CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

1 Toelichting Herziening 2 Buitengebied Oss - 2020 Oijense Bovendijk 19.PDF

Adviescommissie Ruimte 23 september 2021, gemeente OssBij agendapunt: BII Ontwerpbestemmingsplan herontwikkeling varkenshouderij Oijense Bovendijk 19 te Oijen14.118 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Op grond van artikel 6, lid 3 van de Wet en in afwijking van artikel 4, lid 1 van de Wet, bedraagt de afstand tussen een bedrijf met een geringe omvang (maximale omvang van 200 stuks melkrundvee en 140 stuks jongvee) en een geurgevoelig buiten de bebouwde kom ten minste 25 meter. 4.5.1.1

Artikel 3, tweede lid Wet geurhinder en veehouderij

Ter plaatse van het plangebied is thans sprake van een agrarische bedrijfswoning. Op deze woning is artikel 3, tweede lid van de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing: “In afwijking van het eerste lid bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij: a. ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en b. ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.”

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

30

Bestemmingsplan ‘Oijense Bovendijk 19 Oijen’ - Toelichting

De naar burgerwoning om te zetten bedrijfswoning betreft een geurgevoelig object dat thans onderdeel uitmaakt van een veehouderij en zal na 19 maart 2000 ophouden deel uit te maken van een veehouderij. De bescherming van de woning ten opzichte van agrarische bedrijvigheid door derden wijzigt derhalve niet door de omzetting van bedrijfswoning naar burgerwoning.

4.5.2

Veehouderijbedrijven in de omgeving van het plangebied

In de omgeving van het plangebied zijn een aantal agrarische bedrijven aanwezig. Navolgende figuur betreft een beeld van de ligging van deze bedrijven ten opzichte van het plangebied.

Figuur 15: Veehouderijbedrijven in de omgeving van het plangebied

Op deze veehouderijen zijn de volgende dieraantallen vergund:

Figuur 16: Actueel vergunde situatie Bernhardweg 31A Oijen (Bron: BVB-Brabant)

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

31

Bestemmingsplan ‘Oijense Bovendijk 19 Oijen’ - Toelichting

Figuur 17: Actueel vergunde situatie Bernhardweg 33 Oijen (Bron: BVB-Brabant)

Figuur 18: Actueel vergunde situatie Oijense Bovendijk 17 Oijen (Bron: BVB-Brabant)

Figuur 19: Actueel vergunde situatie Oijense Bovendijk 21 Oijen (Bron: BVB-Brabant)

Figuur 20: Actueel vergunde situatie Berghuizen 48 Maasbommel (Bron: BVB-Gelderland)

Figuur 21: Actueel vergunde situatie Hogenhofstraat 10B Maasbommel (Bron: BVB-Gelderland)

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

32

Bestemmingsplan ‘Oijense Bovendijk 19 Oijen’ - Toelichting

Figuur 22: Actueel vergunde situatie Hogenhofstraat 16 Maasbommel (Bron: BVB-Gelderland)

4.5.3

Woon- en leefklimaat

Ter plaatse van het plangebied dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Om het woon- en leefklimaat te bepalen, is zowel de voorgrondbelasting als de achtergrondbelasting van belang.

4.5.4

Belangenafweging

De beoogde herontwikkeling mag de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen niet belemmeren.

4.5.5

Toetsing plangebied

4.5.5.1

Voorgrondbelasting

Het meest dichtbijgelegen veehouderijbedrijf is gelegen aan Oijense Bovendijk 21. Ter plaatse is een milieuvergunning aanwezig voor het houden van 84 stuks vrouwelijk jongvee en 200 stuks melken kalfkoeien. Op grond van het geurbeleid van de gemeente Oss geldt voor de huidige bedrijfswoning als ook voor de beoogde Ruimte voor Ruimte woningen een minimumafstand van 25 meter tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en de gevel van de woningen. De overige veehouderijbedrijven liggen allen op een afstand van ruimschoots meer dan 25 meter. Het agrarisch bouwvlak van het veehouderijbedrijf grenst aan het plangebied. De te herbestemmen bedrijfswoning dient na herontwikkeling te worden beschouwd als ware het een bedrijfswoning. De bescherming van de woning ten opzichte van agrarische bedrijvigheid door derden wijzigt niet door de omzetting van de agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning. De nieuwe woningen worden gerealiseerd op een afstand van ruimschoots meer dan 25 meter. Op de bedrijven aan Bernhardweg 31a, Bernhardweg 33 en Oijense Bovendijk 21 worden alleen dieren gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld. Tussen de beoogde woningen en deze veehouderijen dient een vaste afstand aangehouden te worden van 25 meter. Hieraan wordt ruimschoots voldaan.

