Bijlage 2 Beleidsnotitie Archeologie 2025-2031
Tekst van het document
plaatsen van ‘rituele depositie’ van stenen of metalen voorwerpen, potten aardewerk en van menselijk en dierlijk botmateriaal; tijdelijke verblijfsplaatsen of kampementen van jagers, vissers en verzamelaar uit de steentijd; vaartuigen, waaronder uitgeholde boomstammen (kano’s) en boten; bouwwerken uit de historische tijd, zoals watermolens, kastelen en schansen; gegraven waterwerken: grachten en kanalen en voorzieningen voor waterbeheersing (sluizen, stuwen, dammen) uit de historische tijd; winplaatsen van grondstoffen, zoals vuursteen, klein- en ijzeroer, en waterkuilen; archeobotanische en archeozoölogische resten met sporen van menselijke bewerking, bijvoorbeeld boomstammen met kapsporen. Met de verdiepingsslag is getracht een zo specifiek mogelijke verwachtingskaart op de stellen. Huisterpen, (voormalige) boerderijplaatsen en oude kerkhoven In de gemeente Opsterland dateren de oudste veenontginningen waarschijnlijke uit de tiende of vroege elfde eeuw. In de meeste gevallen woonden de ontginners (op een kunstmatige vloerlaag) direct op het veen. In het noordwesten van Opsterland werd vanuit het Koningsdiep al in een vroeg stadium klei op veen afgezet. De bewoning vond er plaats op enkele kleine terpen (in de vorm van huisterpen), die nog steeds als verhogingen in het landschap zichtbaar zijn.
Nabij Nij Beets, de Gearen, ligt een concentratie locaties die op grond van bureauonderzoek van de toenmalige Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB, tegenwoordig RCE) aangewezen zijn als onbebouwde, laatmiddeleeuwse huisterpen. Als zodanig staan ze ook weergegeven op de AMK (terreinen 8129-8134, 10244, 10250 en 10251). Na veldwerk is hun archeologische waarde vastgesteld en zijn ze meegenomen in de verdiepingsslag. De eerste nederzettingen, die ontstonden als gevolg van de ontginning vanuit de beek, lagen dichter aan de beek dan hun opvolgers, die in de twaalfde en dertiende eeuw ontstonden en nu nog op dezelfde plek liggen. Van de voorgangers van de reeksen boerderijplaatsen van Schotanus, is weinig bekend, met uitzondering van de netgenoemde huisterpen in het westelijke deel. Mogelijk komt dit doordat deze locaties door oxidatie en inklinking nagenoeg geheel verdwenen zijn. Wel zijn de locaties van een aantal oude kerkhoven bekend die bij deze nederzettingen hoorden. Onder boerderijplaatsen worden de uit de (late) middeleeuwen stammende, en derhalve archeologisch waardevolle, locaties van boerderijen verstaan.
De groep (oude) boerderijplaatsen (er waren binnen Friesland ruim 8000 locaties aanwezig en verdwenen) is in de hele ontstaansgeschiedenis van Fryslân van wezenlijk belang en dient zowel archeologisch (aanwezig en verdwenen) als architectonisch (aanwezig) ruime aandacht te krijgen. Op grond van aard en ouderdom kunnen in de gemeente Opsterland aldus de volgende categorieën boerderijplaatsen onderscheiden worden: laatmiddeleeuwse onbebouwde huisterpjes in het veengebied van noordwestelijk Opsterland; locaties van laatmiddeleeuwse nederzettingen en begraafplaatsen, gevormd als gevolg van de ontginning vanuit de rivieren; de verderop langs de ontginningsas gelegen lintvormige boerderijplaatsen, zoals aangeduid op de kaart van Schotanus (1718). Er is door de gemeente ten aanzien van de architectuur al actie ondernomen door een lijst op te stellen met boerderijen in het buitengebied die door hun bouwvorm van belang zijn als 66
beelddragers in het landschap. Een deel hiervan is gebouwd op dezelfde locatie als waar een oude boerderijplaats aanwezig was. In de verdiepingsslag van de FAMKE wordt ruime aandacht geschonken aan de boerderijplaatsen binnen Opsterland en is er een onderverdeling gemaakt tussen locaties waarvan de begrenzing van de boerderijplaats met zekerheid vastgesteld is en een categorie waarvan alleen een zoekgebied bekend is. De verhoogde boerderijplaatsen zijn locaties die zich in de middeleeuwen gestabiliseerd hebben, nadat de bewoning zich van de beek landinwaarts verplaatste. De aanwezigheid van oude kerkhoven en de Bûtewei bevestigen deze verplaatsing. Hun aanwezigheid duidt sterk op vroegere bewoning en heeft grote archeologische betekenis. Er zijn al enkele onderzoeken gedaan die dit bevestigen (Wijnjeterp, Siegerswoude). In de gemeente Opsterland liggen de boerderijplaatsen in het begin van de achttiende eeuw geconcentreerd in strengen langs de (voormalige) hoofdwegen. Tussen de beek en deze locaties is een hoge archeologische waarde te verwachten. De locaties van de verhoogde boerderijplaatsen geven de plek aan waar in potentie een middeleeuwse woonstede aanwezig kan zijn.
Fragment van de beleidsadvieskaart FAMKE periode ijzertijd-middeleeuwen. De rode en oranje vlakken zijn locaties van boerderijplaatsen die sinds de middeleeuwen bewoond geweest zijn.
Boerderijplaatsen vormen een complexe archeologische categorie, waarvoor het niet eenvoudig is om een specifiek en eenduidig archeologisch beleid te ontwikkelen. Redenen hiervoor zijn onder meer, dat veel locaties van laatmiddeleeuwse boerderijplaatsen zijn overbouwd door een (moderne) opvolger en het om aanzienlijke aantallen gaat. Een archeologische onderzoeksverplichting op al de locaties leggen zou leiden tot een zware (en potentieel kostbare) claim voor een grote groep bewoners van deze opvolgers. Binnen gemeente Opsterland zijn slechts een klein aantal verlaten kerkhoven aanwezig. Van de bekende locaties waar mogelijk nog resten bewaard gebleven zijn, is geldt er een onderzoekplicht bij ingrepen vanaf 0 m². De locaties die afgegraven zijn en waarvan verwacht wordt dat er niet langer archeologische waarden in het geding zijn, krijgen in de toekomst een plek op de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente. Historische dorpskernen Op de kaarten van Schotanus-Halma 1718 is te zien dat de nederzettingen zich na de middeleeuwen manifesteerden als wegdorpen op dekzandruggen. Ze lagen geïsoleerd tussen de nog onontgonnen hoogveengebieden langs de rand van Opsterland en de inmiddels weer drassig geworden oude ontginningen. Deze nederzettingen verschoven niet meer en zijn ingetekend aan de hand van de oudste kadasterkaart van 1832 (www.hisgis.nl).
67
5.2 FAMKE: algemene toelichting op de kaarten De FAMKE bestaat uit twee beleidsadvieskaarten en twee bronnenkaarten die behoren tot twee tijdsperioden. Beide tijdsperioden, te weten ‘steentijd-bronstijd’ (300.000 – 800 v.Chr.) en ‘ijzertijd-middeleeuwen’ (800 v.Chr. – 1500 na Chr.), hebben elk een advieskaart en een bronnenkaart. Voor deze indeling in twee perioden is gekozen omdat de adviezen voor mogelijke vindplaatsen uit de steentijd vaak verschillen van die voor mogelijke jongere vindplaatsen. 5.2.1 Opbouw van de FAMKE: twee advieskaarten en twee bronnenkaarten Doel van de beleidsadviezen is het in kaart brengen en beschermen van de archeologische gegevens. Is er sprake van een waardevolle archeologische vindplaats, dan geldt als eerste doel het streven naar behoud, waarmee wordt bedoeld dat de archeologische resten ongeroerd in de bodem op de plek zelf (in situ) bewaard blijven. Dat kan door het nemen van beschermende maatregelen waardoor de archeologische resten worden ontzien, bijvoorbeeld door de werkzaamheden uit te voeren op een alternatieve locatie, de ondergrond op te hogen of funderingen aan te passen. Het is echter niet altijd mogelijk om alle archeologische resten te bewaren en dan is (meestal) nader archeologisch onderzoek noodzakelijk. De adviezen op de beleidsadvieskaarten zijn instapadviezen: zij informeren over het onderzoek dat om te beginnen nodig is.
