CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

b_NL.IMRO.0828.BPveldekestraatoss-VG01_tb1

Gemeenteraad 17 oktober 2024, gemeente OssBij agendapunt: A Vaststelling bestemmingsplan ‘Veldekestraat Oss – 2024’20.879 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

BESTEMMINGSPLAN Veldekestraat Oss - 2024 Bijlage bij toelichting

Gemeente Oss | Raadhuislaan 2 | 5341 GM | Oss | T: 14 0412 | F: 0412 642605 | www.oss.nl |

Veldekestraat Oss - 2024

Veldekestraat Oss - 2024 pag 2 van 247 vastgesteld

Inhoudsopgave

bijlagen Bijlage 1

3 bijlageboek

4

Veldekestraat Oss - 2024 pag 3 van 247 vastgesteld

bijlagen

Veldekestraat Oss - 2024 pag 4 van 247 vastgesteld

Bijlage 1 bijlageboek

Bijlagenboek Veldekestraat Oss – 2024, pag. 1 van 1

Bijlagenboek behorend bij Bestemmingsplan Veldekestraat Oss – 2024

1. Quickscan Flora en Fauna – Bureau Buitenwaard 2. Nader soortenonderzoek Flora en Fauna – Bureau Buitenwaard 3. Stikstofdepositieberekening (incl. 3 bijlagen) – Kubiek Ruimtelijke Plannen 4. Archeologisch onderzoek – Synthegra 5. Akoestisch onderzoek – SPA WNP Ingenieurs 6. Parkeeronderzoek – Tritium Advies 7. Verkennend bodemonderzoek – BOOT ingenieursbureau 8. Digitale Watertoets – Kubiek Ruimtelijke Plannen 9. Selectiebesluit Archeologie – Gemeente Oss 10. Eindrapportage soortgericht onderzoek – Oss – 240624

Briefrapportage ecologische quickscan Opgesteld door

Dhr. Jaap (D.J.) Gijsbertsen MSc.

Op aanvraag van

Kubiek Ruimtelijke Plannen

Contactpersoon

Dhr. Tjeerd Visser

Datum

30 augustus 2023 (v1.1)

Betreft

Briefrapportage ecologische quickscan, Elzeneindpark, Oss

Geachte ontvanger, In deze briefrapportage treft u de terugkoppeling van de door ons uitgevoerde ecologische quickscan, in plangebied Elzeneindpark te Oss (provincie Noord-Brabant).

1. Inleiding Bij ruimtelijke ontwikkelingen zijn een ecologisch vooronderzoek en toetsing aan de Wet natuurbescherming verplicht. Daarnaast is het vanuit zorgvuldigheidsoverwegingen, bij bestendig beheer en onderhoud in sommige gevallen raadzaam een verkennend ecologisch onderzoek uit te voeren. Bijvoorbeeld wanneer een maatregel invloed kan hebben op beschermde soorten die ter plaatse kunnen voorkomen. Een verkennend vooronderzoek wordt uitgevoerd in de vorm van een ecologische quickscan. In deze briefrapportage worden de bevindingen uit de door ons uitgevoerde quickscan beschreven en zijn de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ingreep getoetst aan het kader van de Wet natuurbescherming. Hierbij worden de volgende vragen beantwoord: a. Welke onderdelen van de Wet natuurbescherming zijn van belang? b. In hoeverre is de beoogde ontwikkeling strijdig met de Wet natuurbescherming? c. Zijn voorzorgsmaatregelen, nader onderzoek en/of een ontheffing nodig? d. Wat zijn de gevolgen voor de verdere planvorming en uitvoering van het voornemen?

2. Wettelijk kader Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) van kracht. De Wnb is het wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie eerdere wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wnb voorziet in bescherming van (natuur)gebieden, houtopstanden (bomen) en soorten (flora en fauna). Het beschermingsregime gaat uit van het “nee, tenzij-principe”. Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb altijd van toepassing is. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten van de provincie waarbinnen het plangebied gesitueerd is vormt het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling.

3. Werkwijze Onderstaand treft u een beschrijving van de bij deze quickscan gevolgde werkwijze. Deze werkwijze is gebaseerd op de hiervoor geldende richtlijnen van het Ministerie van Economische Zaken (Soortbescherming bij ruimtelijke ingrepen, 2017). De scope van dit onderzoek betreft het plangebied

(daar waar de ingreep plaats vindt) en de context hiervan (samen het onderzoeksgebied) voor zover de verspreiding van soorten, biotoopkenmerken of verwachte effecten hier aanleiding toe geven. Literatuuronderzoek Allereerst is een literatuuronderzoek uitgevoerd. In het onderzoek naar effecten op beschermde gebieden en houtopstanden zijn kaarten en het beschermingsregime uit de provinciale database, aangevuld met BIJ12 bronnen, geraadpleegd. Voor de soortgerichte bescherming is een studie naar de voor het plangebied relevante soort(groepen) uitgevoerd. Hierbij is gebruik gemaakt van actuele soortverspreidingsinformatie uit de database van Bureau Buitenwaard, diverse verspreidingsatlassen en gevalideerde onlinedata uit de Nationale Databank Flora en Fauna 1 . In aanvulling hierop zijn de bronnen zoals vlinderstichting.nl, ravon.nl, waarneming.nl, EIS-nederland.nl, zoogdiervereniging.nl en verspreidingsatlas.nl geraadpleegd. Door te kijken naar een combinatie van verspreidingsgegevens, de voorkeurshabitat en dispersieafstanden van soorten is in beeld gebracht welke beschermde flora en fauna kan voorkomen in het plangebied. Verkennend veldbezoek Aanvullend is door een ecoloog2 van Bureau Buitenwaard een verkennend veldbezoek uitgevoerd. Doel van dit veldbezoek is een inschatting te maken van de ecologische kwaliteiten van het plangebied in relatie tot de voorgenomen ingreep.

Tijdens het veldbezoek is de aanwezige biotoop3 beoordeeld en zijn de bevindingen uit het literatuuronderzoek vergeleken met de actuele situatie in het veld. Het verkennend veldbezoek is uitgevoerd door ecoloog D.J. Gijsbertsen op 12 juli 2023. Tijdens het verkennend veldbezoek was het 19 °C, wind WZW 4 en half bewolkt. Ten tijde van een veldbezoek, zijn niet alle soorten zichtbaar aanwezig. Veel planten zijn in de winterperiode bijvoorbeeld afgestorven boven de grond en diersoorten zijn vaak alleen ’s nachts actief of verblijven een deel van het jaar elders. Daarom zijn de eisen die soorten met betrekking tot hun vaste rust- en verblijfplaats, foerageergebied of migratieroute aan hun leefomgeving stellen, vergeleken met en getoetst aan de situatie in het plangebied. Voor flora is gelet op de groeiplaats omstandigheden, voor fauna op de habitat eisen van een soort. Op deze manier is het belang van het plangebied voor soorten die niet zijn waargenomen maar wel kunnen voorkomen beoordeeld.

1) In de NDFF zijn binnen een zoekgebied van circa 5 km om het plangebied waarnemingen van de afgelopen 5 jaar geraadpleegd. 2) Het ministerie van LNV verstaat onder een ter zake kundige een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soort specifieke ecologie. De ervaring en kennis dient te zijn opgedaan doordat de ter zake kundige: - op HBO-, dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of op MBO niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Flora- en faunawet, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of, - als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN, EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen, en Stichting Beheer Natuur en Landelijk gebied) en/of, - zich aantoonbaar actief inzet op het

gebied van de soortenmonitoring en/of bescherming. 3) Een biotoop is een gebied met een uniform landschapstype waarin een bepaalde levensgemeenschap met organismen kan gedijen. Binnen een biotoop kunnen voor soorten geschikte habitats worden onderscheiden.

Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan

Pagina 2 van 17

4. Plangebied en voorgenomen ontwikkeling Situering plangebied Het plangebied (fig. 1) ligt in de provincie Noord-Brabant, binnen de bebouwde kom van Oss, ten zuidwesten van het stadscentrum.

Figuur 1 | Situering van het plangebied (rood omlijnd). (bron ondergrond: OpenStreetMaps.nl)

Actuele situatie In het plangebied zijn twee gebouwencomplexen aanwezig. Aan de westzijde enkele geschakelde, appartementen (Van Veldekestraat) met een gedeeltelijk pannendak en aan de oostzijde een laag gebouw met meerdere vleugels afgewerkt met een plat dak (Coornhertstraat). Beide gebouwen zijn opgetrokken uit baksteen en voorzien van een spouwmuur. Rondom de gebouwen, binnen het plangebied, liggen perken met sierplanten, heggen en enkele bomen. De ruimere context is ingevuld met gazon met verspreid enkele opgaande bomen. De ruimere context van het plangebied kenmerkt zich door ruim opgezette stedelijke (hoog)bouw, woonhuizen en een kinderboerderij omringd door parken, laanbeplanting en infrastructuur. Ten zuidwesten van het plangebied ligt een grote stadsvijver. De afbeeldingen 1 t/m 6 (op de volgende pagina) geven een impressie van de huidige situatie. Voorgenomen ontwikkeling De initiatiefnemer is voornemens de aanwezige bebouwing te slopen en op de vrijkomende locatie meerlaagse appartementencomplexen te realiseren. Hierbij zijn in hoofdlijnen twee scenario’s mogelijk. Eén scenario voorziet in de vervanging van alleen het oostelijke gebouw (nr. 3 in fig. 1) en de nieuwbouw van één appartementencomplex. Het tweede scenario betreft het slopen van beide nu aanwezige gebouwen en nieuwbouw van twee appartementencomplexen.

Bij de voorgenomen ontwikkeling worden mogelijk ook bomen en delen van de groenstructuren verwijderd. Figuur 2 en 3 geven een impressie van beide scenario’s. Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan

Pagina 3 van 17

Foto 1 t/m 6 | Impressie van het plangebied: LB) westzijde met gebouwen langs de Van Veldekestraat, aan de gevel zijn enkele vleermuiskasten zichtbaar, RB) aantree appartementen Van Veldekestraat, LM) oostzijde met aantree gebouw Coornhertstaat, onder de dakranden zijn open stootvoegen zichtbaar, RM) overzicht met beide gebouwen en gazon gezien vanuit het noordoosten, LO) impressie van gazon met bomen aan de zuidwestzijde van het plangebied RO) detail westgevel appartementen Van Veldestraat, met openingen onder de kantpannen.

Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan

Pagina 4 van 17

Figuur 2 | Impressie toekomstig situatie scenario 1 met realisatie van één meerlaags appartementencomplex (bron: De Loods, stedenbouwkundigplan, 24 mei 2023)

Figuur 3 | Impressie toekomstig situatie scenario 2 met realisatie van twee meerlaagse appartementencomplexen (bron: De Loods, stedenbouwkundigplan, 24 mei 2023)

Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan

Pagina 5 van 17

5. Toetsing en effectbeoordeling beschermde gebieden en houtopstanden Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt buiten de begrenzing van Natura 2000-gebieden (fig. 4). Op circa 11,2 kilometer ten noordwesten ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Rijntakken. Andere Natura 2000gebieden liggen op meer dan 15 kilometer afstand van het plangebied. De situering van het plangebied op geruime afstand van Natura 2000-gebieden buffert eventuele (mechanische) effecten op instandhoudingsdoelen en habitatrichtlijnsoorten als gevolg van bijvoorbeeld licht, trillingen of geluid in de aanleg en gebruiksfase. Dergelijke effecten kunnen daarom redelijkerwijs worden uitgesloten. In sommige situatie treedt externe werking op doordat een ontwikkeling tijdens de aanleg- of gebruiksfase tot emissie van stikstof leidt. De norm voor neerslag in natura 2000-gebieden bedraagt 0,005 mol/ha/jaar. Gelet op de aard van de voorgenomen ontwikkeling en de afstand tot stikstof gevoelige habitattypen lijkt overschrijding van deze norm onwaarschijnlijk. Desgewenst (het bevoegd gezag kan hierom vragen) kan zekerheid verkregen worden over stikstof emissie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling middels een AERIUS-calculatie.

Figuur 4 | Situering plangebied (rode punt) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (groen) en het NNN (blauw)

Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (blauwe vlakken in fig. 4). Voor ruimtelijke ingrepen binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) geldt het ''Nee, tenzij''principe. Ruimtelijke ingrepen zijn hier in principe niet mogelijk, tenzij aangetoond kan worden dat er geen negatieve effecten ontstaan op de wezelijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk. Dit wordt beoordeeld in een “Nee tenzij-toets”. Hierin worden de potentiële effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk getoetst. Wanneer blijkt dat er negatieve effecten verwacht worden, zijn herbegrenzing of compensatiemaatregelen noodzakelijk.

Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan

Pagina 6 van 17

Doordat het plangebied buiten de begrenzing van het NNN ligt en de provinciale ruimtelijke verordening geen bepalingen ten aanzien van externe werking voorschrijft, zijn nader onderzoek en toetsing aan de beschermingsvoorwaarden van het NNN niet noodzakelijk. Houtopstanden Bescherming van houtopstanden in het kader van de Wnb is alleen van toepassing buiten de bebouwde kom. Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom, waardoor geen beperkingen vanuit de Wnb van toepassing zijn. Binnen de bebouwde kom kunnen door de gemeente vastgestelde regels ter bescherming van bomen van toepassing zijn. In Oss is voor het kappen van bomen in principe geen vergunning nodig, tenzij de boom op de ‘bijzondere bomenlijst’ staat of op openbaar terrein staat en dikker is dan 40 cm (diameter gemeten op 1,3 meter boven de grond). Alvorens tot het rooien van bomen over te gaan dient daarom gecontroleerd te worden of de te verwijderen bomen gemeentelijk beschermd zijn.

Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan

Pagina 7 van 17

6. Toetsing en effectbeoordeling beschermde soorten Beschermde soorten stellen doorgaans zeer specifieke eisen aan hun biotoop. Op grond van de kenmerken van het plangebied (de aanwezige habitat) en actuele verspreidingsgegevens kan de aanwezigheid van een aantal onder de Wnb beschermde soort(groep)en op voorhand worden uitgesloten. Dit betreft de soortgroepen flora, vissen, vlinders, libellen en overige ongewervelden. De beschermde soorten die wel in of nabij het plangebied kunnen voorkomen zijn weergegeven in onderstaande tabel (1). Voor een aantal soortgroepen, zoals vleermuizen en vogels is dit overzicht niet uitputtend. In onderstaande toetsing en effectbeoordeling worden de voor het plangebied relevante soorten nader besproken. Tabel 1 | Overzicht van beschermde soorten in (de omgeving van) het plangebied.

