CConstaterende datOpsterland
Koppel je AI →
Document · PDF

Fokus op it ferline - Beleidsnotitie Gebouwd erfgoed 2023.docx

Raadsvergadering 3 april 2023, gemeente OpsterlandBij agendapunt: Fokus op it ferline - Beleidsnotitie Gebouwd erfgoed 2023 (B)18.661 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Fokus op it ferline Beleidsnotitie Gebouwd erfgoed 2023

Ontwikkeling Ruimtelijk domein

Februari 2023

rek de aandacht van uw lezer met een veelzeggend citaat uit het document of gebruik deze ruimte om een belangrijk punt te nadrukken. Sleep dit tekstvak als u het ergens anders op de pagina wilt plaatsen.]

0

Colofon Titel: Fokus op it ferline. Beleidsnotitie Gebouwd Erfgoed 2023. Datum: februari 2023. Auteur: Aafke Bonnet-Bekkema, beleidsadviseur Cultureel erfgoed. Afdeling: Ontwikkeling Ruimtelijk domein Vormgeving: door auteur. Afbeeldingen: eigen beeld. © Gemeente Opsterland Met uitzondering van: Voorpagina: oude ansichtkaart Gorredijk, eigen bezit; Pagina 16: inzet foto Houtloods. Bron: website bouwbedrijf Posthumus, Gorredijk. Pagina 40: foto voormalig kerkje Eben Haëzer. Bron: website makelaardij Moll. Pagina 42: Stationsweg 104. Afbeelding uit het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). Bron: Fries Fotoarchief. Disclaimer: de afbeeldingen in deze notitie zijn ter illustratie en geven een impressie van de diversiteit van de gebouwde objecten binnen de gemeente Opsterland.

1

Samenvatting In de voorliggende beleidsnotitie worden de eerste stappen gezet om te komen tot een volwaardig gemeentelijk monumentenbeleid en worden er aanzetten gegeven over de omgang met het gebouwde erfgoed binnen de gemeente Opsterland. De beleidsnotitie bestaat uit vijf delen. In het eerste deel komen de ambities en doelstellingen van de gemeente aan bod en wordt beschreven welke voor- en nadelen het hebben van gemeentelijk monumentenbeleid en beleid voor gebouwd erfgoed met zich meebrengt. In het tweede deel wordt er een korte historische schets gegeven van de ontwikkelingen die plaatshadden in gemeente Opsterland, en dan met name met het oog op het gebouwde erfgoed. De historische achtergrond geeft inzicht in de ontstaansgeschiedenis van de bebouwing binnen gemeente Opsterland. Daarin is een verdeling gemaakt van diverse aspecten, waaronder functionele bebouwing en industrieel erfgoed die kenmerkend is voor de wat grotere kernen en het agrarische erfgoed dat we vooral in het buitengebied zien. Ook de naoorlogse wijkopbouw in onder andere Gorredijk en Ureterp en het groene erfgoed, waartoe ook de landgoederen en parken behoren, worden belicht. In deel drie wordt ingegaan op de wettelijke kaders die er zijn voor gebouwd erfgoed op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau.

Als gemeente hebben we te maken met tal van regelingen en wetten waar het gaat om cultureel erfgoed. Ook in de toekomst, met de komst van de nieuwe Omgevingswet, moet het geheel aan cultureel erfgoed een plek krijgen in het Omgevingsplan. In deel vier komt de praktische uitvoering van het gemeentelijk monumentenbeleid aan bod en worden de werkwijze, de aanwijsprocedure en criteria voor het aanwijzen van gemeentelijke monumenten uiteengezet op basis van de werkwijze van stichting Steunpunt Monumentenzorg Fryslân. Het Steunpunt is benaderd voor de uitvoering van de inventarisatie, de beoordelingen en het toekennen van een redengevende beschrijving, die handvaten geeft bij de vergunningverlening voor gemeentelijke monumenten. Ook de instelling van een verplicht erfgoedregister en het belang van het principe van vrijwilligheid worden beschreven: aanwijzing van gemeentelijke monumenten geschiedt op basis van vrijwilligheid, alleen als eigenaren zelf akkoord gaan met de aanwijzing kan de aanwijzing definitief gemaakt worden. Hiermee wordt aangesloten bij de werkwijze van buurgemeenten Ooststellingwerf, Weststellingwerf en Smallingerland en tal van andere Friese gemeenten, die al in een eerder stadium gemeentelijke monumenten hebben aangewezen. Ook hier is het Steunpunt betrokken (geweest) bij de beoordelingen en waarderingen.

In het vijfde deel wordt de belangrijkste informatie voor eigenaren van monumenten beschreven: de rechten en plichten, voorwaarden en subsidiemogelijkheden voor eigenaren en wat er nodig is voor het doen van een aanvraag voor een verbouwing of aanpassingen aan woning of pand. In dit hoofdstuk staat bovendien verdere informatie over verduurzaming en herbestemming, digitale toegankelijkheid van informatie omtrent gemeentelijke monumenten en de informatievoorziening voor eigenaren beschreven. De voorliggende notitie is van tijdelijke duur, omdat het werkproces daartoe noopt. Pas nadat de aanwijzingsprocedure doorlopen is, eigenaren geïnformeerd zijn en de mogelijkheid hebben gehad inspraak te leveren, en er als resultaat hiervan een definitieve lijst van gemeentelijke monumenten ontstaan is, kan er een vervangende beleidsnotitie uitgewerkt worden. Ook dan pas kan het wettelijk verplichte erfgoedregister vastgesteld worden. Daarbij komt bovendien het aspect van subsidievoorziening. Deze is afhankelijk van het uiteindelijke aantal gemeentelijke monumenten. Het vaststellen van de hoogte van de subsidie voor eigenaren kan pas uitgevoerd worden nadat bekend is hoeveel gemeentelijke monumenten er daadwerkelijk zijn.

Bovendien gaat het niet alleen om het aanwijzen van gemeentelijke monumenten, maar is er het doel om ook aandacht te schenken aan herbestemming en verduurzaming voor het gebouwde erfgoed in het algemeen. Deze aspecten worden in de hierop volgende notitie, die naar verwachting in de eerste helft van 2024 gereed is, verder uitgewerkt. 2

Inhoudsopgave Deel 1: Gebouwd erfgoed in Opsterland

5

Inleiding

6

1. De waarde van gebouwd erfgoed. Doelstellingen en ambities 1.1 Doelstellingen en ambities nader bekeken 1.2 Voor- en nadelen op een rij

9 9 10

Deel 2: Historische achtergrond van Opsterlands gebouwde erfgoed

13

2. Historische achtergrond van het gebouwde erfgoed 2.1 Historische kernen en linten 2.2 Invloed van modernisering en schaalvergroting 2.3 Industrieel erfgoed 2.4 Agrarisch erfgoed: boerderijen, bakhuisjes en schuren 2.5 Wijkopbouw, stedenbouwkundige structuren en wederopbouw (1945-1970) 2.6 Groen erfgoed

14 14 14 15 15 15 16

3. Rijksmonumenten

18

Deel 3: Wettelijke kaders en instrumentarium

19

4. (Wettelijke) kaders voor het beleid van gebouwd erfgoed 4.1 Landelijk beleid en wet- en regelgeving 4.1.1 Omgevingswet 4.1.1.1 Omgevingswetproof

20 20 21 21

4.2 Gemeentelijk beleid en instrumentarium 4.2.1 Erfgoedverordening 4.2.2 Bestemmingsplannen 4.2.3 Beeldkwaliteitsplannen 4.2.4 Omgevingsvergunning voor monumenten 4.2.5 Gemeentelijke adviescommissie 4.2.6 Handhaving en instandhoudingsplicht 4.2.7 Omgevingsplan

22 22 23 23 23 24 25 25

Deel 4: Aanwijzing van gemeentelijke monumenten 5. Aanwijzing en systematiek voor gemeentelijke monumenten 5.1 Beoordeling van panden en objecten op basis van eenduidige systematiek 5.2 Het principe van vrijwilligheid 5.3 Erfgoedregister 5.4 Gemeentelijke monumentenschildjes

