2Toelichting + regels.PDF
Tekst van het document
Binnen de overstromingsvlakte van de westelijke Maaskant - Gement, Baardwijkse Overlaat, polder Bokhoven en Vlijmen - ligt het omdijkte Eiland van Heusden. Deze zandopduiking te midden van de overstromingsvlakte is een landbouwkundig intensief gebruikt gebied (tuinbouw). In het gebied liggen verdedigingswerken uit verschillende perioden. We vinden er vestingsteden als Heusden, 's-Hertogenbosch, Ravenstein en Grave. Ten noorden van 's-Hertogenbosch liggen diverse forten, inundatiegebieden en sluizen. De verdedigingswerken maakten deel uit van de Zuiderwaterlinie. Bij Grave staan diverse kazematten van de Peel-Raamstelling en de Maaslinie. De buitendijkse gebieden zijn grotendeels als landbouwgrond in gebruik, maar de uiterwaarden worden steeds belangrijker voor natuurontwikkeling en recreatie. De afwisseling van open en meer besloten gebieden is ook nu nog kenmerkend voor het landschap van de oeverwallen. In de kommen zijn na de landinrichting moderne, grootschalige veehouderij bedrijven ontstaan. Het eiland van Heusden is uitgegroeid tot een relatief sterk verstedelijkt gebied: de ruimten tussen de lintbebouwing zijn grotendeels gevuld met bedrijventerreinen, woonwijken en glastuinbouw. Het contrast met de omliggende open gebieden is daardoor toegenomen, de scherpe begrenzing met dijken is markant. De A59 doorsnijdt dit landschap.
Stedelijke ontwikkelingen van Den Bosch in de rivierkleipolders tot aan de Maas hebben het gebied van de Maaskant in tweeën verdeeld. Meest recente stedelijke uitbreidingen zijn de Groote Wielen
Herziening 1 – Noord-West Oss - 2013 , pag. 47 van 54 definitief 8 juli 2021
aan de oostkant, in het laagst gelegen deel van de Polder Maaskant, en de woonkastelen van Haverleij aan de westkant van Den Bosch. Cultuurhistorisch belang De strijd tegen het water en de voortdurend terugkerende overstromingen van de Beerse Maas hebben de inrichting en het gebruik van het gebied bepaald. De regio heeft een grote cultuurhistorische betekenis doordat de strijd tegen het water zich nog zo goed in het huidige landschap laat herkennen. Daarnaast verlenen de vele verdedigingswerken het gebied een grote cultuurhistorische waarde. Essentiële aspecten In de regio ligt het volgende cultuurhistorische landschap van provinciaal belang: Beerse en Baardwijkse Overlaat. Dragende structuren in de regio zijn: openheid in de polders; dijken; weteringen; sluizen en gemalen; oude Maasmeanders en wielen; eendenkooien; kloostercomplexen; verdedigingswerken. Hierbij geldt de volgende ontwikkelingsstrategie: 1. Behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio; 2. De cultuurhistorische waarden in de Maaskant in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten. Dit geldt in het bijzonder voor het cultuurhistorisch landschap: “Beerse en Baardwijkse Overlaat” (voor een klein deel ook in gebiedspaspoort Maasvallei); 3. Het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief (o.a.
door afstemming van het gemeentelijk archeologiebeleid) van het archeologisch landschap: “Maaskant”. 4.3.2 Natuur Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om soortenbescherming en anderzijds om gebiedsbescherming. Bescherming van de plant- en diersoorten ontlenen hun bescherming onder andere aan opname in de Flora- en faunawet. Deze bescherming moet er toe leiden dat het voortbestaan van de soort niet in gevaar komt. De gebiedsbescherming is gericht op de bescherming van kwetsbare natuurgebieden en was verankerd in de Natuurbeschermingswet 1998. Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Quick scan Wet natuurbescherming Ter voorbereiding op voorliggend bestemmingsplan is ecologisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten van deze quickscan flora en fauna zijn vastgelegd in de rapportage van 14 december 2017 die bij deze toelichting hoort. Doel van dit onderzoek was in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ontwikkeling.
Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ontwikkeling invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. In de rapportage van 14 december 2017 is het volgende geconcludeerd: “Op basis van onderhavige quickscan wordt vervolgonderzoek naar het voorkomen van verschillende soortgroepen niet noodzakelijk geacht. Met betrekking tot werkzaamheden dient wel het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht te worden genomen, hetgeen in dit geval goed mogelijk is. Overtredingen ten aanzien van broedvogels kunnen worden voorkomen door verwijdering van groen buiten het broedseizoen te laten plaatsvinden of vooraf te controleren op de afwezigheid van broedgevallen. Verder dient te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen. Met betrekking tot beschermde gebieden of houtopstanden worden geen bezwaren voorzien ten aanzien van de uitvoering van de voorgenomen plannen.”
