CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Toelichting+regels

Gemeenteraad 12 december 2024, gemeente OssBij agendapunt: B Vaststellen bestemmingsplan Stationskwartier Ravenstein - 202432.059 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Hiermee wordt voor een waarde van circa 150.000,00 euro ter plekke geïnvesteerd. De voornaamste toe te voegen elementen uit het Landschapsplan zijn: - Diverse waterpartijen - Dassenweide - Natuurvriendelijke oevers - Bosjes en bomen Het restant bedrag zal worden gestort in het gemeentelijk Groenfonds en zal worden ingezet voor andere projecten die een bijdrage leveren aan de kwaliteitsverbetering van het buitengebied.

Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 63 van 94 Vastgesteld december 2024 december 2024

5.2

Natuur

5.2.1 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. Maar sommige soorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is dan ook belangrijk. Rolverdeling tussen provincies en Rijk Sinds 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur binnen de provincie. De provincies zorgen voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren en internationaal beleid (zoals Natura2000). Ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen die invloed hebben op beschermde natuur moeten passen binnen de Wet natuurbescherming. Daarnaast gelden ook provinciale regelingen voor natuurbescherming.

5.2.3 Natuurtoets Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om soortenbescherming en anderzijds om gebiedsbescherming. Deze bescherming moet er toe leiden dat het voortbestaan van de soort niet in gevaar komt. De gebiedsbescherming is gericht op de bescherming van kwetsbare natuurgebieden Programma Aanpak Stikstof (PAS) Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in enkele beroepszaken tegen Natura 2000-vergunningen die zijn gebaseerd op het Programma Aanpak Stikstof (PAS) 2015-2021 (Kamerstuk 32 670, nr. 146). Het is een stevige uitspraak die per direct forse consequenties heeft voor individuele ondernemers, maar ook voor ambities van gemeenten, provincies en Rijksoverheid op het terrein van onder meer waterveiligheid, infrastructuur, woningbouw en klimaat. De uitspraak komt er op neer dat de PAS ‘gesneuveld’ is als aanpak en systeem voor vergunningverlening van stikstofvergunningen op basis van de Wet natuurbescherming. Hoewel er geen directe relatie lag en ligt tussen een bestemmingsplan en de PAS, is het sneuvelen van de PAS ook voor RO en bestemmingsplannen van belang, met name ook door de aandacht voor stikstof. Tot nu toe werd als ondergrens waaronder je geen Natuurvergunning nodig had (0,05 Mol/ha) ook in de RO vaak gebruikt om aan te tonen dat stikstof geen probleem was voor de voorgenomen planontwikkeling.

Planspecifiek Om te kunnen bepalen wat de gevolgen zijn van voorliggend initiatief op het aspect ecologie is een quickscan Flora en Fauna uitgevoerd, zie bijlage 1. In het vervolg van deze paragraaf wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied 'Rijntakken' ligt op circa 9,7 km ten noorden van het plangebied. Gelet op de afstand tot Natura 2000gebieden geldt dat er van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden, ook vanuit het aspect stikstof, geen sprake zal zijn. Gezien de grootschaligheid van het project wordt derhalve toch een voortoets stikstof uitgevoerd, om inzichtelijk te maken of er sprake zal zijn van een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden. De rapportage is opgenomen in bijlage 3. Geconcludeerd wordt dat als gevolg van de ontwikkelingen in het plangebied stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in zowel de gebruiksfase als de

Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 64 van 94 Vastgesteld december 2024 december 2024

aanlegfase niet toe neemt. Er is dus geen sprake van mogelijke negatieve effecten op beschermde Natura 2000-gebieden. Het aanvragen van een Wnb-vergunning is daarom niet nodig voor dit project. Soortenbescherming Het plangebied bevat belangrijke natuurwaarden. Uitgangspunt voor de gemeente is het behouden en ontwikkelen van natuurwaarden. Veel van de natuurwaarden zijn gekoppeld aan waardevolle groene delen van het plangebied. Ook hiervoor geld dat wordt ingezet op behoud. Grote delen van de bestaande waardevolle beplanting kan in de nieuwe situatie behouden blijven. In het plangebied komen veel beschermde soorten voor. Voor deze soorten is het plangebied essentieel leefgebied. Het inpassen of op een goede manier compenseren zal voor de meeste van de beschermde soorten mogelijk zijn als dit op een goede manier in de planvorming wordt opgenomen. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de planlocatie een relevante functie heeft voor de volgende soorten of soortgroepen: (dwerg)vleermuizen, kleine marterachtigen en de das, poelkikker, Alpenwatersalamander en de grote modderkruiper. Ten aanzien van de rode eekhoorn en roofvogels dient een bomeninspectie plaats te vinden.

Als gevolg van inspraakreacties waarin is gewezen op aanwezigheid van dassen in het plangebied is nader onderzoek uitgevoerd. Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. Aanvullend onderzoek Ecologie Stationskwartier In het rapport Aanvullend onderzoek Ecologie Stationskwartier van Blom ecologie d.d. 16 november 2023, revisie 9 augustus 2024 (Bijlage 2) is onderzoek gedaan naar diverse diersoorten in het plangebied. De conclusie van het aanvullend onderzoek is: Voor meerdere vogelsoorten (sperwer, buizerd) leidt de beoogde ruimtelijke ontwikkeling tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art. 3.1, lid 2 (wegnemen nesten). Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor deze soorten is derhalve benodigd. Voor meerdere diersoorten (das, kleine marterachtigen, steenmarter en rode eekhoorn) leidt de beoogde ruimtelijke ontwikkeling tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 1 (wegnemen vaste rust- en verblijfplaats). Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is benodigd voor de das. In het westelijk deel van het plangebied dat ten zuiden van het spoor ligt, is de das aanwezig.

