Bijlage 13 bij toelichting rob Weegstraat 3 Huisseling.PDF
Tekst van het document
Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluidsproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. De planlocatie is niet gelegen binnen een geluidszone van een spoorweg. Een onderzoek naar spoorlawaai is niet aan de orde. De woning is in het kader van industrielawaai gevoelig voor geluid. De woning is echter op 230 meter afstand gelegen van het dichtstbijzijnde bedrijf. Daarnaast zijn woningen nabij de locatie op een kortere afstand gelegen van het bedrijf, waardoor deze eerder belemmerend zijn. Omdat het de realisatie van een nieuwe woning betreft, is in het kader van wegverkeerslawaai een akoestisch onderzoek uitgevoerd, welke is toegevoegd als bijlage 4. Hieruit blijkt dat voldaan wordt aan de gestelde normen en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat bij voorgenomen initiatief.
Weegstraat 3, Huisseling – 2020, pag. 47 van 61 voorontwerp 03-09-2020
4.1.10 Gezondheid Uit de VGO-rapporten die afgelopen jaren zijn gepubliceerd door het RIVM komt duidelijk naar voren dat er een relatie wordt gevonden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden. Deze relatie is door de onderzoeker op verschillende manieren vastgesteld. Daarbij komt dichtheid van veehouderijbedrijven en afstand tot bepaalde type individuele veehouderijen concreet naar voren als factoren die van invloed zijn op de gezondheid van omwonenden. Verder blijkt uit VGO-onderzoek dat er in een straal van twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde incidentie van longontstekingen (ca. 25-30% hoger) voorkomt. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek. Op dit moment kan er geen enkele bron-effect relatie worden beschreven tussen de verhoogde longontsteking incidentie en de uitstoot vanuit geitenhouderijen. Wel is er een causaal verband geconstateerd waarbij de associatie sterker is naarmate de afstand tot een geitenhouderij kleiner is. Tot er meer duidelijkheid is over de bron van de verhoogde incidentie longontstekingen kan niet worden geadviseerd over beschermde maatregelen. Afstand houden en goed informeren is de enige maatregel die de GGD op dit moment adviseert. Binnen twee kilometer ligt een geitenhouderij met meer dan 50 geiten.
Het is slechts een relatief klein geitenbedrijf (80 geiten) op ca. 1,9 km. Gezien de afstand en de mogelijkheid tot informeren met betrekking tot het VGO-onderzoek is er geen belemmering voor het omschakelen naar een woonbestemming. 4.2 Waarden Binnen het plangebied voorkomende waarden op het vlak van natuur, archeologie of cultuurhistorie dienen te worden gerespecteerd en beschermd, mogelijk zelfs bevorderd. Bij ontwikkelingen moet proactief rekening worden gehouden met de aanwezige waarden. Achtereenvolgens komen aan bod: - Archeologie en cultuurhistorie (§ 5.2.1) - Natuur (§ 5.2.2) - Kwaliteitsverbetering van het landschap (§ 5.2.3) 4.2.1
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente is aan het bestemmingsplangebied een hoge verwachtingswaarde toegekend. Concreet betekent dit dat er een archeologische onderzoeksplicht geldt indien de bodemingrepen dieper reiken dan 30 cm beneden huidig maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 100 m². Voorgenomen ontwikkeling gaat niet met een bodemverstoring gepaard. Een archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig plan. Bestemmingsplanregels De gemeente Oss vertaalt de wet en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. Voor het gebied geldt dat bij bodemverstoringen groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm beneden huidig maaiveld archeologisch onderzoek nodig is.
Dit is opgenomen in de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie verwachtingswaarde hoog’. Deze dubbelbestemming blijft aanwezig op de planlocatie waardoor eventuele archeologische waarden blijven geborgd.
Weegstraat 3, Huisseling – 2020, pag. 48 van 61 voorontwerp 03-09-2020
Cultuurhistorie: wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening.
In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen.
De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen. Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2009. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang. Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Interim omgevingsverordening NoordBrabant Met de onder het kopje ‘archeologie’ genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen.
Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje ‘archeologie: bestemmingsplanregels’ verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden. Op de locatie is het pand wat in gebruik wordt genomen als woning wel als cultuurhistorisch element te beschouwen. Hier wordt bij restauratie van het pand rekening mee gehouden. Archeologie en cultuurhistorie vormen daarmee geen belemmering voor het voorgenomen initiatief.
Weegstraat 3, Huisseling – 2020, pag. 49 van 61 voorontwerp 03-09-2020
4.2.2 Natuur Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om soortenbescherming en anderzijds om gebiedsbescherming. Deze bescherming moet er toe leiden dat het voortbestaan van soorten flora en fauna en waardevolle gebieden niet in gevaar komt. Tegenwoordig is deze bescherming verankerd in één wet. Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. Maar sommige soorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is dan ook belangrijk. De Wet natuurbescherming vervangt 3 wetten die tot 1 januari 2017 golden: De Natuurbeschermingswet 1998. Deze wet regelde de natuurbescherming van gebieden. De Flora- en faunawet. Deze wet beschermde in het wild voorkomende diersoorten en plantensoorten. De Boswet. Deze wet beschermde de Nederlandse bossen. Met één wet en minder regels wordt de regelgeving voor natuurbescherming overzichtelijker. Rolverdeling tussen provincies en Rijk Sinds 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur binnen de provincie. De provincies zorgen voor de vergunningen en ontheffingen.
De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren en internationaal beleid (zoals Natura2000). Ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen die invloed hebben op beschermde natuur moeten passen binnen de Wet natuurbescherming, Daarnaast gelden ook provinciale regelingen voor natuurbescherming. Meer informatie over vergunningen en ontheffingen Wet natuurbescherming staat op de site van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming beschermt in het wild levende planten- en diersoorten. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen leiden tot verstoring, aantasting van broedplaatsen en vernietiging van verblijfplaatsen van beschermde soorten. De mate van bescherming hangt samen met de zeldzaamheid en kwetsbaarheid van de soort. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is sterk gerelateerd door de aanwezigheid van bepaalde kleine landschapselementen (bosjes, wielen/poelen, heggen/hagen e.d.). In onderhavige situatie is er sprake van een functieverandering waarbij de huidig aanwezige bebouwing grotendeels behouden blijft. Om uit te kunnen sluiten dat de ontwikkeling nadelige effecten kan hebben op aanwezige beschermde planten of dieren. Via bijgevoegde quickscan soortenbescherming is de huidige aanwezigheid van beschermde soorten planten en dieren in en om het plangebied in beeld gebracht (zie bijlage 5).
Daarnaast zijn de te verwachten effecten van de ingreep in het plangebied beoordeeld. Hieruit volgt onderstaande conclusie. Het voornemen en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Wel dient er gesloopt te worden na het broedseizoen van 15 maart tot 15 juli.
