Bijlage 12 bij toelichting - Rulstraat 3 Megen (nieuwste versie).PDF
Tekst van het document
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 26 van 59 19-10-2021
Dit initiatief is door het aantal campingplekken, het minimale plaatselijke voorzieningenniveau en doordat geen sprake is van oprichting van bebouwing dermate kleinschalig dat aantasting van het Natuur Netwerk Brabant niet aan de orde is. Als op termijn het Natuur Netwerk Brabant waarin het initiatief is gelegen wordt gerealiseerd vormt onderhavige ontwikkeling daarvoor geen belemmering: - de ontwikkeling is als kleinschalig initiatief gericht op dezelfde doelgroepen (mens en dier) als die de gebieden in het Natuur Netwerk Brabant interessant vinden. Het sluit in die zin dan ook goed op elkaar aan; - het initiatief dat hier wordt ontplooid is kleinschalig en de initiatiefnemers hebben ook de wens om kleinschalig te blijven; - er vinden geen onomkeerbare ingrepen plaats. Het initiatief is passend binnen het Natuur Netwerk Brabant en de regels die de provincie daarvoor in haar Interim omgevingsverordening Noord-Brabant stelt. Artikel 3.26 Attentiezone waterhuishouding Een bestemmingsplan van toepassing op Attentiezone waterhuishouding strekt tot bescherming van de waterhuishouding en sluit functies en activiteiten uit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant. Zo’n bestemmingsplan stelt regels over: -
het verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 60 centimeter beneden maaiveld, voor zover geen vergunning is vereist op grond van de Ontgrondingenwet; de aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van een bestaande drainage; het verlagen van de grondwaterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen; het beperken van het buiten een agrarisch bouwperceel aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten.
Hetgeen hierboven wordt genoemd is geen onderdeel van het initiatief. Om ervoor te zorgen dat e.e.a. goed is geborgd zijn in de regels van het bestemmingsplan waar onderhavige ruimtelijke onderbouwing onderdeel van uitmaakt. Dit is geregeld in artikel 20.14 van het bestemmingsplan. Artikel 3.34 Rivierbed Een bestemmingsplan van toepassing op Rivierbed strekt mede tot bescherming tegen overstroming, waarbij een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling bevat voorziet in een verantwoording dat: - de activiteiten en functies niet kwetsbaar zijn ten aanzien van de waterdiepte en de frequentie van overstromen; - is verzekerd dat mensen en dieren op doelmatige wijze geëvacueerd kunnen worden; - is verzekerd dat de permanente aanwezigheid van mensen hoogwatervrij kan plaatsvinden. Kwetsbaarheid van de ruimtelijke ontwikkeling is niet aan de orde. Het gaat hier om seizoensgebonden recreatief medegebruik van voor agrarisch gebruik bestemde gronden, meer specifiek: natuurkampeerders die met hun kampeermiddel in een weiland kamperen. Het gaat hier om primitieve campingplaatsen. Dit zijn geen kwetsbare functies, omdat het niet gaat om permanent of langdurig verblijf. Op basis van de weersvoorspellingen kan eenvoudig afgestemd worden of het wel of niet verstandig is om te kamperen op onderhavige locatie.
Daar komt bij dat slechts overstromingsgevaar geldt in de periode dat de camping niet geopend is (van 1 oktober tot 1 april).
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 27 van 59 19-10-2021
De locatie is slechts geschikt voor valide personen, welke alleen op de locatie zullen (en mogen) kamperen buiten de periode waarvoor overstromingsgevaar geldt en indien de weersomstandigheden (en daarmee overstromingsrisico’s) dat toelaten. Geen sprake zal zijn van permanente aanwezigheid van mensen, mocht – bij hoogwater - voor eventueel niet-permanent aanwezige mensen ruimte benodigd zijn dan kunnen deze terecht in de naastgelegen bestaande woning van de natuurcampingeigenaar, het sanitairgebouw of kunnen zij uitwijken naar binnendijks gebied. Afdeling 2.2 Grondwater In dit gebied is de onconventionele winning van koolwaterstoffen verboden. Er geldt een vergunningsplicht voor het onttrekken van grondwater en een registratieplicht voor bodemenergiesystemen. Geen sprake is van onconventionele winning van koolwaterstoffen, het onttrekken van grondwater of het aanleggen van een bodemenergiesysteem. Artikel 2.60 Verbod verstorende activiteiten in Rust- en foerageergebied voor ganzen en smienten In Rust- en foerageergebied voor ganzen en smienten mogen in de periode 1 november tot 1 april, de volgende soorten niet opzettelijk worden verontrust: -
brandganzen; grauwe ganzen; kolganzen; rotganzen; taigarietganzen; toendrarietganzen; smienten.
Het initiatief is in de hierboven genoemde periode niet actief. Het seizoen voor de natuurcamping valt precies buiten de bescermingsperiode voor de ganzen en smienten. Dit vormt dan ook geen belemmering voor het initiatief. 3.1.2 Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies In paragraaf 3.1.2. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zijn regels gesteld over de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit, zorgvuldig ruimtegebruik, de toepassing van de lagenbenadering, meerwaardecreatie en voor zover het het landelijk gebied betreft ook kwaliteitsverbetering van het landschap. Met het plan wordt invulling gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies. De functie die op onderhavige locatie wordt uitgebreid vindt aansluiting bij de visie die voor het Maasgebied is opgesteld. Er worden geen nieuwe voorzieningen opgericht, gebruik wordt gemaakt van bestaande voorzieningen in bestaande bebouwing. Zorgvuldig ruimtegebruik is daarmee een feit. Veranderingen in de occupatielaag zijn alleen seizoensgebonden (kampeermiddelen) dan wel bevorderend in de zin van herstel (landschap). Het initiatief is gelegen in het landelijk gebied. In paragraaf 4.3.3 wordt daarom aangeven hoe het initiatief bijdraagt aan de kwaliteitsverbetering van het landschap.
