Bijlage 1 bij toelichting rob Beemdenweg 2a 2b Herpen.PDF
Tekst van het document
BESTEMMINGPSLAN Ontwikkelingen 2 Buitengebied Oss - 2021 Bijlage 1 bij toelichting Beemdenweg 2a, Herpen
Gemeente Oss | Raadhuislaan 2 | 5341 GM | Oss | T: 14 0412 | F: 0412 642605 | www.oss.nl |
Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen
Gemeente Oss
Colofon
Projectnaam
Beemdenweg 2a/2b, Herpen
Datum
07-08-2020, aangepast 08-10-2020, 29-01-2021, 05-02-2021
Status
Concept
Opgesteld door
Van Dun & Van Gerwen BV Heijtmorgen 10 5375 AN Reek T. 0486 45 01 60 F. 0486 45 02 38 E. info@vandun-vangerwen.nl I. www.vandun-vangerwen.nl
Auteur
Anne-Marie van Hattem
Projectleider
Rob Somers
Projectnummer
00190.007
Inhoudsopgave 1.
INLEIDING..................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding en doel ......................................................................................................... 5 1.2 Geldend planologisch regime ........................................................................................ 6 1.3 Leeswijzer ...................................................................................................................... 7 2. PLANBESCHRIJVING ..................................................................................................... 8 2.1 Bestaande situatie ......................................................................................................... 8 2.2 Beoogde situatie ...........................................................................................................10 3. BELEIDSKADER ............................................................................................................
12 3.1 Provinciaal beleid .........................................................................................................12 3.1.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant ...................................................................................12 3.1.2 Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 ............................................................12 3.1.3 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant ............................................................13 3.2 Gemeentelijk beleid ......................................................................................................16 3.2.1 Structuurvisie ‘Buitengebied Oss – 2015’ .....................................................................16 3.2.2 Nota landschapsbeleid 2015 Landschapsbeleid ............................................................17 3.2.3 Bestemmingsplan ......................................................................................................17 4. MILIEUHYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE ASPECTEN..............................................
20 4.1 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling ..........................................20 4.2 Waterhuishouding ........................................................................................................20 4.2.1 Waterrelevant beleid ..................................................................................................21 4.2.2 Bestaande waterhuishoudkundige situatie ...................................................................25 4.2.3 Beoogde waterhuishoudkundige situatie .....................................................................25 4.3 Natuur ...........................................................................................................................26 4.3.1 Natuurnetwerk Nederland (NNN) ................................................................................26 4.3.2 Wet natuurbescherming .............................................................................................27 4.4 Ammoniak .....................................................................................................................30 4.4.1 Kwetsbare gebieden ..................................................................................................30 4.4.2 Besluit emissiearme huisvesting .................................................................................31 4.5 Bodemkwaliteit
.............................................................................................................32 4.6 Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie ................................................................32 4.6.1 Cultuurhistorie en aardkunde .....................................................................................32 4.6.2 Archeologie ...............................................................................................................34 4.7 Landschappelijke inpassing .........................................................................................35 4.8 Bedrijven en milieuzonering ........................................................................................37 4.9 Geur ...............................................................................................................................38 4.9.1 Individuele hinder ......................................................................................................38 4.9.2 Cumulatieve geurhinder (Interim omgevingsverordening Noord-Brabant) ......................38 4.9.3 Woon- en leefklimaat .................................................................................................39 4.10 Luchtkwaliteit ...............................................................................................................40 4.11 Geluid
............................................................................................................................44 4.12 Spuitzones .....................................................................................................................45 4.13 Verkeer en parkeren .....................................................................................................46 4.13.1 Verkeer .....................................................................................................................46 4.13.2 Ontsluiting ................................................................................................................46 4.13.3 Parkeren ...................................................................................................................46 4.14 Externe veiligheid .........................................................................................................47 4.14.1 Regelgeving ..............................................................................................................47 4.14.2 Toetsing aan beleid ...................................................................................................48 4.15 Technische infrastructuur ............................................................................................50 4.16 Volksgezondheid
...........................................................................................................51 5. FINANCIËLE UITVOERBAARHEID ................................................................................ 52 6. BIJLAGEN..................................................................................................................... 53 Bijlage 1 Landschappelijk inpassingsplan ....................................................................................53 Bijlage 2 Historisch bodemonderzoek .........................................................................................53
1. Inleiding In dit hoofdstuk komen de aanleiding en het doel, de ligging van de projectlocatie, het geldend planologisch regime en de procedure aan bod. Daarnaast is in dit hoofdstuk een leeswijzer opgenomen. 1.1 Aanleiding en doel Op de locatie Beemdenweg 2a te Herpen wordt een vleeskalverenhouderij geëxploiteerd. Op 13 december 2012 is een omgevingsvergunning onderdeel milieu verleend voor het houden van 4.849 vleeskalveren. De initiatiefnemer wenst een vormverandering van het bouwvlak, waarbij de omvang van het bouwvlak gelijk blijft. Tijdens de terinzagelegging van het voorontwerpbestemmingsplan is door initiatiefnemer een inspraakreactie ingediend met daarin onder andere het verzoek voor wijziging van de vorm van het bouwvlak. Naar aanleiding van de inspraakreactie heeft de gemeente Oss de vorm van het bouwvlak gewijzigd. In afbeelding 1 is de projectlocatie weergegeven. Het bouwvlak zoals in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss 2020’ is hierin rood omkaderd. Uit de beantwoording van de gemeente op de inspraakreactie blijkt dat het bouwvlak naar aanleiding van een overleg met inspreker gewijzigd is. Aan de zuidkant zou een inrit aanwezig zijn die buiten het bouwvlak ligt. Feitelijk is dit echter geen inrit, maar een uitgebreid karspoor voor toegang tot het agrarische bouwperceel (en niet tot het bedrijf).