Weegstraat 3, Huisseling – 2020, pag. 50 van 61 voorontwerp 03-09-2020
Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dier- en/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Voor aanvang van de werkzaamheden, hoeft derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. Gebiedsbescherming De bescherming van specifieke natuurgebieden is ook geregeld middels de Wet natuurbescherming. Het gaat om de zogenoemde Natura 2000-gebieden. De Natura 2000-gebieden zijn aangewezen op grond van de Vogel- en Habitatrichtlijn en genieten op basis daarvan wettelijke bescherming. Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Natura 2000-gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden.
In de gemeente Oss zijn geen van de hiervoor genoemde gebieden aanwezig. Wel liggen dergelijke gebieden in de nabijheid van de gemeente Oss. Voor de Natura 2000-gebieden zijn aanwijzingsbesluiten opgesteld. In het aanwijzingsbesluit staat welke doelen worden nagestreefd voor een bepaald gebied, bijvoorbeeld welke soorten en leefomgevingen bescherming verdienen. Dit zijn de zogenaamde kwalificerende soorten en habitats. Vervolgens komt er in nauw overleg met betrokken partijen een beheerplan, waarin onder andere staat beschreven welke maatregelen nodig zijn om de doelen te behalen. Voor plannen of projecten die een (significant) negatief effect hebben op de kwalificerende soorten of habitats van het betreffende gebied geldt een vergunningplicht. Of een plan of project (significant) negatieve effecten heeft op kwalificerende soorten of habitats van een bepaald gebied wordt aan de hand van de Programmatische Aanpak Stikstof getoetst. In de meeste situaties is de provincie het bevoegde gezag voor de vergunningverlening. De rijksoverheid heeft de ‘Handreiking woning en AERIUS’ opgesteld. Deze handreiking is bedoeld voor initiatiefnemers, gemeenten en provincies en helpt u met indicaties en aandachtspunten voor AERIUSberekeningen om de mogelijke stikstofdepositie van woningbouw in kaart te brengen.
In deze handreiking zijn voor de woningbouw de volgende uitgangspunten gehanteerd: Gasloos (conform het bouwbesluit) en haardloos wonen. Ammoniakemissies als gevolg van menselijk gebruik, huisdieren e.d. worden niet aan woningbouw toegerekend en blijven conform het document “Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2019” buiten beschouwing. Onder deze aannames is de mogelijke stikstofdepositie ten gevolge van de aanlegfase in vrijwel alle omstandigheden dominant. Uit de handreiking blijkt dat bij maximaal 50 laagbouwwoningen, gebouwd op zandgrond op minimaal 7 km afstand van een Natura 2000-gebied, de stikstofdepositie onder gemiddelde omstandigheden 0,00 mol/ha/jaar is.
Weegstraat 3, Huisseling – 2020, pag. 51 van 61 voorontwerp 03-09-2020
Het project vindt plaats op zandgrond, ligt op meer dan 7 km van een Natura-2000 gebied en het gaat om minder dan 50 woningen (1 woning) en er wordt gasloos en haardloos gebouwd. Voor dit project kan met relatieve zekerheid worden gezegd dat geen stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/jaar zal plaatsvinden op een Natura-2000 gebied. Een stikstofonderzoek is niet noodzakelijk. Natuur Netwerk Brabant Natuurgebieden in Nederland zijn erg versnipperd waardoor de biodiversiteit afneemt. Het Natuur Netwerk Nederland (NNB) heeft als doel om natuurgebieden te vergroten en te verbinden. Door natuurgebieden te vergroten en te verbinden met hun omgeving, kunnen planten en dieren zich makkelijker verspreiden over meer gebieden. Hierdoor zijn deze gebieden beter bestand tegen negatieve milieu-invloeden. In grotere natuurgebieden kunnen bovendien meer soorten planten en dieren leven. Het NNB is door het Rijk globaal begrensd, waarna de provincies de begrenzing gedetailleerd vastleggen. Ook in de gemeente Oss is NNB aanwezig. Het plangebied bevindt zich niet in of grenst niet aan delen van het NNB. Het plan vormt derhalve geen belemmering voor de aanleg of instandhouding van het NNB. 4.2.3
Kwaliteitsverbetering van het landschap
Regeling ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’ In 2010 is de regeling ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’ uit de Verordening ruimte (destijds art. 2.2, nu artikel 3.2) in werking getreden. In het RRO van januari 2013 is het afsprakenkader over de toepassing en uitwerking van deze regeling vastgesteld. In 2014 – 2015 is de regeling geëvalueerd en zijn aanbevelingen opgesteld voor bijstelling van het afsprakenkader. Toepassingsbereik De notitie toepassingsbereik vormt het basisdocument voor het afsprakenkader van de provincie met de gemeenten in de regio Noordoost. Deze notitie bevat de categorie-indeling voor de niet-planmatige ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied en de bijbehorende tegenprestatie. Voor planmatige ontwikkelingen in het buitengebied is art. 3.2. altijd van toepassing. Deze notitie geeft de minimale inspanning aan die we regionaal hebben afgesproken. Gemeenten hebben alle vrijheid om meer kwaliteitsverbetering te verlangen als ze dat nodig vinden op basis van beleids- of gebiedsambities. Het afsprakenkader is nadrukkelijk geen ruimtelijk afwegingskader. Gemeenten moeten zelf beoordelen of een ontwikkeling ruimtelijk gewenst is. Vervolgens kan aan de hand van het afsprakenkader beoordeeld worden waar de kwaliteitsverbetering minimaal aan moet voldoen. Afspraken toepassingsbereik 1.
de notitie Toepassingsbereik en met name de verdeling van ruimtelijke ontwikkelingen over de verschillende categorieën is de basis voor het afsprakenkader over toepassingsbereik. 2. bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen is kwaliteitsverbetering altijd van toepassing; 3. bij niet-planmatige ontwikkelingen: tegenprestatie gerelateerd aan impact: cat. 1 geen impact: geen tegenprestatie cat. 2 beperkte impact: landschappelijke inpassing cat. 3 grote impact: berekende kwaliteitsverbetering van het landschap Kwaliteitsverbetering Binnen de regio is geen unaniem beeld over de toepassing van de landschappelijke tegenprestatie die geleverd moet worden. Er wordt ingezet op keuzevrijheid voor de afzonderlijke gemeenten.
Weegstraat 3, Huisseling – 2020, pag. 52 van 61 voorontwerp 03-09-2020
Afspraken kwaliteitsverbetering 1. Bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen: storting in een landschapsfonds of bijdrage in natura in landschapsversterkend project. 2. Bij niet-planmatige ontwikkelingen zijn gemeenten zelf verantwoordelijk voor de toepassing: in natura (op of nabij de projectlocatie), financiële bijdrage in landschapsfonds of een combinatie van beide. 3. Bij kwaliteitsverbetering in natura (op of nabij de projectlocatie) bevat het ruimtelijk plan de verantwoording van de kwaliteitsverbetering. 4. De regio kiest niet voor een (sub)regionaal landschapsfonds. Indien gemeenten een grensoverschrijdend landschapsproject willen realiseren, weten zij elkaar te vinden. Methodiek bij niet-planmatige ‘categorie 3’ ontwikkelingen De regio vindt het belangrijk dat er ruimte is voor lokaal maatwerk. Uitgangspunt is een methodiek die uitgaat van een forfaitair bedrag op basis van grondwaardevermeerdering (bestemmingswinst). Afspraken methodiek bij niet-planmatige ‘categorie 3’ ontwikkelingen - berekening van een vorm van forfaitair bedrag gebaseerd op een percentage van de grondwaardeverandering (bestemmingswinst).