Verder wordt rekening gehouden met alle van toepassing zijnde milieuaspecten, waarop in het volgende hoofdstuk nader ingegaan wordt. Voldaan wordt aan de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 28 van 59 19-10-2021
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Structuurvisie Buitengebied Oss - 2015 De gemeente Oss heeft een omvangrijk buitengebied. In de afgelopen jaren zijn de buitengebieden van Oss, Lith en Geffen samengevoegd. Voor de afzonderlijke buitengebieden waren al structuurvisies opgesteld. Het is belangrijk dat de gemeente een integrale visie heeft op het totale buitengebied van de gemeente Oss. Deze visie is samengekomen in de ‘Structuurvisie Buitengebied Oss - 2015’. Het plangebied van deze structuurvisie is het totale buitengebied van de gemeente Oss, met uitzondering van motorcrosscircuit Nieuw-Zevenbergen en vakantiepark Herperduin. De structuurvisie biedt de juridische basis voor financiële bijdragen bij ruimtelijke ontwikkelingen. In de structuurvisie zijn doelstellingen opgenomen die moeten leiden tot een robuuste en duurzame ruimtelijke structuur voor een vitaal en multifunctioneel buitengebied.
Dit moet resulteren in: - Een vitaal buitengebied, waar een goed evenwicht is tussen alle aanwezige functies zoals landbouw, toerisme, recreatie, natuur, water en wonen - Een versterking van de ruimtelijke identiteit met aandacht voor verscheidenheid, ruimte en landelijkheid - Een versterking van de aanwezige landschapstypen: uiterwaarden, oeverwal, komgebied, dekzandrand en dekzandrug - Behoud, herstel en/of ontwikkeling van de landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische structuren en elementen - Gebieden met blijvende ruimte en mogelijkheden voor (grondgebonden) landbouw, met name binnen het primaire agrarisch gebied - Voldoende afstand tussen slecht verenigbare functies zoals wonen en intensieve veehouderij - De instandhouding van de leefbaarheid door het zorgvuldig en afgewogen bieden van ruimte aan nieuwe economische dragers - Nieuwe impulsen voor toerisme en recreatie, met bijzondere aandacht voor versterking van de recreatie in de Maashorst en het Maasgebied en het ontwikkelen van aantrekkelijke uitloopgebieden met natuur en recreatie nabij de stad Oss en toeristisch-recreatieve verbindingen tussen kernen op afstand van de Maas en de Maasdijk - Het bieden van ruimte voor waterveiligheid, waterkwantiteit en waterkwaliteit De bovenstaande doelstellingen worden door vertaald naar een ontwikkelingsvisie per landschapstype.
We maken onderscheid tussen: - Uiterwaarden - Oeverwal - Komgebied - Dekzandrand - Dekzandrug - Primair agrarisch gebied Per landschapstype is een gebiedsbeschrijving, een ruimtelijke en een functionele visie opgenomen. Naast de visies per landschapstype zijn er ook ontwikkelingsvisies opgesteld per bebouwconcentratie. Per bebouwingsconcentratie is een beschrijving van de ruimtelijke situatie van het gebied gegeven, evenals een visie over landschappelijke kenmerken en de mogelijkheden voor ontwikkelingen en transformaties. We beschrijven in welke bebouwingsconcentraties de realisatie van nieuwe woningen ruimtelijk voorstelbaar is. Daarnaast geven we aan welke andere functies eventueel mogelijk zijn. Uitgangspunt is nieuwe burgerwoningen in het buitengebied niet gewenst zijn. In hoofdlijn zijn de mogelijkheden voor het bouwen van nieuwe burgerwoningen in het buitengebied beperkt tot drie mogelijkheden: in de vorm van een stedelijke ontwikkeling binnen zoekgebied verstedelijking, in de vorm van een ruimte-voor-ruimte woning binnen een bebouwingsconcentratie, of met de regeling kwaliteitsverbetering bebouwingsconcentraties binnen zoekgebied verstedelijking. Het initiatief moet passen binnen de structuurvisie ‘Buitengebied Oss - 2015’. Onderhavige locatie is gelegen in de ‘Uiterwaarden’ en is niet gelegen in een bebouwingsconcentratie.
De uiterwaarden liggen tussen de Maas en de Maasdijk. De uiterwaarden worden gevormd door een grootschalig
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 29 van 59 19-10-2021
recreatiegebied, enkele grotere natuurgebieden en daartussen landbouwgebieden. In het gebied komt vrijwel geen bebouwing voor. Het gebied heeft een vrij open karakter. De groenelementen die er staan bestaan uit solitaire bomen, bakenbomen en struweelbeplanting. Het gewenste beeld voor de uiterwaarden is een open tot halfopen landschap met een duidelijke binding met de Maas. Het gebied wordt gevormd door open gebieden met natuurlijke ruigten en ‘plukken groen’, vaak meidoorn en wilgenstruweel. Het zicht op de Maas moet optimaal gehandhaafd blijven. Het vroegere maasheggenlandschap kan op enkele plaatsen teruggebracht worden door de aanplant van onder andere meidoornstruweel. Verder wordt terughoudend omgegaan met hoog opgaande beplanting. Het agrarische karakter van de uiterwaarden neemt af. Het recreatieve karakter zal daarentegen toenemen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen vormen de waterveiligheidsbelangen (watervoerend en – bergend vermogen) de boventoon. Binnen de uiterwaarden is plaats voor recreatie als extensieve nevenfunctie, bijvoorbeeld in de vorm van struinen of picknicken. Maar ook andere vormen van recreatie zijn mogelijk. Er kunnen bijvoorbeeld zwemstrandjes worden aangelegd of natuur- en uitkijkposten worden opgericht.
