CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 bij toelichting rob Beemdenweg 2a 2b Herpen.PDF

Adviescommissie Ruimte 20 mei 2021, gemeente OssBij agendapunt: BII Tervisielegging ontwerpbestemmingsplan Ontwikkelingen 2 Buitengebied Oss - 202122.364 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Afbeelding 15: uitsnede kaart Iov, kaartlagen paragraaf 3.2.3 (bron: viewer 01-03-2020)

4.3.2

Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en provinciale verordening. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Rijntakken; Sint Jansberg; De Bruuk; Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000beheerplannen.

Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden.

Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen

27

Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Rijntakken, dat op een afstand van circa 12,4 kilometer ligt. In het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ is een stikstofregeling opgenomen met als doel te voorkomen dat dat plan kan leiden tot mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden. De regeling bestaat uit een detaillering van het doel 'uitoefening van het agrarisch bedrijf' binnen de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap’, waarmee getracht is ontwikkelruimte te bieden aan afzonderlijke agrarische bedrijven zonder dat er sprake is van een toename van de (in dit geval) natuur vergunde stikstofdepositie. Voorliggend agrarisch bedrijf op de locatie Beemdenweg 2a/2b in Herpen is opgenomen in de tabel in bijlage 9 behorende bij de stikstofregeling waarmee de natuurvergunning(en) van het bedrijf zijn vastgelegd. Hiermee is geborgd dat eventuele toekomstige wijzigingen in het project passen binnen het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’. Door voor deze deellocatie van het veegplan gebruik te maken van de regels en verbeelding van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ wordt op dezelfde geborgd dat het plan niet kan leiden tot mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht Het bedrijf is in het bezit van een Natuurbeschermingswetvergunning voor de huidige activiteiten.

De Natuurbeschermingswetvergunning (zaaknr. 2012-009347) is op 5 november 2012 afgegeven door de Provincie Gelderland en op 29 augustus 2013 (verzenddatum 5-09-2013) door de provincie NoordBrabant (zaaknr. C2077276/3454254). Deze stikstofrechten zijn tevens vastgelegd in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss 2020’ in bijlage 9 Tabel ‘Stikstofrechten’. Het beoogde initiatief betreft een vormverandering van het bestaande bouwvlak. De vormverandering heeft geen negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden. Er is immers geen sprake van oprichting, wijzing of uitbreiding het dierenverblijf. Daarnaast vinden er ook geen bouwwerkzaamheden plaats. Wanneer in de toekomst een eventuele uitbreiding of wijziging van het dierenverblijf plaatsvindt zal er ten behoeve van de aanvraag omgevingsvergunning getoetst moeten worden of de beoogde activiteiten geen negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Dit gebeurt middels het rekenprogramma AERIUS waarmee de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden wordt berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Omdat er geen sprake is van een oprichting, wijziging of uitbreiding een dierenverblijf of bouwwerkzaamheden is er geen sprake van een wijziging en/of toename van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000gebieden.

Een nadere uitwerking of berekening middels het rekenprogramma AERIUS is daarom voor voorliggend initiatief niet noodzakelijk. Overige storingsfactoren De beoogde vormverandering van het bouwblok leidt verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2.

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren,

Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen

28

amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in de projectlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Voor beoogde initiatieven dient onder andere bepaald te worden of ter plaatse van de nieuw te realiseren bebouwing, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding.

Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Door middel van de ‘Effectenindicator soorten’ van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is gekeken of de werkzaamheden voor het realiseren van de beoogde situatie een bedreiging vormt voor de beschermde diersoorten. Voor de vormverandering van het bouwvlak is er sprake van de activiteit ‘Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’. Uit de effectenindicator volgt dat de mogelijke aanwezigheid van vogels is, zie volgende afbeeldingen.

Afbeelding 16: Uitsnede kaart ‘Effectenindicator soorten’

Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen

29

Afbeelding 17: Conclusie ‘Effectenindicator soorten’ Initiatiefnemer is voornemens de vorm van het bouwvlak te wijzigen. Er vindt geen vergroting van het bouwvlak plaats. Daarnaast is er geen sprake van oprichting, wijziging of uitbreiding van dieren of gebouwen. Met het voornomen initiatief vindt er geen aantasting plaats van nesten, voorplantingsplaatsen of rustplaatsen van vogels. Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak is de aanwezigheid van (weide)vogels op de projectlocatie daarbij ook niet te verwachten. Gelet op de aard van het initiatief aan de Beemdenweg 2a/2b te Herpen is er geen sprake van handelingen die leiden aantasting van beschermde natuurwaarden. Geconcludeerd kan worden dat er geen ontheffing noodzakelijk is in het kader van de Wet Natuurbescherming. 4.4 Ammoniak Ammoniak is een belangrijk milieuthema bij veehouderijen. Er is wet- en regelgeving voor het beoordelen van het aspect ammoniak. Hierna wordt het initiatief getoetst aan deze wet- en regelgeving.

4.4.1

Kwetsbare gebieden

De Wet ammoniak en veehouderij (Wav) is het exclusieve toetsingskader voor ammoniakemissies van veehouderijen. In de Wav zijn regels gesteld voor het oprichten en uitbreiden van veehouderijen die in of op minder dan 250 meter van een (zeer) kwetsbaar bos- of natuurgebied liggen. Deze bedrijven mogen hun bedrijf slechts uitbreiden indien de ammoniakemissie na uitbreiding niet hoger is dan het Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen

30

gecorrigeerde emissieplafond. Wanneer de ammoniakemissie op grond van de geldende vergunning lager is dan het gecorrigeerd emissieplafond, mag de ammoniakemissie na uitbreiding niet hoger zijn dan de vergunde ammoniakemissie.