Op grond van dat eerste onderzoek kan besloten worden welke eventuele vervolgstappen moeten worden gezet. In concreto moet duidelijk worden of er sprake is van een waardevolle vindplaats die opgegraven dient te worden (bewaren ex situ), wil de voorgenomen bodemingreep doorgang kunnen vinden. Zeker voor het bepalen van de juiste strategie na het eerste onderzoek is veelal maatwerk nodig, waarover overleg met bevoegd gezag dient plaats te vinden. De adviezen die voor de verschillende zones in Fryslân gegeven worden variëren van ‘streven naar behoud' tot ‘geen nader onderzoek nodig'. Daarbij wordt niet alleen aangegeven welke minimale omvang een mogelijk te maken bodemingreep moet hebben, wil er archeologisch onderzoek nodig zijn, maar ook hoe de eerste fase van dat onderzoek eruit zou moeten zien. Deze adviezen geven dus aan welke eerste stap nodig is om op een verantwoorde manier om te gaan met het bodemarchief bij het mogelijk maken van een nieuw bestemmingsplan, een bestemmingsplanwijziging, een ontgronding of een sanering. Met andere woorden: door middel van de twee advieskaarten kan worden nagegaan welke onderzoeksinspanning gevraagd wordt op een bepaalde plaats. Bij elke beleidsadvieskaart hoort een bronnenkaart die inzicht geeft in de gegevens die ten grondslag hebben gelegen aan het gegeven beleidsadvies en daarmee de onderbouwing vormt van de beleidsadvieskaart.
Deze gegevens kunnen betrekking hebben op de categorie waartoe een terrein of zone behoort, maar ook zeer specifiek zijn. Daarmee staat op de bronnenkaarten extra informatie die richting kan geven aan het uit te voeren archeologisch onderzoek. Deze bronnenkaarten dienen in de voorbereidingsfase van een archeologisch onderzoek te worden geraadpleegd ter verdieping van het advies op de beleidsadvieskaarten, opdat een passende onderzoeksstrategie kan worden opgesteld. Hoe zijn de adviezen op de FAMKE opgebouwd? De archeologische adviezen op de FAMKE zijn gebaseerd op onze kennis van al bekende archeologische terreinen en op zogeheten archeologische verwachtingen, die op hun beurt weer gebaseerd zijn op bronnen als bodemkaarten, historische kaarten, veldwerk en literatuur. De adviezen staan verbeeld op de beleidsadvieskaarten. Elk advies:
68
verduidelijkt aan de hand van een ondergrens óf er in geval van een (planologisch mogelijk te maken) bodemingreep van een zekere omvang archeologisch onderzoek noodzakelijk is en
beschrijft hoe dat onderzoek eruit dient te zien. De minimumrichtlijnen voor deze onderzoeken zijn op de beleidsadvieskaarten verwerkt en geven – ondersteund met de relevante informatie op de bronnenkaarten - een aanzet voor een Plan van Aanpak dat voor elk archeologisch onderzoek de basis vormt.
Hoe is de ondergrens bepaald? Diepte van de bodemingreep en oppervlakte De grens waaronder archeologisch onderzoek wel of niet nodig is, wordt bepaald door twee factoren: de diepte van de bodemingreep en de oppervlakte ervan. De ondergrens is in veel gevallen dus afhankelijk van de dikte van de bouwvoor (de bij normaal gebruik omgewerkte top van de bodem). Onder een bodemingreep wordt verstaan het graven of anderszins verstoren van de bodem dieper dan 30 centimeter beneden maaiveld. Het verlagen van de bodem met als (toekomstig) effect dat de bodem dieper dan 30 centimeter beneden oorspronkelijk maaiveld verstoord raakt (bijvoorbeeld door afplaggen) is ook een bodemingreep. Het verlagen van de bodem (afplaggen) wordt als een verstorende ingreep gezien, wanneer dit (op termijn) leidt tot verstoring van de bodem dieper dan de ondergrens qua diepte. Soms kan een grotere ondergrens gelden, bijvoorbeeld wanneer de waardevolle of kansrijke lagen op grotere diepte liggen. Als een ingreep dieper gaat dan de ondergrens, dient vervolgens te worden bekeken of deze ingreep de ondergrens wat betreft de oppervlakte overschrijdt.
De ondergrens van de oppervlakte verschilt per zone op de beleidsadvieskaart en wordt bepaald door: de bekende archeologische waarde van een terrein (een rijksmonument, gemeentelijk monument, gewaardeerd planologisch beschermd of te beschermen terrein) of de verwachtingswaarde (kans op waardevolle archeologie). Bij elk advies is aangegeven wat de minimale oppervlakte van een (planologisch mogelijk te maken) bodemingreep is, wil er een onderzoek noodzakelijk zijn. Voor het bepalen van de grootte van een ingreep, zie hieronder. De ondergrenzen zijn zowel gebaseerd op het wetenschappelijke belang van archeologisch onderzoek op een bepaalde plaats, als op het feit dat onderzoek niet altijd een substantiële bijdrage kan leveren aan de kennis van de archeologische waarden wanneer het om een relatief kleine ingreep gaat. De ondergrenzen zijn daarnaast gebaseerd op ervaringscijfers uit Fryslân en andere provincies. Onderzoeksadvies De archeologische onderzoeksadviezen op de FAMKE zijn gebaseerd op de kennis over (al vastgesteld waardevolle) archeologische terreinen en op zogeheten archeologische verwachtingen, die op hun beurt weer gebaseerd zijn op bronnen als bodemkaarten, historische kaarten, veldwerk en literatuur. Deze bronnen worden verbeeld op de bronnenkaarten.
Bovendien is waar mogelijk rekening gehouden met de kans dat archeologische resten in een bepaalde zone al verstoord zijn, zodat onnodig onderzoek zoveel mogelijk
69
wordt voorkomen. Puntsgewijs zijn de volgende aspecten meegenomen bij het bepalen van de onderzoeksadviezen: de vastgestelde waarde van een terrein of de kans dat er binnen een bepaalde zone archeologische resten kunnen worden aangetroffen (kwantitatieve verwachting); de mate waarin de eventuele archeologische resten naar verwachting nog intact zijn (kwalitatieve verwachting); de zeldzaamheid van de intacte (verwachte) waarden. Uit bepaalde perioden zijn relatief weinig goed bewaarde resten over. Als in een gebied relatief weinig van dergelijke resten worden verwacht, maar de kwaliteit van die resten wel hoog kan zijn, werkt dit door in het onderzoeksadvies; de stand van het onderzoek. Over bepaalde gebieden of perioden is relatief weinig bekend. Bovendien zijn bepaalde vindplaatsen (nu nog) moeilijk op te sporen. Ook is kan het zijn dat onderzoek is uitgevoerd waaruit blijkt dat er binnen het onderzoeksgebied geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. Het onderzoeksadvies is hier dan op toegespitst. Het resultaat van bovenstaande afwegingen kan ook tot de conclusie leiden dat het bodemarchief verstoord is, door bijvoorbeeld ploegen of afgravingen. In dat geval kan het advies luiden dat een minder uitgebreid onderzoek nodig is, of zelfs dat een onderzoek helemaal niet nodig is.
Hoe wordt de omvang van een ingreep bepaald? In twee gevallen is het nodig om de grootte van de ingreep te bepalen: bij het aanvragen van een omgevingsplanwijziging (functiewijziging) en bij een omgevingsvergunning.
Omvang van de ingreep bij een omgevingsplanwijziging (functiewijziging) Bij een procedure waarin een functie wijzigt, geldt de gehele oppervlakte waarop de functiewijziging betrekking heeft als de omvang van de ingreep. Onder een ‘grootte van een ingreep' wordt hier dus verstaan de totale oppervlakte van een functiewijziging ten opzichte van het vigerende omgevingsplan. Een functiewijziging kan namelijk binnen het gehele plangebied (ook op termijn) activiteiten mogelijk maken die op grond van de oude functie niet toegestaan werden. Relevant in dit geval zijn de activiteiten die op grond van de nieuwe functie kunnen leiden tot verstoring van de bodem. Mocht een ingreep kleiner zijn dan het oppervlakte die in de desbetreffende advieszone wordt aangegeven, dan is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Bij een overschrijding van die grens is dat natuurlijk wel het geval. Met de oppervlakte van een ‘ingreep' wordt dus niet de letterlijke omvang van de verstoring van de bodem bedoeld, maar de oppervlakte waarvan de bodem door functiewijziging nu of in de toekomst verstoord kan gaan worden. Met andere woorden: de grootte van de ingreep is gelijk aan oppervlakte van de eventuele verstoring die planologisch mogelijk wordt gemaakt. In geval van een bodemsanering of ontgronding geldt de oppervlakte van het te ontgraven gebied als de ingreep.