Het recreatief (mede)gebruik op en aan de Maas moet altijd afgestemd zijn op de aanwezige natuurwaarden en uiteraard ook passen binnen beleid en regels voor water. De Lithse Ham en de jachthaven in de oude Maas bij Lithoijen zijn hotspots waar de meer intensieve watergebonden recreatie en verblijfsrecreatie plaats vinden. De Lithse Ham krijgt naast de bestaande (intensieve) toeristisch-recreatieve functie ook een functie voor natuur. Uitbreiding van de recreatieve functie moet passen bij de schaal, karakter en draagvlak van de omgeving. Buiten toeristisch-recreatieve en watergebonden bedrijvigheid is er in de uiterwaarden geen plaats voor nieuwe overige bedrijvigheid. Onderhavig toeristisch-recreatieve initiatief is door haar extensieve karakter (kleinschalige natuurcamping zonder voorzieningen in het ‘veld’), waarbij het open tot halfopen landschap behouden wordt en een originele maasheg wordt hersteld passend binnen de structuurvisie ‘Buitengebied Oss -2015’ en de daarin geformuleerde visie voor het gebied ‘Uiterwaarden’. Daarbij brengt het initiatief (o.a. door de seizoensgebondenheid, kleinschaligheid en het niet toevoegen van bebouwing) de waterveiligheidsbelangen of het zicht op de Maas niet in het geding.
Ook worden geen natuurwaarden aangetast, daar het hier gaat om een natuurcamping voor de meer primitieve kampeerders die belang hechten aan rust en graag (respectvol) genieten van de natuur. 3.4.2 Toekomstvisie Oss op weg naar 2020 De toekomstvisie ‘Oss op weg naar 2020’ (2004) is richtinggevend voor de beleidsontwikkeling op de langere termijn. Eén van de potenties van Oss ligt volgens deze visie in het gevarieerde landelijk gebied waarin zich tal van kleine kernen bevinden. Uitgangspunt is het werken aan het behoud van het platteland met zijn rust en ruimte, aantrekkelijke kleinschalige toeristische voorzieningen en aan de ontplooiing van levenskrachtige dorpen. Een andere potentie ligt in het werken aan een duurzame gemeente. Duurzame ontwikkeling van natuur, landschap en ecologie draagt bij aan de leefkwaliteit. De toekomstvisie stelt dat Oss vele ‘kostbare’ plekjes kent en een groots landschap, met ruimte voor landbouw en natuur. ‘Het bewaren van dat kostbare voor de toekomst is een opdracht die we onszelf stellen’. Onderhavig initiatief past als kleinschalige toeristische voorziening goed binnen de Toekomstvisie Oss op weg naar 2020. Het initiatief draagt bij aan een gevarieerd landelijk gebied, waarbij behoud van het platteland hoog in het vaandel staat.
Door respect voor de natuur, het landschap en ecologie en herstel hiervan onderdeel vormt van het initiatief wordt bijgedragen aan de leefkwaliteit van het Osse buitengebied. 3.4.3 Nota Landschapsbeleid - 2015 Binnen de gemeente Oss bestaat grote aandacht voor het landschap en het landelijke gebied. De Nota Landschapsbeleid -2015 zorgt voor een beleidskader welke een sturende werking heeft bij ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied. Ruimtelijke ingrepen en nieuwe functies in het buitengebied hebben een grote uitstraling naar de omgeving. Dit betekent dat bij deze ingrepen (bijvoorbeeld de bouw van agrarische bedrijfsgebouwen) eisen aan de landschappelijke inpassing van objecten moeten worden gesteld. De gemeente wordt verder geconfronteerd met de aanleg (of juist verwijdering) van
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 30 van 59 19-10-2021
(landschaps)elementen door particulieren op agrarische percelen in het buitengebied. Dergelijke initiatieven komen vaak niet overeen met de ter plaatse aanwezige en te behouden landschappelijke kwaliteit (bijvoorbeeld behoud van openheid of gebruik van niet-inheemse boomsoorten). Goede toetsingskaders en sturingsinstrumenten zijn voor bescherming maar ook voor ontwikkeling van het landschap onmisbaar. In de Nota Landschapsbeleid - 2015 wordt per deelgebied beschreven wat de landschappelijke visie is. De verschillende deelgebieden zijn: - Uiterwaarden - Oeverwal - Komgebied - Dekzandrand - Dekzandrug Per deelgebied wordt aangegeven wat de ontwikkelingsvisie is. Daarbij worden aandachtspunten voor uitwerking en uitvoering geschetst. Onderhavig initiatief is gelegen in het deelgebied ‘Uiterwaarden’. De uiterwaarden zijn reliëfrijk en hebben een overwegend open karakter. De uiterwaarden kenmerken zich door een afwisseling van grote stukken open landbouwgronden en grootschalige natte natuurgebieden. Her en der staan verspreid groenelementen. Bij Keent en in de Diedense Uiterdijk staan enkele Maasheggen (van meidoornhagen). Er bevindt zich vrijwel geen bebouwing in het gebied. De rivier de Maas - als grootschalig landschappelijk element- is belangrijk voor de identiteit van het Osse landschap, en zeker voor de uiterwaarden.
De bakenbomen langs de Maas dragen door hun opmerkelijke verschijning in een belangrijk mate bij in de ruimtelijke kwaliteit en visuele herkenbaarheid van de rivier. Het karakter van de uiterwaarden wordt grotendeels bepaald door de in het verleden steeds veranderende loop van de Maas. In de uiterwaarden is een aantal oude (ook wel ‘fossiele’ genoemd) rivierarmen aanwezig. Deze afgesneden rivierarmen verlandden maar zijn vaak nog herkenbaar als lage stroken in het landschap. Daarnaast zijn er de zogenaamde geulen en rillen van kronkelwaarden aanwezig. In het veld verraden hoogteverschillen en aanwezige vegetatie de geulen en rillen. De natte natuurgebieden bestaan uit graslanden met kruiden, wilgenstruweel en riet. Als trend en ontwikkeling wordt in de Nota Landschapsbeleid – 2015 beschreven dat toerisme en recreatie een steeds belangrijkere rol gaat spelen. Dit door de vergrijzing en doordat mensen meer vrije tijd hebben zal er meer behoefte zijn aan recreatie in de woonomgeving. Om routegebonden recreatie te versterken zijn routes naar toeristisch aantrekkelijke gebieden wenselijk. Daarnaast zullen mogelijkheden moeten worden geboden voor een ‘blokje om’. Ook naar recreatief medegebruik van landbouwgronden, het zogenaamde ‘wandelen over boerenland’ zal vraag zijn.
