15 Raad van State dd 9 juli 2025 over omgevingsvergunning voor een opvanglocatie van vluchtelingen_geanonimiseerd
Tekst van het document
Raad vanState
Afdeiing hestuursrechtspraak
Pagina 1 van
GEMEENTE oss POSTKAM ER Gemeente Oss en Raad van de gemeente Oss Postbus 5 5.1.2e
Dativ
1 O JUL O5
AfrJlrq
OSS
1)atuns
Ons numnìer
9 juii 2025
202503407/1 /R2
Uw kenmerk
Onderwerp 5.1.2e
In1ichtingen
en anderen / B&W Oss Omgevingsvergunning voor een opvanglocatie van vluchtelingen
N 5.1.2e 5.1.2e
Proccdure
Hoger beroep
Geachte heer/mevrouw, Hierbij stuur ik u stukken die zijn ingediend in bovengenoemde procedure. De naam en het nummer van deze zaak zijn u eerder meegedeeld. U vindt ze bovenaan dit bericht onder Onderwerp en Ons nummer. lk verzoek u naar aanleiding van de stukken een schriftelijke uiteenzetting te geven. U krijgt daarvoor tot en met 20 augustus 2025 de tijd. lncidenteei hoger beroep
Het kan voorkomen dat een belanghebbende denkt dat hij nadeel zal hebben als het door een ander ingestelde hoger beroep slaagt. Dan kan hij alsnog zelf hoger beroep instellen bij de Afdeling. Dit heet incidenteel hoger beroep. Als u alleen de gronden van het hoger beroep wilt bestrijden, hoeft u geen incidenteel hoger beroep in te stellen. Dan is het voldoende dat u die gronden bestrijdt. Als u een incidenteel-hogerberoepschrift wilt indienen, dan dient u dat te doen binnen zes weken na verzending van dit bericht. Als u wilt, kunt u het incidenteel hoger beroep instellen onder de voorwaarde dat het eerder ingestelde hoger beroep gegrond is. Dan vervalt het incidenteel hoger beroep als het eerder ingestelde hoger beroep nietontvankelijk of ongegrond is, of wordt ingetrokken. De Afdeling verzoekt u een eventueel incidenteel hoger beroep via een aparte brief in te stellen en daarin uitdrukkelijk te vermelden dat u incidenteel hoger beroep instelt. Het incidenteel-hogerberoepschrift moet de gronden van dat hoger beroep bevatten. Na de ontvangst van het incidenteelhogerberoepschrift zal worden bekeken of dat voldoet aan de daaraan gestelde wettelijke vereisten. Zo nodig ontvangt u daarover nader bericht. Aan de termijnen die in dit bericht zijn genoemd, zal strikt de hand worden gehouden. Verzoeken om verlenging van deze termijnen zullen niet worden gehonoreerd.
4343! 17(3A13)
Postbus 20019 - 5.1.2e Den Haag - T 5.1.2e - F 5.1.2e Bij correspondentie de datum en het nummer van deze briefvermelders
- www.raadvanstate.nl
Raad vanState
202503407/1 /R2
Pagina 2 van 2
Privacy De Afdeling stuurt de stukken die u stuurt, door aan de andere partijen. Houdt u daar rekening mee als u stukken met privacygevoelige informatie stuurt. Voor meer informatie gaat u naar www.raadvanstate.nl/privacyverklaring. Aangezien dit bericht geautomatiseerd is aangemaakt, is dit niet ondertekend. Hoogachtend, de griffier
43431 1(3A]3)
Postbus 20019 - 5.1.2e Den Haag - T 5.1.2e - F 5.1.2e Bij correspondentie de datum en het nummer van deze briefvermelden
- www.raadvanstate.nl
Van: Verzonden: Aan: Onderwerp: Bijlagen:
@possetadvocatuu woensdag 11 juni 2025 12:37 Bestuursrechtspraak veiligmailen Nieuw hoger beroep Pro forma hoger beroep.pdf; Uitspraak van 30 april 2025 (1).pdf
Opvolgingsvlag: Vlagstatus:
Opvolgen Voltooid
5.1.2e
5.1.2e 5.1.2e
ED This message was submitted via Bastion 365 Webform Nieuwe zaak of stukken bij bestaande
zaak insturen
Edelachtbaar rechtscollege, Bijgaand treft u een hoger beroepschrift aan. Het hoger beroepschrift richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 30 april 2025, verzonden op 2 meí 2025 (BIJLAGE). Ik verzoek u mij de goede ontvangst van deze stukken te bevestigen. Hoogachtend, 5.1.2e
PER MAIL: .veiL 5.1.2e @raadvanstate.nL Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State Postbus 20019 5.1.2e Den Haag 5.1.2e
Datum Onze referentie
11 juni2025 D20250031 AZC Oss/ 5.1.2e
lnzake
5.1.2e5.1.2e
— Pro forma hoger beroep
EdeLachtbaar rechtscollege, A1s advocaat-gemachtîgde van een aantal belanghebbenden, dien ik hierbij tijdig een pro forma hoger beroepschrift in tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 30 april 2025, verzonden op 2 mei 2025 (BIJLAGE). ikvertegenwoordigdaarbij de navolgende personen: 1. 5.1.2e 2. 5.1.2e 3. 5.1.2e 4. 5.1.2e
en 5.1.2e
, 5.1.2e , 5.1.2e , 5.1.2e
, 5.1.2e
, 5.1.2e
en 5.1.2e
, 5.1.2e
11. 5.1.2e
, 5.1.2e
12. 5.1.2e
, 5.1.2e
13. 5.1.2e
, 5.1.2e
Bezoekadres: 5.1.2e
5.1.2e
, 5.1.2e 5.1.2e OSS;
OSS;
OSS; , 5.1.2e
, 5.1.2e
OSS;
,
OSS;
5.1.2e
OSS;
5.1.2e TOSS;
, 5.1.2e
OSS
POSSET ADVOCATUUR Postadres: 5.1.2e
OSS;
, 5.1.2e OSS; 5.1.2e OSS; 5.1.2e OSS;
, 5.1.2e
8. 5.1.2e en 5.1.2e 9. 5.1.2e en 5.1.2e 10.
, 5.1.2e
, 5.1.2e , 5.1.2e OSS; en 5.1.2e , 5.1.2e en 5.1.2e , 5.1.2e
5. 5.1.2e 6. 5.1.2e en 5.1.2e 7. 5.1.2e en 5.1.2e
5.1.2e
, 5.1.2e
s-Hertogenbosch 5.1.2e s-Hertogenbosch
Posset Advocatuur is de hande!snaam van 5.1.2e
.: 5.1.2e @: 5.1.2e @possetadvocatuur.nl : wwwpossetadvocatuur.n1 (KvK 17218179)
lkverzoek u mij een termijn te geven voor het indienen van de nadere gronden. Met vriendeLijke groet, 5.1.2e
utspraak RECHTBANK OOST-BRABANT Zìttingsplaats s-Hertogenbosch Bestuursecht zaakntimmers: SHE 2411623E SHE 24/1680 einduìtspraak vaii de meervoudige kamer van 30 april 2025 in de zaak tussen 5.1.2e , 5.1.2e 5.1.2e en 5.1.2e 5.1.2e , 5.1.2e 5.1.2e en 5.1.2e , 5.1.2e 5.1.2e , 5.1.2e en 5.1.2e 5.1.2e en 5.1.2e , 5.1.2e 5.1.2e
5.1.2e
5.1.2e 5.1.2e
5.1.2e
5.1.2e 5.1.2e
5.1.2e 5.1.2e
5.1.2e
5.1.2e
5.1.2e
allen uit Oss, eisers 1, (gernachtigden: 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e
en
5.1.2e , , 5.1.2e
5.1.2e 5.1.2e
en
5.1.2e
5.1.2e 5.1.2e
5.1.2e
alien uit Oss, eisers 2, (gemachtigde: 5.1.2e )
5.1.2e
5.1.2e en 5.1.2e 5.1.2e , , en 5.1.2e 5.1.2e , en en en 5.1.2e , 5.1.2e , , 5.1.2e 5.1.2e ,
5.1.2e
5.1.2e
5.1.2e
5.1.2e
5.1.2e
5.1.2e
5.1.2e
5.1.2e ),
, , 5.1.2e en familie 5.1.2e ,
5.1.2e
,
5.1.2e
5.1.2e5.1.2e
en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss, het college, , 5.1.2e (gemachtigden: 5.1.2e , 5.1.2e en 5.1.2e 5.1.2e
5.1.2e
).