Herziening 1 – Noord-West Oss - 2013 , pag. 48 van 54 definitief 8 juli 2021
Voor een uitgebreide beschrijving van de bevindingen en conclusies wordt verwezen naar voornoemde rapportage die bij deze toelichting behoren. Vanwege een zorgvuldige voorbereiding is de quickscan in het najaar van 2020 geactualiseerd. Deze actualisatie is beschreven in de rapportage van 18 november 2020 die bij deze toelichting hoort. Op basis van de actualisatie dient voor aanvang van de groenverwijdering duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aanwezigheid van rust- en/of voorplantingsplaatsen van de bunzing, wezel en hermelijn. Gebiedsbescherming: Programma Aanpak Stikstof (PAS) en stikstofdepositie Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in enkele beroepszaken tegen Natura 2000-vergunningen die zijn gebaseerd op het Programma Aanpak Stikstof (PAS) 2015-2021 (Kamerstuk 32 670, nr. 146). Het is een stevige uitspraak die per direct forse consequenties heeft voor individuele ondernemers, maar ook voor ambities van gemeenten, provincies en Rijksoverheid op het terrein van onder meer waterveiligheid, infrastructuur, woningbouw en klimaat. De uitspraak komt er op neer dat de PAS ‘gesneuveld’ is als aanpak en systeem voor vergunningverlening van stikstofvergunningen op basis van de Wet natuurbescherming.
Hoewel er geen directe relatie lag en ligt tussen een bestemmingsplan en de PAS, is het sneuvelen van de PAS ook voor RO en bestemmingsplannen van belang, met name ook door de aandacht voor stikstof. Tot nu toe werd als ondergrens waaronder je geen Natuurvergunning nodig had (0,05 Mol/ha) ook in de RO vaak gebruikt om aan te tonen dat stikstof geen probleem was voor de voorgenomen planontwikkeling. Inmiddels is duidelijk dat afzonderlijk naar stikstofdepositie moet worden gekeken. En het juridisch kader voor en de omgang met stikstofdepositie is in ontwikkeling. In de uitgevoerde quick scan voor de ontwikkeling aan de Brasem is geconcludeerd dat vanwege de aard van de (kleinschalige) ingreep tezamen met de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden een toename van stikstofdepositie niet te verwachten is en dat vervolgonderzoek in het kader van Natura 2000-gebieden niet noodzakelijk wordt geacht. Deze bestemmingsplanherziening betreft de ontwikkeling van maximaal acht woonwagens op een locatie waar reeds twee woonwagens waren toegestaan. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Rijntakken op ongeveer 9 kilometer. Desalniettemin hebben wij voor de zekerheid naar aanleiding van een zienswijze toch Aeriusberekeningen laten uitvoeren.
Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden ten gevolge van zowel de aanleg- als de gebruiksfase blijkt kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijke projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Wij verwijzen verder naar het Onderzoek Stikstofdepositie Brasem te Oss door Econsultancy van 24 maart 2021. Soortenbescherming Wet natuurbescherming Soortenbescherming kan relevant zijn voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State gebruikt meestal de volgende standaardoverweging: “De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling dan wel een ontheffing op grond van het soortenbeschermingsregime in de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb.
Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet mag vaststellen indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid heeft moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.” ECLI:RVS:NL:2020:221 Zoals hiervoor is beschreven, is naar aanleiding van de actualisatie van de quickscan aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van rust- en/of voorplantingsplaatsen van de bunzing, wezel en hermelijn. De resultaten van dit aanvullend onderzoek zijn beschreven in een rapportage van 3 maart 2021. Vanwege de aanwezigheid van de wezel in/bij het plangebied is inmiddels een ontheffingsaanvraag bij het provinciebestuur ingediend. Bij deze marterachtigen gaat het om nationaal beschermde soorten onder artikel 3.10 Wnb. Voor deze soorten is een belang in kader van
Herziening 1 – Noord-West Oss - 2013 , pag. 49 van 54 definitief 8 juli 2021
ruimtelijke ontwikkeling en inrichting voldoende om zo
Herziening 1 – Noord-West Oss - 2013 , pag. 50 van 54 definitief 8 juli 2021
nodig een Wnb-ontheffing te kunnen verkrijgen. De ontwikkeling aan de Brasem valt hieronder. Bovendien is het mogelijk om maatregelen te nemen als dat noodzakelijk blijkt (o.a. aanbieden vervangende verblijfplaatsen voor tijdens en na de werkzaamheden en rekening houden met de kwetsbare periode (maart-eind augustus) van deze soorten). Dit maakt het aannemelijk dat een ontheffing verkregen kan worden. Het soortbeschermingsregime in de Wnb staat niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. 4.4
Defensie
Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: - Radarverstoringsgebieden; - Obstakelbeheergebieden; - Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; - Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen.
Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden.
4.5
Milieueffectrapportage (M.e.r.)
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over wordt genomen. In een milieueffectrapport worden de gevolgen voor het milieu beschreven. Zo kan de overheid die het besluit neemt de milieugevolgen bij haar afwegingen betrekken. Het doel van m.e.r. is om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over plannen en projecten. In een m.e.r.-beoordeling kijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Wanneer speelt een m.e.r.-beoordeling? In het Besluit m.e.r. staat wanneer m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het project mogelijk maakt en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de C- en D-lijst in de Bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven. Boven de C-drempel geldt een m.e.r.-plicht, tussen de C- en D-drempel geldt een plan-m.e.r.-plicht en onder de D-drempel geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient onderbouwd te worden of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen heeft.
