CConstaterende datOpsterland
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing met bijlagen_A

Raadsvergadering 18 september 2023, gemeente OpsterlandBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen Biskopsreed 1 in Wijnjewoude (H)13.888 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Biskopsreed 1, Wijnjewoude

Ruimtelijke onderbouwing

@AGRA-MATIC BV 2016

PARAAF MAATSCHAP P.C. EN K. FRANKEN ..............................

PARAAF AANNEMER ..............................

Ruimtelijke onderbouwing Biskopsreed 1, Wijnjewoude

Locatie

Biskopsreed 1 9241 WR Wijnjewoude Agra-Matic B.V. Postbus 396 6710 BJ Ede

Datum: 10 juli 2023 Status: definitief

Ruimtelijke onderbouwing Biskopsreed 1, Wijnjewoude

INHOUD 1

2

3

Inleiding ..................................................................................................................................... 1 1.1

Aanleiding en doel .......................................................................................................... 1

1.2

Ligging besluitgebied ...................................................................................................... 1

1.3

Leeswijzer ....................................................................................................................... 2

Planbeschrijving ........................................................................................................................ 3 2.1

Huidige situatie ............................................................................................................... 3

2.2

Gewenste situatie ........................................................................................................... 4

2.3

Landschappelijke inpassing ............................................................................................ 5

Beleidskader ............................................................................................................................. 8 3.1

Rijksbeleid....................................................................................................................... 8

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) ................................................................... 8 3.1.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ........................................................... 8 3.1.3 AMvB Ruimte .................................................................................................. 9 3.1.4 Ladder duurzame verstedelijking................................................................... 10 3.2

Provinciaal beleid .......................................................................................................... 11

3.2.1 Omgevingsvisie Fryslân – De romte diele ..................................................... 11 3.2.2 Verordening Romte Fryslân 2014.................................................................. 11 3.3

Gemeentelijk beleid ...................................................................................................... 12

3.3.1 Bestemmingsplan Buitengebied .................................................................... 12 4

Omgevingsaspecten ...............................................................................................................14 4.1

Bedrijven en milieuzonering.......................................................................................... 14

4.2

Geurhinder .................................................................................................................... 15

4.3

Luchtkwaliteit ................................................................................................................ 15

4.4

Geluid............................................................................................................................ 16

4.5

Verkeer en parkeren ..................................................................................................... 16

4.6

Bodemkwaliteit .............................................................................................................. 17

4.7

Kabels en leidingen ...................................................................................................... 18

4.8

Externe veiligheid ......................................................................................................... 18

4.9

Ecologie ........................................................................................................................ 20

4.9.1 Gebiedsbescherming .................................................................................... 20 4.9.2 Soortenbescherming ..................................................................................... 24 4.10 Archeologie en cultuurhistorie ...................................................................................... 24

Ruimtelijke onderbouwing Biskopsreed 1, Wijnjewoude

4.11 Waterparagraaf ............................................................................................................. 27

4.11.1

Waterrelevant beleid .................................................................................. 27

4.11.2

Compenserende waterberging ................................................................... 28

4.11.3

Waterveiligheid .......................................................................................... 28

4.11.4

Waterkwantiteit .......................................................................................... 28

4.11.5

Waterkwaliteit ............................................................................................. 29

4.12 Dier- en volksgezondheid ............................................................................................. 30 5

6

Uitvoerbaarheid .......................................................................................................................32 5.1

Economische uitvoerbaarheid ...................................................................................... 32

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................ 32

Conclusie ................................................................................................................................33

Bijlagen ..............................................................................................................................................34 Bijlage 1 ............................................................................................................................................35 Bijlage 2 ............................................................................................................................................36

Ruimtelijke onderbouwing Biskopsreed 1, Wijnjewoude

1

INLEIDING 1.1

AANLEIDING EN DOEL

Aan de Biskopsreed 1 in Wijnjewoude exploiteert de initiatiefnemer een pluimveehouderij en melkveehouderij. Op het bedrijf zijn een bedrijfswoning, een werktuigenberging, een rundveestal en twee stallen voor het houden van vleeskuikens aanwezig. Verder zijn een mestzak, twee sleufsilo’s en krachtvoersilo’s aanwezig in het plangebied. Op 25 februari 2013 is voor het bedrijf een omgevingsvergunning verleend voor het houden van 94 melk- en kalfkoeien, 42 stuks jongvee en 48.440 vleeskuikens. Op 4 maart 2016 is voor het bedrijf een vergunning verleend op basis van de Wet natuurbescherming voor het houden van 123 melk- en kalfkoeien, 65 stuks jongvee en 34.652 vleeskuikens. De initiatiefnemer wenst duurzamer te gaan produceren, door de vleeskuikens op het bedrijf meer leefruimte te geven; een maatschappelijk gewenste ontwikkeling. Daartoe wil het bedrijf – in het kader van dierenwelzijn – de vleeskuikenstallen voorzien van een overdekte uitloop, waarbij rekening is gehouden met het aanwezige bebouwingspatroon en de landschappelijke kenmerken. Hierdoor blijft de ruimtelijke impact beperkt. Bijgevoegde tekening Mn-21 geeft de gewenste situatie weer. De beoogde herontwikkeling is niet geheel mogelijk binnen het huidige bouwvlak.

In artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is bepaald dat voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan een omgevingsvergunning kan worden verleend, indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Voorliggend document betreft de ruimtelijke onderbouwing. Hierin wordt inzicht gegeven in de aard en omvang van het project, de ruimtelijke effecten en de beleidsmatige motivering. Het initiatief heeft uitsluitend betrekking op de pluimveehouderijtak binnen het bedrijf. 1.2

LIGGING BESLUITGEBIED

Het besluitgebied is gelegen ter plaatse van het agrarisch bedrijf aan de Biskopsreed 1 in Wijnjewoude, in het buitengebied van de gemeente Opsterland. Het bedrijf ligt op circa 2 kilometer ten noordoosten van de kern Wijnjewoude en circa 1,8 kilometer ten zuidwesten van de kern Bakkeveen. Het dorp Wijnjewoude is in 1974 ontstaan door de samenvoeging van de dorpen Wijnjeterp en Duurswoude. De twee voormalige dorpen behoorden tot de oudere bewoonde plekken van de gemeente. Beide plaatsen zijn ontstaan in de 13e eeuw als boeren nederzettingen, op de zandrug net ten zuiden van de rivier de Boorne, die op dit punt het Koningsdiep heet. De twee plaatsen groeiden uit tot wegdorpen. Op de grens van de twee dorpen ontstond het buurtschap Molenbuurt. Deze groeide in de 19e eeuw aan beide kanten van de dorpen. Mede ingezet door de ruilverkavelingen na het midden van de 20e eeuw groeide de Molenbuurt uit tot groeikern. In plaats van deze als nieuw dorp te duiden of de dorpsgrenzen te veranderen besloot men de dorpen samen te voegen. Het besluitgebied is kadastraal bekend als gemeente Duurswoude, sectie C, nummer 740 en 741. Het is in eigendom van initiatiefnemer. De luchtfoto (zie figuur 1.1) toont de ligging van het besluitgebied – aangeduid met de rode pijl – in het buitengebied.