De aanwezigheid van een dassenburcht op deze plek betekent dat hier een essentieel leefgebied voor de das aanwezig is. Ook het deel ten noorden van het spoor behoort tot dit leefgebied. Het bebouwen van het braakliggende terrein leidt tot verstoring van de das wat niet is toegestaan. Het bebouwen van het noordelijk deel leidt tot vernietiging van primair foerageergebied. Dit is ook niet toegestaan. Dit kan mogelijk gecompenseerd worden op een andere plek die bereikbaar is voor deze dassenpopulatie. Opties zijn: -

De burcht blijft ongestoord en kan blijven functioneren Compensatie voor het wegnemen van primair leefgebied kan worden geboden Een zorgvuldige inpassing van beschermde soorten vindt plaats

Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 65 van 94 Vastgesteld december 2024 december 2024

Er is voor gekozen de burcht ongestoord te laten en de situering van de nieuwe woonwijk hier zo op aan te passen dat er voldoende afstand tot de burcht in acht wordt genomen. Daarnaast wordt er leefgebied gecompenseerd en vindt nog inpassing plaats. Inmiddels heeft de gemeente een aanvraag omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit ingediend op basis van een mitigatieplan. De diersoorten steenmarter, sperwer en rode eekhoorn kunnen door een aanpassing van de planbegrenzing buiten beschouwing worden gelaten. De vergunning is aangevraagd voor bever, das, gewone dwergvleesmuis en wezel. Er van uitgaande dat de benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, verkregen kunnen worden, is het initiatief uitvoerbaar vanuit het deelaspect soortenbescherming. De gemeente combineert deze opgave met de ambitie om tot een natuurinclusief agrarisch landschap te komen waar de natuurcompensatie, recreatieve uitloop, ontwikkelen van cultuurhistorie en landschap en agrarische functie gecombineerd kunnen worden. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Het initiatief is daarmee uitvoerbaar vanuit het deelaspect houtopstanden. Conclusie De uitvoerbaarheid van het plan voor ecologie is hiermee aangetoond.

5.3

Archeologie en Cultuurhistorie

5.3.1 Erfgoedwet en overgangsregeling omgevingswet De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt. Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees archeologische resten) net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: • vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. • verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. • bescherming van stads- en dorpsgezichten. Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen, zoals de Wabo en het Bro.

Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 66 van 94 Vastgesteld december 2024 december 2024

5.3.2 Archeologiebeleid Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van 25 oktober 2019 en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010, herzien 2016. Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld. Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid. Op 14 oktober 2010 heeft de gemeente Oss haar ‘archeologiebeleid’ vastgesteld. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk. Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss' (Goddijn, 2012). Aan de hand van onderzoeken, inzichten en boringen in het veld zijn de eerdere archeologische kaarten gedeeltelijk bijgesteld. Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld. Verwachting/waarde Archeologisch beschermd rijksmonument

Vrijstellingsgrenzen 0 m2 / 30 cm -Mv

Archeologisch (AMK-) monument Beschermde stadsgezichten

35 m2 / 30 cm -Mv

Historische stads-/dorpskern

50 m2 / 30 cm -Mv

Hoge verwachtingswaarde

100 m 2 / 30 cm -Mv

Hoge verwachtingswaarde – bedrijventerrein

1000 m2 / 30 cm -Mv

Middelhoge verwachtingswaarde Lage verwachtingswaarde

5 hectare / 30 cm -Mv

Reeds onderzocht

Afhankelijk van de resultaten van het reeds uitgevoerde onderzoek.

Verstoord

Geen onderzoeksplicht

Locatie Sportvelden In het vigerende bestemmingsplan 'Kom Ravenstein - 2013' geldt voor een gedeelte van de gronden van de Sportvelden de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie verwachtingswaarde hoog'. Ter plaatse van deze gronden dient een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden bij bodemingrepen met een oppervlakte van 100 m² of meer en dieper dan 0,3 m ten opzichte van het maaiveld. Locatie Bendelaar In het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Oss – 2020' geldt voor het grootste gedeelte van de gronden van de Bendelaar de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie verwachtingswaarde hoog'. Ter plaatse van deze gronden dient een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden bij bodemingrepen met een oppervlakte van 100 m² of meer en dieper dan 0,3 m ten opzichte van het maaiveld. De meest westelijke punt van het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie verwachtingswaarde middelhoog'. Ter plaatse van deze gronden dient een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden bij bodemingrepen met een oppervlakte van 1.000 m² of meer en dieper dan 0,3 m ten opzichte van het maaiveld.

Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 67 van 94 Vastgesteld december 2024 december 2024

5.3.3 Archeologietoets In voorgaande paragraaf 5.3.2 is per deelgebied aangegeven welke archeologische verwachtingen en dubbelbestemmingen er gelden. Daarbij is aangegeven wanneer er een archeologisch onderzoek dient plaats te vinden. In het kader van voorliggend initiatief is voor een gedeelte van het plangebied een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 4. Toetsing van de plannen In het onderzoeksrapport wordt geconcludeerd dat in deelgebied Bendelaar archeologische resten kunnen worden verwacht. Op basis van de onderzoeksresultaten is hierom in dit deelgebied nader archeologisch onderzoek uitgevoerd conform protocol 4003 IVO (landbodems). Dit vervolgonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek conform de KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P), zie bijlage 4. Uit dit onderzoek komt naar voren dat er 4 behoudenswaardige vindplaatsen in het gebied gevonden, betreffende vindplaats 4, 5 en 7 (vindplaatsen uit het Neolithicum. Diepteligging: v.a. 90 cm –Mv) en vindplaats 6 (bronstijdvindplaats met nu al een huisplattegrond en spieker. Diepteligging: v.a. 50 cm –Mv). De resultaten van vindplaats 1 t/m 3 zijn niet behoudenswaardig. Deelgebied Sportvelden is nog niet voldoende onderzocht en het proefsleuvenonderzoek volgt in een latere fase.

