Bijlage 13 bij toelichting rob Weegstraat 3 Huisseling.PDF
Tekst van het document
Verkennend bodemonderzoek Weegstraat 3 te Huisseling, gemeente Ravenstein sectie D, nummer 1154
CB/18228/3
1
INLEIDING De heer A.P.J.L. van den Broek te Ravenstein heeft, in verband met de aanvraag van een omgevingsvergunning, aan NIPA milieutechniek b.v. te Oss opdracht gegeven voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 op het perceel Weegstraat 3 te Huisseling. NIPA milieutechniek b.v. te Oss is een ISO 9001:2015 gecertificeerd onderzoeksbureau. Tevens is NIPA milieutechniek b.v. op grond van artikel 12 van het Besluit bodemkwaliteit erkend voor de werkzaamheid “Veldwerk”. Deze erkenning geldt voor de volgende protocollen:
2001 – Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen
2002 – Het nemen van grondwatermonsters
2003 – Veldwerk bij milieuhygiënisch waterbodemonderzoek
2018 – Locatie-inspectie en monsterneming van asbest in bodem
NIPA milieutechniek b.v. verklaart dat het veldwerk onafhankelijk van de opdrachtgever is uitgevoerd conform de eisen van BRL SIKB 2000 en de daarbij horende protocollen. De werkzaamheden bij NIPA milieutechniek b.v. zijn gecoördineerd door mevrouw J.P.E.E. van Kempen -Mesterom.
Verkennend bodemonderzoek Weegstraat 3 te Huisseling, gemeente Ravenstein sectie D, nummer 1154
CB/18228/4
2
LOCATIEGEGEVENS 2.1
Algemeen
De onderzoekslocatie betreft het perceel Weegstraat 3 te Huisseling (gemeente Oss) en staat kadastraal bekend als gemeente Ravenstein, sectie D, nummer 1154. Het perceel heeft een oppervlakte van circa 2.606 m². De onderzoekslocatie betreft het beoogde bouwblok met een oppervlakte van 2
circa 1.000 m . De situering van de onderzoekslocatie in de regio is weergegeven in bijlage 1. Het locatieoverzicht is opgenomen als bijlage 3. 2.2
Vooronderzoek
Voorafgaand aan het bodemonderzoek is een vooronderzoek uitgevoerd conform hoofdstuk 6 van de NEN 5725. In bijlage 8 zijn de relevante kopieën vanuit het vooronderzoek opgenomen. 2.2.1 Omgeving De onderzoekslocatie ligt aan de rand van Huisseling, ten zuid-westen van Ravenstein. De directe omgeving van de locatie bestaat uit:
Noordzijde:
Woningen, weiland;
Oostzijde:
Hongerveldstraat, weiland;
Zuidzijde:
Weegstraat, woning;
Westzijde:
Weiland, woning.
2.2.2 Bodemgebruik De onderzoekslocatie kent historisch een agrarische bestemming en is sinds tenminste 1850 bebouwd.
1850 Bron: Kadaster/TopoTijdReis
1870
Verkennend bodemonderzoek Weegstraat 3 te Huisseling, gemeente Ravenstein sectie D, nummer 1154
CB/18228/5
Momenteel is op de onderzoekslocatie een schuur aanwezig waarvoor het voornemen bestaat om deze te verbouwen tot een woning. Het buitenterrein is grotendeels verhard met klinkers en in gebruik als stalling voor frituur- en koelwagens.
Voor zover bekend zijn op of nabij de onderzoekslocatie geen tanks aanwezig of aanwezig geweest en hebben zich geen calamiteiten voorgedaan die een mogelijke bodemverontreiniging hebben veroorzaakt. De onderzoekslocatie is niet in gebruik geweest als boomgaard. 2.2.3 Uitgevoerde bodemonderzoeken Bij de gemeente, de opdrachtgever en in ons eigen archief zijn geen bodemonderzoeksgegevens bekend met betrekking tot de onderzoekslocatie.