26 27 27 28 28 29

Deel 5: Voor eigenaren van monumenten

30

6. Rechten en plichten van eigenaren 6.1 Onderhoudsplicht 6.2 Omgevingsvergunning 6.3 Rechten

31 31 31 32 3

7. Subsidieregelingen 7.1 Hoogte van de gemeentelijke subsidieregeling en ambtelijke capaciteit 7.1.1 Verordening op de subsidie voor gemeentelijke monumenten 7.2 Wat is er nodig bij het doen van een subsidieaanvraag? 7.3 Overige subsidiemogelijkheden

33 33 33 34 34

8. Verduurzaming en herbestemming 8.1 Verduurzaming van monumenten 8.2 Herbestemming van monumenten 8.2.1 Herbestemming leegkomende boerderijen 8.2.2 Herbestemming kerkgebouwen

36 36 36 38 38

9. Informatievoorziening en toegankelijkheid 9.1 Monumentenwijzer voor eigenaren 9.2 Digitale toegankelijkheid

39 39 39

10. Alternatieven

40

11. Vooruitblik, de hierop volgende beleidsnotitie Gebouwd erfgoed

41

Bijlagen Bijlage 1. Rijksmonumenten in gemeente Opsterland

42

Bijlage 2. Landelijke wet- en regelgeving

45

Bijlage 3. Beoordelingsformulier Steunpunt Monumentenzorg Fryslân

46

Bijlage 4. Werkwijze, begrenzing, stappenplan voor de aanwijzing en nieuwe aanvragen

47

Bijlage 5. Waarderingscriteria Steunpunt Monumentenzorg Fryslân inclusief toelichting

50

Bijlage 6. Schema wettelijk, minimaal en maximaal niveau

54

4

Deel 1. Gebouwd erfgoed in Opsterland

5

Poldermolen aan de Ulesprong. Bouwjaar 1856. (Rijksmonument)

Inleiding Erfgoed is overal om ons heen. Wanneer mensen gevraagd wordt een beschrijving te geven van hun omgeving en waarom zij zich daarmee verbonden voelen, benoemen mensen doorgaans die zaken die betekenis voor hun hebben, waaraan ze hun identiteit ontlenen: kenmerkende aspecten van het landschap, het verleden van woonplaats en regio, bijzondere gebouwen en noemenswaardige locaties, dat waaraan waarde gehecht wordt en waarmee men zich onderscheidt van alle andere plaatsen. Een groot deel van dit referentiekader kan aangemerkt worden als cultureel erfgoed. Met de term ‘cultureel erfgoed’ wordt over het algemeen bedoeld de voor de menselijke cultuur en geschiedenis waardevol geachte materiële kenmerken van die cultuur uit het verleden. De meest herkenbare en meest zichtbare vorm van het culturele erfgoed is het gebouwde erfgoed, dat in ons dagelijks leven overal om ons heen aanwezig is, zoals kerken, statige woonhuizen, oude fabrieken, heren- en landhuizen, keuterboerderijen, schoolgebouwen en molens. Niet alleen ontlenen inwoners hun identiteit aan gebouwde objecten, ook dragen ze in belangrijke mate bij aan de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, hebben ze een positief effect op het vestigings- en leefklimaat en zijn ze belangrijk voor het toerisme. De diverse panden en objecten vertellen het verhaal van onze gemeente; de historie en de ontstaansgeschiedenis.

Velen zijn van mening dat deze ‘dragers’ van ons verleden behouden moeten blijven, en waar nodig moeten worden beschermd. Deels is dit al gedaan op nationaal niveau, door de aanwijzing van rijksmonumenten. Voor het overige deel ligt hier echter een taak voor de gemeente. Zij heeft de mogelijkheid om gebouwde objecten aan te wijzen tot gemeentelijk monument. Aanleiding tot deze notitie Gemeente Opsterland is rijk aan cultureel erfgoed, met in de meest tastbare vorm het gebouwde erfgoed. De ontwikkelingen die de gemeente heeft doorlopen in de afgelopen eeuwen heeft ervoor gezorgd dat er een verscheidenheid aan gebouwen te zien is: van de statige panden en landhuizen rond Beetsterzwaag en Olterterp, de woon-winkelpanden in het hart van Gorredijk en de arbeiderswoningen in Nij Beets tot de grote, historische boerenplaatsen in het buitengebied en bijzondere gebouwen die nagenoeg elk dorp bezit, zoals kerken en zuivelfabrieken. Ze vertellen op hun eigen manier het verhaal van de omgeving en geven inzicht in het verleden en de ontwikkeling van een dorp of het gebied. In het verleden zijn er diverse inventarisaties uitgevoerd naar het gebouwde erfgoed binnen de gemeentegrenzen, waaronder het Monumenten Inventarisatie Project (MIP) door Provinsje Fryslân in 1992 en, in 2018, een (gedeeltelijke) inventarisatie door Stichting Beekdallandschap Koningsdiep.

Er zijn tal van cultuurhistorische waardevolle en beschermenswaardige objecten in kaart gebracht, waarvan enkelen ondertussen een status als rijksmonument hebben gekregen. Er zijn er echter ook een groot aantal objecten zonder beschermde status. Uit een recente analyse blijkt dat van de 370 objecten van de MIP-inventarisatie minstens 23% (zo’n 60 stuks) is gesloopt of onherkenbaar is veranderd. In de afgelopen jaren is door inwoners, betrokken burgers alsook door leden van de gemeenteraad van Opsterland verschillende malen de wens geuit om gemeentelijk monumentenbeleid te ontwikkelen en gemeentelijke monumenten aan te wijzen. Ook eigenaren van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen hebben herhaaldelijk en onderbouwd verzocht om de toekenning van de status van gemeentelijk monument voor hun eigendom. Na het verdwijnen van enkele cultuurhistorische waardevolle panden, is de roep vanuit de samenleving luider geworden om het gebouwde culturele erfgoed te beschermen. Ook de gemeenteraad van gemeente Opsterland heeft zich unaniem positief uitgelaten middels een stemming om hiermee te starten. 6

Het is duidelijk dat de tijd rijp is voor gemeentelijk monumentenbeleid, omdat het gebouwde erfgoed het waard is om behouden te worden. Waarde is een kernbegrip in de zorg en de waardering voor erfgoed. Wat als waardevol wordt beschouwd, verdient het immers om (her)gebruikt, behouden en gekoesterd te worden. ‘Waarde’ behelst meer dan alleen de financiële waarde. In de basis verwijst het ook naar de gebruikswaarde, zoals het wonen en werken in een gebouw. Daarnaast speelt ook de belevingswaarde van erfgoed een grote rol. In alle gevallen waarbij waarde wordt toegekend aan cultureel erfgoed is kennis van belang. Wanneer men de waarden (financiële waarde, gebruikswaarde, belevingswaarde) kent van het object, zal men een meer overwogen beslissing kunnen nemen over de omgang ermee. Deze notitie stelt de kaders, richting en mogelijkheden voor het te voeren beleid voor het gebouwde erfgoed en vormt de beleidsbasis voor het aanwijzen van gemeentelijk monumenten en beschermde dorpsgezichten. Achtergrondinformatie De MIP-lijst en de inventarisatie uit 2018 die uitgevoerd is door Stichting Beekdallandschap Koningsdiep vormen de basis voor de eerste groslijst van potentiële monumenten (bijlage 5).

Daarnaast is er ten behoeve van het Bestemmingsplan Buitengebied uit 2014 een inventarisatie uitgevoerd om inzicht te krijgen in het aantal oorspronkelijke boerderijen (boerderijen die van betekenis of beeldbepalend zijn voor het omliggende landschap). Boerderijen die zich in (nagenoeg) oorspronkelijke staat bevonden, dus geen plaatmaterialen als dak hadden of grote verbouwingen en/of andere grote ingrepen hebben ondergaan, zijn eveneens op de groslijst geplaatst. Het komt echter ook voor dat er panden zijn, die, ondanks de ingrepen aan hun oorspronkelijke exterieur, nog steeds van grote waarde zijn voor hun omgeving, bijvoorbeeld omdat zich er een belangrijke historische gebeurtenis heeft afgespeeld of omdat het betreffende object een grote rol speelde in het sociale leven. Panden waarbij dit het geval is, worden eveneens meegenomen in de waardering, waarbij het immateriële aspect, het verhaal achter het object en de plaats in de geschiedenis leidend zijn. De afgelopen jaren wordt het verhaal dat verteld wordt over de geschiedenis in toenemende mate van belang bij de omgang met erfgoed. Om van een conceptlijst met geselecteerde objecten te komen tot een vastgestelde lijst met gemeentelijke monumenten is gemeentelijk monumentenbeleid noodzakelijk op basis waarvan een aanwijzingsprocedure kan worden gevolgd.