Afbeelding 18: uitsnede WAV-kaart met zeer kwetsbare gebieden (bron: provincie Noord-Brabant)

In afbeelding 18 is te zien dat het bedrijf buiten een zone van 250 meter van een zeer kwetsbaar gebied ligt. In het kader van de Wet ammoniak en veehouderij kan het bedrijf in de toekomst uitbreiden in ammoniak.

4.4.2

Besluit emissiearme huisvesting

Naast de regels voor bedrijven binnen de 250 meter-zones bevat de Wav generieke regelgeving voor de toepassing van emissiearme stalsystemen. Op 23 juni 2015 is het Besluit emissiearme huisvesting vastgesteld (voorts Besluit). Dit Besluit vervangt het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij en is op 1-8-2015 in werking getreden. In dit Besluit is onderscheid gemaakt tussen melk- en kalfkoeien (artikel 3) en varkens, kippen en kalkoenen (artikel 5). Binnen het Besluit zijn maximale emissiewaarden opgenomen, in bijlage 1 bij het Besluit, voor nieuwe stallen (kolom B en C) en zijn de maximale emissiewaarden voor bestaande stallen gewijzigd (kolom A). Voor vleeskalverhouderijen geldt artikel 3 van het Besluit. Het onderscheid in bestaande en nieuwe stallen, met de daaraan gekoppelde maximale emissiewaarden, wordt gemaakt op basis van datum van realisatie van het dierenverblijf. Kolom A uit Bijlage 1 is van toepassing indien een dierenverblijf is opgericht voor 1 juli 2015. Hierbij geldt dat indien de omgevingsvergunning voor het bouwen van dit verblijf is verleend voor 1 juli 2015, het verblijf opgericht is voor 1 oktober 2016 ook Kolom A van toepassing is.

Indien de omgevingsvergunning voor het bouwen ingediend is voor 1 juli 2015, voldoet aan de indieningsvereisten uit de Regeling omgevingsrecht (Mor), maar nog niet onherroepelijk is, maar wel wordt opgericht binnen 15 maanden na onherroepelijk worden, geldt ook Kolom A. Kolom B geldt voor een dierenverblijf dat is opgericht op of na 1 juli 2015, tenzij Kolom A van toepassing is, en voor 1 januari 2018. Kolom C geldt voor een dierenverblijf dat is opgericht op of na 1 januari 2018. Voor vleeskalveren tot de leeftijd van circa 8 maanden zijn geen maximale emissiewaarden voor ammoniak opgenomen in kolom A en Kolom B. In kolom C is een maximale emissiewaarden van 2,5 kg NH3. Voor het bedrijf aan de Beemdenweg 2a te Herpen is op 13 december 2012 is er een Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen

31

omgevingsvergunning onderdeel milieu verleend voor het houden van 4.849 vleeskalveren. Op 6 mei 2013 is de omgevingsvergunning voor het uitbreiding van de kalverhouderij met een nieuwe stal en verlenging van de bestaande stal verleend. Alle stallen zijn gerealiseerd voor 1 juli 2015. Hierdoor is kolom A van toepassing. Dit betekent dat de bestaande stallen voldoen aan het Besluit emissiearme huisvesting. 4.5 Bodemkwaliteit In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. De beoogde activiteit betreft het een vormverandering van het bestaande bouwvlak. Er is geen sprake van eventuele bodembedreigende activiteiten die in de beoogde situatie wijzigen. Het bodembedreigende risico blijft daarmee gelijk. Daarnaast is er geen sprake van het oprichten van een gevoelig object waar mensen langer dan 2 uur verblijven. Door Van Oort Bodemonderzoek B.V. is een historisch onderzoek (NEN 5725) uitgevoerd naar de te verwachten bodemkwaliteit op de locatie aan de Beemdenweg 2a-2b te Herpen (gemeente Oss). Het rapport met d.d.

3-02-2021, projectnummer BWG.217121, is als separate bijlage aan deze ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. Het algemeen doel van het onderzoek is inzicht te krijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie. Daarnaast kan het onderzoek als basis dienen voor een feitelijk verkennend bodemonderzoek. De conclusie uit het onderzoek is dat op de locatie vinden geen bodembedreigende activiteiten plaats. Vanwege bouwaanvragen hebben er in het verleden een tweetal bodemonderzoeken plaatsgevonden. Hierbij zijn in grond en grondwater geen noemenswaardige verontreinigingen aangetoond. Op basis van het totaal aan onderzoek kan geconcludeerd worden dat er geen aanwijzingen zijn die duiden op een mogelijk aanwezige bodemverontreiniging ter plaatse van de onderzoekslocatie. De locatie wordt als niet-verdacht beschouwd. Met betrekking tot de bodemkwaliteit zijn er geen bezwaren tegen het wijzigen van de bestemming en/of bouwblokgrenzen.

Ten aanzien van het aspect bodem zijn er daarom geen bezwaren voor de beoogde ontwikkeling. 4.6 Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de beoogde ontwikkeling moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.

4.6.1

Cultuurhistorie en aardkunde

Uit de kaart behorende bij paragraaf 3.2.4 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat de projectlocatie niet in gebied ligt met aardkundige waarden. Wel is de projectlocatie gelegen in een gebied met cultuurhistorische waarden. Zie onderstaande afbeelding.

Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen

32

Afbeelding 19: uitsnede kaart Iov, kaartlagen paragraaf 3.2.4 (bron: viewer 01-03-2020)

Op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant is de locatie gelegen in ‘Cultuurhistorische waardevol gebied’. Op navolgende afbeelding is een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant weergegeven. De projectlocatie is gelegen in het cultuurhistorisch vlak ‘Beerse en Baardwijkse Overlaat’, dat valt onder het gebied de ‘Maaskant’. Een omschrijving van het gebied de ‘Maaskant’ is hierna in een kader weergegeven. Projectlocatie

Afbeelding 20: uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (bron: provincie Noord-Brabant)

Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen

33

Maaskant De regio Maaskant maakt onderdeel uit van het jonge rivierkleilandschap van de Maas met zandige oeverwallen en donken en lager gelegen open komgronden. Aan de zuidzijde wordt het gebied begrensd door een brede dekzandrug die de overgang met het Brabant van het zand markeert. De Maaskant wordt gekenmerkt door onder andere de openheid van het landschap in de kommen. Hier bevinden zich veelal moderne, grootschalige veehouderij bedrijven.