In de omgeving van de onderzoekslocatie is op de Hongerveldstraat 11 te Huisseling een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 en een vooronderzoek asbest uitgevoerd door van Oort Bodemonderzoeken (rapportnummer WBB NB082832439). In de bodem is een niet ernstige, licht tot matige verontreiniging aangetoond. De waargenomen parameters blijven onder de achtergrondwaarde (zie bijlage 8 pagina 6). De locatie is onverdacht voor de aanwezigheid van asbest. 2.2.4 Bodemopbouw en geohydrologie De onderzoekslocatie ligt in de gemeente Oss. De gemiddelde maaiveldhoogte varieert van circa 2,2 meter +NAP (polder bij Lith) tot circa 15 meter (Herperduin). In onderstaande figuur is de bodemopbouw schematisch weergegeven. Het is gebaseerd op het Digitaal Geologisch Model (DGM).
Het DGM is een regionaal lagenmodel van de Nederlandse ondergrond tot een diepte van ongeveer 500 meter. De bodemlagen in dit deel van de ondergrond bestaan hoofdzakelijk uit onverharde sedimenten, waarin de grondsoorten klei, zand, grind en veen voorkomen. De lagen worden op basis van verschillen in lithologie en andere eigenschappen ingedeeld in lithostratigrafische eenheden. Het DGM is een model van de opbouw en de samenhang (geometrie) van deze lithostratigrafische eenheden. De basis en de top van de eenheden worden in het model door dieptevlakken weergegeven. Uit de rasters van de top en de basis wordt de dikte van de eenheden afgeleid.
Verkennend bodemonderzoek Weegstraat 3 te Huisseling, gemeente Ravenstein sectie D, nummer 1154
CB/18228/6
Tabel 1: Bodemopbouw Code Formatie Algemene lithologische kenmerken HL holocene rivierklei afzettingen BX Boxtel Zand, zeer fijn tot matig grof (105300 µm), zwak tot sterk siltig, lichtgeel tot donkerbruin, kalkloos tot sterk kalkhoudend. Leem, zwak tot sterk zandig, grijsbruin tot donkergrijs, kalkloos tot sterk kalkhoudend. Veen, kalkloos tot sterk kalkhoudend. BE Beegden Zand, matig grof tot uiterst grof (210 2000 µm), zwak tot sterk grindig, overwegend kalkloos, grijs en blauwgrijs. Indien de bovenkant aan of nabij het oppervlak ligt, treedt als gevolg van neerslag van ijzerhydroxiden meestal een sterke roodbruine kleuring op. KR Kreftenheye Zand, matig grof tot uiterst grof (210 - 2000 µm), geelgrijs tot grijsbruin, kalkloos tot kalkrijk, bont, matig tot sterk grindhoudend. Grind, matig tot zeer grof (5,6 - 63 mm), sterk zandig. PZWA Peize Zand, matig grof tot uiterst grof (210 2000 µm), lichtgrijs tot wit, kalkloos, zwak tot matig grindig (fijn en matig grof; 2 - 16 mm), in de fractie fijn grind zeer veel restkwarts. Waalre De formatie bestaat uit een aantal opeenvolgende sedi-mentcycli die in korrelgrootte kunnen variëren van grind, zeer grof (16 - 63 mm) tot klei, zwak siltig. De lithologi-
Dikte 1 tot enkele meters De dikte varieert van minder dan 1 m (in gebieden met hooggelegen oudere afzettingen) tot meer dan 30 m (in glaciale en tektonische bekkens)
De dikte van de afzettingen varieert van minder dan 1 m tot circa 40 m.
De dikte van de afzettingen varieert van minder dan 1 m tot ruim 100 m. Over het algemeen ligt de dikte tussen 10 en 25 m.
