Bijlage 10 MER.pdf
Tekst van het document
Er is geen vervolgonderzoek nodig op het gebied van effect op natuurwaarden. De tijdelijke uitvoeringssituatie en de uiteindelijke situatie zullen grote aantrekkingskracht hebben op zowel de kamsalamander als de grote modderkruiper; de gebieden worden hier juist op ingericht.
19 20
Rapportage Stikstofdepositie, 8 oktober 2019, LBP Sight, kenmerk V087238aa.19EFH7C.djs Voor uitgangspunten zie rapportage Planontwikkeling Demen-Dieden, onderzoek Stikstofdepositie, 5 september 2018, LievenseCSO, kenmerk 17M7013.RAP005.NP.RL_V3
38
6.3
Effecten op de dijk
Tabel 6-5: Beoordeling aspecten thema Dijkstabiliteit Thema
Aspect
Dijkstabiliteit
Voorkomen toename piping Ruimte voor dijkverhoging Beheerbaarheid dijk
Huidige situatie
Voorkeursontwerp
Maximale ruwheid
Maximale ontgraving
Separate uitvoering
0
0
x
x
x
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
Een randvoorwaarde voor het ontwerp is dat geen negatieve effecten op de dijk mogen optreden. De dijk mag geen schade lijden, niet verzwakken of slechter beheerbaar worden. Deze eisen hebben mede geleid tot de optimalisatie en daarmee tot het voorkeursontwerp. In deze paragraaf wordt aan deze randvoorwaarden getoetst. 6.3.1
Huidige situatie dijk en autonome ontwikkeling
Het waterschap Aa en Maas werkt aan de dijkversterking van het traject Ravenstein-Lith binnen het project Meanderede Maas. De projectlocatie Demen-Dieden valt in dit traject. Het waterschap is daarom nauw betrokken bij de ontwikkeling van de vergelijkingsvarianten en het voorkeursontwerp. Door veranderende toetsingskaders (sinds 1 januari is het WBI2017 vigerend en vervangt hiermee de VTV2006) wijzigen de hydraulische randvoorwaarden en de toetsingscriteria. Op basis van de rekenregel van Sellmeijer is een grotere kwelweglengte nodig dan aanwezig is in de huidige situatie, wat betekent dat de dijk in de huidige situatie is afgekeurd op het faalmechanisme piping: de lengte van het voorland is beperkt en daardoor wordt niet aan de benodigde kwelweglengte voldaan21. In de autonome ontwikkeling zal de dijk dus niet voldoen aan de vigerende norm en versterkt moeten worden. 6.3.2
Toetsingscriteria dijk
De effecten op de dijk zijn deels onderzocht tijdens de vergelijkingsfase en bepalend geweest voor de keuze van het voorkeursontwerp. De veiligheid en beheerbaarheid van de dijk zijn immers harde eisen, net als het houden van ruimte voor toekomstige dijkversterking. Het afgraven van (een deel van) de kleilaag in de uiterwaard mag niet leiden tot schade aan of verzwakking van de dijk. De robuustheid van de dijk mag niet verslechteren en moet minstens hetzelfde blijven en zo mogelijk verbeterd worden door het plan. In de huidige legger van waterschap Aa en Maas (vastgesteld d.d. 3 september 2018) heeft de buitenbeschermingszone een variabele lengte. Door niet binnen 75 m uit de teen van de dijk te graven (incl. talud van 1:4 betekent dit dat tot 80 m uit de kruin van de dijk niet vergraven wordt)
21
Lievense, rapportage geotechniek Demen-Dieden, april 2019
39
vinden geen werkzaamheden plaats in beschermingszone A van de dijk. Beschermingszone B beslaat plaatselijk bijna de gehele uiterwaard (figuur 6-2).
Figuur 6-2: uitsnede Legger waterkeringen met aanduiding van beschermingszones (gele kleuren). De toetsingscriteria voor het MER zijn in overleg met het waterschap Aa en Maas bepaald. Dit zijn de criteria op basis waarvan het Waterschap vergunning kan verlenen voor de uitvoering van de kleiontgravingen. Deze toetsingscriteria zijn: 1. Scheppen van ruimte voor toekomstige dijkverhoging Er wordt geanticipeerd op een benodigde kruinverhoging tot 1,0 meter. Aangezien de mogelijkheden voor binnenwaartse dijkversterking uiterst gering zijn, wordt er rekening gehouden met een buitendijkse versterking. 2. Beheerbaarheid dijk gegarandeerd behouden Het project mag de beheerbaarheid van de dijk niet in het geding brengen. Wij dragen zorg voor het feit dat de beheerder te allen tijde makkelijk toegang heeft tot de dijk. 3. Voorkomen toename risico op piping: het risico op piping mag niet toenemen. Omdat de dijk ook in de autonome situatie is afgekeurd, is afstemming met het waterschap gezocht op welke manier het risico op piping onderzocht en getoetst moet worden.
40
6.3.2.1
Toelichting toetsing piping
Het is voor de ontwikkeling in de uiterwaard van belang om het effect van de vergraving op het ontstaan van (doorgaande) pipes in beeld te brengen: voor een vergunbaar ontwerp moet aangetoond zijn dat de dijk niet faalt door de ontwikkeling in de uiterwaard. Toelichting op de onderzoeksmethode Bij onderzoek naar de effecten is het van belang om te weten welke effecten beschouwd moeten worden, hoe ze te beoordelen en op welke manier deze in beeld kunnen worden gebracht. Rekenregel van Sellmeijer Voor onderzoek naar piping wordt gewerkt volgens de Schematiseringshandleiding Piping (januari 2017). Hierin staat dat de rekenregel van Sellmeijer gebruikt wordt om het eventueel optreden van piping vast te stellen. De rekenregel van Sellmeijer doet een uitspraak over de benodigde kwelweglengte om geen risico op piping te hebben. D-Geo Flow D-Geo Flow is een relatief nieuw model, ontwikkeld door Deltares en sinds 2017 beschikbaar. D- Geo Flow biedt mogelijkheden om complexere situaties te kunnen beoordelen. Berekeningen in D-Geo Flow zijn relatief nieuw en is nog volop in ontwikkeling; de software is nog een beta versie. Mede daarom zijn de berekeningen continu met het Kennisplatform Risicobenadering (KPR/ specialist van Deltares) afgestemd. Benadrukt wordt dat er nog geen veiligheidsfilosofie is voor het werken met deze software.
Deltares raadt aan om deze software alleen te gebruiken om de gevoeligheden van piping voor verschillende parameters in een gebied in kaart te brengen. Er zijn verschillende criteria om aan te tonen of een pipe zich ontwikkeld tot een doorgaande pipe (en de dijk dus bezwijkt) of dat de pipe zich slechts gedeeltelijk ontwikkelt: in de studie voor DemenDieden met behulp van D-Geo Flow is gekeken naar de pipelengte en ook naar het optredend verval in relatie tot het kritieke verval. Pipe-lengte In de conventionele benadering van terugschrijdende erosie volgens de rekenregel Sellmeijer wordt gesteld dat op het moment dat het pipingkanaal halverwege de wel (uittreepunt) en het buitenwater (intreepunt) is, de groei van de pipe niet meer gestopt kan worden. Het scenario is dan niet voldoende veilig op piping22. In het model zal dit in principe leiden tot een volledig ontwikkelde pipe en tot falen van de dijk. Een doorgaande pipe leidt tot falen van de dijk. Een toename van pipingrisico is dan ook niet meer mogelijk; de dijk kan niet méér falen. Een gedeeltelijke pipe kan wél langer worden, de vraag is of het risico daarmee ook toeneemt. Dit is ter beoordeling aan het bevoegd gezag.
[1] 22 ’t Hart, R., Fenomenologische beschrijving, faalmechanismen WTI. Deltares, 2016
41
Verval ten opzichte van kritiek verval Een andere manier om falen te kwantificeren is het optredend verval ten opzichte van het kritieke verval te beschouwen. Als het optredend verval even groot of groter is dan het verval benodigd voor een doorgaande pipe (het kritiek verval) faalt de dijk. In de Sellmeijer-sommen wordt daarbij nog rekening gehouden met een veiligheidsfactor, deze veiligheidsfilosofie ontbreekt in D-Geo Flow. Het model wordt immers alleen gebruikt wordt om situaties met elkaar te vergelijken en inzicht te geven. Wanneer de marge tussen optredend verval en kritiek verval kleiner wordt, dient het bevoegd gezag te beoordelen of daarmee het risico op piping ook groter wordt. Uitgangspunten, randvoorwaarden en resultaten van de effectanalyse De rekenregel van Sellmeijer biedt geen duidelijkheid over de mogelijkheid om in de uiterwaard de kleilaag te verwijderen. Op basis van de rekenregel van Sellmeijer is de mogelijkheid om in het voorland extra kwelweglengte mee te nemen beperkt. Op d.d. 11 juli 2018 is overleg geweest met Dhr. Blinde (KPR). In dit overleg is aangegeven dat in het voorland mogelijk scheuren kunnen ontstaat in de deklaag van 2 à 2,5 m diep, waardoor de doorlatendheid in het voorland toe zou kunnen nemen tot 10-3 m/s en kan een grote weerstand in het voorland in de huidige situatie niet gegarandeerd worden.