Als uit archeologisch onderzoek blijkt dat er in een gebied geen waardevolle archeologische resten (meer) te verwachten zijn kan de functie ‘waarde archeologie’ voor dit gebied vervallen. Uiteraard geldt dit alleen voor gebieden die daadwerkelijk onderzocht zijn.
Omvang van de ingreep bij een omgevingsvergunning of BOPA Wanneer voor een activiteit een omgevingsvergunning of BOPA nodig is, dient voor het vaststellen van de noodzaak van archeologisch onderzoek te worden uitgegaan 70
van de daadwerkelijke omvang van de bodemverstoring. Dit betekent ook dat eventueel archeologisch onderzoek beperkt blijft tot de daadwerkelijk te verstoren zone. Alleen het onderzochte gedeelte kan worden vrijgegeven, wanneer gebleken is dat er geen archeologische waarden in het geding zijn. Voor een niet-onderzocht deel van het plangebied blijft de functie ‘Waarde archeologie’ van kracht. Afwijken van de FAMKE De adviezen op de FAMKE zijn met de grootst mogelijke zorgvuldigheid tot stand gekomen. Toch kan het voorkomen dat er informatie beschikbaar komt die hierin niet meegenomen is. Dit kan het geval zijn als er inmiddels een archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden waaruit blijkt dat er geen vindplaatsen zijn of dat de aanwezige vindplaatsen in voldoende mate zijn gedocumenteerd. Ook kan het zijn dat op basis van andere informatie gesteld kan worden dat de kans op intacte archeologische resten zeer klein is. Te denken valt aan saneringsrapporten, bouwtekeningen en dergelijke. In deze gevallen is het niet nodig om alsnog archeologisch onderzoek te doen, ook al geeft de FAMKE dit wel aan. Ook zijn er situaties denkbaar waarbij een functiewijziging niet of nauwelijks invloed heeft op de in de bodem (mogelijk) aanwezige archeologische waarden.
In de Omgevingsverordening Fryslân, artikel 2.1 lid 1, is opgenomen dat de adviezen op de FAMKE leidend zijn.4 Het betekent echter niet dat deze te allen tijde gevolgd moeten worden. Afwijkingsruimte vinden wij dat er aanwezig is in artikel 2.1 lid 1: wij pleiten voor een hybride benadering met maatwerk. In dergelijke gevallen dient wel goed onderbouwd te worden op welke wijze de archeologische waarden passend worden beschermd. In de archeologische paragraaf van het omgevingsplan zal inzicht gegeven moeten worden in de mate waarin de bodemverstoringen die door de functiewijziging mogelijk worden gemaakt op zowel korte als langere termijn invloed kunnen hebben op mogelijk aanwezige archeologische waarden. Wat als er meerdere advieszones binnen een plan vallen? Vooral bij de grotere wijzigingen in het omgevingsplan (functiewijziging) of omgevingsvergunning komt het voor dat de voorgenomen ingreep verschillende advieszones beslaat. In dat geval dient de vergunningsaanvrager aan de hand van de adviezen op de beleidsadvieskaart per zone te bepalen of en welk soort onderzoek moet worden uitgevoerd. Zijn er bijvoorbeeld enkele terpen of dobben in het plan aanwezig, dan dient daar een waarderend onderzoek te worden uitgevoerd, terwijl in andere gedeelten van het plan karterend onderzoek vereist kan zijn. In weer andere delen kan onderzoek in het geheel niet noodzakelijk zijn.
Wanneer de voorgenomen ingreep veel verschillende zones beslaat, is het raadzaam om een archeologisch onderzoeksbureau een onderzoeksstrategie te laten bepalen, waarbij de verschillende vragen toch beantwoord worden. Het streven is om het onderzoek in één keer uit te laten voeren, waardoor er ook maar een keer gerapporteerd hoeft te worden.
4 Omgevingsverordening Fryslân 2022 (laatst gewijzigd op 1 januari 2025) artikel 2.1 lid 1: ‘In een omgevingsplan
wordt aangegeven op welke wijze het plan rekening houdt met de archeologische waarden en de archeologische verwachtingswaarden, waarbij gebruik wordt gemaakt van de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra of van een met de provincie afgestemde gemeentelijke verdiepingsslag’.
71
5.3 Toelichting op de archeologische beleidsadvieskaart periode steentijd-bronstijd De Archeologische beleidsadvieskaart steentijd-bronstijd van de gemeente Opsterland toont diverse beleidsadviezen. Deze adviezen zijn gebaseerd op de (verwachte) waarde van elk terrein of elke zone als representant van een grotere groep van terreinen of zones en op inhoudelijke informatie over het individuele terrein of de specifieke zone. Inhoudelijk wordt hierop verder ingegaan in de Toelichting op de Archeologische bronnenkaart steentijd– bronstijd (van Opsterland) (bijlage 1). Op de bronnenkaart zijn de afzonderlijke inhoudelijke eenheden als zodanig zichtbaar, op de beleidsadvieskaart zijn feitelijk alleen de adviezen te zien en valt inhoudelijk onderscheid in de vorm van begrenzingen in bepaalde gevallen weg. In elk geval dient voor inhoudelijke informatie de bronnenkaart te worden geraadpleegd. In een eerder stadium is een deel van de waardevolle vindplaatsen uit de periode steentijd– bronstijd als behoudenswaardig op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) geplaatst en wel als AMK-terrein. Het advies is gehandhaafd, de omvang kan zijn aangepast.
Het archeologisch beleid in de gemeente Opsterland betreffende de periode steentijdbronstijd is het meest uitgekristalliseerd voor resten van kampementen van jagersverzamelaars uit het mesolithicum en tijdelijke kampementen die in het neolithicum en bronstijd werden ingericht ten behoeve van de jacht en het verzamelen van voedsel en grondstoffen. Dit heeft verschillende redenen. Belangrijkste reden hiervoor is wel dat de meeste steentijdvondsten (in de vorm van bewerkte vuurstenen) die in Fryslân (en Opsterland) zijn gedaan, door jagers-verzamelaars zijn achtergelaten, wat weer te maken heeft met het feit dat zij veel van hun sporen in de top van het pleistocene zand hebben achtergelaten. Door vorst, bodemleven (molshopen) of erosie (verstuiving) alsmede de mens (ploegen) kwamen vondsten aan het oppervlak te liggen, waarvan er veel door (amateur)archeologen zijn opgeraapt. Vuursteenvindplaatsen waarvan aannemelijk is dat ze al verstoord zijn en/of waarvan de locatie niet zeker genoeg is, staan niet langer op de jongste beleidsadvieskaarten. Wel zijn ze terug te vinden op de onderliggende bronnenkaart, omdat hun spreiding van belang blijft voor het opstellen van een Plan van Aanpak voor eventueel nader archeologisch onderzoek.
Drie soorten terreinen vragen om ander beleid en zijn daarom wel opgenomen op de beleidsadvieskaart: vuursteenvindplaatsen uit het laat- of jong-paleolithicum, permanente nederzettingen van boeren uit de periode neolithicum-bronstijd en pingoruïnes. Verder (en buiten de AMK-terreinen) zijn in Opsterland de volgende zones en terreinen van belang:
Zones waarbinnen kans is op waardevolle sporen van mesolithische kampementen en tijdelijke kampementen uit het neolithicum en de bronstijd; Vindplaatsen uit het laat- of jong-paleolithicum; Zones met kans op waardevolle sporen van permanente nederzettingen van boeren uit de periode neolithicum-bronstijd; Pingoruïnes; Archeologie van de beekdalen; Terreinen met een waardevolle vindplaats uit de periode steentijd-bronstijd.
De onderzoeksverplichtingen die gehanteerd worden met betrekking tot deze periode staan weergegeven in bijlage 1.
