2Toelichting + regels.PDF
Tekst van het document
3.4.10 Groen en natuur/biodiversiteit Natuur- en landschapsvisie 2005 De visie vormt een toetsings- en ontwikkelingskader voor het natuur- en landschapsbeleid in Oss. Zij geeft richting aan ontwikkelingen en nodigt initiatiefnemers uit om een bijdrage te leveren aan projecten. De visie heeft als bouwsteen bijgedragen aan de Structuurvisie Oss 2020. Een ambitie die in de visie uitgesproken wordt is dat er een Groenblauwe Slinger in en om de stad wordt gerealiseerd in zogenaamde parkzones. Deze slinger verbindt de ‘Groene Geledingszone’ met het Ossermeer via een ‘snoer’ bestaande uit langgerekte groengebieden en waterpartijen die de verbinding vormen tussen parken zoals de Mettegeupel. Deze slinger vervult een ecologische, landschappelijke, waterhuishoudkundige en recreatieve functie. Routekaart Groen, Blauw en Natuur In deze nota is aangegeven dat we de natuur en de biodiversiteit willen verbeteren door in te zetten op een gemeentelijk natuurnetwerk, aanvullend op het provinciaal netwerk. Het landschap en de ontstaansgeschiedenis van de gemeente Oss vormen daarbij de basis. Daarbij onderscheiden we de vijf gebieden die ook in de Natuur- en Landschapsvisie worden genoemd. Natuurinclusief bouwen De gemeente streeft er naar om bij (ver)bouwen zoveel als mogelijk rekening te houden met de natuur en de biodiversiteit ofwel ‘natuurinclusief’ te bouwen.
Aan initiatiefnemers wordt gevraagd om dit ook te doen. Bijzonder waardevolle bomen In 1998 is de beleidsnota “Bijzonder waardevolle bomen” opgesteld, waarin bomen zijn opgenomen die vanwege specifieke waarden bescherming verdienen. De lijst met waardevolle bomen wordt periodiek geactualiseerd. De laatste actualisatie is opgenomen in de nota “Bijzondere bomen in Oss 2018”. In deze nota is vastgelegd dat de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de aangewezen waardevolle bomen altijd geweigerd moet worden tenzij het kappen van deze bomen vanuit het algemene belang noodzakelijk is. Dit is verder vertaald in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Op grond van de APV is voor het kappen van bomen die op de Beschermde bomenlijst staan een vergunning vereist. De
Herziening 1 – Noord-West Oss - 2013 , pag. 28 van 54 definitief 8 juli 2021
vergunning kan op grond van verschillende criteria door het college van burgemeester en wethouders worden geweigerd. Spelen Het beleid voor speelvoorzieningen in de gemeente Oss is vastgelegd in het beleidsplan ‘Speelruimtebeleid in Oss’. De gemeente Oss wil met het speelruimtebeleid bereiken dat kinderen en jongeren vaak, goed en veilig in de openbare ruimte kunnen spelen of verblijven. Voor een bespeelbare openbare ruimte hanteert de gemeente een aantal uitgangspunten: spreiding en inrichting van formele speelplekken, nieuwe verdeling van speelplekken en het idee ‘meer met minder’. Daarbij gaat de gemeente ervan uit de speelruimte veilig, uitdagend en divers is, voor verschillende doelgroepen. Er moet voldoende ruimte zijn voor spel en initiatief. Niet alle ruimte wordt gedefinieerd, zodat er plaats is voor informele speelruimten. De gemeente grijpt natuurlijke momenten aan waarop dit beleid wordt vormgegeven in concrete projecten. In veel gevallen is er noodzakelijk groot onderhoud, een herinrichting, een nieuwe inrichting of een veranderde vraag. 3.4.11 Water Waterbeheerplan 2016-2021 In het Waterbeheerplan (WBP) beschrijft het waterschap Aa en Maas haar doelstellingen voor de periode 2016 – 2021 en de wijze waarop deze doelstellingen bereikt moeten worden.
Hiermee geeft het waterschap invulling aan de verplichting vanuit de Waterwet en de Verordening water Noord-Brabant om een waterbeheerplan op te stellen. In het waterbeheerplan wordt een indeling gemaakt in de volgende programma’s: • • Veilig en bewoonbaar; • • Voldoende water en robuust watersysteem; • • Schoon water; • • Gezond en natuurlijk water; • • Het leveren van maatschappelijke meerwaarde Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Het gemeentelijke beleid voor water is uitgewerkt in het ‘Plan Watertaken’.