Op basis van de rekenregel van Sellmeijer (conform OI2014v4) voldoet de huidige situatie niet en zal de situatie na vergraving ook niet voldoen. Opbarsten van de deklaag is een vereiste voordat piping op kan treden. Om te verifiëren of dit plaatsvindt is in een opbarstberekening uitgevoerd. Hieruit volgt dat inderdaad opbarsten plaatsvindt. Om de berekeningen met D-Geo Flow op een goede manier uit te kunnen voeren is uitvoerig onderzocht en getest op welke manier de referentiesituatie en de vergraving geschematiseerd kunnen worden.
42
Figuur 6-3: De definitieve schematisaties voor de referentiesituatie (a), en vergravingen (b,c) bij Demen-Dieden. De vorm van de kritieke vervallen versus de lengte van de pipe is weergegeven in (d,e,f). Merk de ‘twee-traps’ vorm op voor scenario (a,b) wanneer een pipe onder een zwakke zone door wordt geschematiseerd. Toelichting op de schematisatie (a) Uiteindelijk is dit de schematisatie van de referentiesituatie geworden. De zwakke zone heeft een breedte van 25 meter, zodat dit overeenkomt met de breedte van een gridcel in het grondwatermodel, en een doorlatendheid van 5 m/dag (overige deklaagdelen K=0,05 m/dag). Daar het grondwatermodel is aangescherpt met lokale bodeminformatie, en dit nog steeds cellen geeft met deklaagdikten kleiner dan 2,5 meter, lijkt dit een veilige aanname die hier goed bij aansluit. Hier wordt nog eens benadrukt dat gekozen is om slechts één zwakke plek te schematiseren op 80 meter van de dijk, en dat uit aanwezige informatie ook tot een andere, conservatievere, schematisatie kan worden gekomen. Dit scenario is tweemaal doorgerekend. Eénmaal met een hoogwatergolf. Andermaal om het kritiek verval te bepalen. (b),(c) Er zijn twee schematisaties gemaakt voor de vergraven situatie. Ook hierbij geldt weer dat in de zone van 80 m rond de dijk eventuele extra intredepunten kunnen worden geschematiseerd op basis van de beschikbare bodemgegevens.
Met andere woorden, in deze situatie wordt ervanuit gegaan dat in de 80 meter zone geen doorlatende zones / intredepunten zijn. Opmerking: Na de vergraving wordt klei deels teruggeplaatst. Het is daarom beter om met schematisatie (b) te rekenen. Er is een aanname gedaan voor de weerstand die deze teruggebrachte klei biedt: 2 m/dag of 5 m/dag. Deze waarden zijn hoog voor ondoorlatende lagen. De resultaten van bovenstaande scenario’s zijn samengevat in tabel 6-6. Tabel 6-6: Samenvatting van de resultaten van de modelscenario's. Wzone = breedte van de zwakke zone, Lpipe = lengte ontstane pipe. Kzone en Kdek refereert naar de doorlatendheid van de zwakke zone en de intacte deklaag. LMHW, HMHW = lengte pipe en verval over de pipe bij gebruik van de hoogwatergolf. Lcrit, Hcrit = kritieke pipe-lengte en kritiek verval. 0,3 D is gelijk aan 66 cm. Scenario
Toelichting
Wzone
Kzone
Kdek
Lpipe
H+0.3D
Ratio MHWKritiek
LMHW
Lcrit
HMHW
Hcrit
Voor
referentiesituatie
25
5 m/d
0,05 m/d
12,5
54,3
4,36
6,26
1,4
Na
Na vergaving met
280
2 m/d, 5m/d
0,05 m/d
18,1
54,3
4,36
5,38
1,2
280
5 m/d, 5m/d
0,05 m/d
21,2
45,9
4,36
5,07
1,2
280
oneindig
0,05 m/d
44,7
44,7
4,16
4,16
1
doorlatendheid van de kleilaag van 2 m/dag Na
Na vergaving met doorlatendheid van de kleilaag van 5 m/dag
Na
Vergraving als gat met oneindige doorlatendheid
43
6.3.3
Effectbeoordeling Dijk
Scheppen van ruimte voor toekomstige dijkverhoging Er wordt niet gegraven in de zone tot 75 m uit teen van de dijk. Daarmee wordt voldaan aan ruimte voor een toekomstige dijkverhoging en/of -verbreding. Het project is daarmee niet beperkend voor een toekomstige dijkverhoging. Beheerbaarheid van de dijk gegarandeerd houden Er wordt niet gegraven of gewerkt in de zone tot 75 m uit de teen van de dijk. Het beheer van de dijk blijft daarmee goed mogelijk. Voorkomen risico op piping In de referentiesituatie ontwikkelt zich (met bovenstaande uitgangspunten) een gedeeltelijke pipe. Deze bereiken niet de kritische lengte en ook het kritisch verval wordt niet bereikt. De marge tussen het verval over de pipe (optredend verval) en het kritisch verval is 1,4. Na vergraving is de klei deels verwijderd. De doorlatendheid in dit gebied wordt dan (veel) groter. Het theoretische intredepunt ligt nog steeds op minimaal 80 m van de dijk. Een eventuele buitendijkse versterking is hierin niet meegenomen. Door de vergraving nemen de berekende pipe-lengtes toe en neemt de marge tussen optredend verval en kritiek verval af. In de twee realistische scenario’s ontstaat geen doorgaande pipe, alleen in het worst-case scenario is de pipe-lengte gelijk aan de kritieke lengte en het verval gelijk aan het kritiek verval. De berekende effecten leiden in de realistischere scenario’s niet tot falen van de dijk.
Wanneer de vergraving wordt gemodelleerd met een oneindige doorlatendheid wordt wel een kritieke pipelengte en kritiek verval bereikt. Omdat het intrede-punt op 80m een ‘veilige’ inschatting is - in werkelijkheid kunnen ook dichter op de dijk al scheuren in de deklaag ontstaan - wordt verwacht dat de vergraving niet doorslaggevend zal zijn in het wel of niet ontstaan van doorgaande pipes. Omdat de vergraving ook bijdraagt aan waterstandsdaling in de rivier en de technische maatregelen voor de dijkversterking ook de toename door de vergaving oplossen wordt het effect als neutraal beoordeeld. Integratie met de dijk tijdens de uitvoering is een kans: als bij dijkversterking zandlenzen zichtbaar worden, kunnen deze wellicht ‘gevuld’ worden met kleiige roofgrond (die ongeschikt is voor de keramische industrie). Dit heeft een positief effect op piping en grondwaterstroming onder de dijk door. Door de gefaseerde uitvoering van de vergraving gedurende 7 tot 10 jaar zijn er kansen om beide ontwikkelingen optimaal op elkaar te laten aansluiten. 6.3.4
Leemten in kennis en volgonderzoek dijk
Het onderzoek naar piping heeft zo goed mogelijk de effecten van de vergraving in beeld gebracht en gekwantificeerd. Het is echter onvoldoende duidelijk welke referentiesituatie en faalcriteria het waterschap hanteert, ook omdat geen veiligheidsfilosofie beschikbaar is voor de nieuwe rekenmethode D-Geo Flow. De vergelijking van huidige en toekomstige situatie kent dus
44
onzekerheden die met de huidige kennis en mogelijkheden van de beschikbare rekenmethoden niet volledig weggenomen kunnen worden. Vervolgonderzoek zal daarom eerder in de vorm van een inspectie- en monitoringsprogramma zijn dan extra modelberekeningen.
