1. Toelichting+regels
Tekst van het document
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 82 van 94 Vastgesteld december 2024 december 2024
ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. -
In de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017 wordt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object binnen de gemeente Oss vastgelegd. Conform Artikel 3 Waarden voor de geurbelasting van de verordening zijn de volgende waarden vastgelegd: Lid 1. Op grond van artikel 6, lid 1 van de wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2, lid 1 van deze verordening: A. Stad Oss
1,0 Ou
B. Woonkern met geen/enige intensieve veehouderij
2,0 Ou
C. Plangebied (bij kern A en B)
3,0 Ou
D. Woonkern met intensieve veehouderij
6,0 Ou
E. Zoekgebied + plangebied Maren-Kessel West en Liesdaal
6,0 Ou
F. Recreatiegebieden
8,0 Ou
G. Extensiveringsgebieden
8,0 Ou
H. Bedrijventerreinen
8,0 Ou
I. Bedrijventerrein Vorstengrafdonk
12,0 Ou
J. Verwevingsgebied
14,0 Ou
K. Landbouwontwikkelingsgebied
14,0 Ou
Planspecifiek De nieuw te ontwikkelen woningen zijn aan te merken als geurgevoelige activiteiten (objecten) zoals bedoeld in de Wet geurhinder. Stationskwartier Ravenstein wordt ontwikkeld aan de rand van Ravenstein. Aan de west- en noordkant ligt het buitengebied van Ravenstein met enkele veehouderijen. Om te kunnen beoordelen of deze veehouderijen mogelijk voor geurhinder zorgen binnen het plangebied is een geuronderzoek veehouderijen uitgevoerd, zie bijlage 17. De belangrijkste conclusie van het onderzoek is dat, als binnen 50 meter van de veehouderij aan De Rijt 2 geen woningen worden gebouwd, er in de nieuwe woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Agrarische bedrijven worden dan ook niet belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden. In het plan worden binnen 50 meter van de Rijt 2 geen woningen mogelijk gemaakt. Voorliggend initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect geurhinder: agrarisch.
5.8.5 Geur: industrieel Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: - als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; - als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; - de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is.
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 83 van 94 Vastgesteld december 2024 december 2024
Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing. Planspecifiek Ten oosten van het plangebied, deelgebied 'sportvelden' ligt bedrijventerrein De Kolk. In paragraaf 5.7.1 onder 'Bedrijven en milieuzonering' is nader onderbouwd dat de bedrijfsactiviteiten die op het bedrijventerrein plaatsvinden geen milieuhinder waaronder geurhinder tot gevolg hebben binnen het plangebied. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect geur: industrieel.
5.8.6 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBMproject is.
Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM 10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit.
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 84 van 94 Vastgesteld december 2024 december 2024
Planspecifiek Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit metingen van het rekenpunt 43920 (aan de Dorpenweg ter hoogte van plangebied) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen: NO2 (stikstofdioxide) Gemeten totale concentratie 17.5 µg/m³ jaargemiddelde 2020 (µg/m³) Grenswaarde concentratie 40 µg/m³ (µg/m³)
PM10 (fijnstof) 16.7 µg/m³
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof) 9.3 µg/m³
40 µg/m³
25 µg/m³
De gemeten concentraties stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. Bijdrage initiatief Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief (toevoegen 330 woningen) van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%, toevoegen 1.500 woningen). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.
5.8.7 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. Planspecifiek Binnen een straal van 80 meter rondom het plangebied zijn geen hoogspanningslijnen aanwezig. De straling van bovengrondse hoogspanningslijnen vormt geen belemmering van voorliggend initiatief. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect straling.
5.8.8 Weg-, spoor- en industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 85 van 94 Vastgesteld december 2024 december 2024
ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen. De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie.
Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluid producerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. Planspecifiek Een deel van Stationskwartier Ravenstein ligt binnen de geluidzone van de wegen: Dorpenweg, De Rijt, Stationssingel en de Schaafdries. Ook wordt het plangebied doorsneden door de spoorlijn 'Nijmegen – 's- Hertogenbosch'. Om de gevolgen voor het initiatief vanuit wegverkeerlawaai en spoorweglawaai te kunnen bepalen, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het rapport is toegevoegd als bijlage 18. De belangrijkste conclusies zijn in het vervolg van voorliggende paragraaf opgenomen.
