Bijlage 11 bij toelichting rob Poelstraat 3 Dieden.PDF
Tekst van het document
Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat het plangebied: - goed te alarmeren is; - goed te schuilen is; - goed te ontvluchten is. Alarmering In geval van een calamiteit zal NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. Schuilmogelijkheden Schuilen in de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit met het scenario toxische wolk te overleven. Schuilen voor een toxische wolk is mogelijk binnen de bebouwing op de planlocatie. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. Vluchtmogelijkheden Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het plangebied naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobron af. Conclusie Er bestaat vanuit extern veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling. Er is geen reden voor nader advies.
De veiligheidsregio ziet geen reden tot het geven van een nader advies ten aanzien van de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied en de bestrijdbaarheid van een ramp op de wegen.” Het plangebied ligt ook op 2,7 kilometer van spoortraject ‘s-Hertogenbosch-Nijmegen (64D.1) af waar o.a. LT3 stoffen over vervoerd worden. LT3 heeft een invloedsgebied >4000 meter. De beperkte
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 47 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
verantwoording voor het scenario toxisch, die hierboven is opgenomen voor de Maascorridor, volstaat ook voor het spoor. Advies Veiligheidsregio De Veiligheidsregio heeft advies gegeven over het initiatief in relatie tot het aspect externe veiligheid. Het advies van de Veiligheidsregio is hieronder opgenomen. “De gewenst uitbreiding leidt tot een toename van de personendichtheid binnen het invloedsgebied van de Maas. Over de Maas vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De locatie ligt deels binnen 200 meter van de Maas. Dit betekent dat een groepsrisicoverantwoording conform artikel 8 BEVT aan de orde is. Er kan in dit geval volstaan worden met een beperkte verantwoording conform BEVT artikel 8 lid 2, omdat het groepsrisico ter plaatse < 0.1 OW bedraagt3. Ons advies biedt u samen met de standaard verantwoording zoals in uw Beleidsvisie Externe Veiligheid is opgenomen de bouwstenen t.b.v deze verantwoording > Scenario's De relevante scenario's i.r.t het plangebied zijn een toxische wolk en een gaswolkbrand. Hierbij kan direct opgemerkt worden dat de kans op dit type incidenten als gevolg van veiligheidsmaatregelen rondom het vervoer van gevaarlijke stoffen bijzonder klein is. Toxisch scenario Door een ongeval op het water breekt bij een binnenvaarttanker gevuld met een toxische stof aansluiting met de leiding op het dek af.
Er ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt. Alle vrijgekomen stof verdampt direct en er ontstaat een giftige wolk die zich snel met de wind mee verspreidt. De omvang van de wolk is afhankelijk van de omgeving en de weersomstandigheden. De mogelijke gevolgen in het plangebied worden zichtbaar gemaakt in de tabel (zie hieronder).
Gaswolkbrand scenario Door een ongeval op het water breekt bij een binnenvaarttanker gevuld met een brandbaar gas een aansluiting met de leiding op het dek af.
3
Vuistregels Handleiding Risicoberekening Bevt
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 48 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
Er ontstaat een gat waardoor het brandbaar gas uitstoomt en den gaswolk wordt gevormd welke op ontsteekt. De mogelijke gevolgen in het plangebied worden zichtbaar gemaakt in de tabel (zie hieronder).
> Beoordeling zelfredzaamheid Voor het scenario gaswolkbrand is vluchten het beste handelingsperspectief. Dit betekent dat aanwezigen op tijd gealarmeerd en geïnstrueerd moeten worden en er voldoende vluchtwegen van de risicobron aflopend aanwezig moeten zijn. Voor het scenario toxische wolk is schuilen het beste handelingsperspectief. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe gebouwen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. Binnen de inrichting zijn in het kader van activiteitenbesteding een aantal niet- of beperkt zelfredzame personen werkzaam. De bezoekers van- en deelnemers aan activiteiten binnen de inrichting zullen doorgaans mobiele en actieve mensen zijn. Gezien de aard en de activiteiten van de bestemming mag aangenomen worden dat de mate van zelfredzaamheid van de personen van het plangebied goed is. Dit geldt uiteraard niet voor de groep nietof beperkt zelfredzame personen > Beoordeling bestrijdbaarheid De bestrijdbaarheid van incidenten op het water is per definitie slecht als gevolg van een slechte bereikbaarheid van rivieren in landelijk gebied.
> Advies Uit de beoordeling blijkt dat het beste ingezet kan worden op het optimaliseren van de zelfredzaamheid in het plangebied: • Informeer de initiatiefnemer en zijn BHV organisatie actief over het aanwezig risico en handelingsperspectief. Er is sprake van twee verschillende handelingsperspectieven, vluchten vs. binnen blijven. Het is van belang om de aanwezige personen te wijzen op de verschillende handelingsperspectieven bij een dreigende BLEVE en bij een toxische wolk. Adviseer hen om het beschreven scenario's in het noodplan op te nemen en te beoefenen. Externe veiligheid vormt – met inachtneming van het advies van de Veiligheidsregio - geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. De initiatiefnemer is op de hoogte gesteld van het advies van de Veiligheidsregio en volgt dit op. 4.1.4 Geurhinder: agrarisch De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 49 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2017”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: - de burger beschermen tegen geurhinder; - de veehouderijen niet onnodig beperken; - ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017 wordt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object binnen de gemeente Oss vastgelegd. Conform Artikel 3 Waarden voor de geurbelasting van de verordening zijn de volgende waarden vastgelegd.