De formatie is tot meer dan 180 m dik. Daarnaast zijn de afzettingen door erosie locaal geheel verdwenen tijdens de Elster glaciatie (waarbij zeer diepe dalen zijn gevormd) en in de glaciale bekkens die in het Saalien zijn ontstaan. De dikte van de formatie varieert van enkele meters, vooral op de Peelhorst, tot meer dan 125 m in de Roerdalslenk
Verkennend bodemonderzoek Weegstraat 3 te Huisseling, gemeente Ravenstein sectie D, nummer 1154
CB/18228/7
OO
Oosterhout
BR
Breda
sche spreiding is als volgt samen te vatten: Klei, sterk zandig tot zwak siltig, over het algemeen kalkloos, in specifieke faciës met een hoog gehalte aan ijzercarbonaat, stevig, horizontaal gelaagd (soms met dunne laagjes uiterst fijn tot matig fijn (63 - 210 µm) zand), blauwgrijs en bruingrijs. Zand, uiterst fijn tot uiterst grof (63 2000 µm), kalkloos tot kalkrijk, sporadisch schelp-houdend, weinig tot matig glimmerhoudend, spoor tot weinig donkere korrels, grijs tot witgrijs, soms bruingrijs, in de grovere fractie met (rood) bonte componenten. Zand, zeer fijn tot zeer grof (105 420 µm), spoor tot veel schelpgruis en schelpen, spoor tot weinig glauconiethoudend. Zand, zeer fijn tot zeer grof (105 420 µm), kleiig, spoor tot veel schelpgruis en schelpen, spoor tot weinig glauconiethoudend. Klei en zandige klei, zwak tot sterk siltig. Schelpenbanken, enkele decimeters tot > 10 meter in dikte De Formatie bestaat uit een complexe opeenvolging van ondiep mariene en in de kustzone gevormde afzettingen. De aanwezigheid van glauconiet is zeer kenmerkend voor de formatie. Over het algemeen bestaan de afzettingen uit: Zand, zeer fijn tot matig fijn (105 210 µm), siltig, grijsgroen tot zwartgroen, glauconiet- en kalkhoudend. Klei, sterk zandig tot matig siltig.
Minder dan 1 tot meer dan 150 m dik.
Van minder dan 1 m tot meer dan 700 m; sterk variabel.
De algemene stromingsrichting van het grondwater is noordwestelijk. Dit stromingspatroon wordt bepaald door de ondergrondse afstroming van de hoger gelegen gebieden in Noord-Brabant. De stromingsrichting van het freatisch grondwater wordt hoogstwaarschijnlijk beïnvloed door de stand van de nabijgelegen Maas. 2.3
Doelstelling
Het onderzoek heeft tot doel vast te stellen of uit te sluiten dat op de locatie bodemverontreiniging aanwezig is die een belemmering vormt voor het voorgenomen gebruik van de bodem of de geplande activiteiten. 2.4
Hypothese
Op basis van de beschikbare gegevens wordt de hypothese gesteld dat de onderzoekslocatie niet verdacht is met betrekking tot de aanwezigheid van bodemverontreiniging.
Verkennend bodemonderzoek Weegstraat 3 te Huisseling, gemeente Ravenstein sectie D, nummer 1154
CB/18228/8
3
UITGEVOERD BODEMONDERZOEK 3.1
Algemeen
Verdeeld over de onderzoekslocatie met een oppervlakte van circa 1.000 m² zijn conform de NEN 5740 volgens de strategie voor een onverdachte locatie met betrekking tot de aanwezigheid van bodemverontreiniging de volgende boringen verricht:
4 boringen tot 0,5 meter -mv (02, 03, 05, 06)
1 boringen tot 2,0 meter -mv (04)
1 boring tot 1,5 meter onder het grondwaterniveau en afgewerkt met peilbuis (01)
Eén bovengrond- en één ondergrondmengmonster zijn geanalyseerd op de parameters uit het standaardpakket voor grond. Voor het berekenen van de gestandaardiseerde meetwaarden zijn van de twee grondmengmonsters tevens de percentages aan lutum en organisch stof bepaald. Het grondwatermonster is geanalyseerd op de parameters uit het standaardpakket voor grondwater. 3.2
Veldwerkzaamheden
De veldwerkzaamheden, te weten het uitvoeren van de boringen, het plaatsen van de peilbuis, het bemonsteren van de grond en van het grondwater en de zintuiglijke beoordeling van de grond- en grondwatermonsters, zijn uitgevoerd volgens de methoden zoals aangegeven in de relevante NPRen NEN-normen zoals beschreven in de beoordelingsrichtlijn “Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodemonderzoek” [2]. De situering van de boringen is opgenomen in bijlage 3. Alle boringen zijn op 24 maart 2020 met handkracht uitgevoerd. Het grondwater is op 3 april 2020 bemonsterd. De troebelheid (NTU), pH en de geleidbaarheid (Ec) van het grondwater zijn in het veld bepaald. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat VB-002. De boorwerkzaamheden zijn uitgevoerd door de heer R.J. van der Laan. De grondwatermonstername is gedaan door de heer M.C.M. Verhoeven. 3.3
Laboratoriumwerkzaamheden
De chemische analyses van de grond- en grondwatermonsters zijn uitgevoerd door een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium. Voor de toegepaste analysemethoden wordt verwezen naar bijlage 5.