Volgens dit plan wordt voor de komende tijd ingezet op onderstaande ruimtelijk relevante zaken: - Duurzame instandhouding van het systeem waarbij beperking van overlast en schade voorop staan; - Doorzetten van anders omgaan met afstromend regenwater. Dit betekend voor nieuwe gebieden dat hemelwater niet wordt gemengd met afvalwater. In bestaand gebied wordt bij rioolvervanging waar mogelijk ook regenwater niet meer afgevoerd via de riolering maar lokaal verwerkt oftewel afgekoppeld. Op lange termijn is dit goed voor mens, milieu en portemonnee. Lokaal vasthouden van
Herziening 1 – Noord-West Oss - 2013 , pag. 29 van 54 definitief 8 juli 2021
hemelwater draagt bij aan een gezonde leefomgeving, duurzaam omgaan met water en opvang van klimaatverandering; - Via het watertoetsproces wordt in ruimtelijke plannen noodzakelijke ruimte voor water en waterveiligheid verzekerd. Waterveiligheid en hydrologisch neutraal ontwikkelen zijn daarbij leidend; - In het landelijke gebied werkt de gemeente samen met het waterschap aan de invulling van de Ecologische verbindingszones (EVZ) langs waterlichamen als uitwerking van reconstructieafspraken en afspraken in het kader van de KaderRichtlijn Water (KRW). In het gemeentelijk Waterplan uit 2005 is een lange termijn visie op water in Oss opgenomen. Deze visie, een gezamenlijk product van gemeente en waterschap, is nog steeds de gewenste ontwikkeling en is daarom opnieuw in dit plan opgenomen als vertrekpunt voor beleid in de komende planperiode. . Uitgangspunt van het beleid is dat er in Oss naar een duurzaam watersysteem wordt gestreefd, waarbij voorkomen wordt dat de problemen worden afgewenteld naar elders of naar later. Aan de hand van vier thema’s wordt het waterbeleid verder uitgewerkt. Beleving van water Oss streeft naar een functioneel, veerkrachtig en mooi watersysteem met zichtbaar en veilig water waardoor een prettige leefomgeving ontstaat. Water als ordenend principe De gemeente wil rekening houden met water tijdens het ontwerp van nieuwe wijken.
Water is steeds meer ordenend. Er wordt hydrologisch neutraal ontwikkeld. Herinrichting of nieuwbouw mag dus niet leiden tot een grotere afvoer uit het plangebied. Het beleid is erop gericht om veel meer en langer water vast te houden, te bergen en pas daarna af te voeren. Waterkwaliteit Oss streeft naar water dat helder en schoon is. De kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater moet op alle punten aan de vereiste ecologische en milieukwaliteitsmaatstaven voldoen. De vuiluitworp van overstorten en andere lozingen mogen het oppervlaktewater niet nadelig beïnvloeden. Voor de waterkwaliteit wordt de strategie gevolgd van schoon houden, schoon en vuil scheiden, zuiveren. Waterketen De gemeentelijke riolering moet op termijn volledig voldoen aan het waterkwaliteitsspoor. Om dit te bereiken wordt zoveel mogelijk regenwater afgekoppeld van het riool en worden de schoon- en vuilwaterstromen zoveel mogelijk gescheiden. Al het afvalwater moet worden gezuiverd.
3.4.12 Verkeer Mobiliteitsvisie, Balans in beweging In de mobiliteitsvisie (2009) staan drie begrippen centraal; bereikbaarheid, verkeersveiligheid en leefbaarheid. Het centrale doel van de mobiliteitsvisie is het in balans brengen van de bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid in de gemeente, nu en in de toekomst. Om deze balans te bereiken streeft de gemeente naar een verschuiving in het gebruik van vervoerswijzen. Een groter deel van de verplaatsingen moet plaats gaan vinden met de fiets of met het openbaar vervoer. Dit is nodig om Oss bereikbaar en leefbaar te houden. Oss wil de verschuiving bereiken door het gebruik van fiets en openbaar vervoer te stimuleren. Deze vervoerswijzen moeten veilig en comfortabel zijn en men moet snel op de plaats van bestemming kunnen komen. De goede bereikbaarheid is met name gericht op de economisch belangrijke gebieden van Oss. De bedrijventerreinen vallen hieronder. De doorstroming op de wegen naar de bedrijventerreinen (i.c. N329) moet optimaal zijn. Hoewel de bereikbaarheid van de economisch belangrijke gebieden voor alle vervoerswijzen goed moet zijn, streeft de gemeente wel naar
Herziening 1 – Noord-West Oss - 2013 , pag. 30 van 54 definitief 8 juli 2021
een verschuiving van vervoerswijze. Korte verplaatsingen moeten bij voorkeur per fiets of te voet afgelegd worden en niet per auto. Voor het vervoer van goederen zal het gebruik van water en spoor verder gestimuleerd worden. In de uitwerkingsfase zullen de doelstellingen uit de visie langs drie lijnen worden uitgewerkt: infrastructuur, gedrag en organisatie. Er heeft inmiddels een uitwerking plaatsgevonden in de deelplannen Wegen, Fiets, Openbaar Vervoer en Gedrag. Parkeren Op 22 augustus 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders de nota “parkeernormen voor woonwijken” vastgesteld. In deze notitie staat beschreven welke parkeernormen gehanteerd moeten worden bij nieuwe projecten (zowel uitbreidingen als herstructurering). Uitgangspunt voor herontwikkeling is dat het parkeren op eigen terrein dient te worden opgelost. De gemeente Oss heeft een bepaalde aanpak voor parkeerproblemen binnen bestaand gebied. Om het gesignaleerde parkeerprobleem ook objectief vast te kunnen stellen, wordt eerst de parkeercapaciteit in een bepaald gebied bepaald. Hoeveel parkeerplaatsen (zowel in de openbare ruimte en op eigen terrein) zijn er? Vervolgens wordt gekeken naar de parkeerdruk. Daarbij wordt de vraag naar parkeerplaatsen in het gebied afgezet tegen het aantal beschikbare plaatsen.
