Bijlage 2 Onderzoeksrapport
Tekst van het document
Armoederegelingen nader bekeken
Rekenkamer Opsterland, juli 2024
1
Inhoudsopgave
1.2
Veel voorkomende regelingen .................................................. 27
1.3
Meedoenregelingen................................................................... 28
Bestuurlijke nota ....................................................................................... 3
1.4
Overige, lokale regelingen ........................................................ 29
Beschouwing ............................................................................................... 4
Bijlage 2
Geraadpleegde bronnen ....................................................... 31
Aanbevelingen ............................................................................................ 5
Bronnenlijst regelingen .......................................................................... 31
Antwoord op de onderzoeksvragen ............................................................ 7
Bronnenlijst armoedecijfers ................................................................... 38 Bijlage 3
Nota van bevindingen ............................................................................. 12 1.
Bestuurlijke reactie ................................................................ 39
Factsheets ................................................................................................. 40
Inleiding .............................................................................................. 13 1.1
Aanleiding voor het onderzoek.................................................. 14
1.2
Doel ........................................................................................... 15
1.3
Afbakening ................................................................................ 15
1.4
Onderzoeksvragen .................................................................... 15
1.5
Onderzoeksaanpak ................................................................... 15
1.6
Ambtelijk en bestuurlijk wederhoor ........................................... 15
1.7
Regelingen en centrale begrippen ............................................ 16
Factsheet 1 – Armoedecijfers Factsheet 2 – Regelingen per gemeente Factsheet 3 – Regelingen vergeleken
1.8 Leeswijzer ....................................................................................... 16 2.
Bevindingen armoedeproblematiek .............................................. 17
3.
Bevindingen regelingen OWO-gemeenten ................................... 19 3.1
Opsterland ................................................................................. 19
3.2
OWO-gemeenten onderling vergeleken ................................... 22
Bijlagen .................................................................................................... 24 Bijlage 1
Regelingen ............................................................................ 25
1.1
Verplichte regelingen ................................................................ 25
2
Bestuurlijke nota
3
Beschouwing De aanleiding voor het starten van deze QuickScan eind 2023 waren de ramingen van het CPB die lieten zien dat de verwachting was dat het percentage inwoners in armoede zou gaan stijgen, ondersteund door cijfers van onder andere het CBS, het Rode Kruis en Humanitas. Daarnaast kwamen er rapporten uit van de Commissie sociaal minimum waaruit onder andere bleek dat huishoudens tot honderden euro’s tekort komen per maand, geen of nauwelijks een buffer kunnen opbouwen en dat, naast de invloed van de regelingen op landelijk niveau, de gemeente waarin je woont een aanzienlijke invloed kan hebben op welke gemeentelijke inkomensondersteuning je tot je beschikking hebt en aan welke voorwaarden je moet voldoen om ervoor in aanmerking te komen. Uit deze QuickScan blijkt dat er ook in de onderzochte gemeenten verschillen zijn, zowel op het gebied van welke regelingen er worden aangeboden als op het gebied van de inhoud van de regelingen en aan welke voorwaarden voldaan moet worden om ervoor in aanmerking te komen. Er kan echter niet gezegd worden dat in algemene zin de ene gemeente ruimhartiger is dan de andere gemeente. Door de complexiteit van het geheel aan beschikbare regelingen en voorwaarden is de vergelijking, zonder ingewikkelde en uitgebreide rekensommen per situatie, nauwelijks te maken.
Wat in deze QuickScan wel duidelijk zichtbaar wordt is waar de beleidsvrijheid van gemeenten ligt en in hoeverre gemeenten daar al gebruik van maken. Er zijn slechts enkele regelingen waar gemeenten niet tot nauwelijks zelf keuzes kunnen maken. In de meeste gevallen kunnen er in ieder geval op het gebied van de inkomensgrens en op het gebied van de vermogensgrens keuzes gemaakt worden om te bepalen wie er wel en wie er niet voor de regeling in aanmerking komen. Daarnaast
kunnen er keuzes gemaakt worden over de hoogte van het uit te keren bedrag, het pakket of de pakketten die aangeboden worden (collectieve zorgverzekering) en of men als gemeente gebruik maakt van het aanbod van meedoenregelingen zoals Stichting Leergeld, Jeugdfonds of het Volwassenenfonds. Waar de gemeenten het meeste vrijheid hebben, is in het bieden van overige lokale regelingen, zoals bijvoorbeeld een witgoedregeling, bijdragen aan extra zorgkosten en kleding- en schoenenbonnen. Deze lokale regelingen zijn ook de regelingen waar een gemeente heel specifiek naar de behoeften en de kenmerken van de eigen inwoners kan kijken om passende lokale regelingen in het leven te roepen. Bijvoorbeeld, in een gemeente waar kinderen ver van voortgezet onderwijs af wonen kan een regeling voor het vergoeden van OV kosten ingezet worden. In een gemeente waar de afstanden veel minder groot zijn, is de behoefte aan zo’n regeling waarschijnlijk minder groot. Een probleem wat zich voordoet bij deze lokale regelingen is de enorme diversiteit in regelingen en voorwaarden om voor de regelingen in aanmerking te komen. In feite is elke gemeente opnieuw het wiel aan het uitvinden voor welke regelingen men wil en gaat aanbieden en de inhoud en uitvoering van de aangeboden regeling. Dit vraagt zowel veel van beleidsmakers als van de uitvoering en van de inwoners die gebruikmaken van de regelingen.
Inmiddels zijn er nieuwe landelijke cijfers verschenen, waaronder een nieuwe raming van het CPB uit februari 20241. Daarin wordt verwacht dat het percentage personen in armoede in 2024 en 2025 ongeveer gelijk blijft aan de percentages van 2022 en 2023. Voor het aantal kinderen in armoede is de verwachting dat het aantal in 2024 daalt ten opzichte van 2023, om in 2025 weer iets te stijgen. Deze ramingen zijn gunstiger dan
1
https://www.cpb.nl/sites/default/files/omnidownload/CPB-Kerngegevens-CEP-2024-februari2024_0.pdf
4
de ramingen uit augustus 20232, die aan de basis lagen van deze QuickScan. Een verklaring daarvoor ligt in het feit dat op nationaal niveau ingrepen hebben plaatsgevonden op de hoogte van het wettelijk minimumloon en de daaraan gekoppelde uitkeringen, de verhoogde huurtoeslag, de arbeidskorting en het kindgebonden budget. Daarnaast zijn de (cao)lonen gestegen 3 en is de inflatie niet meer zo extreem als in voorgaande jaren4. Ook al is de verwachte sterke stijging van zowel het aantal personen in armoede als het aantal kinderen in armoede in de praktijk op dit moment niet uitgekomen, er liggen nog wel grote doelen voor de toekomst waarop ingezet moet worden 5 6; namelijk het halveren van het aantal mensen in armoede in 2030 (3,15%) ten opzichte van 2015 (6,3%) en het halveren van het aantal kinderen in armoede in 2025 (4,6%) ten opzichte van 2015 (9.1%). Op dit moment zijn beide doelen nog niet behaald; in 2023 lag het percentage mensen in armoede op 4,8% en het percentage kinderen in armoede op 6,2%. Daarom moeten zowel Rijk als gemeente met elkaar in samenhang blijven inzetten op armoede verlagende maatregelen, wil er een kans zijn dat de doelen behaald gaan worden. Hierdoor blijven de uitkomsten van deze QuickScan relevant, ondanks dat de situatie minder nijpend is dan het in eerste instantie leek te worden.
om zo de raad inzicht te geven in aan welke knoppen zij als raad gedraaid hebben en kunnen draaien. Op basis van de resultaten van de QuickScan bevelen wij het volgende aan: 1. Vraag het college inzichtelijk te maken wat de effecten zijn van de huidige minimaregelingen op het besteedbaar inkomen van verschillende groepen inwoners in de gemeente. Laat het college het relateren aan de doelen en de kaders die in de begroting zijn gesteld en aan het gevoerde armoedebeleid. Het college zou hiervoor dezelfde indeling in groepen kunnen hanteren als de commissie sociaal minimum heeft gedaan in rapport II. Vraag het college hierbij ook de huidige bereikcijfers van de minimaregelingen aan te leveren. 2. Vraag het college om effecten van minimaregelingen ook inzichtelijk te maken op een kwalitatieve manier door ervaringen van inwoners, ervaringsdeskundigen, gebiedsteams etc op te halen. Deze kwalitatieve data geven kleur aan de kwantitatieve data uit aanbeveling 1. 3. Ga als raad, aan de hand van de antwoorden van het college (aanbeveling 1 en 2), met elkaar in gesprek over hoe u vindt dat de minimaregelingen in uw gemeente ingericht zouden moeten zijn. Neem hierbij de kennis uit deze QuickScan mee, die inzichtelijk heeft gemaakt aan welke knoppen u kunt draaien bij de verschillende regelingen. De volgende gesprekspunten zijn daarbij relevant: a.