De initiatiefnemer heeft middels een zienswijze (kenmerk 00190/bp Oss) verzocht om het bouwvlak nogmaals te wijzigen. Per brief d.d. 15 mei 2020 (kenmerk 4091367) heeft de gemeente Oss kenbaar gemaakt om onder voorwaarden mee te willen werken aan de vormverandering van het agrarisch bouwvlak. Hierdoor kan het project meegenomen in het voorontwerp van het nieuw op te stellen bestemmingsplan ‘Ontwikkelingen 2 Buitengebied Oss – 2021’. Dit bestemmingsplan betreft een veegplan. In afbeelding 2 is de gewenste situatie weergegeven.
Afbeelding 1: weergave projectlocatie (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen
5
Afbeelding 2: weergave beoogde situatie (bron: Qgis) 1.2 Geldend planologisch regime Het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss - 2020’ is op 25 september 2020 in werking getreden. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss - 2020’ heeft de locatie een bouwvlak (zie afbeelding 3) met de volgende bestemmingen en aanduidingen voor de projectlocatie opgenomen: - Enkelbestemming: Agrarisch met waarden – Landschap; - Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie verwachtingswaarde middelhoog (gedeeltelijk); - Functieaanduiding: specifieke vorm van agrarisch – veehouderij; - Maatvoering: maximum aantal wooneenheden: 2; - Gebiedsaanduiding: overige zone – komgebied; - Gebiedsaanduiding: overige zone – overig agrarisch gebied; Het bouwvlak is ongeveer 2 hectare groot, namelijk 20.816 m2.
Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen
6
Afbeelding 3: uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied Oss - 2020' (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
De gewenste activiteit, bouwvlak binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschap' van vorm te veranderen, is binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss - 2020’ niet rechtstreeks toegestaan. Wel is er een wijzigingsbevoegdheid opgenomen in bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss 2020’ in artikel 40.2 ‘Wijziging vormverandering agrarisch bouwvlak’. 1.3 Leeswijzer In deze ruimtelijke onderbouwing is in het eerste hoofdstuk een inleiding op het initiatief gegeven, waarin de aanleiding, het doel, het geldend planologische regime en de te doorlopen procedure zijn beschreven. In hoofdstuk 2 wordt de bestaande en beoogde situatie omschreven. Het van toepassing zijnde nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid wordt uiteengezet in hoofdstuk 3. Hierna worden in hoofdstuk 4 de milieuhygiënische en planologische aspecten beschreven.
Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen
7
2. Planbeschrijving In dit hoofdstuk worden de bestaande en beoogde situatie beschreven. Hierin komt naar voren welke veranderingen er plaatsvinden binnen de projectlocatie. 2.1 Bestaande situatie De projectlocatie betreft de locatie Beemdenweg 2a/2b te Herpen en ligt in buitengebied van Herpen, in de gemeente Oss. De locatie is gelegen op ongeveer 1 kilometer van de kom van Herpen, ongeveer 2,5 kilometer van de kom van Schaijk en op ongeveer 2,5 kilometer van de kom van Berghem. De locatie is kadastraal bekend als gemeente Ravenstein, sectie H, nummers 598, 599 en 174. De percelen samen zijn in totaal ruim 4 hectare groot. Op onderstaande afbeelding is de projectlocatie weergegeven de directe omgeving.
Afbeelding 4: weergave projectlocatie en directe omgeving (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
De locatie is gelegen in het komgebied van de gemeente Oss. Kenmerkend voor het komgebied is het is de openheid van het landschap. Het gebied kent een zeer regelmatig, rationeel, rechtlijnig verkavelingspatroon. In de directe omgeving van de projectlocatie bevinden zich diverse veehouderijen, woningen, horeca en bedrijven. Op de locatie zijn twee bedrijfswoningen, vijf stallen en een sleufsilo aanwezig ten behoeve van de vleeskalverenhouderij. Het bouwvlak is ongeveer 2 hectare groot, namelijk 20.816 m2. Alle stallen staan haaks op de Beemdenweg gesitueerd. Aan de voorzijde van de bedrijfswoningen is een siertuin aanwezig. Het erf is beperkt voorzien van erfbeplanting, wat wenselijk is voor het komgebied voor het behoud van het open karakter van het landschap. In de afbeelding op de volgende pagina is de bestaande situatie van projectlocatie weergegeven met het bouwvlak rood omkaderd zoals in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’. Hierop is te zien dat binnen het bouwvlak een puinpad is gelegen dat naar stal 5 leidt. Het puinpad is ten behoeve van de bouw van stal 5 aangelegd.
Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen
8
Stal 2
Bedrijfswoning 2a
Stal 3
Stal 1
Stal 4
Stal 5 Bedrijfswoning 2b
Afbeelding 5: weergave bestaande situatie projectlocatie (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Op 13 december 2012 is een omgevingsvergunning onderdeel milieu verleend voor het houden van 4.849 vleeskalveren. In onderstaande tabel is een overzicht van de vergunde dieraantallen en emissies weergegeven. Tabel 1: overzicht dieraantallen en emissies vergunde situatie 13-12-2012 Ammoniak Stal nr.