Als derde-partij nernen aan de zaak deel: -de gemeente Oss, vergunn inghoudster; -de raad van de gemeente Oss. In1eiding 13ij besluit van 26 januari 2024 heeft het college aan vergunninghoudster voor de duur van vijfjaar een omgevingsvergunning verleend voor de activiteïten bouwen, uitvoeren van een werk ofwerkzaamheden, handelingen ìn strijd met ruiintelijke regels en uitweg voor de duur van 5 jaat voor een opvanglocatie voor maxîmaal 500 vluchtelingen aan de 5.1.2e in Oss (het project). 1-let college heeft deze omgevingsvergunning met het besluit van 26 janLtari 2024 verleend (het bestreden besluit). Eisers 1 en 2 hebben hiertegeii beroep ingesteld.
zaaknurnrners: SHE 24/1623 en SHE 24/1680
2
De rechtbank heeft de beroepen op 28 rnei 2024 op zitting behandeld. Tevens is door de voorzieningenrechter het veizoek van eisers l tot het treffen van een voorlopige voorziening behandeld. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van løjuni 2024 is het verzoek tot het tieffen van een voorlopige voorziening afgewezen. Bij tussenuitspraak van 23 juli 2024 (de tussenLiitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen drie maanden na de veizending van de tussenuitspraak, met inachtnerning van de overwegingen van de tLlssenuitspraak, de gebreken te herstellen. Het college heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en op l 5 oktober 2024 een herstelbesluit genornen. Daarbij heeft het college het besti•eden besluit nader gemotiveerd en aanvullende voorschi•iften verbonden aan de oingevingsvergunning. Eisers 1 hebben hierop op 20 noveinber 2024 een schriftelijke zienswijze gegevell. Eisers 2 hebben geen zienswijze ingediend tegetl het herstelbesluit. Het college heeft op de zienswijze van eisers 1 gereageerd bij briefvan 19 decembei 2024. vervolgens hebben eisers l bij brieven van 14 januari 2025 en 3 1 maart 2025 gereageeid op de brief van het college van 1 9 december 2024. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. vervolgens lieeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank 1.De rechtbank beschouwt het herstelbesluit van 1 5 oktober 2024 als een beslLlit in de zin van artikel 6: 19, eerste lið, van de Algemene wet bestLiui•srecht (Awb). Dit heeft tot gevolg dat de beroepen van eisers 1 en 2 zich tevens richten tegen het herstelbesluit. 2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De reclitbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspi•aak. Dit is alLeen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. 3. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de vestiging van een niet-agrarische functie in LandeLijk gebied niet in strijd is met de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (1OV), zoals die gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd dat dejuriðische offeitelijke mogelijkheden voor vestiging op een bestaand bouwperceel in de gemeente en in de omliggende gemeenten ontbreken als bedoeld in artikel 3.4, tweede Iid, onder e, van de IOV. In het verlengde ðaarvan heeft het college eveneens onvoldoende gemotiveerd waarom het bestreden besluit voldoet aan artikel 3. l .6 van het Besluit rLiimtelijke ordening (Bro).
Het college heeft namelijk niet aangegeven waarom vier locatîes Geregistreerd onder zaaknurnmer SHE 24/22 l 7.
zaaknummers: SHE 24/1623 en SFIE 24/1680
3
op de shortiist die zijn gelegen binnen bestaand stedelijk gebied niet geschikt dan wet minder geschikt zouden zijn. In het bestreden besluit liad duidelijker gemotìveerd moeten en worden waarom de keuze uiteindelijk is gevallen op de loeatie aan de 5.1.2e niet op de onderzochte Iocaties binnen bestaand stedelijk gebied. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat er ten onrechte geen voorschrifien aan de omgevingsvergunning zijn verbonden die zien op liet gebruik van de projectlocatie en die tevens het belaiig van omwonenden dienen.
Besprekiig zieiswijze eisers i Artikel 3.4, tweede Iid, onder e, van de 1Ov 4. 1-let college heeft in zijn herstelbesluit gesteld dat niet is gebleken van een andere locatie nietjuridische en feitelijke mogetijkhedeii vooi. vestiging van het project op een bestaand bouwperceel als bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, onder e, van de IOV. Het college heeft blijkens het herstelbesluit hieitoe zesentwintig locaties bekeken van een longlist die het college eerder heeft gehanteerd oni te komen tot een zorgvuldige keuze voor een voorkeurslocatie. Hiertoe behoren ook de vier toeaties op de shortlist die zijn gelegen binnen bestaand stedelijk gebied. ln het herstelbesltiit is per locatie uiteengezet waarom die locatie niet geschikt dan wel minder geschikt is voor de rea[isatie van het project dan de voorziene locatie. De volgende factoren spelen hierbij een ro[: een niet toereikend ofontbrekend bouwvlak waardoor geetì sprake is van een bestaand bouwperceel in de zin van artikel 1 . 1 van de IOV, onvoldoende oppervlakte, geen beschikbaarheid wegens ander voorzien of bestaand gebruik van de gronden dan wel wegens het níet zijn van eigenaar van de gronden. 4.l. Eisers 1 stetlen dat het door de rechtbank gestetde gebrek met betrekking tot artikel 3.4, tweede lid, onder e, van de IoV inet het herstelbesluit niet is hersteld.
Hiertoe voeren zij aan dat de regels in de IOV omwille van de rechtszekerheid letterlijk rnoeten worden uitgelegd, net a1s de planregels in een bestemrningsplan. In het verlengde hiervan stellen eisers 1 dat de Iov vereist dat er geen alternatieven zijn, niet dat alternatieven als minder geschikt kunnen worden beschouwd. Volgens eisers I zijn er wel degelijk aitet•natieven aanwezig. Met betrekking tot de stetling van tiet college dat somniige locaties mitider geschikt zijn vanwege de eigendomssituatìe en huidige bebouwing stellen eisers 1 dat concrete stappen tot verwerving van het eigendom van deze Locaties hadden moeten worden onderzocht en bovendien uit de IOV niet volgt dat artìkel 3.4, tweede lid, onder e, niet geldt als bestaande oftoekoinstige bebouwing belemmerend werkt. Daarnaast behoeft het volgens eisers 1 geen locatie te zijn waar het bestemmingsplan het project reclìtstreeks toelaat. Alleeti als dejuridiscLie of feitelijke mogelijkheden ontbreken voor een wijziging of afwijking van het bestemmingsplan is de locatie ongeschikt. Dat het eventueel verwerven van gronden of het voeren van een planologische procedure tijdrovend zou zijn, is volgens eisers 1 geen argument dat mag meewegen.
Evenmin maakt het feil dat er andere plannen bestaan voor het gebruik van het perceel, zoals sociale woningbouw, dat hierom geen sprake zou zijn van een mogelijkheid voor vestiging op een bestaand bouwperceel zoals bedoeld ìn artikel 3.4, tweede lid, van de IOV. Een opvanglocatie voor asielzoekers is door het coltege immers ook aangeduid als een hoognodige ontwikkeling. Over de beoordeling door het college van alternatieve locaties merken eisers 1 verder op dat bij bepaalde locaties het õntbreken van een passend bestemtningsplan door het college als bezwaar[ijk wordt aangemerkt, terwijl bij de projectlocatie zelfeveneens planologische
zaaknummers: SHE24/1623 en SHE24/1680
4
aanpasslngen nodig waren. Verder woiden alternatieveii uitgesloten op basis van subjectieve inschattingen van bouwkosten oftapeibouw. ln dat kader wijzen eisers 1 op de Iocatie 5.1.2e , waaiover het college in de longlist zelfheeft aangegeven dat deze locatie voldoende iuimte biedt om een opvangvoorziening te realiseren, tnits de uiiits in twee tot drie bouwlagen woräen gestapeld. Veider stellen eisers 1 dat het feit dat het college in zijn bestreden besluit en herstelbesluit onjuiste informatie heeft opgenornen met betrekking tot de eigendornssituatie van de en de 5.1.2e Iocaties aan de 5.1.2e reeds rnaakt dat deze besluiten in strijd zijii met artikel 3:2 vaii de Awb. Daarnaast blijkt uit het heistelbesluit riiet dat omliggende gemeenten zijn geraadpleegd. Nu toepassing van artikel 3.4 van de IoV alleen kan als dat nodig is vanwege een groot openbaar belang, mag raadpleging van omliggetide geineenten, ook als die in de provincie Gelderland liggen, van het college worden verwacht, aidus eisers 1. Ook brengen eisers 1 naar voren dat het college zich in het herstelbesluit herhaaldelijk op het vereiste beroept dat het project een terrein vaii ten rninste 20.000 nì2 nodig heeft. Volgeiis cisers l is een bruto vloeroppervlak van 5.855 m2, exclusief buitentuimte, voldoende voor de huisvesting van 500 personen. Dit volgt ook uit de door de gemeente zelf opgestelde interne rnemos.