Verkennend bodemonderzoek Weegstraat 3 te Huisseling, gemeente Ravenstein sectie D, nummer 1154
CB/18228/9
4
WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE De verontreinigingssituatie van de vaste bodem kan worden beoordeeld door toetsing van de gemeten gehaltes aan de achtergrond- en interventiewaarde [3 & 4]. De streefwaarden voor grond zijn per 1 oktober 2008 vervangen door de achtergrondwaarden (AW2000), deze zijn vastgesteld in de Regeling bodemkwaliteit [5]. De achtergrondwaarden zijn landelijk vastgesteld en worden in het Besluit bodemkwaliteit als volgt gedefinieerd: Achtergrondwaarden: bij regeling van Onze Ministers vastgestelde gehaltes aan chemische stoffen voor een goede bodemkwaliteit, waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen. In gemeenten die beschikken over een bodemkwaliteitskaart kan bij een overschrijding van de achtergrondwaarde getoetst worden aan de P90-waarde. Deze geeft een regionaal vastgestelde verhoogde achtergrondwaarde aan. Het grondwater wordt getoetst aan de streef- en interventiewaarden. De streef- en interventiewaarden voor grondwater zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering 2013 [3]. De streefwaarden geven het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In het bodembeschermingsbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor de bodem aan.
De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de vaste bodem en het grondwater hebben voor mens, dier en plant ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. Om van een “geval van ernstige bodemverontreiniging” te spreken dient voor ten minste één stof het gemiddelde gehalte van minimaal 25 m³ grond of 100 m³ grondwater hoger te zijn dan de interventiewaarde. In bijzondere situaties, zoals bij volkstuinen en bij kruipruimten, kan reeds bij een geringere omvang en bij gehaltes beneden de interventiewaarden sprake zijn van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Op grond van de daadwerkelijk optredende blootstelling aan de verontreiniging dient bekeken te worden of onaanvaardbare risico’s voor mensen en/of ecosystemen optreden.
Uit de NEN 5740 [1] kan het volgende worden afgeleid. De interpretatie van de onderzoeksresultaten en de noodzaak tot het uitvoeren van vervolgonderzoek hangen voor een belangrijk deel af van de aanleiding en doelstelling van het onderzoek en de ‘gevoeligheid’ van het gebruik en de bestemming van de locatie. Ook de onderzoeksinspanning van het vervolgonderzoek wordt voor een belangrijk
Verkennend bodemonderzoek Weegstraat 3 te Huisseling, gemeente Ravenstein sectie D, nummer 1154
CB/18228/10
deel hierdoor bepaald. Bij overschrijding van de interventiewaarde wordt vaak een nader onderzoek uitgevoerd om de ernst van de verontreiniging en de spoedeisendheid te bepalen.
De achtergrond- en interventiewaarden voor de vaste bodem zijn gerelateerd aan het lutum- en/of organisch stofgehalte van de bodem. Bij de berekening van de gestandaardiseerde meetwaarden voor de vaste bodem is uitgegaan van gemeten lutum- en organisch stofgehaltes. De gestandaardiseerde meetwaarden zijn bepaald met behulp van BoToVa. De gestandaardiseerde meetwaarden en de toetsing aan de achtergrond- en interventiewaarden zijn opgenomen in bijlage 6.