10 JULI 2023

1

Ruimtelijke onderbouwing Biskopsreed 1, Wijnjewoude

Figuur 1.1 Luchtfoto omgeving besluitgebied (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

De gronden rondom het bedrijf zijn agrarisch in gebruik, vooral als grasland en maisland. Verder zijn in de omgeving natuur- en bosgebieden aanwezig. Ook is een recreatieterrein in de omgeving aanwezig. Daarnaast zijn enkele (niet-)agrarische bedrijven en woningen van derden aanwezig. De dichtstbijzijnde woning van een derde, Biskopsreed 3, ligt op een afstand van circa 300 meter van het besluitgebied.

1.3

LEESWIJZER

De ruimtelijke onderbouwing bevat naast dit hoofdstuk, 6 andere hoofdstukken. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige en de gewenste situatie. In hoofdstuk 3 komt het relevante beleid aan bod. Hoofdstuk 4 geeft een beschrijving van de relevante omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 komen de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid aan de orde. Hoofdstuk 6 bevat de conclusie.

10 JULI 2023

2

Ruimtelijke onderbouwing Biskopsreed 1, Wijnjewoude

2

PLANBESCHRIJVING 2.1

HUIDIGE SITUATIE

De initiatiefnemer exploiteert een pluimveehouderij in combinatie met een melkveehouderij aan de Biskopsreed 1 in Wijnjewoude. Op het bedrijf zijn, naast de bedrijfswoning, een werktuigenberging, een ligboxenstal, twee pluimveestallen aanwezig. Ook is een mestzak, twee sleufsilo’s en krachtvoersilo’s aanwezig. Het initiatief ziet enkel op de twee pluimveestallen. Conform de omgevingsvergunning van 25 februari 2013 mag het bedrijf 48.440 vleeskuikens houden.  Stal D: 24.220 vleeskuikens (Rav-categorie E 5.14), stal met warmteheaters met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag;  Stal E: 24.220 vleeskuikens (Rav-categorie E 5.14), stal met warmteheaters met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag; Stal D heeft een oppervlakte van circa 20,6 x 84 = 1.730 m2. Stal E heeft een oppervlakte van circa 20,6 x 55 = 1.130 m2. In 2016 is een vergunning op basis van de Wet natuurbescherming verleend, onder andere voor het houden van vleeskuikens. De diertabel met een overzicht van de vergunde en van de beoogde situatie is opgenomen als bijlage 1. Het bedrijf wordt ontsloten aan de zuidwestzijde. Aan deze zijde ligt een uitweg die de bedrijfsgebouwen ontsluit op de Biskopsreed. Ook de bedrijfswoning wordt via deze uitweg ontsloten op de Biskopsreed. Onderstaande figuur 2.1 geeft een beeld van de huidige situatie.

Figuur 2.1 Luchtfoto van de huidige situatie

10 JULI 2023

3

Ruimtelijke onderbouwing Biskopsreed 1, Wijnjewoude

De initiatiefnemer streeft een toekomstgericht en levensvatbaar bedrijf na, waar dierenwelzijn hoog in het vaandel staat. Hiervoor moeten bedrijfseconomische keuzes worden gemaakt. Uitgangspunt is dat er een toekomstbestendig bedrijf dient te ontstaan, waar zowel op maatschappelijk verantwoorde als op bedrijfseconomisch rendabele wijze dieren gehouden kunnen worden om te voorzien in een veilige productie van humane voeding. 2.2

GEWENSTE SITUATIE

De initiatiefnemer wenst duurzamer te gaan produceren, door de vleeskuikens op het bedrijf meer leefruimte te geven; een maatschappelijk gewenste ontwikkeling. Daartoe wil het bedrijf de twee vleeskuikenstallen voorzien van een overdekte uitloop. Op deze wijze krijgen de dieren in de dagperiode extra leefruimte, wat een positieve bijdrage levert aan het dierenwelzijn. De consumentenmarkt is grillig en vraagt van producenten en leveranciers om scherp te letten op ontwikkelingen in deze markt. In de vleeskuikenhouderij geldt dat evenzo voor nieuwe concepten in dier- en milieuvriendelijkheid. Na enkele jaren van relatieve rust komt er meer vraag naar vlees, wat voldoet aan de eisen van het ‘Beter Leven keurmerk met 1 ster’. Initiatiefnemer wil conform dit concept gaan produceren. Dit betekent onder andere dat er een overdekte uitloop aan de stallen moet worden gerealiseerd. De dieren krijgen op deze wijze meer ruimte ter beschikking, leven in daglichtritme en kunnen gebruik maken van een overdekte uitloopruimte. In figuur 2.2 op de volgende pagina is het verschil tussen een gangbare bedrijfsvorm en een 1-, 2- of 3-ster concept gevisualiseerd. De ontwikkeling wordt noodzakelijk geacht om de continuïteit van het bedrijf te waarborgen. De extra uitloopruimte maakt het mogelijk om een betere concurrentiepositie te verwerven.

De doelstelling is om ter plaatse een duurzaam en levensvatbaar bedrijf te ontwikkelen. Stal D krijgt een overdekte uitloopruimte aan de zuidoostzijde van de stal, met een breedte van circa 7 meter en een lengte van circa 84 meter. De uitloop aan stal E komt aan de noordwestzijde, met een breedte van circa 7 meter en een lengte van 55 meter. Een tekening van de gewenste opzet van het bedrijf is als bijlage 2 bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd. De overdekte uitloopruimtes worden een groot gedeelte van de dagperiode aan de dieren beschikbaar gesteld. Dit gebeurt door het oplieren van de schuiven bij de openingen die in de huidige buitengevel worden aangebracht. Zo kunnen de dieren vanaf een leeftijd van 3 weken gebruik maken van de extra scharrelruimte. Richting de avondschemering gaan de dieren weer naar binnen en daarna sluiten de schuiven de openingen weer af. Zo wordt voorkomen dat de dieren tijdens de nachtrust koud kunnen worden. De bestaande stallen blijven intact als nachtstal voor de dieren. De stalsystemen en de dieraantallen in de stallen wijzigen met de realisatie van een overdekte uitloop niet ten opzichte van de vergunde situatie op het bedrijf. De uitlopen functioneren ook als licht- en luchtinlaat. De lengtegevel van de overdekte uitloopruimte bestaat uit een betonnen onderbouw met daarboven windbreekgaas.