Herziening 1 – Noord-West Oss - 2013 , pag. 51 van 54 definitief 8 juli 2021
Sinds de implementatie van de gewijzigde M.e.r.-richtlijn op 16 mei 2017 is de procedure voor de vormvrije en de formele m.e.r.-beoordeling bijna gelijk. Het enige verschil is dat van het besluit bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling geen kennisgeving wordt gedaan. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit De initiatiefnemer stelt een aanmeldnotitie op, waarover het bevoegd gezag binnen zes weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit moet nemen. Het bevoegd gezag motiveert het besluit door in te gaan op de selectiecriteria van Bijlage III van de M.e.r.-richtlijn. Het gaat daarbij om de hoofdcategorieën: 1. kenmerken van het project 2. plaats van het project 3. kenmerken van het potentiële effect. Is het bevoegd gezag zelf initiatiefnemer, dan is het bevoegd gezag, anders dan een derde, niet verplicht een aanmeldnotitie op te stellen. Verantwoording De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject is in onderdeel D 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage opgenomen. Onderhavige ontwikkeling is stedelijk, maar niet in de zin van het m.e.r.-besluit. Uit jurisprudentie blijkt dat bij nieuwvestiging van 95 woningen (ABRvS 27 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1640, r.o. 13.2) en 17.000 m2 (ABRvS 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4648, r.o. 20.3) aan volumineuze detailhandel de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk acht.
In onderhavige situatie gaat het om veel minder woningen dan 95 en is sprake van herontwikkeling in plaats van nieuwvestiging op maagdelijke grond. Binnen het plangebied blijven bestaande bestemmingen als zodanig ongewijzigd. Er worden slechts zes nieuwe standplaatsen toegevoegd op vrijwel dezelfde plaats als waar al woonwagenstandplaatsen zijn toegestaan. Vanwege deze ontwikkeling zijn echter geen (belangrijke) nieuwe of andere nadelige milieugevolgen te verwachten. Wel zijn elders in deze toelichting relevante milieuaspecten beschreven. Een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling hoeft echter niet plaats te vinden.
Herziening 1 – Noord-West Oss - 2013 , pag. 52 van 54 definitief 8 juli 2021
Hoofdstuk 5 5.1
Toelichting op de regels
Algemeen
Het bestemmingsplan bevat regels die het juridisch instrumentarium geven voor het regelen van het gebruik van de gronden en opstallen én bepalingen over de toelaatbaarheid van bebouwing. Het bestemmingsplan kan worden verbeeld op papier, en gaat vergezeld van deze toelichting. De toelichting heeft geen bindende werking en maakt juridisch geen deel uit van het bestemmingsplan. Wel heeft zij een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan. De Wet ruimtelijke ordening biedt zowel de mogelijkheid om een globaal bestemmingsplan te maken als de mogelijkheid van een gedetailleerd bestemmingsplan. Voor de opzet van de regels is aangesloten bij de “Standaardregels bestemmingsplannen Oss”. De regels bestaan uit vier hoofdstukken. Dit zijn de inleidende regels (artikelen 1 en 2), de algemene regels (artikel 3), de inhoudelijke bestemmingsplanregels (artikelen 4 en 5) en de overgangs- en slotregels (de artikelen 6 en 7). Bij de regels horen op grond van het moederplan 2 bijlagen (milieuzoneringslijst en lijst van rechtstreeks toelaatbare aan huis gebonden activiteiten). Voor de bijlagen en de regels die met voorliggende herziening niet worden gewijzigd, wordt kortheidshalve verwezen naar het moederplan. In de volgende paragraaf worden de diverse artikelen uit de regels toegelicht. 5.2
Regels
Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1: Begrippen In dit artikel worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard om verschillen in interpretatie te voorkomen. Artikel 2: Verhouding van de partiële herziening tot het bestemmingsplan Noord-West-Oss - 2013 Dit artikel geeft aan op welke manier de herziening zich verhoudt tot het ‘moederplan’. Hoofdstuk 2: Algemene regels De in dit hoofdstuk geregelde bestemmingen zijn achtereenvolgens: Artikel 3: Waarde – Archeologie verwachtingswaarde hoog Een klein deel van het plangebied is nog niet eerder archeologisch onderzocht en/of verstoord. Het betreft een gebied van ongeveer 600 m2 aan de noordkant van het plangebied. Dit gebied heeft een hoge verwachtingswaarde. Voor deze gebieden geldt een archeologische onderzoeksplicht als de bodemingrepen dieper zijn dan 30 cm beneden huidige maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 100 m². Artikel 4: Anti-dubbeltelregel Dit betreft een standaard regel die in elk bestemmingsplan moet worden opgenomen.