6.4
Effecten op de rivier
Tabel 6-7: Beoordeling aspecten thema Rivierkunde Thema
Aspect
Rivierkunde
Effecten op waterstanden Effecten op dwarsstroming Effecten op morfologie in de vaargeul Golfslag
Huidige situatie
Voorkeursontwerp
Maximale ruwheid
Maximale ontgraving
Separate uitvoering
0
++
-
++
-
0
-
x
x
x
0
0
x
x
x
0
0
x
x
x
De effecten op de rivier bestaan uit effecten op waterstanden, stroming, hinder voor de scheepvaart en golfslag. De rivierkundige beoordeling is gebruikt om de vergelijkingsvarianten te optimaliseren en zo tot een voorkeursontwerp te komen. Het voorkeursontwerp is de variant met een realistische vergraving en inrichting en leidt daarmee tot een haalbaar ontwerp met de meeste waterstandsdaling en slechts een beperkte opstuwing. 6.4.1
Huidige situatie rivier en autonome ontwikkeling
Het gebied dient in de huidige situatie voornamelijk agrarisch gebruik. In de autonome situatie zal hier niet veel aan veranderen en dus ook niet aan de invloed op de rivier. De geplande dijkversterking kan enig invloed hebben op opstuwing afhankelijk van hoe de dijk versterkt wordt. Door klimaatverandering worden daarnaast in de toekomst hogere rivierstanden verwacht in de winter, en lagere in de zomer. Hierdoor zal de uiterwaard naar verwachting verder opslibben en vaker overstromen dan in de huidige situatie. Voor de autonome ontwikkeling met klimaatverandering wordt voor rivierkunde gerekend met het model GRADE-Maas. In de huidige situatie is er op de Maas sprake van lokaal grote dwarsstromingen. Deze lijken het gevolg van ingrepen aan de noordzijde van de rivier (Batenburg). Lokale uitschieters in dwarsstroming worden vaak veroorzaakt doordat de normaallijn niet netjes de rivier volgt. In figuur 6-4 wordt de dwarsstroming bij Demen getoond zoals bij optimalisatieslag 6 (zie hoofdstuk 3) is berekend. Hierin valt op dat bij de geul Batenburg aan de rechteroever ook bij in- en uitstroom de dwarsstroomcriteria uit het RBK fors worden overschreden, namelijk een dwarsstroomdebiet van respectievelijk 170 en 90 m3/s.
We constateren daarmee dat uiterwaardverlagingen en geulen aan de andere zijde van de Maas vergelijkbare pieken in dwarsstroming laten zijn als het ontwerp van Demen-Dieden en dat in de referentiesituatie sprake is van dwarsstroming op de Maas.
45
Figuur 6-4: Dwarsstroming bij Demen. debietlijnen (wit, interval 25 m3/s) en dwarsstroming bij 2000 m3/s. Roze is normaallijn, oranje = dwarsstroming > 0,15 m/s, rood = dwarsstroming > 0,3 m/s.
6.4.2
Toetsingscriteria Rivierkunde
Rivierverruiming is niet het primaire doel, maar het project beoogt wél een proportionele bijdrage te leveren aan de verruiming van de afvoercapaciteit van hoogwaters. Daarom zijn verschillende vergelijkingsvarianten onderzocht en is, na een aantal optimalisaties, een voorkeursontwerp doorgerekend. Het rivierkundig onderzoek is gericht op de effecten van het plan op de verschillende (hoog)waterstanden, morfologie, en hinder voor de scheepvaart. Voor het onderzoek naar waterstanden, morfologie en hinder (dwarsstroming als gevolg van de aanleg van nevengeulen) wordt gebruik gemaakt van het rivierkundig beoordelingskader (RBK 4.0, zoals uitgeleverd door RWS op 23 januari 2017). Er wordt bij de toetsing gekeken naar zowel hoog- als laagwatersituaties. De effecten op golfslag worden beoordeeld door de berekende golfhoogtes in huidige situatie te vergelijken met de golfhoogtes na ontgraving.
46
De rivierkundige effecten zijn, samen met de eisen, weergegeven in tabel 6-8. Hierin wordt verwezen naar paragrafen in de rivierkundige rapportage. Tabel 6-8: Rivierkundige criteria Maas
Veiligheid Hinder – Schade
Te beoordelen effect
Eis
Maatregel in stroomvoerend deel rivier: MHW-stand op de as van de rivier
Geen waterstandsverhoging
Afvoer [m³/s] 4000
Maatregel in bergend deel rivier: volume waterberging
Geen vermindering bergend volume
NVT
MHW-stand buiten as van de rivier
Door beheerder waterkering geaccepteerde maximale toename waterstand nabij kering
4000
Waterstanden en/of inundatie-frequentie van de uiterwaard Stroombeeld in de uiterwaard
Door terreineigenaar geaccepteerde maximale verandering waterstanden, inundatiefrequentie Door terreineigenaar geaccepteerde verandering van grootte en richting stroomsnelheden
4000
Stroombeeld in hoofdgeul bij de aan- en aftakking van nevengeul
Geconcentreerde dwarsstroming < 50 m3/s: dwarsstroomsnelheid vaarweg ≤ 0,3 m/s; Geconcentreerde dwarsstroming > 50 m3/s: dwarsstroomsnelheid vaarweg ≤ 0,15 m/s of aantonen dat toename padbreedte schip t.g.v. dwarsstroom kleiner is dan ½B Verandering waterstand ter hoogte van inlaat
2000
Bij erosie: - geen verlaging gemiddelde bodemligging; - geen oevererosie; - beperkte ontgronding bij constructies per hoogwater;
2000
Instroomfrequentie Maas Aanzanding en erosie van het zomerbed (+ oevers)
4000
1500 1250 4000
1500 1250
Bij sedimentatie: - geen vermindering vaargeulafmetingen bij lage tot gemiddelde rivierafvoeren; - geen verhoging MHW op lange termijn;
Morfologie Aanzanding en erosie van uiterwaard en nevengeulen
In het algemeen: - beperkte hinder door baggeren en/of terugstorten en behouden veiligheid scheepvaartverkeer; - geen onacceptabele terugschrijdende erosie of sedimentatie i.v.m. risico verandering afvoerverdeling bij MHW of OLR. Bij sedimentatie: - beperkte sedimentatie t.o.v. beheerskosten; Bij erosie: - geen ongewenste zijdelingse verplaatsing van de nevengeul/ nevengeul minimaal 50 - 200 m van waterkering/ geen bodemerosie langs waterkering; - stroomsnelheid nevengeul bankfull < 0,3 m/s; geen bodemerosie langs waterkering
6.4.3
2000 1500 1250
Effectbeoordeling Rivier
Effect op waterstanden Het voorkeursontwerp realiseert een waterstandsdaling van circa 5 centimeter ten koste van een opstuwingspiek van 1,6 centimeter. Uit de verschillende berekeningen (optimalisatieslagen) blijkt dat dit een realistische variant is met de meeste waterstandsdaling. Deze waterstandsdaling levert dan ook een significante bijdrage aan de doelstelling van Meanderende Maas. Het effect is daarmee positief.
47
De effecten op de waterstanden voor de verschillende varianten zijn rivierkundig berekend is de ontwerpfase (zie paragraaf 3.8 en figuur 6-4). Hieruit blijkt dat alleen de variant ‘maximale vergraving’ een waterstandsdaling realiseert, bij de overige varianten is de opstuwing groter dan de daling. Vervolgens is de basisvariant geoptimaliseerd tot de voorkeursvariant. De voorkeursvariant is niet in dit figuur opgenomen maar staat in figuur 6-6.
Figuur 6-5: waterstandsdaling berekend voor de verschillende varianten Verschil modellen variantenstudie en vergunning Voor de variantenstudie Demen-Dieden is gebruik gemaakt van het model “Maas-beno_mknov15_5v4” waarbij gebruik is gemaakt van een rekenrooster met een resolutie van circa 40 meter. Dit model is aangepast met de maatregel “ma_uitdijk_a1” om het project Diedensche Uiterdijk mee te nemen in de schematisatie. Dit alles is afgestemd met Rijkswaterstaat om zo goed als mogelijk aan te sluiten op Ravenstein – Lith (Meanderende Maas). Later is gebleken dat Rijkswaterstaat voor de definitieve vergunningaanvraag eist dat gebruik wordt gemaakt van model “Maas-beno15_5-v4” met een rekenroosterresolutie van ongeveer 20 meter. Het verschil tussen deze twee modellen zit naast de resolutie van het rekenrooster in het feit dat in het eerstgenoemde model de Maaskades niet overstroombaar zijn, terwijl deze kades in het tweede model wel overstroombaar zijn. Dit leidt tot een iets andere uitkomst voor wat betreft de effecten die enkel het gevolg zijn van de verschillen in de modellen buiten het plangebied. In het MER zijn de effecten beoordeeld op basis van het model “Maas-beno_mknov15_5-v4”. De verschillen zijn zichtbaar in onderstaand figuur 6-3.