Dit berekende forfaitair bedrag bepaalt de omvang van de te leveren prestatie; - gedifferentieerd systeem van functies, inspanningen en (grond)waarden; - een minimale basisinspanning voor de kwaliteitsverbetering, gemeenten kunnen een hogere inspanning vragen; - duidelijkheid aan initiatiefnemers bij start planontwikkeling. Basisinspanning De notitie Toepassingsbereik is het vertrekpunt voor bepalen van de basisinspanning die bij de verschillende ruimtelijke ontwikkelingen wordt voorgestaan. Voor planmatige (stedelijke) ontwikkelingen wordt aangesloten bij de eerdere afspraken voor rood-voor-groenkoppeling bij stedelijke uitbreidingen en het voorstel uit de handreiking. Afspraken basisinspanning Voor niet-planmatige ontwikkelingen in het buitengebied: - categorie 1: geen inspanning; - categorie 2: een goede landschappelijke inpassing op basis van een goedgekeurd landschapsplan en borging van uitvoering en beheer; - categorie 3: de beschreven forfaitaire methode, waarbij uitgegaan wordt van minimaal 20% van de grondwaardevermeerdering.
Voor planmatige ontwikkelingen in het buitengebied: - Stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied, in zoekgebied voor verstedelijking: Vaste afdracht per m2, te stellen op 1% van de uitgifteprijs; - Infrastructuur: Maatwerk waarbij kwaliteitsverbetering integraal onderdeel is van de gebiedsontwikkeling; - Overige (planmatige) ontwikkelingen zoals windturbines, reclamemasten, zendmasten voor telecommunicatie: Maatwerk aanpak. Maatregelen kwaliteitsverbetering landschap In de evaluatie kwam onduidelijkheid over de maatregelen en kosten die kunnen worden ingebracht voor kwaliteitsverbetering van het landschap naar voren. Om de aanpak voor kwaliteitsverbetering binnen de regio gelijk te schakelen zijn de richtlijnen hieronder kort samengevat. Fysieke maatregelen Op basis van de regeling voor kwaliteitsverbetering landschap uit de Verordening ruimte is voorwaarde dat de kwaliteitsverbetering moet resulteren in fysieke en zichtbare verbetering van het landschap.
Weegstraat 3, Huisseling – 2020, pag. 53 van 61 voorontwerp 03-09-2020
Investeringen die geen fysieke kwaliteitsverbetering voor het landschap opleveren, zoals milieumaatregelen in de vorm van (asbest)sanering, duurzaamheid en dierenwelzijn, afschrijving economische boekwaarde en aanbrengen van functioneel groen op erf, vallen niet onder het toepassingsbereik van kwaliteitsverbetering landschap. Richtlijn inbreng kosten kwaliteitsverbetering landschap: Inrichting- en beheerkosten voor aanleg of herstel van natuur- en landschapselementen baseren/ relateren aan gegevens (prijzen, minimale oppervlakten, soorten) die beschikbaar zijn vanuit STIKA dan wel andere gestandaardiseerde normbedragen voor maatregelen. Ruimtelijk kwaliteitsbeleid Bij de gemeenten in de regio Noordoost is voldoende beleidskader voor de beoordeling en sturing van ruimtelijke ontwikkelingen en de daarmee verbonden kwaliteitsverbetering van het landschap. Dit betekent dat gemeenten in de regio beschikken over: - een structuurvisie of voornemens zijn deze op te stellen/ te actualiseren; - een actueel beleidskader en/ of parate gebiedskennis om de inrichtingsvoorstellen voor kwaliteitsverbetering te beoordelen en aan te sturen. - een ambitiekaart met regionale landschapsopgaven voor investering in (sub)regionale landschapsversterkende projecten. Afspraak ruimtelijk kwaliteitsbeleid 1. Gemeenten dragen zelf zorg voor het benodigde ruimtelijk kwaliteitskader. 2.
Gemeenten hebben regierol voor kwaliteitsverbetering van het landschap. Verantwoording en monitoring In de Verordening Ruimte is opgenomen dat van de kwaliteitsverbetering die is verzekerd via een financiële bijdrage in een landschapsfonds regelmatig verslag moet worden gedaan in het regionaal ruimtelijk overleg. Voor de kwaliteitsverbetering via een bestemmingsplan zijn geen nadere vereiste voor de verantwoording opgenomen. Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor de uitvoering en handhaving van de kwaliteitsverbetering. Afspraken verantwoording en monitoring 1. Regelmatig wordt in het kader van de Monitor Verordening ruimte verslag gedaan van de financiële bijdrage aan en besteding van het landschapsfonds voor kwaliteitsverbetering van het landschap. 2. Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor de uitvoering en de handhaving van de kwaliteitsverbetering. 3. Initiatieven om kennis en kunde over kwaliteitsverbetering te delen, worden in principe door regio /provincie ondersteund.
Categorie 1: geen inpassing of tegenprestatie Tot deze categorie behoren in ieder geval de volgende concreet benoemde ontwikkelingen: - vergroten inhoud van een burgerwoning tot 750 m3; - vergroten inhoud van een bedrijfswoning tot 750 m3; - vergroten aantal m2 bijgebouwen bij woning tot 100 m2 in totaal; - realisatie Ruimte voor ruimte woning(en); - ontwikkeling ter realisatie van EHS compensatie; - wijzigen bestemming naar Bos/Natuur en treffen bestemmingsregeling/aanleg voorzieningen die een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden tot gevolg hebben;
Weegstraat 3, Huisseling – 2020, pag. 54 van 61 voorontwerp 03-09-2020
-
-
-
-
vestiging van of de splitsing in meerdere wooneenheden in monumentale/ karakteristieke/cultuurhistorisch waardevolle bebouwing; uitbreiding bestemmingsvlak wonen tot 1500 m2; herbouw woning binnen geldend bestemmingsvlak; wijziging bestemming agrarisch bedrijf (inclusief agrarisch verwant en agrarisch-technisch hulpbedrijf) of niet-agrarisch bedrijf met een omvang van minimaal 1 ha, in bestemming wonen of andere bestemming zoals horeca, niet-agrarisch bedrijf, maatschappelijke doeleinden of recreatie mits het bestemmingsvlak wordt verkleind tot maximaal 1500m2, overtollige voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en maximaal 200m2 aan bijgebouwen/ voormalige bedrijfsbebouwing resteert; bed & breakfast en kleinschalige recreatieve nevenactiviteiten in/bij (bedrijfs)woning binnen vigerende bouwregeling (oppervlakte bijgebouwen) en binnen geldend bestemmingsvlak wonen of niet-agrarisch bedrijf tot een maximum van 200 m2; nevenactiviteiten en verbrede landbouwactiviteiten bij een agrarisch bedrijf of Wonen-VAB binnen bestaande bebouwingsmogelijkheden tot een maximum van 200 m2; aan huis gebonden beroep/bedrijf in/bij woning binnen geldende bouwregeling (oppervlakte bijgebouwen); ontheffing mantelzorg in/bij woning binnen geldende bouwregeling (oppervlakte bijgebouwen); ontheffing tijdelijke huisvesting seizoenarbeiders binnen geldende, bestaande bebouwing (dit mag niet leiden
tot het ontstaan van een zelfstandige woonruimte); huisvesting reclasseringsjongeren op (agrarisch) bedrijf binnen geldende, bestaande bebouwing; toestaan tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen; verkoop van op het eigen (agrarisch) bedrijf vervaardigde producten (inclusief de verkoop van streekeigen producten) tot een maximum van 200 m2 binnen geldende bouwregeling bedrijfsbebouwing; omzetten van vrijkomende agrarische bedrijfswoning naar plattelandswoning; bouw van ooievaarsnesten; toestaan Bosman-molens tot 5 m.