Soortgroep

Lokaal aanwezige soorten

Flora

Niet van toepassing

Grondgebonden zoogdieren

o.a. das, eekhoorn, bunzing, wezel, egel, huisspitsmuis en bosmuis

Vleermuizen

o.a. gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis

Vogels jaarrond beschermd (cat. 1 t/m 4)

o.a. buizerd, sperwer, ransuil, gierzwaluw en huismus

Vogels jaarrond beschermd onder bijzonder

o.a. ekster, zwarte kraai, grauwe vliegenvanger en spreeuw

omstandigheden (cat. 5) Vogels algemeen

o.a. roodborst, winterkoning, zanglijster en merel

Reptielen

o.a. levendbarende hagedis en hazelworm

Amfibieën

o.a.

bastaardkikker,

bruine

kikker,

gewone

pad,

Alpenwatersalamander, vinpootsalamander en kleine watersalamander Vissen

Niet van toepassing

Vlinders, libellen en overige ongewervelden

Niet van toepassing

Grondgebonden zoogdieren Uit de omgeving van het plangebied zijn diverse waarnemingen van strikt beschermde grondgebonden zoogdieren bekend. Relevante voorbeelden van deze soorten zijn de das, eekhoorn, bunzing en wezel. Alle bekende waarnemingen zijn afkomstig uit de ruime context van het plangebied; in bossen en velden buiten de bebouwde kom. Binnen het plangebied is voor strikt beschermde grondgebonden zoogdieren beperkt aantrekkelijk habitat aanwezig. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen. Bomen zijn voor zover mogelijk gecontroleerd op de aanwezigheid van eekhoorn nesten. Doordat de bomen ten tijde van het veldbezoek vol in het blad stonden was het niet mogelijk om hoge bomen goed te controleren. Wanneer bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling bomen met een diameter van meer dan 40 cm (gemeten op 1,3 meter boven de grond) gekapt worden is aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van eekhoornnesten noodzakelijk. Bunzing en wezel zijn Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan

Pagina 8 van 17

kleine marterachtigen die zich thuis voelen in terreinen met ruige begroeiing, de oevers van watergangen en struweel. In en om het plangebied zijn dergelijke omstandigheden niet aanwezig. Doordat het plangebied grotendeels wordt omringd door bebouwing is het beperkt bereikbaar voor kleine marterachtigen. De structurele aanwezigheid van dieren uit deze groep is kan daarom redelijkerwijs uitgesloten worden. Wel is het mogelijk dat zwervende kleine marters incidenteel het plangebied bezoeken. Met deze dieren wordt voldoende rekening gehouden door het toepassen van de algemene zorgplicht (zie kader). De aanwezigheid van overige strikt beschermde grondgebonden zoogdieren kan op basis van het ontbreken van geschikt habitat of populaties in de nabijheid van het plangebied uitgesloten worden. Andere (algemeen beschermde) grondgebonden zoogdieren zoals egel, huisspitsmuis en bosmuis kunnen in en om het plangebied voorkomen. Voor deze soorten is bij ruimtelijke ontwikkelingen een algemene provinciale vrijstelling van toepassing. Dit betekent dat werkzaamheden in het leefgebied van de soort kunnen plaatsvinden zonder verdere ontheffing. Wel dient datgene gedaan te worden dat redelijkerwijs van een initiatiefnemer verwacht kan worden, om schade aan eventueel aanwezige fauna te voorkomen.

Er dient dus bij de uitvoering van de voorgenomen ontwikeling met de aanwezigheid van deze en andere algemeen beschermde grondgebonden zoogdieren, rekening te worden gehouden. Dit kan door het toepassen van de algemene zorgplicht (zie kader). Ø Effecten op de eekhoorn kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Wanneer bomen met een diameter van meer dan 40cm gerooid worden dienen deze vooraf te worden onderzocht op de aanwezigheid van eekhoornnesten. Ø Effecten van de voorgenomen ontwikkeling op andere strikt beschermde grondgebonden zoogdieren worden redelijkerwijs uitgesloten. Nader onderzoek naar deze soortgroep is niet noodzakelijk. Ø Voor overige beschermde grondgebonden zoogdieren is in een algemene provinciale vrijstelling van toepassing. Wel dient met de mogelijke aanwezigheid van deze soorten rekening te worden gehouden door het toepassen van de algemene zorgplicht. Vleermuizen Vleermuizen hun vaste rust- en verblijfplaatsen en andere essentiële gebiedsfuncties (foerageergebieden en vliegroutes) zijn wettelijk beschermd. Het is verboden opzettelijk dieren te doden of verwonden of vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen te verstoren. Uit (de omgeving van) het plangebied zijn waarnemingen van o.a. de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en laatvlieger bekend. Met de aanwezigheid van deze soorten dient daarom rekening te worden gehouden.

De mogelijk aanwezige soorten en te onderzoeken gebiedsfuncties zijn samengevat in tabel 2. Vaste rust- en verblijfplaatsen Vleermuizen zijn nacht actieve dieren. Overdag verblijven de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis en laatvlieger veelal in gebouwen. De rosse vleermuis is voornamelijk boom bewonend. Tijdens het veldonderzoek zijn in beide gebouwen op veel plaatsen open stootvoegen aangetroffen. Ook is ruimte tussen de kantpannen en de muur zichtbaar, waardoor vleermuizen mogelijk toegang Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan

Pagina 9 van 17

hebben tot achterliggende ruimte. De bomen in het plangebied zijn voor zover mogelijk, vanaf de grond, gecontroleerd op holten en andere voor vleermuizen toegankelijke openingen. Deze zijn niet aangetroffen; de aanwezige bomen zijn goed onderhouden, relatief jong en vitaal waardoor bijvoorbeeld inrottingsopeningen of stamscheuren ontbreken. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van de rosse vleermuis en andere boombewonende soorten wordt redelijkerwijs uitgesloten. Massa winterverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen bevinden zich doorgaans in gebouwen van meerdere verdiepingen, waar voldoende volume is om warmte buffering en -gradiënt in de verblijfplaats te bieden. Dergelijke condities ontbreken in de relatief lage bebouwing in het plangebied. Wel is het mogelijk dat solitair overwinterende vleermuizen in het plangebied verblijven. Nader onderzoek de aanwezigheid van massawinterverblijfplaatsen is daarom noodzakelijk. Foerageergebieden Het plangebied kan deel uitmaken van het foerageergebied van vleermuizen. Gelet op het karakter, de omvang en ligging van het plangebied wordt nader onderzoek naar de aanwezigheid van essentieel foerageergebied geadviseerd. Vliegroutes Om zich te oriënteren in de ruimte maken vleermuizen gebruik van lijnvormige structuren zoals gebouwen, boomrijen, houtwallen, kades en watergangen.

Bij uitvoering van het voornemen vinden aanpassingen aan dergelijke structuren plaatst doordat (mogelijk) bomen worden gerooid en gebouwen verdwijnen. Negatieve effecten op mogelijk aanwezige vliegroutes kunnen daarom niet op voorhand worden uitgesloten. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van voor vleermuizen essentiële vliegroutes is noodzakelijk.

Essentiele vliegroute

Essentieel foerageergebied

Massa winterverblijfplaats

Winterverblijfplaats (solitair)

Paarverblijfplaats

Kraamverblijfplaats

Soort / Functie

Zomerverblijfplaats

Tabel 2 | Mogelijk in het plangebied verblijvende vleermuissoorten en beschermde functies (groen).

Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger

Ø Effecten op vaste rust- en verblijfplaatsen, essentieel foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen kunnen niet worden uitgesloten. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van de in tabel 2 genoemde soorten en functies is noodzakelijk.

Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan

Pagina 10 van 17

Broedvogels Vogels met jaarrond beschermde nesten (cat. 1 t/m 4) De nesten van soorten uit deze categorie zijn het hele jaar beschermd, evenals de functionele leefomgeving rondom het nest. Uit het literatuuronderzoek komen waarnemingen van onder andere de buizerd, sperwer, ransuil, gierzwaluw en huismus naar voren. De buizerd, sperwer en ransuil nestelen in bomen. Uitgezonderd de buizerd maken deze soorten doorgaans gebruik van oude nesten van bijvoorbeeld de zwarte kraai. Voor zover mogelijk (i.v.m. bladeren en hoogte van de bomen) zijn de bomen in het plangebied gecontroleerd op nesten. Hierbij zijn geen nesten waargenomen. Ook wanneer geen bomen gerooid worden kunnen de sloop en nieuwbouw werkzaamheden verstorend zijn voor eventueel aanwezige broedvogels in de bomen in en om het plangebied. Om met zekerheid vast te kunnen stellen of er soorten met jaarrond beschermde nesten in (en om) het plangebied broeden is daarom nader onderzoek naar de aanwezigheid van nesten en het gebruik hiervan noodzakelijk. De gierzwaluw en huismus nestelen in gebouwen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van openingen onder dakpannen, boeiboorden, in muren, nestkasten of andere schuilplaatsen zoals klimop (huismus). Tijdens het veldbezoek zijn alleen hoog overvliegende gierwaluwen waargenomen.

Voor deze soort zijn geen vrij aanvliegbare opening in de bebouwing aanwezig, waardoor de aanwezigheid van nesten van de gierzwaluw op voorhand kan worden uitgesloten. Huismussen hebben toegang tot de gebouwen via enkele ruime stootvoegen of andere openingen op de overgang tussen dak en muur (kantpannen). Nader onderzoek naar de aanwezigheid van nestplaatsen van de huismus is daarom noodzakelijk. Negatieve effecten op vaste rust- en verblijfplaatsen (nesten) van andere soorten met jaarrond beschermde nesten kunnen redelijkerwijs uitgesloten worden. Vogels met onder bijzondere omstandigheden jaarrond beschermde nesten (cat. 5) Van sommige soorten zijn de nesten alleen onder bijzondere omstandigheden jaarrond beschermd. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer in de omgeving onvoldoende alternatieve broedplaatsen voorhanden zijn. De ekster, zwarte kraai, grauwe vliegenvanger en spreeuw zijn soorten uit deze groep die in de omgeving van het plangebied voorkomen. De ekster en zwarte kraai broeden doorgaans in een zelfgebouwd nest in bomen. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten van de ekster of zwarte kraai aangetroffen. Voor bovengenoemde soorten uit categorie 5 geld dat in de directe van het plangebied omgeving ruim voldoende alternatieve broedplaatsen in de vorm van laanbomen, parken en tuinen aanwezig zijn.

Negatieve effecten kunnen daarom (uitgezonderd tijdens het broedseizoen, zie onder) op voorhand worden uitgesloten. Voor de grauwe vliegenvanger en spreeuw zijn in het plangebied geen of nauwelijks geschikte broedplaatsen aanwezig. De vormgeving en constructie van de bebouwing leent zich nauwelijks voor deze soorten om een nest te kunnen bouwen. Bovendien zijn voor deze soorten in de directe omgeving van het plangebied voldoende alternatieve broedplaatsen beschikbaar. Er is daarom geen sprake van een ‘zwaarwegend ecologisch belang’ op grond waarvan nader onderzoek of specifieke maatregelen van toepassing zijn voor deze soorten. Het eventuele verwijderen van nestplaatsen (mits deze op dat moment niet in gebruik zijn) heeft geen negatieve invloed op de soorten en vormt daarom geen

Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan

Pagina 11 van 17

overtreding van de Wnb. Wel is voor deze en andere soorten uit categorie 5 het beschermingsregime voor algemene vogels (volgende paragraaf) van toepassing. Tijdens het broedseizoen beschermde vogels De nesten van alle vogels zijn beschermd op het moment dat deze in gebruik zijn. In en om het plangebied zijn diverse voor vogels aantrekkelijke broedlocaties aanwezig. Er dient bijvoorbeeld rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van broedende vogels in de bomen en andere groenstructuren aan en om de bebouwing. Ook kunnen op het platte dak vogels zoals de scholekster tot broeden komen. Om de vestiging van broedende vogels zo veel mogelijk te ontmoedigen kunnen groenstructuren (voor zover noodzakelijk in het kader van de voorgenomen ontwikkeling) het beste in de periode tussen 15 augustus en 15 maart (buiten het broedseizoen) verwijderd worden. Wanneer buiten deze periode werkzaamheden plaatsvinden dient het plangebied vooraf door een ecoloog te worden gecontroleerd op de aanwezigheid van broedvogels. Ø Effecten van de voorgenomen ontwikkeling op jaarrond beschermde nesten (vaste rust- en verblijfplaatsen) van soorten uit categorie 1 t/m 4 kunnen niet worden uitgesloten. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van nesten van deze soorten is noodzakelijk. Ø Effecten van de voorgenomen ontwikkeling op broedvogels uit categorie 5, worden redelijkerwijs uitgesloten.

Ø In het plangebied kunnen algemene broedvogels (en vogels uit categorie 5) tot broeden komen. Negatieve effecten op deze broedvogels kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Om overtreding van de Wnb te voorkomen zijn voorzorgsmaatregelen van toepassing.

Reptielen In Nederland zijn alle reptielen strikt beschermd. In de natuurgebieden rondom Oss komen de levendbarende hagedis en hazelworm voor. Het plangebied ligt op enige afstand van het bekende leefgebied van deze soorten en wordt grotendeels omringd door stedelijke bebouwing en infrastructuur. Het is mogelijk dat zwervende reptielen het plangebied incidenteel bezoeken. De aanwezigheid van een lokale populatie in het plangebied, kan echter redelijkerwijs uitgesloten worden. Negatieve effecten op de gunstige staat van instandhouding van de soorten zijn daarom uitgesloten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk, voor eventueel incidenteel aanwezige dieren is de algemene zorgplicht (zie kader) van toepassing. Ø Negatieve effecten van de voorgenomen ontwikkeling op strikt beschermde reptielen worden redelijkerwijs uitgesloten. Amfibieën Uit de nabijheid van het plangebied zijn waarnemingen van de strikt beschermde amfibieën Alpen watersalamander en vinpootsalamander bekend. Beide soorten zijn een deel van het jaar (voortplanting) aan water gebonden. Van daaruit zwerven de dieren uit in hun landhabitat. Landhabitat is in zeer beperkte mate aan de randen van het plangebied aanwezig. Door het ontbreken van open water in het plangebied en het goeddeels afwezig zijn van landhabitat worden negatieve effecten op de gunstige staat van instandhouding van bovengenoemde soorten uitgesloten.

Met Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan

Pagina 12 van 17

eventueel zwervende dieren wordt voldoende rekening gehouden door het toepassen van de algemene zorgplicht (zie kader). In het plangebied dient verder rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van (zwervende) algemene amfibie soorten zoals bruine kikker, bastaardkikker, kleine watersalamander en gewone pad. Voor deze soorten is in en om het plangebied in beperkte mate landbiotoop aanwezig. Provinciaal is bij ruimtelijke ontwikkelingen een algemene vrijstelling voor deze soorten van toepassing. Dit betekent dat werkzaamheden binnen het leefgebied van een soort kunnen plaats vinden zonder verdere ontheffing. Wel dient datgene gedaan te worden dat redelijkerwijs van een initiatiefnemer verwacht kan worden, om schade aan eventueel aanwezige fauna te voorkomen. Dit kan door het toepassen van de algemene zorgplicht (zie kader). Ø Negatieve effecten van de voorgenomen ontwikkeling op strikt beschermde amfibieën worden redelijkerwijs uitgesloten. Ø Effecten van de voorgenomen ontwikkeling op algemeen beschermde amfibieën zijn niet uitgesloten. Voor deze soorten is een algemene vrijstelling en de zorgplicht van toepassing.

Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan

Pagina 13 van 17

7. Conclusie en advies In opdracht van Kubiek Ruimtelijke Plannen heeft Bureau Buitenwaard een ecologische quickscan uitgevoerd. In dit verkennend onderzoek zijn de consequenties van een ruimtelijke ontwikkeling voor onder de Wet natuurbescherming opgenomen beschermde gebieden, houtopstanden en soorten beoordeeld. De voorgenomen ontwikkeling kan alleen doorgaan wanneer deze niet in strijd is met de bepalingen die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming, of nadat de benodigde vergunningen en/of ontheffingen zijn verleend. Onderstaand worden de onderzoeksvragen beantwoord en zijn ter voorkoming of verzachting van negatieve effecten op beschermde soorten voorzorgsmaatregelen beschreven. In tabel 4 onder aan deze paragraaf worden de resultaten per relevante soortgroep samengevat.

A. Welke onderdelen van de Wet natuurbescherming zijn van belang? Gebiedsbescherming Het plangebied ligt op ruime afstand van Natura 2000-gebieden. Gelet op de ligging van het plangebied en aard van de voorgenomen ontwikkeling worden geen negatieve effecten van bijvoorbeeld licht, trillingen of geluid op Natura 2000-instandhoudingsdoelen of habitatrichtlijnsoorten verwacht. Om inzicht te verkrijgen in eventuele stikstof emissie wordt geadviseerd een AERIUS-calculatie uit te (laten) voeren. Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland. Nader onderzoek en/of toetsing in het kader van het NNN zijn daarom niet van toepassing. Houtopstanden Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Oss. In Oss is een lijst van beschermde bomen van toepassing en dient een kapvergunning aangevraagd te worden wanneer bomen met een diameter van meer dan 40 cm gerooid worden. Soortbescherming Het onderdeel soortbescherming is voor een aantal soort(groep)en van toepassing bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling.

B. In hoeverre is de beoogde ontwikkeling strijdig met de Wnb? Er kunnen negatieve effecten optreden voor de in tabel 3 genoemde beschermde soorten en/of functies. Tabel 3 | Overzicht van mogelijk aanwezige beschermde soorten en functies.

Soort

Functie

Grondgebonden zoogdieren

Nesten van eekhoorn

Vleermuizen

Vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes

Broedvogels (cat. 2)

Nesten buizerd, sperwer, ransuil en huismus

Broedvogels algemeen (incl. cat. 5)

Nesten

Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan

Pagina 14 van 17

C. Zijn voorzorgsmaatregelen, nader onderzoek en/of een ontheffing nodig? Er is nader onderzoek naar de aanwezigheid van de in tabel 2 genoemde soort(groep)en noodzakelijk. Tevens zijn in het kader van de algemene zorgplicht onderstaande voorzorgsmaatregelen van toepassing: Nader onderzoek eekhoorn Dit onderzoek is alleen van toepassing indien bomen met een diameter groter van 40 cm (gemeten op 1,3 meter boven de grond) gerooid worden. Eekhoorn onderzoek vindt plaats tijdens een gericht veldbezoek in de winterperiode nadat de bomen hun blad hebben laten vallen, globaal tussen november en maart. Nader onderzoek vleermuizen Om vast te kunnen stellen of er vaste rust- en verblijfplaatsen, essentieel foerageergebied of vliegroutes van vleermuizen aanwezig zijn in het plangebied dient nader onderzoek plaats te vinden. Vleermuis onderzoek wordt uitgevoerd conform de richtlijnen van het Vleermuis protocol (NGB, 2021). Gelet op de mogelijk aanwezige soorten en gebiedsfuncties dienen in de periode 15 mei – 15 juli, twee avondbezoek en één ochtendbezoek en in de periode 15 aug. – 30 sept. twee nachtbezoeken plaats te vinden. Nader onderzoek buizerd, sperwer en ransuil (cat. 2) Om vast te stellen of de in het plangebied aanwezige (grote) nesten gebruikt worden door vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4) is nader onderzoek noodzakelijk.

Dit kan door 2 tot 4 gerichte veldbezoeken met een tussentijd van 10 dagen in de periode maart tot en met half mei uit te voeren. Nader onderzoek huismus (cat. 2) De huismus nestelt mogelijk in het plangebied. Om vast te stellen of en hoeveel dieren dit betreft en wat de functies van het omliggende terrein zijn, is een huismussenonderzoek noodzakelijk. Dit onderzoeken worden gedaan volgens de richtlijnen uit het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2023). De aanwezigheid van nesten van de huismus wordt onderzocht tijdens twee gerichte veldbezoeken in de periode tussen 1 april en 15 mei. Broedvogels (inclusief categorie 5) Het verwijderen van bomen, struiken en lage begroeiing kan (indien van toepassing) het beste buiten het broedseizoen (globaal 15 maart – 15 augustus) uitgevoerd worden. Grote bomen dienen hierbij vooraf te worden gecontroleerd op nesten (zie paragraaf Naderonderzoek, buizerd, sperwer en ransuil). Vestiging van algemene broedvogels kan nooit geheel uitgesloten worden. Om vertraging van de werkzaamheden of schade aan eventuele nesten te voorkomen kunnen de sloopwerkzaamheden het beste buiten het broedseizoen uitgevoerd worden. Wanneer dit niet mogelijk is dient het werkgebied voor start van de werkzaamheden door een ecologisch deskundige te worden gecontroleerd op eventueel aanwezige nesten.

Wanneer een broedgeval wordt aangetroffen, dient een verstoringsvrije zone te worden aangewezen waarbinnen gedurende de periode waarin het nest in gebruik is niet wordt gewerkt. De omvang van deze zone is afhankelijk van de verstoringsgevoeligheid van de soort en wordt door een ter zake kundige vastgesteld.

Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan

Pagina 15 van 17

D. Wat zijn de gevolgen voor de verdere planvorming en uitvoering van het voornemen? Het nader onderzoek kan gevolgen hebben voor de verder planvorming. De onderzoeken kunnen uitgevoerd worden in de periode november (2023) en oktober (2024). Wanneer beschermde soorten en/of gebiedsfuncties worden aangetroffen dient rekening te worden gehouden met een extra proceduretijd van 13 weken (eenmalig te verlengen met 7 weken) voor het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming. In sommige gevallen is als alternatief (om negatieve effecten op beschermde soorten en gebiedsfuncties te voorkomen) aanpassing van de voorgenomen ontwikkeling mogelijk en vervalt de noodzaak tot het aanvragen van een ontheffing. Tabel 4 | Overzicht van onderzochte beschermde soortgroepen, effecten en vervolgstappen.

Soort(groep)

Effect

Vervolgstappen*

Flora

Geen overtreding art. 3.5 of 3.10

N.v.t.

Grondgebonden zoogdieren

Mogelijk overtreding art. 3.5 of 3.10

Nader onderzoek eekhoornnesten (bij kap bomen >40cm DBH)

Vleermuizen

Mogelijk overtreding art. 3.5 of 3.10

Nader onderzoek naar vaste rust- en verblijfplaatsen soorten tabel 2

Vogels jaarrond (cat. 1-4)

Mogelijk overtreding art. 3.1

Nader onderzoek naar buizerd, sperwer, ransuil en huismus

Vogels jaarrond bijzonder

Mogelijk overtreding art. 3.1

omstandigheden (cat. 5)

Werkzaamheden uitvoeren buiten het broedseizoen, of na controle op de aanwezigheid van broedvogels

Vogels algemeen (incl. cat. 5)

Mogelijk overtreding art. 3.1

Werkzaamheden uitvoeren buiten het broedseizoen of na controle op algemene broedvogels

Reptielen

Geen overtreding art. 3.5 of 3.10,

N.v.t.