5.1.2e
4.2. Ten aanzien van de stelling van eisers l dat de 1Ov vereist dat er geen alternatieven zijn en het college ook de mogeiijkheid tot het bouwen op een kleiner oppervlak dan 20.000 rn2 bij de beoordeling van de aanvraag had moeten betrekken, overweegt de rechtbank het volgende. Het college dient te beslissen op een aanvraag zoals die is ingediend. Er is een aanvraag ingediend voor een projectlocatie van circa vier hectare. Naar het oordeel van de rechtbank vloeit uit artikel 3.4., aanhefen onder e, van de IOV voort dat hetjuridisch offeitelijk mogelijk moet zijn om het aangevraagde ofeen daarmee min of meer vergelijkbaar project op een bestaand bouwperceel in de geineente te realiseren. Deze provinciale regel gaat naar het oordeel van de rechtbank niet zo ver, dat het college bij de beoordeling van de aanvraag moet bezien ofde opvang van 500 mensen op een veel kleinere locatie zou kunnen plaatsvinden door een geheel ander bouwplan te realiseren. Dat ten aanzien van de locatie 5.1.2e in de longlist is aangegeven dat hier units in twee tot drie bouwlagen zouden kunnen worden gestapeld, maakt niet dat het herstelbesluit hierom niet ¡n stand zou kunnen blijven. Het college mag naar het oordeel van de rechtbank ook kwaLitatieve behoeftes betrekken bij het antwoord op de vraag of het feitelijk mogelijk is om het project op een bestaand bouwperceel te realiseren.
Hierbij dient in dit geval bijvoorbeeld te worden gedacht aan voldoende buitenruimte gezien de doelgroep waaronder kinderen. De rnogelijk alternatieve locaties binnen bestaand stedelijk gebied, waai•onder 5.1.2e , zijn qua omvang dermate veel kleiner, dat het college hiei•over in redelijkheid heeft kunnen stellen dat het feitelijk niet rnogelijk is om het project binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren. Dit nog daargelaten dat de locaties die door het college zijn onderzocht veelal ook om andere redenen niet kunnen worden aangemerkt als een locatie als bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, onder e, van de IOV. Hierover overweegt de rechtbank het volgende. 4.3. De rechtbank is van oordee1 dat het planologisch niet rechtstreeks toelaatbaar zijn van een project, het bestaan van óoncrete plannen voor andere ontwikkelingen op een locatie zoals woningbotiw, het ontbreken van eigendom van een perceel of de aaiiwezigheid van bebouwing die ongeschikt is voor de realisatie van het project, onder het ontbreken van juridische offeitelijke mogelijkheden voor vestiging op een bestaand bouwperceel als
zaaknurnrners: SHE 24/1623 eri SHE 24/1680
bedoeld in artikel 3.4, tweede Iid, onder e, van de IOV valt. [)at voor het kuiineii realiseren van het project eveiieens eeii afwijking van het bestemmingsplan is vereist, leídt niet tot een ander oordeei. Naar liet oordeel vaii de rechtbank vloeit uit artikel 3.4, tweede lid, oiider e, van de [OV voort dat i•eeds bij de beoordelitig van de aanvraag de realisatie van het project op een bestaaiid bouwperceel jtiridisch en feitelijk inogelijk moet zijn en kan dit niet afhankelijk worden gesteld van een onzekere gebetirtenis in de toekomst, zoals bijvoorbeeld de verwerving van eigeiidoin ofde wijziging van het planologisch i•egiine. Met betrekkitig tot de onjuist gebleken informatie over de eigendomssituatie van de locaties overweegt de rechtbank dat dit inderdaad en de 5.1.2e aan de 5.1.2e onzorgvuldig is, maar de ieclitbank ziet hierin geeii aanleidiiig orn het hei•stelbesluit te vernietigen. Deze locaties zijn namelijk ook om andere redenen niet te beschouwen als locatie waar liet project get•ealiseerd zou kunnen wordeii als bedoeld în aitikel 3.4, tweede lid, van de IOv. Wöoncorporatie Mooiland wil namelijk aan de 5.1.2e is socìale woningbouw realiseren en de bestemming van de locatie aan de 5.1.2e Agrarisch.
ln hetgeen eisers [liebben aaiigevoerd over de door liet college onderzochte potentiële locaties ziet de rechtbank wegeiis het voorgaaiide geen aanleiding om het Iierste1bes1tiit te vernietigen. 5.1.2e
5.1.2e
4.4. Teii aaiizien van de stelling van eisers 1 dat het co11ege omliggende gemeenten had moeten raadpiegen, overweegt de rechtbank het volgeiide. In het herstelbesluit is aangegeven dat er niet naat locaties buiteti de gemeentegrenzeii is gekeken, oindat iedere gemeente een eigen opdracht heeft om te voorzien in voidoende opvangplaatsen. Verder is in liet herstelbesluit gesteld dat het migratievraagstuk wel degelijk door de gemeente Oss in een regionaal overleg tussen beštuLlrders op het niveau vaii de veiligheidsregio aan de orde is gesteld en dat hier is geconcludeerd dat er geen locaties voor vluclitelingen beschikbaar zijii bintien de andere gemeenten in de regio Noordoost-Brabant voor de gemeeiite Oss. Oin alleen al aan de eigen opgave te voldoen is voor elke gemeente een stevige uitdaging, zo is daar naar voren gebracht. 1-loewel eisers I terecht naar voren brengen dat het college zijn stelling dat het migratievraagstuk op regionaal niveau is besproken niet met stukken heeft onderbouwd, overweegt de rechtbank dat zij aannemelijk acht dat dit inderdaad aan de orde is geweest. Het is namelijk een feit van algeinene bekendheid dat er ten tijde van het nemen van liet besluit van 26januari 2024 een verdeelsleutel tussen de provincies gold, waai•bij de verdeling van de opvangplekken binnen de provincie tussen de gemeenten onderling moest worden overeengekomen.
Dit vergt onvermijdelijk overleg. Vooi• zover eisers 1 betogen dat ook omliggende Gelderse geineenten liadden moeten worden geraadpleegd, is de rechtbank van oordeel dat een dergelijke uitleg van de zinsnede omliggende gemeenten in artikel 3.4, tweede lid, onder e, van de IOV niet in de rede ligt. De IOV bevat immers alleeii regels voor gerneenten binnen de piovincie Noord-Brabant en hiermee is blijkens de toelichting onder meer beoogd om samenwerkitig binnen de provincie te bevorderen. Uit de IOV blijkt niet dat hierbij is gedacht aan provincie overschrijdende samenwerking. Onidat de reclitbank het ook een feit van algemene bekendheid acht dat het voldoen aan de eigen opgave voor gerneenten al lastig is, nu er naast de opvang van asielzoekers ook Oekraïense ontheemden moeten worden opgevangen en statushotiders moeten worden gehuisvest en gezien genoemd regionaal overleg, heeft het college zich op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat dejuridische offeitelijke mogelijkheden voor vestiging op een bestaand bouwperceel in de omiiggende gemeenten ontbreken.
