Erpstraat 58, Berghem - 2023 (20 april 2023, 21.434WR.02).
Het rapport is opgenomen als bijlage 2.
Burgemeester van Erpstraat 58 Berghem – 2023, pag. 42 van 58 Vastgesteld
In de rapportage wordt verwezen naar het aspect ‘Externe veiligheid’. Hieruit volgt dat: • Inrichtingen De planlocatie is niet gelegen binnen risicocontouren van risicobronnen. De westelijk gelegen LPG tankstation ligt op een afstand van >600 m. •
Transportroutes Ten zuiden van het plangebied (ca. 440 m) is een spoorweg6 gelegen, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Gezien de ligging van het plangebied (> 300 meter van het spoor, zone IV) wordt alleen rekening gehouden met de effecten van een toxische gaswolk. Volgens de Beleidsvisie externe veiligheid Oss dient kan hiervoor bij de standaardverantwoording worden aangehaakt.
•
Buisleidingen Er zijn geen buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen met een risicocontour aanwezig, die van invloed is op het plangebied.
Het groepsrisico is beperkt verantwoord en wordt aanvaardbaar geacht. De volgende overwegingen spelen daarbij een rol: • Het groepsrisico ter plaatse neemt door het plan slechts marginaal toe; • Binnen het plangebied zijn alleen zelfredzame personen aanwezig. Er zijn derhalve geen belemmeringen ten aanzien van het aspect externe veiligheid voor het plan. 5.7.4 Geurhinder: agrarisch De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2017”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: • de burger beschermen tegen geurhinder; • de veehouderijen niet onnodig beperken; • ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woonen leefklimaat is.
De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017 wordt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object binnen de gemeente Oss vastgelegd. Conform Artikel 3 Waarden voor de geurbelasting van de verordening zijn de volgende waarden vastgelegd: Lid 1. Op grond van artikel 6, lid 1 van de wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2, lid 1 van deze verordening: A. Stad Oss
1,0 Ou
B. Woonkern met geen/enige intensieve veehouderij
2,0 Ou
C. Plangebied (bij kern A en B)
3,0 Ou
D. Woonkern met intensieve veehouderij
6,0 Ou
E. Zoekgebied + plangebied Maren-Kessel West en Liesdaal
6,0 Ou
Burgemeester van Erpstraat 58 Berghem – 2023, pag. 43 van 58 Vastgesteld
F. Recreatiegebieden
8,0 Ou
G. Extensiveringsgebieden
8,0 Ou
H. Bedrijventerreinen
8,0 Ou
I. Bedrijventerrein Vorstengrafdonk
12,0 Ou
J. Verwevingsgebied
14,0 Ou
K. Landbouwontwikkelingsgebied
14,0 Ou
Amitec BV uit Uden heeft een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd waarbij het plan is getoetst aan de wet- en regelgeving van de uitvoeringsaspecten milieu, waarden en water: rapport 'Haalbaarheidstoets (Milieu-onderbouwing), Project: Burgemeester van Erpstraat 58, Berghem - 2023 (20 april 2023, 21.434WR.02). Het rapport is opgenomen als bijlage 2. In de rapportage wordt verwezen naar het aspect ‘Geurhinder veehouderijen. Hieruit volgt dat in de geurverordening de gemeente Oss, voor de bebouwde kom van Berghem, een norm heeft opgenomen van 2 ouE/m³. De nieuwe woningen brengen hier geen wijziging in en beperken de aanwezige veehouderijen niet. 5.7.5 Geur: industrieel Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: • als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; • als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; • de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is.
Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing. Amitec BV uit Uden heeft een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd waarbij het plan is getoetst aan de wet- en regelgeving van de uitvoeringsaspecten milieu, waarden en water: rapport 'Haalbaarheidstoets (Milieu-onderbouwing), Project: Burgemeester van Erpstraat 58, Berghem - 2023 (20 april 2023, 21.434WR.02). Het rapport is opgenomen als bijlage 2. In de rapportage wordt niet verwezen naar het aspect ‘Geur industrieel. Desalniettemin kan op basis van paragraaf 2.2 uit de haalbaarheidstoets worden gesteld dat het planvoornemen voldoet aan de richtafstanden van het aspect geur. Er zijn derhalve geen belemmeringen ten aanzien van het aspect geur industrieel voor het plan.