Voor het overige behoren tot deze categorie: - ontwikkelingen onder toepassing van de directe bouwmogelijkheden/bouwregels en gebruiksregels van een geldend bestemmingsplan; - binnenplanse 10%-afwijking: kleine afwijkingen ten behoeve van hoogte en situering. Tenzij de ontwikkeling concreet benoemd wordt in een andere categorie. In het voormalige provinciale ruimtelijke beleid (Streekplan, Paraplunota ruimtelijke ordening) waren de hiervoor genoemde oppervlakte- en inhoudsmaten opgenomen als gangbare bovenmaten tot waar gemeenten de mogelijkheid kregen deze ruimtelijke ontwikkelingen te faciliteren. Het zou niet juist zijn voor deze mogelijkheden nu opeens een extra inspanning te eisen.
Categorie 2: landschappelijke inpassing Tot deze categorie behoren in ieder geval de volgende concreet benoemde ontwikkelingen: - minicampings met kleinschalige kampeergelegenheden tot een maximum van 25 mobiele kampeermiddelen; - bed & breakfast en kleinschalige recreatieve nevenactiviteiten in/bij (bedrijfs)woning binnen vigerende bouwregeling (oppervlakte bijgebouwen) en binnen geldend bestemmingsvlak wonen of niet agrarisch bedrijf vanaf een oppervlakte van 200 m2; - nevenactiviteiten en verbrede landbouwactiviteiten bij een agrarisch bedrijf binnen bestaande bebouwingsmogelijkheden vanaf 200 m2; - vormverandering van een agrarisch bouwvlak of een bestemmingsvlak; - paardenbakken aansluitend aan het bouwvlak;
Weegstraat 3, Huisseling – 2020, pag. 55 van 61 voorontwerp 03-09-2020
-
-
-
omschakeling van agrarische bedrijfsvoering (grondgebonden, intensief, overig nietgrondgebonden) zonder vergroting van het bouwvlak; voor zover de locatie is gelegen in het agrarisch gebied, als bedoeld in de Verordening ruimte: vergroten agrarisch bouwvlak tot 1,5 ha, of vergroting met differentiatievlak van maximaal 0,5 ha specifiek ten behoeve van opslag van ruwvoer; voor zover de locatie is gelegen in de groenblauwe mantel, als bedoeld in de Verordening ruimte: vergroten agrarisch bouwvlak tot 1 ha, of vergroting met differentiatievlak van maximaal 0,5 ha specifiek ten behoeve van opslag van ruwvoer;. Wijziging bestemming agrarisch bedrijf (inclusief agrarisch verwant en agrarisch-technisch hulpbedrijf) of niet-agrarisch bedrijf in bestemming wonen of wonen met VAB aanduiding, of andere bestemming, zoals horeca, niet-agrarisch bedrijf, maatschappelijke doeleinden of recreatie, mits het bestemmingsvlak wordt verkleind tot maximaal 5000 m2, overtollige voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en maximaal 500 m2 voormalige bedrijfsbebouwing resteert.
Bovenstaande opsomming is niet limitatief. Mits voorzien van een goede onderbouwing hiervan, kunnen ook andere ontwikkelingen tot deze categorie worden beschouwd. Voor het overige behoren tot deze categorie alle ontwikkelingen welke mogelijk worden gemaakt via de (binnenplanse) afwijkingsbevoegdheid, tenzij de ontwikkeling concreet benoemd wordt in een andere categorie. Tevens kan in het bestemmingsplan bepaald worden dat een specifieke afwijking wel als categorie 3 behandeld moet worden. Categorie 3: berekende kwaliteitsverbetering van het landschap Tot deze categorie behoren alle ruimtelijke ontwikkelingen die niet onder categorie 1 of categorie 2 vallen; dit betreft onder andere de volgende ontwikkelingen: -
uitbreiding bestemmingsvlak Bedrijf, Wonen (>1500 m2), Horeca, Recreatie etc.; vergroten aantal m2 bebouwing binnen Bedrijf, Recreatie, Horeca etc.; vergroten inhoud van een (agrarische Bedrijfswoning boven 750 m3; vergroten inhoud van een burgerwoning boven 750m3; vergroten aantal m2 bijgebouwen bij een woning groter dan 100 m2; nieuwbouw (eerste) bedrijfswoning.
Voor het overige behoren tot deze categorie alle ontwikkelingen welke mogelijk worden gemaakt via een wijzigingsplan of een bestemmingsplanherziening, tenzij de ontwikkeling concreet benoemd wordt in een andere categorie. Notie mbt woningen via art. 8.2 / art. 9.2 Vr Het realiseren van een woning op basis van artikel 8.2 en artikel 9.2 uit de Verordening ruimte, kwaliteitsverbetering in bebouwingsconcentraties binnen zoekgebied verstedelijking, is slechts toegestaan bij een kwaliteitsverbetering die gelijkwaardig is met de aanschaf van een ruimte-voor-ruimte titel. De benodigde kwaliteitsverbetering kan op basis van de Verordening ruimte niet worden gebaseerd op een berekening van 20% van de bestemmingswinst. Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de wijziging van de bestemming van een niet-agrarisch bedrijf in wonen, waarbij het bestemmingsvlak 948 m2 bedraagt en er ca. 100 m2 aan bijgebouwen behouden blijft. De ontwikkeling betreft een niet-planmatige ontwikkeling in het buitengebied en valt binnen Categorie 2. In afstemming met de gemeente Oss is besloten dat landschappelijke inpassing noodzakelijk is. In onderling overleg met de gemeente is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Ten behoeve van de landschappelijke inpassing blijft het huidig groen op de locatie zo veel mogelijk behouden en wordt dit verder versterkt. Daarnaast wordt de tuin opnieuw ingericht.
Navolgend is het beplantingsplan weergegeven. Deze is tevens toegevoegd als bijlage.