zaaknummers: SHE 24/1623 en SHE 24/1680
6
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank van oordeel is dat het bestreden besluit, zoals aangevuld bij het herstelbesluit, niet in strijd is met artikel 3.4, tweede lid, onder e, van de OV. Het gestelde gebrek iri het bestreden besluit is hierniee getioegzaam hersteld. Artikel 3.1.6 van het Bi•o
5. Het college heeft in het herstelbesJtiit vet•der gesteld dat ei• niet elders binnen liet bestaaiid stedelijk gebied kan worden voorzieii in de beoogde ontwikkeling. Dit standpunt lieeft het college eveneens toegeliclit aan de hand vati de zesentwintig locaties vaii de hiervoor genoemde longlist. Dat er geen geschikte locaties zijn bintien bestaand stedelijk gebied is volgens het college te wijten aan te kleine ofgeïsoleerde locaties, de ligging van de locatie in ofiiabij een sociaal kwetsbare wijk dan wel in een wijk met een erg hoge criminaliteit, een ander wenselijk of bestaand gebruìk van de locatie of haar omgeving, zoals vooi• wonen, sport, bedrijvigheid ofgi•oenvoorziening, het aspect externe veiligheid wegens toegestane bedrijven in milieucategoiie 4, de bescherrnde status van een pand, het ontbi•eken van eigendorn van een pand/perceel, een onveilige verkeerssituatie, de ligging buiten bestaand stedelijk gebied dan wel het ontbreken van een toereikende aansltiiting met voorzieningen. 5.1. Eisers 1 stellen dat de niotivei•ing in het herstelbesluit dat binnen bestaand stedelijk gebied geen geschikte locatie beschikbaar is waar de opvang1ocatie zou kunnen worden gerealiseerd, nog steeds onvoldoende is. Zij kunnen zich niet vinden in het uitgangspunt van het college dat voor een opvanglocatie voor 500 mensen een oppervlakte is benodigd vaii 20.000 rn2.
Deze eis is volgens hen enkel gebaseerd op de omvang van de reeds gerealiseerde opvanglocatie aan de 5.1.2e . Verder is er bij menige locatie wel acht op geslagen dat deze grenst aan de gevoelige wijk De Ruwaard, maar ¡s ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat de gekozen Jocatie grenst aan de buurt De Horzak, die onderdeel ìs van de gevoelige wijk Schadewijk. Tot slot heeft het college aangedragen dat van beiang is dat zeker niet iedere wijk voldoende draagvlak biedt voor een opvanglocatie met 500 personen, maar dit draagvlak is er evenmin in de omgeving van de 5.1.2e , aldus eisers l
5.2. Zoals in de tussenuitspraak al is overwogen, behelst artikel 3.1 .6, tweede lid, van het
Bro een motiveringseis en vraagt het om explicitering van gemaakte keuzes. Met artikel 3.1 .6, tweede lid, van het Bro is bedoeld uit het oogpunt vati een goede ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stìmulereii. De ladder voor duurzame verstedelijking is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar zorgt ervoor dat de wens om een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken met het toetsingskader van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro nadrukkelijk in de piaiitoefichting wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het bevoegd gezag, dat de regìonale en Iokale omstandîgheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging over die ontwìkkeling, moet beoordelen of het bereikte resultaat optimaal is.2
5.3.
Met betrekking tot de stelling van eisers 1 dat het coflege ten onrechte als
2 Zie onder nieer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:872.
zaaknurnmers; SHE 24/1623 en SI-IE 24/1680
7
uitgangspunt heeft genomen dat voor een opvanglocatie voot 500 mensen een oppei•vlakte nodig is van 20.000 m2, verwijst de rechtbank naar wat zij in rechtsoverweging 4.2. hierover heeft gesteld. Uit de stukken, waaronder de ruirntelijke onderbouwing, volgt dat de 5Á. wegingsfactoren waaraan is getoetst bij de locatiekeuze zijn: de beschikbaatheid, de ruimtelijke/planologische situatie, de omgevingskwaliteit, de bereikbaaiheid van voorzìeningen en de relatie met de omgeving. Deze wegingsfactoren komen de rechtbank op zichzelf redelijk voor. I-Iet plangebied is onder meer gekozen omdat het een ruim perceel betreft, waardooi er genoeg ruirnte is voor de betiodigde opvangplaatsen en op het tertein zelf ruimte is oni zinvolle daginvulling en activiteiten te organiseren. Mede gelet op de beoogde opvaiig van 500 personen, waaronder kšnderen, en het feit dat zij in de i•egel zijn aangewezen op dagbesteding op het terrein zeLf, heeft het college aan de oinvatig van het perceel een groot gewicht kunnen toekennen.
Daaraan voegt de reclitbank toe dat bij de motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied iti de behoefte kan worden voorzien de beschikbaarheid en geschiktheid van de ontwikkelingsmogelijkheden in bestaand stedelijk gebied een rol kunnen speten.3 De rechtbank is van oordeet dat het college zich in het herstelbesluit in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de locaties binnen bestaand stedelijk gebied minder geschikt waren voor de realisatie van de hier aan de orde zijnde stedetijke ontwikkeling, omdat zij minder goed (ofniet) voldeðen aan de genoemde criteria dan de uiteindelijk gekozen locatie buiteii bestaand stedelijk gebied. Het college lieeft hierom in het herstetbes1uit deugdelijk gemotiveerd dat binnen het bestaand stedelijk gebied fliet in de behoefte kan worden vootzien. Het in de tussenuitspraak gestelde gebrek is hiermee hersteid. 5.5. Ten aanzien van de stetling van eisers l dat bij het nemen van het herstelbesluit ten oniechte niet is betrokken dat de projectlocatie greiist aan de buurt De Horzak die onderdeel ¡s van de gevoelige wijk Schadewijk en er in de omgeving van de 5.1.2e evenmin draagvlak bestaat voor een opvanglocatie met 500 personen, oveiweegt de rechtbank a1s volgt.
De rechtbank is van oordeel dat het college in het herstelbesluit en de daarbij behorende bijtage 2 voldoende heeft onderbouwd dat bepaalde locaties minder geschikt dan wel ongeschikt zijn vanwege de ligging in ofnaast een sociaal kwetsbare wijk. Het coliege heeft terecht gestelð dat sociaal-economische factoren een rol mogen spelen bij de keuze voor een locatie. l3e rechtbank stelt vast dat eisers 1 weliswaar hebben gesteld dat de projectlocatie grenst aan de kwetsbare wijk Schadewijk, maar niet op enigerlei wijze hebben onderbouwd dat deze wijk sociaal kwetsbaar is. Verder is de rechtbank van oordeel dat er geen wettelijke regel is die bepaalt dat een nieuwe ontwikkeling alleen mogelijk is als daarvoor draagvlak bestaat. Het streven naar draagvlak vormt een aspect dat zich vertaalt iri de belangenafweging die het bevoegd gezag bij de beoordeting van de ruiintelijke aanvaardbaarheid van het project dient te maken. Uit de rttimtelijke onderbouwing b1ijkt dat het college hecht aan dtaagvlak in de omgeving, maar dit betekent niet dat het college bij het ontbreken hiervan reeds hierom de gevraagde omgevingsvergtinning had moeten weigeren. Bij enkeie van de door het college onderzochte Zie voetnoot 2.
zaaknuininers: SHE 24/1623 en SHE 24/1680
8
potentile locaties zou het opvangen van 500 personen vaiiwege het aantal reeds aaiiwezige kwetsbare bewoners kunnen leiden tot het verder onder druk zetten vaii de leefbaarheìd van de wijk, zo ìs door het college gesteld. Dat is van een andere orde dan dat een aantal omwonenden zich niet kan verenigeti met het project, rnaar waaibij niet aannemelijk is gemaakt dat de leefbaarheid van hun oingeving nu i•eeds te wensen overlaat eii bij i•ealisatie van het project verder ín het gedrang zou kLilinen komen. Nieuwe vergunningvoorschriften ln het herstelbesluit heeft het college besloten toi de volgenðe aanvu1lende 6. voorschriften: 1.Beveiligïng De vergunninghouder dient te allen tijde - 24 uur per dag en 7 dagen per week beveiliging op de opvanglocatie aanwezig te hebben. De beveiliging dient zichtbaar en herkenbaar te zijn voor zowel de bewoners als omwonenden. 2. Cameratoezicht eii verlichting Op de opvanglocatie moeten cameras en voldoende verliclitiiig aanwezig zijn oni de veiligheid van de bewoners en de omgeving te waarborgen. De cameras dieiien zodanìg te worden geplaatst dat zij een volledig overzicht bieden van de belangrijkste toegangeil en openbare ruimtes binnen de opvaiiglocatie. 3. Meldpunt De vergunninghouder is verplicht om een meldpunt in te ste11eii dat 24 uur per dag eti 7 dagen per week bereikbaar is.