Wegverkeerlawaai De 48 dB contour vanaf de Dorpenweg ligt na aftrek op 71 m vanaf de wegas. Bij een afstand van 71 m of meer uit de wegas wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden. De woningen die via het directe recht van voorliggend bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, liggen op een afstand verder dan 71 m vanaf de Dorpenweg. Voor deze woningen geldt dat de geluidbelasting van wegverkeerlawaai over de Dorpenweg onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB blijft. Nader akoestisch onderzoek is voor deze woningen niet nodig. De geluidssituatie ten gevolge van het verkeer op De Rijt is aanvullend onderzocht (Bijlage 27 bij de toelichting). Het woongebied aan de Bendelaar zal (hoofdzakelijk) via De Rijt naar de Dorpenweg ontsloten worden. Daarmee is een grote toename in de verkeersintensiteit op De Rijt te verwachten. De Rijt dient daarom verbreed te worden. Daarbij zal de maximum snelheid worden teruggebracht naar 30 km/h met een wegdek van asfalt. Wegen met een 30 km/h regime behoeven geen toetsing aan de normen uit de Wet geluidhinder. De geluidbelasting van de overige gezoneerde wegen leidt niet tot een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde binnen het plangebied.
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 86 van 94 Vastgesteld december 2024 december 2024
Spoorweglawaai De geluidbelasting door railverkeer bedraagt op nagenoeg de hele locatie meer dan 55 dB. De 55 dB contour ligt op 300 meter uit het spoor. Bij een afstand van 300 m of meer wordt de voorkeursgrenswaarde van 55 dB niet overschreden. De grenswaarde van 68 dB van de maximale planologische mogelijkheden wordt op de locatie overschreden bij een afstand van minder dan 38 resp. 53 meter nabij het station respectievelijk nabij de westgrens van de locatie. Het bestemmingsplan maakt binnen deze afstanden tot het spoor geen woonbebouwing mogelijk. De haalbaarheid van maatregelen om de geluidbelasting door railverkeer terug te brengen is nader onderzocht, maar maatregelen aan de bron of in de overdracht om de geluidbelasting door railverkeer terug te brengen zijn financieel en stedenbouwkundig niet haalbaar. Vanwege de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde is een hogere waarde procedure gevoerd en heeft het college een hogere waarde vastgesteld (Bijlage 32). Naast de geluidsbelasting door railverkeer is ook onderzocht of de aanwezigheid van het station akoestische gevolgen heeft voor de nieuw te bouwen woonwijk. Dan gaat het met name over het aan- en afrijden van auto's ten behoeve van de bestaande P&R. Na contact met ProRail is hiervoor een akoestische verkenning uitgevoerd welke als bijlage 19 is toegevoegd aan dit bestemmingsplan.
Hieruit komt naar voren dat met betrekking tot verkeer op de P&R van het station Ravenstein op/bij de nieuw te bouwen woningen voldaan wordt aan een goed woon- en leefklimaat. Aanleg nieuwe wegen plangebied Op basis van het akoestisch onderzoek ontsluiting via De Rijt is een aanvullende doorrekening gemaakt van de geluidssituatie ten gevolge van het verkeer op de beoogde nieuwe invalsweg van het plangebied. De exacte locatie van de weg is nog niet bekend en dient derhalve als indicatief te worden beschouwd. Voor de nieuwe weg is uitgegaan van een 30 km/h-regime. In lijn met het wettelijk kader van de Wet geluidhinder behoeft een dergelijke situatie geen formele toetsing, maar dient de geluidssituatie in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ te worden beschouwd. De in gezoneerde situaties geldende voorkeursgrenswaarde van 48 dB is daarbij als richtwaarde voor een zondermeer acceptabele geluidssituatie gehanteerd.
Figuur 1: Geluidscontour nieuwe weg plangebied (indicatief) – incl. correctie art. 110g Wgh.