Dier categorie
RAV code
Aantal dieren
Geur
kg NH3 per dier
totaal kg NH3
Geur emissiefactor
Fijn stof
totaal OUE
gr. PM10 per dier
totaal kg PM10
1
vleeskalveren tot 8 maanden
A 4.100
245
3,5
857,5
35,6
8722,0
33,0
8,09
1
vleeskalveren tot 8 maanden
A 4.100
652
3,5
2.282,0
35,6
23.211,2
33,0
21,5
1
vleeskalveren tot 8 maanden
A 4.100
168
3,5
588,0
35,6
5.980,8
33,0
5,5
2
vleeskalveren tot 8 maanden
A 4.100
924
3,5
3.234,0
35,6
32.894,4
33,0
30,5
3
vleeskalveren tot 8 maanden
A 4.100
1056
3,5
3.696,0
35,6
37.593,6
33,0
34,8
4
vleeskalveren tot 8 maanden
A 4.100
880
3,5
3.080,0
35,6
3.1328,0
33,0
29,0
5
Vleeskalveren tot 8 maanden
A 4.2a
924
1,1
1.016,4
19,6
18.110,4
8,0
7,4
Totaal
Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen
14.753,9
157.840,4
136,9
9
2.2 Beoogde situatie Om het bedrijf in te kunnen laten spelen op bijvoorbeeld wijzigende wetgeving met betrekking tot dierenwelzijn wenst initiatiefnemer de vorm van het bestaande bouwvlak te wijzigen. In de beoogde situatie loopt het bouwvlak recht vanaf de straat naar achteren, parallel aan de stallen. Het bouwvlak dat in de huidige situatie om het karspoor heen loopt wordt in de beoogde situatie achter stal 5 geplaatst. Hierdoor is het mogelijk om in de toekomst stal 5 te verlengen wanneer dit om bijvoorbeeld dierenwelzijnseisen noodzakelijk is. Het puinpad naast stal 5 is ten behoeve van de bouw van stal 5 is aangelegd. De verharding (puinpad) wordt verwijderd en het perceel zal weer volledig in gebruik genomen worden als grasland. In stal 1 bevindt zicht een in- en uitgang. Vanuit de in- en uitgang van stal 1 worden de kalveren van en naar stal 5 geleid middels een gang. In onderstaande afbeelding is een uitsnede van de plattegrondtekening weergegeven met daarop de in- en uitgang van de stal en de looproute van de kalveren. Dit veranderd in de beoogde situatie niet.
In- en uitgang
Looproute kalveren
Afbeelding 6: uitsnede plattegrondtekening stal 1 en stal 5 inclusief looproute kalveren Met de beoogde ontwikkeling blijft de omvang van het bouwvlak nagenoeg gelijk. Er is zelfs sprake van een kleine afname van 20.816 m2 naar 20.759 m2. Er vindt dus geen vergroting van het bouwvlak plaats. De bestaande stallen en sleufsilo blijven daarbij ongewijzigd. Er vindt geen wijziging plaats van de gebouwen en/of het aantal dieren. In afbeelding 7 is de vormverandering van het bouwvlak weergegeven.
Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen
10
Afbeelding 7: vormverandering van het bouwvlak weergegeven (bron: Qgis)
Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen
11
3. Beleidskader In dit hoofdstuk wordt het relevante beleid uiteengezet. Het initiatief wordt getoetst aan het provinciaal en gemeentelijk beleid. Gezien het feit dat het initiatief dusdanig klein van aard is dat het geen invloed heeft op nationaal beleid, wordt dit beleidskader niet beschreven. 3.1 Provinciaal beleid Het geldende ruimtelijke beleid van de provincie Noord-Brabant is omschreven in de Omgevingsvisie, Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
3.1.1
Omgevingsvisie Noord-Brabant
De provincie Noord-Brabant heeft op 14 december 2018 de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsvisie vindt zijn legitimatie in de Omgevingswet. Vanzelfsprekend staan de achterliggende doelen van de Omgevingswet dan ook centraal in de positiebepaling van de Brabantse Omgevingsvisie. Onder het motto ‘eenvoudig beter’, doelt de Omgevingswet op meer inzichtelijkheid, en een grotere voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. Het doel van de omgevingsvisie is om de kwaliteit van de leefomgeving voor alle Brabanders te verbeteren. In de visie is voor verschillende programma’s de ambitie geformuleerd hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien. Daarbij zijn mobiliserende tussendoelen gesteld voor 2030 om het einddoel te kunnen bereiken. De uitwerking in programma’s is een opgave die de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Het belangrijkste programma dat hier een rol speelt is ‘omgevingskwaliteit’. Het Brabantse doel voor 2050 in dit programma is:
‘Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal.’ Het tussendoel voor 2030 in dit programma is:
‘Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak.’ Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten zoals een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke- en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Het initiatief voldoet aan het tussendoel voor 2030 omdat aan alle milieu wet- en regelgeving wordt voldaan. Door een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de projectlocatie wordt ook een positieve bijdrage geleverd aan de leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt een eerste stap gezet richting het einddoel van 2050. Het initiatief past dus binnen de Omgevingsvisie voor Noord-Brabant.
3.1.2
Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014
De Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 (Sv 2014) betreft een herziening van de op 1 oktober 2010 vastgestelde Structuurvisie ruimtelijke ordening. De partiële herziening is door Provinciale Staten van Noord-Brabant op 7 februari 2014 vastgesteld en in werking getreden op 19 maart 2014. De Structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 weer (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen
12
voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De genoemde visie is vertaald in de regels van de Verordening ruimte Noord-Brabant en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid. Volgens de structurenkaart, zie onderstaande afbeelding, ligt de projectlocatie in het gemengd landelijk gebied. In het gemengde landelijke gebied vindt een vermenging van functies plaats. Naast het gebruik van de gronden ten behoeve van de land- en tuinbouw, is er ook plaats voor natuur, water, recreatie, toerisme en kleinschalige stedelijke functies. Omdat de locatie in het gemengde landelijk gebied ligt, hanteert de provincie het multifunctionele gebruik als uitgangspunt. Deze veehouderij is dus onderdeel van een multifunctioneel gebied. Er bevinden zich naast de bestaande veehouderij ook horeca, bedrijven en woningen in de directe omgeving. Het initiatief past daarom binnen de uitgangspunten van de Sv 2014.