72
5.4 Toelichting op de archeologische beleidsadvieskaart ijzertijd-middeleeuwen De Archeologische beleidsadvieskaart ijzertijd-middeleeuwen van de gemeente Opsterland toont diverse beleidsadviezen. Deze adviezen zijn gebaseerd op de (verwachte) waarde van elk terrein of elke zone als representant van een grotere groep van terreinen of zones en op inhoudelijke informatie over het individuele terrein of de specifieke zone. Inhoudelijk wordt hierop verder ingegaan in de Toelichting op de Archeologische bronnenkaart ijzertijd– middeleeuwen (van Opsterland) (bijlage 2). Op de bronnenkaart zijn de afzonderlijke inhoudelijke eenheden als zodanig zichtbaar, op de beleidsadvieskaart zijn feitelijk alleen de adviezen te zien en valt inhoudelijk onderscheid in de vorm van begrenzingen in bepaalde gevallen weg. In elk geval dient voor inhoudelijke informatie de bronnenkaart te worden geraadpleegd. In een eerder stadium is een deel van de waardevolle vindplaatsen uit de periode ijzertijdmiddeleeuwen als beschermenswaardig op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) geplaatst en wel als AMK-terrein. Deze AMK-terreinen zijn op de bronnenkaart niet als zodanig opgevoerd, maar als een waardevol terrein benoemd naar de specifieke aard. Het advies is gehandhaafd, de omvang kan zijn aangepast. Verder zijn de volgende eenheden van belang:
Zones met kans op waardevolle sporen uit de periode ijzertijd-middeleeuwen; Historische boerderijplaatsen Bakkeveen (zoekgebied); Historische boerderijplaatsen en dorpskernen (nauwkeurige begrenzing); Moderne commerciële turfwinning (met uitzondering van de zones waarin kans bestaat op het aantreffen van bewoningssporen uit de periode ijzertijd-vroege middeleeuwen (op hogere zandgronden)); Middeleeuwse kerkhoven (in onbruik geraakt); Middeleeuwse kerkhoven (nog in gebruik); Schansen (zoekgebied); Terpen, kloosterterreinen, stateterreinen en schansen (nauwkeurige begrenzing); Terrein met waardevolle vindplaats uit de middeleeuwen; Veenontginningsgebied; Kweldergebied; Middeleeuws bewoningslint ‘Oud-Wijnjeterp’ (zoekgebied); Verlaten nederzetting Oud-Ureterp; Historische dorpskernen; Moderne commerciële turfwinning (met uitzondering van zones waarin kans bestaat op het aantreffen van bewoningssporen uit de periode ijzertijd-vroege middeleeuwen); Moderne commerciële turfwinning (nat).
De onderzoeksverplichtingen die gehanteerd worden met betrekking tot deze periode staan weergegeven in bijlage 2.
73
6. Overige beleidsaspecten De beleidsadvieskaarten en bronnenkaarten en de bijbehorende onderzoeksvoorschriften zorgen ervoor dat het archeologisch bodemarchief in de gemeente Opsterland op adequate wijze beoordeeld kan worden en waar nodig beschermd kan worden. Daarnaast zijn er nog enkele andere aspecten in dit beleid die meewegen. 6.1 Egaliseren, diepploegen en afplaggen Grondbewerking tot een diepte van 30 cm onder de bouwvoor is vrijgesteld van verplichtingen. Normaal gebruik van landbouwgrond blijft vergunningsvrij. Doorgaans is er bij de egalisering van grond geen sprake van grondbewerking dieper dan 30 cm. Ook bij het afplaggen van gronden komt men doorgaans niet op een diepte verder dan 30 cm, al kan dit per project verschillen. Bij het afplaggen wordt een bovenste grondlaag met begroeiing verwijderd. Plaggen werden vroeger gebruikt als ondergrond voor dieren in potstallen en schaapskooien. Vandaag de dag wordt het afplaggen van gronden toegepast bij natuurbeheer. Hiermee worden nutriënten en/of organische stoffen die in de vegetatielaag en het organische deel van het bodemprofiel aanwezig zijn weggehaald. Diepploegen is een agrarische techniek die de bodemstructuur verbetert en de opbrengst van gewassen verhoogt door de bodemlagen effectief te bewerken.
De bodem wordt hierbij tot aanzienlijke diepte omgewoeld, meestal tussen de 30 cm en de 150 cm en soms zelfs nog dieper. Bijgevolg is dat mogelijke archeologische vindplaatsen vernietigd kunnen worden. Om schade aan en vernietiging van archeologische vindplaatsen te voorkomen, is het noodzakelijk dat er op percelen waarvoor een onderzoeksvoorschrift bestaat op de FAMKE, een vergunning aangevraagd wordt, wanneer er sprake is van een grondbewerking van 30 cm diepte of meer. De FAMKE geeft hiervoor indicatie, zoals gesteld in hoofdstuk 5. 6.2 Amateurarcheologen en vrijwilligers: inzet en ondersteuning bij opgravingen De gemeente Opsterland onderschrijft het belang van lokale en regionale ervaring en inbreng op het vlak van archeologisch erfgoed. Amateurarcheologen zijn vaak de extra ogen en oren van beroepsmatige archeologen. Het vigerende beleid op gebied van archeologisch onderzoek, maakt het moeilijk voor amateurs om archeologisch onderzoek uit te voeren. De gemeente streeft er dan ook naar om hen te betrekken bij archeologisch veldonderzoek dat wordt uitgevoerd door archeologische marktpartijen, waarbij zij onder toezicht van beroepsmatige archeologen kunnen meewerken aan bijvoorbeeld opgravingen.
Onderzoekbureaus worden dan verplicht om contact op te nemen met de overkoepelende organisatie van amateurarcheologen Archeologisch Werkgroep Nederland, AWN afdeling 1 (Friesland, Groningen en Drenthe).5 De inzet van amateurarcheologen kan geregeld worden middels het Programma van Eisen. Daarnaast kunnen amateurarcheologen ingezet worden bij voorlichting over de geschiedenis, bij educatie en tentoonstellingen. Verder mogen archeologische verenigingen, mits aangesloten bij de AWN, zelfstanding archeologisch onderzoek uitvoeren op vindplaatsen die volgens de maatstaven van het bevoegd gezag niet behoudenswaardig zijn, maar die wel degelijk archeologische resten bevatten. 6.3 Metaaldetectoren Met een metaaldetector kunnen vondsten in de bodem opgespoord worden. Vaak worden ze door hobbyisten gebruikt, maar ook beroepsmatig, bijvoorbeeld om munitie in de bodem op te sporen. Vroeger was metaaldetectie in Nederland verboden. Sinds juli 2016 is dat niet meer zo: tegenwoordig mag op veel plaatsen met een metaaldetector gezocht en
5 Meer informatie over AWN Afdeling 1 is te vinden op: www.archeonoord.nl.
74
opgegraven worden. Voor een metaaldetectoramateur die opgravingen doet met een metaaldetector gelden enkele landelijke voorwaarden: Er moet altijd gecontroleerd worden of de gemeente niet zelf een plaatselijk metaaldetectieverbod heeft ingesteld. In zulke gevallen mag daar niet met een metaaldetector gegraven worden; Er mag niet gezocht worden op de volgende terreinen: a. terreinen waarvoor een gemeente een metaaldetectieverbod heeft ingesteld (dit kan gelden voor de hele gemeente of voor delen van de gemeente); b. archeologische rijksmonumenten; c. beschermde provinciale archeologische monumenten; d. beschermde gemeentelijke archeologische monumenten; e. terreinen waarvoor een procedure loopt om een beschermd archeologisch; (rijks)monument te worden; f. terreinen waar een archeologische opgraving bezig is; Ingezaaide akkers; Weidegebied met vee; Met een metaaldetector mag tot een diepte van maximaal 30 cm gezocht worden: onder geen voorwaarde mag de bodem dieper verstoord worden dan 30 cm onder het landoppervlak. Daarnaast bestaat er een gedragscode voor het zoeken met een metaaldetector.6 Het gebruik van metaaldetectoren in de gemeente Opsterland is toegestaan. Voorwaarde voor het gebruik van de metaaldetector is dat de opgraving niet dieper dan 30 cm onder de bouwvoor uitgevoerd wordt.