Aan Oijense Bovendijk 17, Berghuizen 48, Hogenhofstraat 10B en Hogenhofstraat 16 mogen ook dieren worden gehouden waarvoor een geuremissie is vastgesteld. Om te bepalen of ter plaatse in het kader van de voorgrondbelasting sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat, is de voorgrondbelasting berekend. Gesteld kan worden dat, gelet op de geuremissie van de omliggende veehouderijbedrijven, het veehouderijbedrijf Berghuizen 48 de dominante veehouderij betreft.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

33

Bestemmingsplan ‘Oijense Bovendijk 19 Oijen’ - Toelichting

De geurbelasting van de veehouderij Berghuizen 48 op de hoekpunten van het huidige agrarische bouwvlak is berekend met behulp van het programma V-Stacks vergunning. Uitgegaan is van een worst-case benadering waarbij de volledige geuremissie op de hoek van het agrarisch bouwvlak is gelegd die het dichtst bij het plangebied gelegen is. Het resultaat van deze berekening is hierna weergegeven. Berekende ruwheid: 0,15 m Meteo station: Eindhoven Brongegevens: BronID

X-coord.

Y-coord.

EP Hoogte Gem.geb.

EP Diam. EP Uittr. snelh. E-

hoogte Berghuizen 48

163 696

426 498

6,0

Aanvraag

6,0

0,50

4,00

6 052

Geur gevoelige locaties: GGLID

Xcoordinaat

Ycoordinaat

Geurnorm

Geurbelasting

NW

163 435

425 980

8,0

0,3

NO

163 483

425 924

8,0

0,3

ZO

163 418

425 823

8,0

0,2

ZW

163 361

425 863

8,0

0,2

Tabel 1: Voorgrondbelasting veehouderijbedrijf Berghuizen 48

De voorgrondbelasting bedraagt maximaal 0,3 oue/m³. Dit betekent dat er in het kader van de voorgrondbelasting sprake is van een ‘zeer goed’ woon- en leefklimaat. 4.5.5.2

Achtergrondbelasting

Voor de achtergrondbelasting van veehouderijen in de omgeving van het plangebied is met het programma V-Stacks gebied een achtergrondbelasting berekening uitgevoerd. Alle bedrijven met een emissie in een straal van twee kilometer van het bedrijf zijn meegenomen in deze berekening. Hiertoe zijn alle bedrijven binnen de gemeente Oss en gemeente West Maas en Waal ingevoerd. De invoergegevens van deze bedrijven zijn afkomstig uit de database van het Bestand Veehouderijbedrijven. De achtergrondbelasting is hierbij berekend op de hoekpunten van het plangebied. De geuremissie van het eigen bedrijf is reeds op nul gezet. De overige uitgangspunten voor deze berekening zijn hierna opgenomen: Meteo station: Eindhoven Rekenuren: 25 % Rasterpunt linksonder x: 162741 m Rasterpunt linksonder y: 425598 m Gebied lengte (x): 1000 m , Aantal gridpunten: 50 Gebied breedte (y): 1000 m , Aantal gridpunten: 50

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

34

Bestemmingsplan ‘Oijense Bovendijk 19 Oijen’ - Toelichting

Cumulatieve geurbelasting op receptorpunten, zoals berekend RecepID X-coor Y-coor

Geurbelasting [OU/m3]

1001 163435 425979

3,413

1002 163483 425923

2,968

1003 163360 425863

3,184

1004 163420 425823

3,045

1005 163270 425836

3,412

1006 163321 425805

3,232

1007 163241 425798

3,439

1008 163291 425755

3,259

Figuur 23: Tabel achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied

Ter plaatse van het plangebied is sprake van een achtergrondbelasting van 2,9 oue/m³ tot 3,4 oue/m³. Daarmee kan worden gesteld dat in het kader van de achtergrondbelasting ter plaatse sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Door middel van het saneren van het bedrijf aan Oijense Bovendijk 19 verbetert het woon- en leefklimaat nabij en in de kern van Oijen aanzienlijk.