Afbeelding 8: uitsnede Sv 2014 (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
3.1.3
Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant
De Interim omgevingsverordening (Iov) betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Iov is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de op handen zijnde Omgevingswet moet worden vastgesteld en die verplicht is voor provincies. De Iov is op 25 oktober 2019 door Provinciale Staten vastgesteld en is op 5 november 2019 in werking getreden. De Iov is opgesteld vanuit een doelgroepenbenadering. Dit is ook het systeem dat de Omgevingswet, en de daaronder liggende wetgeving, hanteert. Dit betekent dat de regels in de Iov zijn gegroepeerd in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel, de zogenaamde normadressaat, leidend is. Regels waar gemeenten bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening mee moeten houden zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Deze regels zijn in de vorm van instructieregels opgenomen waarbij de verschillende niveau’s zijn opgedeeld in meerdere afdelingen. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.1.2.
Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waar een projectlocatie in is gelegen. In dit geval is de projectlocatie gelegen binnen de aanduidingen Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen
13
‘Cultuurhistorische waardevol gebied’, ‘Gemengd ‘Stalderingsgebied’, zie onderstaande afbeelding.
landelijk
gebied’,
‘Landelijk
gebied’
en
Afbeelding 9: uitsnede kaart Iov, kaartlagen hst. 3 (bron: viewer 01-03-2020)
De voorwaarden behorende bij deze aanduidingen zijn opgenomen in de volgende artikelen - 3.29 cultuurhistorische waarden - 3.49 veehouderij in landelijk gebied - 3.50 aanvullende regels nieuw dierenverblijf - 3.52 aanvullende regels stalderen Hierna wordt achtereenvolgens aan de relevante artikelen van de Iov getoetst. Aangezien het initiatief geen betrekking heeft op het oprichten of uitbreiden van een dierenverblijf, vindt geen nadere toetsing plaats met betrekking tot artikel 3.49, 3.50 en artikel 3.52. In de Iov zijn regels opgenomen voor vormverandering van een bouwperceel of bestemmingsvlak. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2) Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: - zorgvuldig ruimtegebruik; - de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; - meerwaardecreatie. Deze aspecten zijn in de Iov nader uitgewerkt in de artikel 3.6 t/m 3.8. Daarnaast geldt voor ontwikkelingen in het landelijk gebied ook dat er sprake moet zijn van kwaliteitsverbetering (zie artikel 3.9). Deze artikelen worden hieronder nader toegelicht.
Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel. 3.6)
Conform artikel 3.6 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van een bestaand ruimtebeslag. Een bestaand ruimtebeslag is gelegen binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ of een bestaand bouwperceel. Wanneer er sprake is van een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Alle gebouwen, bijbehorende bouwwerken en ander permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel.
Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen
14
De beoogde ontwikkeling betreft een vormverandering van een bestaand bouwvlak binnen de agrarische bestemming. Het bouwvlak blijft hierbij gelijk in omvang. Er vindt geen uitbreiding van gebouwen plaats. De ontwikkeling betreft hiermee geen stedelijke ontwikkeling. Er is geen sprake van uitbreiding van het ruimtegebruik.
Toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7)
De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen. Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: - de ondergrond - de netwerklaag - de bovenste laag Met het effect op de ondergrond worden o.a. de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze ruimtelijke onderbouwing.
Meerwaardecreatie (artikel 3.8)
Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. In dit project wordt meerwaarde gecreëerd door de vormverandering van het bouwvlak te combineren met een goede landschappelijke inpassing.
Kwaliteitsverbetering (artikel 3.9)
Een bestemmingsplan in landelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Daarnaast moet worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, het slopen van bebouwing of aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Deze vormen van kwaliteitsverbetering moeten worden geborgd in het bestemmingsplan. Over de exacte invulling van de kwaliteitsverbetering zijn in het regionaal ruimtelijk overleg tussen gemeenten en provincie afspraken gemaakt. Binnen de gemeente Oss is afsprakenkader van de regio Noordoost van toepassing. Hierin is de ontwikkeling aangemerkt als een categorie 2 ontwikkeling wat betekent dat enkel een goede landschappelijke inpassing noodzakelijk is. De aanleg en instandhouding van deze landschappelijke inpassing wordt feitelijk en juridisch verzekerd door de opname van een bepaling in de regels van het bestemmingsplan en door dit vast te leggen in een anterieure overeenkomst.
Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen
15
Artikel 3.29 cultuurhistorische waarden De projectlocatie is gelegen binnen cultuurhistorische waarden. Een bestemmingsplan van toepassing op Cultuurhistorisch waardevol gebied: a. is mede gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken zoals beschreven in de Cultuurhistorische Waardenkaart; b. stelt regels ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.
In Paragraaf 4.6 Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie wordt ingegaan op de cultuurhistorische waarden van de projectlocatie en hoe er voldaan wordt aan regels van artikel 3.29 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
Bovenstaand is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de regels zoals gesteld in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Zoals blijkt uit deze ruimtelijke onderbouwing kan worden voldaan aan de voorwaarden die gelden voor een bestemmingsplan. 3.2 Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is omschreven in de gemeentelijke structuurvisie en het bestemmingsplan.