Er zal in het buitengebied meer kleinschalige bedrijvigheid komen die gericht is op toerisme en recreatie, zoals Bed&Breakfast en dergelijke. Ook de verbrede landbouw (waaronder kamperen bij de boer) zal zich verder ontwikkelen. Door toename van de recreatie zal de vraag naar een aantrekkelijk landschap toenemen. Het gewenste ruimtelijk beeld voor de uiterwaarden is dat van een halfopen tot open reliëfrijk gebied. Het contrast tussen buiten- en binnendijks zal worden vergroot. Het zicht op en de binding met de rivier de Maas moet behouden blijven. Ook het bestaande micro- en mesoreliëf moet behouden blijven. De bakenbomen vormen een fraaie begeleiding van de Maas en zijn vanuit landschappelijk en cultuurhistorisch oogpunt waardevol en behoudenswaardig. Bij uitval zouden nieuwe bomen moeten worden geplant. Waar mogelijk kan het Maasheggenlandschap hersteld worden. De Osse uiterwaarden maken onderdeel uit van de Ecologische Hoofdstructuur van Nederland (EHS). Natuurontwikkeling is dan ook dé gewenste ontwikkelingsrichting voor dit gebied. Naast natuurontwikkeling vormt ook waterberging een belangrijk thema in de uitwaarden. Vanwege de waterbergende functie weert Rijkswaterstaat niet alleen opgaande beplanting maar ook traditionele vormen van bebouwing in de uiterwaard. Bebouwing in de uiterwaard tast ook het buitendijkse karakter aan.
Een deel van de huidige landbouwgronden zal op termijn een natuurfunctie krijgen. Op een ander deel van de landbouwgronden zal de agrarisch functie gehandhaafd blijven en extensief beheerd worden. Daarbij lenen de uiterwaarden zich door hun uitgestrekte natuurlijke en dynamische karakter voor een eigen vorm van recreatief medegebruik, gericht op de beleving van de weidsheid en ongereptheid van het landschap. Een combinatie van een recreatieve ontwikkeling met natuurontwikkeling draagt bij aan een goede landschappelijke inpassing. De volgende aandachtspunten in/ bij ontwikkelingen in de ‘Uiterwaarden’ worden genoemd:
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 31 van 59 19-10-2021
-
beschermen van reliëf (in bestemmingsplannen); handhaving van fossiele rivierarmen, geulen en rillen en kronkelwaarden; behoud van karakteristieke dijkenpatroon en kades; bebouwing in principe niet toegestaan in bestemmingsplan vanuit landschappelijke overwegingen insteken op handhaving bestaande/ aanplant nieuwe bakenbomen stimuleren; bij de realisatie van wateropgaven streven naar functiecombinaties met (natuur- en) landschapsontwikkeling; bij realisatie van natuuropgaven streven naar functiecombinaties met landschapsontwikkeling; reliëf bij functieverandering (naar natuur of water) behouden; waar mogelijk Maasheggenlandschap herstellen. Hierbij toepassing van meidoorns bij fruitboomgaarden op de oeverwal mijden, in verband met overdragen van ziekten; natuurontwikkeling en waterberging is vooral een zaak van Rijkswaterstaat en Natuurmonumenten, die hier eigendommen hebben; oude strangen waar mogelijk terugbrengen; eventueel nieuwe jachthavens hebben een kleinschalige opzet.
Onderhavig initiatief past in het deelgebied ‘Uiterwaarden’ van de Nota Landschapsbeleid – 2015. Het initiatief is toeristisch-recreatief, er is geen sprake van bebouwing, de toeristisch-recreatieve functie gaat gepaard met een landschapsontwikkeling (herstel Maasheggenlandschap), het zicht op en de binding met de rivier de Maas wordt behouden, het reliëf wordt niet aangetast, de recreatieve functie is gericht op de beleving van de weidsheid en ongereptheid van het landschap. 3.4.4 Visie Toerisme en Recreatie In de nota toerisme & recreatie staat de economische ontwikkeling en het behoud van de leefbaarheid centraal. Daarbij wordt met name gericht op de het landelijk gebied in de gemeente Oss en de voormalige gemeente Lith. Binnen de gemeenten wordt onderscheid tussen verschillende zones gemaakt. Deze zones zijn de Maasrand, het poldergebied, de stad Oss, Herperduin en de stadsrand. Per zone worden de sterke en zwakke punten beschreven, maar ook de onderlinge relatie tussen de verschillende zones. Zie onderstaande kaart met de toeristisch-recreatieve zonering erop, de projectlocatie bevindt zich ter hoogte van het woord ‘Megen’ in de blauw gekleurde zone ‘Maasrand’.