Het windbreekgaas wordt meer of minder afgesloten door een windzeil, wat aan de buitenzijde omhoog en naar beneden wordt gelaten. De klimaatregeling blijft op dezelfde wijze functioneren als in de bestaande situatie, met als aanvulling aansturing van de inlaatopening aan de buitenzijde van de overdekte uitloop.

10 JULI 2023

4

Ruimtelijke onderbouwing Biskopsreed 1, Wijnjewoude

Figuur 2.2 Verschillen tussen de gangbare bedrijfsvorm en de 1-, 2- of 3-sterren concepten Beter Leven, bron: beterleven.dierenbescherming.nl

Met de nieuwe bedrijfsopzet kan in de toekomst op de markt een rol van betekenis gespeeld worden. Men is een serieuze partner voor toeleverend en afnemend bedrijfsleven. Dat biedt continuïteit. Door te investeren in dierenwelzijn kan het bedrijf ook over een aantal jaren de concurrentie aan en zo op een duurzame wijze gezond voedsel produceren. 2.3

LANDSCHAPPELIJKE INPASSING

De gemeente Opsterland ligt op de overgang van het relatief hooggelegen Fries-Drents plateau naar het lage midden van Friesland. Karakteristiek is de afwisseling van besloten landschappen op hoger gelegen zandgronden en de vergezichten in het veenweidegebied in het westen van de gemeente. De basis voor dit landschap ligt in de ijstijd. De ijstijden brachten vanuit Scandinavië zand en stenen mee en vormden het Drents plateau met uitlopers tot in de zuidelijke Friese wouden. Toen het warmer werd, schuurden smeltwaterstromen brede dalen uit. Zo ontstond het kenmerkende landschap van zuidoost Friesland met beekdalen en zandruggen. Eén van die dalen was de voorloper van het huidige Koningsdiep. Deze ligt op ca. 2 km van het besluitgebied. Met het stijgen van de temperatuur na de laatste ijstijd ontstonden veenmoerassen op het keileem en dekzand, het hoogveen.

10 JULI 2023

5

Ruimtelijke onderbouwing Biskopsreed 1, Wijnjewoude

Naast dit natuurlijke proces is de bewoningsgeschiedenis bepalend geweest voor de bijzondere kenmerken van het landschap. Men gaat er van uit dat het tot laat in de 10e eeuw duurde voordat bewoners via veenriviertjes het gebied binnenkwamen. De ontginning die toen in gang is gezet is medebepalend geweest voor de huidige vorm van het landschap in de gemeente Opsterland. De eerste veenontginningen vonden plaats in de Middeleeuwen vanuit het Koningsdiep in de vorm van opstrekkende kavels. In de 16e en 17e eeuw werd het laag- en hoogveen ontsloten voor de turfwinning. De turf werd eerst uit de hoogveengebieden gestoken. De turf werd uit de hoogveengebieden afgevoerd via gegraven vaarten, onder andere via de Opsterlânske Kompanjonsfeart. Deze ligt op ca. 3,2 km van het besluitgebied. Deze vaart vormde naast, transportas, een ontginningsbasis en afwateringskanaal voor de omgeving. Vanuit de vaart werden wijken gegraven om de turf te winnen en af te voeren.

Figuur 2.3 Fragment Cultuurhistorische waardenkaart (Bron: Omgevingsvisie 2015 gem. Opsterland

Binnen de gemeente Opsterland zijn verschillende landschapstypen te onderscheiden, namelijk: 1. Beekdal en zandrugcultuurlandschap; 2. Hoogveenontginningen; 3. Jonge veen- en heide ontginningen; 4. Veenpolders Het besluitgebied ligt in een gebied dat te kenmerken is als Jonge veen- en heide ontginningen.

10 JULI 2023

6

Ruimtelijke onderbouwing Biskopsreed 1, Wijnjewoude

Figuur 2.4 Fragment Landschapstypologie en cultuurhistorische waardenkaart (Bron: Omgevingsvisie 2015 gem. Opsterland)

De heideontginningen zijn vrij jong (begin 20e eeuw) en komen met name voor langs de drogere randen van het Drents plateau en op de hogere gronden langs de middenloop van het beekdal. De heideontginning wordt gekenmerkt door open landbouwgrond met gemengd grondgebruik, verdicht met bosjes en gemengde houtsingels met berk. Met het plan worden geen wijzigingen aangebracht in de structuur van het landschap. Stal E wordt aan de noordwestzijde uitgebreid met een overdekte uitloop. Vanaf de weg gezien wordt deze (deels) afgeschermd door de aanwezige beplanting bestaande uit een gemengde houtsingel met berk. Met name de bedrijfswoning en stal C zijn beeldbepalend vanaf de weg gezien. Dit zijn bestaande bouwwerken waar met dit initiatief geen wijzigingen aan zijn voorzien. Met het ontwerp van de overdekte uitloop wordt rekening gehouden met de bestaande bebouwing. Het zal ondergeschikt zijn aan de bestaande stal zodat dit geen nieuwe blikvanger wordt in het landschap. Er zal gebruik gemaakt worden van in het landschap passende kleuren afgestemd op de bestaande bebouwing. Door het ontwerp zal de overdekte uitloop zich voegen in het landschap.

10 JULI 2023

7

Ruimtelijke onderbouwing Biskopsreed 1, Wijnjewoude

3

BELEIDSKADER 3.1

3.1.1

RIJKSBELEID

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kan de Rijksoverheid inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:  Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  Duurzaam economisch groeipotentieel;  Sterke en gezonde steden en regio's;  Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen.

Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:  Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte.  Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: Wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere.  Afwentelen wordt voorkomen: Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. De voorgenomen plannen voorzien in het ontwikkelen van een toekomstbestendig landelijk gebied en passen daarmee binnen de prioriteiten van de NOVI.

3.1.2

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is het vaststellingsbesluit, zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), ondertekend. Daarmee is het nieuwe ruimtelijke en mobiliteitsbeleid, zoals uiteengezet in de SVIR, van kracht geworden. Deze structuurvisie geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau.