48
Figuur 6-6: waterstandsdaling berekend met verschillende modellen voor de voorkeursvariant. Door toevoegen van de vlonderbrug en verbeteren van de aansluiting met de Diedensche Uiterdijk is het uiteindelijke effect van de voorkeursvariant:
Waterstandsdaling: -4.891 mm Opstuwingspiek: 1.622 mm Gebruik van de zaagtand is mogelijk: netto waterstandsdaling
Dwarsstroming Dwarsstroming is niet berekend voor de vergelijkingsvarianten aangezien de waterstandsdaling bepalend is voor de effectbeoordeling. Uit de verschillende optimalisatieslagen is gebleken dat bij een ontwerp dat zoveel mogelijk geoptimaliseerd is binnen de ontwerpdoelen nog steeds een hoge dwarsstroming optreedt. Het ontwerp heeft daarom een negatief effect op dwarsstroming. De daadwerkelijke effecten op scheepvaart worden met bevoegd gezag afgestemd in de vergunningprocedure. De optimalisatie op dwarsstroming leidt tevens tot een verminderd MHW-effect. Opgemerkt dient te worden dat dwarsstroming in de gestuwde situatie niet aan de orde is. Daarbij zien we dat de referentiesituatie ook hoge dwarsstromingen heeft (o.a. Batenburg) die eveneens niet voldoen aan de eisen uit RBK.
49
Meanderende Maas Ook voor de gebiedsontwikkeling Meanderende Maas is onderzocht wat de rivierkundige effecten zijn (in de verkenningsfase). Uit de MER-rapportage23 blijkt dat het gerekend is met een debiet van 2.260 m3 – herhalingstijd 1/10 jaar, vergelijkbaar- met Demen-Dieden. Hierin is het ontwerp van Demen-Dieden ook opgenomen. In de rapportage is het volgende geconstateerd: ’Als gevolg van de geul van Demen-Dieden en de doorsteek bij Appeltern neemt op resp. rkm 184,2 en 189,7 de dwarsstroming richting de uiterwaard toe. Er kan nu namelijk water de geulen respectievelijk uit- en instromen wat dwarsstroming creëert, Deze dwarsstroming komt uit boven 0,15 m/s’. Opgemerkt wordt dat de beoordeling van de dwarsstroming bij Meanderende Maas is gedaan op de bakenlijnen (25 m uit de as van de rivier) waar de beoordeling voor dit plan is gedaan op de as van de rivier. De effecten van het ontwerp van Demen-Dieden zijn meegewogen in de volledige beoordeling van de 2 alternatieven Meanderende Maas (alternatief X scoort neutraal, alternatief Z scoort negatief). Het voorgestelde voorkeursalternatief is een combinatie van beide alternatieven en scoort op het aspect dwarsstroming neutraal. Daarmee wordt geconcludeerd dat, hoewel de ontwikkeling DemenDieden als zelfstandige ontwikkeling een negatief effect op dwarsstroming heeft, deze goed binnen de ontwikkeling Meanderende Maas past.
Morfologie De morfologische effecten zijn bepaald met de eerdergenoemde afvoeren met behulp van WAQmorf. Dit is conform RBK 4.0. Uit de beschrijving van het programma blijft dat de bruikbaarheid voor het model in dit geval op de grens zit. Uit de begeleidende tekst bij WAQ-morf: “WAQmorf is het meest geschikt voor de bepaling van morfologische effecten in het zomerbed ten gevolge van een rivier verruimende ingreep die (1) over een beperkte lengte de stroming in de hoofdgeul beïnvloedt en (2) relatief weinig water onttrekt aan de hoofdgeul.” En ook: “De resultaten zijn niet geldig voor combinaties van meerdere ingrepen, of een enkele ingreep over een traject van meer dan 4 km lengte!” Het plangebied Demen-Dieden heeft een lengte van 4,5 km, en zorgt voor een grote toename van het debiet over de uiterwaard. Dat betekent dat de resultaten van WAQ-morf met zorg moeten worden geïnterpreteerd, en dat vooral aan de absolute waarden van sedimentatie en erosie weinig aandacht besteedt moet worden. Wel geeft het resultaat een sterke indicatie of er wel/ geen significant effect optreedt. Uit de resultaten blijkt de sedimentatie en erosie in de vaarweg tot wel 2,2 meter kan bedragen. Hoewel het een forse ingreep is, zijn dergelijke cijfers niet realistisch. Wel moet geconcludeerd worden dat er significante morfologische effecten optreden, waarvoor nadere beschouwing nodig is.
Wanneer het model gebruikt wordt voor het zomerbed, waarvoor het bedoeld is, vind je een resultaat van 14 cm sedimentatie per jaar, dit bij een zomerbedverdieping van 1,5-3,0 meter over een lengte van 20 km. Omdat dit een veel forsere ingreep is dan een uiterwaardverlaging over 4 km
23
https://www.meanderendemaas.nl/wp-content/uploads/2020/01/DO2-233-R005-20-000.192Milieueffectrapport-MER-1e-fase-d02.pdf?v=3
50
kan worden verwacht dat de sedimentatie in de orde grootte van enkele centimeters per jaar bedraagt. Tevens is gekeken naar de verschillen in stroomsnelheid bij 1.250 m3/s. De maximale afname in snelheid bedraagt 0,1 m/s in het zomerbed. Op sommige plaatsen treedt er zelfs een beperkte toename op. Op deze locaties zijn dus geen sedimentatieproblemen te verwachten. Geconcludeerd wordt dat sedimentatie maximaal enkele centimeters per jaar zal zijn en alleen tussen km 185-186. Op de overige delen van het traject wordt geen sedimentatie verwacht. Golfslag Om inzichtelijk te maken of de uiterwaardvergraving invloed heeft op golfbelasting op de dijk is een vergelijking gemaakt tussen de golfbelasting in de huidige situatie en in de toekomstige situatie waarin de uiterwaard vergraven is. Daartoe zijn berekeningen uitgevoerd met Hydra-NL, waarin de significante golfhoogte Hs is bepaald. De golfhoogte is afhankelijk van verschillende parameters, onder andere de waterstand. Rivierverruimende maatregelen en toekomstige dijkversterkingen hebben invloed op de waterstand. Omdat op dit moment nog niet bekend is, hoe dit in de toekomst vormgegeven gaat worden, kunnen deze effecten nog niet bepaald worden.
De golfhoogtes die zijn berekend kunnen daarom alleen gebruikt te worden om inzichtelijk te maken wat het verschil is tussen de huidige situatie en de situatie waarin het voorland deels vergraven is. De golfhoogtes zijn berekend op twee plekken langs de dijk waarbij locaties zijn gekozen met een relatief lang voorland waardoor theoretisch de golven het hoogst kunnen worden. Uit de berekeningen blijkt dat bij een waterstand van 9,5 m +NAP de maatgevende golfhoogte optreedt en dat de golfhoogte bij het huidige voorland en het vergraven voorland (nagenoeg) gelijk is op beide plekken. Het effect op golfslag is neutraal. 6.4.4
Leemten in kennis en vervolgonderzoek rivier
Er is geen vervolgonderzoek noodzakelijk naar effecten op de rivier. 6.5
Effecten op grondwater
Tabel 6-9: Beoordeling aspecten thema Grondwater Thema
Aspect
Huidige situatie
Voorkeursontwerp
Maximale ruwheid
Maximale ontgraving
Separate uitvoering
Grondwater
Grondwaterkwaliteit
0
0
0
0
0
Grondwaterkwantiteitgrondwaterstandsverandering Grondwaterkwantiteitkwelflux
0
0
0
0
0
0
0
-
-
-
De waterhuishouding binnendijks kan beïnvloed worden door vergravingen aan de buitendijkse zijde. De weerstand van de deklaag wordt minder waardoor bij hoge waterstanden in de rivier de kwelflux in het binnenland toeneemt. Doordat grondwater onder de dijk door stroomt kan een pipe ontstaan (zie paragraaf 5.4 over pipingeffecten) maar door kwel kan ook wateroverlast aan binnendijkse zijde optreden. Door afgravingswerkzaamheden zou de intredeweerstand van het voorland kunnen
51
worden verlaagd waardoor risico op kwel groter wordt, dit terwijl het uitgangspunt is om toename van kwel in het achterland te voorkomen. De effecten op grondwaterstanden zijn daarom uitgebreid onderzocht. Effecten op grondwater bestaan uit effect op grondwaterkwantiteit (kwel, wateroverlast) en grondwaterkwaliteit (verontreinigingen). 6.5.1
Huidige situatie grondwater en autonome ontwikkeling
De huidige grondwaterstand is hoger dan het rivierpeil of het vergravingsniveau volgens het MORIAmodel. Door klimaatverandering worden daarnaast in de toekomst hogere rivierstanden verwacht in de winter, en lagere in de zomer. Bij hoogwater zal de flux onder de dijk door (kwel) toenemen. Bij laagwater zullen verdrogende effecten optreden in de uiterwaard. De huidige grondwaterkwaliteit is uiterwaarden en binnenland is niet onderzocht; er zijn ook geen aanleidingen om een verontreiniging te verwachten. 6.5.2
Toetsingscriteria grondwater
Om de effecten te kunnen toetsen heeft waterschap Aa en Maas beoordelingscriteria geformuleerd en bestuurlijk vastgesteld (bron: adviesnota voor het dagelijks bestuur d.d. 3 sep 2018): De grondwaterstandsverandering (GLG en GHG) mag maximaal 5 cm bedragen.