Wanneer de bezettingsgraad in een (deel van een) woonwijk structureel groter is dan 95% is sprake van een parkeerprobleem. Wanneer sprake is van een parkeerprobleem worden de oorzaken nader onderzocht. Wordt de parkeerdruk veroorzaakt door bewoners van de buurt of is sprake van parkeerdruk van buitenaf? Is het autobezit in een bepaalde buurt hoger dan gemiddeld? Wordt er veel geparkeerd door bezoekers van een voorziening in of aan de rand van een wijk? Hoe is de parkeercapaciteit over de wijk verdeeld? Zijn de aanwezige parkeerplaatsen – met name op eigen terrein - bruikbaar? Het vaststellen van de oorzaak van het parkeerprobleem is essentieel om een oplossingsrichting te bepalen. Oplossingen kunnen worden gezocht in het beïnvloeden van het gedrag van mensen, in fysieke ingrepen om meer parkeerplaatsen te realiseren en in parkeerregulering. Wanneer het parkeerprobleem in een woonwijk wordt veroorzaakt door bewoners van de buurt zelf, zal eerst worden gekeken naar het gedrag van mensen. Daarbij kan worden gedacht aan onder andere het stimuleren van alternatieve vervoerswijzen en bewust maken van acceptabele loopafstanden (vooral voor de tweede auto). Soms zijn binnen een straal van 100 meter nog parkeerplaatsen aanwezig. Als de eerste stap geen soelaas biedt, wordt gekeken naar de mogelijkheid meer parkeerplaatsen te realiseren in het openbare gebied.
Soms zijn daar mogelijkheden voor. Soms moet een afweging worden gemaakt of het acceptabel is dat het aanwezige groen wordt opgeofferd ten gunste van parkeerplaatsen. In de buurten waar parkeeroverlast is vanwege parkeergedrag van omliggende bedrijven dan wel van treinreizigers (dus van buitenaf) kan worden bezien of parkeerregulering een vermindering van de parkeerdruk geeft. In uitzonderingsgevallen kan als laatste stap gekozen worden voor het creëren van extra parkeerplaatsen bij nieuwe ontwikkelingen of sanering van bebouwing ten behoeve van extra parkeerplaatsen. Die laatste stap hoeft in Oss eigenlijk niet doorlopen te worden. Op 13 december 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders de nota ‘Parkeernormen 2017’ vastgesteld. In deze notitie staat beschreven welke parkeernormen gehanteerd moeten worden bij nieuwe projecten (zowel uitbreiding als herstructurering). Uitgangspunt voor herontwikkeling is dat het parkeren op eigen terrein dient te worden opgelost.
Herziening 1 – Noord-West Oss - 2013 , pag. 31 van 54 definitief 8 juli 2021
In hoofdstuk 4 van deze toelichting wordt het plan getoetst aan de parkeernormen van de gemeente Oss. 3.4.13 Prostitutiebeleid Op 1 oktober 2000 is de opheffing van het bordeelverbod in werking getreden. Het gemeentelijk beleid inzake prostitutie heeft zijn juridische neerslag gevonden in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Oss. Het doel van het gemeentelijk prostitutiebeleid is door middel van een vergunningenstelsel invloed uit te oefenen op de aard en het aantal van prostitutiebedrijven en daarmee te voorkomen dat de aanwezigheid van deze bedrijven leidt c.q. kan leiden tot aantasting van de openbare orde en/of veiligheid, woon- en/of leefklimaat of andere vormen van overlast. Raam en straatprostitutie zijn verboden. De vestiging van seksinrichtingen en escortbedrijven is alleen mogelijk na vergunningverlening. Voor de vestiging van seksinrichtingen is een concentratiegebied aangewezen, waarbij het aantal inrichtingen is gemaximaliseerd. Het plangebied van dit bestemmingsplan valt niet binnen het concentratiegebied. 3.4.14 Archeologiebeleid Op 14 oktober 2010 heeft de gemeente Oss haar ‘Archeologiebeleid’ vastgesteld. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid (opnieuw) vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk.
Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss' (Goddijn, 2012). Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld. Verwachting/waarde Archeologisch beschermd rijksmonument Archeologisch (AMK-) monument Beschermde stadsgezichten Historische stads-/dorpskern Hoge verwachtingswaarde Hoge verwachtingswaarde – bedrijventerrein Middelhoge verwachtingswaarde Lage verwachtingswaarde Reeds onderzocht Verstoord
Vrijstellingsgrenzen 0 m2 / 30 cm -Mv
35 m2 / 30 cm -Mv 50 m2 / 30 cm -Mv 100 m 2 / 30 cm -Mv 1000 m2 / 30 cm -Mv 5 hectare / 30 cm -Mv Afhankelijk van de resultaten van het reeds uitgevoerde onderzoek. Geen onderzoeksplicht
Herziening 1 – Noord-West Oss - 2013 , pag. 32 van 54 definitief 8 juli 2021
Uitsnede archeologische beleidskaart. Legenda: Grijs = verstoord. Groen = reeds onderzocht. Roze = hoge verwachtingswaarde
Uit de archeologische beleidskaart blijkt het volgende (zie uitsnede archeologische beleidskaart): • Een groot deel van het plangebied is verstoord (grijs). In dit gebied is archeologisch onderzoek niet meer aan de orde. • Ook is een deel van het gebied archeologisch al onderzocht (groen). Dit gebied is in 1976 opgegraven door de universiteit van Leiden (bron: Fokkens, H., S. van As en R. Jansen, 2019. The Oss-Noord project. The second decade of excavations at Oss 1986-1996. Analecta Praehistorica Leidensia 48. Faculteit der archeologie, Leiden). Omdat sprake is geweest van een opgraving wordt ervan uitgegaan dat er geen archeologische resten in dit gebied meer aanwezig zijn. • Een klein deel van het plangebied is nog niet onderzocht en/of verstoord (roze). Het betreft een gebied van zo’n 600 m 2 aan de noordkant en een gebied van minder dan 100 m 2 aan de zuidwestkant van het plangebied. Beide gebieden hebben volgens de beleidskaart een hoge verwachtingswaarde. Voor deze gebieden geldt een archeologische onderzoeksplicht als de bodemingrepen dieper zijn dan 30 cm beneden huidige maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 100 m². Volgens het beleid van de gemeente Oss moet er dan wel sprake zijn van een groter aaneengesloten onverstoord gebied. Dit is alleen bij het gebied aan de noordzijde het geval.