Om tot doeltreffende bescherming en instandhouding te komen, is het raadzaam te kiezen voor een lijst met gemeentelijke monumenten. In buurgemeenten Ooststellingwerf en Weststellingwerf is in het verleden al gemeentelijk monumentenbeleid ontwikkeld. Door de nauwe samenwerking tussen Opsterland en deze twee buurgemeenten, wordt aangeraden ervoor te kiezen om dezelfde systematiek en aanwijsprocedure te doorlopen ter bevordering van de samenwerking en het oog op mogelijke toekomstige ontwikkelingen. Ook zit daaraan een praktisch aspect: de afdeling Vergunningen, Toezicht en Handhaving (VTH) kan hun werkzaamheden dan op basis van eenduidige systematiek voor alle drie de gemeenten uitvoeren. Beleid voor gebouwd erfgoed kan worden gevoerd op verschillende niveaus. Op dit moment voert gemeente Opsterland alleen de noodzakelijke, sinds 2009 van rijkswege wettelijk voorgeschreven, taken uit waar het gaat om cultureel erfgoed. Het voorstel is om hierin verandering aan te brengen door het opstellen van beleid voor gebouwd erfgoed, c.q. gemeentelijk monumentenbeleid, en op die manier een bijdrage te leveren aan het behoud van objecten die een belangrijke cultuurhistorische waarde vertegenwoordigen alsook het bevorderen van de instandhouding en waardering daarvan.

Middelen hiertoe bestaan niet alleen uit financiële opties, maar ook uit het bijstaan van eigenaren wanneer er advies nodig is op het vlak van verduurzaming, 7

van restauratie of bij het toekennen van nieuwe functies c.q. herbestemming. Duidelijk mag zijn dat het beleid rondom gebouwd erfgoed slechts een onderdeel is van een veelheid aan onderwerpen die geschaard kunnen worden onder de paraplu ‘Erfgoedbeleid’. Het voornemen is dat dit – voor zover nodig – per onderwerp stapsgewijs wordt ontwikkeld, zoals uiteengezet is in de Startnotitie Cultureel erfgoed, welke door de gemeenteraad vastgesteld is. Onderliggende notitie is mede tot stand gekomen door samenwerking met Steunpunt Monumentenzorg Fryslân, uit gesprekken met Stichting Historisch Beetsterzwaag en enkele eigenaren van panden en objecten met cultuurhistorische waarde. Bij de uitwerking van de definitieve nota zullen eigenaren van potentiële gemeentelijke monumenten, Stichting Historisch Beetsterzwaag en andere plaatselijke stichtingen, de Plaatselijk Belangen en Steunpunt Monumentenzorg Fryslân betrokken worden om recht te doen aan het Verdrag van Faro (2005), waarin participatie van de mienskip een kernpunt vormt. Zo wordt er aangesloten bij de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, de Sustainable Development Goals, internationale verdragen inzake het landschap en immaterieel erfgoed, de nieuwe museumdefinitie en de missie van UNESCO Werelderfgoed, om het erfgoed te laten bijdragen aan het welzijn van mensen en wederzijds begrip tussen mensen en volkeren.

De Notariskoepel en tuinmanswoning. Beide behoren bij het rijksmonumentale Lycklamahûs, maar hebben geen beschermde status.

8

1. De waarde van gebouwd erfgoed. Doelstellingen en ambities Wanneer er gesproken wordt over monumenten, wordt vaak aangenomen dat het gaat over panden of gebouwen. Monumenten zijn niet altijd gebouwen. Naast onroerende zaken, onder andere bouwwerken, terreinen, bomen, grafstenen, wegen, straten, pleinen en bruggen die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid of cultuurhistorische achtergrond, kunnen ook verzamelingen panden of objecten (bijvoorbeeld enkele bijeen gelegen woningen of een woonhuis met bijzondere stalgebouwen en tuinaanleg) in hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel wegens hun wetenschappelijk of cultuurhistorische waarden, monument zijn. 1.1 Doelstellingen en ambities nader bekeken De belangrijkste reden om te komen tot beleid voor het gebouwde erfgoed met daaraan gekoppeld een gemeentelijke monumentenlijst is om het gebouwde cultureel erfgoed in de gemeente Opsterland duurzaam te beschermen en in stand te houden. Met beleid voor gebouwd erfgoed beoogt gemeente Opsterland panden, objecten en ensembles in stand te houden die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap en architectuur, of om hun cultuurhistorische waarde dan wel bouwkundige aard of betekenis. Een dergelijke regeling is al van toepassing op monumenten waaraan een landelijk belang tot behoud is gekoppeld: de rijksmonumenten.

Er zijn echter ook tal van monumentale panden aan te wijzen met een cultuurhistorische waarde op plaatselijk of regionaal niveau. Om ervoor te zorgen dat cultuurhistorisch waardevolle objecten beschermd en behouden worden, wil de gemeente Opsterland in de looptijd van deze beleidsnotitie een aantal cultuurhistorisch waardevolle objecten aanwijzen als gemeentelijk monument, die niet zomaar gewijzigd of gesloopt mogen worden. Door te streven naar het behoud en herstel van dergelijke panden en objecten wordt er tevens beoogd een bijdrage te leveren aan de versterking van de eigen identiteit en karakter van de gemeente. Bovendien heeft cultureel erfgoed vaak een positieve invloed op de kwaliteit van de leefomgeving in de directe omgeving van het erfgoed. Het behoud van cultureel erfgoed kan daarmee, afhankelijk van de uitstraling van het object, bijdragen aan de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Vanuit dit opzicht kan het hebben van gemeentelijk monumentenbeleid ook helpen bij het ontwikkelen van een meer gebiedsgerichte aanpak in de zorg voor het erfgoed en bij de ontwikkeling van ruimtelijke plannen. Oog hebben voor objecten met monumentale waarden zorgt ook voor het bewust worden van de omgeving daarvan. Daarnaast kan het een impuls geven aan het toerisme en daarmee ook aan de lokale economie.

Een andere reden om te komen tot gemeentelijk monumentenbeleid is dat er onduidelijkheid bestaat bij het beoordelen van vergunningsaanvragen bij panden zonder beschermde status maar met potentiële cultuurhistorische waarden. In veel gemeenten, waaronder ook in buurgemeenten Ooststellingwerf, Weststellingwerf, Heerenveen en Smallingerland, wordt deze onduidelijkheid ondervangen door een gemeentelijke monumentenstatus of status als karakteristiek of beeldbepalend aan een pand of object toe te kennen. Zo wordt de beoordeling van vergunningsaanvragen voor verbouwingen en aanpassingen eenvoudiger, eenduidiger en transparanter. Het bezitten van een object met de status gemeentelijk monument geeft bovendien meer voordelen: initiatieven om het herstel en behoud (financieel) te bevorderen komen op deze manier binnen handbereik voor eigenaren van objecten. De status van gemeentelijk monument biedt eigenaren subsidiemogelijkheden bij stichtingen en overheden. Deze positieve impuls zorgt voor een balans ten opzichte van de beperkende voorwaarden die de status van gemeentelijk monument met zich meebrengt. Dit dient de doelstelling van het beleid, namelijk het beschermen en in stand houden van cultuurhistorisch erfgoed. Daarnaast zorgt het dikwijls voor een toename van de (markt)waarde

9

van de het object. Het is wenselijk dat eigenaren van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen worden aangemoedigd om hun monument in een zo goed mogelijke staat te brengen en te houden. 1.2 Voor- en nadelen op een rij In de voorgaande paragraaf zijn al enkele voordelen van gemeentelijk monumentenbeleid en beleid voor gebouwd erfgoed benoemd. In aanvulling hierop zijn er nog meer voordelen te benoemen, die in onderstaand overzicht weergegeven worden. Wanneer de voordelen en nadelen van het hebben van gemeentelijk monumentenbeleid op een rij gezet worden, wordt duidelijk dat de voordelen groter zijn dan de nadelen. Risico’s en nadelen - het creëren van draagvlak voor monumentenbeleid kan moeilijk zijn. De oorzaak hiervan is dat het beleid partijen met verschillende belangen raakt, waaronder de eigenaren van potentiële monumenten. Dit zal bij de totstandkoming van het beleid specifieke aandacht krijgen om draagkracht te verkrijgen en om uitvoeringsproblemen te voorkomen; - het uitvoeren van gemeentelijk monumentenbeleid brengt onvermijdelijk kosten met zich mee. In de begroting voor 2023 zijn de kosten voor de inventarisatie en voor het toekennen van een redengevende omschrijving aan de geselecteerde objecten gedekt. Voor de omvang van de beschikbare subsidie is dit afhankelijk van de beleidskeuzes, inclusief de wijze van financiering.