4.5.6

Belangenafweging

Middels de herbestemming van de agrarische bedrijfswoning wordt geen nieuw geurgevoelig object opgericht. De woning betreft thans een bedrijfswoning horende bij een agrarisch bedrijf. De bescherming van de woningen ten opzichte van agrarische bedrijvigheid door derden wijzigt niet door de omzetting van de woningen van agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning. Herbestemming van de woning brengt geen belemmeringen voor agrarische bedrijven met zich mee. Herontwikkeling van het plangebied ten behoeve van de Ruimte voor Ruimte woningen mag de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen niet belemmeren. Tussen de meeste omliggende veehouderijen en het plangebied zijn reeds enkele gevoelige objecten gelegen. Deze veehouderijen worden door de beoogde herontwikkeling dan ook niet meer in de ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd dan in de huidige situatie het geval is. Ten opzichte van de veehouderij aan Oijense Bovendijk 21 wordt met de situering van de beoogde nieuwe woningen een afstand aangehouden van minimaal 25 meter. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling wordt de veehouderij Oijense Bovendijk 21 dan ook niet belemmerd in de ontwikkelingsmogelijkheden.

4.5.7

Conclusie

Bij besluitvorming omtrent de geurgevoelige objecten binnen het plangebied dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord te worden gegeven op de vragen:

-

Is ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd? Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad?

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

35

Bestemmingsplan ‘Oijense Bovendijk 19 Oijen’ - Toelichting

Ter plaatse van het plangebied is, na sanering van de eigen intensieve veehouderij, sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling wordt ook niemand in de belangen geschaad. De beoogde herontwikkeling van het plangebied is dan ook in het kader van het aspect ‘geur’ geen bezwaar.

4.6 Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen en driftzonering Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terecht komt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt dan bij de akkerbouw en lage bomenteelt, waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten. Derhalve dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening afstand te worden gehouden tussen gevoelige objecten en teeltgebieden. Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. Er zijn in de omgeving van het plangebied geen spuitzones opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. Rond het plangebied is geen sprake van boomteelt. Dit aspect vormt dus geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.7 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijbedrijven 4.7.1 Inleiding De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. Op basis van de Handreiking Veehouderij en Volksgezondheid 2.0 versie mei 2018 opgesteld door het ondersteuningsteam BPO speerpunt veehouderij kan worden afgewogen of een advies van de GGD nodig is voor het plan.

4.7.2 Toets van de ontwikkeling aan Handreiking In stap 1 van de handreiking wordt getoetst aan endotoxine. Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Er is een berekening gemaakt van de afstand waarop de adviesnorm van 30 EU/m3 wordt overschreden. In de omgeving van het plangebied zijn geen grote intensieve veehouderijbedrijven gesitueerd. De her te ontwikkelen kavels liggen buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

36

Bestemmingsplan ‘Oijense Bovendijk 19 Oijen’ - Toelichting

Stap 2, toename emissies, is niet van toepassing omdat het plan geen uitbreiding van een veehouderij betreft. In stap 3 wordt getoetst aan geur. Bij 3b wordt voor geur getoetst aan de gezondheidskundige advieswaarden. Deze zijn maatgevend ten opzichte van stap 3a. Voor het buitengebied zijn deze waarden: −

5 ou/m3 voor de voorgrondbelasting.

−

10 ou/m3 voor de achtergrondbelasting.

−

100 meter voor de afstand tussen de rand van een bedrijf en de gevel van het geurgevoelige object.

Er worden voldaan aan de voorgenoemde richtlijnen betreft de voor- en achtergrondbelasting. Tevens wordt voldaan aan de wettelijke toetswaarden. Er zijn tevens geen maatregelen op te leggen bij de omliggende veehouderijen in het kader van dit plan. Er wordt voldaan aan de vaste afstand in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij. Er zijn geen bedrijven in de omgeving waar bedrijfsmatig een combinatie van de volgende dieren worden gehouden: •

Varkens en pluimvee;

•

Rundvee en kleine herkauwers (schapen/geiten);

•

Kleine herkauwers onderling.

Aan stap 4 wordt voldaan. In stap 5 wordt getoetst aan de afstand tot een geitenhouderij en pluimveebedrijf. Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Op circa 1,5 meter ten westen van het plangebied is een geitenhouderij gelegen. De geitenhouderij is gelegen aan Oijense Benedendijk 54. Navolgend wordt de actueel vergunde situatie van de veehouderij weergegeven.