Lid 1: Op grond van artikel 6, lid 1 van de wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2, lid 1 van deze verordening: A. Stad Oss
1,0 Ou
B. Woonkern met geen/enige intensieve veehouderij
2,0 Ou
C. Plangebied (bij kern A en B)
3,0 Ou
D. Woonkern met intensieve veehouderij
6,0 Ou
E. Zoekgebied + plangebied Maren-Kessel West en Liesdaal
6,0 Ou
F. Recreatiegebieden
8,0 Ou
G. Extensiveringsgebieden
8,0 Ou
H. Bedrijventerreinen
8,0 Ou
I. Bedrijventerrein Vorstengrafdonk
12,0 Ou
J. Verwevingsgebied
14,0 Ou
K. Landbouwontwikkelingsgebied
14,0 Ou
Toetsing aan beleid Allereerst moet de vraag worden beantwoord of sprake is van het realiseren van nieuwe geurgevoelige objecten en/ of het realiseren van nieuwe bronnen van agrarische geurhinder. In onderhavige situatie gaat het in de zin van de wet om het mogelijk maken van vier nieuwe geurgevoelige objecten (trekkershutten). Er wordt geen nieuwe bron van agrarische geurhinder mogelijk gemaakt. In onderhavige situatie is het van belang dat gemotiveerd wordt dat voor de nieuwe geurgevoelige objecten sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat agrarische bedrijven door de toevoeging van nieuwe geurgevoelige objecten niet worden belemmerd in hun uitbreidingsmogelijkheden. Hieronder wordt ingegaan op beide aspecten. Aanvaardbaar woon- en leefklimaat Voor het beoordelen of bij ruimtelijke initiatieven sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat heeft de gemeente Oss de beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Oss 2013
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 50 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
vastgesteld. In deze beleidsregel is vastgelegd wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hiervan is sprake als de achtergrondbelasting geclassificeerd kan worden als ‘voldoende’ of ‘goed’. Er zijn dan geen belemmeringen om mee te werken aan het ruimtelijke initiatief. In de tabel hieronder (afkomstig uit de beleidsregel) heeft de gemeente vastgelegd wanneer sprake is van een ‘goed’, ‘voldoende’ of ‘onvoldoende’ woon- en leefklimaat.
In onderhavige situatie, gelegen in het buitengebied, moet de achtergrondbelasting minimaal voldoen aan 20 Ou/m3 om als ‘voldoende’ te kunnen worden beoordeeld. Op de geurgebiedsvisiekaart van 2015 kan worden afgelezen dat de nieuwe geurgevoelige objecten zijn gelegen in een gebied met een achtergrondwaarde tussen de 13,2 en 20 Ou/m3. Zie de uitsnede hieronder.
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 51 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
Op de meest recente door de ODBN geactualiseerde grove versie van deze kaart is zichtbaar dat de geursituatie zoals in 2015 aan de orde niet is veranderd. Zie de uitsnede hieronder.
De bedrijfsactiviteiten aan Sint Laurensstraat 17 en 19 zijn in februari 2021 ten opzichte van de situatie in 2015 nog steeds onveranderd actief. De milieuvergunning (voor beide locaties samen, geregistreerd op Sint Laurensstraat 19, Dieden) stamt uit 1997. Op basis van voorgaande is de conclusie voor wat betreft het woon- en leefklimaat dat voldaan wordt aan de minimale norm van 20 Ou/m3. Het woon- en leefklimaat wordt op basis daarvan beoordeeld als ‘voldoende’ en is daarmee aanvaardbaar. Er zijn op grond van het woon- en leefklimaat geen belemmeringen om mee te werken aan het ruimtelijke initiatief. Initiatief in relatie tot uitbreidingsmogelijkheden omliggende agrarische bedrijven Nabijgelegen bedrijven, meer specifiek de varkenshouderij aan Sint Laurensstraat 17 en 19, worden door het initiatief niet in hun bedrijfsvoering gehinderd. Dichterbij deze bedrijven dan de nieuwe geurgevoelige objecten zijn reeds bestaande geurgevoelige objecten gelegen. Deze geurgevoelige objecten zijn ‘maatgevend’, wat betekent dat de bedrijven door die objecten reeds worden belemmerd in hun uitbreidingsmogelijkheden. Daarbij komt dat de bedrijven zijn gelegen in een gebied dat door de provincie Noord-Brabant is aangemerkt voor ‘Beperkingen veehouderij’. Dit houdt in dat de uitbreiding van veehouderijen in dit gebied niet mogelijk is.