Dit risico moet worden benadrukt in relatie tot de budgettaire situatie; - gebiedsontwikkelingen en –reconstructies kunnen mogelijk bemoeilijkt worden vanwege de beschermde status die panden krijgen; - op dit moment lopen de potentieel cultuurhistorische waardevolle objecten het risico om in hun monumentale waarden aangetast te raken of, in het ergste geval, volledig gesloopt te worden. Kansen en voordelen - het behouden en beschermen van cultureel erfgoed wordt mogelijk gemaakt door beleid voor gebouwd erfgoed; - het kiezen voor een duurzame invulling van potentieel cultuurhistorisch erfgoed door het voorkomen van sloop en stimuleren van herbestemming van bestaande panden; - het bevorderen van de sociale cohesie door het versterken van de lokale identiteit als gevolg van het behoud van de specifieke kwaliteiten van de fysieke leefomgeving; - het hebben van gemeentelijk monumentenbeleid en het zicht hebben op wat er is aan objecten met cultuurhistorische waarde, kan ervoor zorgen dat erfgoed een steviger positie krijgt in maatschappelijke en ruimtelijke ontwikkelingen; - zicht op cultuurhistorische waardevolle objecten biedt kansen deze in te zetten bij lokale initiatieven om de leefbaarheid te verbeteren en kunnen ook ingezet worden bij ontwikkelingen die zich voordoen op andere beleidsterreinen, bijvoorbeeld toerisme en economie.

- er ontstaan mogelijkheden om vooraf te sturen op ingediende plannen in plaats van alleen achteraf reageren, waardoor er gestuurd kan worden op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid; - gemeentelijk monumentenbeleid geeft een goed beschermingskader: ingrepen vereisen een vergunning, wat de invloed van de gemeente op (sloop-, bouw-, en ruimtelijke) plannen vergroot; - er ontstaan mogelijkheden tot vergroting van het draagvlak voor cultureel erfgoed; - het voorkomt aantasting van de uitstraling van het landschap; 10

-

-

-

-

bij besluitvorming over sloop en bij vervangende nieuwbouw wordt voorkomen dat er sprake is van onsamenhangendheid en willekeur en er ontstaat een gedegen onderbouwing naar externen wanneer er een sloopmelding gedaan wordt; het geeft eigenaren van monumenten de kans aanspraak te doen op de diverse subsidieregelingen en laagrentende leningen voor onderhoud en verbouwing; er kan optimaal gebruik gemaakt worden van de landelijke bepalingen voor het behoud van cultureel erfgoed; het zorgt ervoor dat we geheel aansluiten bij de vereisten van de Omgevingswet, waar cultureel erfgoed een hoofdthema vormt en het verplicht is om het geheel aan cultureel erfgoed mee te wegen bij ruimtelijke ontwikkelingen; het vergemakkelijkt de integratie van cultureel erfgoed in het Omgevingsplan; met beleid voor gebouwd erfgoed en ander cultureel erfgoed sluiten we beter aan bij de gemeenten Ooststellingwerf en Weststellingwerf, wat de samenwerking vergemakkelijkt wanneer er sprake is van gemeentegrens overstijgende samenwerking; het zorgt voor kaders bij collega’s wanneer het gaat om cultuurhistorisch waardevolle objecten en zorgt voor eenheid in de werkzaamheden op de afdeling vergunningverlening, die ook de beoordeling van de gemeentelijke monumenten van Ooststellingwerf en Weststellingwerf behandelen.

Van objectgericht naar gebiedsgericht Sinds 2014 zijn gemeenten wettelijk verplicht om cultuurhistorie op te nemen in de bestemmingsplannen (artikel 3.1.6 lid 5 sub a Bro). Het is daarom van belang om een goede inventarisatie en analyse te maken van de aanwezige cultuurhistorische waarden in de gemeente. Moderne erfgoedzorg gaat over cultuurhistorie, dus over zowel het archeologische, het historischgeografische als het gebouwde erfgoed, en het gaat over beschermen en in stand houden, ontwikkelen en inspireren. We spreken daarom niet meer over monumentenzorg, maar over erfgoedzorg. In plaats van de statische bescherming van objecten, is de tendens nu meer om te kijken naar historische structuren en ruimtelijke elementen waaruit we de ruimtelijke opbouw en ontwikkeling van een gebied kunnen aflezen. Denk hierbij aan lintdorpen, dijken, verkaveling van het landschap, groenstroken en de stedenbouwkundige opzet van woonwijken die typerend zijn voor een bepaalde periode. Daarbij gaat het niet puur en alleen om behoud, maar veel meer om ‘behoud door ontwikkeling’, behoud van het ruimtelijke karakter en de beleving. Er zijn verschillende manieren om cultuurhistorische waarden vast te leggen. Dit kan door middel van een bestemming, een dubbelbestemming ‘cultuurhistorie’, een bouwaanduiding of het aanduiden van karakteristieke objecten.

Het omschrijven van cultuurhistorische kenmerken in bijvoorbeeld beeldkwaliteitsplannen en bestemmingsplannen is het uitgangspunt voor het behoud en versterken van cultuurhistorie in meer algemene zin. Een bestemming of dubbelbestemming heeft een prioritair karakter en betreft bijvoorbeeld ‘van waarde’. Een aanduiding geeft meer specifiek bouw- of gebruiksbeperkingen voor de onderliggende bestemming. Het betekent niet dat er op die cultuurhistorisch waardevolle locaties geen ontwikkelingen meer plaats kunnen vinden, maar dat deze ontwikkeling met besef van en respect voor de waarde van de betreffende locatie gebeurt. Een belangrijke gemeentelijke taak daarbij is het creëren van besef en kennis van de aanwezigheid en betekenis van cultuurhistorie. Hierbij kan het toekennen van een gemeentelijke monumentenstatus aan cultuurhistorisch waardevolle objecten fungeren als wezenlijke ondersteuning. Ondanks de gebiedsgerichte focus is het zodoende nog steeds van belang om te weten wat je hebt aan cultureel erfgoed. Het toekennen van een gemeentelijke monumentenstatus onderstreept het belang van de bijzondere en cultuurhistorische waardevolle objecten, waarmee inzichtelijk gemaakt wordt op welke locaties we hiermee te maken hebben. Als gevolg van een 11

Deel 2. Historische achtergrond van het gebouwde erfgoed dergelijke status van objecten, zal de waardering voor het Opsterlandse erfgoed toenemen, en hopelijk tot het besef van de geschiedenis en kennis van de locatie leiden en zodoende inspiratie brengen bij ruimtelijke ontwikkelingen en zorgen voor extra zorgvuldige planontwikkeling op gevoelige locaties. Met de gebiedsgerichte aanpak is het aanwijzen van een zelfstandig object, gebouw of zelfstandige structuur minder relevant geworden. Cultuurhistorie dient opgenomen te worden in het grotere perspectief. Toch is een objectgerichte benadering om te komen tot een volledig overzicht een eerste stap in die richting. In een later stadium van de ontwikkeling van breed erfgoedbeleid, waar gemeentelijk monumentenbeleid een onderdeel van vormt, kan het gemeentelijk monumentenbeleid verweven worden archeologie en cultuurhistorie en kan er een overstap gemaakt worden naar een meer gebiedsgerichte omgang met cultureel erfgoed. De aandacht bovendien ligt niet langer alleen op behoud, maar veel meer op ontwikkeling, hergebruik en beleving. Erfgoedzorg richt zich tegenwoordig veel meer op het behoud en vernieuwing met elkaar verbinden.