Figuur 24: Actueel vergunde situatie Oijense Benedendijk (Bron: BVB-Brabant)

Ter plaatse worden maximaal vier nieuwe woningen beoogd. In samenhang met deze ontwikkeling wordt de agrarische bestemming gesaneerd. Hierdoor verbetert de milieusituatie voor de directe omgeving per saldo aanzienlijk. Dit plan draagt in die zin bij aan kwaliteitsverbetering van de omgeving en daarmee aan de leefbaarheid ter plaatse.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

37

Bestemmingsplan ‘Oijense Bovendijk 19 Oijen’ - Toelichting

Er zijn inmiddels diverse uitspraken (ECLI:NL:RVS:2017:1301 en ECLI:NL:RVS:2016:2687) gedaan door de Raad van State met betrekking tot het VGO-onderzoek van juli 2016. De Raad van State oordeelt tot nu toe dat dit onderzoek geen algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten bevat, op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat een veehouderij onaanvaardbare risico’s voor de volksgezondheid veroorzaakt. Diezelfde conclusie kan getrokken worden voor wat betreft de bevindingen met betrekking tot de effecten van geitenhouderijen op de gezondheid. Niet voorzien wordt ter plaatse ‘meer kwetsbare personen’ te huisvesten. De nieuwe woningen worden niet gebruikt voor bewoning door kwetsbare doelgroepen. Ter plaatse wordt niet voorzien in, bijvoorbeeld, zorgfuncties of kinderopvang. Tevens wordt middels de beoogde herontwikkeling een agrarische functie gesaneerd, wat een positief effect heeft op het woon- en leefklimaat in de directe omgeving van het plangebied. Middels onderhavige ontwikkeling levert tevens een positieve bijdrage aan de leefbaarheid binnen de kern Oijen. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Er wordt voldaan aan de normen voor fijn stof en de concentratie endotoxine. Een GGD-advies is daarom niet noodzakelijk. Er zijn tevens geen maatregelen op te leggen bij de omliggende veehouderijen in het kader van dit plan.

Er bevindt zich geen zelfstandige mestbewerking of verwerking. Ook is er geen ongerustheid bij omwonenden over de volksgezondheid. Aan stap 6 en 7 wordt daarmee voldaan.

4.8 Bedrijven en milieuzonering 4.8.1

Inleiding

Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering”. De (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst Bedrijven en Milieuzonering worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. In de omgeving van het plangebied is één niet-agrarisch bedrijf gesitueerd, het betreft een bedrijfsbestemming ten behoeve van niet-agrarisch-technische hulpbedrijven en niet-agrarisch verwante bedrijven. Ter plaatse zijn bedrijven in milieucategorie 3.1 toegestaan waarvoor een richtafstand geldt van 50 meter. Het plangebied is gelegen op een afstand van minimaal 75 meter. De beoogde ontwikkeling is in het kader van bedrijven en milieuzonering dan ook geen bezwaar.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

38

Bestemmingsplan ‘Oijense Bovendijk 19 Oijen’ - Toelichting

4.9 Natuur en ecologie 4.9.1

Inleiding

Bij ruimtelijke ingrepen zoals nieuwbouw dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter

plaatse.

Daarbij

wordt

onderscheid

gemaakt

tussen

soortenbescherming

en

gebiedsbescherming. Natura 2000 is het Europese netwerk van beschermde natuurgebieden in de Europese Unie. Dit netwerk verbindt bestaande natuurgebieden die vallen onder de Europese Vogelrichtlijn- of de Habitatrichtlijngebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving middels de Wet natuurbescherming.

4.9.2

Gebiedsbescherming

4.9.2.1

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: −

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken;

−

gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt;

−

landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer;

−

ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee;

−

alle Natura 2000-gebieden.

Navolgende figuren geven een uitsnede van de kaart met het Natuurnetwerk Nederland voor de omgeving van het plangebied. Het plangebied is aangeduid met een rode marker.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

39

Bestemmingsplan ‘Oijense Bovendijk 19 Oijen’ - Toelichting

Figuur 25: Uitsnede kaart Natuurnetwerk Nederland voor de omgeving van het plangebied

Het plangebied is niet gelegen binnen het Natuurwerk. Het plangebied is wel gesitueerd in de nabijheid van Natuur Netwerk Brabant. 4.9.2.2

Natura 2000 en de Vogel- en Habitatrichtlijnen

Natura 2000 is het Europese netwerk van beschermde natuurgebieden in de Europese Unie. Dit netwerk verbindt bestaande natuurgebieden die vallen onder de Europese Vogelrichtlijn- of de Habitatrichtlijngebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijn is bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het de bedoeling dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in deze Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. In de omgeving van het plangebied zijn geen Vogel- en Habitatrichtlijngebieden gelegen. Het dichtstbijzijnd gelegen Vogel- en Habitatrichtlijngebied betreft het gebied ‘Rijntakken’. Dit gebied is gelegen op een afstand van meer dan 6,5 kilometer tot het plangebied. Het plangebied is gelegen op een dermate grote afstand van het meest dichtbijgelegen Vogel- en Habitatrichtlijngebied, dat de beoogde herontwikkeling van het plangebied geen effect heeft op dit gebied.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