Weegstraat 3, Huisseling – 2020, pag. 56 van 61 voorontwerp 03-09-2020
4.3 Defensie Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: - Radarverstoringsgebieden; - Obstakelbeheergebieden; - Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; - Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend.
Weegstraat 3, Huisseling – 2020, pag. 57 van 61 voorontwerp 03-09-2020
Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen. Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden. 4.4 Milieueffectrapportage (M.e.r.) Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over wordt genomen. In een milieueffectrapport worden de gevolgen voor het milieu beschreven. Zo kan de overheid die het besluit neemt de milieugevolgen bij haar afwegingen betrekken. Het doel van m.e.r. is om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over plannen en projecten. In een m.e.r.-beoordeling kijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Wanneer speelt een m.e.r.-beoordeling? In het Besluit m.e.r. staat wanneer m.e.r.
of een m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het project mogelijk maakt en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de C- en D-lijst in de Bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven. Boven de C-drempel geldt een m.e.r.-plicht, tussen de C- en D-drempel geldt een plan-m.e.r.-plicht en onder de D-drempel geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient onderbouwd te worden of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit. De initiatiefnemer stelt een aanmeldnotitie op, waarover het bevoegd gezag binnen zes weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit moet nemen. Het bevoegd gezag motiveert het besluit door in te gaan op de selectiecriteria van Bijlage III van de M.e.r.-richtlijn. Het gaat daarbij om de hoofdcategorieën: 1. kenmerken van het project 2. plaats van het project 3. kenmerken van het potentiële effect. Is het bevoegd gezag zelf initiatiefnemer, dan is het bevoegd gezag, anders dan een derde, niet verplicht een aanmeldnotitie op te stellen. Verantwoording Voor dit project hoeft op grond van de Wet milieubeheer geen milieueffectrapport te worden gemaakt.
Mede gelet op wat elders in deze ruimtelijke onderbouwing wordt opgemerkt over de afzonderlijke milieuaspecten, heeft het project geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in de zin van het Besluit milieueffectrapportage en de Europese richtlijn. Voorgaande is aan te merken als vormvrije m.e.r.beoordeling.
Weegstraat 3, Huisseling – 2020, pag. 58 van 61 voorontwerp 03-09-2020
Hoofdstuk 5 5.1
Handhaving
Beleidskader
Naar aanleiding van een landelijk traject heeft de gemeente Oss in 2005 de nodige besluiten genomen om de handhaving te professionaliseren. De gemeente wil namelijk een professionele organisatie zijn. Om haar handhavingstaken zo transparant en objectief mogelijk uit te voeren, heeft zij een toezicht-, sanctie- en gedoogstrategie opgesteld. De wijze waarop de gemeente handelt bij overtredingen is daarin vastgelegd. Het uitgangspunt voor handhaving is: elke norm die het verdient te worden gesteld, verdient het ook te worden gehandhaafd. De gemeente is verantwoordelijk voor het algemeen belang, dat concreet wordt in de belangen van veiligheid, volksgezondheid, natuurlijk milieu en ruimtelijke kwaliteit. Deze belangen vragen om een actieve handhaving. Een goede handhaving start echter al bij het opstellen van beleid, regels en voorschriften. Om in dit verband bestemmingsplannen actief te kunnen handhaven moet voldaan zijn aan de volgende criteria: het opstellen van uitvoerbaar beleid en duidelijke regels; het verstrekken van duidelijke informatie op basis waarvan burgers en bedrijven hun keuzes kunnen maken; zorgen voor de naleving van regels door middel van toezicht en de inzet van handhavinginstrumenten. Als primaire verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven wordt gezien: het aanvaarden van de consequenties van de eigen keuzes; nakoming van afspraken en naleving van regels.
In het Handhavingprogramma wordt het concrete belang van handhaving van regels van bestemmingsplannen aangegeven. De negatieve effecten van niet-handhaving kunnen immers groot zijn, zoals schade aan natuur en ruimtelijke kwaliteit, financieel-economische schade en onveiligheid. Maar ook kunnen burgers en bedrijven worden benadeeld door illegale activiteiten van hun buren/omwonenden. De ruimte in Nederland is schaars en iedereen heeft belang bij een goede woon-, werk- en leefomgeving. De kwaliteit hiervan wordt grotendeels in bestemmingsplannen vastgelegd en die kwaliteit verdient het om te worden beschermd, onder meer door toezicht op naleving van de voorschriften en desnoods bestuursrechtelijke handhaving. Het bestuurlijke belang van een adequate handhaving van bestemmingsplannen is dus groot, maar dat geldt ook voor de individuele belangen van burgers en bedrijven. 5.2
Professionele handhaving en handhavingprogramma
De gemeente Oss voldoet aan de wettelijke kwaliteitscriteria voor een professionele handhavingorganisatie. Elke vier jaar wordt er een Handhavingprogramma opgesteld waarin de prioriteiten voor de uitvoering worden vastgelegd. Dit gebeurt na de aantreding van een nieuwe gemeenteraad en de vorming van een nieuw college van burgemeester en wethouders. Elk jaar wordt aan de hand van een probleem- of omgevingsanalyse een voortschrijdend programma gemaakt, waarin rekening wordt gehouden met gewijzigde wetgeving en de op dat moment concrete problematiek. Handhaving van bestemmingsplannen is een vaste prioriteit in het programma.
Weegstraat 3, Huisseling – 2020, pag. 59 van 61 voorontwerp 03-09-2020
5.3
Handhaafbaarheid, positief bestemmen, overgangsrecht
De regels van dit bestemmingsplan zijn getoetst op handhaafbaarheid. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voorziet in een verbod op het (laten) gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Overtreding van dit verbod is een strafbaar feit. In beginsel worden bouwwerken die in overeenstemming zijn met het vorige bestemmingsplan positief bestemd. Hetzelfde geldt voor gebruik in overeenstemming met het vorige bestemmingsplan. Met andere woorden: bestaande rechten worden gerespecteerd. Zij zijn in beginsel alleen onder het algemene overgangsrecht gebracht als te voorzien is dat zij binnen de planperiode van tien jaar zullen verdwijnen. Als sprake is van een naar huidige beleidsinzichten onwenselijke situatie die in het vorige bestemmingsplan al onder het overgangsrecht valt, is bezien of deze onder het persoonsgebonden overgangsrecht kan worden gebracht. Dat wil zeggen dat het overgangsrecht voor de betreffende percelen is beperkt tot degenen die die percelen gebruiken op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Voortgezet gebruik door anderen wordt niet als bestaand gebruik aangemerkt. Wij geven hieraan de voorkeur boven een uitsterfconstructie. Een uitsterfconstructie houdt in feite een positieve bestemming in, die afloopt na beëindiging van het betreffende gebruik. Dit maakt opvolging in de tijd door meerdere gebruikers mogelijk.