In de hierop volgende notitie zullen enkele suggesties worden gegeven voor maatregelen die tegen geringe kosten kunnen worden genomen om eigenaren van beschermwaardige objecten te stimuleren passend gebruik van hun monument te maken.

Panden gebouwd tussen 1850 en 1930. Hoofdstraat, Beetsterzwaag

Wanneer er een gebiedsgericht uitgangpunt gehanteerd wordt bij ruimtelijke ontwikkelingen, wordt er uitgegaan van 12 het geheel aan cultuurhistorische structuren in de omgeving. Hierbij valt te denken aan de verschillende historisch gebouwde objecten als geheel, maar ook aan de (historische) indeling van de straat, de aanliggende groenstructuren zoals nabijgelegen parken, oude bomen, maar ook waterpartijen, locatie van het straatmeubilair, de gebruikte materialen en ensemblewaarde van de objecten daarin; dit alles in samenhang met elkaar.

Deel 2. Historische achtergrond van Opsterlands gebouwde erfgoed

13

Het oudst bewaard gebleven houten metaheerhuis (Joods baarhuisje) van Nederland, Joodse begraafplaats Gorredijk.

2. Historische achtergrond van het gebouwde erfgoed Gemeente Opsterland is gelegen in de zuidelijke Friese wouden en ligt op de overgang van het DrentsFriese plateau (de zandgronden) in het oosten en de lagergelegen veengebieden in het westen. Dat zorgt ervoor dat de bebouwing in de verschillende delen van de gemeente een eigen karakter heeft. In deze paragraaf wordt een korte historische schets gegeven van gebouwd erfgoed. In de definitieve notitie zal dit onderwerp verder uitgediept worden. 2.1 Historische kernen en linten Binnen de gemeente Opsterland liggen 16 dorpen, waarvan het grootste deel van middeleeuwse oorsprong is. De rivier de Boorne, ook wel bekend als Koningsdiep of Alddjip, is bepalend geweest voor het ontstaan van de dorpskernen en de bebouwingslinten ten noorden en ten zuiden daarvan. Kenmerkend voor de bebouwingslinten is dat ze de loop van de rivier volgen. Waren het vroeger met name boerderijplaatsen die hier stonden (en verdwenen zijn), nu zijn het vaak karakteristieke woningen uit de periode 1875 tot 1950 die hier een plek gekregen hebben, waarvan sommige een zeer grote cultuurhistorische waarde vertegenwoordigen.

2.2 Invloed van modernisering en schaalvergroting Diverse moderniseringsprocessen en de schaalvergroting hebben bijgedragen aan de vorming van de bebouwing binnen de gemeentegrenzen, zoals het ontstaan van grootschalige turfwinning, infrastructurele ontwikkelingen en (kleinschalige) industrialisering. Rond het midden van de zestiende eeuw werden de eerste (hoog)veengebieden aangekocht voor een meer grootschalige turfwinning. Er werden verschillende vaarten gegraven met haaks daarop de wijken voor de ontwatering en afvoer van turf. De vaart naar het Gorreveen is rond 1625 gegraven. Meer oostwaarts werd de Opsterlandsche Compagnonsvaart gegraven. In 1783 liep deze vaart tot aan de grens met Ooststellingwerf. In het noordoosten van Opsterland werd de Drachtster (Compagnons)vaart gegraven (1642), die later werd doorgetrokken naar Frieschepalen en Bakkeveen. Langs de zuidgrens lag de Schoterlandse Compagnonsvaart, waarvan de wijken aan de noordkant deels nog op Opsterlands grondgebied liggen. Voor circa 1800 werd in het laagveengebied in westelijk Opsterland op kleine schaal turf gegraven. Na de introductie van de Gieterse methode nam de intensiviteit en omvang van de turfwinning ook in Opsterland toe. Er ontstonden diepe en uitgestrekte plassen, vooral in de omgeving van Luxwoude en Tijnje. In het noordwesten, in de omgeving van het huidige Nij Beets, werd pas vanaf 1863 verveend.

Vanaf toen tot het begin van de twintigste eeuw werden de uitgeveende plassen drooggemalen en omgezet in landbouwgrond. Tot aan het eind van de negentiende eeuw waren er overigens maar weinig verharde wegen. De belangrijkste verbindingen waren oost-west georiënteerd, mee met de richting van de zandruggen langs de Boorne. Een van de weinige noord-zuidverbindingen was de Nieuweweg, aangelegd in 1758, nu bekend als de Gorredijksterweg. In 1831 werd de Nieuwe Leppedijk aangelegd, deels op het tracé van de Oude Leppedijk uit 1527. In het derde kwart van de negentiende eeuw werden alle belangrijke bestaande verbindingen verhard. Na de Tweede Wereldoorlog werden er wegen aangelegd langs de Compagnonsvaarten. In 1882 kwam de stoomtramlijn Heerenveen-Gorredijk tot stand, die in 1884 doorgetrokken werd naar Drachten. In 1911 kwam daar de lijn Gorredijk-Oosterwolde bij. Beide lijnen werden langs bestaande wegen aangelegd. Door de opkomst van de autobus verloor de tram haar functie echter weer.

14

2.3 Industrieel erfgoed Netgenoemde processen van modernisering en industrialisering drukten hun stempel op de ontwikkeling van de dorpen en het landschap. Veel van de bebouwing die hieruit voortkwam, behoort tot het industriële erfgoed. Het zijn de voortbrengselen van de mens ten behoeve van de dagelijkse arbeid, waarin zij een functie vervulden. Het gaat onder meer om fabriekspanden, zuivelfabrieken, bruggen en sluizen, transformatorhuisjes, watertorens, molens, pakhuizen, stationshallen en scheepshallen. Ook bepaalde typen woningen worden gerekend tot het industriële erfgoed. Langs de vaarten werden bijvoorbeeld diverse brugwachterswoningen gebouwd. Gorredijk, eertijds een belangrijke verzamelplaats voor de doorvoer van turf en centrum van regionale bedrijvigheid, bezit nog veel panden die grote cultuurhistorische waarde vertegenwoordigen en tonen hoe het dorp gegroeid is door de tijd, waaronder een voormalige melksalon, de boterwaag en de vroegere houtzagerij. Tal van bruggen werden aangelegd ter verbetering van de infrastructuur en de bereikbaarheid. Ook in andere dorpen speelde de bedrijvigheid en aanwezigheid van kleine zelfstandigen mee bij de ontwikkeling van de bebouwing (bijvoorbeeld de bouw van melkfabrieken, herbergen en cafés).

Met de komst van de tramwegen en toenemende industrialisering ontstond er nieuwe functionele bebouwing, zoals tolhuizen en stationsgebouwen, en zorgde een toename in de werkgelegenheid voor de bouw van onder meer arbeiderswoningen. Een deel van deze bebouwing is al beschermd als zijnde rijksmonument, maar er zijn nog diverse objecten zonder beschermde status, die wel de moeite waard zijn om te behouden.

15 Voormalige houtzagerij Van der Sluis & Posthumus, bouwjaar 1900. Bron inzet: website bouwbedrijf Posthumus

2.4 Agrarisch erfgoed: boerderijen, bakhuisjes en schuren In het westelijke deel van de gemeente is de bebouwing een stuk minder dicht dan in het oosten en rondom Beetsterzwaag, en wordt het gebied gekenmerkt door zijn weidsheid. Niettemin zijn er in alle delen van de gemeente een groot aantal oorspronkelijke boerderijen bewaard gebleven, ook in de delen waar er meer bebossing aanwezig is. Maar ook hier geldt dat het gros van deze boerderijen geen beschermde status geniet. Ten behoeve van het Bestemmingsplan Buitengebied, vastgesteld in 2015, is het aantal aanwezige oorspronkelijke boerderijen in kaart gebracht. Deze boerderijen zijn van belang doordat hun aanwezigheid het uiterlijk van het landschap vormgeeft. Ze zijn doorgaans te vinden op plekken waar al eeuwenlang gewoond werd, wat nog te zien is op oud kaartmateriaal en weergegeven is op de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) als boerderijplaats. De nog bestaande boerderijen zijn van uiteenlopende architectuur: kop-hals-romp boerderijen, boerderijen met een dwarshuis, stelpboerderijen, maar ook de wat minder vaak voorkomende Zuid-Friese en Oldambtster boerderijtypen, met allen hun eigen bijzonderheden qua vormgeving en details. Het gros van deze boerderijen is gebouwd tussen 1880 en 1940. Met name de stelpboerderijen waren populair in deze periode, en werden vaak gebouwd in natte veengebieden.