Het ambitieniveau voor de Maasrand ligt hoog. Richtinggevend bij de verdere toeristische ontwikkeling van de Maasrand is het handhaven van kleinschaligheid, rust, landschaps- en cultuurbeleving en kwaliteit. De verdere stimulering van buitenrecreatie en toervaren binnen het decor van het landschap en de dorpen staat centraal in deze zone. Tevens wordt gekozen voor de verdere ontwikkeling van de
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 32 van 59 19-10-2021
cultuurhistorische bijzonderheden in deze zone. Om dit te realiseren, wordt o.a. ingezet op het volgende waaraan onderhavig initiatief bijdraagt: • een kwaliteitsverbetering van de recreatieve voorzieningen (o.a. horeca en bewegwijzering); • het bevorderen van recreatief medegebruik en beleving van (nieuwe) natuurgebieden en uiterwaarden in deze zone; • de ontwikkeling van kleinschalige verblijfsrecreatieve voorzieningen. In de nota toerisme en recreatie worden de juwelen van de Maasrand benoemd. Met juwelen wordt bedoeld: uitzonderlijke plaatsen met een concentratie voor dag- en verblijfsrecreatieve voorzieningen. Hieronder valt onder andere Megen, wat van belang is in het kader van onderhavig initiatief wat daar nabij is gelegen. In Megen lijkt het alsof de tijd heeft stilgestaan. Voor Megen geldt dat zij zich handhaaft als rustige tegenhanger van Ravenstein en zich richt op een eigen bezoekersgroep bij wie bezinning een belangrijke rol speelt. Onderhavig initiatief, gelegen in het buitengebied van Megen, richt zich ook op deze specifieke bezoekersgroep. Onderhavig initiatief vindt aansluiting bij de zone ‘Maasrand’ zoals benoemd in de nota toerisme en recreatie (voorziet in een kleinschalige verblijfsrecreatieve voorziening in de uiterwaarden van de Maas, waardoor deze optimaal beleefd kunnen worden) en is daarmee passend in dit beleid.
3.4.5 Archeologie en Cultuurhistorie Archeologie
Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld. Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid. Overigens is het gemeentelijk beleid getoetst door de provincie en akkoord bevonden. Op 14 oktober 2010 heeft de gemeente Oss haar ‘Archeologiebeleid’ vastgesteld. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid (opnieuw) vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk. Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss' (Goddijn, 2012). Aan de hand van onderzoeken, inzichten en boringen in het veld zijn de eerdere archeologische kaarten gedeeltelijk bijgesteld. Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld. Verwachting/waarde Archeologisch beschermd rijksmonument
Vrijstellingsgrenzen 0 m2 / 30 cm -Mv
Archeologisch (AMK-) monument Beschermde stadsgezichten
35 m2 / 30 cm -Mv
Historische stads-/dorpskern
50 m2 / 30 cm -Mv
Hoge verwachtingswaarde
100 m 2 / 30 cm -Mv
Hoge verwachtingswaarde – bedrijventerrein
1000 m2 / 30 cm -Mv
Middelhoge verwachtingswaarde Lage verwachtingswaarde
5 hectare / 30 cm -Mv
Reeds onderzocht
Geen onderzoeksplicht
Verstoord
Geen onderzoeksplicht
Cultuurhistorie
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 33 van 59 19-10-2021
Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening.
In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen.
De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen. Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2009. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang. Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Met de onder het kopje ‘archeologie’ genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen.
Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje ‘archeologie: bestemmingsplanregels’ verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden.
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 34 van 59 19-10-2021
De archeologische verwachtingswaarde ter plaatse van het initiatief is ‘middelhoog’, zie onderstaande uitsnede uit het archeologiebeleid gemeente Oss.
Dit betekent dat alleen zonder archeologisch onderzoek grondwerkzaamheden zijn toegestaan die strekken tot een oppervlakte van 1000m2 en dieper dan 0,3m ten opzichte van het maaiveld. Voor onderhavig initiatief behoeven geen grondwerkzaamheden uitgevoerd te worden. De enige roering van de grond zal ontstaan door het gebruik van tentharingen, welke niet dieper dan 0,3m de grond in zullen gaan. Nader archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Volgens de provinciale cultuurhistorische waardenkaart ligt onderhavige locatie in de regio Maaskant, is sprake van cultuurhistorisch vlak Diedense Uiterdijk, cultuurhistorisch landschap Beerse en Baardwijkse Overlaat en is archeologisch landschap Maaskant van toepassing. De kaartlagen ‘cultuurhistorische vlakken’ en ‘complexen van cultuurhistorisch belang’ zijn ook opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Daaruit blijkt dat op onderhavige locatie de aanduidingen ‘Aardkundig waardevol gebied’ en ‘Cultuurhistorisch waardevol gebied’ zijn opgenomen, waarvoor regels zijn opgenomen ter behoud, herstel en duurzame ontwikkeling van de aardkundige en cultuurhistorisch waarden en kenmerken. Het gaat dan om regels ten aanzien van: sloop, gedeeltelijke sloop, ingrijpende aanpassingen van gebouwen; graven, verbreden, verdiepen, dempen, tracéverlegging van waterpartijen of –lopen;
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 35 van 59 19-10-2021
verwijderen of kappen van (opgaande) begroeiing; ophogen, afgraven en egaliseren; aanleggen, verharden, verbreden, verwijderen, wijzigen van paden- en wegentracés; aanplant van opgaande begroeiing of toevoegen nieuwe bebouwing Geen van bovenstaande ‘werkzaamheden’ zijn onderdeel van onderhavig initiatief. Ter plaatse van onderhavige locatie is geen sprake van cultuurhistorisch waardevolle en/ of monumentale bebouwing.
3.4.6 Verkeer Mobiliteitsvisie, Balans in beweging In de mobiliteitsvisie (2009) staan drie begrippen centraal; bereikbaarheid, verkeersveiligheid en leefbaarheid. Het centrale doel van de mobiliteitsvisie is het in balans brengen van de bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid in de gemeente, nu en in de toekomst. Om deze balans te bereiken streeft de gemeente naar een verschuiving in het gebruik van vervoerswijzen. Een groter deel van de verplaatsingen moet plaats gaan vinden met de fiets of met het openbaar vervoer. Dit is nodig om Oss bereikbaar en leefbaar te houden. Oss wil de verschuiving bereiken door het gebruik van fiets en openbaar vervoer te stimuleren. Deze vervoerswijzen moeten veilig en comfortabel zijn en men moet snel op de plaats van bestemming kunnen komen. De goede bereikbaarheid is met name gericht op de economisch belangrijke gebieden van Oss. De bedrijventerreinen vallen hieronder. De doorstroming op de wegen naar de bedrijventerreinen (i.c. N329) moet optimaal zijn. Hoewel de bereikbaarheid van de economisch belangrijke gebieden voor alle vervoerswijzen goed moet zijn, streeft de gemeente wel naar een verschuiving van vervoerswijze. Korte verplaatsingen moeten bij voorkeur per fiets of te voet afgelegd worden en niet per auto. Voor het vervoer van goederen zal het gebruik van water en spoor verder gestimuleerd worden.