Herziening 1 – Noord-West Oss - 2013 , pag. 33 van 54 definitief 8 juli 2021
Hoofdstuk 4 4.1
Verantwoording
Milieu- en omgevingsaspecten
In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: - Bedrijven en milieuzonering (§ 4.1.1) - Bodem (§ 4.1.2) - Externe veiligheid (§ 4.1.3) - Geurhinder: agrarisch (§ 4.1.4) - Geur: industrieel (§ 4.1.5) - Luchtkwaliteit (§ 4.1.6) - Mobiliteit en parkeren (§ 4.1.7) - Straling (§ 4.1.8) - Water (§ 4.1.9) - Weg-, spoor-, en industrielawaai (§ 4.1.10) - Gezondheid (§ 4.1.11) 4.1.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uitvoeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen.
Planologisch gezien zijn er in de nabijheid van het plangebied geen functies mogelijk welke gelet op milieuzonering een belemmering kunnen vormen voor de uitbreiding van het aantal standplaatsen aan de Brasem. Binnen de bebouwde kom liggen alleen woningen en groenstroken nabij, buiten de bebouwde kom enkele agrarische percelen en woonbestemmingen. Voor de hoogspanningslijn van Tennet ten zuiden van het plangebied geldt de regelgeving inzake bedrijven en milieuzonering niet. Dit aspect komt elders in deze toelichting aan de orde. 4.1.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Voor het plangebied aan de Brasem in Oss is een verkennend bodemonderzoek verricht.
Uit de resultaten van dit bodemonderzoek, zoals beschreven in het onderzoeksrapport 5 december 2017 dat bij
Herziening 1 – Noord-West Oss - 2013 , pag. 34 van 54 definitief 8 juli 2021
deze toelichting hoort, blijkt dat zowel de vaste bodem als het grondwater niet verontreinigd zijn met de onderzochte parameters. In het grondwater is een van nature verhoogd gehalte aan barium gemeten. De resultaten komen overeen met het onderzoek dat in 2009 op de locatie is uitgevoerd. Aanvullend of nader bodemonderzoek is niet nodig. Het onderzoeksresultaat uit 2017 is nog voldoende actueel, met name omdat er geen (mobiele) noemenswaardige verontreiniging is aangetroffen. Tegen bebouwing van de onderzoekslocatie bestaan geen zwaarwegende milieuhygiënische bezwaren. 4.1.3
Externe veiligheid
Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: - het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) - het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan.
Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.
Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. Ontwikkeling aan de Brasem en externe veiligheid Gebaseerd op de risicokaart en de signaleringskaart (behorende bij het externe veiligheidsbeleid van de
Herziening 1 – Noord-West Oss - 2013 , pag. 35 van 54 definitief 8 juli 2021
gemeente Oss) ligt de locatie aan de Brasem enkel binnen het invloedsgebied van het spoor. Dit invloedsgebied is 3 kilometer aan beide zijden van het spoor. De locatie ligt op ruime afstand (ongeveer 1,8 kilometer) waardoor de standaard verantwoording (zie bijlage 2 van het externe veiligheidsbeleid) gebruikt kan worden. Verdere verantwoording zou alleen van toepassing zijn als de locatie binnen 300 meter van het spoor zou liggen. Externe veiligheid vormt aldus geen belemmering voor de planontwikkeling. 4.1.4 Geurhinder: agrarisch De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2017”.
Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: - de burger beschermen tegen geurhinder; - de veehouderijen niet onnodig beperken; - ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017 wordt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object binnen de gemeente Oss vastgelegd. Conform Artikel 3 Waarden voor de geurbelasting van de verordening zijn de volgende waarden vastgelegd: Lid 1. Op grond van artikel 6, lid 1 van de wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2, lid 1 van deze verordening: A. Stad Oss
1,0 Ou
B. Woonkern met geen/enige intensieve veehouderij
2,0 Ou
C. Plangebied (bij kern A en B)
3,0 Ou
D. Woonkern met intensieve veehouderij
6,0 Ou
E. Zoekgebied + plangebied Maren-Kessel West en Liesdaal
6,0 Ou
F. Recreatiegebieden
8,0 Ou
G. Extensiveringsgebieden
8,0 Ou
H. Bedrijventerreinen
8,0 Ou
I. Bedrijventerrein Vorstengrafdonk
12,0 Ou
J. Verwevingsgebied
14,0 Ou
K. Landbouwontwikkelingsgebied
14,0 Ou
Uit onze Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017 blijkt dat de geurnorm (voorgrondbelasting) voor de stad Oss 1,0 Ou bedraagt. Dit wil zeggen dat de geurbelasting vanuit één bedrijf op één geurgevoelig object hooguit 1,0 Ou mag zijn. Dit is dus niet cumulatief. Er liggen geen
Herziening 1 – Noord-West Oss - 2013 , pag. 36 van 54 definitief 8 juli 2021
agrarische bedrijven op korte afstand (meest nabij gelegen bedrijf met dieren met een geuremissiefactor op circa 615 meter), maar wel andere woningen waarvoor eerder ook toestemming is verleend. Er wordt geen belemmering verwacht door de relatief grote afstand. Uit de kaart achtergrondbelasting juli 2020 blijkt dat de cumulatieve achtergrondbelasting op deze locatie < 5 Oug/m3 bedraagt. Dit komt overeen met een goede geursituatie. Wat betreft een goed woon- en leefklimaat worden geen belemmeringen verwacht bij de voorgenomen uitbreiding van het aantal woonwagenstandplaatsen aan de Brasem. 4.1.5 Geur: industrieel Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: - als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; - als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; - de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen.