5.7.6 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen
Burgemeester van Erpstraat 58 Berghem – 2023, pag. 44 van 58 Vastgesteld
stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBMproject is. Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken.
Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit.
Amitec BV uit Uden heeft een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd waarbij het plan is getoetst aan de wet- en regelgeving van de uitvoeringsaspecten milieu, waarden en water: rapport 'Haalbaarheidstoets (Milieu-onderbouwing), Project: Burgemeester van Erpstraat 58, Berghem - 2023 (20 april 2023, 21.434WR.02). Het rapport is opgenomen als bijlage 2. In de rapportage wordt verwezen naar het aspect ‘Luchtkwaliteit’. Hieruit volgt dat met de nieuwe woningen de verkeersbewegingen per dag beperkt zullen toenemen. Het initiatief heeft hierdoor een NIBM-bijdrage. Uitgaande van 10 woningen en een verkeersaantrekkende werking van 6 bewegingen per woning/kavel, resulteert dit in totaal 60 voertuigbewegingen. De tien woningen hebben een beperkte verkeersaantrekkende werking tot gevolg, waardoor de luchtkwaliteit ter plaatse wordt beïnvloedt. Deze invloed is verwaarloosbaar. 5.7.7 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008.
De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. Amitec BV uit Uden heeft een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd waarbij het plan is getoetst aan de wet- en regelgeving van de uitvoeringsaspecten milieu, waarden en water: rapport 'Haalbaarheidstoets (Milieu-onderbouwing), Project: Burgemeester van Erpstraat 58, Berghem - 2023 (20 april 2023, 21.434WR.02). Het rapport is opgenomen als bijlage 2.
Burgemeester van Erpstraat 58 Berghem – 2023, pag. 45 van 58 Vastgesteld
In de rapportage wordt verwezen naar het aspect ‘Hoogspanningslijnen’. Hieruit volgt in de directe omgeving van het plangebied zich geen hoogspanningslijnen bevinden. Gezien de afstand van de hoogspanningsleidingen tot het plangebied (ca. 1,9 km), heeft dit geen invloed op de ontwikkeling en leidt dit niet tot een belemmering. 5.7.8 Weg-, spoor- en industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd.
Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen. De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie. Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluid producerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone.
Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. Amitec BV uit Uden heeft een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd waarbij het plan is getoetst aan de wet- en regelgeving van de uitvoeringsaspecten milieu, waarden en water: rapport 'Haalbaarheidstoets (Milieu-onderbouwing), Project: Burgemeester van Erpstraat 58, Berghem - 2023 (20 april 2023, 21.434WR.02). Het rapport is opgenomen als bijlage 2. In de rapportage wordt verwezen naar het aspect ‘Wet geluidhinder’. Hieruit volgt dat de noordelijk gelegen Burgemeester van Erpstraat een 50-km zone betreft en een verbindingsweg is, waar doorgaand verkeer overheen rijd. Voor het project wordt een onderzoek uitgevoerd naar de gevelbelasting (21.434FB.w-4) (bijlage 7). Uit dit onderzoek is gebleken dat • De maximale geluidbelasting bedraagt 64 dB. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt op bijna alle gevels van blok 1, blok 2 en blok 3 overschreden. Alleen op de zuidgevels van blok 1, blok 2 en blok 3 wordt hieraan voldaan. • De maximaal te ontheffen waarde van 63 dB wordt op de noordgevels van blok 1 (deels) en blok 2 (volledig) overschreden met ten hoogste 1 dB.
Bovenstaande laat zien dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB bij de nieuwbouwwoningen ten gevolge van verkeer op de Burgemeester van Erpstraat wordt overschreden. Dat betekent dat conform de Wet geluidhinder gekeken moet worden naar mogelijk te treffen maatregelen.