Herziening 1 – Noord-West Oss - 2013 , pag. 53 van 54 definitief 8 juli 2021
Hoofdstuk 3: Aanpassing van de regels Artikel 5: Aanpassing van de regels voor woonwagenstandplaatsen in artikel 24 Dit hoofdstuk geeft de inhoudelijke aanpassingen van de regels voor woonwagenstandplaatsen. Het betreft achtereenvolgens: Artikel 24.1: Voor woonwagenstandplaatsen is het mogelijk gemaakt om activiteiten uit te oefenen volgens de ‘lijst van rechtstreeks toelaatbare aan huis gebonden activiteiten’. Ook op dit punt is zo veel mogelijk aangesloten bij de mogelijkheden van overige woonbestemmingen. Artikel 24.2: De bouwregels sluiten qua maximaal toegestane oppervlakte van een woonwagen aan bij de planontwikkeling van BrabantWonen. Voor de maximaal toegestane bebouwde oppervlakte per standplaats voor de woonwagen en bijgebouwen gezamenlijk wordt aangesloten bij de regels voor reguliere (vrijstaande) woningen. Daarom is niet langer een afzonderlijke (absolute) maximale gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen per standplaats voorgeschreven. Dit verbetert de uniformiteit van de planregels voor woonbestemmingen. Hoewel dat geen doel op zich is van deze planherziening draagt het gehanteerde bebouwingspercentage indirect bij aan de brandveiligheid doordat er per saldo minder bebouwingsmogelijkheden zijn dan voorheen. Brandveiligheid is overigens geregeld in het Bouwbesluit 2012.
Artikel 24.4: De mogelijkheden om af te wijken van de gebruiksregels voor aan huis gebonden activiteiten sluiten zo veel mogelijk aan bij de afwijkingsmogelijkheden voor reguliere (vrijstaande) woningen. Voor zover bepaalde afwijkingsmogelijkheden bij woonwagenstandplaatsen niet gelden en wel bij reguliere (vrijstaande) woningen zijn dergelijke mogelijkheden bij woonwagens met name qua maatvoering ruimtelijk niet passend of wenselijk. Artikel 6: Aanpassing van de bouwregels voor parkeervoorzieningen Hiermee wordt aangesloten bij het actuele parkeerbeleid en eventuele aanpassingen daarvan. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 7: Overgangsrecht Dit artikel regelt het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik van gronden en bouwwerken. Artikel 8: Slotregel Dit artikel regelt de formele titel waaronder het bestemmingsplan kan worden aangehaald.
Herziening 1 – Noord-West Oss - 2013 , pag. 54 van 54 definitief 8 juli 2021
Hoofdstuk 6 6.1
Handhaving
Beleidskader
Naar aanleiding van een landelijk traject heeft de gemeente Oss in 2005 de nodige besluiten genomen om de handhaving te professionaliseren. De gemeente wil namelijk een professionele organisatie zijn. Om haar handhavingstaken zo transparant en objectief mogelijk uit te voeren, heeft zij een toezicht-, sanctie- en gedoogstrategie opgesteld. De wijze waarop de gemeente handelt bij overtredingen is daarin vastgelegd. Het uitgangspunt voor handhaving is: elke norm die het verdient te worden gesteld, verdient het ook te worden gehandhaafd. De gemeente is verantwoordelijk voor het algemeen belang, dat concreet wordt in de belangen van veiligheid, volksgezondheid, natuurlijk milieu en ruimtelijke kwaliteit. Deze belangen vragen om een actieve handhaving. Een goede handhaving start echter al bij het opstellen van beleid, regels en voorschriften. Om in dit verband bestemmingsplannen actief te kunnen handhaven moet voldaan zijn aan de volgende criteria: - het opstellen van uitvoerbaar beleid en duidelijke regels; - het verstrekken van duidelijke informatie op basis waarvan burgers en bedrijven hun keuzes kunnen maken; - zorgen voor de naleving van regels door middel van toezicht en de inzet van handhavingsinstrumenten.
Als primaire verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven wordt gezien: - het aanvaarden van de consequenties van de eigen keuzes; - nakoming van afspraken en naleving van regels. In het Handhavingsprogramma wordt het concrete belang van handhaving van regels van bestemmingsplannen aangegeven. De negatieve effecten van niet-handhaving kunnen immers groot zijn, zoals schade aan natuur en ruimtelijke kwaliteit, financieel-economische schade en onveiligheid. Maar ook kunnen burgers en bedrijven worden benadeeld door illegale activiteiten van hun buren/omwonenden. De ruimte in Nederland is schaars en iedereen heeft belang bij een goede woon-, werk- en leefomgeving. De kwaliteit hiervan wordt grotendeels in bestemmingsplannen vastgelegd en die kwaliteit verdient het om te worden beschermd, onder meer door toezicht op naleving van de regels en desnoods bestuursrechtelijke handhaving. Het bestuurlijke belang van een adequate handhaving van bestemmingsplannen is dus groot, maar dat geldt ook voor de individuele belangen van burgers en bedrijven. 6.2
Professionele handhaving en handhavingsprogramma
De gemeente Oss voldoet aan de wettelijke kwaliteitscriteria voor een professionele handhavingsorganisatie. Elke vier jaar wordt er een Handhavingsprogramma opgesteld waarin de prioriteiten voor de uitvoering worden vastgelegd. Dit gebeurt na de aantreding van een nieuwe gemeenteraad en de vorming van een nieuw college van burgemeester en wethouders. Elk jaar wordt aan de hand van een probleem- of omgevingsanalyse een voortschrijdend programma gemaakt, waarin rekening wordt gehouden met gewijzigde wetgeving en de op dat moment concrete problematiek. Handhaving van bestemmingsplannen is een vaste prioriteit in het programma.