De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing. Omdat er geen voor industriële geur relevante bedrijfsfuncties zijn bestemd in de nabijheid van de Brasem zijn hier geen belemmeringen te verwachten. 4.1.6 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor.
De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBMproject is. Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf
Herziening 1 – Noord-West Oss - 2013 , pag. 37 van 54 definitief 8 juli 2021
de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit. In dit geval is sprake van een NIBM-project en geen gevoelige bestemming. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de ontwikkeling aan de Brasem. 4.1.7 Mobiliteit en parkeren De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid.
De mobiliteitsvisie wordt uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan Wegen werkt het gewenste netwerk voor het autoverkeer uit. Per weg wordt de gewenste functie vastgelegd. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden. De gemeente Oss heeft een gemeentelijk parkeerbeleidsplan vastgesteld. De nota ‘Parkeernormen 2017’ geeft aan welke parkeernormen voor welke gebieden gelden. Verkeer: extra verkeersbewegingen en ontsluitingswegen In het verkeersmodel 2020 is geen rekening gehouden met de ontmanteling van het woonwagencentrum aan de Brasem. Om de toename in de verkeersintensiteit te bepalen kan dus worden uitgegaan van een toename van 2 woonwagenstandplaatsen. In het verkeersmodel is rekening gehouden met 6 standplaatsen en het worden er 8. Door de perifere ligging wordt uitgegaan van een ritproductie van 8 per etmaal per woning/standplaats. De verkeersintensiteit neemt per etmaal met 16 motorvoertuigen toe. In het drukste deel van de Visstraat nabij de aansluiting met de Gewandeweg bedraagt de etmaalintensiteit volgens het verkeersmodel ca. 1650 mvt. De etmaalintensiteit neemt slechts marginaal toe. De Visstraat kan als erftoegangsweg type II worden gecategoriseerd.
Dat betekent dat volgens het Mobiliteitsplan op deze 30 km/h-weg een maximale etmaalcapaciteit van 4000 mvt. mogelijk is. De etmaalintensiteit blijft ook in de nieuwe situatie hier ruimschoots onder. De realisatie van de 8 standplaatsen past binnen de kaders van het Mobiliteitsplan. In het verkeersmodel 2020 is geen rekening gehouden met de ontmanteling van het woonwagencentrum aan de Brasem. Om de toename in de verkeersintensiteit te bepalen kan dus worden uitgegaan van een toename van 2 woonwagenstandplaatsen. In het verkeersmodel is rekening gehouden met 6 standplaatsen en het worden er 8. Door de perifere ligging wordt uitgegaan van een ritproductie van 8 per etmaal per woning/standplaats. De verkeersintensiteit neemt per etmaal met 16 motorvoertuigen toe. In het drukste deel van de Visstraat nabij de aansluiting met de Gewandeweg bedraagt de etmaalintensiteit volgens het verkeersmodel ca. 1650 mvt. De etmaalintensiteit neemt slechts marginaal toe. De Visstraat kan als erftoegangsweg type II worden gecategoriseerd. Dat betekent dat volgens het Mobiliteitsplan op deze 30 km/h-weg een maximale etmaalcapaciteit van 4000 mvt. mogelijk is. De etmaalintensiteit blijft ook in de nieuwe situatie hier ruimschoots onder. De realisatie van de 8 standplaatsen past binnen de kaders van het Mobiliteitsplan.
Herziening 1 – Noord-West Oss - 2013 , pag. 38 van 54 definitief 8 juli 2021
Parkeren Aan de hand van de Parkeernormen 2017 is bepaald of is voorzien in voldoende parkeergelegenheid vanwege het voorliggende plan. In de Parkeernormen 2017 is geen parkeernorm opgenomen voor “woonwagenstandplaatsen”. In die gevallen bepaalt de gemeente de parkeerbehoefte aan de hand van vergelijkbare functies. Voor de woonwagens in het plangebied is veiligheidshalve aangesloten bij de parkeernormen voor een vrijstaande koopwoning. Dat levert de zwaarste parkeernorm op in de “Rest” van Stad Oss, namelijk 2,1 per woning. Met 8 woonwagenstandplaatsen is de parkeereis dan bijna 17 parkeerplaatsen ( 8 x 2,1). Aan deze parkeereis wordt voldaan. Direct grenzend langs de woonwagenstandplaatsen is voorzien in een parkeerstrook met ruimte voor minimaal 1 parkeerplaats per standplaats. Verder komen in het plangebied, ingepast in de groenstrook aan de overzijde van de woonwagenstandplaatsen, nog eens 3 keer 3 openbare parkeerplaatsen. In totaal komen in het plangebied dus 17 parkeerplaatsen. 4.1.8 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005.
Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. In het geval van het plan aan de Brasem is sprake van de hoogspanningslijn 150 kV ’s-Hertogenbosch Noord – Oss. Bij de voorbereiding van de planontwikkeling aan de Brasem is navraag gedaan bij Tennet over de te verwachten beïnvloeding en zone vanwege de aanwezigheid van de hoogspanningsleiding. Aan de hand van magneetveldberekeningen bij woningbouwontwikkelingen bij een vergelijkbare hoogspanningsleiding is aangegeven dat, uitgaande van de norm van 0,4 microtesla, de zogenaamde magneetveldzone 40 meter bedraagt. De afstand tussen de ontwikkellocatie aan de Brasem en de hoogspanningslijn betreft ongeveer 41 meter. Met 41 meter zou voldaan worden aan het gestelde in voornoemd beïnvloedingsrapport. Omdat de condities op de planlocatie aan de Brasem vergelijkbaar zijn, is het volgens Tennet zeer aannemelijk dat dezelfde zone (van 40 meter) ook hier van toepassing is. De afstand tot de hoogspanningsleiding is dan voldoende.
4.1.9 Water De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGPR een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen. De watertoets is opgenomen
Herziening 1 – Noord-West Oss - 2013 , pag. 39 van 54 definitief 8 juli 2021
in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. ‘Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 2.000 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. Naar aanleiding van het vooroverleg heeft het waterschap aangegeven dat per 1 april 2021 voornoemde grens van 2.000 m2 toename verhard oppervlak wordt aangepast naar 500 m2.
In de zienswijzennota behorende bij deze bestemmingsplanherziening hebben wij uitgelegd hoe aan deze aangepaste compensatieverplichting voor waterberging wordt voldaan. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: - Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; - Voorkomen van vervuiling van water; - Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Afvoer - Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied.
Waterbelangen planontwikkeling Brasem Voor de ontwikkeling van het woonwagencentrum aan de Brasem is de digitale watertoets uitgevoerd. Hieruit volgt dat het plangebied buiten de ruimtelijk begrensde waterbelangen valt. De verwachting van Waterschap Aa en Maas is daarom dat er naar aanleiding van het ontwerpbestemmingsplan “geen of weinig inhoudelijke opmerkingen” zullen zijn. De geplande uitbreiding is gelegen nabij een beschermingszone van een A-watergang. Deze beschermingszone is aangewezen voor het uitvoeren van beheer en onderhoud van de A-watergang en daardoor zijn obstakels in deze zone niet wenselijk. Voor deze beschermingszone gelden daarom regels uit de Keur. Naast een A-watergang geldt aan weerszijde een beschermingszone van 5 meter gemeten vanaf de insteek. In deze beschermingszone is onder andere het oprichten van gebouwen niet toegestaan behalve als daarvoor een watervergunning wordt verleend. Hemelwater In aansluiting op het landelijke beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe omgegaan kan worden met het ‘schone’ hemelwater. Gezien de ligging,
Herziening 1 – Noord-West Oss - 2013 , pag. 40 van 54 definitief 8 juli 2021
de herontwikkeling en het geldende waterbeleid dient het hemelwater binnen het projectgebied verwerkt te worden. Het hemelwater dat in het plangebied valt wordt (deels oppervlakkig) afgevoerd en opgevangen in de wadi. Deze wadi is gelegen aan de zuidzijde van het plangebied tussen de Gewandeweg en de woonwagenlocatie. Een wadi zorgt er voor dat het gevallen water zoveel mogelijk en zo lang mogelijk op locatie blijft om in droge tijden bij te dragen aan de watervoorziening voor het groen. Conform het gemeentelijk beleid geldt ten aanzien van de verwerking van hemelwater dat van het hemelwater op de dakoppervlakte van de woonwagens de eerste 10 millimeter geïnfiltreerd worden.
Herziening 1 – Noord-West Oss - 2013 , pag. 41 van 54 definitief 8 juli 2021
Daarna mag het aan de openbare ruimte aangeboden worden. Voorzieningen dienen ten minste Op de standplaatsen is voldoende ruimte aanwezig voor een dergelijke hemelwatervoorziening, daarnaast is ook de GHG (gemiddelde hoogste waterstand) niet belemmerend voor de voorzieningenkeuze. De initiatiefnemer heeft samen met de gemeente nog niet gekozen op welke wijze het hemelwater wordt geborgen. Voor hevige regenval wordt een overstort vanuit de standplaatsen naar het openbare gebied gerealiseerd, die ervoor zorgt dat wanneer er meer hemelwater valt dan er op eigen terrein verwerkt kan worden het extra water bij de openbare ruimte wordt aangeboden. De exacte uitgewerkte voorziening wordt in de technische voorbereiding van het bouw- en woonrijpproces, voorafgaand aan de vergunningverlening ter goedkeuring voorgelegd. Afvalwater Aangaande de afvoer van afvalwater is de gemeente bevoegd gezag. De initiatiefnemer en de gemeente hebben afspraken gemaakt over de aansluiting van de nieuwe standplaatsen op het gemeentelijk riool. De initiatiefnemer is ervoor verantwoordelijk dat een dwa (droogweerafvoer) rioolstelsel wordt aangelegd op de standplaatsen. De gemeente legt het rioolsysteem aan in openbaar gebied en is verantwoordelijk dat de standplaatsen worden aangesloten op het hoofdriool.
Hierbij zorgt de gemeente voor de benodigde voorzieningen en de eventueel benodigde aanpassingen op de bestaande voorzieningen buiten het plangebied. Een en ander ter realisering en aansluiting in overleg met het bevoegd gezag.
4.1.10 Weg-, spoor- en industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen.
De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie. Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluid producerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe.