Dit meldpuiit rnoet bea-eikbaar zijn voor zowel bewoners van de opvanglocatie als omwoiienden. 6.1. Eisers l stelien dat deze vergunningvoorschriften ontoereikend zijn. De formuleringen ervan zijn volgens hen algemeen en missen concrete handhaafbare normen. Zo ste1t het college in algemene termen dat er zichtbare beveiliging aanwezig zal zijn, maar het blijft onduidelijk wat hieronder precies wordt verstaan. Ook is onduidelijk wie verantwoordelijk is voor het toezicht op deze beveiligingsmaatregelen en op welke wijze hierop gehandhaafd zal worden. Ook missen zij in het herstelbesluit concrete regels die direct bijdragen aan een waarborging van de leefbaarheid, waaronder voorschriften die de bewoners van de opvanglocatie verplichtèn om overlast te vermijden en rekening te houden met de leefomgeving. Evenmin zijn er regels opgenoinen die gericht zijn op handhaving van rust en orde, zoals bijvoorbeeld avondklokregels of beperkingen aan het aantal bezoekers per dag. Verder missen eisers I vergunningvoorschriften ten aanzien van huishoudelijke regels voor de opvanglocatie. Het ontbreken van een duide1ijk en afdwingbaar huishoudelijk reglement vergroot het risico op conflicten en overlast en heeft een negatieve impact op de leefbaarheid voor de omwonenden en bewoners, aldus eisers 1.
Uit meldingen en verklaringen van omwonenden blijkt verder dat het in voorschrift 3 genoemde meldpuiit niet conform de voorschriften functioneert. Daarbij wijzen zij erop dat de eerste vier e-mai1s met klachten van omwonenden onbeantwoord zijn gebleven en er voor zover bekend geen duìdelijke regìstratie bestaat van de ontvangen meldîngen en de acties dìe zijn ondernomen. 6.2. Het college stelt dat de voorschrifien duidelijk en handhaafl,aar zijn alsmede borgen dat er geen onevenredige inbreuk op het wooti- en leefldimaat plaatsvindt. Daarbij wijst het erop dat volgens de voorschriften a1tijd zichtbare en herkenbare beveiliging aanwezig dient te zijn. Vergunninghouder komt, aldus het college, flexibiliteit toe bij het bepalen welke vorin de beveiliging moet krijgen, zolang die maar ziehtbaar en herkenbaar is. Het college
zaaknurnrners: SHE 24/1623 en SHE 24/1680
9
vindt het wenseiijk dat het hiervoor gemaakte veiiigheidspian kaii worden aangepast ais dat in de praktijk nodig inocht zijn. Opneming van het veiligheidspian in de voorschriften is niet werkbaar, oindat een wijziging van het veiiigheidspian dan steeds een wijziging van de vergunningvoorschriften vergt. Voor zover het meldpunt niet goed functioneert, wat het college betwist, is dat een handhavingskwestie. Wat betreft de door eisers 1 genoemde overiast en de handhaving van rust en orde stelt het college dat dit de openbare orde betreft, wat niet kan worden gereguleerd bij deze omgevingsvergunning. Ten aanzien van de door eisers 1 gewenste borging van de naieving van huisregels ¡n een vergunningvoorschrift voert het college aan dat deze huisregels wel bestaan, rnaar dat het weinig zin lieeft om die op te nernen in de vergunningvoorschriften. Vanwege voortschrijdende inzichten moeten die irnmers veranderd kunnen worden. De reclitbank is van oordeel dat het college terecht heeft gesteld dat de bij het 6.3. herstelbesluit opgenomen vergunningvoorschriften voidoende duidelijk en daarrnee handhaafbaar zijn. De rechtbank deelt echter niet het standpunt van het coilege dat deze vergunningvoorschriften toereikend zijn ter waarborging van een goed woon- eri leefklimaat van ornwonenden.
Zoals eisers 1 terecht hebben gesteld zijn in het herstelbesluit geen voorschriften opgeiiomen die iti het kader vaiì een goed woon- en leefklimaat voor het college niogelijk maken om zelfhandhavend op te treden indien het vergunde gebruik leidt tot overiast bij omwonenden, waaronder eisers 1. Weliswaai- stelt het college dat ei• huisregels zijn, maai• het college heeft geen invloed op de naieving van deze huisregels. Het valt niet uit te sluiten dat bepaalde gedragitigen op het pereeel van de opvang1oeatie kan feiden tot overlast bij omwonenden. Dit betreft dan niet de openbare orde. Het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is op dit punt dus niet hersteld. De rechtbank ziet daat•om aanleiding om liet hersteibesluit te vernietigen voor zover hierin geen voorschrift is opgenornen over huisregels en zelfvooi-ziend het volgende voorschrift aan de omgevingsvergunning te verbindeii: De opvanglocatie dient te beschikken over een huisreglement. Het hLiisreglement dient zich op een goed zichtbare piaats te bevinden en zowei itì het Nederlands ais in de taai van de bewoners van de opvanglocatie te zijn opgesteid. Het is de taak van een beheerder ofeen beveiligei• om 24 uur per dag en 7 dageii per week op het naleven van de huisregels toe te zien.
De rechtbank acht dit vergunningvoorschrift, sarnen rnet de overige gestelde voorschriften in het herstelbesluit, toereikend ter beschermìng van het woon- en leefkiimaat van omwonenden. Als een huist•egel wordt overtreden, is dit een aanwijzing dat vergunninghoudster lieeft gehandeld in strijd met het betreffende voorschrift eii onvoldoende toezicht heeft gehouden. Vergunninghotidster zal dan een verkiaritig moeten geven waarorn zij niet heeft kunnen voorkornen dal de huisregels niet zijn nageleefd. De rechtbank is van oordeel dat het college geen aanleiding heeft hoeven zien onì de htiìsregels als voorsclirift aaiì de orngevingsvergunniiìg te verbinden. Dit is, zoals het college teiecht heeft opgemerkt, niet werkbaar. Bij een wjjziging van de huisregels moet dan immers ook de omgevingsverguniìing wordeti gewijzigd eiì dit kati veel tijd in beslag netnen, wat ertoe kan leiden dat vergunninglìoudster hieroni afziet vatì liet wijzigen van de huisregels terwijl daar wel alle aanleîding voor zou kunnen bestaan. Ten aanzien van het in voorschrift 3 genoemde rneldpunt heeft het coliege ten slotte terecht gesteld dat indien dit niet functioneert, wat het c011ege betwist, dat een kwestie van handhaving ìs. Hei gaat erom dat bij naleving van de vootschrifien de mogeiijke overlast voldoende wordt tegengegaan dan wel beperkt.
zaaknunirners: SHE 24/1623 en SHE 24/1680
10
Conclusie 7. Gelet op de overwegingen in de tussenuitspraak zijii de beroepen van eisers l en 2 voor zover gericht tegen het bestreden besluit gegroiid. De in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, behalve ten aanzien van de vergunningvoorschriften ten behoeve van een goed woon- en leefklimaat van eisers 1 (en 2). De recbtbank verklaart het beroep van eisers 1 tegen het herstelbesluit daarom ook gegrond. Zoals in het voorgaande reeds is gesteld, ziet de rechtbank echter aanleiding oni met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhefen onder b, van de Awb nu zelfeen beslissing te nemen en het in het dictuin verrnelde voorschrift aan de omgevingsvergunning te verbinden. Nu eisers 2 geen gronden hebben aangevoerd tegeii het herstelbesluit is hun beroep daartegen ongegrond. 8.Orndat de bei•oepen gegrond zijn moet het college het griffiei•echt aan isers l en 2 vergoeden en krijgeii eisers l een vergoedirig van hun proceskosten. Het college rnoet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt voor eisers 1 € 5.1.2f omdat de gemachtigden van eisers 1 een beroepschrift hebben ingedieiid, aan de zitting hebben deelgenomen en een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus hebben ¡ngediend. 9.Ten aanzien van eisers 2 is niet gebleken van voor vergoeding iti aanmerking kometide proceskosten.