Herziening 1 – Noord-West Oss - 2013 , pag. 55 van 54 definitief 8 juli 2021
6.3
Handhaafbaarheid, positief bestemmen, overgangsrecht
De regels van dit bestemmingsplan zijn getoetst op handhaafbaarheid. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voorziet in een verbod op het (laten) gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Overtreding van dit verbod is een strafbaar feit. In beginsel worden bouwwerken die in overeenstemming zijn met het vorige bestemmingsplan positief bestemd. Hetzelfde geldt voor gebruik in overeenstemming met het vorige bestemmingsplan. Met andere woorden: bestaande rechten worden gerespecteerd. Zij zijn in beginsel alleen onder het algemene overgangsrecht gebracht als te voorzien is dat zij binnen de planperiode van tien jaar zullen verdwijnen. Als sprake is van een naar huidige beleidsinzichten onwenselijke situatie die in het vorige bestemmingsplan al onder het overgangsrecht valt, is bezien of deze onder het persoonsgebonden overgangsrecht kan worden gebracht. Dat wil zeggen dat het overgangsrecht voor de betreffende percelen is beperkt tot degenen die die percelen gebruiken op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Voortgezet gebruik door anderen wordt niet als bestaand gebruik aangemerkt. Wij geven hieraan de voorkeur boven een uitsterfconstructie. Een uitsterfconstructie houdt in feite een positieve bestemming in, die afloopt na beëindiging van het betreffende gebruik. Dit maakt opvolging in de tijd door meerdere gebruikers mogelijk.
Daarmee kan in beginsel het ongewenste gebruik eindeloos lang duren. Persoonsgebonden overgangsrecht heeft als voordeel dat het gekoppeld is aan gebruik door één specifieke gebruiker of een beperkt aantal specifieke gebruikers. Daarmee kan het ongewenste gebruik in de praktijk eerder beëindigd worden, en zeker niet eindeloos lang voort blijven duren, waarmee mee recht wordt gedaan aan de bedoeling van overgangsrecht. Het persoonsgebonden overgangsrecht heeft zeker bij situaties die illegaal zijn ontstaan onze voorkeur boven een uitsterfregeling. Daarnaast kan het voorkomen dat bouwwerken in strijd met het vorige bestemmingsplan zijn opgericht, of dat bestaand gebruik in strijd is met dat plan. Een positieve bestemming ligt dan in de rede als de met het vorige bestemmingsplan strijdige situatie naar huidige beleidsinzichten ruimtelijk aanvaardbaar is. Indien de betreffende situatie ruimtelijk niet aanvaardbaar is, zal hiertegen in beginsel handhavend worden opgetreden. Indien dat in een uitzonderlijk geval niet (meer) mogelijk is, is bezien of de situatie onder het persoonsgebonden overgangsrecht gebracht kan worden. Overigens zijn strijdige situaties op grond van de planregels standaard uitgezonderd van het algemene overgangsrecht. Het Besluit ruimtelijke ordening schrijft dit voor.
Uiteindelijk is altijd maatwerk vereist om te bepalen of een positieve bestemming, algemeen overgangsrecht of persoonsgebonden overgangsrecht mogelijk is.
Herziening 1 – Noord-West Oss - 2013 , pag. 56 van 54 definitief 8 juli 2021
Hoofdstuk 7
Economische uitvoerbaarheid
Bij het opstellen van een bestemmingsplan (alsook een herziening) dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub f van het Besluit ruimtelijke ordening onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Op grond van de Grondexploitatiewet die per 1 juli 2008 in werking is getreden, worden overheden verplicht kosten te verhalen indien er sprake is van een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijk ordening. In hoofdstuk 3 is aangegeven dat kostenverhaal in dit geval niet speelt omdat de gemeente zelf initiatiefnemer is. Ter verdere toelichting nog het volgende. De herontwikkeling van woonwagenlocatie Brasem is een ontwikkeling in opdracht van de gemeente Oss. Voor dit project heeft de raad krediet beschikbaar gesteld. Dit maakt voldoende aannemelijk dat het project ook daadwerkelijk tot uitvoering zal komen, waarmee de economische uitvoerbaarheid afdoende is aangetoond. Ten behoeve van het voorliggend plan wordt door de gemeente met BrabantWonen een samenwerkingsovereenkomst gesloten, waarin alle relevante financiële (zoals wettelijk voorgeschreven plankostenverhaal) en overige afspraken zijn vastgelegd. De gemeente blijft eigenaar van de grond en geeft de gronden onder standplaatsen in gebruik bij BrabantWonen. De gemeente Oss blijft ook eigenaar van de openbare ruimte en zorgt voor het beheer van de openbare ruimte.