10 JULI 2023

8

Ruimtelijke onderbouwing Biskopsreed 1, Wijnjewoude

De SVIR vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de Mobiliteits Aanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Het hoofdthema van de SVIR is: ‘Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig’. De structuurvisie geeft een visie voor Nederland tot het jaar 2040. Er zijn in de structuurvisie drie hoofddoelen opgenomen voor de middellange termijn (2028). Deze doelen zijn:  Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk economische structuur van Nederland;  Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;  Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Voor een aanpak die Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig maakt, is een nieuwe aanpak in het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid geformuleerd. Het Rijk laat de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies (‘decentraal, tenzij…’) en werkt aan eenvoudigere regelgeving. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal laat het Rijk over aan de provincies.

De beoogde herontwikkeling heeft geen betrekking op de geformuleerde nationale belangen. Deze decentralisering past binnen de doelstellingen, zoals opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. 3.1.3

AMvB Ruimte De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Op 30 juni 2011 zijn alle ontwerpstukken van de AMvB als bijlage bij de SVIR gepubliceerd. Met uitzondering van enkele onderdelen is het Barro eind december 2011 in werking getreden. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: project Mainportontwikkeling Rotterdam, kustfundamenten, grote rivieren, Waddenzee en waddengebied en defensie (met uitzondering van radar). Ook het Barro geeft voor het besluitgebied geen nationale belangen aan. In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op rijkswegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater, maximering van het de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer en is het onderwerp duurzame verstedelijking in de regelgeving opgenomen. Per 1 juli 2016 zijn er nog enkele wijzigingen van de Barro van kracht geworden. Deze wijzigingen hebben geen directe invloed op het voorliggende plan.

Wel is de term ‘Ecologische Hoofdstructuur (EHS)’ gewijzigd in ‘Natuurnetwerk Nederland (NNN)’.

10 JULI 2023

9

Ruimtelijke onderbouwing Biskopsreed 1, Wijnjewoude

3.1.4

Ladder duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd en is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ daaraan toegevoegd (nationaal belang 13). In artikel 3.1.6. lid 2 van het Bro is de zogenaamde ladder voor duurzame verstedelijking vastgelegd. Doel van deze ladder is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. In het artikel is bepaald dat uit de toelichting van een bestemmingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet blijken dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling:  voorziet in een actuele regionale behoefte;  indien blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, worden beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;  indien uit die beschrijving blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, worden beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van

vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontsloten. De ladder duurzame verstedelijking is alleen van toepassing op projecten met een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De definitie voor een stedelijke ontwikkeling (artikel 1.1.1, lid 1, Bro) luidt als volgt: “Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” De eerste trede van de ladder houdt in dat wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte. De eerste vraag is dus of hier sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Onderhavige ontwikkeling betreft de uitbreiding van een bestaand agrarisch bedrijf. Dit valt – ook blijkens jurisprudentie – niet onder de noemer van een stedelijke ontwikkeling. De uitbreiding is in oppervlakte namelijk beperkt en vindt grotendeels plaats binnen de bestaande oppervlakte van het bouwvlak (circa 1,4 hectare). De ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ behoeft daarom niet te worden doorlopen. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt wel beoordeeld of de locatie waar de ontwikkeling plaatsvindt hier optimaal en geschikt voor is. Het is niet mogelijk de gewenste ontwikkeling te laten plaatsvinden in bestaand stedelijk gebied.

De belangrijkste reden hiervoor is dat de uitlopen aan de bestaande stallen gerealiseerd moeten worden en een goed woon- en leefklimaat niet kan worden gegarandeerd in een dichtbevolkt gebied vanwege diverse milieuaspecten als geur, geluid, etc. Bovendien heeft de Raad van State in een uitspraak (201310329/1/R2) van 15 april 2015 bepaald dat versnippering van agrarische bedrijven door uitbreiding elders niet gunstig is vanwege de toename van verkeersbewegingen. Daarnaast betekent versnippering een zwaardere belasting voor het landschap. Uitbreiding op een andere locatie is niet wenselijk.

10 JULI 2023

 10

Ruimtelijke onderbouwing Biskopsreed 1, Wijnjewoude

De gewenste uitlopen dienen per definitie aan de bestaande stallen op het perceel aan de Biskopsreed 1 te worden gerealiseerd, omdat deze direct verband houdt met het functioneren van de bedrijfsvoering ter plaatse. Het is niet reëel de bestaande bouwwerken en installaties, of de nieuw te realiseren bouwwerken, elders te ontwikkelen. 3.2

PROVINCIAAL BELEID

Provinciale Staten van de provincie Friesland hebben op 23 september 2020 de “Omgevingsvisie Fryslân – De romte diele” en op 23 maart 2021 de “Verordening Romte Fryslân 2014” vastgesteld. De provincie wil haar omgevingsvisie en omgevingsverordening actueel houden. Recent vastgesteld dan wel gewijzigd beleid op het gebied van de thema's ruimte, natuur, landschap en water is verwerkt in deze plannen. Voor onderhavige ontwikkeling zijn de Omgevingsvisie Fryslân – De romte diele” en de “Verordening Romte Fryslân 2014” geraadpleegd. 3.2.1

Omgevingsvisie Fryslân – De romte diele De Omgevingsvisie bevat de integrale lange termijnvisie van de provincie Fryslân op de fysieke leefomgeving. Deze visie op het ruimtelijk beleid in de provincie vormt een belangrijk kader voor gemeentelijke bestemmingsplannen. Een uitgangspunt dat in de Omgevingsvisie is vastgelegd is dat duurzame landbouw één van de pijlers is van een vitaal en aantrekkelijk platteland. In het landelijk gebied worden daarom buiten de natuurgebieden voldoende ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw geboden. De provincie streeft in de hele provincie naar een vitale en duurzame landbouw vanwege de belangrijke bijdrage aan de sociaaleconomische vitaliteit van het platteland, het beheer van het landelijk gebied en de Friese economische structuur. Daarnaast wil de provincie een omslag naar een duurzame, natuur inclusieve en grondgebonden kringlooplandbouw stimuleren. Gemeenten worden ondersteund bij het toepassen van de ‘Nije Pleats’ methode voor lokale inpassing van agrarische bedrijven. Extra inspanningen voor biodiversiteit, (leef)milieu of duurzaamheid worden gestimuleerd. Met dit initiatief investeert de initiatiefnemer in de duurzaamheid van zijn bedrijfsvoering. Daarmee wordt invulling gegeven aan één van de ambities die benoemd zijn in de Omgevingsvisie. De omgevingsverordening vormt geen belemmering voor het initiatief.