Geconcludeerd wordt dat het wenselijk is het archeologisch vervolgonderzoek zo vroeg mogelijk en als één integraal onderzoek voor het gehele gebied uit te voeren. De onderzoeken t/m het proefsleuvenonderzoek (opgraving) dienen voorafgaand aan de vergunningsaanvraag te worden uitgevoerd op basis van een Programma van Eisen (PvE) wat goedgekeurd dient te zijn door de gemeentelijk archeoloog. Sectiebesluit gemeente Oss De gemeente heeft naar aanleiding van de uitgevoerde archeologische onderzoeken selectiebesluiten genomen, zie bijlage 6 en 7. Ten eerste wordt de conclusie onderschreven dat deelgebied Sportvelden nog niet voldoende zijn onderzocht. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd zodra de gronden beschikbaar zijn. Voor het deelgebied Bendelaar is een karterend/waarderend proefsleuvenonderzoek uitgevoerd (bijlage 5). In het onderzoek wordt geconcludeerd dat voor de vindplaatsen 4 t/m 7 archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van een opgraving noodzakelijk is indien hier geen behoud in situ mogelijk is. Onder strikte voorwaarden kunnen de vindplaatsen 4 t/m 7 beschermd blijven door een minimale buffer van 50 cm –mv tussen verstoring (grondwerkzaamheden) en archeologisch vlak aan te houden. Dit betekent dat daar tot maximaal 40 c –mv mag worden ontgraven. Voor vindplaats 6 geldt dat daar niet gegraven mag worden. De gemeente neemt dit advies over.

Daarbij wil de gemeente dat het Stationspad en de zone hier omheen eveneens nader onderzocht wordt. Bestemmingsplanregels De gemeente Oss vertaalt de wet en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend.

Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 68 van 94 Vastgesteld december 2024 december 2024

In voorliggend bestemmingsplan zijn naar aanleiding van de resultaten de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie Monument 2’ opgenomen ter plaatse van de vindplaatsen 4,5 en 7 en ‘Waarde – Archeologie Monument 1’ ter plaatse van vindplaats 6. Ter plaatse van deze dubbelbestemmingen betreft de vrijstellingsgrens het uitvoeren van werkzaamheden dieper dan 30 cm resp. 0 cm. Op basis van de resultaten van vindplaats 1 t/m 3 wordt dit gedeelte van deelgebied De Bendelaar vrijgegeven ten aanzien van het aspect archeologie. Het opnemen van een dubbelbestemming is niet nodig. Aan de gronden in deelgebied Sportvelden is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie verwachtingswaarde hoog’ toegekend. Hiermee is het gebruiken van deze gronden uitsluitend toegestaan indien uit één integraal archeologisch onderzoek blijkt dat de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.

5.3.4

Cultuurhistorie

Wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening.

In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen.

De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen. Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten.

Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 69 van 94 Vastgesteld december 2024 december 2024

Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2009. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang. Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Interim omgevingsverordening NoordBrabant Met de onder het kopje ‘archeologie’ genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen. Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje ‘archeologie: bestemmingsplanregels’ verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Het plangebied ligt niet in een gebied dat vanuit cultuurhistorisch oogpunt via nadere regels bescherming geniet. Binnen en in de directe omgeving zijn geen cultuurhistorisch waardevolle objecten gelegen zoals (rijks)monumenten.

In voorgaande paragraaf 5.3.3 is reeds ingegaan op de vanuit het aspect archeologie opgenomen beschermingsregels uit het vigerende bestemmingsplan. Voorliggend initiatief heeft geen negatief effect op het aspect cultuurhistorie.

5.4

Mobiliteit en parkeren

5.4.1

Verkeer

De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. De mobiliteitsvisie is uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan Wegen werkt het gewenste netwerk voor het autoverkeer uit. Per weg is de gewenste functie vastgelegd. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden. In het kader van voorliggend initiatief is een verkeerskundig onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 8. In het onderzoek is uitgegaan van de ontwikkeling van 395 woningen. Gezien voorliggend bestemmingsplan minder woningen mogelijk maakt (330 en met afwijking maximaal 368) is in het onderzoek sprake van een overschatting van de effecten van de ontwikkeling die voorliggend bestemmingsplan mogelijk maakt. Verkeer: extra verkeersbewegingen De verkeersgeneratie van de ontwikkeling van het Stationskwartier is berekend op circa 3.842 verplaatsingen per dag. Het grootste gedeelte van de verplaatsingen zal per auto plaatsvinden (2.823 ritten per etmaal (73%)). Een kleiner gedeelte van de verplaatsingen vindt plaats per fiets of OV. Verkeer: ontsluitingswegen De meeste wegen rondom het plangebied kunnen het toenemende verkeersaanbod goed verwerken.