In de uitwerkingsfase zullen de doelstellingen uit de visie langs drie lijnen worden uitgewerkt: infrastructuur, gedrag en organisatie. Er heeft inmiddels een uitwerking plaatsgevonden in de deelplannen Wegen, Fiets, Openbaar Vervoer en Gedrag. Momenteel is sprake van een theeterras en vijf campingplaatsen. Dit aantal wordt met 10 uitgebreid. In totaal komt het aantal dan op 15 campingplaatsen. 15 campingplaatsen heeft conform de CROW-normen een verkeersaantrekkende werking van 6 motorvoertuigen per etmaal tot gevolg (0,4 mvt/ etmaal/ standplaats). Deze verkeersaantrekkende werking is seizoensgebonden, met andere worden, hij vindt alleen in het kampeerseizoen plaats. Gesteld kan worden dat de verkeersaantrekkende werking die het initiatief tot gevolg heeft beperkt is. Het wegprofiel (erftoegangsweg type II) en de ontsluiting is afdoende. Parkeren Op 22 augustus 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders de nota “parkeernormen voor woonwijken” vastgesteld. In deze notitie staat beschreven welke parkeernormen gehanteerd moeten worden bij nieuwe projecten (zowel uitbreidingen als herstructurering). Uitgangspunt voor herontwikkeling is dat het parkeren op eigen terrein dient te worden opgelost. Ten aanzien van dit plangebied gaat het echter niet om een nieuwe situatie maar om het vastleggen van een bestaande situatie (enkele kleine ontwikkelingen daargelaten).
Op 13 december 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders de nota ‘Parkeernormen 2017’ vastgesteld. In deze notitie staat beschreven welke parkeernormen gehanteerd moeten worden bij nieuwe projecten (zowel uitbreiding als herstructurering). Uitgangspunt voor herontwikkeling is dat het parkeren op eigen terrein dient te worden opgelost. In de nota ‘Parkeernormen 2017’ heeft de gemeente Oss voor een camping vastgelegd dat er in het buitengebied per standplaats sprake moet zijn van 1,2 parkeerplaatsen. Dat betekent dat voor onderhavig initiatief, bestaande uit 15 campingstandplaatsen, op eigen terrein 18 parkeerplaatsen aanwezig moeten zijn. Voor het theeterras, gelijk te stellen met een café/ bar/ cafetaria of restaurant in het buitengebied hoeven ingevolge de nota ‘Parkeernormen 2017’ geen parkeerplaatsen aanwezig te zijn. Voor de woning (koop, vrijstaand, buitengebied) geldt een aantal van 2,4 per woning. In totaal betekent dit dat ter plaatse
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 36 van 59 19-10-2021
van het totale plangebied ruimte voor 20,4 parkeerplaatsen op eigen terrein aanwezig moet zijn. Afgerond gaat het om 21 parkeerplaatsen. Ter plaatse is op eigen terrein voldoende ruimte hiervoor aanwezig. Zie de tekening hieronder waarop de parkeerplaatsen/-ruimte is aangegeven.
Op de foto hieronder is zichtbaar hoe dit parkeren eruitziet vanaf de Rulstraat.
Voldaan wordt aan het parkeerbeleid van de gemeente Oss. 3.4.7 Beleid aan huis gebonden activiteiten Op 22 november 2012 heeft de gemeenteraad het Beleid aan huis gebonden activiteiten - Actualisatie 2012 vastgesteld. Het beleid voor aan huis gebonden activiteiten is opgesteld om mogelijkheden te
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 37 van 59 19-10-2021
bieden aan ondernemen vanuit de eigen woning. Door de jaren heen zijn de activiteiten die aan huis worden ondernomen steeds meer divers geworden. Het gaat allang niet meer alleen om een huisarts of accountant aan huis. Er is een breed scala dat aan huis uitgeoefend kan worden. Voorbeelden zijn een adviesbureau, pedicure of afslanksalon. Ook komen er steeds vaker vragen om kleinschalige cursussen te mogen geven, voor kleinschalige kinderopvang, ambachtelijke bedrijfjes of een bed en breakfast. Met het beleid wordt ingespeeld op de veranderende inzichten over aan huis gebonden activiteiten. Er wordt ruimte gegeven aan deze nieuwe vormen om vanuit de thuissituatie te werken. Het gaat dus altijd om een bewoner die de activiteit uitvoert. Een andere belangrijke voorwaarde is steeds dat de activiteit zich goed verhoudt met de woonomgeving. Het beleid aan huis gebonden activiteiten is erop gericht om zoveel mogelijk rechtstreeks toe te staan. Er is een lijst opgesteld met een breed scala aan activiteiten die rechtstreeks mogen worden uitgeoefend in de woning. Deze lijst is als bijlage opgenomen in de toelichting van het bestemmingsplan. Bij het opstellen van de lijst van rechtstreeks toegestane activiteiten is de woonomgeving het uitgangspunt geweest.