2.5 Wijkopbouw, stedenbouwkundige structuren en wederopbouw (ca. 1945-1970) In de naoorlogse periode was er sprake van toenemende bevolkingsgroei en verdichte het wegennetwerk zich verder. In de wat grotere kernen in Opsterland betekende dit de bouw van diverse woonwijken, die geschaard kunnen worden onder de noemen wederopbouw. De wederopbouwperiode kenmerkt zich door ‘grootschaligheid’ en ‘serieproductie’. Wat betreft woningbouw lag het accent op het bouwen van betaalbare gezinswoningen. Vaak zien we daarom in de wijken die zijn gebouwd na de Tweede Wereldoorlog hetzelfde type woningen terugkomen, ook in verschillende dorpen en steden. In Gorredijk, Ureterp en Beetsterzwaag, maar ook in het merendeel van de kleinere dorpen werden in deze periode woonwijken aangelegd, met een vergelijkbaar stratenpatroon, groenaanleg en ruimtelijke indeling. De waarde van de wederopbouwarchitectuur ligt vooral in de stedenbouwkundige structuren en de ruimtelijke opbouw van de wijken, alsook de positie van de woonblokken en de ruime groenaanleg daarbinnen. Zij heeft een belangrijke stempel gedrukt op de ruimtelijke context. In Gorredijk is er sprake van een duidelijk ruimtelijk onderscheid tussen de lintvormige bebouwingspatronen en het stedenbouwkundige patroon van de woonbebouwing in de eerste uitbreidingen van het dorp.

De stedenbouwkundige structuur van de straten die nog later aangelegd zijn in de IJbuurt, zoals de Mouterij, Weverij en Brouwerij, Plattegrond Gorredijk 1970. Bron: topotijdreis.nl wordt sterk bepaald door een woonerfachtige inrichting van

16

Ontmoetingskerk, bouwjaar 1961.

de straten. Deze rijtjeswoningen zijn in een geschakeld patroon ontwikkeld volgens noord-zuid lopende lengteassen. Deze lengteassen zijn bepaald door de gekozen groene structuur van noord-zuid lopende groene assen, die aansluiten op het heersende verkavelingspatroon van het lokale coulisselandschap. De woonwijken in Ureterp, Beetsterzwaag, Bakkeveen en andere dorpen vertonen een soortgelijke indeling. Naast de kenmerkende rijtjeswoningen zijn er tal van andere gebouwen die gerekend worden tot de wederopbouwarchitectuur. De kerkgebouwen in Ureterp aan de Mounestrjitte en de Tsjerkewâl in Bakkeveen zijn daarvan enkele voorbeelden. Deze kerkgebouwen zijn gebouwd in eclectische trant, met stijlelementen die vaak te zien zijn in wederopbouwwijken. 2.6 Groen erfgoed Groen erfgoed, ook wel bekend als aangelegd erfgoed, is de verzamelnaam voor historische groenaanleggen zoals tuinen, parken, begraafplaatsen, groenstructuren in woonwijken alsook buitenplaatsen en landgoederen. Cultuurlandschappen zoals (hakhout-)bossen en houtwallen vallen ook onder de noemen Groen erfgoed. Cultuurlandschappen worden in deze notitie buiten beschouwing gelaten. Groen erfgoed vormt een integraal onderdeel van onze landschappen en leefomgeving. Groen erfgoed staat onder toenemende druk vanwege de klimaatverandering, die problemen zoals bodemdaling, droogte en overstromingen zou kunnen veroorzaken.

Rondom Beetsterzwaag en Bakkeveen zijn de landhuizen en villa’s kenmerkende gebouwde aspecten van het landschap.

17

De Overtuin, ontwerp tuinarchitect Roodbaard. (Rijksmonument)

3. Rijksmonumenten De Monumentenwet 1988 definieerde rijksmonumenten als onroerende zaken die ten minste 50 jaar oud waren en die van grote cultuurhistorische of architectonische waarde waren of van algemeen belang wegens hun schoonheid of betekenis voor de wetenschap. Het Rijksmonumentenregister bevat op dit moment 63.000 gebouwde en archeologische rijksmonumenten, waarvan het merendeel woonhuizen zijn. Het doel was om te komen tot een volwaardig monumentenbestand, waarin een representatief aantal gebouwde objecten samengebracht werd. Rijksmonumenten moesten een afspiegeling vormen van wat we met elkaar, deskundigen en inwoners, belangrijk vinden om te behouden voor de toekomst. Vandaag de dag wijst de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) alleen nog rijksmonumenten binnen drie categorieën aan: de wederopbouwperiode, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en archeologische monumenten. Bij hoge uitzondering worden er nog objecten aangewezen die niet tot deze categorieën behoren. Anno 2022 telt de gemeente Opsterland 109 rijksmonumenten. Na afronding van de MIP-lijst zijn er 23 objecten van deze inventarisatie tot rijksmonument benoemd. De volledige lijst van rijksmonumenten in de gemeente Opsterland staat in bijlage 1. Het merendeel van de aangewezen objecten bestaat uit woonhuizen en boerderijen.

Ook enkele minder veelvoorkomende objecten, zoals een gemaal, watertoren, predikantenhuisje en molen hebben de status rijksmonument gekregen.

Rijksmonumenten: De Slotplaats, bouwjaar 1818, en diaconiehuis, bouwjaar 1854. (inzet)

18

Deel 3. Wettelijke kaders en instrumentarium

19

Herenhuis in Vernieuwingsstijl, bouwjaar 1917/1918. (Rijksmonument)

4. (Wettelijke) kaders voor het beleid van gebouwd erfgoed Belangrijke wettelijke kaders voor erfgoedbeleid zijn de toekomstige Omgevingswet, de Wabo, de Erfgoedwet, de Monumentenwet 1988 (voor archeologische rijksmonumenten), de nationale, provinciale en de gemeentelijke Omgevingsvisie. Daarnaast zijn er provinciale en gemeentelijke stukken die van belang zijn, zoals de structuurvisie Grutsk op ‘e Romte, de Omgevingsvisie ‘De Romte diele’, de gemeentelijke Welstandsnota en Omgevingsvisie. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet, als vervanger van de Monumentenwet 1988, in werking getreden. De Erfgoedwet is het kader waarbinnen de gemeente haar erfgoedbeleid kan ontwikkelen. Op grond van de Erfgoedwet kan de gemeente een erfgoedverordening vaststellen. De erfgoedverordening biedt de gemeente haar juridische instrument om over te gaan tot het aanwijzen van gemeentelijke monumenten. 4.1 Landelijk beleid en wet- en regelgeving Gemeentelijk erfgoedbeleid komt voor het grootste deel direct voort uit beleid dat het Rijk bepaald heeft. De lokale overheid brengt de door het Rijk vastgestelde wetten en regels ten uitvoering. Daarom is het belangrijk om te weten wat er in de afgelopen jaren op rijksniveau besloten is, dit verklaart immers goeddeels het lokale beleid alsook het dagelijks handelen.