Burgemeester van Erpstraat 58 Berghem – 2023, pag. 46 van 58 Vastgesteld
Een afscherming tussen de woningen en de Burgemeester van Erpstraat is niet gewenst. Een maatregel zou kunnen zijn om de klinkerverharding van de Burgemeester van Erpstraat te vervangen door dicht asfaltbeton (DAB). In bijlage 3.3 zijn de rekenresultaten van deze maatregel opgenomen. Hieruit blijkt dat de reductie in geluidbelasting ca. 3 dB bedraagt en dat de voorkeursgrenswaarde nog steeds overschreden wordt op nagenoeg alle gevels. Een alternatief is het vergroten van de afstand tussen de nieuwbouwwoningen en de Burgemeester van Erpstraat. Gezien de beperkte ruimte is dat ook niet mogelijk. De gemeente start procedure om een hogere grenswaarde vast te stellen. Bij de vastgestelde geluidbelasting (excl. aftrek) van ten hoogste 69 dB wordt bij een minimale geluidwering van 36 dB voldaan aan de ten hoogste toegestaan binnenniveau van 33 dB. De noordgevels van blok 1 (deels) en 2 (volledig) moeten doof worden uitgevoerd. De locatie ligt niet binnen de invloedsfeer een vliegveld en behoeft niet nader onderzocht te worden. Het plangebied ligt niet binnen de richtafstanden / invloedsfeer van omliggende bedrijven. 5.7.9 Gezondheid Uit de VGO-rapporten die afgelopen jaren zijn gepubliceerd door het RIVM komt duidelijk naar voren dat er een relatie wordt gevonden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden.
Deze relatie is door de onderzoeker op verschillende manieren vastgesteld. Daarbij komt dichtheid van veehouderijbedrijven en afstand tot bepaalde type individuele veehouderijen concreet naar voren als factoren die van invloed zijn op de gezondheid van omwonenden. Verder blijkt uit VGO-onderzoek dat er in een straal van twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde incidentie van longontstekingen (ca. 25-30% hoger) voorkomt. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek. Op dit moment kan er geen enkele bron-effect relatie worden beschreven tussen de verhoogde longontsteking incidentie en de uitstoot vanuit geitenhouderijen. Wel is er een causaal verband geconstateerd waarbij de associatie sterker is naarmate de afstand tot een geitenhouderij kleiner is. Tot er meer duidelijkheid is over de bron van de verhoogde incidentie longontstekingen kan niet worden geadviseerd over beschermde maatregelen. Afstand houden en goed informeren is de enige maatregel die de GGD op dit moment adviseert. In afwachting van het vervolgonderzoek heeft de provincie besloten dat geitenstallen uitbreiden of in gebruik nemen niet meer is toegestaan. Het moratorium is in beginsel tijdelijk.
Als de uitkomsten van het vervolgonderzoek bekend worden, wordt er gekeken of er redenen zijn het besluit in te trekken of aan te passen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het bevoegd gezag verplicht om alle bekende risico's bij een nieuwe ontwikkeling af te wegen. Er is geen sprake van een omgekeerde werking van het moratorium (met andere woorden de 'stop' op uitbreidingen van geitenbedrijven zorgt niet voor een stop op ontwikkelingen binnen de 2 km straal van een geitenhouderij), maar wel van een risico dat beoordeeld en meegewogen moet worden bij nieuwe ontwikkelingen. Het verantwoorden van dit verhoogde risico is aan het bevoegd gezag, in casu de gemeente. Deze geeft een oordeel over en maakt een afweging of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (m.b.t. onder andere gezondheid & geitenhouderijen). Het college van B&W besloot op 5 december 2017 dat wenselijke ontwikkelingen na een zorgvuldige afweging met betrekking tot volksgezondheid kunnen worden toegestaan binnen een straal van twee kilometer rondom een geitenhouderij.
Burgemeester van Erpstraat 58 Berghem – 2023, pag. 47 van 58 Vastgesteld