Cultuurhistorisch belang

De strijd tegen het water en de voortdurend terugkerende overstromingen van de Beerse Maas hebben de inrichting en het gebruik van het gebied bepaald. De regio heeft een grote cultuurhistorische betekenis doordat de strijd tegen het water zich nog zo goed in het huidige landschap laat herkennen. Daarnaast verlenen de vele verdedigingswerken het gebied een grote cultuurhistorische waarde.

Essentiële aspecten

In de regio ligt het volgende cultuurhistorische landschap van provinciaal belang: Beerse en Baardwijkse Overlaat; Dragende structuren in de regio zijn: De openheid in de polders; De dijken; De weteringen ; De sluizen en gemalen; De oude Maasmeanders en wielen; De eendenkooien; De kloostercomplexen; De verdedigingswerken. De belangrijkste kenmerken die aangegeven worden bij de provinciale cultuurhistorische belangen is het open landschap in de polders (komgebied) en de strijd tegen het water dat in het landschap terug te zien is door onder andere dijken, weteringen, sluizen en gemalen.

De beoogde ontwikkeling betreft een vormverandering van het bouwvlak. Hierbij is er geen sprake van oprichting, wijziging en uitbreiding van gebouwen. De beoogde ontwikkeling heeft daarom niet of nauwelijks effect op de cultuurhistorische waarden van het gebied de Maaskant zoals hierboven in het kader is omschreven. Daarnaast gaat de vormverandering van het bouwvlak gepaard met een goede landschappelijke inpassing. In het landschappelijk inpassingsplan (bijlage 1) wordt ingegaan op de landschappelijke kenmerken en hoe deze kenmerken worden versterkt in het landschappelijk inpassingsplan. Op deze manier wordt voldaan aan de regels die worden gesteld in artikel 3.29 van de Iov.

4.6.2

Archeologie

De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunningen voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. In 2012 zijn de archeologische beleidsadvieskaarten van de gemeente Oss geactualiseerd. Het bijbehorende archeologiebeleid ‘Behoud van het Verleden 2013’ is niet aangepast. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede weergegeven van de archeologische advieskaart die voor de gehele gemeente Oss van toepassing is.

Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen

34

Projectlocatie

Afbeelding 21: uitsnede archeologische beleidskaart ‘Actualisatie archeologie beleid gemeente Oss’ (bron: gemeente Oss) Uit de archeologische advieskaart van de gemeente Oss blijkt dat het projectlocatie gelegen is middelhoge archeologische verwachting. Dit is tevens opgenomen in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss - 2020’ met de aanduiding ‘Waarde – Archeologie middelhoog’. In artikel 29 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss - 2020’ zijn regels met betrekking tot de middelhoge archeologische verwachtingswaarde opgenomen. Binnen de middelhoge archeologische verwachting is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Hiervoor geldt een vrijstelling voor verstoringen kleiner dan 1.000 m2 en niet dieper dan 0,30 m. Het initiatief betreft een vormverandering van het bouwvlak. Met het beoogde initiatief worden geen werken uitgevoerd waarvoor een vergunningsplicht geldt zoals in artikel 29.2.1 is beschreven. Ten aanzien van cultuurhistorie, aardkunde en archeologie zijn er derhalve geen bezwaren ten aanzien van de gewenste ontwikkeling. 4.7 Landschappelijke inpassing In het kader van kwaliteitsverbetering van het landschap vanuit de Interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant, en de regels uit het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld voor voorliggend initiatief. In paragraaf 3.1.3.

is eerder gemotiveerd hoe voldaan wordt aan de vereiste kwaliteitsverbetering van de provincie. In de ‘Nota Landschapsbeleid 2015’ van de gemeente Oss wordt per deelgebied beschreven wat de landschappelijke visie is. De projectlocatie is gelegen in het komgebied van de gemeente Oss. De belangrijkste kwaliteit van het komgebied is het open karakter. In het komgebied wordt gestreefd naar het versterken van een rechtlijnige opbouw. Vaak is er sprake van een rechthoekig bouwblok met voor het erf een woonhuis met siertuin en daarachter grote stallen en schuren. Ook zijn er vaak grote silo’s en kuilplaten aanwezig. De erven in het komgebied vormen vaak een eiland ven bebouwing in een open en modern landschap. Als landschappelijke inpassing wordt voorgesteld dat het erf omzoomd kan worden transparante bomenrij(en). Hierdoor zijn stallen en loodsen (gedeeltelijk) in het zicht gelegen. Het agrarisch gebruik mag gezien worden.

Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen

35

In het voorgestelde ontwerp wordt terughoudend omgegaan met erfbeplanting om zo het belangrijkste kenmerk van het komgebied te behouden, namelijk het open karakter. In het voorgestelde ontwerp wordt een bomenrij van ongeveer 70 meter toegevoegd, bestaande uit 10 solitaire bomen. De bomenrij zal ongeveer 8 meter uit elkaar geplant worden. Hierdoor sluit het geheel aan bij het bestaande aanzicht van de noordzijde van de projectlocatie. Aan de voet van de bomenrij wordt een moeraszone gerealiseerd van 4 meter breed bij 70 meter lang (280 m 2). Deze moeraszone wordt extensief beheerd waardoor het geheel een wat robuustere uitstraling krijgt. In onderstaande afbeelding is een uitsnede van het landschappelijke inpassingsplan weergegeven. In bijlage 1 is het landschappelijk inpassingsplan als separate bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing toegevoegd.