3.2.2

Verordening Romte Fryslân 2014 De Verordening Romte Fryslân 2014 stelt regels die ervoor moeten zorgen dat het provinciale ruimtelijke beleid doorwerkt in gemeentelijke bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Uitgangspunt is dat de Verordening niet meer regelt dan noodzakelijk is. Wat elders al goed geregeld is (in de AMvB Ruimte of andere wet- en regelgeving) hoeft niet over te worden gedaan. De Verordening bevat regels waaraan ruimtelijke ontwikkelingen moeten voldoen. Het onderhavige initiatief is getoetst aan relevante regels uit de Verordening.

10 JULI 2023

 11

Ruimtelijke onderbouwing Biskopsreed 1, Wijnjewoude

Ruimtelijke kwaliteit De plantoelichting bij een ruimtelijk plan voor het landelijk gebied omvat op grond van artikel 2.1.1 lid 1 voor zover noodzakelijk een ruimtelijke kwaliteitsparagraaf. De uitbreiding van het agrarisch bedrijf is zeer beperkt. Er is geen sprake van een aantasting van het landschap en landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Het aspect ruimtelijke kwaliteit vormt geen belemmering voor het initiatief. Landbouw Op grond van artikel 6.1.3 lid 1 kan een bestaand bouwperceel voor een niet grondgebonden veehouderij een uitbreiding krijgen tot een maximale oppervlakte van 1,5 ha, dan wel de bestaande oppervlakte behouden indien deze meer bedraagt dan 1,5 ha. Het huidige bouwperceel is ca. 1,4 ha. Met de overschrijding van het bouwvlak blijft het plan onder de 1,5 ha. Er kan ook een groter bouwvlak worden toegestaan op grond van artikel 6.1.3 lid 2. Dit kan als de uitbreiding van het bouwperceel beperkt blijft en de nieuwe situatie maatschappelijk voordeel oplevert voor één of meer van de volgende aspecten: 1. Verbetering van dierenwelzijn; 2. Vermindering van milieubelasting en van uitstoot van milieubelastende stoffen; 3. Een innovatieve bedrijfsvoering die bijdraagt aan duurzaamheid en daardoor een voorbeeldfunctie heeft, 4.

Aanmerkelijke landschappelijke verbetering, waaronder begrepen het elders slopen van minimaal een gelijke oppervlakte aan bebouwing. Met initiatief wordt beoogd het dierenwelzijn binnen het bedrijf te vergroten. Ten aanzien van dit aspect levert het initiatief maatschappelijk voordeel op. Dit aspect vormt geen belemmering voor het initiatief. Een ruimtelijk plan bevat geen bouwmogelijkheid voor stallen met een goothoogte hoger dan 5 meter. Onder voorwaarden kan hiervan worden afgeweken. De goothoogte van de bestaande stallen is 3 meter. Hier wordt met de overdekte uitlopen op aangesloten. De nieuwe goothoogte van de overdekte uitloop wordt ca. 2 meter. De maximale goothoogte vormt geen belemmering voor het initiatief. De Verordening Romte Fryslân 2014 vormt geen belemmering voor het initiatief. 3.3 3.3.1

GEMEENTELIJK BELEID

Bestemmingsplan Buitengebied Op de locatie is het bestemmingsplan “Buitengebied” van de gemeente Opsterland van toepassing. Dit bestemmingsplan is na een uitspraak van de Raad van State op 16 september 2015 geheel onherroepelijk in werking getreden. De locatie heeft de enkelbestemming ‘Agrarisch’. Daarnaast is aan de locatie de dubbelbestemming ‘Waarde-Cultuurhistorie’ aan de locatie toegekend. Verder is aan de locatie een bouwvlak toegekend met een oppervlakte van ca. 1,4 ha. Het bouwvlak heeft de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’. Figuur 3.1 betreft een uitsnede van de verbeelding, behorende bij het vigerende bestemmingsplan.

10 JULI 2023

 12

Ruimtelijke onderbouwing Biskopsreed 1, Wijnjewoude

Figuur 3.1 Uitsnede “Bestemmingsplan Buitengebied”

De gronden met de bestemming ‘Agrarisch’ zijn bestemd voor agrarische cultuurgronden. Ter plaatse van de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ is de uitoefening van een intensieve veehouderij toegestaan. Er mogen uitsluiten gebouwen en overkappingen ten behoeve van agrarische bedrijven worden gebouwd. De gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. De bedrijfsgebouwen en overkappingen moeten achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van de bedrijfswoning worden gesitueerd. De goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen al dan niet met inpandige bedrijfswoningen mag niet meer dan respectievelijk 5,0 m en 13 m bedragen, dan wel ten hoogste de bestaande hoogte indien deze meer is. De dakhelling van bedrijfsgebouwen al dan niet met inpandige bedrijfswoningen mag niet minder dan 15° bedragen, dan wel ten minste het bestaande aantal graden indien dit minder is, met uitzondering van een oppervlakte van maximaal 100 m² die ook plat afgedekt mag zijn. Er is maximaal 1 bedrijfswoning toegestaan. Buiten een bouwvlak is per agrarisch bedrijf ten hoogste 100 m² aan gebouwen toegestaan ten behoeve van zomermelkstallen waarbij de bouwhoogte niet meer dan 3 m mag bedragen. De bouwhoogte van overkappingen mag ten hoogste 3,5 m bedragen. De nieuwe overdekte uitloop moet aan de bestaande stal E gebouwd worden.

Dit heeft tot gevolg dat deze overdekte uitloop buiten het bouwvlak komt. Het initiatief is daarom in strijd met de regels van het bestemmingsplan. Er wordt met het bouwplan aangesloten op de bestaande stedenbouwkundige en landschappelijke structuur. Het doorzicht naar het achterliggende gebied blijft behouden. De overdekte uitloop aan stal D komt binnen het bouwvlak en valt buiten deze ruimtelijke onderbouwing.

10 JULI 2023

 13

Ruimtelijke onderbouwing Biskopsreed 1, Wijnjewoude

4

OMGEVINGSASPECTEN 4.1

BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING

Het milieubeleid en de daarop gebaseerde regelgeving spelen een belangrijke rol bij het ruimtelijk ordeningsbeleid. Beide beleidsterreinen richten zich op de bescherming van de kwaliteit van de (leef)omgeving. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan: het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. De milieuzonering heeft twee doelen:  het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;  het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies.

De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de lijst gelden ten opzichte van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ dan wel ‘gemengd gebied’. In dit geval is sprake van een rustige ligging in het buitengebied met weinig verstoring. Uitgegaan kan worden van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’.

Volgens de VNG-lijst vallen de activiteiten op het bedrijf onder de omschrijving ‘Fokken en houden van opfokkippen en mestkuikens’, waarvoor de volgende richtafstanden gelden:  voor het aspect ‘geurhinder’ => 200 meter,  voor het aspect ‘stofhinder’ => 30 meter,  voor het aspect ‘geluidhinder’ => 50 meter,  voor het aspect ‘gevaar’ => 0 meter.