Bent u tevreden met wat er met de minimaregelingen wordt bereikt voor de verschillende doelgroepen en samenleefvormen en hun specifieke behoeften? Relateer
Aanbevelingen Het hoofddoel van deze QuickScan was om inzicht te krijgen in de beschikbare minimaregelingen en bijbehorende voorwaarden van de OWO-gemeenten en hoe deze zich verhouden tot omliggende gemeenten, 2
https://www.cpb.nl/sites/default/files/omnidownload/CPB-Raming-Augustus-2023kerngegevens.pdf 3 https://www.cbs.nl/nl-nl/visualisaties/dashboard-arbeidsmarkt/ontwikkeling-cao-lonen 4 https://www.cbs.nl/nl-nl/visualisaties/dashboard-economie/prijzen/inflatie
5
https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/armoedebestrijding/armoedeverminderen#:~:text=Doel%3A%20helft%20minder%20mensen%20in,1%20miljoen%20men sen%20in%20armoede. 6
https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/armoedebestrijding/nieuws/2023/12/19/voortgangaanpak-geldzorgen-armoede-en-schulden
5
uw mening hierover aan de gestelde beleidsdoelen, zowel lokaal als landelijk. b. Indien nodig, verken met elkaar waar een aanpassing aan de orde is én mogelijk is om de effecten van de regelingen te verbeteren. Laat daarbij ook doorrekenen wat het financiële beslag ervan is en of dat nog binnen de huidige kaders past of dat er nieuw budget vrijgemaakt moet worden 4. Vraag het college om, indien dit nog niet (voldoende) gebeurt, structureel overleg in te richten met andere gemeenten over dit onderwerp. Deze overleggen hebben als doel informatie en inzicht te krijgen en te delen over de inzet van armoederegelingen in andere gemeenten en de beleidseffecten daarvan. Betrek de inzichten die dit oplevert bij periodieke beleidsevaluatie en beleidsverantwoording van dit onderwerp.
6
Antwoord op de onderzoeksvragen Vraag 1 - Welke minimaregelingen zijn er beschikbaar in de gemeenten Ooststellingwerf, Weststellingwerf, Opsterland en dertien naburige gemeenten? Er zijn diverse minimaregelingen beschikbaar in de onderzochte gemeenten, verdeeld over vier categorieën: 1 - Verplichte regelingen Elke gemeente is verplicht om energietoeslag, bijzondere bijstand en individuele studietoeslag te verstrekken. Daarnaast verstrekt nagenoeg elke gemeente een individuele inkomenstoeslag. Alle gemeenten meegenomen in deze QuickScan bieden deze vier regelingen aan. 2 - Veel voorkomende regelingen Hieronder vallen kwijtschelding van gemeentelijke belastingen en het aanbieden van een collectieve ziektekostenverzekering. Met uitzondering van één gemeente (Noordenveld - geen collectieve ziektekostenverzekering) bieden alle gemeenten die meegenomen zijn in deze Quickscan, deze twee regelingen aan. De belastingen waar kwijtschelding voor mogelijk is verschillen per gemeente, maar er is ook verschil tussen gemeenten in welke gemeentelijke belastingen überhaupt geheven worden. 3 - Meedoenregelingen De meeste gemeenten bieden een of meer meedoenregelingen of participatieregelingen aan om inwoners te stimuleren mee te doen aan culturele, sportieve of sociale activiteiten. Er wordt onderscheid gemaakt tussen regelingen voor kinderen en voor volwassenen.
Deze regelingen kunnen geheel door de gemeente ingericht, uitgevoerd en bekostigd worden (zie punt 4) of ze kunnen door landelijke fondsen of stichtingen worden uitgevoerd waarbij er een subsidierelatie is tussen de gemeente en het fonds of de stichting. De meest bekende, in dit onderzoek
opgenomen, landelijke stichtingen en fondsen voor kinderen zijn Stichting Leergeld en het Jeugdfonds Sport en Cultuur. Voor volwassenen kan een gemeente aansluiten bij het Volwassenenfonds. Bijna alle gemeenten uit de QuickScan bieden Stichting Leergeld aan, uitzonderingen zijn MiddenDrenthe en Steenwijkerland. Dit geldt ook voor Jeugdfonds Sport en Cultuur, alleen Steenwijkerland biedt deze regeling niet. Het Volwassenenfonds is in ⅓ van de gemeenten beschikbaar. 4 - Overige, lokale, regelingen Er is een grote verscheidenheid in deze categorie regelingen. Zowel in de inhoud van de regelingen als in het aantal regelingen dat per gemeente beschikbaar is. De meest voorkomende regeling is een witgoed/ energieregeling, gevolgd door zorgkostengerelateerde regelingen en regelingen voor kinder/peuteropvangtoeslag of toeslag voor opvang op basis van een sociaal medische indicatie. De rest van de regelingen is niet goed meer in te delen in een overkoepelende categorie omdat ze erg van elkaar verschillen. Het loopt van meedoenpassen tot kindpakketten tot vergoedingen voor openbaar vervoer naar voortgezet onderwijs en ID kaarten en zo verder. Het aantal beschikbare regelingen varieert van 1 regeling in Leeuwarden en Weststellingwerf tot 9 regelingen in Steenwijkerland.
Er is geen duidelijk verband te vinden tussen participeren in de meedoenregelingen uit punt 3 en veel of weinig overige, lokale, regelingen bieden. Hierbij moet opgemerkt worden dat waar sommige gemeenten ervoor kiezen een aparte regeling in te richten voor een bepaalde voorziening, andere gemeenten ervoor kiezen dit onder bijzondere bijstand te laten vallen, in maatwerkbudget vatten of onder te brengen bij het Volwassenenfonds of Stichting Leergeld. In sommige gevallen kan het ook nog binnen een ander beleidsterrein gevat zijn. Vraag 2 - Wat zijn de voorwaarden om voor deze regelingen in aanmerking te komen? De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om in aanmerking te komen verschillen per regeling en per gemeente.
7
1 - Verplichte regelingen Binnen de energietoeslag, de bijzondere bijstand en de studietoeslag hebben gemeenten enige beleidsvrijheid bij het invullen van voorwaarden om voor de regeling in aanmerking te komen. Bij de individuele inkomenstoeslag is er veel vrijheid. Energietoeslag - Het Rijk stelt de energietoeslag beschikbaar voor inwoners met een inkomen tot 120%. De onderzochte gemeenten maken in meer of mindere mate gebruik van de geboden beleidsvrijheid. De inkomensgrenzen in de 16 onderzochte gemeenten variëren van 120% - 150% van het sociaal minimum, waarbij Ooststellingwerf, Westerveld en Súdwest Fryslân gebruikmaken van een staffel aan de hand van het inkomen. Daarnaast hanteert Westerveld als enige gemeente een maximale vermogensgrens, de andere gemeenten hanteren geen vermogensgrens. Bijzondere bijstand - Er is geen inkomensgrens voor bijzondere bijstand. De gemeente beoordeelt of de kosten noodzakelijk zijn en niet uit een andere voorziening betaald kunnen worden. Als dat het geval is dan berekent de gemeente welk deel van de kosten de inwoner zelf kan betalen aan de hand van vermogen en inkomen. Wat onder vermogen valt en hoe hoog de vermogensgrens is bepaalt de gemeente. Ook bepaalt de gemeente voor welke kosten bijzondere bijstand aangevraagd kan worden, wat betekent dat de gemeente bepaalde kosten ook kan uitsluiten.