De veehouderijen zijn hier ongetwijfeld van op de hoogte, want zij houden varkens op een stalsysteem dat volgens het Besluit emissiearme huisvesting niet meer gebruikt kan worden. De kans is groot dat het hier gaat om stoppers. Agrarische geurhinder vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
4.1.5 Geur: industrieel Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 52 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: - als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; - als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; - de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing. De ontwikkeling is gelegen in de buurt van twee bedrijven. Één van de bedrijven, een varkenshouderij aan Sint Laurensstraat 19, is voor wat betreft het aspect geur reeds beschouwd in voorgaande paragraaf 4.1.4 Geurhinder: agrarisch. Daarop wordt hier niet meer ingegaan. Aan Poelstraat 1 is verder nog een een agrarisch bedrijf, niet zijnde veehouderij, gelegen.
Het gaat hier om een akkerbouwbedrijf, SBI-code 011, 012 en 013 van de Handreiking Bedrijven en Milieuzonering van de VNG. Voor een dergelijk bedrijf geldt de navolgende richtafstand voor geur: 10 meter. Aan deze afstand wordt niet voldaan voor wat betreft de nieuwe geurgevoelige activiteiten in de reeds bestaande geurgevoelige objecten. Dit wordt hier echter buiten beschouwing gelaten, omdat de bestaande geurgevoelige objecten reeds eerder zijn beoordeeld op het aspect woon- en leefklimaat en ze reeds maatgevend zijn voor bedrijven in de omgeving. De nieuwe geurgevoelige objecten (4 trekkershutten) voldoen wel aan de 10-meter afstand. De afstand tussen deze bebouwing en het bestemmingsvlak van het bedrijf aan Poelstraat 1 is groter dan 10 meter. Sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en nabijgelegen bedrijven worden door het initiatief in hun bedrijfsvoering niet belemmerd. Industriële geurhinder vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
4.1.6 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBMproject is.
Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 53 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit.
Grenswaarden luchtkwaliteit Voor de meest voorkomende stoffen zijn de luchtkwaliteitsnormen als volgt:
Met dit plan wordt voorzien in de uitbreiding van een bestaand recreatief bedrijf met vier trekkershutten, een zelfstandige horecavoorziening en dagrecreatieve voorzieningen. Om te berekenen of een plan effect heeft op de luchtkwaliteit is er een rekentool ontwikkeld die via www.infomil.nl beschikbaar is en gebruikt kan worden. Voor onderhavig plan is het relevant om te weten of de extra verkeersbewegingen die de uitbreiding van het bedrijf met zich meebrengt effect hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse. Door de uitbreiding worden 137,2 verkeerbewegingen per dag gegenereerd. Dit aantal is ingevoerd in de hiervoor genoemde rekentool. De conclusie die volgt uit de rekentool is dat het effect van deze extra verkeersbewegingen niet in betekenende mate is (NIBM). Zie de uitsnede van de ingevulde tool hieronder waaruit dit blijkt.
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 54 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
Naast het effect van de uitbreiding op de luchtkwaliteit is het ook van belang dat de toestand van de luchtkwaliteit in de bestaande (verspelde) situatie geschikt is voor de nieuwe functie. Er moet een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kunnen worden gegarandeerd. Gekeken naar de voorspellingen voor NO2 met behulp van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) blijkt dat (ruim) voldaan wordt aan de gestelde grenswaarde. Een uitsnede van de kaart ter hoogte van het plangebied is hieronder opgenomen.
Volgens deze kaart is de achtergrondconcentratie stikstof gelegen onder de 15 µg/m3. Dit is ver onder de wettelijke norm van 40,0 µg/m3. Ook de norm van 31,2 µg/m3, zoals vastgelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant wordt ook niet overschreden in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is dan ook sprake van een goed woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 55 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
4.1.7 Mobiliteit en parkeren De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. De mobiliteitsvisie wordt uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan Wegen werkt het gewenste netwerk voor het autoverkeer uit. Per weg wordt de gewenste functie vastgelegd. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden. De gemeente Oss heeft een gemeentelijk parkeerbeleidsplan vastgesteld. De nota ‘Parkeernormen 2017’ geeft aan welke parkeernormen voor welke gebieden gelden. Verkeer: extra verkeersbewegingen De ontsluiting van het plangebied vindt plaats via de bestaande in-/ uitrit aan de Poelstraat. Er hoeven voor het initiatief geen nieuwe in-/ uitriten aangelegd te worden. Het initiatief genereert (conform de kengetallen CROW) de volgende extra verkeersbewegingen: -
4 trekkershutten, vergelijkbaar met verkeersaantrekkende werking bungalow in buitengebied: 2,6 tot 2,8 vervoersbewegingen per etmaal per bungalow (2,8 x 4 = 11,2 verkeersbewegingen per etmaal); Restaurant/ dagrecreatie: geen dan wel grove norm in CROW, o.b.v. turn-over van 1,5, parkeernorm van 15 per 100 m2 bvo en 280 m2 bvo (3 x 15 x 2,8 = 126 verkeersbewegingen per etmaal);
In totaal komt de toename van het aantal verkeersbewegingen neer op 137,2 mvt/ etmaal. Verkeer: ontsluitingswegen Het aantal verkeersbewegingen neemt toe met 137,2 mvt/ etmaal. Deze toename is op een weg als de Poelstraat, een erftoegangsweg type II welke geschikt is voor een intensiteit tot 6000 mvt/ etmaal, verwaarloosbaar. De ontsluiting voldoet aan de normen van het Mobiliteitsplan 2020. Het aspect verkeer is geen beperkende factor voor de ontwikkeling. Parkeren Voldaan dient te worden aan de parkeernormen zoals opgenomen in de nota ‘Parkeernormen 2017’. Dit geldt voor zowel de bestaande als toekomstige situatie. In zijn heel moeten voor het totaalplan voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn.