10 JULI 2023

 14

Ruimtelijke onderbouwing Biskopsreed 1, Wijnjewoude

Op een afstand van circa 420 meter van de nieuwe overdekte uitloop is een gevoelige functie gelegen, namelijk de woning Biskopsreed 3. De woning aan de Biskopsreed 7 staat op ca. 560 meter vanaf de nieuwe overdekte uitloop. Op ca. 500 meter afstand staat het Huis Landweer, een recreatiewoning. Dit betekent dat ruimschoots aan alle richtafstanden wordt voldaan. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het initiatief. 4.2

GEURHINDER

De geuremissie van een veehouderij op de omliggende geurgevoelige objecten moet worden beoordeeld op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Deze wet is op 1 januari 2007 in werking getreden. Met de Wgv geldt nu voor heel Nederland één toetsingskader voor geur, veroorzaakt door dierenverblijven van veehouderijen in het kader van vergunningverlening op grond van de Wet milieubeheer. In de Wgv staan standaard (landelijke) normen voor de geurbelasting, die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De hoogte van de standaard (landelijke) norm hangt af van het gebied. Bij onderhavige plannen moet rekening worden gehouden met deze norm, omdat een overschrijding van deze norm inhoudt dat in beginsel geen goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Voor dieren met emissiefactor geldt dat de belasting van geurgevoelige objecten binnen wettelijk vastgestelde normen moet blijven. Op dit moment mogen op het bedrijf 48.440 vleeskuikens worden gehouden, met een geuremissie van 15.985 OU/sec. De realisatie van de nieuwe overdekte uitlopen leidt niet tot een toe- of afname van de geuremissie. De dieraantallen blijven gelijk.

Overeenkomstig de Handleiding V-Stacks Vergunning (maart 2021) hoeft de overdekte uitloop niet meegenomen te worden als relevant emissiepunt, omdat de stal en de overdekte uitloop onder onderdruk blijven – ook als de stal naar de buitenloop geopend is. Vanuit het aspect geurhinder zijn er geen belemmeringen voor de gewenste ontwikkelingen. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen blijft onveranderd gunstig. Volgens de Wgv geldt een minimaal in acht te nemen afstand tussen de dichtstbijzijnde gevel van een stal waarin dieren worden gehouden en de gevel van het dichtstbijzijnde geurgevoelige object. Tot geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom moet een afstand van 25 meter gerekend worden. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan. Hiermee is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden gegarandeerd. Vanuit het aspect geurhinder zijn er geen belemmeringen voor de gewenste ontwikkelingen. 4.3

LUCHTKWALITEIT

In de Wet Luchtkwaliteit 2007 worden eisen gesteld aan de kwaliteit van de lucht. Eén van de eisen is een maximumwaarde voor de hoeveelheid fijnstof, uitgedrukt in PM10, die zich in de lucht bevindt. Het Milieu- en Natuur Planbureau beschikt over kaarten met informatie over de luchtkwaliteit in Nederland. Deze gegevens dateren uit 2020. De achtergrondconcentratie van fijnstof (PM10) in de omgeving van Wijnjewoude is minder dan 14 μg/m3. Volgens de wettelijke normen mag deze concentratie maximaal 40,0 μg/m 3 bedragen. De overige stoffen die in de Wet Luchtkwaliteit genoemd worden, waaronder stikstofdioxiden (NO 2 en NOx), koolmonoxide (CO), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2) en lood (Pb), spelen in de landbouw een dermate kleine rol dat deze verwaarloosbaar zijn.

10 JULI 2023

 15

Ruimtelijke onderbouwing Biskopsreed 1, Wijnjewoude

De geproduceerde hoeveelheid fijnstof is afhankelijk van het aantal gehouden dieren en het toegepaste huisvestingssysteem. Op dit moment is de uitstoot van fijnstof PM10 circa 1.065 kilogram per jaar (bij de huisvesting van 48.440 vleeskuikens). Deze dieraantallen wijzigen niet. De realisatie van de nieuwe overdekte uitloop leidt niet tot een toe- of afname van de fijnstofemissie PM10. In de omgeving van het bedrijf wordt nu al voldaan aan de meest recente WHO-waarden voor PM10 zodat gesproken kan worden van een gezond woon- en leefklimaat. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) stelt dat blootstelling aan PM 2,5 schadelijker is dan blootstelling aan PM10. De kleinere deeltjes van PM2,5 dringen dieper in de longen door (WHO, 2006; Brunekreef en Forsberg, 2005). In de Europese richtlijn voor luchtkwaliteit zijn daarom sinds 2008 grens- en richtwaarden voor PM2,5 opgenomen. Voor de jaargemiddelde PM2,5-concentratie geldt vanaf 2015 een grenswaarde van 25 µg/m3. Daarnaast is een ‘indicatieve grenswaarde’ voor het jaargemiddelde van kracht van 20 µg/m3. De verplichting is om per 1 januari 2015 de fijnstofemissie van PM 2,5 te beoordelen. In de huidige situatie bedraagt de totale fijnstofemissie PM2,5 circa 77 kilogram per jaar. Aangezien de dieraantallen niet wijzigen, wijzigt deze fijnstofemissie evenmin.

De realisatie van de nieuwe bebouwing leidt niet tot een toe- of afname van de fijnstofemissie PM2,5. De emissies van stikstofoxide en fijnstof – veroorzaakt door vrachtverkeer, personenauto’s en bestelbusjes – stijgen evenmin. Als gevolg van de nieuwbouw van de uitlopen is geen stijging van het aantal verkeersbewegingen te verwachten. Voorgaande betekent dat de gewenste activiteiten aan de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit voldoen. Vanuit het aspect luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor de gewenste ontwikkelingen. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen wijzigt niet. 4.4

GELUID

In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het besluitgebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (rail- en weg) verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Het onderhavige plan betreft echter het realiseren van een overdekte uitloop aan een bestaande vleeskuikenstal. Dergelijke bouwwerken worden niet aangemerkt als geluidgevoelig object in de zin van de Wet geluidhinder. Bovendien wijzigt met het plan de bestemming van de al bestaande bedrijfswoning verder niet en worden geen nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Derhalve vormt het aspect geluidhinder geen belemmering voor de realisering van het onderhavige plan. Als gevolg van de nieuwbouw van de overdekte uitloop wijzigt het aantal geluidbronnen nauwelijks. Wel vinden er activiteiten plaats waarbij geluid geproduceerd wordt, bijvoorbeeld bij het schoonmaken van de uitlopen middels een shovel. Het betreft vergelijkbare geluidbronnen en activiteiten die reeds op het bedrijf aanwezig zijn c.q. plaatsvinden. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het initiatief.