Het verstrekken van bijzondere bijstand is altijd maatwerk en bijzonder complex. De gemeente kan in het voordeel van de inwoner afwijken van de beleidsregels. De meeste gemeenten hanteren een vermogensgrens als genoemd in art. 34 van de Participatiewet. De Fryske Marren (50% vermogensgrens participatiewet + 1x bijstandsnorm), Smallingerland (vermogensgrens participatiewet + periodieke oudedagsvoorziening) en Leeuwarden (€3.788 alleenstaande en €7.575 echtpaar/alleenstaande ouder) hanteren een andere vermogensgrens. In de draagkrachtberekening zit meer variatie - een veelvoorkomende is <100% = 0% draagkracht en >100% is 35% draagkracht. Een vaak gebruikt alternatief afkappunt is de grens van 110% van het sociaal
minimum. De overige gemeenten maken keuzes die divers zijn; ze gebruiken bijvoorbeeld een staffel of kijken naar de gezinssamenstelling. Individuele studietoeslag - studenten met een medische beperking komen in aanmerking voor deze toeslag. Het Rijk heeft richtlijnen opgesteld voor de hoogte van de toeslag en de vrij te laten stagevergoeding van studenten. Het inkomen en vermogen van de ouders mag niet worden meegerekend en ook het vermogen van studenten wordt vrijgesteld. Het eventuele inkomen van de student wordt verrekend met de toeslag. Gemeenten mogen een hogere toeslag verstrekken dan de richtlijn van het Rijk en een grotere vrijlating van een stagevergoeding hanteren. Individuele inkomenstoeslag - inwoners met een langdurig laag inkomen zonder uitzicht op verbetering van dat inkomen, komen in aanmerking voor een vrij te besteden jaarlijkse toeslag. De gemeenten hebben zelf veel vrijheid in het bepalen van wanneer iemand voor deze toeslag in aanmerking komt, door middel van de vermogensgrens en de inkomensgrens. In de onderzochte gemeenten varieert de inkomensgrens van 100% tot 130% van het sociaal minimum. De vermogensgrens ligt in alle gemeenten op het niveau genoemd in art.34 van de Participatiewet. De meeste gemeenten maken onderscheid tussen alleenstaanden, alleenstaande ouders en samenwonend/getrouwd/gezin.
Daarnaast kiezen enkele gemeenten ervoor slechts twee groepen te onderscheiden of om helemaal geen onderscheid te maken. Slechts één gemeente (Achtkarspelen) stelt aanvullende voorwaarden: het doen van vrijwilligerswerk of geven van mantelzorg. 2 - Veel voorkomende regelingen Kwijtschelding van gemeentelijke belastingen - De inkomensen vermogensgrenzen zijn landelijk vastgelegd. De inkomensgrens ligt op 100% van het sociaal minimum en het vermogen mag op 90% van het sociaal minimum liggen. Gemeenten hebben de vrijheid deze vermogensgrens op te hogen tot 100% van het sociaal minimum en vanaf 2022 kunnen ze er ook nog voor kiezen een extra vermogensvrijstelling te
8
geven. 14 van de 16 gemeenten maken gebruik van de ruimste vermogensvrijstelling, alleen Westerkwartier en Midden-Drenthe niet. Collectieve ziektekostenverzekering - Bij deze regeling hebben gemeenten veel beleidsvrijheid bij de vormgeving ervan, en dus ook bij het kiezen van welke voorwaarden gelden voor het in aanmerking komen voor de verzekering. Er kan sprake zijn van een inkomensgrens en/of een vermogensgrens. Daarnaast kunnen nog aanvullende voorwaarden gesteld worden. De variatie tussen de onderzochte gemeenten is groot, zowel qua inkomensgrenzen (110% - 130%, al dan niet excl vakantietoeslag) als vermogensgrenzen (geen vermogensgrens - 150% van de vermogensgrens uit art. 34 van de Participatiewet). 3 - Meedoenregelingen Stichting Leergeld - de voorwaarden om in aanmerking te komen voor door Stichting Leergeld aangeboden voorzieningen worden door de stichting zelf bepaald. Ze werken wel nauw samen met de gemeente, omdat zij subsidie verstrekken aan de stichting. Verdere specificatie van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor voorzieningen uit Stichting Leergeld was geen onderdeel van deze QuickScan. Jeugdfonds Sport en Cultuur - de voorwaarden om in aanmerking te komen voor door Jeugdfonds Sport en Cultuur aangeboden voorzieningen worden door het fonds samen met de gemeenten en lokale partijen op provinciaal niveau bepaald.
Dit gaat zowel over de inkomensgrenzen als de hoogte van de bijdrage vanuit het fonds. Verdere specificatie van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor voorzieningen uit fonds was geen onderdeel van deze QuickScan. Volwassenenfonds - de voorwaarden om in aanmerking te komen voor door Volwassenfonds aangeboden voorzieningen worden door het fonds samen met de gemeente bepaald. Dit gaat zowel over de inkomensgrenzen als de hoogte van de bijdrage vanuit het fonds. Verdere specificatie van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor voorzieningen uit het fonds was geen onderdeel van deze Quickscan. 4 - Overige, lokale, regelingen
Dit zijn regelingen die per gemeente verschillen. De gemeenten hebben zelf de vrijheid deze regelingen in te richten en de voorwaarden te bepalen om voor de regelingen in aanmerking te komen. Door de grote verschillen tussen de regelingen en tussen de voorwaarden, kan hier geen algemeen beeld over gegeven worden. Vraag 3 - Wat wordt met de regelingen verstrekt, zowel geldelijk als in natura? 1 - Verplichte regelingen Energietoeslag - Bij deze regeling krijgen in aanmerking komende inwoners het bedrag waar zij recht op hebben op hun rekening gestort. Voor specifieke bedragen zie de factsheet energietoeslag. Bijzondere bijstand - Bij deze regeling moeten inwoners voordat ze de uitgave doen een aanvraag bijzondere bijstand indienen. Wanneer deze is toegekend, dan kan de uitgave gedaan worden en op basis van bonnetjes of facturen wordt het bedrag aan de inwoner vergoed. Individuele Studietoeslag - Bij deze regeling krijgen in aanmerking komende inwoners het bedrag waar zij per maand recht op hebben maandelijks op hun rekening gestort, zolang zij aan de voorwaarden blijven voldoen om in aanmerking te komen voor deze toeslag. Voor specifieke bedragen zie Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.. Individuele inkomenstoeslag - Bij deze regeling krijgen in aanmerking komende inwoners het bedrag waar zij recht op hebben in één keer jaarlijks op hun rekening gestort.
Voor specifieke bedragen zie factsheet individuele inkomenstoeslag. 2 - Veel voorkomende regelingen Kwijtschelding van gemeentelijke belastingen - inwoners kunnen een aanvraag tot kwijtschelding indienen. Indien deze wordt toegekend dan vervalt het te betalen bedrag aan gemeentelijke belasting. Collectieve ziektekostenverzekering - inwoners melden zich rechtstreeks bij de zorgverzekeraar aan via https://www.gezondverzekerd.nl/ voor het specifieke pakket wat hun
9
gemeente biedt. Hier zit de korting op de premie, die door de gemeente gedragen wordt, al in verwerkt. In sommige gevallen wordt er nog een extra collectiviteitskorting op de premie die de inwoner betaalt gegeven door de verzekeraar. 3 - Meedoenregelingen Voor zowel Stichting Leergeld, als Jeugdfonds Sport en Cultuur en Volwassenenfonds geldt dat het om een bijdrage in natura gaat. De inwoner geeft aan voor welke voorziening van de stichting of de fondsen ze een aanvraag doen en de stichting of de fondsen betalen rechtstreeks aan de aanbieders van de activiteiten als de aanvraag wordt goedgekeurd. Daarnaast werken ze bijvoorbeeld met vouchers voor materialen. 4 - Overige, lokale, regelingen Omdat dit regelingen zijn die per gemeente verschillen, kan hier geen algemeen beeld gegeven worden over wat er verstrekt wordt. Afhankelijk van de regeling wordt er gekozen voor verstrekking in geld (bijvoorbeeld compensatie eigen risico) of in natura (witgoed, schoenenbonnen etc.). Vraag 4- Hoe staan het aanbod en de voorwaarden van de OWOgemeenten in verhouding tot die van de naburige gemeenten? 1 - Verplichte regelingen Energietoeslag - Binnen de energietoeslag is er variatie in de inkomensgrens (120% - 150%) en in het bedrag dat beschikbaar gesteld wordt door de gemeenten.