Enkel de huidige functie en inrichting van de weg De Rijt is een aandachtspunt. De huidige rijbaan is te smal voor het verwerken van het hogere verkeersaanbod als gevolg van de ontwikkeling van het Stationskwartier.

Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 70 van 94 Vastgesteld december 2024 december 2024

Om een goede ontsluiting van het plangebied te borgen wordt de weg De Rijt tussen de aansluiting van de nieuwe woonwijk en de Dorpenweg gecategoriseerd als erftoegangsweg type I en verbreed naar circa 5,35 meter. De Schaafdries kent een ontsluitingsfunctie voor het westelijke deel van Ravenstein, Huisseling, het station en het industrieterrein De Kolk. Deze functie past bij de vormgeving van de weg als gebiedsontsluitingsweg. De weg heeft voldoende capaciteit om de extra motorvoertuigen op te vangen. De vorm, functie en gebruik zijn op de Schaafdries in de huidige en toekomstige situatie in balans. De weg kan de toegenomen verkeersintensiteit door de ontwikkelingen in het Stationskwartier goed verwerken. Geconcludeerd wordt dat de ontsluitingswegen (De Rijt en de Schaafdries) rond het plangebied in de toekomstige situatie geschikt zijn voor het verwerken van de toegenomen verkeersintensiteit als gevolg van de ontwikkeling van het Stationskwartier. Akoestisch onderzoek geluid van De Rijt Om het effect van de verkeersontsluiting in beeld te brengen, is er akoestisch onderzoek uitgevoerd (Bijlage 27). In het verkeerskundig onderzoek is geconcludeerd dat de weg De Rijt verbreed moet worden. Daarbij zal de rijsnelheid op De Rijt worden verlaagd van 60 naar 30 km/u. De verbreding van de weg is een fysieke wijziging.

Echter omdat ook de snelheid wordt verlaagd naar 30 km/u is geen sprake van een reconstructie in de zin van de wet Geluidhinder. Zowel met klinkers als met (standaard) asfalt, is er ook geen sprake van een reconstructie in de zin van de wet Geluidhinder. Ter hoogte van de woningen aan De Rijt 1 en 2 bedraagt de toename van geluid niet meer dan 1 dB en is de geluidbelasting beneden de grenswaarde van 48 dB. Ook op de Dorpenweg is sprake van een toename van de verkeersintensiteiten. Conclusie voor deze weg is dat vorm, functie en gebruik in zowel de huidige als de toekomstige situatie goed met elkaar in balans zijn. De wegvakken zijn geschikt voor het verwerken van de toegenomen verkeersintensiteit als gevolg van de ontwikkeling van het Stationskwartier.

5.4.2 Parkeren De gemeente Oss heeft een gemeentelijk parkeerbeleidsplan vastgesteld. De nota ‘Parkeernormen 2023’ geeft aan welke parkeernormen voor welke gebieden gelden. Op basis van de nota 'Parkeernormen 2023' is bij het maken van het stedenbouwkundig plan onderzocht of er voldoende parkeergelegenheid gerealiseerd kan worden. Daarvan is sprake. Binnen het plangebied is voldoende ruimte beschikbaar om aan de gemeentelijke parkeernormen te voldoen. Op een later moment van de ontwikkeling van Stationskwartier Ravenstein wordt een inrichtingstekening inclusief parkeerplaatsen gemaakt. In de regels van voorliggend plan is in de regels geborgd dat het aantal parkeerplaatsen van Stationskwartier Ravenstein in lijn dient te zijn met de actuele parkeernormen uit het gemeentelijke parkeerbeleid van de gemeente Oss. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit de aspecten verkeer en parkeren.

Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 71 van 94 Vastgesteld december 2024 december 2024

5.5

Water

5.5.1 Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGPR een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen.

De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.

Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; Voorkomen van vervuiling van water; Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Afvoer

Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 72 van 94 Vastgesteld december 2024 december 2024

-

Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied.

5.5.2 Watertoets In het kader van voorliggend initiatief is een watertoets uitgevoerd, bestaande uit een geohydrologisch onderzoek en de toekomstige waterstructuur. De rapportage is opgenomen in bijlage 9, met een addendum in bijlage 26. Uit de digitale watertoets volgt dat er een primaire watergang in het gebied ligt. Voor primaire watergangen in het beheer van het waterschap geldt aan weerszijden van de watergang een 5 meter obstakelvrije zone. Bij de te nemen maatregelen en bouwen in het plangebied gelden de volgende aandachtspunten: -

Bij het bergen en afvoeren van hemelwater naar een watergang of oppervlaktewater dient het water vertraagd afgevoerd te worden volgens de lokaal geldende afvoernorm Bij een uitstroomvoorziening in het talud van een primaire watergang dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd Bij de bouw dienen geen uitlogende bouwmaterialen te worden gebruikt, ter voorkoming van verontreiniging van het grondwater- en oppervlaktewater

Hemelwaterafvoer Om de waterbergingsopgave te bepalen voor het plan, is een inventarisatie uitgevoerd van het toekomstig verhard oppervlak (gebaseerd op de concepttekeningen van de gemeente Oss). Voor het initiatief wordt een centrale bergingsvoorziening gerealiseerd die is uitgelegd op de maatgevende bui van 60 mm en waarop alle verharding wordt aangesloten (inclusief verharding op particulier terrein). Dit is een robuuste oplossing die het risico op (grond)wateroverlast op particulier terrein minimaliseert. In navolgende tabel is de benodigde bergingsopgave per deelgebied gepresenteerd, uitgaande van het geïnventariseerde verhard oppervlak en de statische bergingseis van 60 mm.