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 87 van 94 Vastgesteld december 2024 december 2024
De 48 dB-contour ligt op circa 20 meter vanaf de weg-as. Wanneer woningen op meer dan 20 meter gesitueerd worden, wordt dus voldaan aan de richtwaarde van 48 dB en is zondermeer sprake van een acceptabele geluidssituatie. Binnen de 48 dB-contour liggen geen bestaande woningen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het plan uitvoerbaar is ten aanzien van het aspect geluid. 5.8.9
Gezondheid
Uit de VGO-rapporten die afgelopen jaren zijn gepubliceerd door het RIVM komt duidelijk naar voren dat er een relatie wordt gevonden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden. Deze relatie is door de onderzoeker op verschillende manieren vastgesteld. Daarbij komt dichtheid van veehouderijbedrijven en afstand tot bepaalde type individuele veehouderijen concreet naar voren als factoren die van invloed zijn op de gezondheid van omwonenden. Verder blijkt uit VGO-onderzoek dat er in een straal van twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde incidentie van longontstekingen (ca. 25-30% hoger) voorkomt. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek. Op dit moment kan er geen enkele bron-effect relatie worden beschreven tussen de verhoogde longontsteking incidentie en de uitstoot vanuit geitenhouderijen. Wel is er een causaal verband geconstateerd waarbij de associatie sterker is naarmate de afstand tot een geitenhouderij kleiner is. Tot er meer duidelijkheid is over de bron van de verhoogde incidentie longontstekingen kan niet worden geadviseerd over beschermde maatregelen. Afstand houden en goed informeren is de enige maatregel die de GGD op dit moment adviseert.
In afwachting van het vervolgonderzoek heeft de provincie besloten dat geitenstallen uitbreiden of in gebruik nemen niet meer is toegestaan. Het moratorium is in beginsel tijdelijk. Als de uitkomsten van het vervolgonderzoek bekend worden, wordt er gekeken of er redenen zijn het besluit in te trekken of aan te passen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het bevoegd gezag verplicht om alle bekende risico's bij een nieuwe ontwikkeling af te wegen. Er is geen sprake van een omgekeerde werking van het moratorium (met andere woorden de 'stop' op uitbreidingen van geitenbedrijven zorgt niet voor een stop op ontwikkelingen binnen de 2 km straal van een geitenhouderij), maar wel van een risico dat beoordeeld en meegewogen moet worden bij nieuwe ontwikkelingen. Het verantwoorden van dit verhoogde risico is aan het bevoegd gezag, in casu de gemeente. Deze geeft een oordeel over en maakt een afweging of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (m.b.t. onder andere gezondheid & geitenhouderijen). Het college van B&W besloot op 5 december 2017 dat wenselijke ontwikkelingen na een zorgvuldige afweging met betrekking tot volksgezondheid kunnen worden toegestaan binnen een straal van twee kilometer rondom een geitenhouderij.
Het beleid voor geitenhouderijen in Oss houdt in dat bij de realisering van een ruimtelijke ontwikkeling binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij rekening moet worden gehouden met de volgende criteria: a. het infomeren van de aanvragers over het risico b. terughoudend omgaan met ontwikkelingen betreffende het huisvest of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen c. na een zorgvuldige afweging en eventueel maatwerk kunnen wenselijke ontwikkelingen binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij worden toegestaan.
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 88 van 94 Vastgesteld december 2024 december 2024
‘De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De zeven stappen dienen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er aandachtspunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de beoogde ontwikkeling. Planspecifiek Onderstaand zijn de stappen van het Stappenplan 2.0 doorlopen: 1. In de VGO-onderzoeken werd aangetoond dat omwonenden gezondheidsrisico's lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stofemissie afkomstig van veehouderijen. Aan de hand van het endotoxine toetsingskader 1.0 is beoordeeld in hoeverre het planvoornemen voldoet aan de endotoxine 'richtafstand' tussen een veehouderij en een gevoelige bestemming. Voor pluimveehouderijen is deze richtafstand 500 meter. Voor varkenshouderijen is de richtafstand 200 meter. Binnen deze afstanden zijn de genoemde veehouderijtypen niet aanwezig. 2. Het plan betreft het realiseren van woningen. De ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak. 3.