Afbeelding 22: uitsnede landschappelijk inpassingsplan

De aanleg en instandhouding van deze landschappelijke inpassing wordt feitelijk en juridisch verzekerd door de opname van een bepaling in de regels van het bestemmingsplan en door dit vast te leggen in een anterieure overeenkomst.

Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen

36

4.8 Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: - Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; - Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: - Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding.

Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. - Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. De projectlocatie ligt in omgevingstype ‘gemengd gebied’. De projectlocatie is gelegen in het invloedsgebied van de A50 (snelweg). Dit wordt verder toegelicht in paragraaf 4.13. Daarnaast bevinden zich in de omgeving bevinden zich direct naast woningen andere functies zoals o.a. horeca, bedrijven en agrarische bedrijven. Wat betreft veehouderijen word in de volgende paragraaf getoetst aan de wetgeving die specifiek van toepassing is voor veehouderijen met betrekking tot het aspect geur. Een vleeskalverhouderij behoort tot milieucategorie 3.2. Voor een bedrijf uit deze milieucategorie, liggend in gemengd gebied, is de richtafstand 50 meter (zie tabel 2). De dichtstbij liggende woning van derden Berghemseweg 6 te Herpen bevindt zich op een afstand van ruim 300 meter van de randbouwvlak het bedrijf op Beemdenweg 2a te Herpen.

Dichtstbijzijnde bedrijf is een hotel gelegen aan Berhemseweg 13 te Herpen, gelegen op ongeveer 400 meter vanaf rand bouwvlak kalverhouderij tot bestemming ‘Horeca’. Tabel 2: richtafstanden milieuzonering Omschrijving SBI-code Fokken en houden SBI-0141, 0142 van rundvee

Milieucategorie

Geur

Stof

Geluid

Gevaar

3.2

50

10

10

0

Op grond hiervan kan worden gesteld dat ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstanden.

Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen

37

4.9

4.9.1

Geur

Individuele hinder

De Wet geurhinder en veehouderij betreft een wet waarmee de nationale regels betreffende geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. Voor kleinere bedrijven zijn deze regels opgenomen in het Activiteitenbesluit. De wetgeving heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen of vaste afstanden. Hierbij is het mogelijk dat de gemeenteraad afwijkende normen vaststelt in een gemeentelijke geurverordening. Met deze opgenomen normen moet rekening gehouden worden bij beslissingen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de ‘Geurgebiedsvisie 2013’ en de ‘Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017’. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: - de burger beschermen tegen geurhinder - de veehouderijen niet onnodig beperken ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. De gemeentelijke ‘Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder’ is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Het beoogde initiatief betreft een vormverandering van het bouwvlak van een vleeskalverhouderij. Met de beoogde wijziging vindt geen oprichting, wijziging of uitbreiding van dieren of stalsystemen plaats. Op 13 december 2012 is er een omgevingsvergunning onderdeel milieu verleend voor het houden van 4.849 vleeskalveren. In de bestaande (vergunde) situatie is sprake van een overschrijding van de geurnorm betreffende de woning op Berghemseweg 9 en Berghemseweg 13 te Herpen. Dit betekend dat bij een eventuele wijziging(en) in onder andere emissiepunten, stalsystemen en dieren, de individuele geurhinder van het bedrijf niet mag toenemen boven de geurnorm. Bij een uitbreiding in het aantal dieren moet de individuele geurhinder zelfs afnemen omdat er sprake is van een overschrijding van de geurnorm. Bij een eventuele wijziging en/of uitbreiding in het aantal dieren of stalsystemen zal in de toekomst een nieuwe omgevingsvergunning aangevraagd moeten worden waarin onder andere het aspect geur getoetst wordt. Hierdoor is geborgd dat het bedrijf voldoet aan de Wet geurhinder en veehouder en het geurbeleid van de gemeente Oss. Wat betreft het aspect individuele geurhinder van het agrarische bedrijf zijn er geen beperkingen voor voorliggend initiatief.

4.9.2

Cumulatieve geurhinder (Interim omgevingsverordening Noord-Brabant)

Conform de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie dient aangetoond te worden dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%. Naar aanleiding van de uitbreiding van het grondgebied van de Oss met een deel van de voormalige gemeente Maasdonk, heeft de gemeente Oss de geurbelasting in kaart laten brengen. In de ‘Harmonisatie Geurnormen Wet Geurhinder en Veehouderij’ gemeente Oss d.d. 2 maart 2017 is de indicatieve achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder voor de voor de situatie 2015 opgenomen. In afbeelding 23 is een uitsnede van deze kaart weergegeven waarop zijn de geurwolken van de verschillende bedrijven met geur in de omgeving zij weergegeven. In afbeelding 24 de bijbehorende achtergrondgeurbelasting weergegeven in odours (ou e), het percentage geurgehinderden (kans op geurhinder) en de beoordeling klimaat.

Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen

38

Projectlocatie

Afbeelding 23: vergunde geurbelasting gemeente Oss)

(bron: Harmonisatie Geurnormen Wet Geurhinder en Veehouderij

Afbeelding 24: beoordeling leefklimaat o.b.v. indicatieve achtergrondbelasting t.a.v. geurhinder (Harmonisatie Geurnormen Wet Geurhinder en Veehouderij gemeente Oss)

In afbeelding 23 is geurcontour van het bedrijf aan de Beemdenweg 2a weergegeven. Hieruit blijkt dat de omliggende woningen (buiten bebouwde kom) een achtergrondgeurbelasting hebben van 7,7 t/m 13,1 OUe. De woningen binnen de bebouwde kom van Herpen hebben een geurbelasting van 3,1 t/m 7,4. Dit is lager dan de 20 OUe zoals opgenomen in de Iov. De achtergrondbelasting van 7,7 tot 13,1 OUe is vergelijkbaar met een percentage geurgehinderden van 10 t/m 15% (buiten bebouwde kom) en 5 - 10% geurgehinderden (binnen bebouwde kom), zie afbeelding 24. Hiermee voldoet bedrijf aan de achtergrondgeurbelasting zoals opgenomen in de Iov. In de beoogde situatie is sprake van een vormverandering van het bestaand bouwvlak. Er vindt geen uitbreiding en/of wijzing plaats van dierenverblijven. Hierdoor zal de geurbelasting op geurgevoelige objecten afkomstig van het bedrijf aan de Beemdenweg 2a niet wijzigen. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ is in de regels geborgd dat bij een uitbreiding van dierenverblijven getoetst moet worden aan de eisen van de eisen van de Iov met betrekking tot de cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten.

4.9.3

Woon- en leefklimaat

In het kader van de ruimtelijke procedure is het wenselijk dat de ontwikkeling geen negatief effect heeft op het woon- en leefklimaat in de omgeving van de projectlocatie. Ook na de beoogde ontwikkeling dient er sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De gemeentelijke beleidsregel ‘Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder’ is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen

39

sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In onderstaande tabel zijn de toetstwaarden uit de ‘Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Oss 2013’. Onderstaande toetswaarden vormen een vertaling van het criterium ‘een aanvaardbaar woon- en leefklimaat’ voor het aspect cumulatieve geurhinder uit stallen van veehouderijen. Deze waarden zijn uitgedrukt in Europese odour units (oue). Tabel 3: toetswaarden woon- en leefklimaat (bron: beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Oss 2013)

Zoals in paragraaf 4.9.2 is toegelicht, is de achtergrondgeurbelasting van de omliggende woningen in het buitengebied 7,7 t/m 13,1 oue. De woningen binnen de bebouwde kom van Herpen hebben een geurbelasting van 3,1 t/m 7,4 oue. In tabel 3 zijn de toetswaarden voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat weergegeven voor het aspect cumulatieve (achtergrond) geurhinder. Hierop is af te lezen dat de woningen in het buitengebied een ‘goed’ tot ‘voldoende’ woon- en leefklimaat hebben. De woningen in de bebouwde kom hebben tevens een ‘goed’ tot ‘voldoende’ woon- en leefklimaat. Ten aanzien van het woon- en leefklimaat vinden er geen wijzigingen plaats. Het initiatief betreft alleen een vormverandering van het bouwvlak. Er vinden geen wijzigingen plaats in het aantal dieren en/of gebouwen. Zoals onder individuele geurhinder is benoemd is er in de vergunde situatie sprake van een overschrijding van de geurnorm van twee omliggende woningen. Dit betekend dat bij een eventuele wijziging de geurbelasting niet mag verslechteren en bij een eventuele uitbreiding van dieren er zelf sprake moet zijn van een afname van geur. In het Iov is opgenomen dat bij bouwaanvragen getoetst moet worden aan de achtergrond geurbelasting op de omliggende individuele woningen. Hierdoor is geborgd dat ook in de toekomst sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.

Gezien voorgaande kan ten aanzien van het aspect geur gesteld worden dat het woon- en leefklimaat niet veranderd in de beoogde situatie. Er is sprake is van een ‘goed’ tot ‘voldoende’ woon- en leefklimaat in de directe omgeving van de projectlocatie. Bij eventuele wijzigingen en/of uitbreidingen van de dierenverblijven zal getoetst moeten worden aan de gemeentelijke geurverordening, bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ en aan de regels van het Iov waardoor het woon- en leefklimaat van de directe omgeving is geborgd. 4.10 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in bijlage 2 bij de Wm bepaalde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Deze milieukwaliteitseisen betreffen grenswaarden van concentraties voor zwaveldioxide, stikstofoxiden (NOx als NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen. Niet in betekende mate bijdragen In de Algemene Maatregel van Bestuur ‘Niet in betekende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Per 1 augustus 2009 geldt als NIBM 3% van de grenswaarde.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die Niet in Betekende Mate bijdragen aan de luchtverontreiniging (specifiek gekwantificeerde bedrijfsactiviteiten of het realiseren van kantoor- en woningbouwlocaties in een maximale omvang). Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen

40

gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. Om versnippering van in betekende mate (IBM) projecten in meerdere NIBM-projecten te voorkomen is in het Besluit NIBM een anti-cumulatieartikel opgenomen. In de Handreiking NIBM is de toepassing van het Besluit NIBM en de Regeling NIBM toegelicht en uitgewerkt. De bijdrage van NIBM-projecten aan de luchtverontreiniging wordt binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) gecompenseerd met algemene maatregelen. NIBM-tool Voor kleinere ruimtelijke plannen verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil een specifieke rekentool ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekende mate bijdraagt (NIBM) aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. Het doel van deze tool is: - Eenvoudig en snel bepalen of een plan in betekende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. - Het beperken van de onderzoekslast bij kleinere projecten.