De laatste jaren worden taken steeds meer gedecentraliseerd vanuit de overheid en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed naar lokale overheden. De Rijksdienst wordt in toenemende mate een kennis- en adviescentrum, terwijl gemeenten de uitvoering van wetten, regels, vergunningsaanvragen en dergelijke op zich nemen. In het verleden adviseerde de Rijksdienst altijd mee als er bouwaanvragen voor rijksmonumenten binnenkwamen (bijvoorbeeld bij herbestemming, reconstructies, grote restauraties en verbouwingen), nu doet zij dat nog sporadisch. Ook adviseert zij provincies en lokale overheden door middel van cursussen, webinars, workshops en publicaties. Momenteel wordt in het erfgoedbeleid van het Rijk veel nadruk gelegd op de verbindende en maatschappelijke waarde van cultureel erfgoed. Een voorbeeld daarvan is om mensen met afstand tot de arbeidsmarkt gezamenlijk een monument te laten onderhouden als vorm van dagbesteding. Ook kan er gekeken worden naar manieren waarop erfgoed ingezet kan worden tegen problemen die ontstaan door onder andere klimaatverandering, zoals het herstellen en gebruiken van historische watergangen voor de afvoer van overtollig regenwater door hevige buien.

De afgelopen jaren zijn er veel veranderingen geweest die het erfgoed raken, zoals nieuwe wetgeving en veranderd provinciaal en landelijk erfgoedbeleid, die direct van invloed zijn op het lokale erfgoedbeleid. Voor gemeenten betekenden deze aanpassingen een belangrijke taakverandering, wat aanleiding geeft tot het opstellen van nieuw gemeentelijk beleid voor gebouwd erfgoed. Landelijke wijzigingen van de laatste jaren waren: - vaststelling Wet op de Archeologische Monumentenzorg: sinds 2007 zijn gemeentes wettelijk verplicht om archeologisch beleid op te nemen in de bestemmingsplannen; - vaststelling van de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (Wabo) ten behoeve van een eenvoudiger en krachtigere wetgeving en vergunningprocedures; - vaststelling van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) waardoor gemeentes verplicht zijn cultuurhistorie op te nemen in de bestemmingsplannen; - vaststelling van de Erfgoedwet in 2016. Deze vervangt de Monumentenwet 1988. Een deel van de regels uit de Monumentenwet gaan over in de Omgevingswet.

20

Voor het gebouwde erfgoed zijn met name de Wabo, de Bro en de Erfgoedwet van belang. Meer informatie over deze wetten is te vinden in bijlage 2. Zodra de Omgevingswet ingaat, betekent dit dat de erfgoedzorg opnieuw een verandering zal doormaken. 4.1.1 Omgevingswet De Omgevingswet treedt naar verwachting in werking op 1 januari 2024 en staat voor een goede balans tussen het benutten en het beschermen van de fysieke leefomgeving. De Erfgoedwet gaat samen met de nieuwe Omgevingswet vanaf dat moment het fundament vormen voor de bescherming van rijksmonumentale objecten. Ook biedt de Omgevingswet gemeenten de mogelijkheid om met overzichtelijkere regels de leefomgeving meer in samenhang in te richten. Het biedt bovendien meer ruimte voor maatwerk en leidt tot snellere en betere besluitvorming. De Omgevingswet zal leiden tot een meer integrale werkwijze met betrekking tot de beleidsvelden die het ruimtelijk beleid raken, waaronder ook erfgoed. Er worden nieuwe instrumenten geïntroduceerd die van belang zijn voor de omgeving en die op vele fronten tot een nieuwe manier van werken gaan leiden. Alle erfgoedgerelateerde zaken die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving worden straks opgenomen in de Omgevingswet. De vuistregel voor de verdeling tussen de Erfgoedwet en de nieuwe Omgevingswet is als volgt: -

-

roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten staat in de Erfgoedwet; de aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed, zoals stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen, maar ook de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving komt in de Omgevingswet; de omgang met archeologische waarden en bijbehorende regels staan vermeld in de bestemmingsplannen; dit is geregeld in de omgevingswet; de algemene uitgangspunten met betrekking tot archeologie, voortkomend uit het verdrag van Malta, blijven als basis vermeld staan in de Erfgoedwet.

Samen met de Omgevingswet maakt de Erfgoedwet aldus een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk, door de bundeling van bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de huidige wetten en regelingen gelden op zijn minst worden gehandhaafd. Deze wetswijzigingen brengen grote veranderingen met zich mee voor gemeenten. 4.1.1.1 Omgevingswetproof Voor nu ligt de focus van de gemeente Opsterland op het op orde brengen van de basis. Het doel is echter om niet alleen de meest basale taken uitgewerkt te hebben. Qua instrumentarium en beleid is het nog niet vergelijkbaar met gemeenten die al veel langer en meer tijd hebben besteed aan het ontwikkelen van producten op het gebied van cultureel erfgoed. Belangrijke vragen die in het proces naar voren komen zijn: wat loopt er nog en is er verder nog nodig aan inventarisaties en harmonisaties? We hebben al veel in kaart gebracht, maar dit is nog niet tot een samenhangend geheel gesmeed. Verder rijst de vraag welke mogelijkheden er zijn inzake de integratie van erfgoed in de bredere zin van het woord, zowel tussen roerend en onroerend, immaterieel en materieel erfgoed. Dit is met name van belang omdat de Omgevingswet eraan komt.

Het motto van de Omgevingswet is “ruimte voor ontwikkeling, waarborgen voor kwaliteit”. Dit toont de twee hoofddoelen van de Omgevingswet: 1. Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur.

21

2. Het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Het verbinden van deze twee doelen met de ontwikkeling van (bouw)plannen en projecten die betrekking hebben op de openbare ruimte, en de rol die erfgoed daarbij speelt, vormen een uitdaging voor de toekomst. De hoofdvraag is dan ook: hoe kunnen wij het erfgoed beschermen, terwijl we het op hetzelfde moment een nieuwe toekomst geven?

4.2 Gemeentelijk beleid en instrumentarium Naast de netgenoemde landelijke wetswijzigingen hebben er ook een aantal ontwikkelingen plaatsgevonden op gemeentelijk niveau, zoals de aanstelling van een onafhankelijke, deskundige erfgoedcommissie die het college adviseert over de omgang met het culturele erfgoed in de gemeente en aanpassingen die gemaakt zijn om bestemmingsplannen volgens wettelijke kaders op te stellen. 4.2.1 Erfgoedverordening De juridische basis voor de omgang met het erfgoed, en dan met name die van de gemeentelijke monumenten, gemeentelijke beschermde dorpsgezichten en archeologische (waardevolle) verwachtingsgebieden, staat in de erfgoedverordening. Een erfgoedverordening is te zien als een lokale Erfgoedwet. Hierin zijn regels opgenomen met betrekking tot het aanwijzen en afvoeren van gemeentelijke monumenten. Ook zijn hierin regels opgenomen die het verbieden om zonder vergunning (toestemming van de gemeente) schade toe te brengen aan een monument (sloop, verbouw, wijzigingen) of een pand binnen een gemeentelijk beschermd dorpsgezicht. Verder zijn in de Erfgoedverordening regels opgenomen ten behoeve van de bescherming van archeologische waardevolle gebieden. Het is verboden om een archeologisch monument, of terreinen met (hoge) archeologische verwachtingswaarden, zonder vergunning te verstoren.

De ‘Erfgoedverordening gemeente Opsterland 2023’ is beleidsarm.

22

4.2.2 Bestemmingsplannen Een bestemmingsplan is bepalend voor wat er binnen een bepaald gebied met de ruimte mag gebeuren. Het is een juridisch uitvoeringsinstrument, dat bindende regels bevat voor bouwen en gebruiken van gronden. Een bestemmingsplan is opgebouwd uit drie delen: de plankaart c.q. verbeelding, de regels en de toelichting. Welke bestemming er op een perceel ligt en welk gebruik er toegestaan is, wordt aangegeven op de verbeelding, door middel van bouwvlakken en -aanduidingen, maatvoeringsgegevens, functies, gebiedsaanduidingen en figuren. Het kan voorkomen dat er op een gebied twee onafhankelijke bestemmingen liggen op hetzelfde moment, een zogenoemde dubbelbestemming. Zoals aangegeven in paragraaf 4.2.1 is het sinds januari 2012 verplicht om in de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden (artikel 3.1.6 lid 5 sub a Bro). 4.2.3 Beeldkwaliteitsplannen Een beeldkwaliteitsplan is een ander instrument waarin kaders aangegeven kunnen worden ter bescherming van karakteristieke objecten of gebieden. In 2020 is het Ruimtelijk Kwaliteitsplan Hoofdstraat Beetsterzwaag vastgesteld. Dit beeldkwaliteitsplan kwam tot stand in samenwerking met inwoners van Beetsterzwaag.