De dijkse kwelflux mag (bij een T=10 situatie) maximaal 2% toenemen.
Om de effecten ook in het bredere kader van de m.e.r. te beoordelen wordt ook gekeken naar de effecten op landbouw, gebouwen en infrastructuur en overlast. De thema’s zijn weergegeven in Tabel 6-10: Classificering effecten van het VKA op functies Deze classificering is mede gebaseerd op MER-trajecten van vergelijkbare uiterwaardvergravingen in de afgelopen jaren (MER Hemelrijkse Waard, MER Munnikenland en MER Millingerwaard). De classificering is gebaseerd op de adviesnota van Aa en Maas waarin de criteria zijn toegelicht. Tabel 6-10: Classificering effecten van het VKA op functies Thema
Classificering Negatief effect
Geen negatief effect
Natschade landbouw
> 5cm stijging GHG
< 5cm stijging GHG
Droogteschade landbouw
> 5 cm daling GLG
< 5 cm daling GLG
Zettingsrisico gebouwen en
> 5 cm waterstandsverandering bij
< 5 cm waterstandsverandering bij GLG
infrastructuur
GLG
Grondwateroverleg bebouwing
> 5 cm stijging grondwaterstand bij
< 5 cm stijging grondwaterstand of voldoende
GHG en onvoldoende drooglegging
drooglegging
Grondwateroverleg bebouwing, bij
> 5 cm stijging grondwaterstand of
< 5 cm stijging grondwaterstand of voldoende
T=10 hoogwatersituatie
voldoende drooglegging
drooglegging
* Het waterschap kent geen droogleggingseisen voor bebouwing. Voor woningen is een drooglegging van 0.7 of 1 m gebruikelijk. Voor woningen zonder kruipruimte kan een hogere grondwaterstand ook voldoende zijn.
52
6.5.3
Effectbeoordeling grondwater
Grondwaterkwaliteit De effecten op grondwaterkwaliteit zijn niet kwantitatief onderzocht. Tijdens de uitvoeringsfase mogen werkzaamheden vanzelfsprekend niet leiden tot verontreiniging van bodem of grondwater (zorgplicht uit de Wet bodembescherming en Wet milieubeheer). Er zijn geen verontreinigingen bekend binnen- of buitendijks. Beperkte toename van kwelstroom leidt daarom niet tot aantasting van de grondwaterkwaliteit binnendijks: het effect is neutraal. Grondwaterkwantiteit Grondwaterstandsverandering binnendijks Binnendijks zijn geen grondwaterstandseffecten groter dan 5 cm berekend voor de GLG of GHG. Dit criterium scoort daarom neutraal. Verandering van kwelflux Onder gemiddelde omstandigheden treedt geen toename van de kwelflux op, maar een afname. De afname bedraagt lokaal maximaal 0.6 mm/dag, maar is meestal in een orde van grootte van minder dan 0.05 mm/d. Tijdens een hoogwatersituatie T=10, neemt de binnendijkse kwelflux meer dan 2% toe. Dit aspect scoort daarom net negatief maar kan worden gemitigeerd door de gefaseerde uitvoering. Deze fasering is onderdeel van de realisatie, daarom is het aspect grondwaterkwantiteit neutraal beoordeeld. De toename van kwelflux leidt tot een toename van water en daarmee een extra belasting van de afvoercapaciteit. De toename is berekend op een totaal van 7.000 m³ tijdens een T=10 hoogwatergolf van ongeveer 10 dagen.
De toename van 7.000 m³ treedt met name uit bij de sloten en stroomt daarna via de Hertogswetering naar het gemaal Gewande (capaciteit 10 m³/s). Het oppervlaktewatersysteem wordt hierdoor tijdelijk iets sterker belast (lokaal 7 tot 15 %). Ten noorden van de Maas treden geen fluxverhogingen groter dan 0.5 mm/dag op. Effecten op landbouw In het binnendijkse gebied treden geen significante grondwaterstandveranderingen (> 5 cm) op onder gemiddelde droge en natte omstandigheden (GLG en GHG) als gevolg van het VKA. Significante effecten op de landbouw (droogte- dan wel natschade) treden derhalve niet op. Ook het zettingsrisico en het risico op grondwateroverlast onder GHG-condities worden daarom als neutraal beoordeeld. Effecten op bebouwing en grondwateroverlast In T=10 situaties worden direct achter de dijk bij de uiterwaard van Demen grondwaterstandverhogingen berekend tot maximaal 12 cm. Nu is aangehouden dat risico op grondwateroverlast kan optreden als de grondwaterstand ondieper ligt dan 0.7 m-mv. Onderstaande figuur 6-7 geeft ter plaatse van bebouwing de locaties weer waar (1) veranderingen van de grondwaterstand groter dan 5 cm optreden en (2) het grondwaterstandsniveau onder maaiveld berekend voor het VKA. Zichtbaar is dat op enkele plekken grondwaterstanden ondieper dan 70 cmmv voorkomen. De berekende toename van de grondwaterstand bedraagt hier maximaal 7 cm.
Of dit ook daadwerkelijk tot overlast leidt is niet bekend.
53
Figuur 6-7: links: grondwaterstandverandering bij een T=10 hoogwaterniveau bij bebouwing en rechts: de hoogte van de grondwaterstand onder maaiveld, berekend voor het VKA tijdens een hoogwater T=10
6.5.4
Leemten in kennis en vervolgonderzoek grondwater
Er zijn geen vervolgonderzoeken nodig op het gebied van grondwater ten behoeve van de geplande natuurontwikkeling in de uiterwaard. Wel wordt aanbevolen de huidige monitoring van grondwaterstand te continueren. Deze monitoring kan dan tevens gebruikt worden om binnendijks te beoordelen of er overlast optreedt in de omgeving bij hoge (T=10) grondwaterstanden.
54
6.6
Effecten op historische waarden
Tabel 6-11: Beoordeling aspecten thema Historische waarden Thema
Aspect
Historische waarden
Archeologie
Huidige situatie
Voorkeursontwerp
Maximale ruwheid
Maximale ontgraving
Separate uitvoering
0
0
0
0
0
Cultuurhistorie
0
+
0
-
0
Aardkundige waarden
0
0
0
-
0
De effectbeoordeling op historische waarden richt zich op archeologie en cultuurhistorie. 6.6.1
Huidige historische waarden en autonome ontwikkeling
Archeologisch In het vooronderzoek24 is vermeld dat er ten dele een middelhoge archeologische verwachtingswaarde in het plangebied is. Er bevinden zich in de bodem binnen het plangebied een tweetal fossiele meanderbochten en mogelijk archeologische restanten uit de (Vroege) Middeleeuwen. De Maas was in de (Vroege) Middeleeuwen nog niet bedijkt waardoor het plangebied bewoond kan zijn geweest. Naar verwachting bevinden de archeologische waarden zich met name bovenin het bodemprofiel (tot 0,3 m onder maaiveld). Er zijn geen andere archeologische waarden bekend. Op verzoek van de provincie zijn diepere boringen geplaatst (najaar 2019) om archeologische waarden in de oude geul te onderzoeken. Deze boringen zijn, in aanvulling op de eerder toegestuurde rapporten, beschikbaar gesteld aan de provincie. Cultuurhistorisch Karakteristieke eigenschappen van het landschap en tevens cultuurhistorische kenmerken in het gebied zijn de bakenbomen en het Lelyprofiel. De bakenbomen zijn in de jaren dertig van de vorige eeuw aangeplant ter aanduiding van de vaarweg bij hoogwater. De bakenbomen zijn inmiddels een voor het landschap langs de Maas karakteristiek kenmerk. In het Lelyprofiel zijn de effecten zichtbaar van de voorgenomen maatregelen, zoals ontgravingen van de uiterwaard om de doorstroming te bevorderen, die voortbouwen op de kanalisatie van de jaren ’30 naar plannen van Lely.