Amfibieën

Geen overtreding art. 3.5 of 3.10

N.v.t.

Vissen

Geen overtreding art. 3.5 of 3.10

N.v.t.

Vlinders, libellen en overige

Geen overtreding art. 3.5 of 3.10

N.v.t.

Geen overtreding art. 3.5 of 3.10

N.v.t.

ongewervelden Weekdieren

*de algemene zorgplicht is altijd en voor alle soortgroepen van toepassing

Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan

Pagina 16 van 17

Algemene zorgplicht Voor alle werkzaamheden in de buitenruimte geldt de algehele zorgplicht. Dit houdt het volgende in: eenieder neemt voldoende zorg in acht voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving (Artikel 1.11 Wet natuurbescherming). Dit betekent in ieder geval dat eenieder die weet of kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora of fauna kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover dat in redelijkheid kan worden gevraagd. Anders dienen maatregelen te worden genomen om deze gevolgen te voorkomen. Of, voor zover gevolgen niet kunnen worden voorkomen, schade zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Eventueel noodzakelijke voorzorgsmaatregelen zijn hier niet specifiek uitgewerkt; verwacht wordt dat de initiatiefnemer zelf de noodzakelijke maatregelen treft, of zich hierin specifiek laat adviseren door een ter zake kundig ecoloog. Ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling geld dat het aantal dieren (en planten) dat potentieel gemoeid is met de voorgenomen ingreep zodanig beperkt is dat negatieve effecten op populatieniveau op voorhand kunnen worden uitgesloten.

Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan

Pagina 17 van 17

SOORTGERICHT ONDERZOEK eindrapport Elzeneindpark, Oss

COLOFON

Rapportage soortgericht onderzoek Opdrachtgever:

Kubiek Ruimtelijke Plannen

Contactpersoon:

Dhr. Tjeerd Visser

Uitgevoerd door:

Bureau Buitenwaard Bosweg 27 3922 GK Elst (Ut) t. 06 22089164 e. info@bureaubuitenwaard.nl w. www.buitenwaard-ecologie.nl

Kamer van Koophandel: BTW nr: IBAN

77768116 NL861135404B01 NL51 KNAB 0737 2769 75

Tekst en samenstelling:

Dhr. D.J. Gijsbertsen MSc.

Controle en toetsing

Mevr. C.M. Koch

Status:

Definitief

Datum:

24 juni 2024

BUREAU BUITENWAARD Kwaliteitszorg Bureau Buitenwaard is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk.

Kwaliteitszorg Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de projectlocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie over verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden. Bureau Buitenwaard accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Bureau Buitenwaard uitgevoerde onderzoek neemt. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende.

Bureau Buitenwaard | Rapportage soortgericht onderzoek

INHOUDSOPGAVE 1.

2

3

4

5

6

7

INLEIDING................................................................................................................................ 2 1.1

Aanleiding.............................................................................................................................. 2

1.2

Vraagstelling .......................................................................................................................... 2

1.3

Leeswijzer .............................................................................................................................. 2

ONDERZOEKSGEBIED EN VOORNEMEN .................................................................................... 3 2.1

Gebiedsbeschrijving .............................................................................................................. 3

2.2

Voornemen ........................................................................................................................... 3

VONDERZOEKSMETHODE ........................................................................................................ 4 3.1

Algemeen .............................................................................................................................. 4

3.2

Eekhoorn ............................................................................................................................... 4

3.3

Vleermuizen .......................................................................................................................... 4

3.4

Roofvogels en ransuil ............................................................................................................ 5

3.5

Huismus ................................................................................................................................. 6

3.6

Volledigheid inventarisatie .................................................................................................... 6

ONDERZOEKSRESULTATEN ...................................................................................................... 8 4.1

Eekhoorn ............................................................................................................................... 8

4.2

Vleermuizen .......................................................................................................................... 8

4.3

Roofvogels en ransuil ............................................................................................................ 9

4.4

Huismus ............................................................................................................................... 10

4.5

Overige waarnemingen ....................................................................................................... 10

TOETSING AAN DE WET NATUURBESCHERMING.................................................................... 11 5.1

Effectanalyse ....................................................................................................................... 11

5.2

Toetsing ............................................................................................................................... 12

CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN ........................................................................................... 13 6.1

Algemeen ............................................................................................................................ 13

6.2

Resultaten ........................................................................................................................... 13

6.3

Effecten en toetsing ............................................................................................................ 13

6.4

Vervolg stappen .................................................................................................................. 13

6.5

Voorzorgsmaatregelen ........................................................................................................ 13

6.6

Aanbevelingen ..................................................................................................................... 14

GERAADPLEEGDE BRONNEN .................................................................................................. 15

Bureau Buitenwaard | Rapportage soortgericht onderzoek

1

1. INLEIDING 1.1

Aanleiding

In opdracht van Kubiek Ruimtelijk Plannen heeft Bureau Buitenwaard BV, een soortgericht onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vaste rust en verblijfplaatsen en beschermde gebiedsfuncties van onder de Wet natuurbescherming opgenomen soorten in plangebied Elzeneindpark te Oss (provincie Noord-Brabant). De initiatiefnemer is voornemens de op het terrein aanwezige bebouwing te slopen en hiervoor in de plaats nieuwbouw te verrichten. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal een (nog onbekend) deel van de bomen gerooid worden. In voorbereiding op deze ontwikkeling is in het kader van de Wet natuurbescherming een ecologische quickscan uitgevoerd (Ecologische quickscan Elzeneindpark, Oss. D.J. Gijsbertsen, 30 augustus 2023). Tijdens deze quickscan is geconstateerd dat bij de ingreep mogelijk negatieve effecten optreden voor eekhoorn, vleermuizen, roofvogels en ransuil en huismus. Deze soorten en hun verblijfplaats zijn beschermd onder artikel 3.10 (grondgebonden zoogdieren), 3.5 (vleermuizen) en 3.1 (vogels) van de Wet natuurbescherming. Om bij uitvoering van het voornemen tijdig rekening te kunnen houden met eventueel aanwezige beschermde soorten en hun leefgebied is dit soortgericht onderzoek uitgevoerd. In onderhavige rapportage worden de bevindingen uit dit onderzoek beschreven.

1.2

Vraagstelling

Met dit onderzoek worden de volgende vragen beantwoord: 1. Welke beschermde soorten komen in het plangebied voor? 2. Welke functie(s) heeft het plangebied voor deze soorten? 3. Leidt de ingreep tot overtreding van verbodsbepalingen uit de Omgevingswet? 4. Wat kan worden gedaan om (mogelijke) schade aan beschermde soorten en hun verblijfplaats te voorkomen? 5. Is een vergunning in het kader van de Omgevingswet noodzakelijk?

1.3

Leeswijzer

Onderhavige rapportage beschrijft de bevindingen van dit soortgericht onderzoek. Hoofdstuk 2 beschrijft het onderzoeksgebied en de voorgenomen ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt de onderzoeksmethode beschreven. In hoofdstuk 4 worden de onderzoeksresultaten beschreven. Hoofdstuk 5 bevat de effectanalyse en toetsing aan de Omgevingswet. Het laatste hoofdstuk (6) sluit af met de conclusie en aanbevelingen.