Als we kijken naar de inkomensgrens dan ligt de grens van Weststellingwerf en Opsterland op 120%, net als bij het grootste gedeelte van de onderzochte gemeenten. Ooststellingwerf kiest, net als vijf andere gemeenten, voor een ruimere inkomensgrens, al dan niet gebruikmakend van een staffel om het bedrag te bepalen waarvoor iemand in aanmerking komt. Bijzondere bijstand - Binnen de OWO-gemeenten is er weinig variatie in de regeling tussen gemeenten, zowel op het gebied van
inkomens- als vermogensgrenzen. De enige afwijking is het verschil wat Ooststellingwerf maakt tussen mensen die nog geen AOW ontvangen en mensen die wel AOW ontvangen in de inkomensgrens. Wanneer we vergelijken met de andere deelnemende gemeenten zien we dat het onderscheid wat Ooststellingwerf maakt tussen wel/niet AOW voor de inkomensgrens door geen enkele andere gemeente wordt gemaakt. De inkomensgrenzen verschillen veel tussen de gemeenten. OWOgemeenten kiezen collectief voor lage inkomensgrenzen. Op het gebied van de vermogensgrens kiest het overgrote deel van de gemeenten, net als de OWO-gemeenten, voor de grens als gehanteerd in art. 34 van de Participatiewet. Individuele studietoeslag - De drie OWO-gemeenten voeren net als alle andere onderzochte gemeenten - de studietoeslag uit volgens de landelijke richtlijnen van het Rijk. Individuele inkomenstoeslag - Binnen de OWO gemeenten is weinig variatie. Ze hanteren dezelfde inkomensgrens (100%). Ooststellingwerf en Opsterland differentiëren niet naar samenstelling van het huishouden en Weststellingwerf doet dat wel, waarbij zij onderscheid maakt tussen alleenstaanden en alleenstaande ouders/samenwonend/ getrouwd/gezin om te bepalen welk bedrag wordt uitgekeerd (€300 €450). De inkomensgrenzen van andere gemeenten verschillen sterk (100% - 130%) waarbij het grootste gedeelte een inkomensgrens tot 110% hanteert.
De meeste andere gemeenten maken onderscheid tussen 3 groepen om te bepalen welk bedrag er uitgekeerd wordt: 1) alleenstaanden (variatie van €400 tot €516) 2) Alleenstaande ouders (variatie van €500 tot €642) en 3) Samenwonend/getrouwd/gezin (variatie van €600 tot €712). Wanneer je de OWO gemeenten hiermee vergelijkt, dan is de regeling (zeer) beperkt, met name op het gebied van de hoogte van het uitgekeerde bedrag. Zeker vanuit het perspectief van alleenstaande ouders en gezinnen. 2 - Veel voorkomende regelingen Kwijtschelding van gemeentelijke belastingen - De OWOgemeenten maken, net als de meeste andere gemeenten, gebruik van de
10
maximale verruiming van de vermogensgrens om nog in aanmerking te komen voor kwijtschelding. Ook voor de belastingen die kwijtgescholden worden ligt wat de OWO-gemeenten doen in lijn met andere gemeenten. Er is sprake van een kleine variatie in welke belastingen kwijtgescholden worden, maar er kan ook sprake zijn van variatie in welke belastingen überhaupt geheven worden. Collectieve ziektekostenverzekering - in de inkomensgrenzen die de OWO-gemeenten hanteren zit een beperkt verschil, waarbij de grens in Ooststellingwerf (120%) iets lager ligt dan in Weststellingwerf en Opsterland (130%). Deze inkomensgrenzen komen overeen met wat een groot deel van de andere gemeenten ook als grens hanteert, slechts een klein deel van de gemeenten zit met de inkomensgrens aan het ondereind van het spectrum (110%). In vermogensgrenzen zit meer variatie, zowel binnen als buiten de OWO-gemeenten, waarbij er vaak gekozen wordt voor geen vermogensgrens (o.a. Weststellingwerf en Opsterland) of de grens al gehanteerd in art. 34 (Ooststellingwerf). In het aanbod van de pakketten en in de bijdrage van de gemeente zitten veel verschillen. De helft van de gemeenten, waaronder Ooststellingwerf en Weststellingwerf, bieden meerdere pakketten aan. De andere grote groep gemeenten, waaronder Opsterland, biedt alleen één (uitgebreid) pakket aan.
De hoogte van de bijdrage van de gemeente verschilt, wat zich uit in het jaarbedrag dat inwoners kwijt zijn aan hun verzekering. Ooststellingwerf heeft door de gemeentelijke bijdrage een van de laagste jaarbedragen in vergelijking met de andere gemeenten en dus een ruime regeling. Weststellingwerf en Opsterland bevinden zich aan het hogere eind van het spectrum en dus een minder ruime regeling. 3 - Meedoenregelingen Stichting Leergeld - Alle OWO-gemeenten bieden de mogelijkheid voorzieningen aan te vragen bij stichting Leergeld. Dit komt overeen met het grootste gedeelte van de onderzochte gemeenten. Wat aangevraagd kan worden en aan welke voorwaarden voldaan moet worden verschilt per gemeente, maar is geen onderdeel geweest van dit onderzoek.
Jeugdfonds Sport en Cultuur - Alle OWO-gemeenten bieden de mogelijkheid voorzieningen aan te vragen bij Jeugdfonds Sport en Cultuur. Dit komt overeen met bijna alle onderzochte gemeenten. Wat aangevraagd kan worden en aan welke voorwaarden voldaan moet worden verschilt per gemeente, maar is geen onderdeel geweest van dit onderzoek. Volwassenenfonds - Weststellingwerf en Opsterland bieden de mogelijkheid voorzieningen aan te vragen bij het Volwassenenfonds. Dit komt overeen met een klein deel van de andere gemeenten. De meeste gemeenten bieden, net als Ooststellingwerf, deze mogelijkheid niet. Wat aangevraagd kan worden en aan welke voorwaarden voldaan moet worden verschilt per gemeente, maar is geen onderdeel geweest van dit onderzoek. 4 - Overige, lokale, regelingen Binnen het aanbod aan lokale regelingen zit zowel tussen de OWO-gemeenten als tussen alle onderzochte gemeenten veel verschil. Dit verschil is zowel te zien op het gebied van het aantal regelingen wat wordt aangeboden, als op de inhoud en de voorwaarden van de regelingen. Als we kijken naar de aantallen geboden regelingen dan worden er in de OWO-gemeenten weinig regelingen aangeboden (drie of minder), maar dit is ook in zeven andere gemeenten het geval. In zes gemeenten worden 4 of meer regelingen aangeboden. De inhoud van de regelingen loopt sterk uiteen, evenals de voorwaarden.
Daardoor is hier geen goede vergelijking tussen de gemeenten voor te maken. Bovendien moet opgemerkt worden dat waar sommige gemeenten ervoor kiezen een aparte regeling in te richten voor een bepaalde voorziening, andere gemeenten ervoor kiezen dit onder bijzondere bijstand te laten vallen, in maatwerkbudget te vatten, onder te brengen bij het Volwassenenfonds, Stichting Leergeld of een ander beleidsterrein binnen de gemeente.
11
Nota van bevindingen
12
1.
Inleiding
Dat de armoedeproblematiek in Nederland groter wordt is een gegeven. De inflatie is in de laatste paar jaar hoog geweest en de energieprijzen waren exorbitant. Ramingen van het CPB uit augustus 2023 laten zien dat de verwachting is dat het percentage inwoners in armoede in 2024 stijgt, als er geen aanvullende maatregelen worden genomen. Ook verwacht het CPB dat het aantal kinderen in armoede zal stijgen. Cijfers van het CBS laten zien dat landelijk gezien het aantal huishoudens met problematische schulden toeneemt. Deze CBS-cijfers laten ook zien dat sociaal economisch kwetsbare groepen7 oververtegenwoordigd blijven, maar dat ook sociaaleconomisch minder kwetsbare groepen de afgelopen jaren vaker in de problematische schulden terecht zijn gekomen.8 Ook vanuit Humanitas9 en het Rode Kruis10 komen geluiden dat de armoedeproblematiek groter wordt. In een enquête onder coördinatoren thuisadministratie binnen Humanitas11 valt te zien dat een groot deel van de coördinatoren aangeeft dat er meer hulpvragen zijn binnengekomen, de bestaande geldproblemen verergeren en dat mensen meer last van stress en gezondheidsklachten hebben door hun financiële problemen. Ook het aantal hulpvragen bij Humanitas loopt sinds 2021 sterk op.