Daarmee wordt het kostenverhaal voor het voorliggende plan op een adequate wijze anderszins verzekerd in de zin van bovengenoemde bepaling uit de Wro, zodat van het vaststellen van een exploitatieplan kan worden afgezien. Op basis van de vorenstaande overwegingen is de behoefte aan en de financiële haalbaarheid van de ontwikkeling van de beoogde maatschappelijke voorziening voldoende aangetoond. De economische uitvoerbaarheid van het voorliggende bouwplan is daarmee afdoende aannemelijk gemaakt. Voorts kan worden vastgesteld dat de gemeente zelf initiatiefnemer is en over de exploitatie van de locatie met BrabantWonen contractuele afspraken heeft gemaakt zodat het wettelijk voorgeschreven plankostenverhaal anderszins verzekerd is. De gemeenteraad kan afzien van de vaststelling van een exploitatieplan.
Herziening 1 – Noord-West Oss - 2013 , pag. 57 van 54 definitief 8 juli 2021
Hoofdstuk 8 8.1
Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid
Inspraak
Voorafgaand aan (ontwerp)bestemmingsplan In 2017, 2018 en 2020 zijn omwonendenbijeenkomst georganiseerd om de omgeving van de locatie te betrekken bij de planvorming. Het doel van de bijeenkomsten was om te komen tot een vernieuwde locatie waar zowel woonwagenbewoners als buurtbewoners tevreden mee kunnen zijn. Parallel aan deze bijeenkomsten is steeds gelijktijdig de vertegenwoordiging van de woonwagenbewoners en de wijkraad geïnformeerd en geconsulteerd over de plannen. Tijdens de eerste bijeenkomst in oktober 2017 is uitgelegd wat het nieuwe woonwagenbeleid betekent voor de locatie aan de Brasem. Omwonenden konden laten weten welke zorgen er speelden en suggesties aandragen om de locatie zo goed mogelijk te ontwikkelen. In januari 2018 is het ontwerpinrichtingsplan voor de locatie gepresenteerd met een toelichting hoe de opmerkingen waren verwerkt. Omwonden konden wederom reageren op dit ontwerp. Daarna is het lange tijd stil geweest. Dat had verschillende oorzaken. Woningcorporatie BrabantWonen gaat de standplaatsen inrichten en de woonwagens verhuren. Dat is niet eerder gedaan in Oss. Gemeente en woningcorporatie hebben dat zorgvuldig voorbereid. Ook was er extra budget nodig voor het inrichtingsplan. Verder hadden het caravanprotest aan de Brasem, de media-aandacht voor de laatste bewoner en Operatie Alfa invloed op de voortgang.
In augustus 2020 zijn omwonenden geïnformeerd over de stand van zaken en is het opnieuw het inrichtingsplan voor woonwagenlocatie Brasem gepresenteerd. De bijeenkomst was georganiseerd samen met woningcorporatie BrabantWonen. Zienswijzen naar aanleiding van het ontwerp-bestemmingsplan Wij verwijzen naar de nota van zienswijzen en wijzigingen die bij dit bestemmingsplan hoort. 8.2
Vooroverleg
Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat ‘het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn’. Ter uitvoering daarvan zijn de in dat artikel genoemde instanties in de gelegenheid gesteld om te reageren op het voorontwerp-bestemmingsplan. Het eindverslag van dit vooroverleg is als bijlage opgenomen bij deze toelichting.
Herziening 1- Noord-West-Oss - 2013
Herziening 1- Noord-West-Oss - 2013 pag 2 van 13 vastgesteld
Inhoudsopgave
Regels
3
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
4
Artikel 1
Begrippen
4
Artikel 2 - 2013
Verhouding van de partiële herziening tot het bestemmingsplan Noord-West-Oss
Hoofdstuk 2
Algemene regels
6
Artikel 3
Waarde - Archeologie verwachtingswaarde hoog
6
Artikel 4
Anti-dubbeltelregel
8
Hoofdstuk 3
Aanpassing van de regels
9
Artikel 5
Aanpassing van de regels voor woonwagenstandplaatsen in artikel 24
9
Artikel 6
Aanpassing van de bouwregels voor parkeervoorzieningen in artikel 29.3
11
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
12
Artikel 7
Overgangsrecht
12
Artikel 8
Slotregel
13
5
Herziening 1- Noord-West-Oss - 2013 pag 3 van 13 vastgesteld
Regels
Herziening 1- Noord-West-Oss - 2013 pag 4 van 13 vastgesteld
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
1.1 plan: het bestemmingsplan Herziening 1- Noord-West-Oss - 2013 met identificatienummer NL.IMRO.0828.HZ1noordwestoss-VG01 van de gemeente Oss. 1.2 bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.