Bureau Buitenwaard | Rapportage soortgericht onderzoek

2

2 ONDERZOEKSGEBIED EN VOORNEMEN 2.1

Gebiedsbeschrijving

In het plangebied (fig. 2.1) zijn twee gebouwencomplexen aanwezig. Aan de westzijde enkele geschakelde, appartementen (Van Veldekestraat 60C t/m 60F) en aan de oostzijde een laag gebouw met (Coornhertstraat 3). Het gebouw aan de Van Veldekestraat betref enkele geschakelde, appartementen met twee woonlagen en een gedeeltelijk pannendak. Het gebouw aan de Coornhertstaat is een laag gebouw (alleen begane grond) met meerdere vleugels afgewerkt met een plat dak. Beide gebouwen zijn opgetrokken uit baksteen en voorzien van een spouwmuur. Rondom de gebouwen, binnen het plangebied, liggen perken met sierplanten, heggen en enkele bomen. De ruimere context is ingevuld met gazon met verspreid enkele opgaande bomen.

Figuur 2.1| Indeling en begrenzing plangebied (rode lijn) (bron ondergrond: OpenStreetMaps.nl)

2.2

Voornemen

De initiatiefnemer is voornemens de aanwezige bebouwing te slopen en op de vrijkomende locatie meerlaagse appartementencomplexen te realiseren. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden mogelijk ook enkele bomen en delen van de groenstructuren verwijderd.

Bureau Buitenwaard | Rapportage soortgericht onderzoek

3

3 VONDERZOEKSMETHODE 3.1

Algemeen

Onderhavig onderzoek is uitgevoerd in de periode 2023 - 2024. Alle veldbezoeken zijn uitgevoerd door ecologisch deskundigen 1 van Bureau Buitenwaard. Zij hebben aantoonbaar ervaring met het inventariseren van de onderzochte soorten. De onderzoeksinspanning is afgestemd op de aard en omvang van het plangebied. Onderstaande worden de onderzoekmethode en -omstandigheden per soort(groep) beschreven.

3.2

Eekhoorn

Het onderzoek naar de aanwezigheid van eekhoorns is uitgevoerd tijdens een gericht veldbezoek in de winterperiode, nadat de bomen hun blad hebben laten vallen. Tijdens het veldbezoek zijn de bomen in en om het plangebied gecontroleerd op de aanwezigheid van eekhoornnesten. Tevens is het terrein gecontroleerd op sporen (voedselresten en krabsporen) van de eekhoorn. Het veldbezoek is overdag op 29 februari 2024 uitgevoerd. Bij het veldwerk is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 10x32) en warmtebeeldcamera (Pulsar Telos XP50).

3.3

Vleermuizen

Het onderzoek naar vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen is uitgevoerd conform de richtlijnen uit het door het bevoegd gezag goedgekeurde Vleermuisprotocol (2021). Dit protocol is ontwikkeld door de Zoogdiervereniging en het Netwerk Groene Bureaus in samenwerking met de Dienst Landelijk gebied en de Gegevensautoriteit Natuur. De veldbezoeken zijn uitgevoerd onder voor vleermuizen gunstige omstandigheden: niet te harde wind, milde temperaturen en weinig tot geen neerslag. Tijdens de veldbezoeken is op grond van geluid en zicht geïnventariseerd. Met behulp van een heterodyne batdetector met opname- en vertragingsfunctie (Pettersson D240x) is de echolocatie die vleermuizen uitzenden hoorbaar gemaakt voor mensen. Wanneer een soort op grond van frequentie, klank en ritme niet met zekerheid kon worden gedetermineerd, is een opname gemaakt met een extern opnameapparaat (Roland Edirol R-05). Met behulp van computersoftware (BatExplorer) zijn deze opnamen geanalyseerd om een soort op naam te brengen. Door tijdens een onderzoek zoveel mogelijk visueel waar te nemen is de determinatie geverifieerd en het gedrag vastgesteld. Voor visuele waarneming is gebruik gemaakt van een krachtige zaklamp (1000+ lumen).

In dit onderzoek is naar aanleiding van de bevindingen uit het verkennend onderzoek specifiek gelet op de aanwezigheid van onderstaande gebouwbewonende soorten en hun verblijfplaats (tab. 3.1). Onderzoek zomer- en kraamverblijfplaatsen Het onderzoek naar de aanwezigheid van zomer- en kraamverblijfplaatsen bestond uit twee avondbezoeken en één ochtendbezoek in de periode tussen 15 mei en 15 juli. Beide avondbezoeken starten rond zonsondergang en duurden twee uur, het ochtendbezoek eindigde rond zonsopgang en duurde eveneens twee uur. De onderzoeken zijn uitgevoerd met een interval van minimaal 20 dagen tussen beide avondbezoeken en tussen het ochtendbezoek en één van beide avondbezoeken. 1 Het ministerie van LNV verstaat onder een ter zake kundige een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soort specifieke ecologie.

De ervaring en kennis van de bij dit project betrokken ter zake kundigen is opgedaan op HBO-, dan wel universitair niveau middels een opleiding met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of op MBO niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of als ecoloog werkzaam voor een ecologisch adviesbureau dat is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soorten bescherming.

Bureau Buitenwaard | Rapportage soortgericht onderzoek

4

Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)

Essentiele vliegroute

Essentieel foerageergebied

Massa winterverblijfplaats

Winterverblijfplaats (solitair)

Paarverblijfplaats

Soort / Functie

Kraamverblijfplaats

Zomerverblijfplaats

Tabel 3.1 | Overzicht van onderzochte soorten en type verblijfplaats (groen)

n.v.t n.v.t

Laatvlieger (Eptesicus serotiunus)

n.v.t

n.v.t

n.v.t

n.v.t

* de aanwezigheid van massawinterverblijfplaatsen is reeds in het vooronderzoek uitgesloten

Onderzoek paarverblijven en zwermplaatsen De aanwezigheid van paarverblijven en zwermplaatsen (solitaire winterverblijfplaatsen) is onderzocht tijdens twee veldbezoeken van twee uur in de periode tussen 15 augustus en 30 september. Deze onderzoeken duurden twee uur en zijn uitgevoerd rond middernacht met 10 dagen tussentijd. Deze tussentijd is suboptimaal maar valt binnen de marges van het vleermuisprotocol. Doordat de opdracht voor het uitvoeren van dit onderzoek pas op 19 september is ontvangen, kon niet eerder worden gestart met het onderzoek. Dankzij de voor vleermuisonderzoek gunstige omstandigheden en de inzet van vier personen tijdens beide veldbezoeken was het mogelijk om in de paarperiode een volledig beeld te ontwikkelen van de aanwezigheid en activiteit van vleermuizen in en om het plangebied. Onderzoek overige gebiedsfuncties Het onderzoek naar de aanwezigheid van andere voor vleermuizen belangrijke gebiedsfuncties zoals vliegroutes en foerageergebied is integraal meegenomen in het onderzoek naar zomer- en paarverblijfplaatsen. In tabel (3.2) zijn de onderzoek momenten en -omstandigheden samengevat. Tabel 3.2 | Overzicht vleermuisonderzoek en omstandigheden

Nr.

Datum

# onderzoekers

Tijdstip

Weersomstandigheden

1

16 mei

4

21:30 – 23:30

17 °C | Bft W 1

2

5 juni

4

21:50 – 23:50

13 °C | Bft W 0

3

13 juni

4

03:20 – 05:20

11 °C | Bft Z 1

4

20 sept.

4

22:00 - 00:00

19 °C | Bft Z 2

5

30 sept.