Een vondst van de detectoramateur wordt beschouwd als toevalsvondst: het moet dan gaan om een archeologische vondst die gedaan wordt in een gebied dat door de gemeente vrijgesteld is van archeologische onderzoek. Dit betekent dat de detectoramateur in die gevallen gehouden is aan de wettelijke voorschriften omtrent toevalsvondsten, afdeling 19.2 van de Omgevingswet. In het belang van het vergroten van kennis is het verplicht om toevalsvondsten te melden bij de gemeente, zoals ook de Omgevingswet voorschrijft (art. 19.8 lid 1). Daarnaast wordt aangeraden om vondsten te registeren bij de nationale database Portable Antiquities Netherlands (PAN).7 Registratie, datering en fotomateriaal van een vondst is daarbij essentieel. Van belang om te weten is dat de vondstlocatie afgeschermd blijft voor het publiek. Op deze manier wordt de kennis van zowel vinder, professionals en andere geïnteresseerden vergroot. Uiteraard dient de eigenaar van het terrein toestemming te verlenen om het terrein te betreden en, in voorkomende gevallen, voor het verrichten van graafwerkzaamheden. Tot slot is het belangrijk om te weten dat het overtreden van de metaaldetectieregels strafbaar is. De Inspectie, de Politie, gemeentelijke handhavers en BOA’s kunnen hierop toezien en handhaven als dat nodig is.
6 https://www.portable-antiquities.nl/pan/resources/downloads/Metaaldetectie_NL_sept2021.pdf 7 Website: www.portable-antiquities.nl
75
7. Kennislacunes in de archeologie en aanvullende aandachtsgebieden Het onderzoek naar dijken en de te verwachten archeologische waarden in het algemeen zijn nog onvoldoende in kaart gebracht. Overwogen moet worden om een thematische verdiepingsslag van de dijken uit te voeren en ook verdiepend onderzoek te doen naar de te verwachten archeologische waarden binnen gemeente Opsterland. 7.1 Dijken Onderzoek naar dijken verschaft ons meer kennis over hoe en wanneer het gebied dat ze omsluiten (verder) is ontwikkeld. Archeologisch onderzoek naar een dijk richt zich vooral op het in beeld brengen van het bodemprofiel van de dijk, zodanig dat duidelijk wordt op welke wijze de dijk is aangelegd en hoe deze zich heeft ontwikkeld. Als basis voor de aangewezen dijklichamen is uitgegaan van de dijktracés zoals die zijn aangegeven op de cultuurhistorische kaart van de provincie. Deze zijn vergeleken met de situatie op het actueel hoogte bestand en historische kaarten. Soorten dijken In Opsterland worden de volgende soorten dijken onderscheiden: Rivierdijken: Langs de noordzijde van de Boorne/het Koningsdiep liep mogelijk ooit een dijk die de hooilanden van Beets diende te beschermen. Binnendijken: De Gorredijk en de dijken ten noordwesten van Gorredijk en de dijken ten noorden van Beets. Niet van alle binnendijken staat vast dat zij hebben bestaan.
De bekende Leppedijk loopt langs de grens tussen Opsterland en Smallingerland. Het archeologisch meest waardevolle deel bevindt zich op het grondgebied van de gemeente Smallingerland, zulks op basis van het AHN en de luchtfoto uit 1949. Leidijken: leidijken werden aangelegd om de cultuurlanden te beschermen tegen instromend zuur veenwater. Ze werden op het veen aangelegd. Om die reden mag worden aangenomen dat zij na het verdwijnen van het veen geen of nauwelijks archeologische resten hebben nagelaten. In veel gevallen is het moeilijk om hun tracés nauwkeurig (genoeg) aan te geven. Hoewel de Erfgoedwet voorschrijft dat dijken een verplicht onderdeel vormen, is vooralsnog besloten om dijken geen plek op de archeologische kaarten te geven. Nader onderzoek naar de dijken is nodig om hun plaatsing op de bronnenkaart (en de advieskaart) te kunnen verantwoorden. Voorlopig wordt voor de ligging van de verschillende dijken verwezen naar de Cultuurhistorisch Kaart (CHK) van provinsje Fryslân. Dijken en leidijken kunnen indien gewenst vanuit de cultuurhistorie een bescherming toegekend krijgen, maar vallen vooralsnog tijdelijk buiten de scope van archeologie. 7.2 Ringwallen Pingoruïnes en dobben vormden een apart aandachtsgebied in de verdiepingsslag.
Daar waar verwacht werd dat de ringwallen een archeologische waarde vertegenwoordigen, zijn deze meegenomen bij het uitwerken van de FAMKE. Er zijn echter ook enkele ringwallen niet meegenomen wegens geen archeologische waarden. Omdat zij vanuit cultuurhistorisch oogpunt wel degelijk van waarde zijn, kunnen zij worden meegenomen op een te ontwikkelen cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Opsterland en daarop aangeduid als bijzonder cultuurhistorisch element. Of en in welke mate er een bescherming gewenst is, zal bij de uitwerking daarvan nader bekeken kunnen worden.
76
7.3 Voorden Voorden waren doorwaadbare plaatsen waar mensen een rivier overstaken. Ook werd deze benaming gebruikt voor plekken waar een brugconstructie gebouwd was op een plek waar water in periodes met hoge afvoer overheen stroomde. Doorgaans waren deze plaatsen ondiep, makkelijk begaanbaar en daar waar een beek of rivier smal was. Binnen de gemeente Opsterland zijn enkele voorden aanwezig geweest, maar de locaties zijn niet met zekerheid vast te stellen. Uit bronnen komt naar voren dat er in de omgeving van de volgende plekken voorden geweest moeten zijn: de overgang waar de huidige Poostbrug is; een locatie nabij De Mersken bij Wijnjeterp ter hoogte van de Freulevijver; de overgang aan het Hemrikkerpaed; ter hoogte van Tingwâlden, Terwispeler Grootschar. Mogelijk zijn er echter nog meer locaties in de gemeente Opsterland waar eertijds voorden zijn geweest. Uitgebreid onderzoek hiernaar is nog niet uitgevoerd. Ook hiervoor wordt aangeraden een thematische verdiepingsslag uit te voeren. 7.4 Nader onderzoek middeleeuwse huisterpen Op basis van enkele oude kaarten van amateurhistorici is het aannemelijk dat er ook in het gebied rond Ulesprong bij Tijnje sprake is van een cluster middeleeuwse huisterpen, gelegen aan een al lang verdwenen weg of voetpad.
In eerste instantie werd aangenomen dat het hier gaat om natuurlijke verhogingen, maar de nieuwste informatie, in de vorm van aantekeningen op plattegronden gemaakt in de jaren ’80 door een amateurarcheoloog, laat zien dat dit mogelijk niet het geval is. Nader onderzoek moet uitwijzen of hier sprake is van natuurlijke verhogingen ofwel van een cluster middeleeuwse huisterpen. 7.5 Onderzoek mogelijke stinswier Nabij de Poostbrug ligt een mogelijke stinswier. Verder onderzoek hiernaar zou moeten uitwijzen of dit daadwerkelijk het geval is. Een stinswier of 'hege wier' (hoge wier) zou je kunnen zien als een soort 'mini terp', waarop een stins was gebouwd. Rondom een aantal stinswieren zijn bij archeologisch onderzoek restanten van ringgrachten aangetroffen, waardoor we nu denken, dat een stinswier eerder functioneerde als een prestigeobject van de betreffende landheer, dan als vluchtplaats bij stormvloed en overstromingen. De stins werd niet permanent bewoond, maar diende ten tijde van conflicten als een veilige beschutting.
77
8. Voorlichting Om de gemeentelijke archeologische monumentenzorg op de juiste wijze uit te kunnen voeren, is het noodzakelijk dat alle betrokkenen binnen de gemeentelijke organisatie op de hoogte zijn van het gemeentelijk archeologiebeleid en van de eisen die dit met zich meebrengt ten aanzien van ruimtelijke ingrepen. Dit geldt voor sectoren die zelf potentiële (ook kleinschalige) bodemverstorende ingrepen plegen, maar ook voor de sectoren binnen de gemeente die aanvragen voor omgevingsvergunningen behandelen. Belang van voorlichting en bereikbaarheid Veel overtredingen komen voort uit onwetendheid. Lang niet altijd zijn bewoners en grondgebruikers ervan op de hoogte dat er iets waardevols in de grond zit. Met name de natuurbeheerinstanties die natuurgebieden in beheer hebben en grootgrondgebruikers, kunnen baat hebben bij een betere voorlichting. Soms geeft de verleende omgevingsvergunning niet duidelijk genoeg aan hoe werkzaamheden uitgevoerd moeten worden. En het is geen vanzelfsprekendheid dat politieambtenaren, toezichthouders en handhavers op de hoogte zijn van alle regels waarmee het archeologisch erfgoed beschermd wordt. Goede voorlichting is daarom erg belangrijk om schade aan het bodemarchief door overtredingen te voorkomen.
8.1 Openbaarheid van het archeologisch beleid Naast het interne gebruik is het van belang dat inwoners en andere potentiële bodemverstoorders helder en eenduidig worden geïnformeerd over het gemeentelijk archeologiebeleid. Dat wil zeggen, over de vastgestelde eisen op het gebied van de archeologische monumentenzorg, namelijk het veroorzakersprincipe. De ‘verstoorder’ betaalt de kosten van archeologisch vooronderzoek en vervolgonderzoek. Om inwoners en andere belanghebbenden van de meeste recente informatie te voorzien op het gebied van archeologie, wordt het raadplegen van de archeologische kaarten en het beleid ook voor inwoners en een breder publiek mogelijk gemaakt. Op de erfgoedpagina van de gemeentelijke website worden deze na vaststelling gepubliceerd. 8.2 Belevingswaarde en zichtbaarheid van archeologie Met de vaststelling van het archeologiebeleid wil de gemeente niet alleen inzetten op de uitvoering van haar wettelijke taak, maar ook op de maatschappelijke meerwaarde hiervan. Gemeente Opsterland heeft een uniek verleden, dat een breder publiek verdient. Archeologie wordt vaak sectoraal benaderd. Archeologische onderzoeksrapporten worden gebruikt bij vergunningsprocedures, maar spelen daarna meestal geen rol meer. Ook hier liggen kansen. Wanneer de resultaten van archeologisch onderzoek slechts bekend zijn bij archeologen, wordt het verhaal onvoldoende verteld.
Archeologie is onderdeel van de fysieke leefomgeving, maar anders dan bij gebouwd erfgoed of het cultuurlandschap, zijn er vaak geen herkenningspunten voor en is het onzichtbaar. Door in te zetten op zichtbaarheid en beleving wordt het cultureel erfgoed van iedereen. De gemeente Opsterland wil het maatschappelijk draagvlak voor archeologie vergroten door diverse initiatieven te nemen. Dit komt het meest tot zijn recht waar de gemeente zelf initiatiefnemer van een verstoring en dus ook opdrachtgever is voor archeologisch onderzoek. In geval van particulier initiatief verdient het de aanbeveling om aanvullende
78
wensen voor voorlichting en educatie plus de financiering ervan in een zo vroeg mogelijk stadium van planvorming met de ‘verstoorder’ te bespreken. De gemeente Opsterland hecht waarde aan het zichtbaar maken van archeologie. Daar waar mogelijk zal het letterlijk zichtbaar maken van archeologie in de openbare ruimte (als inspiratiebron voor ontwerpopdrachten) door het inpassen van het resultaat van archeologisch onderzoek in de nieuwe situatie, gestimuleerd worden. Resultaten van archeologisch onderzoek dienen op een laagdrempelige manier beschikbaar te komen voor het grote publiek, de inwoners van de gemeente. Het laagdrempelig toegankelijk maken van archeologische kennis kan op verschillende manieren, bijvoorbeeld door het organiseren van activiteiten tijdens archeologisch veldwerk, zoals open dagen en rondleidingen, het publiceren van een publieksvriendelijk verslag, het plaatsen van filmpjes van opgravingen binnen de gemeente op eigen website/YouTube-kanaal, het werken met vaste rubrieken zoals ‘Vondst van de maand’, het maken van vlogs of podcasts, het houden van openluchtlezingen op bijzondere archeologische locaties en de (tijdelijke) tentoonstelling van vondsten. Op diverse landelijke websites wordt archeologie op een creatieve manier onder de aandacht gebracht bij een breder publiek.8 In Fryslân zijn op diverse locaties archeologische steunpunten (ASP) opgericht.
Een archeologisch steunpunt kan een belangrijke rol spelen bij de voorlichting over de ontstaansen bewoningsgeschiedenis van de gemeente en het promoten van de archeologie. In Bakkeveen is het ASP in 2015 opgeheven, doordat er onvoldoende vrijwilligers waren en de kennis over de archeologie ontbrak. Bij het instellen van een steunpunt gaat de voorkeur uit om deze onder te brengen bij een verwante, bestaande organisatie, zoals een museum. Ook hiertoe zijn al initiatieven geweest, maar geconcludeerd is dat ook bij die constructie te weinig kennis op het vlak van archeologie bestaat en continuïteit niet voldoende geborgd kan worden in verband met de inzet van vrijwilligers. Als alternatief kan er daarom gekeken worden naar de mogelijkheden van het houden van tijdelijke tentoonstellingen. Tijdelijke tentoonstellingen zijn een goede manier om belangstellenden voor te lichten en bovendien is langdurige aanwezigheid van iemand met kennis geen vereiste. De informatie die van belang is, kan dan overgebracht worden aan de bezoeker op een wijze die passend is bij het format van de tentoonstelling, eventueel aangevuld door een presentatie. In de openbare ruimte De gemeente kan haar geschiedenis visueel maken door directe en indirecte verwijzingen te plaatsen in de openbare ruimte.
Hierbij moet gedacht worden aan het plaatsen van QR-codes op bijzondere locaties, bewegwijzering, de inrichting van een op erfgoed geïnspireerde openbare ruimte en kunst, of toepassing van Augmented Reality. Het verhaal van Opsterland kan daarnaast gebruikt worden om toerisme en recreatie te versterken. Door archeologische en historische plaatsen beleefbaar en zichtbaar te maken, worden deze locaties aantrekkelijk voor toeristen en recreanten. Met behulp van historische wandelpaden, fietstochten en kunstroutes kunnen deze plaatsen toegankelijk gemaakt worden en met elkaar in verband worden gebracht. Visualisatie en verbeelding zijn daarbij belangrijk.
8 www.archeologieleeft.nl; archeohotspots.nl; websites diverse gemeenten die initiatieven organiseren.
79
8.3 Wat gaan we doen: uitvoeringsprogramma Om de zichtbaarheid van archeologie te vergroten in de fysieke leefomgeving, wil de gemeente Opsterland een uitvoeringsplan opstellen voor het in de praktijk brengen van dit onderwerp. Hiervoor wordt een programma met tijdsplan geschreven en wordt er gestreefd naar een hechtere samenwerking met onder andere de archeologische onderzoeksbureaus, met als speerpunt hoe het archeologisch erfgoed beter onder de aandacht gebracht kan worden. Daarbij wordt in eerste instantie gekeken naar de volgende mogelijkheden en de haalbaarheid: QR-codes op bijzondere plekken. In samenspraak met de eigenaren van de percelen waarop bijzondere archeologische locaties aanwezig zijn, wordt er gekeken naar de mogelijkheid om een QR-code te plaatsen die verwijst naar de gemeentelijke website. Via de website kan de lezer meer te weten komen over de algemene achtergrond van bijvoorbeeld verlaten kerkhoven of dobben en pingoruïnes. Het meest voor de hand liggend is om dit thematisch op te bouwen. Doorlopende berichtgeving over archeologie middels diverse mediavormen, bijvoorbeeld als onderdeel van een erfgoednieuwsbrief of op de gemeentelijke website en andere sociale media. Zichtbaarheid gaat immers deels ook over communiceren. Ook kan hierbij gedacht worden aan een rubriek als ‘Vondst van de maand’.