Hieronder zijn de uitgangspunten conform de nota ‘Parkeernormen 2017’ opgenomen: • camping (25 standplaatsen): 1,2 parkeerplaatsen per standplaats (30 parkeerplaatsen); • vier trekkershutten: 2,1 parkeerplaatsen per bungalow (8,4 parkeerplaatsen); • 130 m2 bvo zelfstandige horeca: restaurant (15 per 100 m2 bvo) + aanvullend 150 m2 bvo dagrecreatie (cultureel centrum/ wijkgebouw, 3 per 100 m2 bvo) (24 parkeerplaatsen); • twee groepsaccommodaties met in totaal 14 kamers: 1 sterrenhotel, 4,5 parkeerplaatsen per 10 kamers (6,3 parkeerplaatsen); • zes Bed & Breakfastkamers: 1,2 parkeerplaatsen per kamer (7,2 parkeerplaatsen); • twee recreatieappartementen: 2,1 parkeerplaatsen per appartement (4,2 parkeerplaatsen); • één bedrijfswoning: Woning vrijstaand, 2,4 parkeerplaatsen per woning (2,4 parkeerplaatsen). De kampeerders parkeren op het parkeerterrein bij hun kampeermiddel. Deze parkeerplaatsen (30 stuks) kunnen dus v.w.b. de inrichting van het perceel buiten beschouwing gelaten worden. Blijft over een te realiseren aantal van 52,5 parkeerplaatsen, afgerond 53 parkeerplaatsen. De parkeerplaatsen zijn aangegeven op de afbeelding onder paragraaf 2.3 ‘Beoogde situatie’ van deze ruimtelijke onderbouwing. De ontwikkeling voldoet aan het gemeentelijke parkeerbeleid.
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 56 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
4.1.8 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. Het plangebied is niet gelegen nabij een hoogspanningslijn, wat betekent dat ter hoogte van het plangebied geen sprake is van een magnetische veldsterkte van meer dan 0,4 microtesla ten gevolge van hoogspanningslijnen. Straling vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
4.1.9 Water De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGPR een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen.
De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 2.000 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: - Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; - Voorkomen van vervuiling van water;
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 57 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
-
-
Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Afvoer Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied.
Toetsing plangebied aan ondergrond Primaire waterkering Een deel van de gronden behorende bij Poelstraat 3 zijn gelegen in de beschermingszone van de primaire waterkering (zie hieronder in de verbeelding in twee tinten geel weergegeven).
Het initiatief ziet niet op het uitvoeren van werken of het oprichten of veranderen van bestaande obstakels in de beschermingszone. Alle fysieke werkzaamheden die onderdeel uitmaken van de ontwikkeling zijn buiten deze zones beoogd. Mocht later blijken dat het wenselijk is om werken en obstakeltoevoegingen of – wijzigingen uit te voeren dan geldt dat deze waarschijnlijk watervergunningsplichtig zijn. Er zijn namelijk verschillende criteria en randvoorwaarden die van toepassing zijn om de verschillende werken/obstakels te vergunnen. Ook dient rekening te worden gehouden met het seizoen wanneer eventuele werkzaamheden plaatsvinden. Er
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 58 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
mogen in het gesloten seizoen (in de periode van 1 oktober tot 1 april) namelijk geen werken in of nabij de waterkering worden uitgevoerd. Legger/ A-watergang Aan de zuidzijde van het plangebied ligt een A-watergang. Deze is op voorgaande afbeelding zichtbaar (blauwe lijn met lichtoranje zones erlangs). In de Keur is te lezen dat wanneer er werkzaamheden verricht gaan worden in of nabij een A-watergang er een watervergunning4 aangevraagd dient te worden. Daarnaast is er een verbod opgenomen om binnen 5,00 meter breedte uit de insteek aan weerszijden van een A-watergang obstakels te plaatsen of te hebben. Gelet op de waterhuishoudkundige belangen is het noodzakelijk om deze zone, de beschermingszone, vrij te houden van alle obstakels. De ontwikkeling bevat geen werkzaamheden in of nabij de A-watergang. Ook is het plaatsen of hebben van obstakels in de 5-meter zone langs de A-watergang niet aan de orde. Verhardingstoename/ compensatie-eis hemelwater Er wordt geen 2000 m2 of meer verhard oppervlak gerealiseerd. Het gaat over het algemeen slechts om een interne functieverandering en het toevoegen van vier trekkershutten van ieder maximaal 25 m2, de uitbreiding van een sanitairgebouw met 32 m2 en de realisatie van een kapschuur van 50 m2. In totaal komt er door het initiatief dus 182 m2 aan verharding bij.
