Bijlage 10 mer aanmeldnotitie
Tekst van het document
In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: -
schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen.
Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. ‘ Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Keur Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling ‘Obrechtstraat/Palestrinastraat Oss- 2024’ Pittiger in planologie
28
De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebodsen verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: - Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; -
Voorkomen van vervuiling van water;
-
Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt:
-
1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Afvoer Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied.
Gemeentelijk beleid Conform het gemeentelijk beleid geldt de vereiste dat bij nieuwe plannen 25 mm van de verharding (inclusief bebouwing) moet worden gecompenseerd. In geval sprake is van
Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling ‘Obrechtstraat/Palestrinastraat Oss- 2024’ Pittiger in planologie
29
meer dan 500 m2 toename van verharding gelden voor het totaal de vereisten van het waterschap. Toetsing Hemelwater Het plangebied valt buiten de door het waterschap ruimtelijk begrensde waterbelangen. Dit komt onder andere omdat in het plangebied geen watergang aanwezig is, ook is geen sprake van een beschermingszone of andere relevante zaken waarmee rekening moet worden gehouden. Verder is het plangebied op dit moment volledig verhard, waardoor geen sprake is van toename van verharding en de Keur op basis daarvan niet van toepassing is voor wat betreft eisen in het kader van hemelwaterberging. Conform het gemeentelijk beleid geldt voor het plangebied een compensatieplicht voor hemelwaterberging, omdat sprake is van een herontwikkeling (nieuw plan). Dit betekent dat voor alle verharding in de toekomstige situatie 25 mm per m2 verhard oppervlak aan hemelwater tijdelijk moet worden geborgen in het plangebied. In de nieuwe situatie gaat het om circa 10.000 m2 verhard oppervlak en 7000 m2 niet verhard oppervlak. Dit resulteert in een bergingsopgave van 250 m3. Om deze bergingsopgave te realiseren is in het plangebied voldoende ruimte voor wadi’s in de geplande pocketparks (onderdeel van de 7000 m2 aan niet verhard oppervlak) in combinatie met de toepassing van sedumdan wel groene daken.
Om te borgen dat van al het verhard oppervlak 25 mm per m2 wordt geborgen wordt geadviseerd om in de regels van het nieuwe bestemmingsplan hiervoor een voorwaardelijke verplichting op te nemen. Afvalwater Aangaande de afvoer van afvalwater is de gemeente bevoegd gezag. Er moet gescheiden (afvalwater apart van overstort/ overloop hemelwater) worden aangeboden. De initiatiefnemer is ervoor verantwoordelijk dat hij een dwa (droogweerafvoer) rioolstelsel aanlegt. Daarnaast is hij ervoor verantwoordelijk dat dit wordt aangesloten op het hoofdriool. Hierbij is hij ook aan zet voor de daarvoor benodigde voorzieningen en de eventueel benodigde aanpassingen op de bestaande voorzieningen buiten het plangebied. Een en ander ter realisering en aansluiting in overleg met de afdeling IBOR van de gemeente Oss. Voor de te realiseren rioolaansluiting moet de initiatiefnemer (i.h.k.v. de Wet milieubeheer) advies vragen bij het waterschap en een aansluitvergunning aanvragen. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen. 3.8 Archeologie en cultuurhistorie De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden.
Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling ‘Obrechtstraat/Palestrinastraat Oss- 2024’ Pittiger in planologie
30
In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt. Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees archeologische resten) net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: -
vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. bescherming van stads- en dorpsgezichten.
Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen, zoals de Wabo en het Bro. 3.8.1 Archeologie Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente is het plangebied als (middel)hoge archeologische verwachtingswaarde aangeduid. Volgens het gemeentelijke archeologiebeleid geldt voor gebieden met deze verwachtingswaarde dat er (in beginsel) een onderzoekverplichting is bij projectgebieden groter dan 100 m2 binnen een aaneengesloten, onverstoord gebied van 0,5 ha en bij bodemingrepen dieper dan 30 cm. In de toelichting van het vigerende bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Euterpelaan Oss 2013’ wordt onder het aspect archeologie echter geconstateerd dat dit bestaande gebied nagenoeg geheel bebouwd en dus reeds verstoord is. Aansluitend wordt geconcludeerd dat daarmee de archeologische verplichting vervalt. In de vigerende situatie is op dit moment dan ook geen dubbelbestemming ter bescherming van eventuele archeologische waarden van kracht. Concreet betekent dit dat er, ook al wordt er meer dan 100 m2 dieper dan 30 cm geroerd, geen noodzaak is tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek.
3.8.2 Cultuurhistorie In het plangebied is geen sprake van cultuurhistorische waarden. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de aspecten archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen vormen voor het planvoornemen.
Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling ‘Obrechtstraat/Palestrinastraat Oss- 2024’ Pittiger in planologie
31
3.9 Geurhinder industrieel Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: - als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; - als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniek-principe; - de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing.