Er wordt een interactieve digitale kaart ontwikkeld met de belangrijkste vondsten voor de gemeentelijke erfgoedwebsite. Interactieve tijdlijn of kaartverhaal die de ontwikkeling van de archeologie in Opsterland weergeeft. Het organiseren van tijdelijke tentoonstellingen en pop-up expo’s, bijvoorbeeld in Museum Opsterland of openluchtmuseum It Damshûs. Alternatieve locaties kunnen ook worden onderzocht. Hierbij wordt de samenwerking met de AWN gezocht. Daarnaast zal worden gekeken naar mogelijkheden als 3D reconstructies van middeleeuwse huisplaatsen, het voormalige stateterrein en verdwenen kerken, naar een toeristische routeof fietskaart, de verbeelding van archeologie in het landschap, deelname aan de nationale archeologiedagen, de inzet van de TimeTravelApp, Archeohotpots, burgerparticipatie bij opgravingen en open dagen. In 2024 is er op landelijk en provinciaal niveau aandacht gegeven aan de historie van Opsterland door programmamakers van ‘Het Vuur van de Friezen’ en ‘Emigrearje nei Fryslân’. In laatstgenoemde serie speelt de vuistbijl van Wijnjeterp een rol. Wetenschappelijk onderzoek Een van de ambities van ons archeologiebeleid is het verder stimuleren en faciliteren van wetenschappelijk onderzoek om de bijzondere archeologie van onze gemeente nog meer waarde te geven.
Daarnaast is het raadzaam om in te zetten op een eigen archeologische onderzoeksagenda (eventueel in OWO-verband) in het licht van de Omgevingswet en FARO. Mogelijkheden hiertoe kunnen de komende jaren worden verkend.
80
9. Financiering Met de vorming van nieuw beleid is er sprake van enkele financiële consequenties. Deze worden in dit hoofdstuk verder uiteengezet. 9.1 Kosten opstellen en uitvoeren archeologiebeleid Het opstellen van archeologiebeleid is uitgevoerd door de beleidsadviseur cultureel erfgoed en viel onder het reguliere takenpakket. Waar nodig is externe expertise gevraagd aan deskundigen. Hiervoor was reeds budget gereserveerd. Het kaartmateriaal is vervaardigd door medewerkers van het cluster Archeologie van provinsje Fryslân. De kosten hiervoor zijn in een eerder stadium al gedekt. Capaciteit vergunningen, toezichthouden en handhaving Voor de toetsing van archeologie bij de afdeling Vergunningen, is geconcludeerd dat dit vooralsnog past binnen de bestaande formatie. Vanzelfsprekend behoorde een archeologische check al tot de werkzaamheden, maar met de nieuwe kaarten is het lastig voorspelbaar welke impact het daadwerkelijk gaat hebben op de tijd die dit neemt. Daarom wordt er voor nu vanuit gegaan dat dit geen capaciteitsprobleem oplevert. Om nieuw archeologisch beleid effectief te kunnen uitvoeren, betekent het wel dat er meer toezicht, handhaving en kennis nodig is binnen de gemeente Opsterland. Archeologie is echter geen op zichzelf staand onderwerp, maar wezenlijk onderdeel van het geheel aan cultureel erfgoed.
Wanneer het gaat om het behoud van het landschap is archeologie daarmee zeer verweven: op plekken waar cultuurhistorische landschapselementen aanwezig zijn, is er doorgaans ook sprake van erfgoed in de bodem. Omdat er sprake is van nieuw archeologisch beleid en er door de Omgevingswet meer verwacht wordt van gemeenten op het gebied van toezichthouden en handhaven op het vlak van archeologie, is er een noodzaak de capaciteit op orde te hebben. Ook de aanscherping van het IBT van de provinsje om erop toe te zien dat de Friese gemeenten hun handhaving en toezicht op het gebied van (archeologisch) erfgoed op orde hebben is reden hiermee aan de slag te gaan. Om het toezichthouden en handhaven voor gemeente Opsterland voldoende geborgd te hebben, is de schatting dat dit behaald kan worden door 0.3 FTE. Daarnaast is het van belang dat de medewerkers op afdeling VTH op de hoogte zijn van de actuele regelgeving omtrent archeologie en de uitwerking daarvan in de praktijk. Aangeraden wordt om in te zetten op kennisverrijking van handhavers en toezichthouders. Hierbij kunnen eventueel de amateurarcheologen van de AWN ingeschakeld worden. Aanbevolen wordt om toezichthouders en handhavers in de nabije toekomst een cursus te laten volgen. Bovendien zou een centraal telefoonnummer voor amateurarcheologen die waarnemingen in het veld doen die mogelijk een overtreding inhouden, gewenst zijn.
Veel werkzaamheden die gronden roeren, vinden plaats buiten reguliere kantooruren. Zo kan er direct handhaving ingezet worden wanneer dat nodig is, ook buiten reguliere werktijden. Aanbevolen wordt om de haalbaarheid hiervan en mogelijke alternatieven te onderzoeken. 9.2 Aanpassingen en updates De gemeente heeft, zo impliceert de Omgevingswet, de taak om haar informatie zo up-todate mogelijk te houden. Het kaartmateriaal zal regelmatig aangepast moeten worden om de meest recente kennis en inzichten te verwerken. Voor het kaartmateriaal wordt er in eerste instantie vierjaarlijks een evaluatie en aanpassingsronde ingesteld. Archeologische informatie is constant aan verandering onderhevig: nieuwe archeologische onderzoeken geven nieuwe of veranderde inzichten over wat er in de bodem zit. Soms betekent dit dat een locatie afgewaardeerd kan worden, in andere gevallen juist dat een bepaalde locatie wel degelijk archeologische waardevol is. De meest actuele kennis moet voorkomen dat 81
initiatiefnemers onnodig geld uitgeven of keuzes maken op basis van verouderde informatie. En omgekeerd, het delen van de meest recente informatie moet voorkomen dat archeologische resten ongewild vernietigd worden. De kaarten worden met externe belanghebbenden en inwoners gedeeld via de gemeentelijke website. 9.3 Thematische verdiepingsslagen Er moet worden besloten of de hiaten genoemd in hoofdstuk 7 verder onderzocht kunnen worden. Het gaat dan om eenmalig onderzoek naar de thema’s voorden, huisterpen en de stinswier. De kosten hiervoor zijn weergegeven in deze paragraaf. 9.4 Kosten voor de gemeente als verstoorder Bij het opstarten van een initiatief wordt hiervoor een proces tot planvoorbereiding opgestart en wordt er een voorbereidingskrediet aangevraagd bij de gemeenteraad. In dit voorbereidingskrediet worden de verwachte onderzoeks- en planuitwerkingskosten opgenomen. Nadat het voorbereidingskrediet akkoord is bevonden door de gemeenteraad, kunnen hieruit de kosten voor archeologisch onderzoek en eventueel vervolgonderzoek betaald worden. In het geval dat er werkzaamheden in de openbare ruimte plaatsvinden, bijvoorbeeld de aanleg van een riool of aanleg kabels en leidingen, worden de kosten betaald vanuit een budget voor het meerjarig onderhoudsplan. 9.5 Toevalsvondsten en aanvullend onderzoek Toevalsvondsten zijn vondsten die niet tijdens een opgraving worden gedaan.
Het gaat zoals eerder gezegd om een vondst in een gebied dat (na afdoende archeologisch onderzoek) is vrijgegeven. Een belangrijke voorwaarde om te kunnen spreken van een toevalsvondst is dus de conclusie, na voldoende prospectief archeologisch onderzoek, dat op het betreffende terrein geen archeologische vondsten (meer) verwacht worden. Ook vondsten die buiten een ruimtelijke procedure worden gedaan, vallen hieronder (voorbeeld: een burger die een munt vindt langs een slootkant). Dergelijke vondsten dienen te worden gemeld bij de gemeente. In omgevingsvergunningen dient deze meldingsplicht bekend te worden gemaakt, om er zeker van te zijn dat er ook daadwerkelijk aan voldaan wordt. De gemeente kan dan besluiten dit nader te laten onderzoeken in samenspraak met de minister van OC&W. De kosten hiervoor zijn voor de minister (indien het gaat om vondsten van landelijk belang). De vertraging die kan ontstaan door het stil leggen van de werkzaamheden kan leiden tot een geschil tussen vergunningnemer en vergunningverlener (de gemeente). Concreet heeft dit tot gevolg dat de gemeente in eerste instantie aan zet is om te bepalen wat er moet worden gedaan met de toevalsvondst. Bij het vinden van een enkele munt heeft dit weinig impact, maar als de toevalsvondst bestaat uit een complete nederzetting, is dat een ander verhaal.