Aardkundige waarden Het westelijk deel van het plangebied is aangemerkt als aardkundig waardevol gebied (Figuur 6-8), volgens de Verordening Ruimte 2019 en weergave in de Cultuurhistorische waardenkaart van de Provincie Noord-Brabant (2016). Het gebied, de Diedensche Uiterdijk, strekt zich uit van Megen tot Dieden en is een mooi voorbeeld van een recente grote Maasmeander met duidelijk ontwikkelde typische fluviatiele landvormen (vnl. kronkelwaardruggen en restgeulen). Het kwetsbare microreliëf vormt de belangrijkste meerwaarde van deze aardkundige waarden. In haar Nota Landschapsbeleid25
24
Greenhouse Advies (2016): Gebiedsontwikkeling Demen Dieden. Bureauonderzoek archeologie, aardkundige waarden en cultuurhistorie. 25 Gemeentelijke nota Landschapsbeleid gemeente Oss, 2015
55
beschermt de gemeente Oss aardkundige waarden. De provinciale bescherming is vastgelegd inde Verordening ruimte Noord-Brabant (2019). Het uitgangspunt van gemeente en provincie is dat bestaand (micro)reliëf zoveel mogelijk behouden moet blijven.
Figuur 6-8: uitsnede van de themakaart cultuurhistorie uit de verordening ruimte Noord-Brabant (geconsolideerd januari 2019). Het gearceerde deel = aardkundig waardevol gebied, het roze deel = cultuurhistorisch vlak. 6.6.2
Toetsingscriteria historische waarden
Ten aanzien van archeologie gelden wettelijke eisen voor aantasting van archeologische waarden door vergraving. De gemeente Oss heeft beleid (o.a. Routekaart Groen, Blauw en Natuur) opgesteld om de bakenbomen te beschermen (via bestemmingsplan). De bakenbomen worden ook door Meanderende Maas en provincie Noord-Brabant als waardevol beschouwd. Aanplant van een nieuwe generatie is een optie, door de gemeente Oss zeer gewenst. Indien wordt gekozen voor herplant, dan zal dat plaatsvinden door het gelijktijdig tussenplanten van robuuste natuurlijke
56
riviergebonden soorten zoals de (inheemse) zwarte populier ná herinrichting (verlaging) van de oeverzone. 6.6.3
Effectbeoordeling historische waarden
In het vooronderzoek26 is vermeld dat er ten dele een middelhoge archeologische verwachtingswaarde in het plangebied is. Deze verwachtingswaarde heeft betrekking op archeologie uit de (Vroege) Middeleeuwen en werd vooral bovenin het bodemprofiel verwacht. Aanvullend op dit vooronderzoek is daarom een vervolgonderzoek27 gedaan in de vorm van een inventariserend booronderzoek. Er zijn tijdens het veldonderzoek geen archeologische indicatoren waargenomen die duiden op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. De archeologisch verwachting kan daarom naar beneden worden bijgesteld tot laag. De kans op het aantreffen van (onverstoorde) archeologische resten is klein. De voorgenomen ingrepen zoals beschreven in het voorkeursontwerp kunnen zonder archeologisch voorbehoud worden uitgevoerd. Daarmee scoort het voorkeursontwerp neutraal voor effecten op archeologie. Zoals eerdergenoemd blijven bakenbomen behouden. Daarnaast wordt het Lelyprofiel deels weer zichtbaar gemaakt. Aardkundige waarden zijn zoveel mogelijk gebruikt als uitgangspunt voor het ontwerp: waar mogelijk zijn oude structuren weer zichtbaar gemaakt. Daarom scoort het voorkeursontwerp positief op het gebied van cultuurhistorie: deze wordt niet aangetast, waar mogelijk worden oude structuren weer zichtbaar.
De variant ‘maximale ontgraving’ heeft een negatief effect op cultuurhistorie omdat hier de Lelylijn niet hersteld wordt en een negatief effect op aardkundige waarden omdat hier geen oude structuren zichtbaar worden gemaakt. De overige varianten zijn neutraal. 6.6.1
Leemten in kennis en vervolgonderzoek historische waarden
Er zijn geen vervolgonderzoeken nodig op het gebied van archeologische waarden. Indien tijdens de uitvoering alsnog onverwachte archeologische resten worden aangetroffen, dient hiervan direct melding gemaakt te worden bij het bevoegd gezag in het kader van de wettelijke meldingsplicht conform de Erfgoedwet.
26
Greenhouse Advies (2016): Gebiedsontwikkeling Demen Dieden. Bureauonderzoek archeologie, aardkundige waarden en cultuurhistorie. 27 Greenhouse Advies (2018): Archeologisch onderzoek Gebiedsontwikkeling Demen-Dieden. Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O). GRA-rapport 2018.19
57
6.7
Effecten op landschap en leefomgeving
Tabel 6-12: Beoordeling aspecten thema Leefomgeving en landschap Thema
Aspect
Leefomgeving en landschap
Woonkwaliteit
6.7.1
Huidige situatie
Voorkeursontwerp
Maximale ruwheid
Maximale ontgraving
Separate uitvoering
0
+
0
0
0
Ontsluiting
0
0
0
0
0
Landschapsbeeld/ Ruimtelijke kwaliteit
0
++
0
-
0
Huidige situatie
De beschrijving van het landschap en leefomgeving is uitgebreid opgenomen in paragraaf 2.2 en wordt hieronder herhaald. De landschappelijke hoofdstructuur van dit gebied wordt gevormd door het meanderend stroombed van de Maas met haar oeverwallen. De dorpen zijn op de oeverwallen nabij de rivier gesitueerd op en achter de dijken. De oeverwallen zijn tussen de dorpen relatief grootschalig, open, als gevolg van het agrarisch gebruik, met laanbeplante wegen en verspreid enkele kleine bosschages. In dit traject van de Maas liggen de uiterwaarden hoog, vaak hoger dan het land achter de dijk. In de uiterwaarden ontwikkelt zich steeds meer natuur waardoor deze minder strak en open worden zodat een meer begroeid en gevarieerd landschap ontstaat. Zo ontstaan uiterwaarden met afwisselend grazige en kruidige begroeiing met spontane ruigten en struwelen en zelfs plaatselijk ooibos. Het landgebruik in het plangebied Demen-Dieden wordt anno 2018 gekenmerkt door het agrarisch gebruik. Door de hoge ligging leent het buitendijkse land zich voor het verbouwen van bieten en mais en is het gebied nabij Demen als grasland in gebruik. De actuele natuurwaarden van de uiterwaarden zijn daardoor zeer beperkt. Alleen op de deels zandige, aangevulde oeverzones komen hier en daar enigszins soortenrijkere vegetaties voor.
De uiterwaard is in de loop der tijd hoog opgeslibd en overstroomt in de huidige situatie nog maar heel zelden (eens per 10 jaar). Cultuurhistorische waarden worden gevormd door de oorspronkelijke rivier, de oude dijken, de veerweg en de bakenbomen. De dijk bij Demen-Dieden is voorzien van een tuimelkade, dit is een smalle hogere kade op de dijk langs het water, en van een onderbroken markante laanbeplanting, zowel één- als dubbelzijdig.
58
Binnendijks tegen de dijk ligt een tweetal rabatbosjes. Het dijktracé is hier meanderend, tot de scherpe bocht bij Dieden, die de oude Maasmeander markeert. Bij Demen ligt, haaks op de stroomrichting van de Maas, de veerweg naar het pontje naar Batenburg. Deze veerpont vaart alleen in het toeristenseizoen. Aan weerszijden van de veerstoep liggen gegraven laagten met water, achter de stenen rivieroever. Op enkele plaatsen is de Lelyzone nog zichtbaar, maar door het intensieve gebruik als akker, vaak niet meer als zodanig te herkennen. De bakenbomen zijn voor het grootste deel nog aanwezig. De rivieroever is met stenen versterkt. Het plangebied Demen-Dieden start aan de oostzijde met de oude rivieroever, van de destijds bestaande Batenburgse meander. Aan de westzijde van het plangebied ligt het reeds in uitvoering zijnde project Diedensche Uiterdijk. Ook hier wordt reliëfvolgend ontkleid. Op een hoog deel van dit project is een bos ontwikkeld en is een dassenburcht aanwezig (die wordt gehandhaafd). De kasteellocatie hier is thans een agrarisch bedrijf. Van de dijk bij de kasteellocatie naar dit bos ligt een (landbouwkundige) ontsluiting. 6.7.2
Toetsingscriteria landschap en leefomgeving
De uitgangspunten voor landschap en leefomgeving zijn beschreven in paragraaf 3.1 en zijn als onderlegger gebruikt bij de totstandkoming van het voorkeursontwerp. Het ruimtelijk kwaliteitskader van Meanderende Maas28 is niet sturend geweest in de uitgangspunten en ontwerpkeuzes. De leidende principes voor Meanderende Maas zijn wel zoveel mogelijk ingepast in het ontwerp en vormen samen met de uitgangspunten het toetsingskader. De belangrijkste ambities en leidende principes uit het Ruimtelijk Kwaliteitskader Meanderende Maas zijn: - Vergroten van het contrast tussen meanders en Lelyzone - Reactiveren van oude Maasmeanders - Versterken van de eenheid binnen de dijken - Creëren van gezicht van en naar de Maas - Versterken recreatieve verbindingen en ruimtelijke en cultuurhistorische structuren - Versterken economische kracht en potentieel - De Maas als natuurverbinding met waardevolle uitwaard-natuur, met meerwaarde voor economische en maatschappelijke opgaven. Hoewel in het plangebied zelf geen woningen aanwezig zijn, wordt in dit MER wel aandacht besteed aan de impact op de omliggende woningen en de te gebruiken infrastructuur. Het gaat dan over effecten ten aanzien van geluid en luchtkwaliteit.