Herziening 1 – Noord-West Oss - 2013 , pag. 42 van 54 definitief 8 juli 2021
Bij de uitbreiding van het aantal standplaatsen aan de Brasem is sprake van een bestaande geluidgevoelige bestemming en op de locatie zijn op grond van het geldende bestemmingsplan NoordWest-Oss 2013 al woonwagenstandplaatsen toegestaan. Toch hebben wij naar aanleiding van een zienswijze aanvullend akoestisch onderzoek laten doen. Daarbij is gekeken naar de geluidbelasting van de planlocatie door wegverkeerslawaai afkomstig van de gezoneerde Gewandeweg. Verder is gekeken naar geluidseffecten van activiteiten op het woonwagencentrum en de mogelijke geluidemissie naar de omgeving. Specifiek is gekeken of wordt voldaan aan de Wet geluidhinder en aan de gestelde voorwaarden in de Geluidnota Oss gelet op de voorgenomen herinrichting van de planlocatie. Omdat vanwege geluidsbelasting afkomstig van de Gewandeweg bij één kavel sprake is van overschrijding van de voorkeursgrenswaarde met 3 dB is uiteindelijk gekozen om een hogere waarde vast te stellen van 51 dB. Een daartoe strekkend besluit op grond van de Wet geluidhinder heeft van 22 april 2021 tot en met 2 juni 2021 in ontwerp met bijbehorende stukken ter inzage gelegen en is nadien door het college van Burgemeester en Wethouders vastgesteld. Met dit Besluit hogere waarde is de bestemmingsplanherziening tevens passend binnen de kaders van de Wet geluidhinder.
Tenslotte volgt uit het aanvullende akoestische onderzoek dat de (huisgebonden) activiteiten op het woonwagenterrein voldoen aan de aanbevolen richtafstanden uit de VNG handreiking en op basis hiervan geen geluidhinder voor de omgeving te verwachten is. 4.1.11 Gezondheid Uit de VGO-rapporten die afgelopen jaren zijn gepubliceerd door het RIVM komt duidelijk naar voren dat er een relatie wordt gevonden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden. Deze relatie is door de onderzoeker op verschillende manieren vastgesteld. Daarbij komt dichtheid van veehouderijbedrijven en afstand tot bepaalde type individuele veehouderijen concreet naar voren als factoren die van invloed zijn op de gezondheid van omwonenden. Verder blijkt uit VGO-onderzoek dat er in een straal van twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde incidentie van longontstekingen (ca. 25-30% hoger) voorkomt. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek. Op dit moment kan er geen enkele bron-effect relatie worden beschreven tussen de verhoogde longontsteking incidentie en de uitstoot vanuit geitenhouderijen. Wel is er een causaal verband geconstateerd waarbij de associatie sterker is naarmate de afstand tot een geitenhouderij kleiner is.
Tot er meer duidelijkheid is over de bron van de verhoogde incidentie longontstekingen kan niet worden geadviseerd over beschermde maatregelen. Afstand houden en goed informeren is de enige maatregel die de GGD op dit moment adviseert. Uit recent onderzoek (VGO-III) blijkt er een verband tussen een kleine afstand tot geitenhouderijen en een verhoogd risico op longontsteking. Daarnaast legt het onderzoek de nadruk op kwetsbare doelgroepen. In het VGO-III vervolgonderzoek wordt er coulanter omgegaan met initiatieven op een afstand van meer dan 500 meter van een geitenhouderij. Dat leidt tot de volgende onderverdeling bij ruimtelijke initiatieven op grond van de afstand tot de betreffende geitenhouderij: 1. Tot 500 meter: in principe geen vergunbare situatie omdat binnen deze afstand de meeste zekerheid geldt dat er aanvullende gezondheidsrisico’s worden gelopen. Hoewel het geen vaste grens is, is het binnen deze afstand zeker niet wenselijk een kwetsbare functie toe te staan; 2. 500 meter – 2 kilometer: hier geldt een expliciete verantwoordelijkheid voor initiatiefnemers en zij hebben de plicht helder te communiceren; 3. Verder dan 2 kilometer: geen belemmeringen. In dit geval ligt binnen een straal van 2 kilometer één geitenhouderij (Mikkeldonkweg 17 op circa 615 meter). Het gezondheidsaspect moet daarom zorgvuldig worden meegewogen bij de planontwikkeling aan de Brasem.
Hoewel deze ontwikkeling binnen een straal van 2 kilometer ligt, is het toch mogelijk
Herziening 1 – Noord-West Oss - 2013 , pag. 43 van 54 definitief 8 juli 2021
deze toe te staan, mede gelet op het VGO-III onderzoek. De volgende aspecten spelen daarbij een rol: • De relatief grote afstand tussen de geitenhouderij en het plangebied Gezien de recente bevindingen in het VGO-III onderzoek blijkt dat de associatie vooral sterk is naarmate de afstand tussen plangebied en geitenhouderij kleiner is. In dit geval betreft de afstand circa 615 meter tot het bedrijf. • Informatiemogelijkheid bewoners De (toekomstige) gebruikers/bewoners worden geïnformeerd over de aanwezigheid van de geitenhouderij en de (mogelijk) daaruit voortkomende gezondheidsrisico's. • Initiatief betreft geen kwetsbare doelgroepen De planontwikkeling richt zich niet (specifiek) op een kwetsbare doelgroep, in het bijzonder op kinderen of ouderen, en ook niet op zorgbehoevende personen.