Qua geur wordt aan de geldende wet- en regelgeving voldaan, waarbij er geen sprake is van een overbelaste situatie voor geur (voorgrond en achtergrond). Er is een geuronderzoek uitgevoerd (zie bijlage 17). Hieruit blijkt dat er binnen het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (zie paragraaf 5.7.4). 4. Binnen de omliggende veehouderijen is geen sprake van het bedrijfsmatig houden van meerdere diersoorten. 5. Er is met dit plan geen sprake van het realiseren van een nieuwe veehouderij. Binnen een afstand van 2 kilometer rondom het plangebied liggen geen geitenhouderijen en binnen een afstand van 1 kilometer geen pluimveehouderijen. 6. Er is geen sprake van realisatie mestbe- of verwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit. 7. Bij omwonenden is geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid. Het stappenplan is hiermee doorlopen en aan alle stappen wordt voldaan. Er zijn vanuit het aspect gezondheid geen belemmeringen voor het plan. 5.8.10 Spuitzones In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden beoordeeld of het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat.
Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt als vuistregel dat een richtafstand van 50 meter tussen het perceel waarop de teelt plaatsvindt en te realiseren nieuwe gevoelige functies zoals woningen kan worden gehanteerd. Planspecifiek Voor de locatie geldt dat in de nabijheid van het plangebied sprake is van gronden die agrarisch worden gebruikt. Er is hier echter geen sprake van boomteelt of een vergelijkbare hoge teelt waarvan spuitdrift afkomstig is. Het aspect spuitzones vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 5.8.11 Trillingen Bij het aspect trillingen gaat het in de afweging meestal om bescherming van personen tegen trillingshinder. Er kan echter ook sprake zijn van verstoring van activiteiten door trillingen (bijvoorbeeld laboratoria of computercentra). In Nederland bestaat tot op heden geen wetgeving voor het voorkomen van hinder of schade door trillingen.
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 89 van 94 Vastgesteld december 2024 december 2024
In de praktijk wordt veelal aangesloten bij de SBR-richtlijn "Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen". Deze richtlijn bestaat uit drie delen: 1. Deel A, Schade aan gebouwen; 2. Deel B, Hinder voor personen in gebouwen; 3. Deel C, Storing aan apparatuur. Planspecifiek In de nabijheid van het plangebied ligt een spoorlijn. Trillinghinder als gevolg van spoorwegverkeer op de nieuwe woningen binnen het plangebied kan op voorhand niet worden uitgesloten. Daarom is een trillingshinderonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 20. Hierin wordt geconcludeerd dat voor de beoogde woningen die binnen een afstand van 80 m ten zuiden van de spoorlijn en 120 m ten noorden van de spoorlijn worden gebouwd, matige trillingshinder op zal treden. In de omgevingsvergunningfase zal aandacht worden besteed aan maatregelen om trillingshinder te verminderen. In het aanvullend onderzoek is dit aspect nader onderzocht, zie bijlage 21. In dit rapport wordt geconcludeerd dat maatregelen in het overdrachtsgebied (water of grondscherm) tussen het spoor en de woning geen oplossing zijn. Wel is het mogelijk om maatregelen te treffen aan de te realiseren woningen. Voor verschillende zones is indicatief aangegeven welke maatregelen nodig zijn om te kunnen voldoen aan de streefwaarden.
Om ervoor te zorgen dat ook daadwerkelijk de maatregelen genomen worden, is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor woningen die binnen een afstand van 80 meter ten zuiden en 120 meter ten noorden van het spoor worden gerealiseerd dat er ten aanzien van trillingen sprake moet zijn van een goed woon- en leefklimaat en wordt voldaan aan de richtlijn. Daarmee is verzekerd dat aan de streefwaarde wordt voldaan. 5.8.12 Explosieven Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben binnen de gemeente Oss diverse gevechtshandelingen plaatsgevonden waardoor hoeveelheden Conventionele Explosieven in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Door de geplande werkzaamheden kunnen deze mogelijk ter plaatse aanwezige explosieven een reëel gevaar opleveren voor betrokken medewerkers en de (directe) omgeving. Bij ontwikkelingen die gepaard gaan met bodemingrepen moet dus worden nagegaan of explosieven aanwezig zijn. Planspecifiek Het plangebied is deels gelegen binnen zones waar de kans op aantreffen van Ontplofbare Oorlogsresten (OO) als verhoogd is aangemerkt. Om mogelijke risico's in kaart te brengen is een explosievenonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 22. De belangrijkste conclusie van het onderzoek is dat er geen aanwezigheid en daarmee geen uitwerking van OO worden verwacht. Er hoeven geen passende maatregelen te worden genomen.