Hoewel een gemeente vervolgens niet verplicht kan worden om archeologisch onderzoek te doen naar aanleiding van een belangwekkende toevalsvondst, zal de daadwerkelijke omgang daarmee afhangen van meerdere factoren. Met goed onderbouwde ondergrenzen en besluiten op het uitgevoerde onderzoek, willen we dit soort discussies echter voorkomen. 9.6 Opstellen uitvoeringsprogramma archeologie Om het publieksbereik, draagvlak en de zichtbaarheid te vergroten, wordt er een uitvoeringsprogramma opgesteld. Het toepassen van diverse vormen van sociale media, het ontwikkelen van een interactieve kaart en andere digitale voorzieningen alsook het opstellen van een uitvoeringsprogramma om het draagvlak en de zichtbaarheid en bewustwording te vergroten, kan ingepast worden in de reguliere taken van de beleidsadviseur cultureel erfgoed. Samen met de afdeling communicatie wordt hieraan vorm gegeven. Vooralsnog geeft dit geen extra kosten en kan dit gefinancierd worden uit het algemene budget voor 82
cultureel erfgoed. Bij de uitwerking van het uitvoeringsprogramma zal voor andere onderdelen worden bekeken wat haalbaar is en welke financiële consequenties dat heeft. Aan het college en de raad zullen de keuzes worden voorgelegd. 9.7 Bestuurslastenvergoeding en opgravingen van maatschappelijk belang Ter compensatie van de decentralisatie ontvangen gemeenten jaarlijks een bestuurslastenvergoeding in het Gemeentefonds. Het bedrag dat hiermee gemoeid is, vormt een onderdeel van een groter totaal aan middelen dat elke gemeente ontvangt voor het uitvoeren van haar (gedecentraliseerde) taken. De afgelopen jaren is het bedrag dat de gemeente ontving voor archeologie niet specifiek voor archeologische doeleinden ingezet. Met het in werking treden van nieuw beleid en nieuw kaartmateriaal komt er meer oog voor de publieke functie van archeologie. Indien er aansprekende archeologische projecten binnen de gemeente kunnen plaatsvinden, zal een bijdrage aan de financiering daarvan voorgelegd worden aan de gemeenteraad. Bovendien zijn er situaties mogelijk waarbij er een groot maatschappelijk belang gemoeid is, zoals bijvoorbeeld de opgraving die uitgevoerd is bij begraafplaats De Mersken bij Siegerswoude in 2010 ten behoeve van de uitbreiding.
Uit onderzoek blijkt dat het draagvlak voor archeologie niet wordt vergroot wanneer alle kosten voor participatie bij de opdrachtgever (verstoorder) komen te liggen. Daarom is er voor deze uitzonderlijke situaties een budget nodig om bij te kunnen dragen. Wanneer hiervan sprake is, wordt er bij de gemeenteraad een bedrag aangevraagd. 9.8 Fondsen Vanuit het Rijk is er een fonds opgezet voor landelijke topvondsten en komt er een fonds (waar ook gemeenten een aanvraag kunnen indienen) voor publieksbereik, dus voor het uitdragen van het verhaal, en participatie. In de toekomst kan worden gekeken naar het aanwenden van deze fondsen. 9.9 Schema kosten Omschrijving
Structureel/incidenteel
Kosten
Verdiepingsslag voorden Verdiepingsslag huisterpen Verdiepingsslag stinswier
Incidenteel Incidenteel Incidenteel
€15.000,€7.000,€1.750,-
Capaciteit VTH 0.3 FTE
Structureel
€24.282,30
Totaal incidenteel Totaal structureel
€23.750,€24.282,30
83
Geraadpleegde literatuur en bronnen Amkreutz, Luc, e.a., Nederlandse Archeologische Rapporten 050. Vuursteen verzameld. Over het zoeken en onderzoeken van steentijdvondsten en –vindplaatsen (Amersfoort 2016). Bakker, A.M., Archeodienst Rapport 572. Archeologische begeleiding in plangebied Ureterp – De Mersken (Zevenaar 2015). Bakker, A.M., Archeodienst Rapport 629. Archeologische begeleiding langs de N381 locatie Ureterp, Kruispunt De Mersken (Zevenaar 2015). Bloemers, J.H.F., e.a., Verleden land. Archeologische opgravingen in Nederland (Amsterdam 1981). Boekema, Y., en M. Osinga, Grontmij Archeologische Rapporten 1374. Archeologisch onderzoek 48 dobben gemeente Opsterland (Assen 2013). Büller, Lenneke, De tocht door de tijd van het stroomdal van Koningsdiep en Boarn (Stichting Beekdallanschap Koningsdiep, Meppel 2018). Dirks, J., en J.E. Hooft van Iddekinge, ‘De muntenvond van Beets in Friesland’, De Vrije Fries (1877) 219-234. Doesburg, J. van, e.a., Rapport Archeologische Monumentenzorg 273. Op zoek naar lijnen. De waarde van elektromagnische inductie en optische en thermische infraroodbeelden in Siegerswoude (Friesland) (Amersfoort 2022). Elzinga, G., ‘Vondsten uit de trechterbekercultuur te Allardsoog, gem. Opsterland’, It Beaken 23 (1961) 165-175. Evans, John, ‘On some anglo-saxon sceattas found in Friesland’, The Numismatic Chronicle & Journal (1864) 22-27.
Feteris, W.H., ‘De topografie van het stroomgebied langs de bovenloop van de Boorne’, in: Bovenloop-Boornegebied. Rapport betreffende het onderzoek van het Lântskipgenetysk Wurkforbân van de Fryske Akademy ( … 1961) 7-20. Halbertsma, Herrius, ‘Bornego; bijdrage tot de oudste geschiedenis van het NederBoornegebied’ in: Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek 12/13 (1962-1963) 210-235. Henstra, Klaas R., ‘Friese hamerbijlen, een inventarisatie’, Archeoforum 2, 2 (1997) 13-19. Houtsma, P., ‘Enige aanvullingen en opmerkingen betreffende de “laag van Duurswoude”’, Archeologie 2 (Meppel 1990). Jong, Theo de, ‘Topstukken uit de diepte. Prehistorische dierenresten uit Noord-Brabant’, Cranium 2 (1998) 84-110. Kramer, E., e.a., ‘The Creswellian site Siegerswoude II (Gemeente Opsterland, Province of Friesland, The Netherlands)’, Palaeohistoria 27 (1985) 67-89. Kruining, M.E. van, en J.L. van Beek, RAAP Rapport 3127. De Mersken: een middeleeuwse nederzetting. Onderzoeksgebied N381, De Mersken vindplaats 2 (Weesp 2016)
84
Langen, G.J. de., ‘De gang naar een ander landschap. De ontginningen van de (klei-op-)veengebieden in Fryslân gedurende de late ijzertijd, Romeinse tijd en middeleeuwen (van ca. 200 v. Chr. tot ca. 1200 n. Chr.)’, in: M.J.L.T Niekus, ed., Gevormd en omgevormd landschap van Prehistorie tot middeleeuwen (Assen 2011) 70-97. Molen van der, S.J., Opsterlân. Skiednis fan een Wâldgritenij (Leeuwarden 1958). Niekus, Marcel, en Evert van Ginkel, Neanderthalers in Noord-Nederland. Leven aan de rand van de oerwereld (2020). Popping, H.J., De nederzettingen langs den ouden verbindingsweg tusschen Friesland en Drente, over het Mandeveld bij Bakkeveen (Oosterwolde z.j.). Popping, H.J., Praehistorie in een veengebied (Oosterwolde 1935). Postma, Lammert en Jan F. Kloosterman, Oerboeren in de Friese Wouden (Buitenpost 2010). Provinsje Fryslân, De wordingsgeschiedenis van Fryslân in thema’s (Leeuwarden 2009). Rensink, E., en L. Theunissen, ‘Remote sensing voor archeologen. Speuren achter het beeldscherm’, Tijdschrift van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 3 (2021) 16-17. Sanden, van der W., en E. Taayke, ‘Een archeologische verkenning van een viertal grafheuvels op het Mandeveld bij Allardsoog (Fr.)’, It Beaken 1 (1982) 31-44. Sikkema, Klaas, Historische verdedigingswerk in Zuidoost-Fryslân (Drachten 2002). Slofstra, Jan, Landschapsinventarisatie Archeologie 2018.