Herziening 1- Noord-West-Oss - 2013 pag 5 van 13 vastgesteld
Artikel 2 Verhouding van de partiële herziening tot het bestemmingsplan Noord-West-Oss - 2013 Deze partiële herziening is een gedeeltelijke aanpassing van het bestemmingsplan 'Noord-West-Oss 2013' voor zover het betreft: a. de geometrisch bepaalde planobjecten in de aangegeven gebieden, en b. de regels voor wat betreft de aangegeven wijzigingen en aanvullingen binnen het bestemmingsplan Herziening 1- Noord-West-Oss - 2013. De geometrische planobjecten en de overige regels van het bestemmingsplan 'Noord-West-Oss - 2013' blijven voor het overige onveranderd gelden.
Herziening 1- Noord-West-Oss - 2013 pag 6 van 13 vastgesteld
Hoofdstuk 2 Artikel 3
Algemene regels
Waarde - Archeologie verwachtingswaarde hoog
3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie verwachtingswaarde hoog' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van op of in die gronden aanwezige archeologische waarden. 3.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk dat geen bouwwerk is of van werkzaamheden 3.2.1 Vergunningsplicht Het is, zo nodig in afwijking van wat elders in deze regels is bepaald, verboden op en/of in deze gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken die geen bouwwerk zijn en/of werkzaamheden uit te voeren of te doen of te laten uitvoeren over een oppervlakte van 100 m² of meer en dieper dan 0,3 m ten opzichte van het maaiveld: a. graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, ploegen, roeren en omwoelen van gronden, waaronder begrepen het aanleggen van drainage; b. het ophogen, verlagen of egaliseren van de bodem; c. heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem; d. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en het rooien van diepwortelende beplanting waarbij stobben worden verwijderd; e. het verlagen van het waterpeil; f. het graven, verbreden en verdiepen van sloten, vijvers, zwembaden en andere wateren; g.
het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatieleidingen of andere leidingen en de daarmee verbandhoudende constructies; h. het verharden van wegen, paden of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; i. het plaatsen en/of verwijderen van funderingen; j. graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen voor de bouw van gebouwen en andere bouwwerken. 3.2.2 Uitzondering Het verbod in artikel 3.2.1 geldt niet voor werken en werkzaamheden: a. in het kader van archeologisch onderzoek en archeologische opgravingen, mits deze worden verricht door een ter zake deskundige als bedoeld in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie; b. die op het moment van het van kracht worden van het plan legaal in uitvoering waren of legaal konden worden uitgevoerd krachtens een voor dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning; c. die bestaan uit het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen dan wel andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies, voor zover deze worden aangebracht binnen een bestaand leidingentracé binnen de daarvoor oorspronkelijk gegraven sleuf; d. die het normale gebruik, onderhoud en/of beheer betreffen van de gronden. 3.2.3 Toelaatbaarheid, nadere eisen en voorwaarden a. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.2.1 mag alleen worden verleend als: 1.
door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen de archeologische waarden van het betreffende terrein niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind, en/of
Herziening 1- Noord-West-Oss - 2013 pag 7 van 13 vastgesteld
2. uit door de aanvrager of ander overgelegd archeologisch onderzoek conform de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie naar het oordeel van het bevoegd gezag blijkt dat de archeologische waarden van het betreffende terrein in voldoende mate zijn vastgesteld en zo nodig zijn zekergesteld, dan wel dat er geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel dat de archeologische waarden door de werken of werkzaamheden niet of niet onevenredig worden geschaad. b. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan het archeologische onderzoek en het archeologische onderzoeksrapport. c. In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3. de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door de gemeentelijke archeoloog dan wel een andere deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties. 3.3 Informatieve verwijzing naar andere regels van dit plan Voor de volledige inhoud zijn alle hoofdstukken en de bijlagen van de regels van belang.
Direct naar Inleidende regels Direct naar Algemene regels Direct naar Overgangs- en slotregels
Herziening 1- Noord-West-Oss - 2013 pag 8 van 13 vastgesteld
Artikel 4
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Herziening 1- Noord-West-Oss - 2013 pag 9 van 13 vastgesteld
Hoofdstuk 3 Artikel 5 24 5.1
Aanpassing van de regels
Aanpassing van de regels voor woonwagenstandplaatsen in artikel
Artikel 24 wordt gewijzigd en komt als volgt te luiden:
Artikel 24 Wonen - Woonwagenstandplaatsen 24.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen - Woonwagenstandplaatsen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het innemen van een standplaats met een woonwagen; b. activiteiten, genoemd in de 'lijst van rechtstreeks toelaatbare aan huis gebonden activiteiten' met een bedrijfsvloeroppervlakte van niet meer dan 35 m2; c. bijbehorende waterhuishoudkundige voorzieningen, parkeervoorzieningen, paden, erven en tuinen. 24.2 Bouwregels Op deze gronden mogen uitsluitend standplaatsen worden ingenomen met woonwagens en mogen daarbij behorende bijgebouwen, zoals bergingen, douche-, toilet-, en wasruimten, alsmede bijbehorende bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden gebouwd. Hiervoor gelden de volgende regels: 24.2.1 Standplaatsen Voor het bouwen van standplaatsen gelden de volgende regels: a. Het aantal standplaatsen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is aangegeven. b. De standplaatsen mogen zich niet bevinden buiten het bouwvlak. c. De oppervlakte van een woonwagen mag per standplaats niet meer bedragen dan 78 m2. d. De bouwhoogte van een woonwagen mag niet meer bedragen dan 6 m. 24.2.2 Bijgebouwen en bouwwerken die geen gebouw zijn Voor het bouwen van bijgebouwen en bouwwerken die geen gebouw zijn, gelden de volgende regels: a. Een bijgebouw mag niet worden gebouwd buiten het bouwvlak. b.