Het Rode Kruis signaleert dat het aantal scholen dat in aanmerking komt voor het schoolmaaltijden- programma sterk stijgt en dat er nog steeds een grote groep Nederlanders is die te maken heeft met (verborgen) voedselnood.
Gelinkt aan de groter wordende armoedeproblematiek is de discussie over de hoogte van het sociaal minimum en de inrichting van het stelsel wat daarbij hoort. In de zomer van 2022 heeft de minister voor armoedebeleid, participatie en pensioenen de “Commissie sociaal minimum” ingesteld12 om te onderzoeken wat verschillende huishoudtypes nodig hebben om rond te kunnen komen en om mee te kunnen doen in de maatschappij. Ook heeft de commissie de taak gekregen de systematiek van het sociaal minimum te onderzoeken, inclusief mogelijke scenario’s hoe deze beter kan aansluiten op wat inwoners nodig hebben. Hier zijn twee rapporten uit voortgekomen. De centrale vraag die beantwoord wordt in het eerste rapport 13 is "Wat voor pakket van goederen en voorzieningen hebben mensen nodig om in de huidige Nederlandse samenleving rond te komen en mee te kunnen doen?”. Er is gewerkt met de minimum voorbeeldbegrotingen van het Nibud en aan de hand van 30 uitgavenposten, onderverdeeld in vier rubrieken 14 is het bedrag vastgesteld wat minimaal noodzakelijk is om van te leven. Echter, in het bedrag wat hieruit komt is geen rekening gehouden met situaties waarin zich tegenvallers voordoen. Daarom is de Commissie tot de conclusie gekomen dat een extra bedrag nodig is om te komen tot complete normen voor het sociaal minimum. Dit extra bedrag wordt het zogenaamde flexbudget genoemd.
Op basis van deze berekeningen, de som van het bedrag wat minimaal noodzakelijk is om van te leven en een extra bedrag (flexbudget) voor tegenvallers, is de Commissie tot de conclusie gekomen dat mensen met een laag inkomen de komende jaren,
7 De classificatie van een persoon naar sociaal economische categorie op basis van inkomensbronnen.
10 https://206.wpcdnnode.com/ioresearch.nl/wp-content/uploads/2024/04/voedselnood-in-nederland_1-
Om deze te bepalen worden alle inkomsten in een verslagmaand uit de verschillende inkomensbronnen die iemand heeft met elkaar vergeleken. Het hoogste bedrag is in principe bepalend voor de sociaaleconomische categorie. Daarnaast wordt meegenomen of een persoon ingeschreven staat bij een onderwijsinstelling. Dit is mede bepalend voor de sociaaleconomische categorie.https://www.cbs.nl//media/_pdf/2022/06/sociaaleconomische-status-obv-inkomen-en-vermogen.pdf
meting-2024_belangrijkste-resultaten_definitief.pdf en https://www.rodekruis.nl/nieuwsbericht/steedsmeer-leerlingen-hebben-recht-op-voedselhulp/
8 https://dashboards.cbs.nl/v3/SchuldenproblematiekInBeeld/ 9 https://www.humanitas.nl/contentassets/d585b536575c4aacacdb4a08bea83e9b/onderzoek-
thuisadministratie-28-maart.pdf en https://www.humanitas.nl/nieuws/humanitas-signaleert-meer-engrotere-geldproblemen/
11 Actief in 233 gemeenten in Nederland 12 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/besluiten/2022/07/08/instellingsbesluit-commissie-sociaal-
minimum 13 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/06/30/een-zeker-bestaan-rapport-i-commissie-
sociaal-minimum 14 Vaste lasten (o.a. huur), reserveringsuitgaven (o.a. kleding), huishoudelijke uitgaven (o.a.
boodschappen) en sociale participatie (o.a. sport)
13
afhankelijk van de gezinssamenstelling, tot honderden euro’s per maand tekort dreigen te komen en geven aan dat het besteedbaar inkomen van lage-inkomensgroepen verhoogd moet worden. Dit moet in hun ogen gedaan worden door landelijke regelingen aan te passen, zoals de hoogte van de bijstand en het minimumloon, maar ook de hoogte van de huurtoeslag en de kinderbijslag en/of het kindgebonden budget. Daarnaast spelen gemeentelijke armoederegelingen ook een rol bij het oplossen van deze problematiek. Waar rapport I gaat over de hoogte van het sociaal minimum en de maatregelen om het besteedbaar inkomen te verhogen gaat rapport II 15 over de inrichting van het stelsel van het sociaal minimum. De conclusie daarbij is dat het stelsel voorspelbaarder en toegankelijker moet worden, zodat huishoudens gebruikmaken van de voorzieningen waar zij recht op hebben aldus de Commissie. Het onderdeel uit dit rapport wat belangrijk is voor deze QuickScan is onderdeel 3, het lokale aanvullende inkomensbeleid (gemeentelijk beleid). De Commissie concludeert hier dat de verschillen tussen gemeenten op het gebied van aanvullend inkomensbeleid erg groot zijn geworden. Door de gemeente waar je woont kan het honderden euro’s per maand verschil maken in waar je recht op hebt op het gebied van aanvullende inkomensondersteuning (ook wel minimaregelingen genoemd).
Belangrijk om daarbij op te merken is dat het recht op lokale regelingen en informele voorzieningen niet altijd wettelijk geborgd is, wat invloed heeft op de juridische afdwingbaarheid van de regelingen. Hierdoor worden burgers in gelijke gevallen niet gelijk behandeld. Een voorbeeld hiervan kan het indienen van een aanvraag voor bijzondere bijstand zijn - in artikel 44 van de Participatiewet staat dat een aanvraag niet met terugwerkende kracht ingediend mag worden. Echter, een gemeente kan ervoor gekozen hebben buitenwettelijk begunstigend beleid te voeren waarbij aanvragen voor bijzondere bijstand ingediend kunnen worden tot 1 maand nadat de kosten zich hebben 15 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/09/28/een-zeker-bestaan-naar-
een-toekomstbestendig-stelsel-van-het-sociaal-minimum-rapport-ii
voorgedaan. Omdat niet elke gemeente deze keuze maakt is er sprake van een ongelijke behandeling in een gelijke situatie. Echter, omdat de kaders van de participatiewet leidend zijn, kan de inwoner in een gemeente die artikel 44 volgt geen juridische stappen nemen om de bijzondere bijstand alsnog te verkrijgen bij indienen na het maken van de kosten. De nationale ombudsman schetst aan de hand van diverse onderzoeken in 2022 eenzelfde beeld in de reflectie “Sociale minima in de knel”16. Ongeveer 1 miljoen Nederlanders moeten rondkomen van een inkomen rond het sociaal minimum, maar kunnen het hoofd niet altijd boven water houden en kunnen vaak geen enkele buffer opbouwen terwijl dit wel noodzakelijk is door de stijgende kosten en systematiek van verrekenen. Het sociaal minimum is ontoereikend en er zijn grote verschillen tussen gemeenten in inkomensgrenzen voor minimaregelingen. Deze verschillen zijn volgens de nationale ombudsman niet uit te leggen.
1.1
Aanleiding voor het onderzoek
De Rekenkamer heeft besloten tot deze QuickScan van minimaregelingen naar aanleiding van de maatschappelijke relevantie van het onderwerp, zie inleiding, en in overleg met de raden van de OWO-gemeenten. Tijdens het najaarsoverleg heeft de Rekenkamer de suggestie voor dit onderzoek gedaan, waarop de raden positief reageerden en hebben aangegeven dat ze graag inzicht krijgen in welke regelingen in de OWO-gemeenten beschikbaar zijn. Daarnaast maakten ze kenbaar dat ze graag een vergelijking met aangrenzende gemeenten opgenomen zagen in deze QuickScan.