40

Bestemmingsplan ‘Oijense Bovendijk 19 Oijen’ - Toelichting

4.9.2.3

Programma Aanpak Stikstof

Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) regelt sinds 2015 de ruimte voor economische ontwikkelingen die gepaard gaan met de uitstoot van stikstof nabij Natura 2000-gebieden. Enerzijds heeft het PAS tot doel het behoud en herstel van de Natura 2000-gebieden. Anderzijds creëert het PAS door de reductie van stikstof ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen, zoals de verbreding van een snelweg, woningbouw of de uitbreiding van een veehouderij. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State einduitspraken gewezen in enkele procedures tegen het Programma Aanpak Stikstof. De Afdeling komt tot de conclusie dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) daaraan stelt. De Afdeling heeft bepaald dat de PAS niet meer gehanteerd kan worden als toetsingskader voor projecten. Het Hof oordeelt dat zeker gesteld moet zijn dat een ontwikkeling geen nadelige gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied. Middels onderhavige ontwikkeling wordt een agrarisch bouwvlak gesaneerd. Deze sanering draagt bij aan een extensivering van het grondgebruik ter plaatse en de milieuvergunning wordt doorgehaald. Per saldo wordt 1.922 kg ammoniak uit de markt genomen. Het intensieve agrarische gebruik waaronder de vervoersbewegingen van zware landbouwvoertuigen wordt beëindigd.

Deze herontwikkeling een positief effect in het kader van de stikstofdepositie.

4.9.3

Soortenbescherming

4.9.3.1

Inleiding

De Wet natuurbescherming heeft tot doel in het wild levende planten en dieren te beschermen met het oog op de instandhouding van soorten. De verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden in de Wet natuurbescherming zijn uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit de vereisten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern, het Verdrag van Bonn, het Biodiversiteitsverdrag en de Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming. Het gaat daarbij om alle op het Europees grondgebied in het wild levende vogels en voorts om de dieren en planten van de soorten van Europees belang die van nature op het Nederlands grondgebied voorkomen. Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een nieuw bestemmingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling plaats te vinden. 4.9.3.2

Beoordeling plangebied

Ten behoeve van de herontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Dit onderzoek behoort als bijlage bij deze toelichting. Navolgend wordt de conclusie uit het onderzoek weergegeven.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

41

Bestemmingsplan ‘Oijense Bovendijk 19 Oijen’ - Toelichting

“Eindconclusie: •

Met de beoogde herbestemming wordt geen overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming verwacht.

•

Nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag is niet aan de orde.

•

De aanbevelingen voor ‘Vogels algemeen’ en ‘Toepassing algemene zorgplicht’ blz. 22 dienen te worden opgevolgd.

Vogels algemeen Gedurende de werkzaamheden moet rekening gehouden worden met broedende vogels. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot half juli. Echter voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd in het kader van de Wnb. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Het is verboden om nesten van broedende vogels te beschadigen of te vernietigen. Als werkzaamheden niet buiten het broedseizoen gepland kunnen worden, dan geldt de aanbeveling om de locatie voorafgaande aan het broedseizoen ongeschikt te maken. Ook bestaat de mogelijkheid om voorafgaande aan de werkzaamheden door een ter zake deskundige te laten controleren op broedende vogels. Hierbij bestaat het risico dat de werkzaamheden uitgesteld moeten worden als een broedgeval geconstateerd wordt. Als aanbeveling geldt om met zekerheid schade aan broedgevallen uit te sluiten, de werkzaamheden geheel buiten de broedtijd van vogels uit te voeren. Toepassing Algemene zorgplicht voor vrijgestelde soorten Het plangebied vormt leefgebied voor een aantal landzoogdieren en amfibieën waarvoor een vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkeling. Echter de zorgplicht is wel altijd van kracht. Voor toepassing van de zorgplicht zijn onderstaande maatrgelen van belang; Voorafgaand aan het bouwrijp maken van de agrarische percelen dient het gras kort gemaaid te worden.

Als het gras hoog staat, dan eerst maaien in één richting van binnen naar buiten in een laag tempo zodat kleine zoogdieren of amfibieën de kans krijgen om te kunnen vluchten.” De beoogde ontwikkeling vormt geen bezwaar in het kader van de Wet natuurbescherming.