3.2.1
Structuurvisie ‘Buitengebied Oss – 2015’
De gemeenteraad van Oss heeft de structuurvisie ‘Buitengebied Oss – 2015’ op 17 september 2015 vastgesteld. De sstructuurvisie ‘Buitengebied Oss – 2015’ geeft een samenhangend beeld van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling (toenmalige) grondgebied van de gemeente Oss. De structuurvisie is een visie op hoofdlijnen en vormt daarmee een belangrijk (toetsing)kader voor het initiëren, beoordelen, afwegen en vaststellen van nieuwe ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen en projecten. Met deze structuurvisie streeft de gemeente Oss naar een robuuste en duurzame ruimtelijke structuur voor een vitaal en multifunctioneel buitengebied. Dit moet onder andere resulteren in een vitaal buitengebied, waar een goed evenwicht is tussen alle aanwezige functies zoals landbouw, toerisme, recreatie, natuur, water en wonen. In onderstaande afbeelding een uitsnede van plankaart structuurvisie ‘Buitengebied Oss – 2015’ weergeven.
projectlocatie
Afbeelding 10: uitsnede plankaart structuurvisie ‘Buitengebied Oss – 2015’ (bron:www.ruimtelijkeplannen.nl) In de structuurvisie is het buitengebied onderverdeeld in verschillende gebiedstypen. De projectlocatie is gelegen in het ‘Komgebied’. Een groot gedeelte van de gemeente Oss is in het komgebied gelegen. Het komgebied bestaan uit kleiige, relatief laaggelegen gronden. De kenmerkende openheid van dit gebied is
Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen
16
uniek voor Noordoost-Brabant. De openheid van het gebied is niet alleen ruimtelijk gezien gewenst maar is ook voor weidevogels van levensbelang. Met erfbeplanting rond agrarische bedrijven moet terughoudend worden omgegaan, omdat deze de openheid kunnen aantasten. Het komgebied kent een zeer regelmatig, rationeel, rechtlijnig verkavelingspatroon. De ruimtelijke opbouw wordt bepaald door weides, strakke waterlopen, de eendenkooien, boerderijen en de randen van de oeverwal en de dekzandrand. Dit patroon blijft zoveel mogelijk behouden. In het komgebied heeft de landbouw nog volop mogelijkheden. Initiatiefnemer is voornemens om de vorm van het bestaande bouwvlak te wijzigen. De omvang van het bouwvlak blijft hierbij gelijk. Daarnaast vindt er geen wijziging/uitbreiding plaats van het aanal dieren en/of gebouwen. De beoogde vormverandering van het bouwvlak heeft geen invloed op het open landschap. Het gebied wordt niet aangetast c.q. gewijzigd. In het voorgestelde landschappelijke inpassingsplan wordt terughoudend omgegaan met erfbeplanting om zo het open landschap niet aan te tasten (zie bijlage 1). Derhalve kan worden geconcludeerd dat het initiatief past binnen de uitgangspunten van de structuurvisie ‘Buitengebied Oss – 2015’.
3.2.2
Nota landschapsbeleid 2015 Landschapsbeleid
De ‘Nota Landschapsbeleid 2015’ is op 17 september 2015 vastgesteld door gemeenteraad van de gemeente Oss. De ‘Nota Landschapsbeleid 2015’ zorgt voor een beleidskader en heeft een sturende werking bij ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied. In de Nota Landschapsbeleid wordt per deelgebied beschreven wat de landschappelijke visie is. De verschillende deelgebieden zijn: - Uiterwaarden - Oeverwal - Komgebied - Dekzandrand - Dekzandrug Per deelgebied wordt aangegeven wat de ontwikkelingsvisie is. Daarbij worden aandachtspunten voor uitwerking en uitvoering geschetst. De projectlocatie is gelegen in het komgebied van de gemeente Oss. De belangrijkste kwaliteit van het komgebied is het open karakter. In paragraaf 4.7 Landschappelijke inpassing wordt verder toegelicht hoe het betreffende project kan voldoen aan de landschappelijk visie van de gemeente Oss.
3.2.3
Bestemmingsplan
Zoals al in de inleiding van deze ruimtelijke onderbouwing beschreven is voor de projectlocatie het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss - 2020’ is vastgesteld en op 25 september 2020 in werking getreden. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss - 2020’ is voor de projectlocatie een bouwvlak opgenomen met daarbij de volgende bestemmingen en aanduidingen (zie afbeelding 11): - Enkelbestemming: Agrarisch met waarden – Landschap; - Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie verwachtingswaarde middelhoog (gedeeltelijk); - Functieaanduiding: specifieke vorm van agrarisch – veehouderij; - Maatvoering: maximum aantal wooneenheden: 2; - Gebiedsaanduiding: overige zone – komgebied; - Gebiedsaanduiding: overige zone – overig agrarisch gebied; Het bouwvlak is ongeveer 2 hectare groot, namelijk 20.816 m2.
Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen
17
Afbeelding 11: uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied Oss - 2020' (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
In het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ is de beoogde ontwikkeling niet rechtstreeks mogelijk. Wel is er in het bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee de voorgenomen ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt (art. 40.2). Deze voorwaarden worden in deze paragraaf waar nodig nader toegelicht. De gemeente Oss heeft per brief (kenmerk 4091367) kenbaar gemaakt onder voorwaarden mee te willen werken aan de gewenste vormverandering. Hierdoor kan het initiatief meegenomen worden in veegplan ‘Ontwikkelingen Buitengebied Oss - 2020’ dat nu in voorbereiding is. De gemeente heeft aangegeven mee te willen werken aan wijziging van het bestemmingsplan onder voorwaarden zoals opgenomen in artikel 40.2 Wijziging vormverandering agrarisch bouwvlak van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss - 2020’. Deze voorwaarden zijn: a) de oppervlakte van het te wijzigen bouwvlak niet wijzigt;
De omvang van het bouwvlak neemt af met 57 m2. Deze wijzigt van 20.816 m2 naar 20.759 m2 .