Bij de interpretatie van de toetsingsresultaten is uitgegaan van de BodemIndex (BI) BodemIndex (BI) = (gestandaardiseerde meetwaarde - AW) / (IW - AW) AW = achtergrondwaarde (grond) of streefwaarde (grondwater) IW = interventiewaarde BodemIndex < 0:
gestandaardiseerde meetwaarde < AW
BodemIndex = 0:
gestandaardiseerde meetwaarde = AW
0 < BodemIndex < 0,5:
gestandaardiseerde meetwaarde > AW maar < Tussenwaarde
BodemIndex = 0,5:
gestandaardiseerde meetwaarde = Tussenwaarde
0,5 < BodemIndex < 1:
gestandaardiseerde meetwaarde > Tussenwaarde maar < IW
BodemIndex = 1,0:
gestandaardiseerde meetwaarde = IW
BodemIndex > 1:
gestandaardiseerde meetwaarde > IW NB: De BodemIndex heeft geen wettelijk kader en heeft slechts de functie van hulpmiddel bij de interpretaties van de toetsingsresultaten. De Tussenwaarde heeft eveneens geen wettelijk kader, maar wordt veelal toegepast als een signaalwaarde om tot aanvullend onderzoek over te gaan
De BodemIndex per analyseresultaat is eveneens weergegeven in de tabellen in bijlage 6.
Verkennend bodemonderzoek Weegstraat 3 te Huisseling, gemeente Ravenstein sectie D, nummer 1154
CB/18228/11
5
RESULTATEN 5.1
Zintuiglijke waarnemingen
Voor de boorprofielbeschrijvingen wordt verwezen naar bijlage 4. De bodem is vanaf maaiveld tot een diepte van circa 2,2 meter –mv, opgebouwd uit zandige klei. Hieronder is de bodem minimaal tot het diepste punt van de boringen, circa 3,3 meter –mv, opgebouwd uit matig fijn zand. Tijdens de uitvoering van het veldwerk zijn zintuiglijk geen bijzonderheden waargenomen die op een mogelijke bodemverontreiniging duiden. Hierbij is ook gelet op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen.
De grondwaterstand bevond zich tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden op een diepte van circa 1,80 meter –mv. 5.2
Analyseresultaten en bodemkwaliteit
De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn opgenomen in bijlage 5; de analyseen toetsingsresultaten zijn samengevat in de tabellen 2 en 3.
Tabel 2: Toetsingsresultaten grond monster
deelmonsters
traject
bijmengingen
>achtergrondwaarde
>interventiewaarde
-
cadmium (0,02)
-
meter -mv MM1
01: 0,00 - 0,50
0,00 - 0,50
02: 0,00 - 0,50
kobalt (0,00)*
03: 0,00 - 0,50
lood (0,02)
04: 0,30 - 0,50
zink (0,07)
05: 0,10 - 0,50 06: 0,25 - 0,50 MM2
01: 0,50 - 1,00
0,50 - 1,50
-
01: 1,00 - 1,50
kobalt (0,00)*
-
nikkel (0,03)
01: 1,50 - 2,00 04: 0,50 - 1,00 04: 1,00 - 1,50 (xxx) bodemindex *) Betreft minimale overschrijding van de achtergrondwaarde
Verkennend bodemonderzoek Weegstraat 3 te Huisseling, gemeente Ravenstein sectie D, nummer 1154
CB/18228/12
Tabel 3: Toetsingsresultaten grondwater monster
filterstelling
pH
Ec in µS/cm
meter -mv 1
2,30 -3,30
troebelheid
>streefwaarde
>interventiewaarde
barium (0,02)
-
(NTU) 6,83
498
10,83
(xxx) bodemindex
5.3
Interpretatie
Grond Uit de resultaten blijkt dat in de zintuiglijk schone bovengrond (MM1) licht verhoogde gehaltes aan cadmium, kobalt, lood en zink zijn gemeten. In de zintuiglijk schone ondergrond (MM2) zijn licht verhoogde gehaltes aan kobalt en nikkel aangetoond. Voor de aangetoonde licht verhoogde gehaltes in boven- en ondergrond is geen eenduidige verklaring voor te geven. De gehaltes zijn dermate laag dat geen aanleiding bestaat voor het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek.
Grondwater In het grondwater ter plaatse van peilbuis Pb01 is een licht verhoogd gehalte aan barium aangetoond. Licht verhoogde gehaltes aan barium kunnen van nature in het grondwater voorkomen en duiden niet op een noemenswaardige verontreiniging. Omdat voor de aanwezigheid van het licht verhoogde gehalte aan barium in het grondwater geen antropogene bron/oorzaak gevonden is, wordt het barium niet als een verontreiniging beschouwd.