4.10 Archeologie 4.10.1 Wettelijk beleidskader De Wet op de archeologische monumentenzorg is op 1 september 2007 in werking getreden. In deze wet is onder meer opgenomen dat er bij bouwwerkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 100 m² op locaties die zijn gelegen in een gebied dat is aangeduid met middelhoge- of hoge archeologische verwachtingswaarden, archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Voorkomen moet worden dat archeologische waarden verloren gaan. Als uitgangspunt wordt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij realisatie van bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

42

Bestemmingsplan ‘Oijense Bovendijk 19 Oijen’ - Toelichting

4.10.2 Gemeentelijk beleid De gemeente Oss heeft het archeologiebeleid vastgelegd in de notitie Archeologiebeleid - Oss ‘behoud van het verleden’ en heeft daarbij een gemeentelijke archeologische verwachtingskaart vastgesteld. De gemeente heeft

deze

verwachtingen tevens

geïmplementeerd

in

het

bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’. Het plangebied kent deels een middelhoge archeologische verwachting. Het is verboden op en/of in deze gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de bodem te roeren over een oppervlakte van 1.000 m² of meer en dieper dan 0,3 m ten opzichte van het maaiveld. Middels onderhavige ontwikkelingen wordt deze verstoringsgrens niet overschreden. De woningen worden grotendeels gerealiseerd ter hoogte van de (voormalige) stallen. Er vindt derhalve geen nieuwe bodemroering plaats die de verstoringsgrens overschrijdt. Een archeologisch onderzoek is ter plaatse dan ook niet noodzakelijk.

4.11 Water 4.11.1 Inleiding Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. De watertoets is in het leven geroepen omdat met name het waterbeleid een wezenlijk andere oriëntatie heeft gekregen: van reageren naar anticiperen. Water heeft een aantal specifieke kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen waar de ruimtelijke ordening rekening mee moet houden. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van de oprichting van de woning binnen het plangebied inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het waterschap heeft een aantal principes gedestilleerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Aa en Maas.

4.11.2 Beleidskader 4.11.2.1 Keur 2015 Voor waterhuishoudkundige ingrepen ter plaatse van het plangebied is de ‘Keur 2015’ van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Het plangebied is op de kaart behorende bij de ‘Keur 2015’ aangewezen als gelegen in een invloedsgebied en een attentiegebied. Navolgende figuur geeft het plangebied weer op de keurkaart.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

43

Bestemmingsplan ‘Oijense Bovendijk 19 Oijen’ - Toelichting

Figuur 26: Uitsnede Keurkaart Waterschap Aa en Maas met daarop het plangebied aangeduid met een rode marker

Het plangebied is niet gelegen binnen een beschermd gebied waterhuishouding of in een attentiegebied. Wel is het plangebied gelegen in een peilgebied en aan de Oijense Bovendijk is een gedeelte aangeduid als beschermingszone A. Beschermingszone A wordt gevormd door een zone van meestal 30 meter breed aan weerszijden van de primaire waterkering. Deze zone is voornamelijk van belang voor de stabiliteit van de waterkering. Voorkomen moet worden dat activiteiten leiden tot het ‘onderuitgaan’ of afschuiven van de waterkering. In peilgebieden wordt gericht peilbeheer gevoerd dat gericht is op het voorkomen van wateroverlast en watertekort. Daarnaast zijn er ook een aantal belangrijke aandachtspunten met betrekking tot de de beoogde objecten in de beschermingszone. Bij alle bouwwerken en aanplant van groen dient de onderkant van de fundering en het plant gat boven het profiel van vrije ruimte te komen, oftewel boven 6 m +NAP. Indien de woning(en) en bouwwerken buiten beschermingszone A worden gerealiseerd (dus bouwen in beschermingszone B) dient de onderkant fundering boven 5 m +NAP te worden gerealiseerd. De beoogde ontwikkeling ziet verder niet toe op negatieve aspecten op het vlak van wateraspecten of waterhuishouding en is derhalve geen bezwaar. 4.11.2.2 Waterbeheerplan 2016-2021 ‘Werken met water.

Voor nu en later’ In het Waterbeheerplan (WBP) is beschreven welke doelstellingen door Waterschap Aa en Maas worden nagestreefd in de periode 2016-2021 en hoe zij die doelstellingen gaan halen. Dit is geformuleerd aan de hand van vier programma’s: 1.

Veilig en Bewoonbaar beheergebied Bij dit programma gaat het er om het beheergebied zo goed mogelijk te beschermen tegen overstromingen van de Maas en het regionale watersysteem. Goede dijken om overstromingen vanuit de Maas te voorkomen. Voldoende ruimte voor water om overlast uit het regionale

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

44

Bestemmingsplan ‘Oijense Bovendijk 19 Oijen’ - Toelichting

systeem te beperken en een goede calamiteitenorganisatie om als er toch problemen dreigen te ontstaan, zo adequaat mogelijk te kunnen handelen. 2.