De goothoogte respectievelijk de bouwhoogte van een bijgebouw mogen niet meer bedragen dan 3,5 respectievelijk 5 m. c. De hoogte van andere bouwwerken die geen gebouw zijn, mag niet meer bedragen dan 4 m, waarbij geldt, dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer mag bedragen dan 2 m. 24.2.3 Bebouwingspercentage Het bebouwingspercentage mag per standplaats niet meer bedragen dan 55%. 24.3 Specifieke gebruiksregels Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan: a. het gebruik van een woonwagen voor de huisvesting van meer dan één huishouden; a. gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens voor een seksinrichting en/of escortbedrijf; b. het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning; c. de opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken goederen en
Herziening 1- Noord-West-Oss - 2013 pag 10 van 13 vastgesteld
van materialen, emballage en afval, behalve voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik. 24.4 Afwijken van de gebruiksregels Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken: a. van het bepaalde in lid 24.1 ten behoeve van de uitoefening van activiteiten die niet genoemd worden in de 'lijst van rechtstreeks toelaatbare aan huis gebonden activiteiten' maar naar aard en omvang gelijk te stellen zijn met de in die lijst wel genoemde activiteiten, mits: 1.geen onevenredige aantasting van de kwaliteit van de woonomgeving plaatsvindt; 2. de activiteit voor wat betreft milieuaspecten kan worden ingeschaald in categorie 1 van de milieuzoneringslijst; 3. een goede verkeersafwikkeling kan worden gewaarborgd en voorzien kan worden in de parkeerbehoefte; 4. de activiteit geen sterk publieksaantrekkende werking heeft; 5. de activiteit niet is uitgesloten in de 'lijst van rechtstreeks toelaatbare aan huis gebonden activiteiten'; b. van het verbod tot uitoefening van detailhandel als onderdeel van de uitoefening van een aan huis gebonden activiteit, mits: 1. de detailhandel onderdeel is van de klantgerichte activiteiten ter plaatse; 2. de detailhandel van ondergeschikte aard en een niet-zelfstandig onderdeel is van de totale bedrijfsvoering.
Herziening 1- Noord-West-Oss - 2013 pag 11 van 13 vastgesteld
Artikel 6 Aanpassing van de bouwregels voor parkeervoorzieningen in artikel 29.3 6.1
Artikel 29.3 wordt gewijzigd en komt als volgt te luiden:
29.3 Parkeervoorzieningen 29.3.1 Bouwregels voor parkeervoorzieningen In aanvulling op wat er geregeld is voor de voorkomende bestemmingen gelden de volgende regels: 1. Als de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet het gebouw en moet de andere bebouwing op het betreffende bouwperceel zodanig worden geplaatst of ingericht dat voor het parkeren of stallen van auto's voldoende ruimte aanwezig is in, op of onder het gebouw dan wel op of onder het onbebouwde gedeelte van het bouwperceel. 2. De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare auto's en op de situatie ter plaatse. De afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een auto van een gehandicapte - voor zover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst - moet minstens 3,50 bij 5,00 m bedragen. 3. Als de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden en lossen van goederen moet het gebouw zodanig worden geplaatst of ingericht dat in deze behoefte in voldoende mate kan worden voorzien aan, in of onder het gebouw dan wel op of onder het onbebouwde gedeelte van het betreffende bouwperceel. 4. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van wat er in lid 1 staat, mits op andere wijze in de nodige parkeerruimte wordt voorzien.
29.3.2 Beleidsregels voor toepassing normen voldoende parkeervoorzieningen Van voldoende ruimte voor parkeren of stallen van auto's als bedoeld in artikel 29.3.1 is sprake als wordt voldaan aan de door burgemeester en wethouders op 13 december 2016 vastgestelde 'Parkeernormen 2017 gemeente Oss'. Hierbij geldt dat als deze beleidsregels worden gewijzigd of vervangen, rekening wordt gehouden met deze wijziging of vervanging.
Herziening 1- Noord-West-Oss - 2013 pag 12 van 13 vastgesteld
Hoofdstuk 4 Artikel 7
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
7.1 Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met maximaal 10%. c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 7.2 Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b.
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Herziening 1- Noord-West-Oss - 2013 pag 13 van 13 vastgesteld
Artikel 8
Slotregel
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het Bestemmingsplan Herziening 1- Noord-West-Oss - 2013.