Uitvoerend personeel zal voorafgaand aan de bouwenwerkzaamheden worden geïnstrueerd geen verdere acties te verrichten in geval er toch onverwacht munitieverdachte objecten worden aangetroffen.
5.9
Milieueffectrapportage (M.e.r.)
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over wordt genomen. In een milieueffectrapport worden de gevolgen voor het milieu beschreven. Zo kan de overheid die het besluit neemt de milieugevolgen bij haar afwegingen betrekken. Het doel van m.e.r. is om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over plannen en projecten. In een m.e.r.-beoordeling kijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen.
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 90 van 94 Vastgesteld december 2024 december 2024
Wanneer speelt een m.e.r.-beoordeling? In het Besluit m.e.r. staat wanneer m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het project mogelijk maakt en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de C- en D-lijst in de Bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven. Boven de C-drempel geldt een m.e.r.-plicht, tussen de C- en D-drempel geldt een plan-m.e.r.-plicht en onder de D-drempel geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient onderbouwd te worden of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Sinds de implementatie van de gewijzigde M.e.r.-richtlijn op 16 mei 2017 is de procedure voor de vormvrije en de formele m.e.r.-beoordeling bijna gelijk. Het enige verschil is dat van het besluit bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling geen kennisgeving wordt gedaan. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit De initiatiefnemer stelt een aanmeldnotitie op, waarover het bevoegd gezag binnen zes weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit moet nemen. Het bevoegd gezag motiveert het besluit door in te gaan op de selectiecriteria van Bijlage III van de M.e.r.-richtlijn. Het gaat daarbij om de hoofdcategorieën: 1. kenmerken van het project 2. plaats van het project 3.
kenmerken van het potentiële effect. Is het bevoegd gezag zelf initiatiefnemer, dan is het bevoegd gezag, anders dan een derde, niet verplicht een aanmeldnotitie op te stellen. Planspecifiek Onderhavig plan betreft de realisatie van 330 nieuwe woningen en blijft daarmee (ver) onder de drempel van 2.000 woningen uit bijlage D11.2. Dit plan is wel een kaderstellend plan dat de ontwikkeling mogelijk maakt van een stedelijk ontwikkelingsproject dat wordt genoemd in bijlage D van het Besluit m.e.r waardoor in het kader van de Wet milieubeheer dient te worden beoordeeld of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen zijn. Hierom is een plan-m.e.r.-beoordeling opgesteld, zie bijlage 23. Gelet op de kenmerken van het project, de locatie van het project en de kenmerken van de effecten van het project, wordt geconcludeerd dat het plan niet leidt tot milieueffecten van dusdanige omvang dat sprake kan zijn van ‘belangrijke milieugevolgen’. Op grond van het ontbreken van belangrijke nadelige milieugevolgen kan geconcludeerd worden dat verder onderzoek in het kader van het Besluit milieueffectrapportage niet nodig is. Een volledige m.e.r.procedure, en daarmee het opstellen van een milieueffectrapport (MER), is niet nodig.
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 91 van 94 Vastgesteld december 2024 december 2024
Hoofdstuk 6
6.1
Toelichting op de regels
Algemeen
Het bestemmingsplan bevat regels die het juridisch instrumentarium geven voor het regelen van het gebruik van de gronden en opstallen én bepalingen over de toelaatbaarheid van bebouwing. Het bestemmingsplan kan worden verbeeld op papier, en gaat vergezeld van deze toelichting. De toelichting heeft geen bindende werking en maakt juridisch geen deel uit van het bestemmingsplan. Wel heeft zij een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan. De Wet ruimtelijke ordening biedt zowel de mogelijkheid om een globaal bestemmingsplan te maken als de mogelijkheid van een gedetailleerd bestemmingsplan. In het bestemmingsplan ‘Stationskwartier Ravenstein – 2024’ is gekozen voor een globale regeling. Voor de opzet van de regels is aangesloten bij de “Standaardregels bestemmingsplannen Oss”. De regels bestaan uit vier hoofdstukken. Dit zijn de inleidende regels (artikelen 1 en 2), de bestemmingsregels (artikelen 3 tot en met 7), de algemene regels (artikelen 8 tot en met 13) en de overgangsen slotregels (de artikelen 14 en 15). Bij de regels hoort een bijlage, te weten een milieuzoneringslijst. In de volgende paragraaf worden de diverse artikelen uit de regels en de bijlage toegelicht.