Voldoende water en Robuust watersysteem Dit programma gaat over het zorgen voor een adequate en duurzame watervoorziening in ons beheergebied voor de diverse gebruiksfuncties in hun onderlinge samenhang. Dit doen we door het optimale peil en debiet na te streven in beken, kanalen, sloten én in de ondergrond (voorraadbeheer). Droogteperioden hebben daardoor nu en in de toekomst een zo kort en klein mogelijke impact.

3.

Gezond en Natuurlijk water Dit programma gaat in op alle activiteiten van het waterschap die bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen op het gebied van gezond en natuurlijk water. We gaan in op hoe we toewerken naar een watersysteem met een goede waterkwaliteit, dat ecologisch goed functioneert en waar de inwoners en bezoekers van ons beheergebied van kunnen genieten.

4.

Schoon water Dit programma gaat over de doelen en activiteiten met betrekking tot de afvalwaterketen met daarbinnen een centrale plek voor het zuiveren van afvalwater. Het programma vertoont een grote samenhang met het programma gezond en natuurlijk water. Immers, transporteren en zuiveren van afvalwater is een belangrijke activiteit om tot een gezond en natuurlijk watersysteem te komen.

4.11.2.3 Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², 500 m² - 10.000 m² en meer dan 10.000 m². De beoogde herontwikkeling voorziet in de sanering van een intensieve veehouderij. Binnen het plangebied wordt 3.139 m² aan bebouwing gesloopt. Na de beoogde herontwikkeling worden binnen het plangebied maximaal vier nieuwe woningen gerealiseerd.

Voor de nieuwe woningen is nog geen bouwplan gereed, maar er wordt maximaal 1.200 m² aan nieuw verhard oppervlak verwacht. Per saldo zal de verharding binnen het plangebied afnemen. Op basis van artikel 15 van de ‘Algemene regels Keur waterschap De Dommel 2015’ geldt voor een dergelijke ontwikkeling met een toename van verhard oppervlakte < 500 m² een vrijstelling van het verbod, zoals bedoeld in artikel 3.6 van de Keur, voor het afvoeren van hemelwater via toename verhard oppervlak of door afkoppelen van verhard oppervlak, naar een oppervlaktewaterlichaam.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

45

Bestemmingsplan ‘Oijense Bovendijk 19 Oijen’ - Toelichting

Op basis van de Keur en de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 500 m². Het hemelwater afkomstig van het toegenomen verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat.

4.11.3 Hydrologisch neutraal bouwen Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem. Voor ontwikkelingen die dit negatief kunnen beïnvloeden, wordt daarom uitgegaan van de trits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Dat wil zeggen dat water zoveel mogelijk in een gebied wordt vastgehouden door infiltratie en waar dit niet mogelijk is water tijdelijk wordt geborgen (retentie). Door water lokaal te infiltreren of te bergen in een voorziening wordt het versneld afvoeren van overtollig hemelwater naar het bestaande oppervlaktewatersysteem zoveel mogelijk voorkomen. Op basis van de Keur en de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ wordt geen compensatie vereist voor de beoogde herbestemming van het plangebied. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan voor de bestaande bebouwing, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat. In de nieuwe situatie zal de infiltratie worden bewerkstelligd door het schone hemelwater af te voeren naar een (ondergronds) infiltratie transportriool. Deze infiltratievoorziening wordt boven GHG gerealiseerd. Vanuit dit transportriool zal het water in eerste instantie zoveel mogelijk infiltreren in de ondergrond.

Op het moment dat de capaciteit van het transportriool volledig is benut, zal deze het water afvoeren in een infiltratievoorziening. Deze infiltratievoorziening wordt zodanig gedimensioneerd dat er een voldoende dynamische berging bij een extreme regenval is. In het grootste deel van het jaar zal het water echter in de infiltratiebuizen in de bodem infiltreren. Bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zullen bovengenoemde aspecten nader worden uitgewerkt. Met de beoogde herontwikkeling zal de oppervlakte verharding in totaliteit sterk afnemen. De waterhuishoudkundige situatie ter plaatse zal daarmee verbeteren. Ter plaatse wordt hydrologisch neutraal gebouwd.