Daarmee kan in beginsel het ongewenste gebruik eindeloos lang duren. Persoonsgebonden overgangsrecht heeft als voordeel dat het gekoppeld is aan gebruik door één specifieke gebruiker of een beperkt aantal specifieke gebruikers. Daarmee kan het ongewenste gebruik in de praktijk eerder beëindigd worden, en zeker niet eindeloos lang voort blijven duren, waarmee mee recht wordt gedaan aan de bedoeling van overgangsrecht. Het persoonsgebonden overgangsrecht heeft zeker bij situaties die illegaal zijn ontstaan onze voorkeur boven een uitsterfregeling. Daarnaast kan het voorkomen dat bouwwerken in strijd met het vorige bestemmingsplan zijn opgericht, of dat bestaand gebruik in strijd is met dat plan. Een positieve bestemming ligt dan in de rede als de met het vorige bestemmingsplan strijdige situatie naar huidige beleidsinzichten ruimtelijk aanvaardbaar is. Indien de betreffende situatie ruimtelijk niet aanvaardbaar is, zal hiertegen in beginsel handhavend worden opgetreden. Indien dat in een uitzonderlijk geval niet (meer) mogelijk is, is bezien of de situatie onder het persoonsgebonden overgangsrecht gebracht kan worden. Overigens zijn strijdige situaties op grond van de planregels standaard uitgezonderd van het algemene overgangsrecht. Het Besluit ruimtelijke ordening schrijft dit voor.
Uiteindelijk is altijd maatwerk vereist om te bepalen of een positieve bestemming, algemeen overgangsrecht of persoonsgebonden overgangsrecht mogelijk is.
Weegstraat 3, Huisseling – 2020, pag. 60 van 61 voorontwerp 03-09-2020
Hoofdstuk 6
Economische uitvoerbaarheid
In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van dit bestemmingsplan aangetoond. Een bestemmingsplan moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven. 6.1 Kostenverhaal Artikel 6.12 lid 1 Wro verplicht de gemeente een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop bepaalde bouwactiviteiten zijn voorgenomen, tenzij het kostenverhaal 'anderszins verzekerd' is (artikel 6.12 lid 2a Wro). In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn de bouwactiviteiten genoemd waarvoor het vaststellen van een exploitatieplan verplicht is. De in voorliggend opgenomen ontwikkelingen behoren tot deze in het Bro genoemde bouwactiviteiten. Op basis van artikel 6.12 lid 2a Wro is het vaststellen van een exploitatieplan echter niet verplicht, omdat de gemeente en grondeigenaar een (anterieure) overeenkomst hebben gesloten, waarin afspraken zijn gemaakt over het kostenverhaal. Het kostenverhaal is derhalve 'anderszins verzekerd'. Het opstellen van een exploitatieplan is niet vereist. 6.2 Gemeentelijke grondexploitatie De ontwikkeling van de locatie is een particulier initiatief. Alle kosten en risico's van de planontwikkeling, voorbereiding en –uitvoering zijn voor rekening van de initiatiefnemer.
De eventuele planschade als gevolg van het uit te voeren plan komt ook voor rekening van initiatiefnemers. Dit is vastgelegd in een anterieure overeenkomst. De gemeentelijke grondexploitatie wordt dus niet belast door voorliggend ruimtelijk plan. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is hiermee aangetoond.
Weegstraat 3, Huisseling – 2020, pag. 61 van 61 voorontwerp 03-09-2020
Hoofdstuk 7 7.1
Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid
Inspraak
Onderhavig initiatief is opgenomen in het bestemmingsplan ‘Ontwikkelingen 2 Buitengebied Oss – 2021’’. Dit bestemmingsplan zal in procedure worden gebracht waarbij vooroverleg plaatsvindt. 7.2
De omgeving
De initiatiefnemers hebben de direct omwonenden persoonlijk gesproken over de ontwikkeling. Deze hebben aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de ontwikkeling. Er werd zeer positief gereageerd om het vervellen van de bedrijfsbestemming. In de omgeving is geen bezwaar tegen de ontwikkeling.
Indexpagina bijlagen bij de ruimtelijke onderbouwing Bijlage 1
- Opzet en situering
Bijlage 2.1
- Inpassingsplan
Bijlage 2.2
- Toelichting inpassingsplan
Bijlage 3.1
- Bodemonderzoek
Bijlage 3.2
- Inventarisatierapport asbest
Bijlage 4
- Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
Bijlage 5
- Quickscan soortenbescherming
Bijlage 1
- Opzet en situering
7000
14020
Begane grond
10140
15000
Rechter zijgevel
12860
Gevelplanken bijgebouw
Rijswaard Aalsterbont HV WF, wild verband
4860
Begane grond
13620
Voorgevel
Voorgevel
7000
Linker zijgevel
14020
Keuken
(nieuw)
12860
Planologische kaart
Linker zijgevel
Achtergevel
7000
(nieuw)
8670
(nieuw)
Slaapkamer
Badkamer
Overloop
2150
14020
Achtergevel
8670
Berging
(nieuw)
Linker zijgevel
Slaapkamer
Slaapkamer
Verdieping
8670
Slaapkamer
Berging
4000
14020
Begane grond
Badkamer
Entree
Wc
Woonkamer
Voorgevel
8420
Foto serie huidige toestand
Bijkeuken
2910
5000
13530
(nieuw)
Doorsnede
Begane grond
10000
Voorgevel
10000
4950
Linker zijgevel
5000
10000
Achtergevel
buro OTTO bv
AUTEURSRECHT VOORBEHOUDEN Onverminderd de bepalingen van de Auteurswet heeft buro OTTO bv uitsluitend het recht van verwezenlijking, openbaarmaking en verveelvoudiging van haar ontwerpen, schetsen, tekeningen, modellen etcetera. Het ter hand stellen van de ontwerpen, tekeningen, etcetera, geeft niet het recht ZONDER TOESTEMMING van buro OTTO bv, al of niet gewijzigd, deze uit te voeren of te doen uitvoeren, evenmin te tonen aan derden, die ze te eigen behoeve, of in het belang van anderen strijdig met de Auteurswet zouden willen aanwenden.
Alle maten in het werk te controleren. Geringe maat- en detailwijzigingen i.v.m. nadere uitwerking voorbehouden.