b) aangetoond is dat voldaan wordt aan de eisen van de milieuwetgeving (ammoniak, geur, volksgezondheid en dergelijke) en er geen onevenredige nadelige gevolgen zijn voor de in de omgeving aanwezige waarden (zoals water, ecologie, Natura 2000-gebied, landschap, cultuurhistorie en archeologie) en voor de belangen van derden;
In hoofdstuk 4 ‘Milieuhygiënische en planologische aspecten’ wordt getoetst aan de milieuwetgeving als in onder andere ammoniak, geur, volksgezondheid en andere in de omgeving aanwezige waarden zoals water, ecologie, Natura 2000-gebied, landschap, cultuurhistorie en archeologie. Hierin wordt aangetoond dat voldaan kan worden aan de eisen van de milieuwetgeving.
c) het bouwvlak goed en zorgvuldig landschappelijk wordt ingepast met inheemse beplanting;
het bouwvlak wordt landschappelijk ingepast. Dit wordt nader toegelicht in paragraaf 4.7 ‘landschappelijke inpassing’. In bijlage 1 is het landschappelijk inpassingsplan bijgevoegd.
d) een goede uitstraling van het geheel in stedenbouwkundige, landschappelijke en/of architectonische zin wordt bereikt.
Er is alleen sprake van vormverandering. Er worden geen nieuwe gebouwen opgericht. Met behulp van de landschappelijke inpassing wordt een goede uitstraling van de gehele projectlocatie bereikt.
Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen
18
De beoogde ontwikkeling is passend binnen het gemeentelijk beleid en is getoetst, aan het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’. Zoals blijkt uit deze ruimtelijke onderbouwing kan worden voldaan aan de voorwaarden van het bestemmingsplan.
Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen
19
4. Milieuhygiënische en planologische aspecten Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieuhygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen, waaronder wijzigingsplannen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: - Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. - Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; Ten aanzien van het eerste criterium geldt dat er in deze situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. In paragraaf 4.3 is een uitgebreide toelichting opgenomen voor de mogelijke effecten van het plan op de Natura 2000-gebieden.
Op basis van deze paragraaf kan worden geconcludeerd dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Voor de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van vee zijn de grenswaarden opgenomen in categorie C14 en D14. Voor het houden van vleeskalveren zijn in D14 grenswaarden opgenomen van respectievelijk 1.200 vleesrunderen. In de beoogde bedrijfsopzet is geen sprake van een oprichting, wijziging of uitbreiding van het dierenverblijf en/of dieren. Ten aanzien van vormverandering van het bouwvlak zonder vergroting, zijn geen grenswaarden opgenomen in het beluit. Omdat er geen oprichting, wijziging of uitbreiding van het dierenverblijf en/of dieren plaats vindt en er geen sprake is van het oprichten/wijzigen/ of uitbreiden van een bouwwerk vinden er geen wijzigen plaats die nadelige gevolgen kunnen hebben op het milieu en haar omgeving.
Gezien de kenmerken van het project (waaronder de geringe omvang), de plaats van het plan (waaronder het bestaande grondgebruik en de afstand tot Natura 2000-gebieden zoals hiervoor omschreven) en de kenmerken van het potentiele effect (de omgevingsaspecten zoals hiervoor omschreven) is uitgesloten dat significant negatieve effecten op instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden ontstaan. Ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden die maken dat uitvoering van dit plan kan leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen die het verrichten van nader milieuonderzoek noodzakelijk maken Er kan dus geconcludeerd worden dat er geen sprake is van een toekomstige m.e.r.(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criteria geldt er daarom geen plicht tot het opstellen van een MER. Er is daarom geen sprake van een toekomstig m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. 4.2 Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden.
De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: - Beschrijving waterrelevant beleid; - Bestaande waterhuishoudkundige situatie; - Beoogde waterhuishoudkundige situatie. Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen
20
4.2.1
Waterrelevant beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
De belangrijkste aspecten zijn: - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; - Een betere waterveiligheid door preventie; - Koppeling van waterberging en droogtebestrijding; In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn ook instructieregels opgenomen voor waterschappen. Op de kaart behorende bij deze instructieregels is de projectlocatie gelegen in ‘Aangewezen gebied voor peilbesluit’ en ‘Norm wateroverlast buiten Stedelijk gebied’. Zie onderstaande afbeelding.
Afbeelding 12: uitsnede kaart Iov, kaartlagen hst. 4 (bron: viewer 01-03-2020)
In Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn regels vastgelegd in de Iov voor aanduiding ‘Aangewezen gebied voor peilbesluit’. Op grond van artikel 5.2 van de Waterwet worden bij of krachtens provinciale verordening de oppervlaktewaterlichamen en/of grondwaterlichamen aangewezen waarvoor de beheerder peilbesluiten moet vaststellen. In het peilbesluit worden, op een voor de beheerder bindende wijze, waterstanden opgenomen of bandbreedten waarbinnen de waterstanden onder reguliere omstandigheden kunnen variëren. Een peilbesluit geeft de belangen aan, zoals droge voeten, natuur, landbouw, voorkomen zetting, droge Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen
21
kruipruimte, en welk peil gehandhaafd wordt. Hierdoor weet een belanghebbende waar hij of zij het gebruik op kan instellen. De verplichting tot het vaststellen van een peilbesluit is in deze verordening alleen opgelegd voor die gebieden waar het waterschap onder normale omstandigheden de wateraanvoer en waterafvoer kan beheersen. De desbetreffende gebieden zijn aangewezen op de plankaart behorende bij de Interim omgevingsverordening. In de beoogde situatie is sprake van vormverandering van het bouwvlak. De omvang van het bouwvlak als ook het verhard oppervlakte blijven daarmee ongewijzigd. De beoogde ontwikkeling heeft hiermee geen invloed op het peilbesluit dat door het Waterschap is vastgesteld. De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat, is beschreven in het Provinciaal Milieu en Waterplan (PMWP). Provinciale Staten hebben op 18 december 2015 het Provinciaal Milieuen Waterplan 2016 – 2021 ‘Samen naar een duurzaam gezonde en veilige leefomgeving in Brabant’ vastgesteld (PMWP). Hiermee zijn twee aparte provinciale plannen samengevoegd, te weten het voormalige ‘PWP 2010-2015’ en het ‘Provinciale Milieuplan 2012-2015’. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen.
Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd gaat het PMWP voor: - Voldoende water voor mens, plan en dier; - Schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); - Bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; - Verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in hun PMWP stelt. De PMWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend. Zoals weergegeven is in afbeelding 13 heeft de projectlocatie in het PMWP de waterhuishoudkundige functie ‘Water voor het gemengd landelijk gebied’ toegekend gekregen. Deze aanduiding komt overeen met de aanduiding ‘gemengd landelijk gebied’ uit de Structuurvisie ruimtelijke ordening. Het waterbeheer richt zich op een goede waterhuishouding voor een duurzame en concurrerende landbouw. Randvoorwaarden zijn de verplichtingen uit de Kaderrichtlijn Water en afstemming met de maatregelen voor de Natura 2000-gebieden en de Natte natuurparels. Voor het overige geldt geen specifiek beschermingsbeleid.
Afbeelding 13: uitsnede PMW 2016-2021 kaart 1 (bron: www.ruimtelijkeplanen.nl)
Op de kaart 2 en 3 behorende bij de PMWP heeft de projectlocatie geen aanduiding gekregen. Volgens het beleidskader van de PMWP is dus geen specifiek beschermingsregime van toepassing binnen de projectlocatie. Hiermee past het initiatief binnen het beleidskader van de PMWP. Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen
22
Waterschap Aa en Maas is de beheerder van zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in de omgeving van de projectlocatie.
Uitgangspunten watertoets waterschap Aa en Maas
Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient de initiatiefnemer hier invulling aan te geven:
1. Wateroverlastvrij bestemmen
Bij de locatiekeuze voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de norm uit het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). In eerste instantie zal bij de locatiekeuze van een ontwikkeling gezocht moeten worden naar een plek „die hoog en droog genoeg‟ is. Mocht dit echter niet mogelijk of wenselijk zijn, dan zal in de compenserende of mitigerende sfeer gezocht moeten worden naar maatregelen die het gewenste beschermingsniveau tegen wateroverlast helpen realiseren. Liever nog dan mitigeren of compenseren, wordt bij voorkeur gebouwd op locaties die als gevolg van hun ligging nú al voldoen aan de NBW-norm voor de toekomstige functie.
2. Gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater
Het streefbeeld is het afvoeren van het vuile water via de riolering en het binnen het plangebied verwerken van het schone hemelwater. Afhankelijk van de omstandigheden ter plaatse kan een compromis gesloten worden, waarbij de minimale inzet (in bestaand bebouwd gebied) is om het vuile en het schone water gescheiden aan te bieden op het (reeds aanwezige) gemengde rioolstelsel. Het waterschap zal echter niet akkoord gaan met de aanleg van nieuwe gemengde rioolstelsels.
3. Doorlopen van de afwegingsstappen: “hergebruik - infiltratie - buffering -afvoer”
In aansluiting op het landelijke beleid (NW4, WB21) hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Hierbij worden de afwegingsstappen “hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer” (afgeleid van de trits “vasthouden - bergen - afvoeren”) doorlopen. Hergebruik van hemelwater wordt voornamelijk overwogen bij grootschalige voorzieningen als scholen, kantoorgebouwen ed. Voor particuliere woningen wordt dit, ook gezien de landelijke ervaringen met grijswatersystemen, niet gestimuleerd. Binnen grondwaterbeschermingsgebieden kunnen door de grondwaterbeheerder (provincie) aanvullende kwalitatieve eisen gesteld worden in de Provinciale Milieu Verordening. Ook kan een vergunning nodig zijn van de grondwaterbeheerder.
4. Hydrologisch neutraal ontwikkelen
Nieuwe ontwikkelingen dienen te voldoen aan het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen, waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de uitgangssituatie. Hierbij mag de natuurlijke GHG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand) niet verlaagd worden en mag bijvoorbeeld bij transformatie van landelijk naar bebouwd gebied de oorspronkelijke landelijke afvoer in de normale situatie niet overschreden worden. Het waterpeil sluit aan bij optimale grondwaterstanden en in poldergebieden worden seizoensfluctuaties toegestaan.
5. Water als kans
”Water” wordt door stedenbouwkundigen bij inrichtingsvraagstukken vaak benaderd als een probleem (“er moet ook ruimte voor water gecreëerd worden, en m2 zijn duur”). Dat is erg jammer, want “water” kan ook een meerwaarde geven aan het plan, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de belevingswaarde van water. Zo is „wonen aan het water‟ erg gewild, een mooie waterpartij met bijbehorend groen wordt door vele inwoners gewaardeerd etc.
6. Meervoudig ruimtegebruik
“Er moet ruimte voor water gecreëerd worden, en m2 zijn duur”. Maar door bij de inrichting van een plangebied ruimte voor twee of meer doeleinden te gebruiken, is het “verlies” van m2 als gevolg van de Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen
23
toegenomen ruimtevraag vanuit water te beperken. Zo is het in bepaalde gevallen mogelijk om het flauwe talud ook te gebruiken als onderhoudsstrook. Flauwe taluds geven veel ruimte voor buffering van water, maar zijn ook te gebruiken voor recreatieve doeleinden (een fietspad dat af en toe niet te gebruiken is).