4.5

VERKEER EN PARKEREN

Het parkeren van alle voertuigen geschiedt op eigen terrein. Ten behoeve van de nieuwbouw van de overdekte uitloop zijn geen nieuwe parkeerplaatsen noodzakelijk. De bestaande erfverharding

10 JULI 2023

 16

Ruimtelijke onderbouwing Biskopsreed 1, Wijnjewoude

zal, indien nodig, uitgebreid worden ter plaatse van de uitloop. De nieuwe bebouwing moet bereikt kunnen worden voor de noodzakelijke aan- en afvoer. Bovendien worden op deze wijze de draaicirkels van de voertuigen die op het bedrijf moeten laden, lossen en parkeren op eigen terrein gerealiseerd. Er is ruim voldoende ruimte op het erf voor meerdere vrachtauto’s, zodat geen (vracht)auto’s op de openbare weg hoeven te wachten. In de huidige situatie is er reeds sprake van diverse bedrijfsmatige verkeersbewegingen. Ten opzichte van de vergunde situatie is geen sprake van een toename van het aantal vervoersbewegingen. Voor de ontsluiting van het bedrijf wordt op dit moment gebruik gemaakt van een uitweg vanaf de Biskopsreed. Deze situatie zal als gevolg van de nieuwbouw niet wijzigen. Het bedrijf wordt verlaten via de Biskopsreed, een weg vrij smalle weg. De Biskopsreed is een lokale erfontsluitingsweg tussen de Duerswâld en De Biskop. De weg leidt langs het besluitgebied en woningen van derden en bevat zowel doorgaand verkeer als bestemmingsverkeer. Aanpassingen aan de wegenstructuur zijn niet noodzakelijk. Vanaf het perceel kan het verkeer via de Biskopsreed in noordwestelijke richting naar de Duerswâld. De Duerswâld gaat in zuidwestelijke richting over in de Merkenbuorren. Na de dorpskern van Wijnjewoude gaat de route verder over de Weinterp.

Vanaf de Weinterp kan het verkeer de provinciale weg N381 op. Dit is voor verkeer de kortste route om vanaf het besluitgebied op een doorgaande provinciale weg te komen. Daarbij moet het verkeer door de kern van Wijnjewoude rijden. Er vindt als gevolg van het initiatief geen toename van verkeersbewegingen plaats. De kern van Wijnjewoude wordt niet zwaarder belast met verkeer. Verkeerskundig leiden de gewenste ontwikkelingen niet tot problemen. Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor het initiatief. 4.6

BODEMKWALITEIT

In de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (NRB) is een lijst opgenomen met activiteiten die als bodembedreigend worden beschouwd. Zo worden bijvoorbeeld de opslag van dieselolie in een bovengrondse tank, de opslag van oliën in emballage, de opslag van ruwvoer en bijproducten (CCM) en de opslag van dierlijke meststoffen in een put/bassin op grond van de NRB als bodembedreigende activiteiten aangemerkt. In de omgevingsvergunning van het bedrijf worden gedragsregels en voorzieningen met het oog op de bescherming van de bodem voorgeschreven. Op grond van artikel 8 van de Woningwet bevat de bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. Deze voorschriften hebben uitsluitend betrekking op bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen aanwezig zullen zijn. Voor de gewenste nieuwbouw is dit niet het geval. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is voor de oprichting van de overdekte uitloop dus niet relevant. Het plan voorziet in de uitbreiding van huisvesting van een pluimveehouderij. De grond waarop de nieuwbouw van de uitloop plaatsvindt heeft reeds een agrarische bestemming en is in het verleden landbouwkundig gebruikt. Verwacht mag worden dat deze grond niet verontreinigd is. Geconcludeerd wordt dat het aspect ‘bodem’ geen belemmering is voor de gewenste nieuwbouw.

Daarnaast is in artikel 2.15 lid 2 van de Bouwverordening van de gemeente Opsterland bepaald dat de plicht tot het indienen van een bodemonderzoek niet geldt indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit

10 JULI 2023

 17

Ruimtelijke onderbouwing Biskopsreed 1, Wijnjewoude

omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Daarvan is in dit geval sprake. De overdekte uitloop aan stal D mag immers op grond van artikel 3 lid 1 zonder omgevingsvergunning gebouwd worden. De bodem ter plaatse van het bedrijf is opgebouwd uit veen. Ten behoeve van de nieuwbouw vinden graafwerkzaamheden plaats. De grond die hierbij vrijkomt, wordt elders op het perceel gebruikt om hoogteverschillen te vereffenen. Aangezien sprake is van veengrond, is het uitvoeren van sonderingen noodzakelijk. Dit zal voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden plaatsvinden. Voor de omgevingsvergunning wordt het plan nader constructief onderbouwd. 4.7

KABELS EN LEIDINGEN

In of nabij het besluitgebied zijn geen kabels of leidingen aanwezig die de voorgestelde ontwikkelingen belemmeren of voorzien moeten worden van een planologische regeling. 4.8

EXTERNE VEILIGHEID

Het externe veiligheidsbeleid in Nederland is gericht op het verminderen en beheersen van risico’s en effecten van calamiteiten, alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. Ten aanzien van externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in: 1. Plaatsgebonden risico (PR): Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van kwetsbare objecten, alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10 -6/jr) ten aanzien van beperkt kwetsbare objecten. 2. Groepsrisico (GR): Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. De gestelde norm is een oriënterende waarde waarvan gemotiveerd mag worden afgeweken. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype.

De relevante typen zijn:  Bedrijven;  Vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water);  Hoogspanningslijnen;  Ondergrondse (gas)leidingen (c.q. buisleidingen). Het op 27 oktober 2004 in werking getreden Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) regelt hoe een gemeente of provincie moet omgaan met risico’s voor mensen buiten een bedrijf als gevolg van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in een bedrijf. Met betrekking tot buisleidingen wordt het wettelijk kader gevormd door het Besluit externe veiligheid buisleidingen dat op 1 januari 2011 in werking is getreden.

10 JULI 2023

 18

Ruimtelijke onderbouwing Biskopsreed 1, Wijnjewoude

Om meer afstemming te verkrijgen tussen transport van gevaarlijke stoffen, veiligheid en ruimtelijke ontwikkelingen is op 1 april 2015 de Wet basisnet in werking getreden. Tegelijkertijd is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden. Dit besluit schrijft voor hoe overheden dienen om te gaan met risico’s als gevolg van transportassen zoals wegen en spoorwegen. Het basisnet bevat een netwerk van alle relevante routes van gevaarlijke stoffen, zowel via het spoor als over de weg en het water. In het basisnet worden de maximale toelaatbare risico’s langs die gevaarlijke routes in zones en tabellen vastgelegd.