- Het vaststellen van grenzen voor het aantal extra voertuigbewegingen, dat niet zal leiden tot een concentratietoename die groter is dan de grens voor niet in betekende mate. Op de locatie wordt een kalverhouderij geëxploiteerd. De kalverhouderij activiteiten zijn daarmee aanwezig in de uitgangssituatie. In de beoogde situatie is er sprake van een vormverandering van het bestaande bouwvlak. Er vindt geen oprichting, wijziging of uitbreinding plaats van het aantal dieren en/of gebouwen. De hoeveelheid fijnstof vanuit de kalverhouderij wijzigt daarom niet ten opzichte van de huidige situatie. In de NIBM-tool is uitgegaan van een worst-case waarbij er sprake is van een toename van het aantal voertuigbewegingen. Er is gerekend met een maximaal aantal extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) wat volgens de NIBM-tool mogelijk is. Dit betreffen veel meer transportbewegingen welke plaatsvinden op 1 dag als dat in de feitelijke situatie op 1 dag plaats zullen vinden binnen de plangebied. Omdat de voertuigbewegingen ten behoeve van de kalverhouderij voornamelijk bestaan uit vrachtvrachtverkeer (bijvoorbeeld landbouwtrekkers, vrachtwagens etc) is hierbij uitgegaan dat 80% van de extra voertuigbewegingen bestaan bestaat uit vrachtverkeer.

Dit betekent dat in de worst-case berekening maximaal 200 extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) kunnen plaatsvinden waarbij de luchtkwaliteit onder de grens van 1,2 µg/m 3 blijft. Dit zijn 73.000 extra verkeersbewegingen in totaal per jaar. In de werkelijke situatie ligt het aantal verkeersbewegingen vele malen lager. Daarnaast is er met de vormverandering van het bouwvlak geen sprake van een toename in het aantal verkeersbewegingen. In onderstaande afbeelding is de NIBM berekening weergegeven voor de worst-case berekening.

Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen

41

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2021

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

200

Aandeel vrachtverkeer

80,0%

NO2 in μg/m3

1,17

PM10 in μg/m3

0,14

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m

3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig

Afbeelding 25: NIBM berekening extra verkeer Het plan is dermate beperkt van aard dat het niet in betekenende mate bijdraagt aan verandering van de luchtkwaliteit. Ten aanzien van luchtkwaliteit zijn er derhalve geen bezwaren ten aanzien van de gewenste ontwikkeling. Woon- en leefklimaat Op grond van de Wet luchtkwaliteit zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM 2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO2 geldt een grenswaarde van 200 μg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2. Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen het plangebied is conform de GCN-kaart voor fijnstof voor PM2,5 11,57 μg/m3, PM10 18,96 μg/m3, en voor NO2 17,53 μg/m3, zie afbeelding 26, 27 en 28.

De verontreiniging is afkomstig van verschillende bronnen zoals het gemotoriseerde verkeer, industriële en agrarische inrichtingen en achtergrondconcentraties van verontreinigde stoffen. Fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2 ) zijn de belangrijkste stoffen in de luchtkwaliteitsregelgeving.

Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen

42

projectlocatie

Afbeelding 26: achtergrondconcentratie fijnstof (PM2,5) (bron: http://geodata.rivm.nl/gcn/)

projectlocatie

Afbeelding 27: achtergrondconcentratie fijnstof (PM10) (bron: http://geodata.rivm.nl/gcn/)

Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen

43

projectlocatie

Afbeelding 28: achtergrondconcentratie stikstof (NO2) (bron: http://geodata.rivm.nl/gcn/)

Uit bovenstaande kaarten is te concluderen dat ter plaatse van de projectlocatie een aanvaardbare luchtkwaliteit aanwezig is. Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.11 Geluid De Wet geluidhinder is sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota ‘Geluidskwaliteit in de leefomgeving’ vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. In afbeelding 29 in een uitsnede weergegeven van de kaart gebiedsindeling uit de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving”. Hierop is te zien dat de projectlocatie gelegen is in het gebied ‘landelijk gebied met hoge geluidsdruk’. De geluidsambitie in dit gebied is 50 dB(A) ter plaatse van geluidsgevoelige bestemmingen en op 50 meter vanaf de bron.

Volgens de handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’, zoals in paragraaf 4.8 besproken behoort een een vleeskalverhouderij tot milieucategorie 3.2. Voor een bedrijf uit deze milieucategorie, liggend in gemengd gebied, is de richtafstand 50 meter i.v.m. geluid.

Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen

44

projectlocatie

Afbeelding 29: uitsnede kaart gebiedsindeling afkomstig uit de geluidsnota Oss (bron: gemeente Oss) De geluidsproductie van een kalverhouderij is in hoofdzaak afkomstig van transportbewegingen, het laden en lossen, ventilatie en overige motoren binnen de inrichting. In de Wet geluidhinder is bepaald dat voor locaties in het bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting wordt onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. In deze situatie is géén sprake van een nieuwe geluidgevoelige bestemming, het betreft namelijk vormverandering van het bouwvlak. Er is hier sprake van een bestaande situatie. In de inrichting vinden wel activiteiten plaats die een geluidsuitstraling hebben naar de omgeving. Hier vinden geen wijzigingen in plaats. De eventuele geluidbelasting als gevolg van de bedrijfsvoering is laag en de activiteiten vinden veelal inpandig of nabij de stallen plaats. De dichtstbij liggende woning van derden Berghemseweg 6 te Herpen bevindt zich op een afstand van ruim 300 meter van de randbouwvlak het bedrijf op Beemdenweg 2a te Herpen. Op grond hiervan kan worden gesteld dat binnen 50 meter van de geluidsbron geen objecten geen objecten bevinden en dat er ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstand van 50 meter vanuit ‘Bedrijven en milieuzonering’ m.b.t.

het aspect geluid. In de beoogde situatie wijzigt de geluidsproductie vanuit de kalverhouderij niet. Omdat de afstand van de projectlocatie tot de geluidgevoelige objecten zo groot is (ruim 300 meter) is het voorstelbaar dat de bestaande activiteiten geen overlast veroorzaken. Bovendien wordt de geluidsproductie van de kalverhouderij overstemd door overige activiteiten in dit gebied, zoals rijden van tractoren in de omgeving en het geluid afkomstig van de A50 (snelweg). Het aspect geluid vormt daarom geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.12 Spuitzones In de vollegronds- en sierteelt ontkomt men niet aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tegen schimmels, luizen en andere vormen van ongedierte. In relatie tot omliggende gronden heeft de planlocatie derhalve mogelijk te maken met spuitzones. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt,

Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen

45

in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om drift te voorkomen of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. De projectlocatie ligt direct aansluitend aan landbouwgronden. Er wordt dus niet voldaan aan de richtafstand van 50 meter. Hierbij wordt echter opgemerkt dat die richtafstand met name is bedoeld voor gewassen die verticaal bespoten moeten worden, zoals boomgaarden. Grondgewassen worden altijd neerwaarts bespoten, wat de drift (indien deze al bestaat) aanzienlijk beperkt. In de omgeving van de projectlocatie komen geen boomgaarden voor. Daarnaast wordt in Nederland doorgaans gebruik gemaakt van driftarme doppen om mogelijke drift die ontstaat bij de bespuiting tot een minimum te beperken. De spuitdruk gecombineerd met het type dop bepaalt de druppelgrootte. Zo geven driftarme doppen meer grove druppels, die minder snel verwaaien. Hiermee worden reductiepercentages van 50-95% gehaald, afhankelijk van het type dop en de spuitdruk. Deze worden spuitdoppen getest op windsnelheden waaronder geen sprake meer is van een gevaar voor de volksgezondheid (door de Technische Commissie Techniekbeoordeling, versie 19 feb 2016).

Deze maximale windsnelheid is vastgesteld op 5 m/s. Hiervan uitgaande zal in de beoogde situatie niet gespoten worden bij een windsnelheid van 5 m/s op spuithoogte. Daarbij wordt opgemerkt dat het gebruik bij een hogere windsnelheid ook een negatief effect heeft op de werking van de te gebruiken bestrijdingsmiddelen waardoor de ondernemer gebaat is bij gebruik bij een lage windsnelheid. Onderhavig project voorziet in de vormverandering van het bouwvlak zonder vergroting van het bouwvlak, waarbij geen nieuwe gevoelige functies worden opgericht. Zowel in de huidige als toekomstige situatie is sprake van een gelijkwaardige omstandigheid met betrekking tot het aspect gewasbeschermingsmiddelen. In die zin verandert er niets aan de situatie en neemt tevens het aantal blootgestelden in de toekomst niet toe. Met het oog op het woon- en leefklimaat kan daarom worden gesteld dat er geen wijziging plaatsvindt die een aanvaardbaar woon- en leefklimaat negatief beïnvloedt. 4.13

Verkeer en parkeren

4.13.1 Verkeer

In de beoogde situatie wijzigen de bedrijfsactiviteiten niet. De ontwikkeling betreft enkel een vormverandering van het bouwvlak. De beoogde ontwikkeling heeft derhalve geen verkeersaantrekkende gevolgen.

4.13.2 Ontsluiting

De projectlocatie is gelegen aan de Beemdenweg, buiten de bebouwde kom van Herpen, gemeente Oss. De projectlocatie is ontsloten via twee opritten aan de Beemdenweg. In afbeelding 30 is een luchtfoto van de projectlocatie weergegeven waarop de inritten zijn aangegeven. Eén oprit voor de bedrijfswoning en het bedrijf aan de Beemdenweg 2a en één oprit voor de bedrijfswoning aan de Beemdenweg 2b. Via de Beemdenweg en de Berghemseweg zijn Herpen, Berghem en Oss te bereiken.

4.13.3 Parkeren

Binnen de projectlocatie is voldoende parkeergelegenheid aanwezig. In afbeelding 30 is een luchtfoto van de projectlocatie weergegeven. Hierop is te zien dat er voldoende parkeergelegenheid is op de locatie. Op het bedrijf zijn naast de parkeermogelijkheden voor de bewoners zelf ook voldoende ruimte parkeergelegenheid voor bezoekers van het bedrijf. De vormverandering van het bouwvlak heeft geen gevolgen voor de parkeergelegenheid op het bedrijf.

Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen

46

Afbeelding 30: weergave projectlocatie (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

4.14 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.

4.14.1 Regelgeving

De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, voor Beemdenweg 2a/2a kunnen zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De externe veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied. In volgend kader worden deze risico’s nader uitgelegd. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt.

De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico

Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen

47

wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar. Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico.

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Beleidsvisie externe veiligheid De gemeente Oss beschikt over ‘Beleidsvisie externe veiligheid Oss’ (maart 2011). Hierin wordt invulling gegeven aan de gemeentelijke omgang met externe veiligheid.

4.14.2 Toetsing aan beleid

Afbeelding 31: uitsnede risicokaart (bron: risicokaart)

Uit de risicokaart (zie bovenstaande afbeelding) blijkt, dat in de omgeving van de projectlocatie zijn geen wegen, vaarwegen, spoorlijnen, buisleidingen of inrichtingen gelegen, waarvan een risicocontour over de projectlocatie is gelegen. Voor alle risicobronnen, (inrichtingen, buisleidingen, wegen, vaarwegen en spoorlijnen) binnen het buitengebied Oss wordt voldaan aan de richtwaarde (beperkt kwetsbare objecten) voor het plaatsgebonden risico. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Gezien de aard van de voorgenomen activiteit, vormverandering van het bouwblok op de projectlocatie is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij de projectlocatie. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen op de projectlocatie. Het project voorziet niet in de realisatie van nieuwe beperkt kwetsbare objecten. Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen

48

De projectlocatie bevindt zich niet binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden. Er zijn geen risico’s aanwezig voor de voorgenomen ontwikkeling. Daarom kan worden geconcludeerd dat er voor dit project geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De projectlocatie ligt op 650 meter van de snelweg A50 gelegen, en op ongeveer 1 kilometer van de spoorlijn. In afbeelding 32 is een uitsnede weergegeven van de signaleringskaart met invloedsgebieden in de gemeente Oss afkomstig uit ‘Beleidsvisie externe veiligheid Oss’. Uit de signaleringskaart blijkt dat de projectlocatie gelegen is in het invloedsgebied van de A50 en spoorlijn. Omdat de afstand meer dan 200 meter bedraagt kan er op grond van de artikel 7 van het Bevt worden volstaan met een beperkte groepsrisico verantwoording waarin de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van de eventuele ramp wordt beschreven en de zelfredzaamheid van de aanwezige personen. De (beperkte) verantwoording groepsrisico is in onderstaand kader beschreven.