28
: https://www.meanderendemaas.nl/wp-content/uploads/2018/01/171101-RKK-Ravenstein-Lithdef.pdf?v=3
59
De effecten van geluid na realisatie worden kwantitatief beoordeeld. De effecten tijdens de realisatiefase zijn separaat beschreven in paragraaf 6.9. 6.7.3
Effectbeoordeling landschap en leefomgeving
Natuurontwikkeling in de uiterwaarden past in de landschappelijke hoofdstructuur van het gebied. Bovendien is er dan een duidelijk zichtbare samenhang tussen abiotische, biotische en antropogene omstandigheden. Om die reden versterkt natuurontwikkeling in plangebied Demen- Dieden het landschap. Op een lager schaalniveau is er ook sprake van een positief effect. Het huidige landschapsbeeld is agrarisch, is niet duidelijk als uiterwaard herkenbaar en heeft geen relatie met de rivier of met de abiotische of biotische ondergrond. Tevens heeft het huidig beeld daarmee weinig waarde voor natuur of recreatie. Na de uitvoering van het plan liggen de uiterwaarden lager, worden zij directer door de rivier beïnvloed en ontwikkelt het gebied zich als natuurgebied. Dit is vanaf de dijk, vanaf het water en vanuit de aangrenzende bebouwing een grote, zichtbare verandering. De verandering is onomkeerbaar. Tijdens de uitvoering is het effect niet positief, de graafactiviteiten zijn goed zichtbaar: het landschap verandert tijdelijk in een vergraven gebied, met een tijdelijke werkweg (rijplaten), bovengrond op lage ruggen geschoven en een terrein met verschillende maaiveldhoogtes.
Het eindbeeld als natuurontwikkelingsgebied heeft een positief effect op de ruimtelijke kwaliteit, de leefomgevingskwaliteit, en een positief beeld vanuit de woonkwaliteit (woningen krijgen een ander uitzicht, de toegang tot natuurrecreatie alsmede tot de rivier wordt eenvoudiger: struinen is overal toegestaan). Doordat cultuurhistorische structuren zoals bijvoorbeeld de Lelyzone als aanleiding worden genomen voor de herinrichting, worden deze plaatselijk duidelijker zichtbaar. Hierdoor wordt de leesbaarheid van het landschap versterkt. De molenbiotoop van korenmolen Stella Polaris, die buiten het plangebied binnendijks van de Maasdijk bij Demen ligt, wordt niet aangetast. De ontsluiting naar de veerpont blijft behouden en wordt daarmee neutraal beoordeeld. De beleving van de rivier en de uiterwaard, alsmede van de route naar de veerpont wordt aanzienlijk groter. Aandachtspunten in het ontwerp vanuit de ambities en leidende principes uit het Ruimtelijk Kwaliteitskader: 1.
Vergroten van het contrast tussen meanders en de Lelyzone het behoud van het kanaalkarakter bij Demen; de zichtbaarheid van de Lelyzone versterken bij Dieden; behoud bakenbomen op kleine ruggen die in de stroomrichting liggen, er is ruimte op het nieuwe maaiveld om eventueel nieuwe bomen aan te planten; de overgang van de onvergraven zone langs de dijk naar het vergraven deel wordt vormgegeven met een talud van 1:4, er wordt een nieuwe “Lelyzone’ gecreëerd. 2. Reactiveren oude Maasmeanders binnen dit plangebied zijn strikt genomen geen oude meanders aanwezig
60
3.
4.
5.
6.
7.
wel is op basis van oude kaarten de ligging van de nieuwe geulen gekozen en eer aan gedaan. Versterken van de eenheid binnen de dijken de dijk is geen onderdeel van het plangebied; het voorland van de dijk wordt eenduidig vormgegeven met een 1:4 talud vanaf de onvergraven zone (tot 75 m uit de teen van de dijk) naar de verlaagde uiterwaard. Creëren van gezicht van en naar de Maas in het ontwerp is er ruimte voor zichtlijnen, zoals het zicht op Batenburg vanaf Demen door de instroomopening van de geul; in de smalle uiterwaard is weinig ruimte voor ooibosontwikkeling. In het smalste deel wordt gemaaid om de doorstroming bij hoogwater te garanderen. Versterken recreatieve verbindingen en ruimtelijke en cultuurhistorische structuren het gehele gebied zal worden opengesteld voor wandelen. Hiermee sluit het prima aan op de oostelijk gelegen Middelwaard, waar nu al volop gewandeld wordt. de geulen bieden mogelijkheden voor de kano, waarmee er een aantrekkelijk alternatief voor de Maas wordt geboden. Gemotoriseerde vaart is niet mogelijk in het gebied, dit om overlast voor natuur en de omgeving te beperken. Het fiets- en voetveer Demen-Batenburg blijft behouden, zodat er een mooie verbinding met de Gelderse zijde blijft.
Met de detailuitwerking is er aandacht voor de leesbaarheid van het landschap, bijvoorbeeld een oude kade, ligging geul, beter zichtbaar maken van de Lelyzone, locatie voormalig kasteel (Heerlijkheid Dieden). Versterken economische kracht en potentieel er is een directe economische opbrengst door het afgraven van klei voor de keramische industrie, een vorm van circulaire economie; daarnaast krijgt het landschap een kwaliteitsimpuls, waardoor het gebied aantrekkelijker wordt om te recreëren en wonen. Dit heeft naar verwachting een positief effect op de lokale ondernemers. De Maas als natuurverbinding met waardevolle uiterwaard-natuur, met meerwaarde voor economische en maatschappelijke opgaven Demen-Dieden is een schakel aan een lange ketting van uiterwaarden langs de Maas, allen onderdeel van het NNB. Het sluit aan op de twee naastgelegen natuurlijk (bijna) ingerichte uiterwaarden, maar ook het gebied Batenburg aan Gelderse zijde; door de samenwerking met de verschillende partners, publiek en privaat, worden meerdere doelen gerealiseerd, belangrijk voor economie en maatschappij. Bij de planontwikkeling, maar ook straks in de uitvoering wordt de omgeving nauw betrokken bij wat er in hun ‘voortuin’ gebeurt.
Woonkwaliteit De effecten op woonkwaliteit worden beschreven in termen geluidoverlast en effect op luchtkwaliteit. Naar verwachting is het aantal verkeersbewegingen van en naar deze parkeerplaatsen zeer beperkt aangezien extensieve recreatie van ondergeschikt belang is aan de natuur. De geluidbelasting als gevolg van de verkeersbewegingen van en naar de parkeerplaatsen is verwaarloosbaar. De geluidbelasting tijdens de gebruiksfase wordt daarom niet nader beschouwd.
61
De effecten op luchtkwaliteit in de gebruiksfase zijn niet kwantitatief onderzocht. Uit de kwalitatieve beoordeling blijkt dat de extensieve recreatie naar verwachting niet zal leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit van meer dan 3%. Ontsluiting De bereikbaarheid van woningen langs het plangebied verandert niet door de ontwikkeling DemenDieden. Het uiterwaardengebied wordt beter bereikbaar (o.a. door aanleg parkeerplaatsen op twee plekken). De varianten scoren neutraal op de effecten op leefomgeving. De varianten hebben geen meerwaarde voor woonkwaliteit of ontsluiting. De voorkeursvariant voegt wel duidelijk kwaliteit toe aan het landschapsbeeld. De maximale ontgraving wordt op dit laatste aspect juist negatief beoordeeld doordat de ambities uit het ruimtelijk kwaliteitskader niet worden gerealiseerd (onder andere de Lelyzone, oude structuren, maasmeanders zijn niet meer zichtbaar). 6.7.4
Leemten in kennis en vervolgonderzoek landschap en leefomgeving
Vervolgonderzoek is niet nodig. De effecten zijn voldoende in beeld.