16
https://www.nationaleombudsman.nl/system/files/rapport/20220167%20Sociale%20minima% 20in%20de%20knel_0.pdf
14
1.2
Doel
Het doel van deze QuickScan is inzicht krijgen in de beschikbare minimaregelingen en bijbehorende voorwaarden in Ooststellingwerf, Weststellingwerf en Opsterland en hoe deze zich tot elkaar en tot het aanbod in buurgemeenten verhouden. De onderzoeksresultaten geven de raad inzicht in de regelingen en de bijbehorende voorwaarden, om zo inzichtelijk te krijgen aan welke knoppen zij als raad hebben gedraaid en desgewenst kunnen draaien. 1.3
Afbakening
In deze QuickScan focussen we op de formele minimaregelingen die gemeenten beschikbaar stellen, welke voorwaarden daarbij horen en op welke manier ze worden uitgegeven (in geld of in natura). Denk hierbij voor de regelingen aan collectieve zorgverzekering, energietoeslag, individuele inkomenstoeslag, kortingen op voorzieningen, witgoedregelingen en kledingbonnen etc. Daarnaast kijken we ook of een gemeente regelingen vanuit Stichting Leergeld, het Jeugdfonds Sport & Cultuur en het Volwassenenfonds beschikbaar stelt. Aangezien de gemeente niet kan bepalen maar wel kan sturen op de voorwaarden die maken dat iemand het recht heeft op deze regelingen, zullen we hier alleen kijken of ze beschikbaar zijn of niet. Daarnaast kijken we naar de aanwezigheid van Stichting Urgente Noden (SUN), de Voedselbank en de Voorzieningenwijzer. We kijken expliciet niet naar lokale initiatieven zoals kledingbanken en speelgoedbanken of naar landelijke initiatieven zoals Jarige Job. De gemeente heeft daar (in de meeste gevallen) geen sturingsmogelijkheden, waardoor het buiten de scope van onze vragen valt. Ook valt het maatwerkbudget niet binnen dit onderzoek, omdat het geen minimaregeling is.
1.4
Onderzoeksvragen
We beantwoorden de volgende onderzoeksvragen: 1. Welke minimaregelingen zijn er beschikbaar in de gemeenten Ooststellingwerf, Weststellingwerf, Opsterland en dertien naburige gemeenten17? 2. Wat zijn de voorwaarden om voor deze regelingen in aanmerking te komen? 3. Wat wordt met de regelingen verstrekt, zowel geldelijk als in natura? 4. Hoe staan het aanbod en de voorwaarden van de OWOgemeenten in verhouding tot die van de naburige gemeenten? 1.5
Onderzoeksaanpak
Om de onderzoeksvragen te beantwoorden zijn we begonnen bij landelijke informatie over de regelingen; wat zijn de eisen, wat zijn de richtlijnen. Dit hebben we per gemeente aangevuld met lokale informatie uit verordeningen en beleidsregels. Als deze documenten niet voldoende informatie opleverden of niet gevonden werden, hebben we ook gekeken naar de gemeentelijke website, digitale minimagidsen en -folders en naar de voorzieningenwijzer. De OWO gemeenten hebben informatie en documentatie over hun minimaregelingen aangeleverd na een uitvraag van de rekenkamer. De data is verzameld in februari 2024 - cijfers of informatie die zijn aangepast na februari zijn niet meegenomen in dit onderzoek. 1.6
Ambtelijk en bestuurlijk wederhoor
De factsheets en het rapport zijn voor ambtelijk en bestuurlijk wederhoor voorgelegd aan de OWO-gemeenten. De raden van de overige gemeenten zijn geïnformeerd over deze QuickScan met een brief. Zij
17 Westerveld, De Fryske Marren, Midden-Drenthe, Westerkwartier, Noordenveld,
Steenwijkerland, Noordoostpolder, Tytsjerksteradiel, Achtkarspelen, Súdwest-Fryslân, Heerenveen, Smallingerland en Leeuwarden
15
ontvangen het rapport ter informatie als het gepubliceerd is. In de brief is opgenomen dat de informatie van niet-OWO-gemeenten is verzameld op basis van openbare bronnen. In het onderzoek worden geen conclusies getrokken over deze gemeenten, die uitsluitend als vergelijking meegenomen zijn in dit onderzoek.
minimaregelingen dezelfde vermogensgrenzen als voor de bijstandsuitkering. In artikel 34 van de Participatiewet staan de vermogensgrenzen voor een bijstandsuitkering genoemd:
1.7
Vermogensgrens voor de Participatiewet, 1 januari 2024
Regelingen en centrale begrippen
In bijlage 1 is een uitleg opgenomen over de inhoud en de voorwaarden van de minima regelingen die in deze QuickScan zijn meegenomen. Daarnaast lichten we hieronder twee belangrijke begrippen toe die context geven aan het rapport. Bijstandsnorm De bijstandsnorm is hetzelfde als het sociaal minimum op dit moment. Als voor een regeling een inkomensgrens van bijvoorbeeld 110% van het sociaal minimum wordt gehanteerd, dan wordt, afhankelijk van de huishoudensamenstelling, berekend of het inkomen van het huishouden lager is dan 1,1 keer de normbedragen uit onderstaande tabel. Bijstandsnorm 1 januari 2024, inclusief vakantie-uitkering18 Alleenstaanden/eenpersoonshuishoudens
€1.283,83
Alleenstaande ouders / Eenpersoonshuishouden €1.283,83 Partners / gehuwden en samenwonenden
€1.834,04
Bron: Rijksoverheid Vermogensgrenzen voor de participatiewet De vermogensgrenzen voor de participatiewet bepalen hoeveel vermogen een huishouden mag hebben om in aanmerking te komen voor een bijstandsuitkering. Veel gemeenten hanteren voor één of meerdere
Alleenstaanden/eenpersoonshuishoudens
€7.575,00
Alleenstaande ouders / Eenpersoonshuishouden €15.150,00 Partners / gehuwden en samenwonenden
€15.150,00
Bron: Rijksoverheid 1.8 Leeswijzer In hoofdstuk 2 beschrijven we beknopt de armoedeproblematiek in de OWO-gemeenten. In hoofdstuk 3 beschrijven we de resultaten voor Weststellingwerf in relatie tot de andere gemeenten in 3.1 en maken we een vergelijking voor uitsluitende de OWO gemeenten in 3.2. In bijlage 1 vind u een uitgebreide beschrijving van de inhoud van de regelingen. Daarnaast vindt u ook een groot aantal factsheets in de bijlage. Deze zijn opgedeeld in drie categorieën: 1) factsheets over armoede in z’n algemeenheid 2) factsheets met alle informatie over minimaregelingen per gemeente 3) factsheets waarin per regeling de resultaten van alle gemeenten worden weergegeven. U zult ook zien dat de studietoeslag niet is opgenomen in de factsheets - dat komt omdat alle gemeenten deze regeling 100% hetzelfde hebben ingericht. Dit wordt beschreven in hoofdstuk 3.1.
18 https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/publicaties/2023/12/14/uitkeringsbedragen-per-1-januari2024/Uitkeringsbedragen+januari+2024.pdf
16
2.
Bevindingen armoedeproblematiek
In de inleiding van deze QuickScan zijn we al uitgebreid ingegaan op de landelijke armoede en de verergering daarvan. De bijbehorende cijfers zijn ook terug te lezen in factsheet Armoedecijfers. In het nu voorliggende hoofdstuk beschrijven we beknopt de armoedeproblematiek in de OWOgemeenten, in relatie tot de landelijke gemiddelden en de vergelijkingsgemeenten.
In 2021 was het aandeel huishoudens in de OWO-gemeenten dat rond moest komen van een inkomen rond het sociaal minimum iets lager dan het landelijk gemiddelde van 6,7%. In Opsterland betreft het 5,0% van de huishoudens, in Weststellingwerf 5,9% en in Ooststellingwerf 6,3%. Het aandeel huishoudens dat rond moest komen van een inkomen tot 120% van het sociaal minimum lag in Ooststellingwerf op het landelijke gemiddelde van 12,7%. In Weststellingwerf lag het iets lager, op 12,2% en in Opsterland op 10,7%.
Armoedeproblematiek OWO-gemeenten In de tabel op de volgende pagina zijn gegevens uit openbare bronnen opgenomen over de armoedeproblematiek in de OWO-gemeenten en de dertien omliggende gemeenten19. Op drie na zijn alle gemeenten ‘weinig stedelijk’ of ‘niet stedelijk’. Opsterland en Ooststellingwerf zijn ‘niet stedelijke’ gemeenten, Weststellingwerf is ‘weinig stedelijk’. De drie OWOgemeenten hebben weinig huishoudens in vergelijking met de meeste andere gemeenten die zijn onderzocht. In de OWO-gemeenten leven minder huishoudens van een bijstandsuitkering (peildatum september 2023) dan landelijk gemiddeld. In Ooststellingwerf is het percentage huishoudens met een bijstandsuitkering hoger dan in de andere twee OWO-gemeenten. Het percentage kinderen met kans op armoede - dat zijn kinderen die opgroeien in een gezin met een inkomen tot 120% van het sociaal minimum - ligt in Opsterland aanzienlijk lager dan in de meeste andere onderzochte gemeenten. In Weststellingwerf ligt het percentage iets hoger dan in de meeste andere onderzochte gemeenten, maar wel lager dan het landelijk gemiddelde. In Ooststellingwerf is het percentage hoog in vergelijking met de andere onderzochte gemeenten en even hoog als het landelijk gemiddelde (voorlopige cijfers 2022).