Voorafgaand aan de grondwatermonstername is een zuurgraad (pH) van 6,83 en een geleidbaarheid (Ec) van 498 µS/cm in het grondwater gemeten. De pH en de Ec hebben, voor deze regio, normale waarden. Tijdens de monsterneming van het grondwater is een troebelheid van het grondwater van 10,83 NTU gemeten. Verondersteld wordt dat het water in de bodem van nature een troebelheid van 0 – 10 NTU heeft. Een troebelheid hoger dan 10 NTU is niet bezwaarlijk maar kan bij de interpretatie van de analyseresultaten worden gebruikt. Een verhoogde NTU kan leiden tot een overschatting van organische parameters en zware metalen. De verhoogde troebelheid hangt waarschijnlijk samen met het feit dat het grondwater slecht toestroomt en de aanwezigheid van onoplosbare bestanddelen in het grondwater. Aangezien maximaal licht verhoogd gehalte aan barium is aangetoond, en de NTU van 10 geen normatieve grens is, bestaat geen aanleiding het grondwater opnieuw te bemonsteren.
Verkennend bodemonderzoek Weegstraat 3 te Huisseling, gemeente Ravenstein sectie D, nummer 1154
CB/18228/13
6
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op het perceel Weegstraat 3 te Huisseling, kadastraal bekend als gemeente Ravenstein, sectie D, nummer 1154, blijkt dat:
de bovengrond licht verontreinigd is met cadmium, kobalt, lood en zink;
de ondergrond is licht verontreinigd met kobalt en nikkel;
het grondwater een van nature licht verhoogd gehalte aan barium bevat.
Op basis van deze resultaten dient de hypothese, zoals verwoord in paragraaf 2.4, in principe verworpen te worden. De gevolgde strategie is echter als voldoende te beschouwen. De uitvoering van een aanvullend of nader onderzoek is, ons inziens, niet zinvol. Tegen de toekomstige bebouwing van de onderzoekslocatie zijn, ons inziens, geen zwaarwegende milieuhygiënische bezwaren aan te voeren. Indien grond afgevoerd moet worden van de locatie, dient rekening gehouden te worden met gebruiksbeperkingen van de vrijkomende grond. Volgens de handreiking hergebruik PFAS-houdende grond en bagger dient de grond ten behoeve van afzet aanvullend op de aanwezigheid van PFOS/PFOA geanalyseerd te worden. Opgemerkt wordt dat wij slechts een adviserende taak hebben en dat het bevoegd gezag de noodzaak tot de uitvoering van nader of aanvullend onderzoek vaststelt. Alhoewel het onderzoek met de grootst mogelijke nauwkeurigheid en conform de daarvoor opgestelde normen en richtlijnen is uitgevoerd dient opgemerkt te worden dat een bodemonderzoek slechts bestaat uit een steekproef waarbij een relatief gering aantal boringen en analyses wordt uitgevoerd. Niet geheel uitgesloten kan worden dat op de locatie een verontreiniging aanwezig is die bij dit onderzoek niet is aangetroffen.
Verkennend bodemonderzoek Weegstraat 3 te Huisseling, gemeente Ravenstein sectie D, nummer 1154
CB/18228/14
7
REFERENTIES 1.
NEN 5740, januari 2009. Bodem, bodem- landbodem- strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en grond [13.080.05]. NNI, Delft
2.
Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, Beoordelingsrichting voor het SIKB procescertificaat Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodemonderzoek, BRL SIKB 2000, Gouda, 1 februari 2018
3.
Circulaire Bodemsanering per 1 juli 2013, 27 juni 2013, BWBR0033592
4.
Landelijke referentiewaarden ter onderbouwing van maximale waarden in het bodembeleid, RIVM rapport 711701053
5.
Regeling bodemkwaliteit, 13 december 2007, BWBR0023085
Verkennend bodemonderzoek Weegstraat 3 te Huisseling, gemeente Ravenstein sectie D, nummer 1154
CB/18228/15
Bijlage 1