Dit houdt in dat er geen bedrijven op staan die veel verkeer aantrekken of activiteiten die milieuhinder veroorzaken, die niet past in een woonomgeving. Het oppervlak van de rechtstreeks toegestane activiteiten is 35m2. Maar niet alle activiteiten kunnen rechtstreeks in een woning worden uitgevoerd. Soms is een toetsing vooraf nodig. Als dit positief is, wordt toestemming verleend in de vorm van een ‘omgevingsvergunning waarbij van het bestemmingsplan wordt afgeweken’. Bij deze afweging spelen publieksaantrekkende werking en milieu- en verkeersaspecten altijd een rol. Voorbeelden van activiteiten waarbij een toetsing vooraf nodig is zijn: een groter oppervlak dan het toegestane 35 m2, andere activiteiten dan die in de lijst zijn opgenomen of groepsmatige activiteiten. In het nieuwe beleid worden de mogelijkheden voor dit afwijkend gebruik beschreven. Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik moet de aanvrager een concrete aanvraag om toestemming bij de gemeente indienen. 3.4.8
Prostitutiebeleid
Op 1 oktober 2000 is de opheffing van het bordeelverbod in werking getreden. Het gemeentelijk beleid inzake prostitutie heeft zijn juridische neerslag gevonden in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Oss. Het doel van het gemeentelijk prostitutiebeleid is door middel van een vergunningenstelsel invloed uit te oefenen op de aard en het aantal van prostitutiebedrijven en daarmee te voorkomen dat de aanwezigheid van deze bedrijven leidt c.q. kan leiden tot aantasting van de openbare orde en/of veiligheid, woon- en/of leefklimaat of andere vormen van overlast. Raam en straatprostitutie zijn verboden. De vestiging van seksinrichtingen en escortbedrijven is alleen mogelijk na vergunningverlening. Voor de vestiging van seksinrichtingen is een concentratiegebied aangewezen, waarbij het aantal inrichtingen is gemaximaliseerd. Het plangebied van dit bestemmingsplan valt niet binnen het concentratiegebied.
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 38 van 59 19-10-2021
Hoofdstuk 4
Verantwoording
4.1 Milieu- en omgevingsaspecten In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: - Bedrijven en milieuzonering (§ 4.1.1) - Bodem (§ 4.1.2) - Externe veiligheid (§ 4.1.3) - Geurhinder: agrarisch (§ 4.2.4) - Geur: industrieel (§ 4.1.5) - Luchtkwaliteit (§ 4.1.6) - Straling (§ 4.1.7) - Water (§ 4.1.8) - Weg-, spoor-, en industrielawaai (§ 4.1.9) 4.1.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uitvoeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen.
In een straal van 500m rondom de projectlocatie zijn geen bedrijven gelegen. De gronden rondom de camping worden gebruikt als grasland. Er is dus ook geen sprake van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en/ of spuitzones waarmee rekening gehouden moet worden. Milieuzonering vanuit derden is geen beperkende factor voor het initiatief. Uiteraard kan ook het initiatief een bron van hinder voor gevoelige nabijgelegen objecten zijn. Het betreft hier een natuurcamping. Een dergelijke camping is niet specifiek opgenomen in de VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering, daarin is slechts een reguliere camping beschreven. Voor een dergelijke reguliere camping (‘SBI-code’-2008: 553, 552, categorie 3.1) zijn de volgende in acht te nemen richtafstanden ten opzichte van gevoelige objecten benoemd: geur: 30, stof: 0, geluid: 50, gevaar: 30. Deze afstanden gelden niet bij het toetsen van het initiatief aan een goed woon- en leefklimaat voor de dichtstbijzijnde woning. Door de aard en omvang van de natuurcamping, welke relatief klein is in vergelijking tot een reguliere camping (categorie 3.1) waarvoor de richtafstanden door de VNG zijn opgesteld, is het voorstelbaar dat de richtafstanden met een afstandstrap worden verlaagd naar categorie 2. Dat betekent dat de grootste in acht te nemen afstand 30 meter is voor het aspect geluid.
Voor de aspecten geur en gevaar geldt in die situatie 10 meter als in acht te nemen afstand. Voor wat betreft de uitbreiding van 10 kampeerplaatsen in de bestemming: ‘agrarisch met waarden – Landschap en natuur’ is de afstand minimaal 30 meter en voldoet het initiatief aan deze afstand. De afstand tussen de meest nabij gelegen gevel van de woning en de agrarische bestemming waarin de uitbreiding van de minicamping wordt toegestaan, is meer dan 30 meter. De 5 kampeerplaatsen in de woonbestemming zijn in november 2011 al vergund en deze vergunning is onherroepelijk. De afstanden tot de nabijgelegen woning zijn hieronder geïllustreerd.
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 39 van 59 19-10-2021
Ondanks dat de richtafstanden voor een kampeerterrein uit de VNG brochure hier niet gelden, is naar aanleiding van de zienswijze akoestisch onderzoek verricht, om een goed woon- en leefklimaat aan te tonen. Het onderzoek is bijgevoegd bij deze ruimtelijke onderbouwing (bijlage 7) en kent de navolgende conclusie. “In dit onderzoek zijn de geluidniveaus vanwege deze ontwikkeling berekend in de representatieve bedrijfssituatie voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximale geluidniveau (Lmax ) ter plaatse van de meest kritisch gelegen woning van derden ten opzichte van de camping. De vastgestelde geluidniveaus worden getoetst aan de toetsingswaarden die gehanteerd worden voor een ‘’rustige woonwijk/rustig buitengebied’’ conform de VNG-publicatie: “Bedrijven en milieuzonering’’. Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus Uit de berekeningen blijkt dat het langtijdgemiddelde geluidniveau LAr,LT in de representatieve bedrijfssituatie als gevolg van de activiteiten op het bedrijfsterrein voldoet aan de in hoofdstuk 2 van het onderzoeksrapport weergegeven richtwaarden in stap 2. Met een contourberekening is bepaald in hoeverre een woon- en leefklimaat in de tuin van de naburige woning is gewaarborgd). Uit deze berekening (figuur 3 en bijlage 3, figuur 1 van het onderzoeksrapport) volgt dat de langtijdgemiddelde geluidbelasting in de tuin niet hoger is dan 40 dB(A).