19
De geraadpleegde bronnen zijn opgenomen in de factsheet Armoedecijfers
17
Tabel: Kenmerken gemeenten Aantal Stedelijkhuishoudens heid (CBS, 1 (CBS, 1 januari januari 2023) 2023)
% huishoudens met een bijstandsuitkering
% kinderen met kans op armoede
Inkomen tot 101%
Inkomen tot 120%
(CBS, sept. 2023)
(CBS Statline, voorlopige cijfers 2022)
(CBS, voorlopige cijfers van 2021)
(CBS, voorlopige cijfers van 2021)
8,70% 5,00%
Landelijk 6,70% Midden-Drenthe 4,10%
Landelijk Westerveld
12,70% 8,90%
5,30%
Westerkwartier
4,40%
Midden-Drenthe
9,10%
5,30%
Noordoostpolder 4,50%
Westerkwartier
9,40%
Leeuwarden
65.266
2
Landelijk Westerveld
4,70% 2,20%
Smallingerland
25.414
3
Midden-Drenthe 2,60%
Heerenveen SúdwestFryslân De Fryske Marren
23.576
3
Westerkwartier
2,60%
Landelijk Tytsjerksteradiel De Fryske Marren Midden-Drenthe
40.938
4
Noordenveld
2,80%
Westerkwartier
5,50%
Westerveld
4,50%
Tytsjerksteradiel
9,70%
22.579
4
De Fryske Marren
2,90%
Opsterland
5,70%
Tytsjerksteradiel 4,80%
Noordoostpolder
9,80%
Noordenveld
20.982
4
Opsterland
3,30%
Noordenveld
5,90%
Steenwijkerland Noordoostpolder Weststellingwerf Westerkwartier Midden-Drenthe
20.128 14.238 11.659 27.291 14.861
4 4 4 5 5
Steenwijkerland Tytsjerksteradiel Weststellingwerf Noordoostpolder Achtkarspelen
3,30% 3,30% 3,50% 3,80% 4,10%
Westerveld Steenwijkerland Weststellingwerf Noordoostpolder Achtkarspelen
6,00% 6,70% 6,90% 7,20% 7,30%
De Fryske Marren Opsterland Steenwijkerland Noordenveld Weststellingwerf Ooststellingwerf
Tytsjerksteradiel
13.828
5
Ooststellingwerf
4,20%
Heerenveen
7,80%
Heerenveen
6,40%
De Fryske Marren Noordenveld Opsterland Steenwijkerland Weststellingwerf Ooststellingwerf SúdwestFryslân
Opsterland
12.780
5
SúdwestFryslân
4,40%
SúdwestFryslân
8,00%
Achtkarspelen
6,50%
Heerenveen
13,10%
Achtkarspelen
12.029
5
Heerenveen
5,10%
Ooststellingwerf
8,70%
6,50%
Achtkarspelen
14,00%
Ooststellingwerf Westerveld
11.546 8.892
5 5
Smallingerland Leeuwarden
6,10% 7,80%
Smallingerland Leeuwarden
9,20% 11,80%
7,10% 9,50%
Smallingerland Leeuwarden
14,80% 16,80%
SúdwestFryslân Smallingerland Leeuwarden
5,00% 5,00% 5,00% 5,40% 5,90% 6,30%
10,00% 10,40% 10,70% 11,50% 12,20% 12,70% 12,70%
18
3. Bevindingen regelingen OWOgemeenten In onderstaande hoofdstuk zullen eerst de bevindingen voor de gemeente Opsterland gepresenteerd worden, inclusief een vergelijking met de andere gemeenten waar we informatie over hebben verzameld. Daarna worden de resultaten van de OWO-gemeenten onderling vergeleken om de verschillen en overeenkomsten op het gebied van het aanbod van minimaregelingen tussen deze gemeenten inzichtelijk te maken. Voor informatie over de mate van beleidsvrijheid die gemeenten hebben bij het invullen van de specifieke regeling verwijzen we naar bijlage 1. 3.1
Opsterland
Energietoeslag In 2023 hadden in Opsterland huishoudens met een inkomen tot 120% van het sociaal minimum recht op de energietoeslag, die een hoogte had van €1300 per huishouden. Wat betreft de inkomensgrens zitten ze op de (onder)grens die het Rijk hanteert. De inkomensgrenzen van de gemeenten in deze Quickscan lopen uiteen van 120% tot 150% van het sociaal minimum. De meeste gemeenten keerden €1300 uit, gecombineerd met de gekozen inkomensgrens. Een deel van de gemeenten heeft dit bedrag in twee keer uitgekeerd, eind 2022 €500 en €800 later in 2023. Sommige gemeenten kozen voor een staffel, waarbij naarmate het inkomen hoger was een lager bedrag werd uitgekeerd. Westerveld is de enige gemeente die een vermogensgrens hanteert om voor de energietoeslag in aanmerking te komen. Bijzondere bijstand Opsterland houdt zich bij het verstrekken van bijzondere bijstand aan de vermogensgrens als genoemd in de participatiewet. Daarnaast is er sprake van een draagkrachtberekening waarbij een inkomen op 100% van het sociaal minimum een draagkracht van 0% betekent. Ligt het inkomen boven de 100% van het sociaal minimum dan wordt er uitgegaan van een
draagkracht van 35%. De vermogensgrens en inkomensgrens is gemiddeld genomen in lijn met wat de andere gemeenten doen. Het overgrote deel hanteert dezelfde vermogensgrens, een enkeling vult het anders in. Ooststellingwerf kiest ervoor onderscheid te maken tussen AOW’ers en niet AOW’ers, waarbij de inkomensgrens voor AOW’ers ligt op de hoogte van de AOW en niet op het sociaal minimum ( < AOW = 0%, >AOW = 35%). Leeuwarden en De Fryske Marren kiezen voor een lagere vermogensgrens terwijl Smallingerland voor een iets hogere grens kiest. In de inkomensgrenzen voor de draagkrachtberekening zit iets meer variatie. Een gedeelte kiest voor het onderscheid tussen op/onder 100% van het sociaal minimum (draagkracht 0%) en boven 100% van het sociaal minimum (draagkracht 35%). Een ander gedeelte van de gemeenten kiest ervoor het kantelpunt op 110% te leggen met hetzelfde draagkrachtpercentage (0% of 35%). Ook zijn er enkele varianten waarbij het kantelpunt op 130% van het sociaal minimum ligt (De Fryske Marren, <130% = 0%, >130% = 50%) of waarbij een wat complexere rekensom gemaakt wordt (Westerveld, Steenwijkerland). Ook zijn er een aantal gemeenten die speciale kosten noemen waarvoor geen bijzondere bijstand aangevraagd kan worden en/of bepaalde vormen van vermogen, die wel of juist niet worden meegerekend.
Studietoeslag Sinds 2022 heeft het Rijk een minimum studietoeslag per maand en per leeftijdscategorie vastgesteld, samen met een minimaal vrijlatingsbedrag van de stagevergoeding. Er gelden geen vermogensgrenzen meer en het inkomen van ouders mag niet meegerekend worden. De beleidsvrijheid van gemeenten ligt in het vrijlatingsbedrag van de stagevergoeding en de hoogte van de maandelijkse toeslag. Alle gemeenten in deze QuickScan hebben de studietoeslag op dezelfde manier ingericht en gekozen voor de bedragen die het Rijk als minimum en als vrijlatingsbedrag heeft vastgesteld.