6.2
Regels
Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1: Begrippen In dit artikel worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard om verschillen in interpretatie te voorkomen. Artikel 2: Wijze van meten Dit artikel geeft aan op welke manier het meten van in de regels genoemde begrippen moet plaatsvinden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels De in dit hoofdstuk geregelde bestemmingen zijn achtereenvolgens: Artikel 3: Agrarisch met waarden – Landschap en Natuur Dit artikel geeft de regels met betrekking tot de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap en Natuur’ aan. Artikel 4: Verkeer – Railverkeer Dit artikel geeft de regels met betrekking tot de bestemming ‘Verkeer – Railverkeer’ aan. Artikel 5: Verkeer - Verblijf Dit artikel geeft de regels met betrekking tot de bestemming ‘Verkeer – Verblijf’ aan. Artikel 6: Verkeer Dit artikel geeft de regels met betrekking tot de bestemming ‘Verkeer’ aan . Artikel 7: Water Dit artikel geeft de regels met betrekking tot de bestemming ‘Water’ aan.
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 92 van 94 Vastgesteld december 2024 december 2024
Artikel 8: Woongebied Dit artikel geeft de regels met betrekking tot de bestemming ‘Woongebied’ aan. Artikel 9: Leiding-Riool Dit artikel geeft de regels met betrekking tot de dubbelbestemming ‘Leiding-riool’ aan. Artikel 10: Leiding-Water Dit artikel geeft de regels met betrekking tot de dubbelbestemming ‘Leiding-Water’ aan. Artikel 11 Waarde - Archeologie Monument 1 Dit artikel geeft de regels met betrekking tot de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie Monument 1’ aan. Artikel 12: Waarde - Archeologie Monument 2 Dit artikel geeft de regels met betrekking tot de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie Monument 2’ aan. Artikel 13: Waarde - Archeologie verwachtingswaarde hoog Dit artikel geeft de regels met betrekking tot de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie verwachtingswaarde hoog’ aan. Hoofdstuk 3: Algemene regels Dit hoofdstuk geeft een aantal gebruikelijke algemene regels. Het betreft achtereenvolgens: Artikel 14: Anti-dubbeltelregel Dit artikel verhindert dat grond dubbel geteld wordt bij de beoordeling van latere bouwplannen. Artikel 15: Algemene bouwregels Dit artikel regelt algemene regels voor het bouwen binnen het plangebied. Artikel 16: Algemene aanduidingsregels Dit artikel regelt algemene regels voor specifieke aanduidingen binnen het plangebied.
Artikel 17: Afwijken van de bouwregels algemeen Dit artikel regelt zaken waarvoor afgeweken kan worden van de geldende bouwregels. Artikel 18: Algemene wijzigingsregels Dit artikel regelt de mogelijkheden voor het bevoegd gezag om het plan te wijzigen. Artikel 19: Overige regels Dit artikel regelt de overige regels met betrekking tot het plan. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 20 Overgangsrecht Dit artikel regelt het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik van gronden en bouwwerken. Artikel 21: Slotregel Dit artikel regelt de formele titel waaronder het bestemmingsplan kan worden aangehaald. Bijlage 1: Lijst van rechtstreeks toelaatbare aan huis gebonden activiteiten In deze bijlage zijn de aan huis gebonden activiteiten genoemd die volgens de regels toelaatbaar zijn.
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 93 van 94 Vastgesteld december 2024 december 2024
Bijlage 2: milieuzoneringslijst In deze bijlage zijn de bedrijfsactiviteiten genoemd die volgens de regels toelaatbaar zijn. De lijst is opgesteld vanuit de typering van het plangebied als een rustige woonwijk.