Het woon en – leefklimaat is ook in de tuin gewaarborgd. Maximale geluidniveaus Uit berekeningsresultaten blijkt dat het hoogste maximale geluidsniveau als gevolg van de activiteiten op het bedrijfsterrein voldoet aan de in hoofdstuk 2 weergegeven richtwaarden in stap 2. Eindconclusie Uit dit onderzoek volgt dat de onderzochte bedrijfsvoering geen knelpunten veroorzaakt met betrekking tot de geluiduitstraling en dat het bestaande woon- en leefklimaat ter plaatse van geluidgevoelige objecten in de omgeving niet onevenredig wordt aangetast.” Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de natuurcamping in haar beoogde bedrijfsvoering aangaande het aspect geluid geen belemmering is voor het woon- en leefklimaat van derden. Samen met het feit dat voor de overige aspecten die verband houden met het onderwerp ‘bedrijven en milieuzonering’ wel wordt voldaan kan op basis hiervan worden geconcludeerd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 40 van 59 19-10-2021
4.1.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. In geval van onderhavig initiatief is geen sprake van nieuwbouwactiviteiten en de bestemming wijzigt niet. In eerste instantie is de uitbreiding van de natuurcamping geregeld via een tijdelijke vergunning teneinde een en ander in het tweede veegplan voor het Osse buitengebied juridisch-planologisch te regelen door ter hoogte van de camping de functieaanduiding ‘minicamping’ op te nemen. Door de kleinschaligheid en door de korte duur van het verblijf (75% van de kampeerders blijft slechts 1 nacht) kan volstaan worden met het uitvoeren van een NEN5725 op basisniveau. Het resultaat hiervan is bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd (bijlage 2). Op grond hiervan kan worden geconcludeerd dat er geen bodemtechnische bezwaren bestaan tegen de voorgenomen planontwikkeling.
4.1.3
Externe veiligheid
Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: - het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) - het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan.
Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijk kader
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 41 van 59 19-10-2021
Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. Het initiatief zal geen 50 mensen in één keer bedienen, maar dit zou o.b.v. het aantal plaatsen (15) theoretisch wel mogelijk zijn. Daarom betreft het initiatief een kwetsbaar object zoals geformuleerd in het Bevi, artikel 1 onder d. kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen. De locatie is niet gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6/jaar). De dichtstbijzijnde risicocontour ligt op 969 meter (LPGtankstation). Zie onderstaande uitsnede van de risicokaart.
Verder is de projectlocatie gelegen binnen het invloedsgebied van een vaarweg (de Maas). Zie de uitsnede van de kaart behorende bij de beleidsvisie externe veiligheid Oss en de daarop aangegeven blauwe zone hieronder.
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 42 van 59 19-10-2021
Ten aanzien van het invloedsgebied van vaarwegen in de gemeente Oss wordt in de beleidsvisie externe veiligheid aangegeven dat volstaan kan worden met de volgende verantwoordingsparagraaf. Ontwikkeling groepsrisico Indien een ruimtelijk plan tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dit dat: • vanwege de afstand tot de plaats van het mogelijke incident, • de aard van het mogelijke incident (blootstelling aan toxisch gas), het groepsrisico niet significant zal toenemen. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnlvoeden van de personendichtheid is geen item. • •
Toename van de personendichtheid heeft geen significant effect op het groepsrisico. De kans op overlijden door een incident met gevaarlijke stoffen is hier bijzonder klein (kleiner dan 1 op 1.000.000).
De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval
Voor deze gebieden speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op afstand van deze gebieden. Ten aanzien van de algemene mogelijkheden van de bestrijdbaarheid wordt verwezen naar het door de regionale brandweer/ de Veiligheidsregio opgestelde ‘risicoprofiel’. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden.
Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwings- en AlarmeringsSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. De zone III gebieden in de bebouwde kom vallen geheel binnen het dekkingsgebied van het WAS. Dit geldt ook voor onderhavig plangebied. 4.1.4
Geurhinder: agrarisch
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2017”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: de burger beschermen tegen geurhinder de veehouderijen niet onnodig beperken ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is.
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 43 van 59 19-10-2021
De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017 wordt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object binnen de gemeente Oss vastgelegd. Conform Artikel 3 Waarden voor de geurbelasting van de verordening zijn de volgende waarden vastgelegd: Lid 1. Op grond van artikel 6, lid 1 van de wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2, lid 1 van deze verordening: A. Stad Oss 1,0 Ou B. Woonkern met geen/enige intensieve veehouderij
2,0 Ou
C. Plangebied (bij kern A en B)
3,0 Ou
D. Woonkern met intensieve veehouderij
6,0 Ou
E. Zoekgebied + plangebied Maren-Kessel West en Liesdaal
6,0 Ou
F. Recreatiegebieden
8,0 Ou
G. Extensiveringsgebieden
8,0 Ou
H. Bedrijventerreinen
8,0 Ou
I. Bedrijventerrein Vorstengrafdonk
12,0 Ou
J. Verwevingsgebied
14,0 Ou
K. Landbouwontwikkelingsgebied
14,0 Ou
Het initiatief is geen geurgevoelig object in de zin van de wet. In artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij wordt een geurgevoelig object als volgt omschreven: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. In onderhavig geval gaat het niet om een gebouw, maar om kampeermiddelen. Het initiatief hoeft om die reden niet beschermd te worden tegen geurhinder en andersom zal het initiatief veehouderijen niet beperken. Afgezien van het wel of niet geurgevoelig zijn van een natuurcamping/ kampeermiddelen, is ter plaatse van het plangebied sprake van een goed woon- en leefklimaat. Dit, omdat er geen geurcontouren over de planlocatie liggen en er dus geen belemmeringen vanuit geur ter plaatse aanwezig zijn. 4.1.5 Geur: industrieel Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid.
Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: - als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; - als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; - de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing.
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 44 van 59 19-10-2021
In een straal van 500m rondom de projectlocatie zijn geen bedrijven gelegen. Industriële geurhinder is geen beperkende factor voor onderhavig initiatief. 4.1.6 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling).
De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBMproject is. Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.