Figuur 4.1 Risicokaart externe veiligheid (bron: www.risicokaart.nl)

Het besluitgebied is op de risicokaart (www.risicokaart.nl) niet aangewezen als gelegen in (de nabijheid van) een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot de externe veiligheid. Figuur 4.1 geeft een uitsnede van de risicokaart weer. Op een afstand van circa 2km meter ten zuidoosten van het besluitgebied ligt het dichtstbijzijnde risico. Dit betreft een buisleiding. De locatie van initiatiefnemer is op voldoende afstand van deze risicolocatie gelegen. Met het voorgenomen initiatief worden er geen kwetsbare objecten binnen de risicocontour gerealiseerd. Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. Een grotere doorgaande wegen in de nabijheid van het besluitgebied, waarover dergelijke transporten zullen plaatsvinden, is de provinciale weg N381. Aangezien er geen sprake is van een toename van de personendichtheid, is er geen sprake van een stijging van het groepsrisico. Het plan ligt bovendien op een zodanige afstand van deze weg dat beïnvloeding normaliter niet plaats zal vinden.

10 JULI 2023

 19

Ruimtelijke onderbouwing Biskopsreed 1, Wijnjewoude

Er is geen spoortracé in de omgeving, welke gebruikt wordt voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Ondergrondse buisleidingen zijn op een zodanige afstand gelegen dat beïnvloeding normaliter niet plaats zal vinden. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de uitbreiding van het bedrijf aan de Biskopsreed 1 in Wijnjewoude. 4.9

ECOLOGIE

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De ruimtelijke ontwikkelingen zijn getoetst aan deze wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op:  het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit;  het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies;  het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies. De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd.

Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. 4.9.1

Gebiedsbescherming Indien een besluitgebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om natuurgebieden, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland, Natura 2000-gebieden en de voor verzuring gevoelige gebieden in het kader van de Wet ammoniak en veehouderij.

NATUUR NETWERK NEDERLAND De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is in 1990 in het leven geroepen om de achteruitgang van de natuur in Nederland een halt toe te roepen. De EHS wordt gedefinieerd als ‘het samenhangend netwerk van in (inter)nationaal opzicht belangrijke, duurzaam te behouden ecosystemen’. Uit deze definitie wordt duidelijk welk doel de EHS moet dienen, namelijk: het duurzaam behouden van ecosystemen die in nationaal of zelfs internationaal opzicht belangrijk zijn. Het middel om dat doel te bereiken is het tot stand brengen van een samenhangend netwerk van natuurgebieden met daartussen ecologische verbindingen. In juni 2013 kondigde staatssecretaris Dijksma aan dat de overheid de naam Nationaal Natuur Netwerk gaat gebruiken in plaats van Ecologische Hoofdstructuur.

10 JULI 2023

 20

Ruimtelijke onderbouwing Biskopsreed 1, Wijnjewoude

In de geconsolideerde Verordening Romte Fryslân 2014 van de provincie Friesland is het NNN begrensd. Het Friese NNN is een aangesloten stelsel van belangrijke natuurgebieden. Daarbinnen liggen gebieden met natuurwaarden van Europees belang, de Natura 2000 gebieden. Het NNN staat op kaart en wordt planologisch beschermd. Het NNN kent een grote verscheidenheid: van duingebieden, veenmoerassen, tot bossen en zandverstuivingen. De natuurkwaliteiten binnen en buiten het NNN zorgen gezamenlijk voor een goede biodiversiteit en voor mogelijkheden om de natuur te beleven. Zoals blijkt uit figuur 4.2 vindt onderhavige ontwikkeling plaats buiten het Friese NNN, waardoor er geen versnippering ontstaat van het samenhangende netwerk en de ecologische functie niet wordt aangetast. In de omgeving van het bedrijf zijn wel natuurgebieden gelegen, die al dan niet behoren tot het NNN.

Figuur 4.2 Fragment kaart 16: Natuur (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

Het bedrijf ligt niet in één van de Friese NNN gebieden. Er vindt geen uitbreiding van het aantal gehouden dieren plaats. Dat betekent ook dat er geen toename zal zijn van emissies. Hierdoor zullen de effecten van het bedrijf op de aanwezige natuurgebieden – waaronder geluid, licht, geur en fijn stof – geen schade extra schade toebrengen aan deze gebieden ten opzichte van de huidige situatie. Voor het bedrijf is in 2016 een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming verleend. Geconcludeerd kan worden dat de ecologische functie van de omliggende natuurgebieden niet wordt aangetast.

10 JULI 2023

 21

Ruimtelijke onderbouwing Biskopsreed 1, Wijnjewoude

WAV-GEBIEDEN Kwetsbare gebieden zijn gebieden welke, in het kader van de Wet ammoniak en veehouderij (Wav), zijn aangewezen als voor verzuring gevoelig. Met de Wav wordt een aanvullend zoneringsbeleid gevoerd, ter bescherming van voor verzuring gevoelige natuur. Deze wet geldt sinds 8 mei 2002 en is op 1 mei 2007 aangepast. De wet schrijft voor dat binnen zeer kwetsbare gebieden en in een zone van 250 meter daaromheen, in aanvulling op de generieke eisen, de volgende maatregelen gelden:  vestiging van nieuwe intensieve veehouderijen is niet mogelijk;  bestaande veehouderijen hebben beperkte uitbreidingsmogelijkheden, namelijk tot een voor deze veehouderijen vastgelegd emissieplafond. Zeer kwetsbare gebieden worden aangewezen bij besluit van Provinciale Staten. Bij dit besluit hoort een kaart waarop de begrenzing van de gebieden nauwkeurig wordt aangegeven. Bij de aanwijzing dient rekening te worden gehouden met een aantal aspecten, zoals de natuurwaarden, de grootte van het gebied en de gevolgen van de aanwijzing voor bestaande veehouderijen. Binnen de provincie Friesland zijn verschillende Wav-gebieden aangewezen. In figuur 4.3 is de ligging van de Wav-gebieden ten opzichte van de locatie inzichtelijk gemaakt. De locatie aan de Biskopsreed 1 is gelegen binnen (de 250-meter zone van) een Wav-gebied. Er vindt geen toename van emissies plaats.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Opsterland&id=a3f19d43-b8db-4518-87a8-b143a926ca92