Tabel: Inventarisatie verhard oppervlak en bergingsopgave

Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 73 van 94 Vastgesteld december 2024 december 2024

In navolgende tabel zijn de benodigde bergingsvoorzieningen uiteengezet. Er zijn twee varianten uitgewerkt, waarbij de eerste variant uitgaat van het huidige maaiveldniveau (zonder ophoging) en de tweede variant met een minimale ontwateringsdiepte van 70 cm in een RHG-situatie, wat betekent dat het maaiveldniveau met 20 à 30 cm opgehoogd moet worden.

Tabel: te realiseren bergingsopgave

In het huidige plan is voor het zuidelijk deelgebied 2.329 m3 ruimte voor waterberging gepland. Wanneer het plangebied wordt opgehoogd wordt voldaan aan de bergingsopgave van minimaal 2.064 m². Voor het noordelijk deelgebied is momenteel 4.992 m3 ruimte voor waterberging gepland. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de opgave van minimaal 2.793 m3 in de situatie dat het maaiveldniveau wordt opgehoogd. Afvalwaterstructuur In het te ontwikkelen plangebied ten noorden van het spoor is in de huidige situatie geen riolering aanwezig. Het afvalwater van de nieuwe woningen in het deelgebied Bendelaar zal worden afgevoerd naar een rioolgemaal, welke het afvalwater verder verpompt naar het bestaande rioolstelsel of inprikt op een nabijgelegen persleiding. In het deelgebied Sportvelden is in de huidige situatie een drukriolering aanwezig (ø63 mm), welke aansluit op het bestaande gemengde stelsel. De nieuwe woningen kunnen hierop aangesloten worden, mogelijk met een rioolgemaal. De definitieve uitwerking van de afvalstructuur wordt in een later stadium nader uitgewerkt. Weg- en vloerpeilen De gemeente hanteert als minimale ontwateringsdiepte 70 cm -mv ter hoogte ten opzichte van het vloerpeil van de woning (in een RHG-situatie). Afhankelijk van de lokale situatie en gekozen bouwwijze is een afstand van 50 cm in sommige gevallen ook mogelijk (bijvoorbeeld bij kruipruimteloos bouwen).

Voor de wegen in het plangebied geldt een ontwateringsdiepte van 50 cm. Voor het vloerpeil van de woningen wordt geadviseerd om een peil van 30 cm boven het wegpeil te hanteren, maar 20 cm is ook nog acceptabel. Op basis van de watertoets in de bijlage wordt voor beide deelgebieden een planpeil van circa +6,6 à +6,9 m NAP gehanteerd. De vloerpeilen van de woningen komen vervolgens op een niveau van +6,8 à +7,1 m NAP te liggen. Het zuidelijke deelgebied kent iets hogere peilen dan het noordelijke deelgebied. Hiermee wordt voldoende ontwatering gerealiseerd en sluit het plan goed aan op de bestaande infrastructuur. Klimaateffecten Op basis van de Oss Klimaatatlas zijn de klimaateffecten in beeld gebracht voor voorliggend plangebied.

Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 74 van 94 Vastgesteld december 2024 december 2024

Hittestress Om een toename aan hittestress in de toekomstige situatie (met meer verharding door nieuwbouw en wegen) te voorkomen/verminderen wordt voldoende groen en minimale verharding gerealiseerd in het plangebied. In het plangebied is voldoende ruimte om koele plekken in te richten. Droogte Bij de inrichting van het stedenbouwkundige plan is getracht zoveel mogelijk mogelijkheden te creëren om water in het plangebied te laten infiltreren in de ondergrond. Dit is van belang voor de aanvulling van het grondwater en de toestroom van water voor het groen, en zo droogte tegen te gaan. Overstromingen Op basis van de overstromingskanskaart van eens in de 1000 jaar is er een maximale waterdiepte van 1 tot 2 m in het plangebied. Deze overstroming vindt alleen plaats als er een dijkdoorbraak plaatsvindt. Door het realiseren van een goede ontsluiting van het gebied is evacuatie mogelijk. Wateroverlast Op basis van de toename verhard oppervlak moet voldoende waterberging worden gecreëerd om extreme buien (60 mm) te kunnen verwerken en klimaatbestendig te zijn. Het stedenbouwkundig ontwerp voorziet hier in. Met betrekking tot het aspect water is het plan uitvoerbaar. 5.6

Defensie

Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: - Radarverstoringsgebieden; - Obstakelbeheergebieden; - Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; - Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen.

Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden.

5.7

Duurzaamheid

Een duurzame woonwijk Stationskwartier voor Ravenstein is een woonwijk waarbij in ontwerp, realisatie en gebruik toekomstgericht denken en handelen voorop staat. Toekomstgericht denken en handelen is rekening houden met het flexibel kunnen aanpassen aan veranderende omstandigheden en aandacht hebben voor het niet onnodig beperken van de mogelijkheden voor toekomstige generaties3.

Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 75 van 94 Vastgesteld december 2024 december 2024

Dat betekent dat er met maatregelen aandacht is voor: 1. Veranderingen in de gebruiksperiode (50 á 100 jaar) zo goed mogelijk opvangen. Dus bij ontwerp en realisatie het flexibel en meervoudig gebruik van ruimte, gebouwen en materiaal in de gebruiksfase mogelijk maken. 2. Efficiënt gebruik maken van de schaarse middelen Ruimte, Energie en Materialen, zodat niet meer wordt gebruikt dan nodig is en verspilling wordt vermeden. Dat kan bijvoorbeeld door hergebruik of circulair gebruik van materiaal. Een voorbeeld is ook een energieneutrale woning met eigen opwek van energie voor het verbruik van installaties in de woning (warmte-koude) en gebruikers (apparaten, ook elektrische auto). 3. Milieukwaliteit van bodem, water en lucht, geluid en trillingen voldoen aan de wettelijke eisen en de huidige opvattingen voor een woonwijk. Deze aspecten zijn namelijk aantoonbaar van invloed op de kwaliteit van leven en op de gezondheid van de bewoners van de woonwijk. 4. De toenemende effecten van Klimaatverandering. Het veranderende klimaat betekent dat er vaker periodes van hitte, droogte en extreme neerslag zullen zijn. Dat vereist een flexibel ontwerp waarmee ook in de verdere toekomst (2030-2050) opvang, berging en zo nodig afvoer van neerslag mogelijk is. Zo wordt overlast en schade aan openbare ruimte en gebouwen zoveel als mogelijk beperkt. 5.

Biodiversiteit die ondanks klimaatverandering voldoende blijft voor de woonwijk en ook een goede verbinding is tussen omliggende gebieden. Aanwezigheid van 'groen’ (flora en fauna) in de wijk draagt ook bij aan het welbevinden van inwoners van de wijk. 6. Een belangrijk gebruik van de ruimte en van energie in een woonwijk zijn de vervoersmiddelen, zoals een auto. Duurzaam gebruik van vervoersmiddelen, bij voorkeur te voet en per fiets, betekent dat er speciaal aandacht nodig is voor efficiënt gebruik van auto en andere gemotoriseerde voertuigen. Dat kan naast stimuleren van te voet, per fiets en openbaar vervoer (nabijheid van station Ravenstein), ook door het deelgebruik van auto's zijn. Hiervoor worden steeds meer mogelijkheden geboden. Vanzelfsprekend is het om het gebruik van elektrische voertuigen als vervanging van voertuigen met brandstofmotor te stimuleren, bijvoorbeeld door laadpalen. 7. De openbare ruimte neemt een belangrijke plaats in een woonwijk, letterlijk en figuurlijk. Het is de ruimte voor transport, groen, beweging en ontmoeten, voor alle bewoners en voor bezoekers. De inrichting moet met al deze gebruiksmogelijkheden rekening houden en flexibel zijn om noodzakelijke aanpassingen op te vangen. Duurzaam gebruik van materiaal, bij voorkeur circulair, is daarbij belangrijk.

Duurzaam ontwerpen en realiseren gaat verder dan toepassen van wettelijke normen Voor al deze onderdelen voor een duurzame woonwijk zijn naast wettelijke maatregelen ook aanbevelingen met nieuwe inzichten en zicht op toekomstige veranderingen in wetgeving beschikbaar. Advies is die toekomstige maatregelen zoveel als mogelijk in de eisen voor duurzame ontwikkeling en realisatie van de wijk op te nemen.

3 https://nl.wikipedia.org/wiki/Brundtland-rapport

Maatwerk en combinatie van maatregelen nodig Voor een woonwijk als Stationskwartier is het belangrijk om vooraf aan ontwerp en realisatie door 'maatwerk’ een duidelijk profiel van de eisen aan een duurzame woonwijk op te stellen. Door een goede keuze kunnen de maatregelen van afzonderlijke onderdelen elkaar versterken, bijvoorbeeld voor waterberging, waterkwaliteit en biodiversiteit. Of door 'groen’ in de wijk dat het effect van hitte in de openbare ruimte en het energieverbruik van woningen voor koeling beperkt. Of door opslag van warmtekoude en opgewekte elektra uitwisselbaar te maken, respectievelijk in de bodem onder woningen en de accu van een elektrische auto of 'buurtaccu’.

Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 76 van 94 Vastgesteld december 2024 december 2024

5.8

Milieuaspecten

In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: - Bedrijven en milieuzonering - Bodem - Externe veiligheid - Geurhinder: agrarisch - Geur: industrieel - Luchtkwaliteit - Straling - Weg-, spoor-, en industrielawaai - Gezondheid - Spuitzones 5.8.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uitvoeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. Planspecifiek Direct ten zuiden van het plangebied ligt een woonwijk.

Ten oosten van het zuidelijke deel van het plangebied ligt een bedrijventerrein (De Kolk) en een enkele burgerwoning. Ook ligt het station van Ravenstein aan de oostzijde van het plangebied. Aan de westzijde van het plangebied en aan de oostzijde van het noordelijke deel van het plangebied liggen weilanden. Aan de noordkant liggen enkele woningen en (agrarische) bedrijven. De menging van functies in de omgeving in combinatie met de drukte op de Schaafdries en het treinstation, zorgt ervoor dat het gebied nabij de Schaafdries aan te merken is als het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Het deel van het plangebied op grotere afstand van de Schaafdries is in de beoogde situatie aan te merken als omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Zie als toelichting hierop ook de memo in bijlage 10. Voor het gemengd gebied kunnen de richtafstanden op grond van de Staat van bedrijfsactiviteiten uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG met 1 stap/categorie worden verkleind. Bedrijventerrein De Kolk Op het bedrijventerrein De Kolk ten oosten van het plangebied zijn bedrijven tot en met milieucategorie 3.2 toegestaan, waarvoor een richtafstand van 100 meter geldt voor het omgevingstype van een rustige woonwijk en een gereduceerde richtafstand van 50 meter voor het omgevingstype gemengd gebied.

Geluidzoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen en vuurwerkbedrijven zijn op dit bedrijventerrein niet toegestaan. Plaatselijk is ook horeca en een bedrijfsverzamelgebouw toegestaan. De richtafstand voor een gemengd gebied van 50 meter reikt over het plangebied. Om te bepalen of de bedrijven op het bedrijventerrein niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd, is bekeken of er al woningen aanwezig zijn die maatgevend zijn voor de bedrijfsvoering van de aanwezige bedrijven.

Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 77 van 94 Vastgesteld december 2024 december 2024

Bedrijfswoningen aan de Stationssingel 120, Schaafdries 44, 50, 54 en 60 en de burgerwoning aan de Schaafdries 58 zijn bepalend voor de uit te voeren bedrijfsactiviteiten van de bedrijven op het bedrijventerrein. Navolgende afbeelding toont de woningen waar de bedrijven al rekening mee moeten houden. Iedere pijl staat voor een relatie met een woning van derden waar door het bedrijf al rekening mee gehouden moet worden. Aanvullend is onderzoek gedaan naar industrielawaai (rapportage Cauberg-Huijgen, ‘Gebiedsontwikkeling Stationskwartier Ravenstein, onderzoek industrielawaai d.d. 14 oktober 2024), Bijlage 29. Dit onderzoek is uitgevoerd in het kader van de gebiedsontwikkeling van het Stationskwartier Ravenstein naar een nieuwe woonwijk met ongeveer 330 woningen. Doel van het onderzoek is het beoordelen van de ruimtelijke/akoestische inpasbaarheid van de voorgenomen woningbouwontwikkeling in de nabijheid van het bedrijventerrein De Kolk. Voor de beoordeling van de akoestische inpasbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling van het ‘Stationskwartier’ is de werkwijze gehanteerd conform de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. Uit stap 1 is gebleken dat voldaan wordt aan de richtafstanden ten aanzien van de omliggende bedrijven, uitgezonderd voor de inrichting Rijla Konstruktie en Apparatenbouw, waarvoor de richtafstand net reikt tot aan de grens van het woongebied.

Daarom is aansluitend akoestisch onderzoek uitgevoerd voor deze inrichting om een zorgvuldige afweging te kunnen maken. In het onderzoek is de geluiduitstraling van de inrichting berekend op basis van de vastgestelde representatieve bedrijfssituatie. De optredende geluidniveaus zijn beoordeeld volgens het stappenplan van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ voor een gemengd gebied. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de ‘Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai’ (1999). Uit het akoestisch onderzoek is gebleken dat: − Uit de toets van de berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus volgt dat binnen het projectgebied ‘Stationskwartier’ voldaan wordt aan de richtwaarden volgens stap 2 van de VNG-publicatie voor een gemengd gebied. Bij de bestaande (bedrijfs)woningen aan de Schaafdries wordt eveneens voldaan aan de normstelling uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. − Uit de rekenresultaten betreffende de maximale geluidniveaus blijkt dat binnen het projectgebied ‘Stationskwartier’ voldaan wordt aan de richtwaarden volgens stap 2 van de VNG-publicatie voor een gemengd gebied. Bij de bestaande (bedrijfs)woningen aan de Schaafdries wordt eveneens voldaan aan de normstelling uit het Activiteitenbesluit milieubeheer.

− Uit de rekenresultaten blijkt tot slot dat het langtijdgemiddeld geluidniveau als gevolg van de verkeersaantrekkende werking (indirecte hinder) ruimschoots voldoet aan de richtwaarde uit de VNG-publicatie. Volgens de beoordelingssystematiek is er dan geen sprake van indirecte hinder. Op basis van voorgaande beoordeling wordt een ruimtelijke inpassing mogelijk geacht en is er ter plaatse van het plangebied ‘Stationskwartier’ sprake van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. Overigens heeft de gemeente ervoor gekozen om een minimale afstand van 50 meter aan te houden tussen de bedrijfspercelen aan de Schaafdries en de nieuwe woningbouw in het plangebied. Binnen deze zone is woningbouw niet mogelijk en zijn ook geen vergunningsvrije bouwwerken bij woningen mogelijk.

Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 78 van 94 Vastgesteld december 2024 december 2024

(bedrijfs)woningen (paars) en bedrijfsbebouwing (blauw gearceerd) op Bedrijventerrein De Kolk.

Overige milieubelastende functies

Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 79 van 94 Vastgesteld december 2024 december 2024

Verder liggen er aan de noord(oost)zijde van het plangebied enkele milieubelastende functies. In navolgende paragraaf is per bedrijf aangegeven welke richtafstand erbij hoort. Hierbij is het aspect geur buiten beschouwing gelaten, omdat hierop specifiek wordt ingegaan in paragraaf 5.7.4. Adres

Bedrijf

Categorie VNG

Milieucategorie

De Rijt 2

Melkrundveehouderij

Fokken en houden van rundvee

3.2

Elleboogstraat 3

Melkrundveehouderij

Fokken en houden van rundvee

3.2

Dorpenweg 25

Studiecentrum

1

Bendelaar 1

Hondenkennel

Hotels en pensions met keuken, conferentie-oorden en congrescentra Dierenasiels en pensions

3.2

Richtafstand rustige woonwijk (maatgevend aspect) 30 m (stof, geluid), 100 m (geur, zie nadere uitwerking in paragraaf 5.8.4) 30 m (stof, geluid), 100 m (geur, zie nadere uitwerking in paragraaf 5.8.4) 10 m (geluid, gevaar)