7. Voorkomen van vervuiling
Bij de inrichting, het bouwen en het beheer van gebieden wordt het milieu belast. Vanuit zijn wettelijke taak ten aanzien van het waterkwaliteitsbeheer streeft het waterschap ernaar om nieuwe bronnen van verontreiniging zoveel mogelijk te voorkomen. Deze bronaanpak is ook verwoord in het Emissiebeheersplan. Het waterschap besteedt hier reeds aandacht aan in de fase van de watertoets, zodat dit aspect als randvoorwaarde kan worden meegenomen in het verdere ontwerpproces.
8. Waterschapsbelangen
Er zijn „waterschapsbelangen‟ met een ruimtelijke component. Dit betreft het volgende: a) ruimteclaims voor waterberging b) ruimteclaims voor de aanleg van natte EVZ‟s en beekherstel c) aanwezigheid en ligging watersysteem d) aanwezigheid en ligging waterkeringen e) aanwezigheid en ligging van infrastructuur en ruimteclaims tbv de afvalwaterketen in beheer van het waterschap. Indien deze belangen een rol spelen in het ruimtelijke plan dan zou hieraan in de toelichting, de voorschriften en de plankaart aandacht besteed moeten worden. Indien deze belangen een rol spelen in het ruimtelijke plan dan zou hieraan in de toelichting, de voorschriften en de plankaart aandacht besteed moeten worden.
Waterbeheerplan 2016-2021
In het Waterbeheerplan (WBP) beschrijft het waterschap Aa en Maas haar doelstellingen voor de periode 2016 – 2021 en de wijze waarop deze doelstellingen bereikt moeten worden. Hiermee geeft het waterschap invulling aan de verplichting vanuit de Waterwet en de Verordening water NoordBrabant om een waterbeheerplan op te stellen. In het waterbeheerplan wordt een indeling gemaakt in de volgende programma’s: - Veilig en bewoonbaar; - Voldoende water en robuust watersysteem; - Schoon water; - Gezond en natuurlijk water; - Het leveren van maatschappelijke meerwaarde Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.
Keur
De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels.
Legger
De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.
Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen
24
4.2.2
Bestaande waterhuishoudkundige situatie
In de omgeving van het plangebied zijn A-watergangen en B-watergangen gelegen. Deze watergangen zijn opgenomen in de ‘Vastgestelde Legger Oppervlaktewater’ van het Waterschap Aa en Maas. Op navolgende afbeelding is een uitsnede van deze Legger weergegeven. Aan de oostzijde van de projectlocatie is een A-watergang gesitueerd. Om de A-watergang is een beschermingszone gesitueerd. Er is een verbod opgenomen om binnen 5,00 meter breedte, gemeten vanaf de insteek aan beide zijden van een A-watergang om nieuwe obstakels te plaatsen of te hebben. Gelet op de waterhuishoudkundige belangen is het noodzakelijk om deze zone, de beschermingszone, vrij te houden van alle obstakels. Het oprichten van nieuwe obstakels is alleen mogelijk als deze in overeenstemming zijn met de Keur.
Afbeelding 14: uitsnede 'Vastgestelde Legger Oppervlaktewater' (bron: Waterschap Aa en Maas) In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool, via een zogenaamde mechanische riolering waarbij er geen hemelwater via dit systeem geloosd mag worden. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m 3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van good-house-keeping management. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het niet-verontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten.
4.2.3
Beoogde waterhuishoudkundige situatie
In de beoogde situatie wijzigt er niets aan waterhuiskundige situatie. De beoogde ontwikkeling betreft een vormverandering van het bouwvlak. Het bouwvlak wordt daarbij niet vergroot. Er vindt geen toename plaats van het verhard oppervlakte. De waterhuishoudkundige situatie blijft in de beoogde situatie ongewijzigd. De bestaande watergangen in de omgeving van de projectlocatie worden door de uitvoering van het project niet aangetast. Er worden geen nieuwe obstakels opgericht binnen of in de nabijheid van de Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen
25
A-watergang en haar beschermingszone. De afstand van het bouwvlak tot de naastgelegen Awatergang en haar beschermingszone wordt zelfs vergroot. Zoals aangegeven is waterschap Aa en Maas de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het grond- en oppervlaktewater binnen het plangebied. Door middel van de Keur van Waterschap Aa en Maas kan worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het treffen van een retentievoorziening. Momenteel schrijft de Keur van Waterschap Aa en Maas voor dat voor een toename van minder dan 2.000 m² verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn. Het waterschap is voornemens om vanaf 1 april 2021 deze algemene rekenregel toe te passen vanaf een grenswaarde van 500 m2 i.p.v. 2000 m2. Het waterschap is voornemens deze regel op te nemen in het kader van de droogtebestrijding. In de beoogde situatie is er sprake van vormverandering van het bouwvlak. Het huidig bouwvlak heeft een omvang van 20.816 m2 en wijzigt naar 20.759 m2. Er vinden geen wijzigingen plaats met betrekking tot gebouwen en erfverharding. Hierdoor wijzigt het totaal verhard oppervlak niet in de beoogde situatie. Omdat er geen sprake is van een toename van verhard oppervlak hoeven er geen compenserende maatregelen te worden getroffen.
Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.3 Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.
4.3.1
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. De Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: - Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; - Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; - Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; - Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; - Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan.
Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Verordening de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze Ruimtelijke onderbouwing Beemdenweg 2a/2b, Herpen
26
gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Interim omgevingsverordening (Iov). Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform paragraaf 3.2.3 van de Iov is binnen de projectlocatie geen NNB aanwezig, zie afbeelding 15. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016.