11
zaaknumrners: SHE24/1623 en SHE 24/1680
Beslissing De rechtbank: -
-
verklaart de beroepen van eisers 1 en 2 tegen het besluit van 26 januari 2024 gegrond; verklaart het beroep van eisers l tegen het besluit van 1 5 oktober 2024 gegrond en dat van eisers 2 ongegrond; vernietigt het besluit van 26januari 2024 en het besluit van 15 oktober 2024 voor zover hierin geen voorschrift is opgenomen ter waarborging van een goed woon- en leefklimaat van de omwonenden; bepaalt dat aan de omgevingsvergunning het volgende voorschrift wordt verbonden: De opvanglocatie dient te beschikken over een huisteglement. Het huisreglement dient zich op een goed zichtbaie plaats te bevinden en zowel in het Nederlands als in de taal van de bewoners van de opvanglocatie te zijn opgesteld. Het ís de taak van een beheerder ofeen beveiliger om 24 uur per dag en 7 dagen per week op het naleven van de huisregels toe te zien. bepaait dat deze uitspraak in de plaats komt van het vertiietigde gedeelte van het herstelbesluit; bepaalt dat het college het griffierecht van € ¡ 5.1.2f aan zowel eisers 1 als 2 moet vergoeden; veroordeelt het cojlege tot betaling van € 5.1.2f aan proceskosten aan eisers 1.
, voorzitter, 5.1.2e Deze uitspraak is gedaan door 5.1.2e 5.1.2e , leden, in aanwezigheid van 5.1.2e is uitgesproken in het openbaar op 30 april 2025.
¿2ïn. griffier
en , griffier. De uitspraak
5.1.2e
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
O 2 MEI 2015
Bent u het niet eens niet ðeze uitspraak? Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrilì sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak vati de Raad vaii State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingedìend binnen zes weken na de dag waarop deze uìtspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het fioger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, ðan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voor}opige voorzienìng (een tijdelijke maatregel) te treffen.
zaaknurnniers: SHE 24/1623 en SHE 2411680
12
BIJLAGE Lnvoeringswet Omgevingswet Artikel 4.3 A1s vooi• de inwerkingtreding van de Omgevingswet een aaiivraag orn een besluit is ingediend, bLijft het oude recht, met uitzolldering van artikel 3.9, derde Lid, eerste zin, van de Wet algernene bepalingen omgevingsrecht, van toepassing: a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt, b. als tegen het besluit geen beroep opetlstaat: tot het besluit van kracht wordt. Algemene wet bestuuisrecht Artikeš 3:2 Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de iiodige kennis omtrent de relevante feiten en de afte wegen belangen. Interiin Omgevingsverordening Noord-Brabant (oud) Artikel 1 .1 Begripsbepaling bestaand bouwperceel bouwperceel waarbinnen het geLdend bestemmingsplan het bouwen van gebouwen en bijbehoretide bouwwerken met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 100 m2 toestaat; bestemrningsvlak. Hoofdstuk 3 lnstructieregešs aan gemeenten Afdeling 3.L Algemeen Paiagraaf 3.1 .1 Algemene bepalingen Artikel 3. l Toepassingsbereik Lid l Voor de toepassing van dit lloofdstuk wordt onder besternmingsplan tevens begrepen: a.
een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, Wet ruimtelijke ordening; b.een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 Wet ruimtelijke ordening; c.een omgevingsvergunning waai•bij met toepassing van aitikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, Wet algemeile bepalingen omgevitlgsreclit van het bestemmingsplan ofde beheeisverordening wordt afgeweken; d.een projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 Crisis- en herstelwet. Artikel 3.4 Algemene maatwerkbepaling
(...);
Lid 2 Een bestemmingsplan kan nieuwvestigiilg mogelijk maken wanneer dit nodig is vanwege een groot openbaar belang als:
(...);
e.dejuridische offeitelijke niogelijkheden vooi. vestiging op een bestaand bouwperceel in de gemeente en in de ornliggende gemeenten ontbreken;
(...)•
zaaknurnmers: SHE 24/1623 en SHE 24/1680
13
Besluit ruimtelijke ordening Artikel 3.1.6 Een besternmingsplan alsmede eeti ontwerp hiervoor gaan vergezeld van een toelichting, waarìn zijn neergelegd: a. eeii verantwoording van de in het plan geinaakte keuze van bestemmiiigen; b. een beschrijving van de wijze waarop in het plati rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding; c. de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 bedoelde overleg; d.de uitkornsten van het met toepassing van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht verríchte onderzoek; e. een beschrijving van de wijze waarop burgers en iiìaatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemtningsplan zijn betrokken; f. de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan. 2. De toelichting bij eeii besternmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijviiig vaii de behoefte aaii die ontwikkeling, en, indien het bestemmingspian die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet bitinen liet bestaand stedelijk gebied in die belioefte kan worden voorzien.
(...:.
5.1.2e
Van: Verzonden: Aan: Onderwerp: Bijiagen:
5.1.2e @possetadvocatuur.nl
dinsdag 8ju1i 2025 14:12 Bestuursrechtspraak veiligmailen 202503407/1/R2 - Gronden van hoger beroep Hoger beroepschrift DEF.pdf; Bijlage lnterne memo Stuurgroep dd 18-11-2022.pdf
(.D This message was submitted vìa Bastion 365 Webform Nieuwe zaak of stukken bij bestaande
zaak ¡nsturen
Geachte griffier, ln vervotg op het bij brief 11 juni 2025 namens appettanten ingediende pro forma hoger beroepschrift, dien ik hierbij namens appettanten de nadere gronden van het hoger beroep in. Hoogachtend, 5.1.2e
Aan de Afdeling bestuursrechtspraakvan de Raad van State Postbus 20019 5.1.2e
Den Haag
Zaaknummer:
202503407/1/R2—gronden hoger beroep
Datum:
8juti2025
HOGER BEROEPSCHRIFT In vervolg op het bij brief 11 iuni 2025 namens appellanten ingediende pro forma hoger beroepschrift, dien ik hierbij namens appellanten de nadere gronden van het hoger beroep in.
lnLeiding en voorgeschiedenis 1.
ln de gemeente Oss was een opvanglocatie voor asie1zoekers (hierna: AZC) gevestigd ¡n het voormalig belastingkantoor aan de 5.1.2e
. De gemeente
heeft besloten dit pand te verkopen, waarmee de opvang daar per oktober 2024 definitief is vervaUen.
2.
Het college heeft op 6 december 2022 besloten te voorzien in een nieuwe opvanglocatie aan de 5.1.2e
/ 5.1.2e
(de projecttocatie). De
projectlocatie betreft een agrarisch perceel, is in eigendom bij de gemeente Oss en ligt buiten bestaand stedelijkgebied, ingeklemd tussen landbouwgronden. Verder ligt de locatie nabij natuurgebied (Ossermeer-Bos), een bedrijventerrein (ELzenburg), sportfaciliteiten en de woonwijk waar appetlanten wonen.
3.
Bij besluit van 26 januari 2024 heeft het coUege aan zichzelf een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen, uitvoeren van een werk of werkzaamheden, handelingen in strijd met ruimtelijke regels en uitweg om voor de duur van 5 jaar voor een opvanglocatie voor maximaa[ 500 vluchtelingen aan de 5.1.2e
in Oss te
realiseren.
4.
Appel[anten hebben tegen deze omgevingsvergunning beroep ingesteld bij de rechtbank Oost-Brabant. Tevens is door appellanten een verzoek om voorlopige voorziening gedaan. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van l0juni 2024 ¡s het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorzieníng afgewezen.
5.
Bij tussenuitspraak van 23juli 2024 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen drie maanden na de verzendingvan de tussenuitspraak, met inachtneming van de overwegingen van de tussenuitspraak, geconstateerde gebreken te herstellen.
6.
Het cottege heeft daartoe op 15 oktober 2024 een herstelbestuit genomen. Daarbij heeft het college het bestreden besluit nader gemotiveerd en aanvullende voorschriften verbonden aan de omgevingsvergunning. Appeltanten hebben hierop op 20 november 2024 een schriftelijke zienswijze gegeven.
7.
Het college heeft op de zienswijze van appellanten gereageerd bij brief van 19 decernber 2024. Vervotgens hebben appellanten bij brieven van l4januari 2025 en 31 maart 2025 gereageerd op de brief van het college van 19 december 2024.
2
8.
Bij uítspraak van 30 april 2025 heeft de rechtbank geconcludeerd dat getet op de overwegingen in de tussenuitspraak de beroepen van appetlanten gegrond zijn voor zover zij zijn gericht tegen het bestreden besluit. Verder concludeert de rechtbank dat de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, behatve ten aanzien van de vergunningvoorschriften ten behoeve van een goed woon- en leefktimaat van appettanten.