100 m (geluid) en 30 m (geur)

De richtafstand van de bedrijven Elleboogstraat 3 (stof en geluid) en Dorpenweg 25 (geluid en gevaar) reikt niet tot in het plangebied. De richtafstand van De Rijt 2 en de Bendelaar 1 wel. Ten aanzien van De Rijt 2 is echter de aan te houden afstand voor het aspect geur (zie paragraaf 5.7.4) groter (50 meter) en daarmee maatgevend. Binnen deze afstand van 50 meter worden geen woningen gerealiseerd. Daarmee worden ook binnen de richtafstand van 30 meter voor stof en geluid geen woningen gerealiseerd. De richtafstand van het bedrijf aan de Bendelaar 1 reikt tot de locatie waar woningen met direct recht worden gerealiseerd. Hiervoor is aanvullend akoestisch onderzoek verricht om eventuele geluidhinder op de nieuwe woningen na te gaan (Bijlage 28, Cauberg-Huygen, Akoestisch onderzoek hondenkennel De Bendelaar 1). Uit dit onderzoek blijkt dat de nieuw te bouwen woningen niet binnen de hinderzone van het bedrijf liggen. Er zal in de nieuwe woningen sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat en er worden geen bedrijven belemmerd in de bedrijfsvoering als gevolg van voorliggend plan. Het plan is uitvoerbaar wat betreft het aspect milieuzonering.

5.8.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Planspecifiek In het kader van voorliggende ontwikkeling is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 11.

Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 80 van 94 Vastgesteld december 2024 december 2024

Voor de toekomstige woningen en de bewoners is het van belang om vast te stellen of de kwaliteit van de bodem in lijn is met het beoogde gebruik. Hiertoe zijn verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd. De rapportages is opgenomen in bijlagen 12 en 13. In de onderzoeksresultaten wordt het volgende geconcludeerd: Locatie Sportvelden In het bodemonderzoek wordt gesteld dat er ter plaatse de verhardingen sprake is van lichte verontreinigingen met zware metalen in de grond. Voor het overige terrein is sprake van licht verhoogde gehalten met enkele zware metalen, PAK en PCB in de grond. Voor beiden geldt echter dat de aangetoonde verhoogde gehalten zodanig licht verhoogd zijn dat aanvullend onderzoek of nadere maatregelen niet noodzakelijk worden geacht. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het terrein geschikt voor de huidige en de toekomstige bestemming. Daarnaast volgt uit het verkennend asbestonderzoek dat er zowel visueel als analytisch geen asbest is aangetoond binnen de locatie. Tevens blijkt uit het uitgevoerde asfaltonderzoek dat het asfalt niet-teerhoudend is en derhalve geschikt is voor recycling. Locatie Bendelaar In het bodemonderzoek wordt gesteld dat er ter plaatse van het moeras en slootdempingen sprake is van lichte verontreinigingen met zware metalen in de grond. Voor het overige terrein is sprake van licht verhoogde gehalten met enkele zware metalen.

Voor beiden geldt echter dat de aangetoonde verhoogde gehalten zodanig licht verhoogd zijn dat aanvullend onderzoek of nadere maatregelen niet noodzakelijk worden geacht. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het terrein geschikt voor de huidige en de toekomstige bestemming. Conclusie

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodem.

5.8.3 Externe veiligheid Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: - het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) - het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven.

In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR

Stationskwartier Ravenstein – 2023, pag. 81 van 94 Vastgesteld december 2024 december 2024

10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. Planspecifiek Om de risicovolle inrichtingen, buisleidingen en transportroutes in de omgeving van het plangebied vast te stellen en te kunnen beoordelen of deze potentiele risicobronnen een risico vormen voor de woningen uit voorliggend plan, is een quickscan Externe Veiligheid uitgevoerd. Het rapport is toegevoegd als bijlage 14.

In de quickscan wordt geconcludeerd dat vanwege transport over een waterweg of weg, buisleidingen en inrichtingen geen risico's bestaan voor de nieuwe woningen binnen Stationskwartier Ravenstein. Vanwege de spoorlijn Den Bosch – Diezebrug aansluiting – Nijmegen (route 64) die het plangebied doorsnijdt is een nader onderzoek Externe veiligheid spoor (rapportage is opgenomen in bijlage 15) en een Verantwoording hoogte groepsrisico uitgevoerd (rapportage is opgenomen in bijlage 16). Externe veiligheid spoor In het onderzoek wordt geconcludeerd dat zowel in de huidige als in de toekomstige situatie sprake is van een groepsrisico dat lager is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Er vindt geen rekenkundige toename plaats van de hoogte van het groepsrisico. De risico’s als gevolg van het transport gevaarlijke stoffen over het spoor zijn overeenkomstig de beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente Oss meegenomen in een verantwoording van de hoogte van het groepsrisico. Verantwoording hoogte groepsrisico In de rapportage in bijlage 15 is de verantwoording van de hoogte groepsrisico uiteengezet. In deze notitie zijn elementen aangedragen die de gemeenteraad kan gebruiken bij de oordeelsvorming inzake de verantwoording van het groepsrisico.

De gemeente Oss dient in het kader van de ruimtelijke procedure advies in te winnen bij de Veiligheidsregio en een standpunt in te nemen aangaande de verantwoording van het groepsrisico. 5.8.4 Geurhinder: agrarisch De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2017”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: - de burger beschermen tegen geurhinder; - de veehouderijen niet onnodig beperken;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=e0bf9719-4718-4f35-b035-285c6fe34595