Doorsnede
formaat: schaal:
Voorstel voor schuurwoning met kapschuur onderdeel:
Ravenstein
gewijzigd:
getekend:
datum:
Bouw van een schuurwoning met kapschuur aan de Weegstraat 3 te Huisseling
5371 MK
De Hammen 13
Van den Broek Verhuur
werk:
opdr.g.:
V-02
1:100
A0
11-02-2020
Mark
02-12-2018
bladnummer:
E-mail: info@buro-otto.nl
M2018-1950
werknummer:
Tel.: 0412-402999 Fax: 0412-402537
N
Berghem Burgemeester van Erpstraat 20 A 5351 AW Berghem
buro voor bouwkunst
1000
2186
Gemeente Oss Kadastraal gemeente Ravenstein Plaatselijk bekend als: Weegstraat 3 Huisseling Sektie: D Nr.: 1154 Schaal 1:1000
Situatie:
buroOTTO
Rechter zijgevel
5000
Opgaand werk hoofdgebouw : Aalsterbont HV WV (licht gevoegd) (rood bont) Plint hoofdgebouw nieuw : Aalsterbont HV WV (donker gevoegd) (rood bont) Plint bijgebouwen nieuw : Aalsterbont HV WV (donker gevoegd) (rood bont) Gevelbekleding hoofdgebouw: Sidings hout, Plato gebeitst (bruin-zwart) Opgaand werk aanbouw : Maaseiker bont HV WV (licht gevoegd) (bruin-zwart) Dakpannen : Tuille du Nord (bestaand) (blauw gesmoord) Voordeur :DRM, geschilderd RAL 5011 (Donker blauw) Buitendeuren hout :DRM, geschilderd RAL 5011 (Donker blauw) Kozijnen : DRM, geschilderd RAL 9001 (crème-wit) Kolommen dakoverstek :Eiken, onbehandeld Gevelbekleding bijgebouwen : Sidings hout, Plato vergrijzend, gebeitst (bruin-zwart) Boeiboorden/windveren : Geschilderd RAL 9001 (crème-wit)
Kleurschema:
(ongewijzigd)
(nieuw)
14020
Rechter zijgevel
2910
Achtergevel
8670
Rechter zijgevel
14020
2000
14020
Bijlage 2.1
- Inpassingsplan
Bijlage 2.2
- Toelichting inpassingsplan
TOELICHTING Voor Adres Van Datum
: : : :
TUINONTWERP
Marianne en Antoine van den Broek De Hammen 13, Ravenstein Tine Giesbers februari 2020
Op het perceel aan de Weegstraat 3 in Huisseling wordt een schuur omgebouwd tot woonhuis. Toegevoegd worden een kapschuur en een overkapping. Het geheel ligt in een prachtige groene omgeving. De bedoeling is dat dit groen gehandhaafd blijft. De tuin ligt noord-noordwest en ligt aan de voor, zij- en achterkant van het huis. Links achter bestaat het perceel uit weiland. De grens met de buren wordt aan de rechterkant gevormd door een schutting, aan de achterkant door de schuur van de buren en aan de linkerkant door een weiland. Het weiland links achterin wordt omzoomd door een bomenrij, een hekwerk met de achterburen en een beukenhaag met de buren rechts. Toen ik bij jullie op bezoek was heb ik het volgende gehoord: - Symmetrie - Zicht op groen en achterland houden vanaf terras Toelichting tuinontwerp
Tine Giesbers
Pagina 1
-
Plaats voor zwembad en buitendouche Gebruik van metalen bakken met roestvorming Paden klinkers in de kleur rood, zo ook de tegels terras (vierkant) De bestaande bomen aan de westkant van de woning en aan de zuid- en westkant van de tuin blijven behouden Geen verharding in het weiland
Als je naar het ontwerp kijkt, zien jullie dat ik strakke vormen heb toegepast. Beplanting heb ik ingetekend waarbij ik onderscheid maak tussen bomen, struiken en vaste planten. De beplanting is nog niet gedefinieerd. Het regelmatig terug laten komen van elementen zorgt voor rust, eenheid en herkenning. In de voor-, zij- en achtertuin heb ik dezelfde materialen qua betrating terug laten komen, te weten tegels, klinkers, halfverharding en grind. De afbeelding rechts is een foto van de buitenmuur. Het is de bedoeling dat de verhardingen qua kleur bij elkaar passen. Als klinker (foto boven) heb ik bij Jansen Sierbestrating uit Wijchen het gebakken dikformaat ‘Boskoop’ gevonden. De tegel die hier goed bij past is de keramische tegel ‘Colorado Moka’(60x60). Het terras en de ruimte onder de overkapping worden voorzien van deze tegel. Keramische tegels hebben voordelen ten opzichte van betonnen tuintegels (ze zijn kleurvast, krasvast en zeer onderhoudsvriendelijk) maar zijn duurder in aanschaf en verwerking. De halfverharding dolomiet (op tekening aangegeven met kleine stippen) heeft een goede bindende werking, een stijlvolle uitstraling en combineert goed met strakke tegels. De halfverharding is zeer geschikt voor looppaden. Voor een mooie strakke afwerking kunnen jullie kiezen voor een multi edge afboording. De afwerking gebruik je wanneer de halfverharding over gaat in een
Toelichting tuinontwerp
Tine Giesbers
Pagina 2
border en voorkomt dat deeltjes halfverharding in de border terecht komen (afbeelding rechts: Graustabiel.nl). Het voordeel van dit type kant-opsluiting is dat het erg stevig is en dat er geen losse pinnen of paaltjes nodig zijn om de kantopsluiting te bevestigen. Deze zijn namelijk al bevestigd aan de kantopsluiting zelf. De kantopsluiting is in diverse kleuren te koop, ik adviseer roestbruin. Daarnaast is het gebruik van anti-worteldoek aan te raden. Het grind is in de tekening aangegeven met kleine rondjes. De variant Schots graniet kleurt prima bij de stenen van het huis, de tegels, de klinkers en de halfverharding.
Alle getekende elementen hebben een maat die op elkaar is afgestemd. Hierdoor ontstaat er rust, herkenning en symmetrie. Het perceel wordt van de weg gescheiden door een haag van Veldesdoorn van 1.20 m hoog. Ter plaatse van het looppad en de oprit staan houten poorten. Als je door de smalle poort binnenkomt, ligt aan de rechterkant een vak met grind met daarin twee plantvakken met grassen (groenblijvend). De grote Spar blijft staan. De groenstrook bij de Spar wordt uitgebreid met heesters. Aan de linkerkant is ook een grindvak met een plantvak getekend. Het pad na de smalle poort is een klinkerpad dat z’n weg vindt naar de eerste deur aan de zijkant van het pand. Over een groot deel van de zijkant komt een overkapping met een diepte van 5 meter. Via de brede poort kom je op de oprit van halfverharding met aan de linkerkant parkeervakken en een groenstrook. Deze groenstrook is nu ook aanwezig en zal gehandhaafd blijven. De parkeervakken (grind) worden van elkaar gescheiden Toelichting tuinontwerp
Tine Giesbers
Pagina 3
door een houten constructie van ongeveer 70 cm hoog bestaande uit eiken balken (staanders en liggers). De parkeervakken grenzen aan de kapschuur. De ruimte tussen de twee deuren aan de zijkant van de woning wordt opgevuld met klinkers. Er ontstaat zo een klein terras. Dit terras wordt door middel van een vlechtscherm (kastanjehout) van de rest van de zij- en achtertuin gescheiden (circa 1.20m). Bij de houten staanders (eiken balken) van de overkapping wordt een klimplant gezet zodat het geheel een groen uiterlijk zal krijgen in de loop van de tijd. Deze klimplant zal ook de staanders en liggers in de achtertuin gaan begroeien, gecombineerd met een groenblijvende klimmer voor een groen uiterlijk in de winter. De hoek van het huis krijgt een plantvak voor extra privacy. Om tijdens de avonden, wanneer het wat koeler is, toch langer buiten te kunnen zijn heb ik in de hoek van het terras aan huis een stookplaats getekend. Een stookplaats werkt naast verwarmend ook sfeer verhogend. Vanuit het terras is er een schitterend uitzicht over het weiland en het groen. De bedoeling is dat de bak gemaakt wordt met dezelfde klinker als de klinker die gebruikt wordt voor de bestrating. Op het terras is plaats voor het plaatsen van hout. Om ervoor te zorgen dat dit hout goed gestapeld kan worden, heb ik gekozen voor een geraamte van betonnen Uelementen. Deze hebben de kleur grijs.