9.
De rechtbank heeft hierbij zetf in de zaak voorzien door het volgende voorschrift aan de vergunning te verbinden: De opvangtocatie dient te beschikken over een huisregtement. Het huisreglement dient zich op een goed zichtbàre ptaats te bevinden en zowel in het Nedertands ats in de taal van de bewoners van de opvangtocatie te zijn opgesteld. Het is de taak van een beheerder of een beveiliger om 24 uur per dag en 7 dagen perweek op het naleven van de huisregets toe te zien.
10.
Appellanten kunnen zich niet verenigen met deze uitspraak en dragen daartoe de navolgende gronden van hoger beroep aan.
11
Algemeen
11.
De bestissing om een omgevingsvergunning te verlenen voor een project dat in strijd is met een bestemmingsplan, is -zoals appeltanten bekend- een bevoegdheid van het college. Ondanks dat het college op dit punt beleidsruimte toekomt, is het c011ege vanzelfsprekend we1 gebonden aan wet- en rege1geving.
12.
ln dit gevat gaat het in het bijzonder om de instructieregets die de provincie Noord-Brabant heeft opgenomen in de op het moment van vergunningverlening geldende lnterim Omgevingsverordeningvan de provincie Noord-Brabant (hierna: IOV) en de Laddervoor duurzame verstedetijking die is opgenomen in artikel 3.1.6 Bestuit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) (oud).
3
13.
Appeltanten stellen nadrukkeLijk dat het col(ege van Oss in strijd met de artiket 3.4 tweede Lid onder e lOv en artiket 3.1.6 Bro heeft gehandeld en dat de rechtbank Oost-Brabant dit in haar uitspraak van 30 april 2025 heeft miskend.
l 11
Strijd met lnterim Omgevingsverordening
14.
AppeLlanten zijn van oordeet dat de rechtbank heeft miskend dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3.4, tweede Lid, onder e, van de IOV.
15.
Deze instructierege( (een voor gemeente dwingende regeL) luidt en voor zover hier van betang, als voLgt: Een bestemmingsplan kan nieuwvestiging mogelijk maken wanneer dit nodig is vanwege een groot openbaar belang als: (...) e. dejuridische of feitelijke mogelijkheden voor vestiging op een bestaand bouwperceel in de gemeente en ¡n de omliggende gemeenten ontbreken .
16.
Daarnaast heeft de rechtbank onvoldoende onderkend dat het college zélf de aanvraag voor de opvangvoorziening aan de 5.1.2e
heeft ingediend.
Daarmee kan aan het door de rechtbank in rechtsoverweging 4.2 benadrukte argument — dat het college nu eenmaat moet beslissen op de aanvraag zoats deze is ingediend — geen doorsLaggevende betekenis toekomen. Het is immers het college zelf dat ervoor heeft gekozen een aanvraag in te dienen voor een opvanglocatie met een ruimtebeslagvan 20.000 m2, terwijl in het voortraject— zoals blijkt uit de longlist — Locaties van circa 5.000 m2 nog als passend en geschiktwerden beoordeeld.
4
17.
Overigens had het oude belastingkantoorwaar het AZC voorheen was gevestigd een omvangvan circa 3.500 m2 had. Reden voor beëindigingvan de opvang aLdaar was niet de omvang van het perceet, maar zoaLs reeds vermetd het feít dat de gemeente Oss zeLf had besLoten deze Locatie te vervreemden. was).
18.
De rechtbank heeftvoorts miskend dat uit de eigen tonglistvan de gemeente blijkt dat er binnenstedelijk wet degelijk meerdere locaties als juridisch en feitelijk geschikt kunnen worden aangemerkt. Het door het cottege gevoerde verweer dat deze locaties ongeschikt zouden zijn vanwege het feit dat daarop geen ruimtebeslag van 20.000 m2 kan worden gerealiseerd, houdt geen stand.
19.
Het college kan niet achteraf— door zelf een veelgrotere aanvraag ín te dienen voor een zeer ruim perceet in het buitengebied — met terugwerkende kracht alternatieve locaties buitenspel zetten die bij een compacter programma nog wel degelijk geschikt zouden zijn. Dit is cruciaat, omdat het bestaan van dergetijke alternatieven betekent dat artikel 3.4, tweede Lid, onder e, lOv niet in acht is genomen.
20.
Appe11anten stellen nadrukketijk dat er in dit gevatwéljuridische en feitelijke mogelijkheden bestaan om het beoogde AZC te vestigen op een bestaand bouwperceet binnen bestaand stedelijk gebied. Ter onderbouwing daarvan verwijzen zij specifiek naar de onderstaande locaties, die door het college met bijbehorende motivering als atternatieve opties in de tonglist zijn opgenomen.
5
.
Locatie 5.1.2e Deze locatie gold aLs voorkeursLocatie btijkens het memo van de Stuurgroep van 18 november 2022 (bijtage). De locatie 5.1.2e
(Oss) scoort
in totaliteit het beste ten opzichte van andere Locaties op de longtist. Positief was ook dat de tocatie enigszins wordt afgeschermd van de omgeving door een groenstrook met bomen en hoge struiken. Het memo vermetdt dat dit in positieve zin kan bijdragen aan het draagvtak. Het memo vermetdt eveneens dat de grond in eigendom is van de gemeente. De tongList geeft tot slot aan dat de Locatie is groot genoeg (circa 5.000m2) voor een opvanglocatie van 500 plaatsen, mits units worden gestapeld (2 tot 3-Eaags).
Locatie A 5.1.2e
- 5.1.2e
Deze locatie beschikt over een bouwvtak> 100 m2 met enkelbestemming Wonen en is in eigendom van de gemeente Oss. Het college stett in het herstetbestuit dat de locatie aan de 5.1.2e
en 5.1.2e
ongeschikt is
vanwege een onvotdoende oppervtakte, waarbij wordt aangegeven dat de beschikbare ruimte van circa 5.062 m2 te ktein zou zijn voor een opvanglocatie met een capaciteit van 500 bewoners. Uit de longList blijkt dat deze locatie wet degeUjk votdoende ruimte biedt om een opvangvoorziening te rea1iseren, mits de units in twee tot drie bouwlagen worden gestapeld. Daarmee is deze Locatie aan te merken als bouwperceel en ats locatie zoals bedoetd in art. 3.4, 2e lid, onder e vandeiOV.
Locatie Sibeliuspark ln het herstetbestuit wordt aangegeven dat de Locatie Si 5.1.2e
niet geschikt
zou zijn, omdat deze Locatie in het Ontwerp Bestemmingsplan Sibeliuspark Zuid 2023 voorzien is voor woningbouw. Dit ontwerpbestemmingsptan is echter pas gemaakt nadat de keuze op Spits 5.1.2e wegwas gevallen.
Dus ook dit wijst op het feit dat met terugwerkende kracht wordt gezocht naar argumenten, die geenszins objectief aan de orde waren toen de tocatiekeuze is gemaakt.
Locatie 5.1.2e
5.1.2e
Ook deze tocatie beschikt over een bouwvtak> 100 m2 met bestemming Wonen en is beschikbaar. Daarmee is ook deze tocatie aan te merken ats locatie zoats bedoetd in art. 3.4, 2e Lid, onder e van de IOV. Uit de eigen longtist btijkt overigens dat het betrekken van het naastgelegen park mogetijk is, zodat de tocatie aLsnog votdoende groot is. Het gebouw ter pEaatse staat thans teeg en is tijdetijk in beheer bij Prevenda om met tijdetijke verhuur Leegstand en verva1 te voorkomen.
Locatie Stadion TOP Oss Ook deze locatie is aan te merken als tocatie zoals bedoeld in art. 3.4, 2e Lid, onder e van de IOV. De tocatie beschikt namelijk over een bouwvtak. Het perceet is grotendeets in eigendom bij woningcorporatie BrabantWonen, een partnervan gemeente. volgens het kadaster is gemeente Oss echter wet rechthebbende op het percee1, hetgeen het hersteLbesluit ten onrechte niet vermetdt. Ook hier wordt ten onrechte het argument gebruikt, dat de tocatie te ktein is voor een opvangLocatie met een ruimtebes1ag van ruim 20.000 m2 wat Leidt tot de onjuiste conclusie dat deze Locatie daarom niet is aan te merken als een locatie zoats bedoeld in artikeL 3,4, tweede lid, onder e van de IOV.