19
Individuele inkomenstoeslag Om in aanmerking te komen voor individuele inkomenstoeslag heeft Opsterland de inkomensgrens op 3 jaar lang een inkomen van 100% van het sociaal minimum hebben gelegd. Daarnaast heeft de gemeente ervoor gekozen geen onderscheid te maken in samenstelling van het huishouden voor de hoogte van het bedrag dat uitgekeerd wordt. Elk huishouden krijgt een bedrag van €300, of het nou om een alleenstaande, een stel zonder kinderen of om een gezin met drie kinderen gaat. Dit is de laagste inkomensgrens met het een na laagste bedrag van alle gemeenten. Opsterland is, samen met Ooststellingwerf (€420) en Achtkarspelen (€294), één van de weinige gemeenten die geen onderscheid maakt in huishoudsamenstelling om de hoogte van het uit te keren bedrag te bepalen. De meeste andere gemeenten maken onderscheid tussen alleenstaanden, alleenstaande ouders en samenwonenden/getrouwden/gezinnen met kinderen en kiezen voor een vast bedrag per groep. De bedragen lopen op van het laagste bedrag voor de alleenstaanden tot het hoogste bedrag voor de samenwonenden/getrouwden/gezinnen met kinderen. De variatie in bedragen tussen gemeenten die deze onderverdeling aanhouden is beperkt. Voor alleenstaanden varieert het bedrag van €400 tot €516, voor alleenstaande ouders varieert het bedrag van €500 tot €642 en voor gezinnen varieert het bedrag van €600 tot €712.
Er zijn ook nog gemeenten die kiezen voor een bepaald percentage van een referentie inkomen, zoals de Fryske Marren (40% van de bijstandsnorm of 40% van de bijstandsnorm + alleenstaande ouderkop) en Noordoostpolder (een percentage van de gehuwdennorm). Er zijn nog twee gemeenten die naar twee groepen differentiëren; Smallingerland biedt alleenstaanden en alleenstaande ouders dezelfde inkomenstoeslag (€375) en samenwonenden/getrouwden/gezinnen met kinderen hogere inkomenstoeslag (€450). Dit geldt ook voor Weststellingwerf, ware het niet dat alleenstaanden daar €400 krijgen en alleenstaande ouders en samenwonenden/getrouwden/gezinnen met kinderen €450.
De inkomensgrenzen waarbij iemand nog in aanmerking komt voor de individuele inkomenstoeslag verschillen sterk, van 100% tot 130% van het sociaal minimum. Zes gemeenten gaan uit van 100%, een van 105%, vijf van 110%, een van 115%, twee van 120% en een van 130%. In alle gemeenten moet je 3 jaar lang dat inkomen hebben om in aanmerking te komen voor de inkomenstoeslag. Er is geen patroon te zien tussen de hoogte van de toeslag en de hoogte van de inkomensgrens. Eén gemeente (Achtkarspelen) stelt nog aanvullende voorwaarden om in aanmerking te komen; “de belanghebbende dient met gebruikmaking van krachten en bekwaamheden vrijwilligerswerk te verrichten of mantelzorg te verlenen”. Kwijtschelding Opsterland biedt kwijtschelding voor vier gemeentelijke belastingen (Afvalstoffenheffing, Rioolheffing, Onroerendezaakbelasting en Containerledigingen). Hierbij heeft het ook gebruikgemaakt van het maximale recht op verruiming van de vermogensgrenzen om in aanmerking te komen voor de kwijtschelding. Het inkomen mag maximaal liggen op 100% van het sociaal minimum en het vermogen mag maximaal €2000 + de landelijk vastgelegde vermogensvrijstelling zijn voor de belastingschuldige en zijn partner, 75% daarvan voor alleenstaanden en 90% daarvan voor alleenstaande ouders.
Dit komt overeen met wat de meeste gemeenten doen, zowel qua voor welke belastingen kwijtschelding aangevraagd kan worden als voor de vermogensgrenzen. Voor het verruimen van de vermogensgrenzen komt dit overeen met wat de meeste gemeenten doen. Westerkwartier en Midden-Drenthe maken geen gebruik van de mogelijkheid de vermogensgrenzen te verruimen. Daarnaast is er een kleine variatie in de soorten belasting waarvoor vrijstelling wordt verleend. Maar, hierbij is het belangrijk op te merken dat niet alle gemeenten dezelfde belastingen heffen. Een voorbeeld daarvan is Smallingerland, de enige gemeente die kwijtschelding voor hondenbelasting mogelijk maakt. Maar daarbij moet opgemerkt worden
20
dat van de gemeenten in deze QuickScan alleen Smallingerland en Leeuwarden hondenbelasting heffen. Collectieve zorgverzekering In Opsterland is er één pakket beschikbaar voor inwoners met een inkomen tot 130% van het sociaal minimum. Er wordt geen vermogensgrens gehanteerd. Er is alleen een uitgebreide polis beschikbaar, geen budget polis. De hoogte van de bijdrage van de gemeente is voor elke inwoner die recht heeft op deze regeling hetzelfde. Er is veel variatie in wat gemeenten bieden m.b.t. een collectieve zorgverzekering. Er zit zowel veel variatie in het maximale inkomen (variërend van 110% tot 130% van het sociaal minimum, soms exclusief vakantietoeslag) als in de vermogensgrens (variërend van geen grens tot de vermogensgrens van als genoemd in de participatiewet). Ook zit er verschil in de bijdrage die de gemeente levert aan de pakketten, de verzekeraar, de inhoud van de pakketten zelf, of het eigen risico al meegenomen is in het pakket, of er ook een pakket wordt aangeboden voor mensen met weinig tot geen zorgkosten en de kosten van het pakket. Wanneer je voor mensen met hoge zorgkosten de jaarkosten berekent (premie met korting, plus eigen risico, minus compensatie eigen risico) variëren de kosten van €2.657,40 tot €2.193,40 per jaar. Dit is exclusief zorgtoeslag20.
Kijkend naar de jaarpremie die de verzekerden betalen ligt de premie van Opsterland aan het hogere eind van het spectrum. De enige gemeente die geen collectieve zorgverzekering biedt is Noordoostpolder. Niet verplichte regelingen, inclusief lokale regelingen Opsterland biedt zowel de mogelijkheid aanvragen te doen bij Stichting Leergeld als het Jeugdfond Sport & Cultuur en het Volwassenenfonds 20 Independer rekende in 2022 voor alle Nederlandse gemeente de gemiddelde
maandpremie uit:
Sport & Cultuur. De gemeente doet ook mee in de Voorzieningenwijzer en er is een Voedselbank actief in de gemeente. Dit komt overeen met een deel van de in deze QuickScan bekeken gemeenten (5). Vijf gemeenten bieden vier van de vijf genoemde voorzieningen, het Volwassenenfonds Sport & Cultuur ontbreekt. Twee gemeenten bieden minder aan, waarbij Steenwijkerland alleen de Voorzieningenwijzer en de Voedselbank biedt en Midden-Drenthe alleen Jeugdfond Sport & Cultuur en de Voedselbank. Heerenveen doet niet mee in de Voorzieningenwijzer, evenals SúdwestFryslân, Noordenveld en Midden-Drenthe. We hebben ook gekeken of Stichting Urgente Noden beschikbaar was in de gemeente. Dit is wel het geval in Opsterland, dit komt overeen met 10 andere gemeenten. In de overige 5 gemeenten in SUN niet beschikbaar. Wanneer we gaan kijken naar de lokale regelingen, dan verschilt het aantal geboden regelingen per gemeente sterk. In Weststellingwerf wordt met één lokale regeling het kleinste aantal regelingen aangeboden. In Steenwijkerland wordt met negen lokale regelingen het hoogste aantal regelingen aangeboden. De middenmoot biedt vaak 2, 3 of 4 lokale regelingen aan. Er zit veel verschil in de lokale regelingen die worden aangeboden en evenzoveel verschil in voorwaarden van regelingen die qua thema wel overlappen. De meest voorkomende lokale regeling is een witgoed/energieregeling.
Hiervan is in 10 gemeenten sprake. Daarna volgen diverse varianten van zorgkostengerelateerde regelingen die zowel kunnen bestaan uit een compensatie van een deel van het eigen risico (4 gemeenten) als compensatie vankosteen voor een aanvullende zorgverzekering (4 gemeenten) of een zorgkosten/meerkostenregeling (4 gemeenten). Gemeenten bieden in sommige gevallen ook meerdere zorgkosten- gerelateerde regelingen aan. De derde “grote” groep https://www.independer.nl/zorgverzekering/info/onderzoek/tegemoetkoming-zorgpremiegemeentepolis-grote-verschillen