4

21:20 - 00:00*

15 °C | Bft Z 1

*) Op 30 sept. zijn twee personen gestart om 21:20, het onderzoek is door alle onderzoekers om 00:00 uur afgerond.

3.4

Roofvogels en ransuil

Het onderzoek naar vaste rust- en verblijfplaatsen (nesten) van roofvogels is uitgevoerd conform de onderzoeksmethodiek uit het Kennisdocument Buizerd (BIJ12, 2017). Hierin worden vier veldbezoeken in de periode tussen 1 maart – 15 mei voorgeschreven. Tussen de onderzoeksmomenten liggen tenminste 10 dagen. Tijdens alle onderzoeken zijn de bomen in en om het plangebied gedurende minimaal twee uur geobserveerd op aanwezigheid van roofvogels en uilen. Wanneer tijdens vier Bureau Buitenwaard | Rapportage soortgericht onderzoek

5

veldbezoeken geen activiteiten van roofvogels worden vastgesteld kan de aanwezigheid van roofvogels of het in gebruik zijn van een horst met zekerheid worden uitgesloten. In verband met de mogelijke aanwezigheid van ransuilen zijn twee van de vier bovengenoemde onderzoeken in de ochtend gestart voor zonsopgang. Tevens is tijdens het vleermuis onderzoek specifiek gelet op de aanwezigheid van deze soort Het onderzoek is uitgevoerd door één persoon, op zicht (aanwezigheid vogels, transport nestmateriaal en voedsel) en geluid (roep en bedelende jongen), bij de onderzoeken is gebruik gemaakt van een verrekijker en telescoop. In onderstaande tabel (3.3) zijn de onderzoeksmomenten en -omstandigheden samengevat. Tabel 3.3 | Overzicht onderzoeken en omstandigheden roofvogel- en ransuilonderzoek

Nr.

Soort

Datum

Periode

Weersomstandigheden

Bewolking

1

Roofvogels

29 februari

middag

7 °C | Bft Z 3

bewolkt

2

Roofvogels en ransuil

20 maart

ochtend

15 °C | Bft Z 1

half bewolkt

3

Roofvogels

10 april

ochtend

10 °C | Bft W 3

onbewolkt

4

Roofvogels en ransuil

7 mei

ochtend

16 °C | Bft NO 2

half bewolkt

3.5

Huismus

Bij onderzoek naar vaste rust- en verblijfplaatsen (nesten) van de huismus (Passer domesticus) hanteert Bureau Buitenaard de richtlijnen van het bevoegd gezag zoals deze zijn opgenomen in het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2023). Hierin worden twee veldbezoeken in de periode tussen 1 april en 15 mei voorgeschreven. De veldbezoeken worden uitgevoerd onder gunstige omstandigheden en met een tussenperiode van minimaal 10 dagen. Bij de veldbezoeken is specifiek gelet op: •

Nest indicerend gedrag zoals nestbouw, transport van voedsel en bedelende jongen,

•

Territorium indicerend gedrag zoals zingend mannetje, paarvorming bij een nestplaats, paring of ander sociaal gedrag.

Het onderzoek naar de huismus is uitgevoerd op zicht en geluid, bij het veldwerk is gebruik gemaakt van een lichtsterke verrekijker (Swarovski EL 10x42). De geluidswaarnemingen werden met het blote oor gedaan. De veldbezoeken zijn uitgevoerd onder voor huismussen gunstige omstandigheden: droog, weinig wind en milde temperaturen. In onderstaande tabel (3.4) zijn de onderzoeksmomenten en -omstandigheden samengevat. Tabel 3.4| Overzicht huismusonderzoek en omstandigheden

Nr.

Datum

# Onderzoekers

Tijdstip

Weersomstandigheden

1

10 april

1

ochtend

10 °C | Bft W 3 onbewolkt

2

7 mei

1

ochtend

10 °C | Bft O 2 halfbewolkt en droog

3.6

Volledigheid inventarisatie

Dit onderzoek is uitgevoerd volgens de richtlijnen van het bevoegd gezag. Zo is voldaan aan de onderzoeksinspanning die vereist is om een eventuele ontheffing op de Wet natuurbescherming te Bureau Buitenwaard | Rapportage soortgericht onderzoek

6

kunnen verkrijgen, of is in afdoende mate aangetoond dat de onderzochte soorten en gebiedsfuncties niet binnen het onderzochte gebied aanwezig zijn. Een inventarisatie is een steekproef gebaseerd op momentopnames. Hierdoor kan niet worden uitgesloten dat soorten en functies die niet waargenomen zijn op een ander tijdstip wel aanwezig zijn. Dit is acceptabel omdat de wet een initiatiefnemer vraagt te doen wat redelijkerwijs verwacht kan worden. Met de gekozen onderzoeksmethode en inspanning is voldoende invulling gegeven aan het zorgvuldigheidsbeginsel dat van toepassing vanuit de specifieke zorgplicht bij flora- en faunaactiviteiten (Omgevingswet, art. 11.27 Bal). Met de uitvoering van dit nader onderzoek heeft initiatiefnemer gedaan wat redelijkerwijs verwacht kan worden in voorbereiding op de voorgenomen ontwikkeling.

Bureau Buitenwaard | Rapportage soortgericht onderzoek

7

4 ONDERZOEKSRESULTATEN Dit hoofdstuk geeft een overzicht van waarnemingen en vastgestelde gebiedsfuncties. De plattegrond (fig. 4.3) aan het einde van dit hoofdstuk geeft een samenvatting van de aanwezige beschermde soorten en functies.

4.1

Eekhoorn

Tijdens het gerichte onderzoek naar de eekhoorn zijn geen nesten of sporen van deze soort aangetroffen. Ook tijdens de andere veldbezoeken zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van de soort. De aanwezigheid van eekhoorns of voor deze soort belangrijke gebiedsfuncties kan daarom uitgesloten worden.

4.2

Vleermuizen

Tijdens de veldbezoeken zijn in en om het plangebied onderstaande vleermuissoorten waargenomen. ●

Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)

●

Laatvlieger (Eptesicus serotinus)

Onderzoek zomer- en kraamverblijfplaatsen Tijdens allen veldbezoeken zijn gewone dwergvleermuizen waargenomen. Dit betrof foeragerende dieren die vanuit de omgeving het plangebied (en de ruimere context) bezoeken. De ruim opgezette wijk met waterpartijen, parken, plantsoenen en bomenrijen biedt volop foerageergelegenheid voor vleermuizen. In totaal werden drie tot vijf foeragerende gewone dwergvleermuizen geteld. Tijdens de avond bezoeken concentreerde de aanwezigheid van de dieren zich vooral in het eerste uur van het onderzoek. Dit indiceert dat de dieren ergens in de omgeving verblijven, eerst dicht bij hun verblijf foerageren en daarna verder uitzwerven. Tijdens het ochtend onderzoek op 13 juni was het beeld juist andersom en met de meeste activiteit in het laatste deel van het onderzoek (tegen de ochtend). Beide avondbezoeken (16 mei en 5 juni) waren verder goed voor laatvliegers. Hiervan werden maximaal drie dieren geteld. Dit betrof vooral langs vliegende of kort foeragerende dieren. Er werden geen verblijfplaats indicerende waarnemingen gedaan. Ook in de vleermuiskasten aan de gevels van de bebouwing aan de Van Veldekestraat werden bij inspectie geen vleermuizen of sporen hiervan aangetroffen. Onderzoek paarverblijven en zwermplaatsen Tijdens het najaarsonderzoek zijn alleen gewone dwergvleermuizen waargenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=3ac58115-6f63-4211-ad29-43dd0fcda6e9