4.11.4 Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van lood of asfalt etc.). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten,

parkeerplaatsen

en

terrassen

mag

niet

verontreinigd

zijn

met

chemische

bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

46

Bestemmingsplan ‘Oijense Bovendijk 19 Oijen’ - Toelichting

JURIDISCHE VORMGEVING

5.

5.1 Inleiding Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid. Bovendien draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.

5.2 Algemene toelichting op de analoge verbeelding De

verbeelding

heeft

een

belangrijke

rol

bij

het

bepalen

van

de

gebruiks-

en

bebouwingsmogelijkheden in het plangebied. Daartoe zijn op de verbeelding onder meer bestemmingsvlakken, aanduidingen, bouwvlakken en maatvoeringen opgenomen. De analoge verbeelding bestaat uit een planverbeelding getekend op een digitale kadastrale ondergrond.

5.3 Algemene toelichting op de regels De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De opbouw is als volgt: -

Betekenisafspraken (Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen);

-

De gebruiks- en bouwregels per bestemming (Hoofdstuk 2 Bestemmingen);

-

Algemene regels (Hoofdstuk 3 Aanvullende regels);

-

Overige regels (Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels).

Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels) wordt uit de volgende leden in deze volgorde opgebouwd: -

Bestemmingsomschrijving;

-

Bouwregels;

-

Nadere eisen;

-

Specifieke gebruiksregels;

-

Afwijking van de gebruiksregels;

-

Omgevingsvergunning voor het aanleggen.

De specifieke afwijkingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden zijn zoveel mogelijk per bestemming opgenomen. Hierdoor wordt direct per bestemming inzicht geboden in de eventuele afwijkingsmogelijkheden en de toegankelijkheid van het bestemmingsplan bevorderd.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

47

Bestemmingsplan ‘Oijense Bovendijk 19 Oijen’ - Toelichting

5.4 Specifieke toelichting op de regels en verbeelding De regels van dit bestemmingsplan zijn overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan. Deze herziening brengt slechts wijzigingen aan in de regels op die punten waar dit plan specifiek afwijkt van het vigerende bestemmingsplan. Ten behoeve van ontsluiting van de woningen is de aanduiding ‘ontsluiting’ opgenomen op de verbeelding en in de regels bij de bestemming ‘Wonen’.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

48

Bestemmingsplan ‘Oijense Bovendijk 19 Oijen’ - Toelichting

6.

UITVOERBAARHEID

6.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In deze Grexwet is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel dat mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te hebben genomen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Voor de ontwikkeling van dit plan is er sprake van een particulier initiatief. De gemeente Meierijstad zal in het kader van het bepaalde in de Grexwet daarom alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemer. Dit wordt met de initiatiefnemer kortgesloten middels een anterieure overeenkomst. In deze overeenkomst zijn onder andere de verplichtingen van initiatiefnemer met betrekking tot het planschadeverhaal opgenomen. De initiatiefnemer is zich ervan bewust dat alle kosten die gemaakt worden in of ten behoeve van de procedure en de uitvoering voor rekening van de initiatiefnemer komen. Dit betreft onder meer de kosten voor de benodigde onderzoeken, de kosten voor het opstellen van het bestemmingsplan, de legeskosten die voldaan dienen te worden en eventuele planschade die door uitvoering van het bestemmingsplan optreedt.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het bestemmingsplan waarvan deze toelichting onderdeel uitmaakt zal conform de wettelijke vereisten kenbaar worden gemaakt. Naar aanleiding van eventuele zienswijzen op het bestemmingsplan zal een heroverweging op deze onderdelen plaatsvinden en kan besloten worden over vaststelling van dit bestemmingsplan.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

49

Bestemmingsplan ‘Oijense Bovendijk 19 Oijen’ - Toelichting

7. PROCEDURE 7.1 Inspraak In de Gemeentewet is bepaald dat de gemeenteraad een inspraakverordening dient vast te stellen waarin geregeld wordt op welke wijze ingezetenen en andere belanghebbenden bij de voorbereiding van een bestemmingsplan worden betrokken. In de inspraakverordening is aangegeven dat inspraak wordt verleend wanneer dit wettelijk verplicht is. Daarnaast kan elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden besluiten of inspraak wordt verleend. Voor de beoogde kleinschalige ontwikkeling zal geen inspraak worden verleend.

7.2 Vooroverleg Artikel 1.3.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Onderhavig bestemmingsplan zal voor vooroverleg worden toegezonden aan provincie en waterschap.

7.3 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan zal voor de zienswijzentermijn ter inzage worden gelegd voor een termijn van zes weken.

ONTWERP Crijns Rentmeesters bv

50

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=4b6dbc3a-46dc-42cf-bf9d-1c03324ef45c