Herziening 1 – Noord-West Oss - 2013 , pag. 44 van 54 definitief 8 juli 2021
4.2
Verantwoording Wonen
In hoofdstuk 2 is de aanleiding van de uitbreiding van het aantal woonwagenstandplaatsen aan de Brasem al toegelicht. Onderdeel van het nieuwe huisvestingsbeleid voor woonwagenbewoners is dat woonwagenstandplaatsen die de voorgaande jaren waren afgebouwd, weer teruggebracht worden om zo tot een vaste kernvoorraad te komen. Aan de Brasem betrof dit zes standplaatsen. Door het in de afgelopen tijd vrijkomen van de twee overige standplaatsen aan de Brasem is de kans ontstaan om een volwaardige woonwagenlocatie met acht standplaatsen te realiseren en daarmee tegemoet te komen aan de grote behoefte aan standplaatsen. 4.3
Waarden
Binnen het plangebied voorkomende waarden op het vlak van natuur, archeologie of cultuurhistorie dienen te worden gerespecteerd en beschermd, mogelijk zelfs bevorderd. Bij ontwikkelingen moet proactief rekening worden gehouden met de aanwezige waarden. Achtereenvolgens komen aan bod: - Archeologie en cultuurhistorie (§ 4.3.1) - Natuur (§ 4.3.2) 4.3.1
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente is aan een deel van het bestemmingsplangebied een hoge verwachtingswaarde toegekend. Concreet betekent dit dat er een archeologische onderzoeksplicht geldt indien de bodemingrepen dieper reiken dan 30 cm beneden huidig maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 100 m². Toetsing van de plannen Het plangebied betreft een woonwagenlocatie waarbij het de bedoeling is om het aantal standplaatsen te verhogen van twee naar acht. Deze standplaatsen komen allen binnen het verstoorde en/of al onderzochte gebied te staan. Archeologische resten worden door deze ontwikkeling dan ook niet bedreigd. Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Bestemmingsplanregels De gemeente Oss vertaalt de wet en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde.
Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. Een klein deel van het plangebied is niet verstoord en/of nog niet onderzocht (noordelijk en zuidwestelijke deel plangebied). Met name het noordelijke deel ligt in een groter aaneengesloten, mogelijk nog onverstoord gebied. Om het archeologisch belang te borgen is aan dit gebied een dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie verwachtingswaarde hoog’ toegekend. Voor het gebied geldt dat bij bodemverstoringen groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm beneden huidig maaiveld archeologisch onderzoek nodig is. Voorlopig is archeologisch onderzoek hier echter niet aan de orde, aangezien dit gebied vrijwel geheel als groenstrook wordt ingericht. Cultuurhistorie: wettelijk kader
Herziening 1 – Noord-West Oss - 2013 , pag. 45 van 54 definitief 8 juli 2021
Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten cultuurhistorische waarden vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas, monumenten en karakteristieke objecten.
Uitsnede Erfgoedplan Oss 2006. Uit het Erfgoedplan is op te maken dat het plangebied onderdeel uit maakt van het voormalig open gebied van de Beerse Overlaat (zie hierna). De Ossche Aanvoersloot ligt ten westen van het plangebied en is een historische waterloop. Deze maakt onderdeel uit van weteringen en waterloopstelsels die aansluit op de Hertogswetering met oorsprong vanuit het jaar 1303. Deze Aanvoorsloot dient primair voor
Herziening 1 – Noord-West Oss - 2013 , pag. 46 van 54 definitief 8 juli 2021
aanvoer van water in de zomermaanden om verdroging tegen te gaan. Ten zuiden van het plangebied ligt een oud wegtracé (Gewandeweg). De gemeente Oss heeft een monumentenlijst. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Binnen en nabij het plangebied zijn geen Rijks- en/of gemeentelijke monumenten aanwezig. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang. Het plangebied maakt onderdeel uit van de regio Maaskant. De regio Maaskant maakt onderdeel uit van het jonge rivierkleilandschap van de Maas met zandige oeverwallen en donken en lager gelegen open komgronden. Aan de zuidzijde wordt het gebied begrensd door een brede dekzandrug die de overgang met het Brabant van het zand markeert. De oude dorpen en steden in de regio liggen op de oeverwallen en donken en op de flanken van de dekzandrug in het zuiden. De laaggelegen komgebieden werden extensief gebruikt. In de middeleeuwen zijn de rivierkleigronden bedijkt. Om de wateroverlast in de komgebieden tegen te gaan zijn grote weteringen aangelegd, zoals de Hertogswetering. Door de aanleg van dijken resteerde minder ruimte voor het water van de Maas en is een complex stelsel van overlaten ontwikkeld.
Een deel van het Maaswater stroomde binnendijks door de lage komgebieden naar het westen (de Beerse Maas). De nederzettingen en de oude cultuurgronden werden door dijken tegen overstromingen van de Beerse Maas beschermd. Door verbeteringen in het stroombed van de Maas kon de Beerse Overlaat in 1942 worden gesloten. De komgronden waren vanouds als grasland in gebruik. Vanwege de regelmatige overstromingen was het gebied onbebouwd. Er liggen meerdere eendenkooien. Na de Tweede Wereldoorlog zijn de komgebieden goed ontwaterd en zijn nieuwe boerderijen gebouwd. Kenmerkend voor de ontwatering van de oostelijke Maaskant is het stelsel van weteringen, sluizen en gemalen bij Gewande. In het westelijke deel van de Maaskant zijn de monding van de Dieze en het Drongelens Kanaal opvallende elementen. Zij vormen met de vele kunstwerken een illustratie van de strijd tegen het water. De open rivierkleipolders worden geflankeerd door oeverwallen en donken. Het grondgebruik op deze hogere delen is gevarieerder dan in de polders. Het landschap vormt door de bebouwing en opgaande begroeiing een groot contrast met de open kleipolders. In de oostelijke Maaskant wordt de overgang met de dekzandrug gemarkeerd door de lintbebouwing van Kruisstraat, Heeseind en Geffen. De westelijke Maaskant wordt scherp begrensd door het Drongelens Kanaal.