Locatie 5.1.2e
Ravenstein
De locatie valt binnen het bestemmingsplan Hooghuis Ravenstein - 2024 en heeft een bouwvLak voor woningbouw. Daarnaast is de 1ocatie WEL in eigendom bij de gemeente Oss, terwijl het herstelbesluit beweert dat het perceeL geen eigendom van de gemeente zou zijn. Ook deze tocatie voLdoet hiermee aan artikeL 3,4, tweede lid, onder e van de lOv.
,A
e
Locatie 5.1.2e
Rayenstein
Over deze tocatie stett het cotLege dat ¡ngevolge het bestemmingsptan Kom Ravenstein - 2013 ter plaatse de bestemming Agrarisch geldt. Wat het coltege nalaat te vermetden is dat een ontwerpbestemmingsplan ter inzage Ligt waarin voor deze Locatie een woonbestemming met bouwvtak is opgenomen. Ook de projecttocatie heeft overigens een agrarische bestemming, dus waarom dit bij de 5.1.2e
een probleem zou zijn, is onduidelijk. Daarnaast is de tocatie -in
tegenstettìng tot hetgeen het herstelbesluìt vermeldt- wèl ìn eigendom bij de gemeente Oss.
21.
De rechtbank heeft ¡n haar uitspraak miskent dat maar Eiefst 8 binnenstedetijke locaties van de tonglist juridische en feitelijke mogelijkheden bieden om het AZC te vestigen.
22.
De rechtbank heeft zich daarbij ten onrechte [aten teiden door het argument van het cotlege dat enkele van deze locaties qua omvang te klein zijn om een opvangLocatie met een ruimtebesLag van ruim 20.000 m2 te realiseren. Appeltanten zulten hierna uitleggen waarom dit een drogredenering betreft.
23.
Uit het eerder genoemd memo van de Stuurgroep voLgt dat de Locatie 5.1.2e
expliciet is aangemerkt als voorkeurslocatie. Te
Lezen is dat deze locatie met een oppervtakte van circa 5.000 m2 in beginset voldoende ruimte biedt om een opvangvoorziening voor 500 personen te reatiseren, mits de units in twee tot drie bouwlagen worden gestapeld —een bouwkundige oplossing die bij tijdelijke opvanglocaties volstrekt gangbaar is. ln het herstetbesluit stelt het college echter dat deze locatie te ktein zou zijn, omdat het ruimtebeslagvan hetAZC aan de 5.1.2e aan de 5.1.2e
—thans circa 20.000 m2 —
niet kan worden ondergebracht.
24.
Dit standpunt mist elke objectieve grondslag. Het is ¡mmers het college zélf dat ervoor heeft gekozen het programma voor de 5.1.2e
tussentijds (na
bes1uitvorming) op te schalen naar een omvang die op deze binnenstedelijke Locatie niet past, terwijl eerder werd uitgegaan van een veel compacter ruimtegebruik. Het is niet aanvaardbaar dat het college hierdoor met een eigen beteidskeuze achteraf reële alternatieve Locaties buitenspel zet.
25.
Appellanten stelten dan ook dat het ruimtebestagvoor het AZC strategisch is vergroot, waardoor binnenstedelijke alternatieven kunstmatig onhaalbaar zijn gemaakt.
26.
De rechtbank heeft bovendien miskend dat artike1 3.4, tweede lid, onder e, lov strikt en letterlijk moet worden toegepast. Het betreft immers een dwingende provinciate instructiereget die nieuwvestiging van stede1ijke functies in het buitengebied uitdrukkelijk verbiedt, tenzij objectief vaststaat datjuridische of feitelijke mogelijkheden binnen bestaand stedelijk gebied ontbreken.
27.
Uit het provinciale beLeid volgt onmiskenbaar dat de provincie met deze bepaling een verplicht en effectief filter heeft willen instellen om te voorkomen dat stedetijke ontwikkelingen zich onbeperkt naar het tandelijk gebied uitbreiden. De toets uit artikel 3.4 tweede Lid moet dan ook garanderen dat nieuwvestiging buiten bestaand stede1ijk gebied alleen plaatsvindt als vaststaat dat binnenstedelijke alternatieven zoweLjuridisch ats feitelijk ontbreken.
28.
lndien de handelwijze van de gemeente Oss in overeenstemming zou zijn met dit provinciate uitgangspunt, zou dat betekenen dat elke binnenstedelijke locatie eenvoudigweg door een eigen beleidskeuze als ongeschikt terzijde kan worden geschoven, waarmee het beschermende karaktervan de toets volledigwordt uitgehold.
29.
volgens appellanten miskent de rechtbank in rechtsoverweging 4.3 de stringente strekking en formuteringvan dit artikeLLid van artike[ 3.4 loV. De rechtbank steLt ten onrechte dat het enkeLe feit dat een project planologisch niet rechtstreeks toelaatbaar is, automatísch betekent datjuridische offeiteLijke mogetijkheden ontbreken. AppeLLanten wijzen er nadrukketijk op dat ook voor de 5.1.2e een afwijkingsprocedure nodig was om pLanoLogische strijdigheid op te heffen. l-(et standpurtt dat planotogische strijdigheid eLders per definitie een belemmeringvormt, houdt dus geen stand. Bovendien bestaan er bouwperceLen met een passende bestemming die door het cottege zonder deugdeLijk motief aLs ongeschikt terzijde zijn geschoven, zoals onder andere de locatie 5.1.2e 5.1.2e
30.
-
.
Ook betwisten appellanten het oordeeLvan de rechtbank in rechtsoverweging 4.2, dat het college kwaLitatieve behoeftes mag betrekken bij het antwoord op de vraag of het feitelijk mogelijk is om het project op een bestaand bouwperceeL te realiseren.
31.
AppeLLanten steLLen dat deze uitLeg van de rechtbank niet strookt met de formuLering van het bewuste loV artikel en de context waarin dat artikeL is geformuteerd, namelijk zorgvuldig ruimtegebruik.
32.
Deze beLeidsmatige context heeft nadrukketijk tot doel nieuwvestiging van stedelijke functies buiten bestaand stedelijk gebied alléén toe te staan aLs er geen juridisch of feitelijk reële aLternatieven zijn binnen bestaand stedeLijk gebied. Dit gebeurt uit een oogpunt van bescherming van het buitengebied, het concentreren van stedenbouw in bestaande kernen en om te voorkomen dat gemeenten at te makkelijk naar het buitengebied uitwijken om stedelijke functies te projecteren.
10
IV
Strijd met Ladder voor duurzame verstedelijking
33.
AppeLtanten stelLen dat de rechtbank in haar uitspraak een onjuiste interpretatie van de feiten aan de dag tegt. ln rechtsoverweging 5.4 stett de rechtbank dat het pLangebied onder meer is gekozen omdat het een ruim perceeL betreft, waardoor er genoeg ruimte is voor de benodigde opvangptaatsen en op het terrein zetf ruimte is om zinvolle daginvutling en activiteiten te organiseren. Mede getet op de beoogde opvang van 500 personen, waaronder kinderen, en het feit dat zij in de regel zijn aangewezen op dagbesteding op het terrein zetf, heeft het coltege aan de omvangvan het perceeleen groot gewicht kunnen toekennen.
34.
Onderverwijzing naar randnumrner 19 stetten appeLlanten nogmaaLs nadrukkelijk dat het co1Lege in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel met beroep een eigen beLeidskeuze achteraf reëLe aLternatieve Locaties buitenspel en de rechtbank op het verkeerde been zet.
35.
Appeltanten steLlen daarnaast dat de rechtbank artiket 3.1.6. Bro te ruim interpreteert. ln rechtsoverweging 5.4. is de rechtbank van oordeet dat het colLege zich in het herstelbestuit in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stetlen dat de tocaties binnen bestaand stedetijk gebied minder geschikt waren voor de realisatie van de hier aan de orde zijnde stedelijke ontwikketing, omdat zii minder goed (of niet) votdeden aan de genoemde criteria dan de uiteindelijk gekozen locatie buiten bestaand stedetijk gebied. Wederom gaat de rechtbank er hieraan voorbij dat het enkeLe argument dat deze Locaties minder geschikt zouden zijn dan een groot, onbebouwd perceel in het buitengebied, een oneigenlijke redenering is die geen steun vindt in het toepassetijke recht.