6.8
Effecten op bodemkwaliteit
Tabel 6-13: Beoordeling aspecten thema Bodem Thema
Aspect
Bodem
Bodemkwaliteit Omvang grondverzet
Huidige situatie
Voorkeursontwerp
Maximale ruwheid
Maximale ontgraving
Separate uitvoering
0
+
+
+
+
0
++
++
+
0
Het plan mag geen nadelige effecten hebben op de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Aan de andere kant is een voldoende bodemkwaliteit een randvoorwaarde voor de (financiële) haalbaarheid van het plan, zonder goede bodem is de kleiwinning en hergebruik van de rooflaag niet mogelijk. 6.8.1
Huidige bodemkwaliteit en autonome ontwikkeling
In het gebied zijn geen verontreinigingen bekend. De kwaliteit van de rooflaag is naar verwachting aangetast door opslibbing vanuit de rivier29. In de referentiesituatie zal de bodemkwaliteit niet veranderen. 6.8.2
Toetsingscriteria bodemkwaliteit
Tijdens de ontwerpfase is gezocht naar een ontwerp waarbij klei wordt gewonnen door reliëfvolgend ontgraven. In de toelichting op het voorkeursontwerp is reeds toegelicht dat, om aan alle doelstellingen te kunnen voldoen, niet alle klei wordt vergraven. De hoeveelheden vrijkomende
29
Lievense (februari 2019) Rapportage waterbodemonderzoek
62
gronden zijn door MeetBV als volgt vastgesteld (op basis van de kleidiktemetingen en het ontwerp) voor de volgende bodemklassen: Roofgrond (kleiige grond, klasse B): ± 230.000 m3 Klei (vermarktbaar, klasse A) *: ± 1.300.000 m3 Zand (schoon): ± 140.000 m3 * Wanneer rekening wordt gehouden met 15% ongeschikte klei (bijvoorbeeld door visuele bijmengingen) is het volume ± 1.100.000 m3. Deze hoeveelheid is te optimaliseren door het uitwisselen van niet-vermarktbare bovengrond, klei en zand tegen keramische klei. Grond van uiterwaarden (winterbed) wordt beschouwd als waterbodem. Voor het plangebied is een waterbodemkwaliteitskaart30 opgesteld. Wanneer deze door het bevoegd gezag (Rijkswaterstaat) wordt vastgesteld, geeft deze kaart niet alleen informatie over de verwachte milieuhygiënische kwaliteit van de waterbodem maar tevens de mogelijkheden om (roof)grond opnieuw te gebruiken binnen het gebied. De waterbodemkwaliteitskaart toont aan dat de rooflaag dient de worden beschouwd als klasse B en dat de onderliggende kleilaag klasse A is. Daar waar in de ondergrond zand aanwezig is, is dit schoon (altijd toepasbaar). 6.8.3
Effectbeoordeling bodemkwaliteit
Bodemkwaliteit In alle gevallen zal de bodemkwaliteit na ontgraving gelijk (door gebruik van roofgrond) of beter zijn (doordat de schone ondergrond bloot komt te liggen). Omdat binnen het plangebied klei vrij zal komen die een goede milieuhygiënische kwaliteit heeft en daardoor vermarktbaar is én omdat de roofgrond grotendeels hergebruikt kan worden scoort het thema bodemkwaliteit positief. Hergebruik rooflaag De kleiige rooflaag (waterbodemkwaliteitsklasse B) kan zonder aanvullende onderzoeken worden hergebruikt binnen het projectgebied. Deze toplaag zal, ook na realisatie van de natuurontwikkeling, als rooflaag worden gebruikt. Het bevoegd gezag Bbk (Rijkswaterstaat Zuid-Nederland) zal moeten beoordelen of dergelijk hergebruik past binnen het kader van de ‘op-en-nabij regeling’ uit het Besluit bodemkwaliteit. Afvoer van keramische klei Klei geschikt voor de keramische industrie wordt afgevoerd naar een steenfabriek. Hergebruik van klei De klei binnen het projectgebied kan ook binnen het gebied worden gebruikt. Dit kan ook de buitendijkse zijde van de dijkbekleding zijn (zolang die onderdeel is van de waterbodem). De kwaliteit van de klei is klasse A. Dat betekent dat deze klei binnen het gebied van de waterbodemkwaliteitskaart kan worden toegepast dan wel hergebruikt op andere kleilagen (ook op de rooflaag). Ten aanzien van PFAS zijn er geen aanvullende eisen.
30
Lievense (februari 2019). Rapportage waterbodemkwaliteitskaart
63
Hergebruik van zand Binnen de natuurontwikkeling komt niet veel zand vrij. Overtollig ontgraven zand wordt binnen het gebied hergebruikt. Het zand is schoon en kan overal binnen het gebied worden gebruikt of toegepast. Het is aan het bevoegd gezag om te beoordelen of er sprake is van hergebruik (geen melding Bbk) of toepassing (wel melding Bbk). Het zand kan ook worden afgevoerd. Ten aanzien van PFAS zijn er geen aanvullende eisen. Verdachte locaties en uitzonderingen De waterbodemkwaliteitskaart is niet geldig voor ophogingen, dempingen of verhardingen. Grondverzet kan daarom niet worden gemeld met deze waterbodemkwaliteitskaart als milieuhygiënische verklaring. Tijdens het verzamelen van data (veld- en analyseresultaten) zijn in enkele monsters sterk verhoogde gehalten aangetroffen. De analyse van de gegevens voor de waterbodemkwaliteitskaart toont echter aan dat er geen puntverontreinigingen in het gebied zijn aangetoond. Verder onderzoek naar deze hogere gehalten is dan ook niet noodzakelijk. Omvang grondverzet De omvang van het grondverzet is positief wanneer zoveel klei wordt gewonnen dat het project zowel de doelstellingen op gebied van natuurontwikkeling ondersteunt als de financiële haalbaarheid borgt.
Met de geraamde hoeveelheid vermarktbare klei, ruim 1,1 miljoen m3, is het project financieel uitvoerbaar: de klei wordt vermarkt (keramische industrie, mogelijk ook voor dijkversterking), de roofgrond wordt hergebruikt en het zand wordt hergebruikt of afgevoerd. Voor de voorkeursvariant en de varianten maximale ruwheid, separate uitvoering is de omvang van het grondverzet (zeer) positief. Bij separate uitvoering is meer op- en overslag van grond nodig, deze variant scoort daarom positief, de voorkeursvariant en de maximale ruwheid scoren zeer positief. Bij de maximale ontgraving zal meer klei vrijkomen, maar minder natuurontwikkeling mogelijk zijn (het gebied is dan minder divers). Daarom scoort deze variant neutraal.
6.8.4
Leemten in kennis en vervolgonderzoek bodemkwaliteit en grondverzet
Vervolgonderzoek is niet nodig. De effecten zijn voldoende in beeld.
64
6.9
Hinder en veiligheid tijdens de uitvoering
Tabel 6-14: Beoordeling aspecten thema Hinder en veiligheid tijdens uitvoering Thema
Aspect (alleen tijdens uitvoering)
Hinder en veiligheid tijdens uitvoering
Geluid
6.9.1
Huidige situatie
Voorkeursontwerp
Maximale ruwheid
Maximale ontgraving
Separate uitvoering
0
0
0
0
0
Luchtkwaliteit
0
0
0
0
0
Veiligheid
0
0
0
0
0
Leefomgeving en Landschap
0
-
-
- -
-
Huidige en autonome situatie
In de huidige situatie heeft het plangebied de bestemming ‘agrarische met waarden – Landschap en natuur’ of de bestemming ‘natuur’. Het landgebruik in het plangebied Demen-Dieden wordt gekenmerkt door het agrarisch gebruik. Er vinden geen akoestisch relevante activiteiten plaats31. In de autonome ontwikkeling verandert dit niet. 6.9.2
Toetsingscriteria Uitvoering
De werkzaamheden worden, in ieder geval voor de gronden van Natuurmonumenten, in gelijke tred met de afzetmogelijkheden van de klei uitgevoerd. Ontgraven terreindelen worden na maximaal 3 jaar definitief opgeleverd naar tevredenheid van de opdrachtgever. De werkrichting is in principe van west naar oost. De totale uitvoering neemt circa 7 tot 10 jaar in beslag: afhankelijk van de markt. In de uitvoeringsfase is de uiterwaard deels niet toegankelijk. In het geluidbeleid van de gemeente Oss is het ambitieniveau van 50 dB(A) voor het langtijdgemiddelde voor het betreffende gebied opgenomen met een bovengrens van 70dB(A), waaraan kan worden getoetst. Er wordt kwalitatief beoordeeld op de aspecten binnen het thema externe veiligheid, waaronder ongevalskansen van gevaarlijke transporten over water.