Het enige bedrijf in de nabijheid van het plangebied dat mogelijk industriële geurhinder veroorzaakt is Dalco Food en het daar nabij gelegen bedrijf Halal Food. Voor deze bedrijven is in het kader van de ontwikkeling aan Corellistraat 10 (voormalige laboratoriumschool), eveneens een transformatielocatie op Bedrijventerrein Euterpelaan, een onderzoek naar industriële geurhinder uitgevoerd. Ter plaatse van de op zeer korste afstand hiervan gelegen planontwikkeling aan Corellistraat 10 blijkt geen sprake te zijn van geurhinder. Het is op basis hiervan aannemelijk dat op veel verder weg gelegen afstand van Dalco Food en Halal Food ter plaatse van onderhavig planvoornemen eveneens geen sprake is van geurhinder. Geurhinder ten gevolge van industriële bedrijvigheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 3.10 Trillingen Het plangebied ligt nabij de spoorlijn ’s-Hertogenbosch – Nijmegen. Het treinverkeer over deze spoorlijn kan gepaard gaan met trillingen. Realisatie van het planvoornemen brengt de bouw van woningen met zich mee, die worden aangemerkt als trillingsgevoelige objecten. In Nederland bestaat geen wet voor het voorkomen van hinder of schade door trillingen. Het aspect trillingshinder is echter wel een aandachtspunt in het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’ in de zin van de Wro. Hiervoor wordt een aantal richtlijnen en beleidsregels gebruikt.
Voor het planvoornemen is de richtlijn van de Stichting Bouwresearch (SBR) van augustus 2006 van belang, meer specifiek Richtlijn deel B ‘Hinder voor personen in gebouwen door trillingen, Meet-en beoordelingsrichtlijn’ (SBR B). Deze richtlijn is ook de basis van de toetsing zoals voorgesteld in de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen van het Ministerie van I&W
Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling ‘Obrechtstraat/Palestrinastraat Oss- 2024’ Pittiger in planologie
32
van mei 2019. De tabel hieronder toont de van toepassing zijnde streef- en grenswaarden conform de SBR B (nieuwe situaties, herhaald voorkomende trillingen).
Volgens de SBR dient de maximale trillingssterkte Vmax in eerste instantie getoetst te worden aan A1. Indien hieraan voldaan wordt is sprake van een acceptabele situatie. Indien niet wordt voldaan aan A1 dient de maximale trillingssterkte getoetst te worden aan A2. Bij overschrijding van A2 is sprake van een conform SBR hinderlijke situatie. In het geval dat wordt voldaan, dient de trillingssterkte over de beoordelingsperiode voor de betreffende ruimte (Vper) getoetst te worden aan A3. Bij overschrijding van A3 is wederom sprake van een conform SBR hinderlijke situatie. Opgemerkt wordt dat de streefwaarden van de SBR in principe geen wettelijke grenswaarden zijn. Volledigheidshalve de kanttekening dat het voldoen aan de streefwaarden van de SBR niet inhoudt dat geen sprake zal zijn van voelbare trillingen. De waarde van 0,1 wordt normaliter gezien als de voelbaarheidsgrens. Een streefwaarde van Vmax van 0,2 in woningen sluit derhalve niet uit dat bepaalde passages voelbaar kunnen zijn. Het planvoornemen ligt op 125 meter afstand van de spoorlijn ’s-HertogenboschNijmegen en bevindt zich daardoor binnen het standaard aandachtsgebied, waar conform de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen van het Ministerie van I&W (mei 2019) nader onderzoek naar trillingshinder wenselijk is.
In april 2022 heeft M+P conform de vereisten zoals opgenomen in de Richtlijn deel B ‘Hinder voor personen in gebouwen door trillingen, Meet-en beoordelingsrichtlijn’ (SBR B) een onderzoek naar mogelijke trillingshinder uitgevoerd. Het onderzoek kent de navolgende conclusie: “Op basis van berekeningen kan geconcludeerd worden de kans op trillingshinder ten gevolge van railverkeer bij het hier onderzochte plandeel Euterpepark nihil is.” Trillingen vormen geen belemmering voor het planvoornemen.
Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling ‘Obrechtstraat/Palestrinastraat Oss- 2024’ Pittiger in planologie
33
4. Conclusie Zoals weergegeven aan het begin van deze notitie dient in de m.e.r.-aanmeldnotitie aandacht te worden besteed aan de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten. De criteria luiden als volgt: - kenmerk van de activiteit; - plaats van de activiteit; - kenmerken van de potentiële effecten (in samenhang met bovenstaande omstandigheden). Deze aspecten zijn in voorgaande hoofdstukken aan bod gekomen en hieruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet van negatieve invloed is op de omgeving. Tevens volgt uit de beschrijving van de te verwachten milieueffecten die zijn opgenomen in hoofdstuk 3 dat de realisatie van de beoogde woningen niet zal leiden tot belangrijke negatieve milieugevolgen. Ook cumulatie is niet aan de orde. Op basis van voorgaande beoordeling wordt geconcludeerd dat de beoogde realisatie van het planvoornemen, gezien de kenmerken, plaats en potentiële effecten geen belangrijke negatieve milieueffecten veroorzaakt. Er bestaat derhalve geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een m.e.r-procedure dan wel formele m.e.r.-beoordelingsprocedure.
Op basis hiervan wordt het bevoegd gezag dan ook geadviseerd om een m.e.r.beoordelingsbesluit te nemen waarin wordt afgezien van het opstellen van een milieueffectrapport ofwel het doorlopen van een formele m.e.r.-beoordelingsprocedure voor onderhavige ontwikkeling.
Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling ‘Obrechtstraat/Palestrinastraat Oss- 2024’ Pittiger in planologie
34