Projectlocatie

Afbeelding 32: uitsnede signaleringskaart met invloedsgebieden (bron: beleidsvisie externe veiligheid Oss 2011) Verantwoording groepsrisico, artikel 7 Bevt.

Bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van een ramp

De projectlocatie is over de weg goed bereikbaar voor de hulpdiensten. Er is geen sprake van een zorgfunctie en/of zeer kwetsbare objecten. De projectlocatie valt binnen het dekkingsgebied van NL-alert.

Zelfredzaamheid personen

Voor de aanwezigen personen binnen de projectlocatie zijn er voldoende vluchtwegen om bij een calamiteit het de projectlocatie te verlaten. De personen die aanwezig zijn binnen de projectlocatie worden over het algemeen aangemerkt als zelfredzame personen.

Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) In het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss - 2020’ is in de nabijheid een dubbelbestemming ‘Leiding – Gas’ opgenomen. De voorgenomen ontwikkelingen liggen buiten deze dubbelbestemming en de voorgenomen ontwikkelingen hebben geen invloed op het bepaalde in de bijbehorende regels. De projectlocatie ligt op ongeveer 170 meter van de dubbelbestemming ‘Leiding – Gas’. Uit afbeelding 29 blijkt dat de projectlocatie binnen het invloedsgebied van buisleidingen ligt. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van een hoge druk aardgasleiding. Conform artikel 12 BEVB) dient het groepsrisico te worden verantwoord. Omdat bij vaststelling van bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ bij geen enkele hogedruk aardgasbuisleiding sprake is van een overschrijding van 0,1 maal de Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen

49

oriënterende waarde voor het groepsrisico kan er voor buisleidingen volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico (ingevolge artikel 12, lid 3, Besluit externe veiligheid buisleidingen). Daarnaast is de toename van het groepsrisico binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ nergens groter dan 10%. Hierdoor volstaat een verantwoording groepsrisico. In onderstaand kader is de verantwoording groepsrisico weergegeven. Verantwoording groepsrisico, artikel 12, lid 3 Bevb.

Bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van een ramp

De projectlocatie is over de weg goed bereikbaar voor de hulpdiensten. Er is geen sprake van een zorgfunctie en/of zeer kwetsbare objecten. De projectlocatie valt binnen het dekkingsgebied van NL-alert.

Zelfredzaamheid personen

Voor de aanwezigen personen binnen de projectlocatie zijn er voldoende vluchtwegen om bij een calamiteit het de projectlocatie te verlaten. De personen die aanwezig zijn binnen de projectlocatie worden over het algemeen aangemerkt als zelfredzame personen.

Het project voorziet niet in de realisatie van nieuwe beperkt kwetsbare objecten. In het kader van het groepsrisico is hierdoor sprake van een onveranderde situatie.

Hoogspanningslijnen

Op een afstand van ongeveer 5 en ongeveer 6 kilometer zijn 2 hoogspanningslijen gesitueerd, zie onderstaande afbeelding. Gelet op de afstand tussen de projectlocatie en deze lijnen vormt dit aspect geen belemering voor het initiatief.

Projectlocatie

Afbeelding 33: weergave dichtstbijzijnde hoogspanningslijn (bron: www.hoogspanningsnet.com)

4.15 Technische infrastructuur In of nabij het projectlocatie liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart in afbeelding 31). Het beoogde initiatief voorziet niet in het oprichten, wijzigen of uitbreiden van bouwwerken. Voordat er (in de toekomst) gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van het projectlocatie in beeld te brengen.

Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen

50

4.16 Volksgezondheid Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Iedere veehouderij moet voldoen aan diverse wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen. Bij naleving van de milieuwetgeving, het volledig benutten van de technische mogelijkheden en het management van de hygiënebarrière worden de volksgezondheidsrisico’s bij het initiatief tot een minimum beperkt. Er zijn al diverse onderzoeken uitgevoerd naar de mogelijke relatie tussen (intensieve) veehouderij en volksgezondheid.

Het laatste onderzoek dateert van juli 2016 en is ingegaan op de effecten van de intensieve veehouderij op de omgeving. Voor vleeskalverhouderij zijn de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt vanwege de beperkte emissies van met name fijnstof. Wanneer er meerdere diercategorieën op een bedrijf worden gehouden, is er ook sprake van een verhoogd risico voor de volksgezondheid. Vooralsnog wordt er bij vleeskalverhouderij daarom getoetst aan de wettelijke grenswaarden voor diverse stoffen, zoals geur en fijnstof. Daar deze grenswaarden nationaal zijn vastgesteld en de beoogde bedrijfsopzet hieraan voldoet, mag er vanuit worden gegaan dat deze waarden de volksgezondheid afdoende beschermen. Daarnaast betreft de ontwikkeling een vormverandering van het bestaande bouwvlak. Er vindt geen oprichting, wijziging of uitbreiding van een dierenverblijf plaats en worden er geen andere soorten dieren op het bedrijf gehouden. De afstand tot woningen in de omgeving is tevens voldoende groot (en wijzigt niet) om het risico naar de omgeving te beperken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=055c46ac-2a8a-4943-8c5d-a115b9c699a4