De aandacht ging uit naar het behouden van het historische karakter en oude structuren van de Hoofdstraat. Door middel van een analyse van de historische aspecten van de bebouwing binnen de Hoofdstraat zijn er voorschriften en adviezen opgesteld die een leidraad vormen bij ruimtelijke ontwikkelingen die zich voordoen in de Hoofdstraat. Het beeldkwaliteitsplan fungeert als onderlegger en als inspiratiebron voor projectontwikkelaars, architecten en andere externe partijen die (ver)bouwplannen hebben voor percelen en panden in de Hoofdstraat. Overwogen kan worden om ook voor het historische centrum van Gorredijk eenzelfde beeldkwaliteitsplan te ontwikkelen. Het historische centrum van Gorredijk bestaat uit tal van karakteristieke panden, die het risico lopen te worden aangetast in hun historische waarden. Gemeentelijk monumentenbeleid zal een bescherming bieden voor een deel van de panden, maar er zijn ook tal van panden die niet voor een dergelijke status in aanmerking komen, maar wel degelijk beeldbepalend zijn voor het centrum. Op basis daarvan kan de afweging gemaakt worden of er een extra dimensie aan het behoud van het karakter van het centrum van Gorredijk toegevoegd moet worden middels een beeldkwaliteitsplan. De mogelijkheden, noodzaak en voor- en nadelen hiervan zullen in 2023 en 2024 verder verkend worden.

4.2.4 De omgevingsvergunning voor monumenten Met de komst van de Wabo in oktober 2010 is een vergunning voor de verbouwing van een monument in de bredere omgevingsvergunning opgenomen. In plaats van een monumentenvergunning én een bouwvergunning kan nu met één omgevingsvergunning worden volstaan. Voor gemeentelijke monumenten en gemeentelijke beschermde dorpsgezichten is een reguliere omgevingsvergunning vereist. Voor een vergunningsaanvraag voor een rijksmonument of een pand binnen een rijksbeschermd dorpsgezicht staat een uitgebreidere procedure met een duur van standaard 26 weken. De termijn dekt het tijdsbestek van het aanvragen van een extern advies bij de RCE, die in sommige gevallen noodzakelijk is. Voor wijzigingen aan een rijksmonument die geen betrekking hebben op gedeeltelijke sloop, functiewijziging of grootschalige wijzigingen aan het exterieur geldt de reguliere procedure. Bij panden binnen een gemeentelijk beschermd dorpsgezicht zijn alleen wijzigingen aan de gevels en dakvlakken die gekeerd zijn naar de openbare ruimte vergunningplichtig voor het onderdeel monument. Dit geldt ook voor wijzigingen aan erfafscheidingen en bijgebouwen die binnen dit beschermde gebied staan, en die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte. Voor 23

onderdelen die niet zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte, gelden de reguliere regels uit de omgevingswet, evenals de eventuele vergunningsvrije activiteiten. Bij de behandeling van aanvragen voor wijzigingen binnen een gemeentelijk beschermd dorps- of stadsgezicht worden de regels van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed gehanteerd. 4.2.5 Gemeentelijke adviescommissie De landelijke Erfgoedwet en de ‘Erfgoedverordening gemeente Opsterland 2023’ schrijven voor dat aanvragen met betrekking tot beschermde monumenten en beschermde stads- of dorpsgezichten voor advies worden voorgelegd aan een adviescommissie met expertise op het gebied van de monumentenzorg. De gemeente Opsterland legt aanvragen met betrekking tot monumenten voor aan een onafhankelijke en deskundige adviescommissie op het gebied van de monumentenzorg. Deze adviescommissie maakt op basis van het gemeentelijke erfgoedbeleid, en waar mogelijk met de betrokken partijen, een zorgvuldige afweging van de impact van voorgestelde wijzigingen op aanwezige monumentale en cultuurhistorische waarden. Zij hebben de taak het college op verzoek te adviseren over de toepassing van de Erfgoedwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Erfgoedverordening en het gemeentelijke monumentenbeleid. De adviescommissie adviseert schriftelijk en vergadert eens in de twee weken.

De adviescommissie stelt het op prijs dat aanvragers en/of ontwerpers een toelichting geven bij het plan. Wanneer de Omgevingswet in werking treedt, vervallen de taken van de huidige adviescommissie van rechtswege. Er zal er een nieuwe commissie aangesteld worden: de gemeentelijke adviescommissie ruimtelijke kwaliteit.

24

Boerderij Boschzicht. Gebouwd in de achttiende eeuw. (Rijksmonument)

4.2.6 Handhaving en instandhoudingsplicht Wanneer de Omgevingswet in werking treedt zal de rol van de gemeente zoals gezegd veranderen. Een nieuw stelsel waarbij er minder vergunningen zijn, meer zorgplichten en meer algemene regels, leidt er noodzakelijkerwijs toe dat waar er eerst vooraf getoetst werd, de meeste toetsing in het nieuwe stelsel achteraf zal plaatsvinden. De gemeente wordt hierdoor gedwongen vooraf maximale duidelijkheid te geven over wat er op een bepaalde plek wel en niet mag. Juridisch betekent dat een verschuiving van vergunningverlening naar handhaving. Dit heeft een aantal praktische gevolgen. Het brengt een lastenverlichting mee voor burgers, maar betekent juist een verzwaring van de gemeentelijke taken, omdat handhaving veel tijd in beslag neemt. Het opstellen van erfgoedbeleid is alleen nuttig als de daarin beschreven maatregelen ook gehandhaafd kunnen worden. Voldoende kennis en capaciteit hebben op het gebied van toezicht op en handhaving van erfgoed is hierbij van cruciaal van belang. Er is meer deskundigheid nodig bij toezicht en handhaving op restauraties van monumenten en op archeologische voorwaarden, dan nu het geval is. De inzet, capaciteit en aanwezige kennis zal moeten worden beoordeeld en zo nodig bijgesteld, geïntensiveerd en/of uitgebreid moeten worden.

Het VTH-beleid zal bovendien moeten worden aangepast aan de Omgevingswet, waarbij de principes van de Omgevingswet moeten zijn vertaald in het VTH-beleid. Diverse onderwerpen en prioriteiten, waaronder ook erfgoed, zullen daarbij opnieuw tegen het licht gehouden moeten worden, zodat er bestuurlijke keuzes gemaakt kunnen worden. Het is op dit moment niet bekend wanneer het VTH-beleid wordt herzien. Dat kan zowel voor als na de invoering van de Omgevingswet zijn. 4.2.7 Omgevingsplan Het Omgevingsplan vervangt het huidige bestemmingsplan en de gemeentelijke verordeningen die over de fysieke leefomgeving gaan. De gemeente wijst in het Omgevingsplan gemeentelijke monumenten aan. Ook de bestaande gemeentelijke monumenten worden door de gemeente overgezet naar het Omgevingsplan. Artikel 5.130 (behoud cultureel erfgoed) van het Besluit kwaliteit leefomgeving vraagt om via het Omgevingsplan te voorkomen dat in de omgeving van rijksmonumenten, en monumenten die op grond van het Omgevingsplan zijn beschermd (gemeentelijke en provinciale monumenten of bijvoorbeeld beeldbepalende of karakteristieke panden) aantastingen plaatsvinden die deze beschermde monumenten ontsieren of beschadigen. De gemeente moet aantasting van de omgeving van beschermde monumenten voorkomen, voor zover die aantasting een negatieve invloed heeft op het aanzicht of de waardering van de betreffende monumenten.

Hiervoor moeten gemeenten adequate regels opnemen in het Omgevingsplan. In de toekomst zal worden bekeken hoe de Notitie Gebouwd erfgoed ingepast kan worden als bouwsteen in het Omgevingsplan en op welke wijze regels voor de bescherming van de omgeving van een monument hierin kunnen worden ingepast.

25

Deel 4. Aanwijzing van gemeentelijke monumenten

26

Pastorie bij kerk van Wijnjeterp, bouwjaar 1878. (Rijksmonument)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Opsterland&id=06485bb5-35da-43fe-ad57-5f3ff3a73471