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 94 van 94 Vastgesteld december 2024 december 2024
Hoofdstuk 7 7.1
Handhaving
Beleidskader
Naar aanleiding van een landelijk traject heeft de gemeente Oss in 2005 de nodige besluiten genomen om de handhaving te professionaliseren. De gemeente wil namelijk een professionele organisatie zijn. Om haar handhavingstaken zo transparant en objectief mogelijk uit te voeren, heeft zij een toezicht-, sanctie- en gedoogstrategie opgesteld. De wijze waarop de gemeente handelt bij overtredingen is daarin vastgelegd. Het uitgangspunt voor handhaving is: elke norm die het verdient te worden gesteld, verdient het ook te worden gehandhaafd. De gemeente is verantwoordelijk voor het algemeen belang, dat concreet wordt in de belangen van veiligheid, volksgezondheid, natuurlijk milieu en ruimtelijke kwaliteit. Deze belangen vragen om een actieve handhaving. Een goede handhaving start echter al bij het opstellen van beleid, regels en voorschriften. Om in dit verband bestemmingsplannen actief te kunnen handhaven moet voldaan zijn aan de volgende criteria: - het opstellen van uitvoerbaar beleid en duidelijke regels; - het verstrekken van duidelijke informatie op basis waarvan burgers en bedrijven hun keuzes kunnen maken; - zorgen voor de naleving van regels door middel van toezicht en de inzet van handhavingsinstrumenten.
Als primaire verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven wordt gezien: - het aanvaarden van de consequenties van de eigen keuzes; - nakoming van afspraken en naleving van regels. In het Handhavingsprogramma wordt het concrete belang van handhaving van regels van bestemmingsplannen aangegeven. De negatieve effecten van niet-handhaving kunnen immers groot zijn, zoals schade aan natuur en ruimtelijke kwaliteit, financieel-economische schade en onveiligheid. Maar ook kunnen burgers en bedrijven worden benadeeld door illegale activiteiten van hun buren/omwonenden. De ruimte in Nederland is schaars en iedereen heeft belang bij een goede woon-, werk- en leefomgeving. De kwaliteit hiervan wordt grotendeels in bestemmingsplannen vastgelegd en die kwaliteit verdient het om te worden beschermd, onder meer door toezicht op naleving van de regels en desnoods bestuursrechtelijke handhaving. Het bestuurlijke belang van een adequate handhaving van bestemmingsplannen is dus groot, maar dat geldt ook voor de individuele belangen van burgers en bedrijven.
7.2
Professionele handhaving en handhavingsprogramma
De gemeente Oss voldoet aan de wettelijke kwaliteitscriteria voor een professionele handhavingsorganisatie. Elke vier jaar wordt er een Handhavingsprogramma opgesteld waarin de prioriteiten voor de uitvoering worden vastgelegd. Dit gebeurt na de aantreding van een nieuwe gemeenteraad en de vorming van een nieuw college van burgemeester en wethouders. Elk jaar wordt aan de hand van een probleem- of omgevingsanalyse een voortschrijdend programma gemaakt, waarin rekening wordt gehouden met gewijzigde wetgeving en de op dat moment concrete problematiek. Handhaving van bestemmingsplannen is een vaste prioriteit in het programma.
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 95 van 94 Vastgesteld december 2024 december 2024
7.3
Handhaafbaarheid, positief bestemmen, overgangsrecht
De regels van dit bestemmingsplan zijn getoetst op handhaafbaarheid. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voorziet in een verbod op het (laten) gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Overtreding van dit verbod is een strafbaar feit. In beginsel worden bouwwerken die in overeenstemming zijn met het vorige bestemmingsplan positief bestemd. Hetzelfde geldt voor gebruik in overeenstemming met het vorige bestemmingsplan. Met andere woorden: bestaande rechten worden gerespecteerd. Zij zijn in beginsel alleen onder het algemene overgangsrecht gebracht als te voorzien is dat zij binnen de planperiode van tien jaar zullen verdwijnen. Als sprake is van een naar huidige beleidsinzichten onwenselijke situatie die in het vorige bestemmingsplan al onder het overgangsrecht valt, is bezien of deze onder het persoonsgebonden overgangsrecht kan worden gebracht. Dat wil zeggen dat het overgangsrecht voor de betreffende percelen is beperkt tot degenen die die percelen gebruiken op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Voortgezet gebruik door anderen wordt niet als bestaand gebruik aangemerkt. Wij geven hieraan de voorkeur boven een uitsterfconstructie. Een uitsterfconstructie houdt in feite een positieve bestemming in, die afloopt na beëindiging van het betreffende gebruik. Dit maakt opvolging in de tijd door meerdere gebruikers mogelijk.