Dat betekent dat het waterschap in onderhavige situatie ten aanzien van de tijdelijke berging en verwerking van hemelwater geen compensatie-eis stelt. Op www.dewatertoets.nl is de digitale watertoets ingevuld. Hiervan zijn drie mogelijke uitkomsten/ procedures: • Geen waterbelang: Er is een functiewijziging zonder relevante wateraspecten • Verkorte procedure: U heeft een klein plan met weinig relevante wateraspecten • Normale procedure: U heeft een groot plan met meerdere relevante wateraspecten. Na het invullen van de digitale watertoets werd direct aangegeven dat met het ruimtelijk plan de verkorte procedure/ standaard waterparagraaf van toepassing is. Bijgevoegd bij deze toelichting is het toetsresultaat en de samenvatting van www.dewatertoets.nl (bijlage 4). Per 1 april 2021 treedt de herziening van de Keur in werking. Hierin is een nieuwe grenswaarde (500 m2) van verharding opgenomen, waarbij de compensatie-eis geldt. Deze nieuwe grenswaarde heeft geen invloed op onderhavig plan, omdat niet meer dan 182 m2 aan nieuwe verharding aan de orde is. Ook in de nieuwe situatie blijft de toename van verharding onder de grenswaarde. Conform het gemeentelijke waterbeleid geldt dat in het buitengebied al het hemelwater op eigen terrein moet worden verwerkt, het mag niet (ook niet bij hevige regenval) worden aangeboden bij het openbaar gebied.
Op eigen terrein is gezien de minimale toename van de verharding, de oppervlakte van het perceel, de mate van bebouwing en de gemiddeld hoogste grondwaterstand voldoende ruimte aanwezig voor de verwerking van het hemelwater. Afvalwater
4
Het waterschap verleent alleen een watervergunning als wordt voldaan aan de beleidsregel 3 “werken en objecten in de watergang en beschermingszone” (http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/XHTMLoutput/Historie/Waterschap%20Aa%2 0en%20Maas/364535/CVDR364535_3.html).
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 59 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
Aangaande de afvoer van afvalwater is de gemeente bevoegd gezag. Het plangebied is aangesloten op de gemeentelijke mechanische drukriolering. De verandering in bedrijfsvoering en extra activiteiten - die middels het bestemmingsplan waar deze ruimtelijke onderbouwing onderdeel van uitmaakt mogelijk worden gemaakt – heeft invloed op het lozingsgedrag op de riolering. Wat precies dit effect op de riolering inhoudt is nog niet helemaal duidelijk. Belangrijk is daarom dat voorafgaand aan wijzigingen van de inrichting die van invloed zijn op het lozingsgedrag op de riolering in overleg wordt getreden met de gemeente over de concrete effecten en de eventueel te nemen maatregelen om de riolering goed te laten functioneren. Wat dat laatste betreft is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor de eventuele kosten die dit met zich meebrengt.
4.1.10 Weg-, spoor- en industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen.
De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie. Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluid producerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. Het initiatief omvat op basis van de Wgh geen geluidsgevoelig object. Weg- en railverkeerslawaai zijn met die reden in onderhavige situatie geen relevante aspecten.
Dit geldt ook voor industrielawaai vanuit eventuele omliggende bedrijvigheid. In het plangebied wordt wel een geluidsbron gerealiseerd. Een en ander hieromtrent is opgenomen en gemotiveerd in de paragraaf Bedrijven en milieuzonering aan het begin van dit hoofdstuk. Hieruit blijken geen belemmeringen. Geluid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 60 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
4.1.11 Gezondheid Gezondheid is in de ruimtelijke ordening steeds meer een thema. Er is echter geen specifieke wet- en regelgeving dan wel beleidskader voor het meenemen van het aspect gezondheid in bestemmingsplannen of andere ruimtelijke besluiten. Van belang is dat een ruimtelijk besluit voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Hiervoor is het belangrijk dat ter plaatse van de ruimtelijke ontwikkeling sprake is van een goed woon- en leefklimaat en bedrijven en dergelijke door een ruimtelijke ontwikkeling niet in hun belangen/ bedrijfsvoering geschaad worden. In deze ruimtelijke onderbouwing zijn diverse thema’s die van invloed zijn hierop en daarmee mogelijk ook op de gezondheid aan de orde gekomen. Aspecten die nog niet aan bod zijn gekomen, maar mogelijk wel van invloed zijn op de gezondheid van mens, dier en natuur komen in deze paragraaf nog aan de orde. Veehouderijen Geitenhouderijen Uit de VGO-rapporten die afgelopen jaren zijn gepubliceerd door het RIVM komt duidelijk naar voren dat er een relatie wordt gevonden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden. Deze relatie is door de onderzoeker op verschillende manieren vastgesteld. Daarbij komt dichtheid van veehouderijbedrijven en afstand tot bepaalde type individuele veehouderijen concreet naar voren als factoren die van invloed zijn op de gezondheid van omwonenden.
Verder blijkt uit VGO-onderzoek dat er in een straal van twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde incidentie van longontstekingen (ca. 25-30% hoger) voorkomt. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek. Op dit moment kan er geen enkele bron-effect relatie worden beschreven tussen de verhoogde longontsteking incidentie en de uitstoot vanuit geitenhouderijen. Wel is er een causaal verband geconstateerd waarbij de associatie sterker is naarmate de afstand tot een geitenhouderij kleiner is. Het plangebied is gelegen binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij: Weijenstraat 10. Op de afbeelding hieronder is dit zichtbaar.
Pluimvee- en varkenshouderijen
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 61 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
Binnen 1 kilometer van het plangebied zijn geen pluimveehouderijen gelegen. Het plangebied is wel binnen 250 meter van twee varkenshouderijen gelegen, namelijk die aan Sint Laurensstraat 17 en Sint Laurensstraat 19. Advisering GGD De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Door alle zeven stappen te doorlopen en beantwoorden kan worden nagegaan of er knelpunten aan de orde zijn en het zinvol is de GGD om advies te vragen. Hieronder is aan het stappenplan getoetst. Stap 1 De ontwikkeling voldoet niet aan de endotoxine ‘richtafstand’ tussen een veehouderij en gevoelige bestemming. GGD-advies kan zinvol zijn, ga verder naar stap 2. Stap 2 De ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur en/ of fijnstof en/ of ammoniak. GGDadvies is niet aan de orde, ga verder naar stap 3a. Stap 3a Sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat a.d.h.v. het wettelijk kader voor geur. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 3b. Stap 3b Sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat a.d.h.v. de gezondheidskundige advieswaarde. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 4. Stap 4a+b Er zijn geen veehouderijen in de buurt waar meer dan één diersoort wordt gehouden.
Er zijn geen varkens- en/ of pluimveebedrijven in de buurt waarvan de afstand tussen de inrichtingsgrenzen minder dan 100 meter bedraagt. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 5. Stap 5a Binnen een afstand van 2 km van nieuwe woon- en verblijfsruimten is één geitenhouderij gelegen, namelijk aan Weijenstraat 10. GGD-advies kan zinvol zijn. Binnen een afstand van 1 km van nieuwe woon- en verblijfsruimten is geen pluimveebedrijf gelegen. Dit leidt niet tot GGD-advies. Binnen een afstand van 250m van nieuwe woon- en verblijfsruimten zijn twee varkenshouderijen gelegen. GGD-advies kan zinvol zijn. Check of stap 6 nog tot een GGD-advies leidt. Stap 6 Er is geen sprake van mestbe- of verwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit. Dit leidt niet tot GGD-advies. Check of stap 7 nog tot een GGD-advies leidt. Stap 7 Bij omwonenden is geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid. Dit leidt niet tot GGD-advies. Aanleiding voor het eventueel opvragen van een GGD-advies ligt in de uitkomsten van stap 1 en 5a. Met betrekking tot stap 1 geldt dat het hier gaat over tijdelijk verblijf (toerisme/ recreatie). Geen sprake is van permanente huisvesting. Hierdoor is de blootstelling aan gezondheidsrisico’s, ten gevolge van verblijf in een endotoxine richtafstand, slechts van korte duur. Doordat geen sprake is van permanent verblijf in
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 62 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
een endotoxine richtafstand wordt het gezondheidsrisico als klein beoordeeld, een GGD advies wordt niet gevraagd. Met betrekking tot stap 5a geldt het volgende. Hierover kan de GGD op dit moment niet anders adviseren dan hetgeen in het VGO-3 is opgenomen: afstand houden en goed informeren. Over eventueel te nemen beschermde maatregelen kan pas worden geadviseerd als meer duidelijkheid is over de bron van de verhoogde incidentie longontstekingen. Met deze reden is het niet zinvol een advies bij de GGD te vragen. De initiatiefnemers van onderhavige ontwikkeling zijn ook de exploitanten van de locatie. Zij zijn op de hoogte van de gezondheidsrisico’s en zullen hun toeristen/ recreanten informeren. Gezien vorenstaande en met deze maatregel in acht genomen vormt gezondheid in verband met veehouderijen geen belemmering voor de ontwikkeling. Spuitzones Op de gronden ten zuiden van het plangebied is sprake van (vollegronds)teelt. Jurisprudentie wijst uit dat een afstand van 50 meter tot spuitzones past bij een goede ruimtelijke ordening. De teelt vindt op meer dan 50 meter van de nieuwe activiteiten in het plangebied plaats. Bovendien zijn tussen de ontwikkeling en de teeltlocatie forse zones van beplanting aanwezig, welke zorgen voor het tegenhouden van spruitdrift het plangebied in.
Voor de zes meter brede beplantingszone op het terrein van de initiatiefnemer van de ontwikkeling geldt in het kader van het aspect ‘landschappelijke inpassing’ een instandhouding op basis van een voorwaardelijke verplichting die gekoppeld is aan de exploitatie van de ontwikkeling. Het aspect gezondheid in verband met spuitzones vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Gezondheid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
4.3
Waarden
Binnen het plangebied voorkomende waarden op het vlak van natuur, archeologie of cultuurhistorie dienen te worden gerespecteerd en beschermd, mogelijk zelfs bevorderd. Bij ontwikkelingen moet proactief rekening worden gehouden met de aanwezige waarden. Achtereenvolgens komen aan bod: - Archeologie en cultuurhistorie (§ 5.3.1) - Natuur (§ 5.3.2) 4.3.1 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente gelden in het bestemmingsplangebied de archeologische verwachtingwaarden ‘historische kern’ en ‘hoog’. Concreet betekent dit dat er een archeologische onderzoeksplicht geldt indien de bodemingrepen respectievelijk dieper reiken dan 30 cm beneden huidig maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 50 m² of 100 m². Toetsing van de plannen Vanuit het archeologiebeleid geldt voor het plangebied een archeologische onderzoeksplicht als de bodemingrepen dieper dan 30 cm – het maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 50 m2 (historische kern) of 100 m2 (hoge verwachtingswaarde). Voor het initiatief zijn bodemingrepen benodigd die de geformuleerde ondergrens overschrijden. Archeologisch onderzoek is niet uitgevoerd, omdat het nog niet helder is of en wanneer de werkzaamheden precies kunnen worden uitgevoerd (afhankelijk van de ruimtelijke procedure). De initiatiefnemer wil niet te ver van te voren voor investeren.
Dergelijk onderzoek zal uitgevoerd worden in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning. Om te borgen dat
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 63 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
in de tussentijd geen archeologische waarden worden aangetast blijft – net zoals in het vigerende bestemmingsplan aan de orde is - een dubbelbestemming in het kader van de bescherming ervan op het plangebied van toepassing. Bestemmingsplanregels De gemeente Oss vertaalt de wet en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. Om het archeologisch traject te borgen blijven in het plangebied de dubbelbestemmingen ‘Waarde Archeologie historische kern’ en ‘Waarde – Archeologie verwachtingswaarde hoog’ toegekend. Voor het gebied geldt dat bij bodemverstoringen groter dan 50 m² respectievelijk 100 m² en dieper dan 30 cm beneden huidig maaiveld archeologisch onderzoek nodig is.
Cultuurhistorie: wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening.
In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen.
De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen. Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 64 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2009. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang. Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Interim omgevingsverordening NoordBrabant Met de onder het kopje ‘archeologie’ genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen. Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje ‘archeologie: bestemmingsplanregels’ verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden.
Volgens de provinciale cultuurhistorische waardenkaart ligt onderhavige locatie in de regio Maaskant, is sprake van cultuurhistorisch vlak Diedense Uiterdijk, cultuurhistorisch landschap Beerse en Baardwijkse Overlaat en is archeologisch landschap Maaskant van toepassing. De kaartlagen ‘cultuurhistorische vlakken’ en ‘complexen van cultuurhistorisch belang’ zijn ook opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Daaruit blijkt dat op onderhavige locatie de aanduidingen ‘Aardkundig waardevol gebied’ en ‘Cultuurhistorisch waardevol gebied’ zijn opgenomen, waarvoor regels zijn opgenomen ter behoud, herstel en duurzame ontwikkeling van de aardkundige en cultuurhistorisch waarden en kenmerken. Het gaat dan om regels ten aanzien van: sloop, gedeeltelijke sloop, ingrijpende aanpassingen van gebouwen; graven, verbreden, verdiepen, dempen, tracéverlegging van waterpartijen of –lopen; verwijderen of kappen van (opgaande) begroeiing; ophogen, afgraven en egaliseren; aanleggen, verharden, verbreden, verwijderen, wijzigen van paden- en wegentracés; aanplant van opgaande begroeiing of toevoegen nieuwe bebouwing Geen van bovenstaande ‘werkzaamheden’ zijn onderdeel van onderhavig initiatief. Ter plaatse van onderhavige locatie is geen sprake van cultuurhistorisch waardevolle en/ of monumentale bebouwing.
4.3.2 Natuur Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om soortenbescherming en anderzijds om gebiedsbescherming. Bescherming van de plant- en diersoorten ontlenen hun bescherming onder andere aan opname in de Flora- en faunawet. Deze bescherming moet ertoe leiden dat het voortbestaan van de soort niet in gevaar komt. De gebiedsbescherming is gericht op de bescherming van kwetsbare natuurgebieden en was verankerd in de Natuurbeschermingswet 1998. Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Soortbescherming Voor de ontwikkeling is door Buro Maerlant een quickscan in het kader van het aspect soorten zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming uitgevoerd. De rapportage van de quickscan is bijgevoegd bij deze ruimtelijke onderbouwing (bijlage 6). De conclusies en advies van dit onderzoek zijn als volgt.
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 65 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
“Conclusies Soorten In het plangebied zijn binnen de werkgrenzen de volgende potentiële en actuele natuurwaarden aangetroffen waar rekening mee gehouden dient te worden: » Kans op de aanwezigheid van broedende vogels algemeen. » Theoretische kans dat vleermuizen aanwezig zijn achter enkele betimmeringen van het sanitairgebouw. Effecten Doordat de werkzaamheden op het land plaatsvinden, beperkt van aard zijn, en preventief af- doende maatregelen kunnen worden getroffen, zijn over het algemeen géén negatieve effect- en op strikter beschermde soorten te verwachten. Op basis van het advies (vogels algemeen) zijn de ingrepen zonder meer mogelijk. Vooralsnog is men voornemens het sanitairgebouw niet te vergroten en zijn effecten op vleermuizen niet aan de orde. Advies Vogels algemeen Doordat de kans bestaat dat broedende vogels in het plangebied aanwezig kunnen zijn, wordt aanbevolen rekening te houden met de broedperiode en werkzaamheden als sloop of bouwwerkzaamheden direct nabij beplantingen uit te voeren buiten het broedseizoen (ná half augustus en vóór half maart). Indien een ter zake deskundige heeft vastgesteld, dat geen nesten aanwezig zijn, is het ook mogelijk binnen deze periode te werken. Het verstoren van broedende vogels (dat leidt tot het permanent verlaten van een nest) is conform de Wet natuurbescherming niet toegestaan.
Vleermuizen Doordat de theoretische (kleine) kans bestaat dat vleermuizen gebruik maken van betimmeringen van het sanitairgebouw, wordt geadviseerd preventief rekening te houden met eventueel aanwezige dieren als men overweegt het gebouw te vergroten en/of andere ingrepen aan het dak wenst uit te voeren. Inpandige ingrepen zoals bijvoorbeeld het vernieuwen van het sanitair zijn zonder meer mogelijk. Indien men in de toekomst wenst te verbouwen is het aan te bevelen advies in te winnen bij een ter zake deskundige (ecoloog).” Gebiedsbescherming In verband met het mogelijke effect dat ontwikkelingen kunnen hebben op beschermde gebieden is een AERIUS-berekening uitgevoerd voor zowel de gebruiks- als aanlegfase van de ontwikkeling. De AERIUSberekening is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 5). De conclusies van deze berekening zijn dat de ontwikkeling in zowel de gebruiks- als in de aanlegfase geen stikstofdepositie tot gevolg heeft op nabijgelegen Natura 2000-gebieden, betreffende Rijntakken op 8 km van Natura 2000-gebied. Volgens de AERIUS-berekening hoeft er dus ook geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd of verder onderzoek naar de stikstofdepositie uitgevoerd te worden. Het aspect natuur vormt vooralsnog geen belemmering voor het initiatief. 4.4
Defensie
Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: - Radarverstoringsgebieden; - Obstakelbeheergebieden; - Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; - Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen.
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 66 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Deze ruimtelijke onderbouwing voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen het plangebied voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen. Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden.
4.5
Milieueffectrapportage (M.e.r.)
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over wordt genomen. In een milieueffectrapport worden de gevolgen voor het milieu beschreven. Zo kan de overheid die het besluit neemt de milieugevolgen bij haar afwegingen betrekken. Het doel van m.e.r. is om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over plannen en projecten. In een m.e.r.-beoordeling kijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Wanneer speelt een m.e.r.-beoordeling? In het Besluit m.e.r. staat wanneer m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het project mogelijk maakt en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de C- en D-lijst in de Bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven. Boven de C-drempel geldt een m.e.r.-plicht, tussen de C- en D-drempel geldt een plan-m.e.r.-plicht en onder de D-drempel geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient onderbouwd te worden of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen heeft.
Sinds de implementatie van de gewijzigde M.e.r.-richtlijn op 16 mei 2017 is de procedure voor de vormvrije en de formele m.e.r.-beoordeling bijna gelijk. Het enige verschil is dat van het besluit bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling geen kennisgeving wordt gedaan. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit De initiatiefnemer stelt een aanmeldnotitie op, waarover het bevoegd gezag binnen zes weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit moet nemen. Het bevoegd gezag motiveert het besluit door in te gaan op de selectiecriteria van Bijlage III van de M.e.r.-richtlijn. Het gaat daarbij om de hoofdcategorieën: 1. kenmerken van het project 2. plaats van het project 3. kenmerken van het potentiële effect. Is het bevoegd gezag zelf initiatiefnemer, dan is het bevoegd gezag, anders dan een derde, niet verplicht een aanmeldnotitie op te stellen. Verantwoording Onderzocht is of een m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling nodig is. In bijlage C en D van het Besluit m.e.r. is aangegeven in welke gevallen voor een project een mer (beoordeling) nodig is. In overweging kan