Desgewenst kan er voor de kleur antraciet gekozen worden. Het terras wordt deels afgescheiden met een Hedera haag. Voor de schutting met de buren komt een bak van metaal (roestvorming) met bloeiende planten.
Toelichting tuinontwerp
Tine Giesbers
Pagina 4
Op vijf plekken in de achtertuin komen bakken van 40 cm hoog van metaal (roestvorming) met daarin beplanting. De beplanting in de achtertuin zal bestaand uit grassen, groenblijvenden en heesters (onder andere Sering). Om de tuin wat geborgenheid te geven en wat schaduw heb ik op drie plaatsen bomen met een dakvorm toegevoegd. Dit zijn bomen waarvan het bladerdek op ongeveer 1.80 m begint. De bladeren vormen een soort dak. Al de te plaatsen dakbomen zijn van dezelfde soort, bijvoorbeeld Quercus palustris (moeraseik met prachtige herfstkleur, foto links) of een Morus Alba ‘Macrophylla’ (een moerbei). Aan de linkerzijde van de overkapping is een gedeelte voorzien met halfverharding. Dit is de plek waar in de zomer het zwembad geplaatst kan worden.
De buitendouche kan een Splash buitendouche zijn (model WPC* 70x55x9 cm. Dankzij de geïntegreerde tuinslangkoppeling kun je dit systeem eenvoudig aansluiten op je kraan. Om het systeem in werking te laten treden ga je op de vlonder staan waarna er langs beide kanten waterstralen omhoog spuiten die vervolgens als een zomerregen in het midden weer naar beneden komen. Zodra je er weer vanaf stapt stopt het systeem. De hoogte van de sproeistralen is op de vlonder in te stellen en het water kan wel 4 meter hoog spuiten!
Achter de overkapping in de achtertuin is een ruimte van 2 m breed (vrije ruimte erfafscheiding). Op de erfgrens wordt een vlechtscherm van kastanje hout (zie afbeelding op pagina 4) geplaatst van ongeveer 1.80 m hoog. De tweede brede poort geeft toegang tot het weiland. In de strook beplanting die dient als scheiding met het weiland worden wilden planten gezaaid en is het dus goed toeven voor vlinders en bijen.
Toelichting tuinontwerp
Tine Giesbers
Pagina 5
In het weiland is ruimte voor een paar mooie grote bomen. Bijvoorbeeld bloesembomen, bomen met rood blad of bomen met een mooie herfstkleur.
Bij het ontwerpen van een tuin is verlichting ook altijd een onderdeel. Qua verlichting kunnen jullie denken aan het aanlichten van de bomen in dakvorm met liggende armaturen. Het is verstandig om ook te denken aan armaturen bij deuren/poorten, dakschuur en overkapping. Stopcontacten zijn altijd handig. Een ander onderdeel is de beregening. Gezien de plant vakken kunnen jullie volstaan met een buitenkraan en een tuinslang met sproeier waarmee jullie de gehele tuin kunnen besproeien. Het is handig om twee buitenkranen aan het huis te maken en een aan de overkapping achter in de tuin. Wil je toch een beregeningsysteem, dan kun je de mogelijkheden en kosten het beste bespreken met een specialist. Veel plezier en super genieten in jullie tuin! Tine Graafseweg 675 6603 CE Wijchen 06-23 64 01 57 info@tinegiesbers.nl www.tinegiesbers.nl
Toelichting tuinontwerp
Tine Giesbers
Pagina 6
Bijlage 3.1
- Bodemonderzoek
RAPPORT VERKENNEND BODEMONDERZOEK WEEGSTRAAT 3 TE HUISSELING Gemeente Ravenstein, sectie D, nummer 1154 PROJECT: 18228
VERANTWOORDING Titel
VERKENNEND BODEMONDERZOEK WEEGSTRAAT 3 TE HUISSELING
Opdrachtgever
De heer A.P.J.L. van den Broek De Hammen 3 5371 MK Ravenstein
Rapportnummer
18228
Datum
Projectleider
mevrouw J.P.E.E. van Kempen- Auteur
23 april 2020
de heer C.A.J.H. Beunis
Mesterom
handtekening
handtekening
Autorisatie
de heer J.A.A. van Vliet
Boormeester(s)
de heer R.J. van der Laan
handtekening
de heer M.C.M. Verhoeven
handtekening
NIPA milieutechniek b.v. Landweerstraat – Zuid 109 5349 AK Oss
tel. +31 (0)412 – 65 50 58 www.nipamilieu.nl info@nipamilieu.nl
Verkennend bodemonderzoek Weegstraat 3 te Huisseling, gemeente Ravenstein sectie D, nummer 1154
CB/18228/2
INHOUDSOPGAVE VERANTWOORDING ________________________________________________________________ 2 1
INLEIDING _____________________________________________________________________ 4
2
LOCATIEGEGEVENS _____________________________________________________________ 5
3
2.1
ALGEMEEN __________________________________________________________________ 5
2.2
VOORONDERZOEK _____________________________________________________________ 5
2.2.1
Omgeving _____________________________________________________________ 5
2.2.2
Bodemgebruik _________________________________________________________ 5
2.2.3
Uitgevoerde bodemonderzoeken ___________________________________________ 6
2.2.4
Bodemopbouw en geohydrologie __________________________________________ 6
2.3
DOELSTELLING _______________________________________________________________ 8
2.4
HYPOTHESE _________________________________________________________________ 8
UITGEVOERD BODEMONDERZOEK _________________________________________________ 9 3.1
ALGEMEEN __________________________________________________________________ 9
3.2
VELDWERKZAAMHEDEN _________________________________________________________ 9
3.3
LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN __________________________________________________ 9
4
WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE ______________________________________ 10
5
RESULTATEN __________________________________________________________________ 12 5.1
ZINTUIGLIJKE WAARNEMINGEN ___________________________________________________ 12
5.2
ANALYSERESULTATEN EN BODEMKWALITEIT ___________________________________________ 12
5.3
INTERPRETATIE ______________________________________________________________ 13
6
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ________________________________________________ 14
7
REFERENTIES _________________________________________________________________ 15
Bijlage 1 2 3 4 5 6 7 8
Situering in de regio Kadastrale gegevens Locatieoverzicht Boorprofielbeschrijvingen Analysecertificaten grond en grondwater Toetsingstabellen Fotobijlage Gegevens vooronderzoek