Daarmee kan in beginsel het ongewenste gebruik eindeloos lang duren. Persoonsgebonden overgangsrecht heeft als voordeel dat het gekoppeld is aan gebruik door één specifieke gebruiker of een beperkt aantal specifieke gebruikers. Daarmee kan het ongewenste gebruik in de praktijk eerder beëindigd worden, en zeker niet eindeloos lang voort blijven duren, waarmee mee recht wordt gedaan aan de bedoeling van overgangsrecht. Het persoonsgebonden overgangsrecht heeft zeker bij situaties die illegaal zijn ontstaan onze voorkeur boven een uitsterfregeling. Daarnaast kan het voorkomen dat bouwwerken in strijd met het vorige bestemmingsplan zijn opgericht, of dat bestaand gebruik in strijd is met dat plan. Een positieve bestemming ligt dan in de rede als de met het vorige bestemmingsplan strijdige situatie naar huidige beleidsinzichten ruimtelijk aanvaardbaar is. Indien de betreffende situatie ruimtelijk niet aanvaardbaar is, zal hiertegen in beginsel handhavend worden opgetreden. Indien dat in een uitzonderlijk geval niet (meer) mogelijk is, is bezien of de situatie onder het persoonsgebonden overgangsrecht gebracht kan worden. Overigens zijn strijdige situaties op grond van de planregels standaard uitgezonderd van het algemene overgangsrecht. Het Besluit ruimtelijke ordening schrijft dit voor.
Uiteindelijk is altijd maatwerk vereist om te bepalen of een positieve bestemming, algemeen overgangsrecht of persoonsgebonden overgangsrecht mogelijk is.
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 96 van 94 Vastgesteld december 2024 december 2024
Hoofdstuk 8
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien: - Het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzeker is. - Het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoel in artikel 6.13, eerste lid, onder C, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; - Het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. Planspecifiek De gemeente heeft alle gronden in het plangebied in eigendom. Het kostenverhaal is verzekerd middels de gronduitgifte van bouwrijpe gronden. Voor de ontwikkeling van de gronden is door de gemeente een grondexploitatie opgesteld op basis waarvan de economische uitvoerbaarheid van het plan is gewaarborgd.
Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 97 van 94 Vastgesteld december 2024 december 2024
Hoofdstuk 9
Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid
9.1 Omgevingsdialoog De omgeving van het plangebied is over het initiatief geïnformeerd. Zie verslag van de omgevingsdialoog in bijlage 24. 9.2 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat ‘het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn’. Ter uitvoering daarvan zijn genoemde instanties in de gelegenheid gesteld om te reageren op het voorontwerp-bestemmingsplan. Het eindverslag van dit vooroverleg is als bijlage 25 opgenomen bij deze toelichting. 9.3 Inspraak Er wordt geen inspraakprocedure gedaan. Er heeft een uitgebreide omgevingsdialoog plaatsgevonden. Zie paragraaf 9.1. 9.4 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft op grond van de Wet ruimtelijke ordening en de Algemene wet bestuursrecht voor iedereen gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Tegelijkertijd is het plan elektronisch beschikbaar gesteld via de gemeentelijke website en de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl. Burgemeester en wethouders hebben de terinzagelegging vooraf meegedeeld in het plaatselijke blad Oss Actueel, in het Gemeenteblad en op de gemeentelijke website.
Iedereen kon zijn zienswijze over het ontwerpbestemmingsplan bij de gemeenteraad naar voren brengen tijdens de terinzagelegging. Daarvan is door 13 personen/instanties gebruik gemaakt. Het eindverslag van deze zienswijzenprocedure maakt onderdeel uit van het raadsbesluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan.