CConstaterende datOpsterland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Beleidsnotitie Archeologie 2025-2031

Raadsvergadering 29 september 2025, gemeente OpsterlandBij agendapunt: Spoaren út it ferline - Beleidsnotitie Archeologie 2025-2031 (H)41.466 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Nader onderzoek wijst uit dat de vindplaats zo’n 2 kilometer noordoostelijk van het centrum van Tijnje lag, in de zogeheten Brêgewarren, tussen het Moediep en de Riperwâlden Het lag bijeen gehoopt in een naar het scheen vette specie (adipocira), waarschijnlijk een overblijfsel van een menselijk lichaam. Volgens de verhalen van getuigen was de eigenaar van het geld nog wel herkenbaar: een man, die naar het leek in het veen was weggezakt en gestikt in de modder. Het lijk stond rechtop in een diep gat in het veen. De munten zaten in een buidel rond zijn hals. De vindplaats bleef lang onbekend, doordat de veenarbeiders geen ruchtbaarheid wilden geven aan de vondst, omdat ze bang waren dat de veenbaas de beloning zou opeisen. De munten werden op geringe diepte aangetroffen bij het turfsteken, niet ver van de plek waar het Moediep in de Boorne uitmondt. Naast geld werd er ook een staafje zilver, drie stukjes platgeslagen zilver en een klompje en stukje opgerold zilver gevonden, plus enkele fragmenten van zilveren ringen en de uit een kransje bestaande omlijsting van een steentje. Volgens een conservator archeologie van het Fries Museum, was de man muntmeester geweest. Het grote mysterie is wat die muntmeester daar in het verlaten veen deed. Zijn gezicht was naar het zuiden gericht. De dorpen van het latere Opsterland bestonden nog niet.

Op de plek waar de schat werd aangetroffen, zou een zijtak van de Boorne hebben gelopen. Anderhalve kilometer van de plek waar het Moediep uitmondde in de Boorn, zakte hij weg in het drassige veen en stierf, zonder dat iemand een vermoeden zou hebben waar hij was gebleven.

Boven: kaart met vondslocatie. Onder: sceatta uit de muntschat van Terwispel. Bron: Fries Museum.

3.2.7 Romeinse tijd (12 v.Chr. – 450 na Chr.) en vroege middeleeuwen (450 – 1000) Tijdens de Romeinse tijd vestigden mensen zich in het terpengebied langs het kustgebied van Friesland. Er zijn alleen enkele vondsten bekend van na de vijfde eeuw in Opsterland. Aangenomen wordt dat, net zoals in het naburige Smallingerland het geval was, de Romeinse tijd volledig ontbreekt in Opsterland. Toch is er wel sprake van een locatie waar vondsten uit de Romeinse tijd zijn gedaan: bij de Gearen, oostelijk van Warniahuizen. Van permanente 44

bewoning was waarschijnlijk geen sprake. Aan weerszijden van het Koningsdiep en de Drait lagen ten tijde van de vroege middeleeuwen nog uitgestrekte moerassen. De natuurlijke hoogvenen en veenkoepels waterden van nature af op het Koningsdiep. De oudste bewoning in de vroege middeleeuwen was te vinden in de directe omgeving van de riviertjes, zoals de Boorne en Smalle Ee, en de vrijwel verdwenen Wispel. De bovenloop van de Drait is hierop nog niet onderzocht. Al sinds de zevende eeuw trok men in de omgeving van Sneek vanaf de rand van het kleigebied de naastgelegen zone in. Tijdens de Karolingische tijd (768 – ca. 900) keerde de menselijke activiteit terug in het gebied waartoe Opsterland behoort. Bewijs hiervoor levert onder meer een muntschat, bestaand uit 161 sceatta’s, uit de achtste eeuw in de omgeving van Terwispel. Ook is er een zilveren munt met een afbeelding van Lodewijk het Kind (899-911), vermoedelijk afkomstig uit Straatsburg, gevonden in Ureterp. Ook een bronzen haarnaald uit een voormalige woonstede in de Kraanlanden bij de Veenhoop wijst op bewoning in het gebied. In de Hemrikkerscharren is Badorf-aardewerk gevonden van een tuitpot type WIIy, daterend uit de achtste tot negende eeuw. Het betrof een randscherf met randversiering en stempelindrukken. In een veld bij de Mersken te Siegerswoude werd een gouden muntfibula uit de negende eeuw gevonden.

Verder zijn er enkele andere fibula’s gevonden, waaronder in Tijnje, die dateren uit deze periode. Of er toen al sprake was van permanente bewoning in het gebied, is niet bekend. Andere vondsten die wijzen op de aanwezigheid van mensen in het gebied in deze tijd was een zwaard dat in 1925 werd gevonden bij het Koningsdiep, nu in het bezit van het Fries Museum. Ook werd op hetzelfde moment een bronzen ridderspoor gevonden uit een eerdere periode.

Zeldzame maansikkelvormige oorhanger van goud, type Mainz. Op plaats missende steen twee vechtende wolven. Vindplaats: Opsterland. Datering: 1000 tot 1049. Bron: www.portable-antiquities.nl

Het lijkt erop dat de ontginningen vanuit het Friese kleigebied, via de benedenloop van de Boorne, gestart zijn. De oudste veenontginningen in het Boornedal liggen in het benedenstroomse deel. In de gemeente Smallingerland werd in de jaren tachtig een deel van een nederzetting opgegraven ten oosten van de Veenhoop. Vanuit het veenriviertje de Ee is het landschap hier rond de tiende eeuw in ontginning genomen. Een stuk hergebruikt hout afkomstig uit de negende eeuw duidt op de Karolingische periode, maar doordat het is hergebruikt, blijft onzeker of er hier inderdaad sprake was van bewoning in de negende eeuw. Verder werden er twee boerderijen, een grafveld en fundering van een kerk opgegraven. De oudste boerderij werd gedateerd op de tiende eeuw en was gelegen op een kleine, uit veenplaggen opgebouwde terp. Een andere aanwijzing voor Karolingische bewoningssporen was de vermelding uit 1955 van Halbertsma dat er tussen twee voormalige zijriviertjes van het Koningsdiep, nabij Stobbegat (Vegelinsoord), een overslibde negende-eeuwse nederzetting aangetroffen is. Algemeen aangenomen wordt dat de kolonisatie van westelijk Opsterland in de tiende eeuw startte. 3.2.7 Volle en late middeleeuwen (1000-1500) De eerste ontginners trokken vermoedelijk vanaf de late tiende eeuw of eerste helft elfde eeuw stroomopwaarts het gebied binnen.

Destijds bestond er het wereldlijke en geestelijke district Bornego. Het valt samen met de vijf voormalige grietenijen Opsterland, 45

Utingeradeel, Haskerland, Schoterland en Aengwirden. Er werd in elk geval vanaf 1088 ruimte geboden voor de kolonisatie en ontginningen alhier. In de middeleeuwen gebruikten de agrarische ontginners het reliëf om de venen in cultuur te brengen. Eerst werden de gebieden direct langs de rivierdalen voor bewoning in gebruik genomen. Er zijn drie rivierontginningsgroepen te onderscheiden: ten noorden van het Koningsdiep (Beets, Beetsterzwaag, Olterterp, Ureterp en Siegerswoude), ten zuiden van het Koningsdiep (Duurswoude, Wijnjeterp, Hemrik, Lippenhuizen en een deel van Terwispel en het grootste deel van Rijp), en als derde groep Terwispel samen met Luxwoude, Langezwaag en Kortezwaag rondom de Wispel. De oudste veenontginningen liggen in het benedenstroomse gedeelte van het Koningsdiep. De vroegste ontginning van Beetsterzwaag en omgeving vond plaats vanuit het Koningsdiep. De bewoners maakten gebruik van de riviertjes om hun veengronden te ontwateren door het graven van sloten haaks op de riviertjes. Deze sloten deden eveneens dienst als perceelafscheiding. Men bouwde de huizen niet in de directe nabijheid van de rivier, maar op de hellingen waar de hoogveenkussens begonnen. Door de natuurlijke helling in het landschap kon het veen vrij eenvoudig ontwaterd worden. Ook in de veengebieden streken bewoners neer. De veenstreken die nu laag liggen, lagen vroeger veel hoger.

De laaggelegen veengronden waren, voordat de mens zich er definitief vestigde, in sommige gevallen wel drie tot vier meter hoger dan nu het geval is. Ze waren daarmee in eerste instantie dan ook geschikt voor bewoning en voor de verbouw van gewassen. Talrijk zijn de vondsten uit de late middeleeuwen (1100-1300). Op vele plaatsen in de gemeente is aardewerk gevonden uit begin twaalfde eeuw. Het Een compleet bewaarde kogelpot, waarvan er gaat vaak om materiaal uit kleine opgravingen en grote aantallen aanwezig waren in Friesland. losse vondsten. Hier en daar werd jongersteengoed Bron: Collectie database Fries Museum. materiaal (Siegburg) gevonden. In Siegerswoude en Ureterp werd ouder materiaal gevonden: twee kogelpotranden die van voor 1100 dateren (tiende–elfde eeuw) en een wandscherf met driehoekig stempel (achtste tot elfde eeuw), al kan het zijn dat deze vondst is meegevoerd met terpafval. Tijdens het graven van een wegcunet in de Mersken zijn kogelpotresten aangetroffen ter hoogte van de knik in de verkaveling. In Beets zijn grote hoeveelheden scherven aardewerk gevonden van kogel- of bolpotten, die vervaardigd werden binnen Friesland en tussen 800 en 1200 in gebruik waren. Ook zijn er scherven gevonden van Frankisch aardewerk dat vanuit het zuiden ingevoerd werd. Dit aardewerk dateert van ongeveer 750 tot ver in de middeleeuwen.

Ook van het Pingsdorfer-aardewerk dat vanuit de Rijnstreek geïmporteerd werd, zijn enkele fragmenten bekend, daterend uit 900 tot 1100. In de omgeving van Beets waren de hoeveelheden scherven enorm. Dergelijke potscherven zijn ook gevonden in Bakkeveen, Wijnjeterp, Hemrik, Lippenhuizen, Terwispel en Ureterp. Het is duidelijk dat het gebied in de loop van de middeleeuwen weer volop bewoond werd. In hetzelfde gebied, liggend tussen de Trisken en de Gearen en de Ripen tot Kraanlanden, zijn oude heemsteden met putten ontdekt. 46

Onderzoek naar de ontginning en kolonisatie in de periode 1000-1300 laat zien dat de middeleeuwse ontginningen in Opsterland plaatvonden volgens een ontginningsmodel op basis van ontginningseenheden (ontginningsblokken). Vanaf de late tiende eeuw startte men met de ontginning vanuit Oldeboorn. In de twaalfde eeuw was het gebied in de omgeving van Bakkeveen al bereikt. In de zuid- en zuidwestoever van een dobbe aan de Miumer, welke door Staatsbosbeheer vergraven werd, werden paalsporen herkend, die waarschijnlijk verband hielden met bewoning naast of in de buurt van de dobbe. Dit kon wijzen op de aanwezigheid van een volmiddeleeuws dorp, dat al voor 1230 opgeheven werd, aldus Sibrandus Leo’s abtenlevens van het klooster Mariëngaarde. Ontginners trokken in groepen het veengebied in en stichtten een ontginningsnederzetting. Ze kregen een kavel langs de beek met een min of meer vaste breedtemaat. Om de veengrond als akker te kunnen gebruiken, moesten er voor de ontwatering sloten gegraven worden. Haaks op een veenstroompje of –rivier groeven de ontginners op gelijkmatige afstanden sloten de moerassen in. Hierdoor ontstond oxidatie en inklinking van het veen. Het leidde tot dalingen van wel een tot twee meter in een kort tijdsbestek.

De wateroverlast door oxidatie en inklinking dwong de boeren om hun boerderijen verder landinwaarts te verplaatsen, waarbij men meestal de kavelsloten verlengde en de boerderij verderop in de opstrek van de kavel herbouwde. Het oude Friese recht van opstrek gold en dit betekende dat grond in het verlengde van wat men reeds bezat ook automatisch eigendom werd. Dit leidde tot de langgerekte strokenverkaveling. Met de vestiging van de bewoners kwam er ook meer beplanting in de vorm van bossen, bosstroken en andere landschapselementen. De broekbossen langs de rivier werden omgevormd tot weiden en hooilanden en ook de ontgonnen gronden behielden een functie als zomerweide voor jongvee of als hooiland. De langgerekte kavels staan haaks op de ontginningsbasis, vaak vanaf de overgang van het beekdal richting de hoge dekzandrug. Haaks op de langgerekte percelen ontstonden linten van boerderijen (nederzettingsas). Iedere boer had de beschikking over zijn eigen opstrek. De eerste ontginningsassen lagen dus dichter bij de oude dalen dan de locaties van de huidige bewoningslinten, die dateren uit de late middeleeuwen (elfde tot dertiende eeuw), en moeten gezocht worden in de direct omgeving van het Koningsdiep en de toenmalige zijrivier Wispel (die nu vrijwel verdwenen is). De lintdorpen zijn kenmerkend voor het landschap.

De verplaatsing van de ontginningsassen is terug te zien in de verkavelingspatronen op kadastrale minuutkaarten van begin negentiende eeuw. Archeologisch onderzoek bij Wijnjeterp heeft eveneens aangetoond dat de oudste boerderijen veel dichter bij de stromen lagen en doorgaans op een rij langs een primitieve weg. Ten noorden van het huidige Wijnjewoude en ten oosten van het kerkhof, aan de Heawei, zijn in 1962 twee erven uit de twaalfde eeuw opgegraven door Elzinga. In eerste instantie werd gedacht dat het hier ging om drie boerderijplattegronden, maar archeoloog G. de Langen voegde er nog een vierde aan toe. Op beide erven stonden twee opeenvolgende boerderijen van het Gasselte B1-type. Deze boerderijen waren zo’n 17 tot 19 meter lang en maximaal 5,75 meter breed. Daarnaast zijn er sporen van een zespalig bijgebouwtje, een zogenaamde spieker, gevonden, die waarschijnlijk diende als graanopslag. Op deze locatie gevonden randscherven van kogelpotten zijn te dateren als twaalfde en dertiende-eeuws. De verering van Sint Nicolaas, de beschermheilige van de kerk van Wijnjeterp, wordt gedateerd in de twaalfde en dertiende eeuw, al geeft de verering van een patroonheilige niet altijd een betrouwbare datering. Uit de opgraving bij de Veenhoop en in Koekange bleek dat de kerkstichting soms volgt na de stichting van een nederzetting.

Wel lijkt het erop dat de bewoning langs de Heawei zich in de twaalfde eeuw heeft afgespeeld, met enige uitloop naar 47

de dertiende eeuw. Het ziet ernaar uit dat Wijnjeterp vanaf de latere Heawei in één keer doorgeschoven is in zuidelijke richting binnen de huidige opstrek. Er zijn geen directe aanwijzingen dat er hier al sprake was van bewoning in de tiende en elfde eeuw, maar de oriëntatie van de verkaveling en de boerderijen op de opgravingsplattegrond geeft wel redenen om te denken aan meer noordelijk gelegen voorgangers.

Opgravingsplattegrond Wijnjeterp-Hooiweg met vier boerderijen van het Gasselte B-type, daterend uit de twaalfde eeuw. Bron: G. de Langen, 2011.

Ook in de buurt van het huidige Ureterp, op een dekzandkop langs de N381, ongeveer 450 meter noordelijk van het Koningsdiep, zijn paalgaten aangetroffen van meerdere boerderijen uit mogelijk de achtste tot twaalfde eeuw. Deze vondst heeft te maken met de locatie van Oud-Ureterp. In het hele beekdal van de Boorne zijn ondertussen meer dan tien van zulke opschuivende ontginningen bekend, waarbij wordt verondersteld dat in de dertiende eeuw de dorpen in ieder geval op hun huidige locatie zijn gevestigd. Bij de aanleg van de woonwijk tussen De Walle en It Merkelân in Beetsterzwaag werden in 1963 scherven van een kan en een kogelpot gevonden in kuilen en greppels, die gedateerd werden als twaalfde of dertiende-eeuws. Het gaat vermoedelijk om een restant van de opschuivende bewoning van Koningsdiep richting Kerkepad. Oorspronkelijk was het Kerkepad waarschijnlijk de as van de dorpen en vormde het de verbinden tussen (Oud) Beets, Beetsterzwaag en Olterterp. De kerkgebouwen van Oud Beets (tweede helft twaalfde eeuw), Beetsterzwaag (ca. 1360) en Olterterp (1414) en de oudste boerderijen lagen aan het Kerkepad. De bouwjaren van de kerken zijn in lijn met de naar het oosten opschuivende ontginningen. Uit historische bronnen blijkt dat oostelijk Opsterland in 1315 al nagenoeg geheel gekoloniseerd was.

Ten oosten van Siegerswoude lag een voorwerk (uithof) van het Benedictijner klooster Smalle Ee. In 1518 werd het Voorwerk voor het eerst genoemd in historische bronnen. Tijdens grondbewerkingen kwamen op deze locatie veel scherven 48

tevoorschijn, wat voor de Archeologische Werkgemeenschap Nederland (AWN) aanleiding was archeologisch onderzoek te doen in 1984 en 1985. Er werden resten van een ijzersmelterij (ijzerslakken) uit 1350-1400 gevonden alsook een gracht, afvalkuilen en mogelijk een leemput gevonden. In de gracht werden resten aangetroffen van balken met pennen erdoor, mogelijk afkomstig van een gebouw. Opvallend is wel dat men er geen sporen van directe bewoning aantrof, maar vermoedelijk zijn die er wel geweest in de omgeving. Tot de vondsten van deze locatie behoren onder meer een ovenrand met tuyere (gat waardoor de lucht de oven ingeblazen wordt), een stuk van een wagenwiel, slijpstenen, steelpannen, schalen, drinkkannen, kogelpotaardewerk met vingerafdrukken versierd (cordon versiering) en importaardewerk uit Siegburg en Langerwehe. Het vondstmateriaal dateert voor het gros van tussen 1200 en 1400, al zijn er ook scherven van kogelpotten bij uit de periode 1100-1200. Uit de vondsten dat er sprake was van ijzerwinning.

Fragment kaart Schotanus Halma 1718. Bij Bakkeveen de vermelding van het voormalige klooster en de ontginningsblokken vanuit het Koningsdiep. Aan de rechterkant wordt middels sterretjes de locatie van oud huissteden weergegeven. Bron: www.rare-atlases.com.

In het nabijgelegen Bakkeveen werd voor 1230 de uithof Mariënhof, ook wel Curia Sanctae Mariae genoemd, gesticht. De uithof lag aan de zuidkant van de weg tussen Bakkeveen en Duurswoude. Op het terrein waar de uithof stond heeft het BAI in 1963 een opgraving uitgevoerd onder leiding van Elzinga. Hieruit kwam naar voren dat het terrein bewoond is geweest van ongeveer het eind van de twaalfde eeuw tot 1600. Om het terrein lag een grachtenstelsel. Het grootste deel van het gevonden materiaal dateert van 1300 tot 1450, al zijn er enkele scherven bij die aanduiden dat er al eerder, vanaf ongeveer 1150, sprake was van bewoning. Aan de noordzijde van dit terrein lag vroeger een kapel. Op de hoogtekaart is het terrein goed te herkennen: een door sloten omringd stuk bos met daarin een rechthoekige structuur: het kerkhof. Tijdens het aanplanten van nieuw bos in de twintigste eeuw werden er zo veel geraamtes gevonden dat men de werkzaamheden moest staken. Tijdens booronderzoek kwam naar voren dat er veel puinresten aanwezig waren op deze plek, van onder meer kloostermoppen. Daarnaast werden er botresten gevonden. In de 49

Fragment kaart J.W. Witteveen, 1853. Zichtbaar zijn de Beakendyk, locatie van het verdwenen klooster en enkele vroegere kerkhoven. Bron: Georeferencer Universiteit Utrecht.

negentiende-eeuwse literatuur wordt ook Bethlehem vermeld als een voormalig klooster dat nabij Heidehuizen gelegen zou hebben. Verder is er mogelijk ook sprake geweest van een uithof ten noordwesten van Heidehuizen en een ten noorden van Lippenhuizen. Toen het beekdal over de volle breedte ontgonnen was, had men waarschijnlijk meer controle over de waterhuishouding. De oudste en verloren gegane ontginningen aan de rand van het Koningsdiep werden toen weer opnieuw in omgekeerde richting ontgonnen. Op enkele plaatsen was alleen het onderliggende dekzand overgebleven. In de bovenloop van de Boorne en het Koningsdiep zijn in de middeleeuwen diverse waterkeringen aangebracht. De bekendste is de Beakendyk. Verlaten kerkhoven In de achtste eeuw werden de eerste moederkerken in het gebied tussen Flie en Lauwers gesticht en werd het gebied tijdens de Frankische overheersing gekerstend. Na 950 was er sprake van een verdichting van het aantal kerken en ontstonden er nieuwe moederkerken. Halverwege de twaalfde eeuw zette die verdichting door. In de kapellenlijst van 1315 worden 14 parochies genoemd die tot het huidige Opsterland gerekend kunnen worden. Binnen gemeente Opsterland zijn er tal van kerkheuvels en verlaten kerkhoven bekend. Op kaarten worden deze doorgaans aangeduid als ‘old kerkhof’.

Ook in de veenpolder lagen dergelijke kerkhoven, zoals het oude kerkhof van het verdwenen dorp Rijp (Ryp) onder Tijnje. Locaties van verlaten kerkhoven vormen eveneens een indicatie dat de bewoningslinten in de loop van de tijd verschoven. Zij lagen veel dichter bij de rivieren dan de huidige kerkhoven en kerken. Meestal liggen de oude kerkhoven in de kerkenkavel, dat betekent dat ze tussen dezelfde kavelsloten liggen als de huidige nog bestaande kerken. In het verlengde van de kerkkavel van Lippenhuizen, zo’n 1500 meter vanaf de huidige kerk richting het Koningsdiep, ligt een bebost terrein waar de middeleeuwse kerk van Lippenhuizen vermoedelijk heeft 50

gestaan. De sloten lijken een perceel van 55 bij 44 meter te begrenzen, aan de oostzijde is een doorgang waarneembaar. Bij het graven van een greppel in de venige laagte naast dit terrein is een tufsteen gevonden. Het vermoeden is dat Oud-Lippenhuizen in de nabijheid van deze locatie is geweest. Interessant is ook de melding van 15 kuilen met een omtrek van enkele vierkante meters die in hetzelfde heideperceel gezien werden, zo’n 650 meter ten noorden van het oude kerkhof. Ten oosten van de locatie waar de boerderijplaatsen bij Wijnjeterp gevonden zijn, ligt het oude kerkhof van Wijnjeterp. In 1932 onderzocht Popping samen met archeoloog Bursch (1903-1981) het terrein, waar sterk verweerde beenderen en scherfmateriaal gevonden werd uit vermoedelijk de Karolingische tijd tot vroege middeleeuwen. Ook in Archis2 wordt melding gemaakt van bewoningsresten die in 1943 tevoorschijn kwamen bij de ontginning van de heide op de locatie van het oude kerkhof: een slijpsteen, een haardplaats en Karolingisch en vroegmiddeleeuws aardewerk. In de directe omgeving van het oude kerkhof zijn bovendien nog meer meldingen gedaan van vroeg- tot vol-middeleeuws aardewerk.

Fragment kaart Schotanus Halma 1718. De locaties van twee voormalige kerkhoven zijn ingetekend. Ten noorden van buurtschap Heidehuizen het âld hof. Bron: www.rare-atlases.com.

Bij de Poostbrug is het patroon van beweging in de opstrek eveneens te herkennen. VroegOlterterp lag aan het Koningsdiep direct ten oosten van de Poostbrug, nabij Heidehuizen. Hier heeft ook een oud kerkhof gelegen. Toen het hier te nat werd, verhuisde de nederzetting noordelijker, naar de omgeving van het Aldhôf. Overblijfsel van deze nederzetting is een kerkheuvel die tegenwoordig dient als familiebegraafplaats voor familie Van Boelens. Vroeger heeft hier waarschijnlijk ook een kerk gestaan, gezien enkele tufstenen fragmenten die gevonden zijn op deze locatie. Het feit dat op het Van Boelenskerkhof geen veenlaag meer is aangetroffen duidt er mogelijk eveneens op dat dit kerkhof secundair is aan een ouder kerkhof dichter bij het Koningsdiep. In de nabijheid van het Koningsdiep, in dezelfde kavel als het Aldhôf, is een sarcofaag gevonden tijdens de aanleg van een waterleiding. In dezelfde omgeving zijn er scherven middeleeuws kogelpotaardewerk gevonden. In een later stadium verplaatste de nederzetting zich verder naar waar nu de huidige kerk van Olterterp staat. Ook zijn er in de omgeving enkele stukjes middeleeuws kogelpotaardewerk aangetroffen. Bijzonder is dat naar het zuiden toe bekeken, er nog een ander oud kerkhof 51

heeft gelegen, dat precies in het verlengde ligt van het kerkhof nabij Heidehuizen, alleen dan ten zuiden van het Koningsdiep. De situatie van Oud Beets is vergelijkbaar met die van Olterterp. In de kavel waar de kerk stond ligt nabij de Walle een perceel dat bekend stond als âld hof. Ook hier is op oude kaarten nog de locatie van het ‘old kerkhof’ te zien. Op plekken waar er te veel wateroverlast was, de bodem ongeschikt of wanneer de grens van een aanpalend dorp bereikt werd, was men genoodzaakt de kerk soms iets opzij te schuiven. Dan liggen het oude en nieuwe kerkhof niet meer in elkaars verlengde, zoals het geval is bij Terwispel en Kortezwaag. Op de kaarten van zowel Schotanus als Eekhof staat een oud kerkhof weergegeven onder Kortezwaag, maar niet in dezelfde kerkkavel. Hoewel het huidige kerkhof van Beets ook al in de middeleeuwen aangelegd werd, lag er in de opstrek van het huidige kerkhof nog een ander oud kerkhof. Het oude kerkhof werd verhuurd toen het nog niet verveend was. Later hebben verveners er schedels en potten gevonden. Sporen ervan ontbreken echter en de exacte locatie is in het huidige landschap niet terug te herkennen. Mogelijk heeft het kerkhof toch iets uit de opstrek van het De middeleeuwse kerk van Siegerswoude voor de afbraak in 1909. De huidige kerkhof gelegen. Nader ronde apsis aan de achterzijde duidt op een hoge ouderdom.

Vermoedelijk onderzoek zou meer kunnen vertellen is de kerk gebouwd in de elfde eeuw. Bron: Fries Fotoarchief. hierover, al is de verwachting iets te vinden laag. Bij Lippenhuizen heeft eveneens een oud kerkhof gelegen. Op de historische kaart van Schotanus uit 1718 wordt in het verlengde van de kerkkavel, richting het Koningsdiep, een oud kerkhof weergegeven. Ook bij het Wijnjeterperschar, aan de Ureterper kant, bevond zich onzichtbaar een oud kerkhofje daterend uit ongeveer 1200. Van sommige van de verlaten kerkhoven ontbreekt elk spoor, zoals in Siegerswoude. Begraafplaats De Mersken, waar tot 1909 een kerk stond, ligt op 1300 meter afstand van het Koningsdiep. Het kerkhof ligt op een dekzandrug. Mogelijkerwijs heeft een oud kerkhof hier eerst centraal in de nederzettingsas gelegen en zijn de boerderijen later verder doorgeschoven. Ook in Duurswoude zijn er geen aanwijzingen voor een mogelijk oud kerkhof. De kerk staat op 1700 meter van het Koningsdiep. Duurswoude komt in de kapellenlijst van 1315 nog niet voor. Dat wil echter niet zeggen dat Duurswoude destijds niet bestond. Mogelijk waren de bewoners georiënteerd op Bakkeveen of Wijnjeterp en kregen ze pas later beschikking over een eigen kerk. Soms zijn oude kerkhoven alleen nog bekend uit oude teksten of verhalen.

De afstand van de huidige kerk van Ureterp tot het Koningsdiep (3300 meter), doet vermoeden dat er zuidelijker nog een voorganger geweest is. In 1961 wordt er melding gemaakt van een oud kerkhof ten zuiden van de Turkenleech, even ten noorden van het Koningsdiep nabij het Marschhuisje. Helaas wordt die opmerking niet onderbouwd en ontbreekt elk spoor. Historische kaarten, AHN en de Archis-database geven geen indicaties. Van Luxwoude is geen kerk bekend, terwijl de parochie wel wordt genoemd in de kapellenlijst van 1315. Na onderzoek wist amateurhistoricus Jan Post (1944-2024) wel een oud kerkhof te signaleren, maar de exacte locatie is nu onbekend. 52

Middeleeuwse huissteden in oostelijk Opsterland In september 2018 heeft de RCE een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd aan de Middenwei in Siegerswoude. Aanleiding voor dit onderzoek was de vondst van diverse lineaire en andere structuren in de graspercelen bij de boerderij aan de Middenwei 9, nabij het Voorwerkersveld. Uit het onderzoek bleek het te gaan om een omgracht terrein met een afmeting van 46,5 meter x 26 meter, waarvan de greppel die het terrein omsloot zo’n drie tot vier meter breed was. Het zijn waarschijnlijk de resten van een nederzetting uit de late middeleeuwen. De structuren wijzen op een lint van minimaal vijf, mogelijk zelfs negen (ontginnings)erven, die zijn omringd door greppels. Zes van deze erven staan benoemd als ‘Oude Huys Steeden’ op de kaart van Schotanus Halma van Opsterland uit 1718. De datering van vondstmateriaal doet vermoeden dat het boerderijen van het type Gasselte B, B’ en Pesse zijn. Boerderijen van het type Gasselte B zijn op zandgronden meestal 25 tot 30 meter lang en 7 tot 12 meter breed. Het type B’ is nog wat groter: 35 meter lang en 8 tot 12 meter breed. Gebouwen van het type Pesse zijn juist wat korter: 18 tot 25 meter lang en 8 tot 12 meter breed. Het is ook mogelijk dat de gebouwen uit voornamelijk plaggenwallen bestonden met een plankenconstructie.

Deze werden in de volle middeleeuwen vaak gezien in met name de veengebieden van West- en Noord-Nederland. Deze huizen hadden een afmeting van 13 tot 18 meter lang en 7 tot 8 meter breed.

Boven: huisplattegronden aan53 de Middenwei in Siegerswoude. Onder: de lichte kleur van het gras toont de greppel die het erf omringde. Bronnen: Actuele Hoogtebestand Nederland (AHN) en Tijdschrift van de RCE, nr. 3, 2021.

Elk boerderijerf werd omgeven door een erfgreppel. De erven liggen in een groter verkavelingssysteem, waartoe waarschijnlijk ook akkers en weiden hoorden. Ook kunnen er houten gebouwen hebben gestaan met kuilen en waterputten. In de onderste grachtvullingen werden scherven handgevormd kogelpotaardewerk en stukken van lemige bakstenen aangetroffen. Uit de bovengrond kwamen ook kogelpotscherven en stukken baksteen tevoorschijn, evenals een wandscherf Pingsdorfaardewerk en enkel scherven bijnasteengoed. Gezien het beperkte aantal vondsten wordt aangenomen dat bewoning maar kortstondig was, zo’n 10 tot 20 jaar. Het aardewerk werd gedateerd op circa 1300. Een andere locatie waar zich oude huissteden bevonden, was aan de oostzijde van het huidige Bakkeveen. Het middeleeuwse Bakkeveen, Oud-Bakkeveen, heeft aan de noordkant van de Bakkeveenster Duinen gelegen. Op de kaart van Schotanus Halma uit 1718 staan daar enkele oude huisplaatsen weergegeven. De boerderijplaatsen die oostelijk van de kerk van Wijnjeterp lagen, zijn al benoemd. Middeleeuwse huisterpen in het westelijk gelegen veengebied van Opsterland In het noordwesten van Opsterland, bij de Gearen nabij Nij Beets, zijn bij archeologisch onderzoek verhoogde woonplaatsen in het veen gevonden.

De aangetroffen klei is waarschijnlijk afkomstig van een laatmiddeleeuwse overslibbing van het veen die vanuit de Middelzee oostwaarts het Boornedal in is gestroomd. De bewoning is waarschijnlijk begonnen na de afzetting van deze kleilaag. Waarschijnlijk heeft men de klei in de directe omgeving gewonnen en gebruikt voor het opwerpen van de huisterpen. De huisterpen dateren uit de tiende tot vijftiende eeuw eeuw. Vele kogelpotfragmenten, baksteenpuin en scherven van ander aardewerk, zoals Rijnlands aardewerk en een scherf draaischijfaardewerk, wijzen hierop. Mogelijk vond op de vroegste huisterpen in het gebied aanvankelijk uitsluitend tijdelijke (seizoens)bewoning plaats, die geleidelijk aan veranderde in permanente bewoning, maar hierover bestaat nog onduidelijkheid. Het is aannemelijk dat al een groot aantal van deze huisterpen verdwenen zijn. Nabij Nij Beets werd al voor 1984 helaas een hele rij middeleeuwse huisterpen door diepploegen vernietigd.

Verhoging in het landschap door aanwezigheid van een middeleeuwse huisterp. Dergelijke huisterpen liggen doorgaans ongeveer 30 cm. hoger dan het 54 omringende landschap. Bron: H.W. Veenstra, RAAPrapport 2769. Onderzoeksgebied De Gearen in de noordwestelijke hoek van Opsterland (Weesp 2013).

Daarnaast liggen er mogelijk nog huisterpen in het gebied boven de Riperwei/Ulesprong. Nader onderzoek moet uitwijzen of hier sprake is van een concentratie huisterpen of niet. Uit oude kaarten blijkt dat hier een weg of voetpad heeft gelegen. 3.2.8 Nieuwe tijd (1500-heden) Binnen Opsterland was nog lange tijd sprake van gebieden met hoogveen. Grote gebieden in het westelijke deel van de gemeente Opsterland waren in de achttiende nog bedekt met onaangetast hoogveen. Een deel van Opsterland was tot ruim in de achttiende eeuw ongeschikt voor bewoning. Vanuit het rivierdal van het Koningsdiep en het dal van de Drait zijn de gebieden grenzend aan deze rivieren al vanaf de middeleeuwen in ontginning genomen. De opstrekkende kavels vanuit het Alddjip grenzen in het noorden aan de gemeenten Smallingerland en Westerkwartier en in het zuiden aan het voormalige Schoterland (tegenwoordig gemeente Heerenveen). De middeleeuwse dorpen van Opsterland liggen zoals gezegd al vanaf ongeveer de dertiende eeuw op de huidige locatie. In het kader van de ontginningen in de veengebieden zijn er ook nieuwe dorpen gesticht, waaronder Nij Beets en Tijnje. Landweren, schansen en andere verdedigingswerken Tussen 1300 en 1500 zijn er zogenaamde landweren aangelegd op de grens van Friesland en Drenthe. Een landweer bestond uit een systeem van wallen met aan beide zijden een sloot.

Bovenop de wal werd vaak ondoordringbaar struikgewas geplant. Daar waar wegen en landweren elkaar doorkruisten kon tol geheven worden of werd de grens bewaakt. Het doel van landweren was om het gebied te verdedigen tegen vijanden, maar ze fungeerden ook als grensmarkeringen. Zo’n 500 jaar geleden kwam het regelmatig voor dat er verschil van mening was over aan wie een bepaald grondgebied toebehoorde. Daar waar er riviertjes stroomden was de grens vanouds bekend, maar er waren ook plekken waar dit veel minder goed afgebakend was. Elk dorp beschikte over een doorgaans omvangrijk buitengebied, waar boeren het land bewerkten, hun vee grazen lieten of, in de hoogveen- en heidegebieden turf groeven en plaggen staken.

Fragment van een situatiekaart over het eigendom van veengronden nabij Ureterp, 1696. Bron: Kaartenkabinet 55 Tresoar.

Over hoe ver de dorpsgebieden zich uitstrekten was vaak weinig bekend en dit leidde geregeld tot onenigheid. Met name op plekken waar begaanbare zandruggen het doorgaans ondoordringbare hoogveen doorkruisten. Een van de oudste geschillen speelde zich af in 1508 tussen Bakkeveen en het Drentse dorp Een. De bewoners van Een verklaarden dat de nog bestaande en op de Fries-Drentse grens gelegen Landweer de ‘marckscheijdinge’ was tussen de Een en Opsterland. De aarden vestigingswal lag dwars over de zandrug en sloot de oude landweg naar Drenthe en stad Groningen af. Restanten van deze weg zijn 200 meter westelijk van de landweer nog zichtbaar als een holle weg op de heide van Allardsoog. De holle weg ontstond door het uitstuiven van het grote aantal karresporen in het heideveld. Landweren hadden overigens nog een andere functie: ze verhinderden dat het zure water uit de hoogvenen over de landerijen kon lopen. In die tijd bestond het overgrote deel van zuidelijk Friesland nog uit uitgestrekte veengebieden. Het was erg moeilijk om door deze moerasachtige gebieden te trekken, maar er bestonden plekken waar men wel veilig het veen en de rivieren over kon streken. Op die strategische plekken werden in 1589 verdedigingswerken gebouwd.

De Friese waterlinie begon aan de Zuiderzee, volgde de Linde tot de Blessebrug en ging van daaruit richting het noorden naar Kuinre en de Schoterbrug, verder naar Heerenveen en Terband naar Gorredijk en dan via Donkerbroek en Bakkeveen naar Frieschepalen. De Friese waterlinie werd kort na 1580 aangelegd wegens de gebeurtenissen die plaatshadden nadat de Noordelijke Nederlanden zich tegen de Spaanse overheersing keerde. Een aantal gewesten in de Noordelijke Nederlanden had in 1579 de Unie van Utrecht gesloten. Hierin werd overeengekomen dat deze gewesten zich samen zouden inzetten om de Spanjaarden te verdrijven. Ook werden hierin enkele staatskundige zaken op het vlak van belastingen, vrijheid van godsdienst en defensie geregeld. In 1580 sloot Friesland zich aan bij de Unie van Utrecht. Spaanse troepen wilden de Noordelijke Nederlanden echter heroveren. In 1582 hadden de troepen Steenwijk heroverd. Het is bekend dat er binnen Opsterland enkele schansen geweest zijn die onderdeel waren van de Friese waterlinie. De legers in deze schansen hoefden echter niet in paraatheid gebracht te worden tijdens de Tachtigjarige Oorlog. De Spanjaarden ondervonden dusdanig veel weerstand van het leger dat werd geleid door Willem Lodewijk, graaf van Nassau en stadhouder van Friesland, dat zij de aanval op Friesland moesten staken.

Na de Tachtigjarige Oorlog raakte de verdedigingslinie in verval. De moerasKaart van Opsterland, Schotanus Halma, 1718. sen waren grotendeels verdwenen door Locatie van de schans bij Frieschepalen. de ontginning van veengebieden, Bron: www.rare-atlases.com. waardoor de vijand veel makkelijker Friesland kon binnendringen. Het gebied langs de schansen, stuwen en dammen werd tijdens het Rampjaar 1672-1673 tegen Bernhard von Galen en Franse hulptroepen om die reden onder water gezet. Op die manier kon men met een relatief klein aantal soldaten grote gebieden beschermen. De schansen, die op strategische locaties lagen, waren de enige 56

doorgangen richting Leeuwarden en beschermden zodoende die stad. Daarnaast waren er nog steeds veengebieden waar vijandelijke troepen via wegen over dekzandruggen Friesland konden binnendringen. Ook daar zouden schansen versterkt en uitgebreid worden. Een uitzondering op deze schansen vormt de Sterrenschans aan de Beakendyk bij Bakkeveen. Dit verdedigingswerk, klein uitgevallen qua schaal, uit de achttiende eeuw, werd vervaardigd als voorbeeldschans ten behoeve van het onderwijs. De schans werd vermoedelijk ontworpen door landschapsarchitect Johann Hermann Knoop, die in dienst was bij jonkheer Burmania, eigenaar van landgoed de Slotplaats, het terrein waarop de schans zich bevindt. Op de grens van Opsterland en Ooststellingwerf ligt nog een verdedigingswerk, Oud Leger, ook wel ’t Old Leger of ’t Oud Leger genoemd. Op de kaart van Schotanus uit 1718 ligt deze nog geheel op Opsterlands grondgebied wanneer men de kaart van Opsterland bekijkt. Tegelijkertijd werd dit verdedigingswerk ook geplaatst als liggend binnen de gemeente Ooststellingwerf. Rond 1850 tekende Eekhoff het op de grens van beide gemeenten. Ook de kadastrale minuut uit het begin van de negentiende eeuw volgt deze weergave. Onduidelijk is of dit verdedigingsverzoek al aanwezig was ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog of pas in de tijd van de Friese Waterlinie, rond 1672, een rol ging spelen.

Nabij de locatie van het verlaten kerkhof in Heidehuizen ligt vermoedelijk eveneens een klein verdedigingswerk in de vorm van een opgeworpen heuvel met een grachtje eromheen. Nader onderzoek moet uitwijzen wat de functie en de ouderdom is van dit verdedigingswerk. Op oude kaarten wordt deze locatie niet benoemd.

Kaart van Opsterland, Schotanus Halma, 1718. Locatie van ‘’t Old Leger’. Bron: www.rare-atlases.com.

Oud kerkhof (vierkantige vorm) en mogelijke stinswier (cirkel) nabij Heidehuizen nabij de Poasen. Bron: AHN Viewer.

Archeologie in de nieuwe tijd Onze kennis en informatie over de nieuwe tijd is in tegenstelling tot de periodes hiervoor voor een groot deel afkomstig uit geschreven informatie. Er zijn nog veel boeken, brieven, rekeningen en plattegronden bewaard gebleven. Het zijn vooral historici die zich met dit tijdvak bezig houden. Archeologie speelt hierin een complementaire rol. Bij archeologisch onderzoek naar deze periode gaat het vooral om de interesse voor de ontwikkeling van steden, huizenbouw, van handel in de Gouden Eeuw en scheepsarcheologie. Er worden veel 57

voorwerpen gevonden door archeologen uit deze periode, bijvoorbeeld wanneer stadscentra worden opgegraven. In 2019 werden bij een opgraving in Bakkeveen diverse vondsten daterend uit de nieuwe tijd gevonden, zoals een stuk glas van een drinkbeker uit circa 1500, enkele gespen uit de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw, een donderbuskogel uit de periode 1580-1650, enkele gewichten en een knoop uit de negentiende eeuw. Verder werden er scherven aardewerk en glas gevonden. Hoewel vondsten uit de nieuwe tijd van belang zijn voor onze kennis over het verleden, wordt de afbakening van de archeologische periodes in deze notitie gevormd in lijn met de gehanteerde tijdvakken van de FAMKE.

58

4. Archeologisch beleidskader van de gemeente Opsterland Met de invoering van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) werd het archeologisch erfgoed, zoals uiteengezet in hoofdstuk 1, primair een verantwoordelijkheid van de gemeente. Voordat de Omgevingswet in werking trad, was het referentiekader voor de regeling ter bescherming van de archeologische waarden het Bestemmingsplan Buitengebied, aangevuld met de bekende archeologisch waardevolle gebieden (AMKterreinen). Daarnaast werd een eerdere versie van de FAMKE geraadpleegd. De gemeente volgde de eigen oudheidkundige en cultuurhistorische waarden als uitgangspunt, omdat de cultuurhistorische waardenkaart op dat moment over gebrekkige en onjuiste informatie over het plangebied beschikte. Met het inwerking treden van de Omgevingswet trad ook het tijdelijke omgevingsplan in werking, waarin bestaande bestemmingsplannen zijn opgenomen. Om de gemeentelijke archeologisch wettelijke taak beter uit te kunnen voeren, heeft de gemeente Opsterland besloten eigen gemeentelijk archeologisch beleid vast te leggen in onderhavige ‘Beleidsnotitie Archeologie’ in samenhang met de archeologische beleidsadvieskaarten en archeologische bronnenkaarten (FAMKE). Daarnaast spelen de erfgoedverordening, Plannen van Aanpak en Programma’s van Eisen een rol. Gezamenlijk zullen zij worden ingezet als bouwsteen in het omgevingsplan.

Vroegtijdige toetsing op het aspect archeologie Het is van belang (nieuw)bouwplannen en andere ruimtelijke ingrepen (bijvoorbeeld natuurontwikkeling, baggerwerkzaamheden, aanleg waterwegen en andere nieuwe infrastructuur) in een vroegtijdig stadium te toetsen op de aanwezigheid van archeologische (verwachtings)waarden. In dit stadium dient er alvast een archeologisch vooronderzoek plaats te vinden aan de hand waarvan bepaald wordt of er behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn. Na het vooronderzoek wordt nagegaan of er, indien dit het geval is, planaanpassing c.q. –inpassing of een fysieke bescherming van de aanwezige resten mogelijk is. Is behoud van de waarden in de bodem niet mogelijk, dan is archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk. De gemeente doorloopt bij de besluitvorming over de te ondernemen archeologische stappen de archeologische monumentenzorgcyclus (AMZcyclus). (bijlage 7) 4.1 Instrumentarium van de gemeente Opsterland Ter bescherming van het gemeentelijk bodemarchief worden verschillende instrumenten ingezet. Het gaat enerzijds om instrumenten die vanuit de wetgeving zijn geregeld, en anderzijds om instrumenten die vastgelegd zijn in het provinciale en gemeentelijke archeologiebeleid. Om een goede gemeentelijke archeologische monumentenzorg te bewerkstelligen, worden de volgende beleidsinstrumenten gebruikt:  Spoaren út it ferline.

Beleidsnotitie archeologie 2025-2031;  Erfgoedverordening;  Plannen van Aanpak (PvA) voor archeologisch onderzoek en Programma’s van Eisen (PvE) voor archeologisch vervolgonderzoek;  Archeologische beleidsadvieskaarten en bronnenkaarten (FAMKE);  Omgevingsplan. 4.1.1 Erfgoedverordening In de erfgoedverordening wordt de bescherming van het archeologisch erfgoed op gemeentelijk niveau geregeld. De principes van de gemeentelijke archeologische 59

monumentenzorg moeten vastgelegd worden in het omgevingsplan. De gemeente heeft tot 2032 de tijd om het archeologisch beleid in te bouwen in het definitieve omgevingsplan. Tot die tijd functioneert het tijdelijke omgevingsplan als leidraad (tot het moment waarop onderhavig beleid en kaartmateriaal is vastgesteld), waarin de bestemmingsplannen en vigerende ruimtelijke plannen een plek hebben gekregen en fungeert de erfgoedverordening als vangnet daar waar er nog geen goede planologische bescherming is geregeld (art. 23). 4.1.2 Plan van Aanpak (PvA) en Programma van Eisen (PvE) Indien onderzoek naar archeologische vindplaatsen aan de orde is, zal de gemeente Opsterland de randvoorwaarden voor de uitvoering van dat onderzoek opstellen. De randvoorwaarden gelden voor zowel prospectief onderzoek (oppervlaktekarteringen en veldkarteringen, boor- en sonderingsonderzoek, geofysisch onderzoek) alsook voor gravend onderzoek (proefsleuven, definitieve opgravingen en een archeologische begeleiding). De randvoorwaarden voor prospectief onderzoek zijn gekoppeld aan de verschillende categorieën terreinen en verwachtingsgebieden. Hiervoor kunnen de ‘Aanzetten tot een plan van aanpak’ gebruikt worden die worden gegeven op de website van de FAMKE (www.fryslan.nl/famke). Wanneer er sprake is van gravend onderzoek, dient de initiatiefnemer c.q. verstoorder een PvE op te laten stellen.

Dit is, zoals beschreven in hoofdstuk 2, een wettelijke verplichting. In haar rol van ‘bevoegd gezag’ geeft de gemeente Opsterland middels een PvE de voorwaarden aan voor de uitvoering van dat onderzoek (proefsleuven, opgraving en/of archeologische begeleiding). Uitgangspunt daarbij zijn de eisen zoals vastgelegd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). Een PvA voor gravend onderzoek dient te worden opgesteld door een erkend archeoloog of archeologisch bedrijf. De kosten voor een PvE zijn voor rekening van de initiatiefnemer ofwel verstoorder (particulier, gemeente, projectontwikkelaar etc.). De gemeente moet als ‘bevoegd gezag’ het PvE goed (laten) keuren. Er wordt onderzocht of het onderzoek conform de geldende richtlijnen is uitgevoerd. Op basis van de uitkomsten van het uitgevoerde onderzoek neemt de gemeente een formeel besluit (selectiebesluit) over de omgang met eventueel aanwezige archeologie. De gemeente zal als ‘bevoegd gezag’ toezicht regelen op de uitvoering van archeologisch onderzoek of iemand inhuren als archeologische expertise ontbreekt. De gemeente kan lopende het onderzoek wijzigingen in een PvE (laten) aanbrengen indien daar uit wetenschappelijk oogpunt of uit uitvoeringstechnisch oogpunt aanleiding toe is.

Archeologische ondersteuning De gemeente heeft ervoor gekozen haar taken op het gebied van de archeologische monumentenzorg onder te brengen bij de beleidsadviseur cultureel erfgoed. Deze beoordeelt zelfstandig een PvE en/of PvA. Indien nodig wordt er overleg met de provinciaal archeoloog gehouden. Daarnaast is er archeologische expertise beschikbaar in de vorm van inhuur bij Stichting Steunpunt Monumentenzorg Fryslân. Particulieren, projectontwikkelaars en andere instanties kunnen terecht bij de beleidsadviseur cultureel erfgoed en/of archeoloog van het Steunpunt voor vragen en (gratis) adviezen over diverse onderwerpen, waaronder:    

wet- en regelgeving; gemeentelijk archeologiebeleid; opvragen van informatie over archeologische (verwachtings)waarden; onderzoeksverplichtingen. 60

Voor archeologische ondersteuning tijdens het onderzoekstraject of het laten maken van bepaalde producten kan de initiatiefnemer (ook de gemeente) een beroep doen op een archeologische marktpartij of de archeoloog van Stichting Steunpunt Monumentenzorg Fryslân. Te denken valt bijvoorbeeld aan het laten vervaardigen van ‘adviserende’ bureauonderzoeken, het schrijven of beoordelen van Programma’s van Eisen voor archeologisch onderzoek, het aanvragen en beoordelen van offertes, het aanbesteden van onderzoek, het begeleiden van het onderzoekstraject of het beoordelen van archeologische rapporten. 4.1.3 Friese Archeologische Monumenten Kaart Extra (FAMKE) De Omgevingswet stelt dat gemeenten een plicht hebben om hun ruimtelijke plannen te voorzien van een gedegen archeologische onderbouwing. Door de jaren heen is de kennis op het gebied van archeologie in de gemeente Opsterland steeds verder toegenomen. De resultaten van die kennis zijn verwerkt in een set archeologische beleidsadvieskaarten en bronnenkaarten. Omdat sinds de invoering van de nieuwe wetgeving op het gebied van de archeologie de gemeenten de eerstverantwoordelijken zijn, zijn ook de archeologische beleidsadvieskaarten nadrukkelijker een zaak van de gemeenten geworden. Elke gemeente dient zelf archeologisch beleid vast te stellen. Zij kan daarbij de FAMKE als uitgangspunt nemen.

De provincie trekt bij voorkeur samen op met gemeenten bij het door ontwikkelen van de FAMKE. Na vaststelling door de gemeente zal het nieuwe gemeentelijke kaartbeeld worden opgenomen in de FAMKE bij provinsje Fryslân. Om tot een goed onderbouwde uiteenzetting van archeologische gegevens te komen bij ruimtelijke ontwikkelingen, is het van belang dat de gegevens regelmatig bijgehouden worden en aangepast worden naar de actuele stand van zaken. De FAMKE zal dan ook geen statisch product zijn, maar wordt regelmatig geactualiseerd om een steeds nauwkeuriger beeld van de archeologische informatie te bewerkstelligen. Het is dan ook van belang dat de meest actuele versie steeds gebruikt wordt. De verdiepingsslag diende uit te wijzen of er meer gebieden in de gemeente zijn waarvoor een archeologische functie moet gelden. In augustus 2024 is de verdiepingsslag archeologie die gemeente Opsterland samen met provinsje Fryslân opgezet heeft afgerond. Doel ervan was om te komen tot een actueler overzicht van de archeologische (verwachtings)waarden binnen de gemeente. Een actueel overzicht stelt de gemeente in staat goede keuzes te maken bij toekomstige ontwikkelingen die het bodemarchief (kunnen) bedreigen, en geeft bovendien gelegenheid om accenten te leggen, hetgeen nodig kan zijn wanneer er (beleids)keuzes gemaakt moeten worden.

De verdiepingsslag richtte zich op de volgende onderwerpen:     

verstoringsgraad van pleistocene dekzandgebieden dobben: archeobotanie/palynologie archeologie van de beekdalen huisterpen, (voormalige) boerderijplaatsen en oude kerkhoven dorpskernen

In hoofdstuk 5 wordt op deze zones en terreinen dieper ingegaan. 4.1.4 Toepassing en gebruik nieuw archeologiebeleid en archeologische kaarten Het archeologische beleid is gebaseerd op de adviezen van de archeologische beleidsadvieskaarten en bronnenkaarten, die ontwikkeld zijn op basis van uitgebreid 61

onderzoek naar archeologische waarden en indicatoren binnen gemeente Opsterland. Zowel de bekende archeologische terreinen (uitgezonderd de wettelijk beschermde archeologische monumenten) als de nog (aantoonbaar) te verwachten archeologische vindplaatsen vallen onder de gemeentelijke verantwoordelijkheid en moeten (op termijn) middels regels in het definitieve omgevingsplan beschermd worden. Indien de omgang met archeologie in het vigerende omgevingsplan niet of niet afdoende in de toelichting of regeling beschreven is (conform artikel 5.130 van het Bkl), zoals nu met de dubbelbestemmingen het geval is, kan worden teruggevallen op de archeologische beleidsadvieskaarten en bronnenkaarten met dank aan het vangnet archeologie, artikel 23 in de Erfgoedverordening gemeente Opsterland 2024. De nieuwe beleidsadvieskaarten kunnen leiden tot een strikter of ruimer regime ten opzichte van de eerdere onderzoeksvoorschriften in de dubbelbestemmingen. Met andere woorden: het nieuwe beleid gaat altijd voor. 1. De actuele beleidsadvieskaarten worden onderdeel van het toetsingskader voor ruimtelijke initiatieven. Vanaf vaststelling van het beleid en de bijbehorende kaarten zijn deze via de vangnetbepaling direct onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan. Dit maakt dat ontwikkelingen c.q.

ruimtelijke initiatieven via dat tijdelijke omgevingsplan rechtstreeks getoetst worden aan deze actuele gegevens. Zij worden dus het toetsingskader voor vergunningaanvragen en andere werkzaamheden waarbij archeologische gegevens een rol spelen. 2. Actueel archeologisch beleid wordt onderdeel van het afwegingskader voor strijdige ruimtelijke initiatieven. Als gebleken is dat een initiatief in strijd is met het omgevingsplan, dan kan de gemeente overwegen hieraan medewerking te verlenen als er sprake is van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (ETFAL). Binnen die afweging hoort zonder meer thuis dat het belang van behoud van cultureel erfgoed moet worden meegenomen en geborgd. Deze afweging en borging wordt gestalte gegeven door het nieuwe archeologiebeleid toe te passen. 4.1.5 Doorvertaling naar het omgevingsplan: bouwsteen Bij het opstellen van een omgevingsplan dient de gemeente, zoals al enkele malen vermeld, rekening te houden met alle terreinen die als ‘archeologisch monument’ of ‘zones van archeologische verwachtingswaarde’ zijn aangemerkt. De uitgangspunten van het gemeentelijk archeologiebeleid worden op termijn verankerd in het definitieve omgevingsplan. Artikel 5.72 Bkl stelt: ‘in een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaan te verwachten archeologische monumenten’.

Hieruit vloeit voort dat archeologie een plaats moet krijgen in het definitieve omgevingsplan. Daarnaast moeten omgevingsplanwijzigingen alsmede een ontwerp daarvoor vergezeld gaan van een toelichting, waarin onder andere een beschrijving wordt gegeven van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden (gebouwde en cultuurlandschappelijke waarden) en in de grond aanwezige of (aantoonbaar) te verwachten monumenten rekening is gehouden. De resultaten zullen worden verwerkt worden in het definitieve omgevingsplan middels een daarvoor opgenomen regeling. Er wordt aangegeven waar en wanneer archeologie in het geding is. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning zal in een gebied met een functie ‘waarde archeologie’, archeologisch onderzoek geëist worden indien hier archeologische (verwachtings)waarden in het geding (gaan) komen. Als er sprake is van een archeologische 62

verwachting, kan de aanvrager van een vergunningplichtige bodemingreep worden gevraagd de archeologische waarden nader in kaart te laten brengen. De gemeente bepaalt of en wanneer er voldoende informatie verzameld is om een gedegen afweging over het bodemarchief te maken. Soms is een bureauonderzoek en/of een aantal boringen daarvoor voldoende, maar in andere gevallen kan er een proefsleuvenonderzoek nodig zijn. Alleen wanneer vastgesteld is dat er een behoudenswaardige archeologische vindplaats aanwezig is, die niet onverstoord in de bodem behouden kan blijven, komt het tot een opgraving of archeologische begeleiding. Daarnaast wordt archeologische begeleiding ook ingezet wanneer er niet geheel zeker is of de (hoge) verwachtingswaarde in lijn is met de realiteit. Alle kosten van archeologisch onderzoek, uitwerken en deponeren, zijn voor de aanvrager. Momenteel wordt er gewerkt aan een uitvoeringsplan en tijdspad om alle aspecten van de ruimtelijke ordening die de fysieke leefomgeving aangaan over te hevelen naar het definitieve omgevingsplan. Hiervoor is tot 2032 de tijd. In 2032 wordt het omgevingsplan definitief. In onderstaand schema staat weergegeven hoe de implementatie van het archeologiebeleid en het gebruik van de archeologische kaarten ingebed in de organisatie.

Stroomdiagram: Het omgevingsplan als toetsingskader voor ruimtelijke initiatieven

63

5. Archeologische beleidsadvieskaarten en bronnenkaarten In deze paragraaf wordt er een algemene toelichting op de FAMKE-kaarten gegeven en komt een afzonderlijke toelichting op zowel de archeologische beleidsadvieskaart als bronnenkaart die behoren tot de periode steentijd-bronstijd (300.000 v.Chr. – 800 v.Chr.) en de periode ijzertijd-middeleeuwen (800 v.Chr. – 1500 na Chr.) aan de orde. In bijlage 1 en bijlage 2 is de uitgebreide toelichting per beleidsadvieskaart en bronnenkaart per periode opgenomen. Hierin staat meer achtergrondinformatie over de diverse archeologische eenheden en welke onderzoeksverplichtingen daarbij leidend zijn. 5.1 Aandachtsgebieden Doel van de ontwikkeling van de archeologische kaarten was om zowel bekende archeologische gegevens als de verwachtingswaarden zo waarheidsgetrouw mogelijk neer te zetten. De aandacht ging naast een algemene verdieping in het bijzonder uit naar de volgende terreinen en zones:     

verstoringsgraad van pleistocene dekzandgebieden dobben: archeobotanie/palynologie archeologie van de beekdalen huisterpen, (voormalige) boerderijplaatsen en oude kerkhoven dorpskernen

Verstoringsgraad van de pleistocene dekzandgebieden Uit de analyse van de distributie van jagers-verzamelaars is afgeleid dat zeker de jagers uit het mesolithicum bij voorkeur hun kampementen inrichten op pleistocene hoogtes in de buurt van water. Op grond hiervan kunnen in het huidige landschap verschillende verwachtingszones worden onderscheiden. Aan de hand van de gesteldheid van de bodem, vooral wanneer daarin in het verleden sprake is geweest van bodemvorming (podzolbodem), is redelijk eenvoudig vast te stellen hoe gaaf zulke vindplaatsen (kunnen) zijn. Vastgesteld is dat hoe langer op pleistocene bodems is geploegd, hoe geringer de kans is dat deze vindplaatsen nog gaaf zijn. Pingoruïnes en dobben: archeobotanie/palynologie Opsterland herbergt een grote concentratie aan pingoruïnes en dobben. Dobben zijn komvormige terreinlaagten die soms gevuld zijn met water. Deze terreinlaagten kunnen op verschillende manieren ontstaan zijn: sommige zijn restanten van vroege ijsheuvels (pingo’s), andere vormen zijn door uitblazing van dekzand ontstaan. Vaak heeft zich veen in de terreinlaagten kunnen ontwikkelen, dat soms weer is afgegraven. Hoewel er eveneens dobben in Drenthe voorkomen, zijn deze reliëfvormen landelijk gezien uniek en heel waardevol. Van bijzonder belang zijn de dobben ten oosten en zuiden van Ureterp en bij Siegerswoude.

Dobben zijn alleen op het zuidoostelijke en noordoostelijke zandgebied van Friesland te vinden. Vele pingo’s zijn verzand of dichtgegooid. Een groot aantal zijn te vinden in de natuurgebieden, zoals de Duurswouderheide. Anderen, hier en daar verspreid door de gemeente, vormen een kleine ruigte in de weilanden. In pingoruïnes zijn in de loop der eeuwen veenlagen ontstaan. De veenlagen conserveerden archeobotanische informatie over de landschappelijke ontwikkelingen, zowel de natuurlijke processen als de door de mens gestuurde of veroorzaakte veranderingen. De bijzondere waarde omvat geologische, geomorfologische en bodemkundige landschapselementen maar 64

ook archeologische en cultuurhistorische informatie. Pingoruïnes leveren veel waardevolle informatie over de klimatologische omstandigheden en over de invloed van de mens op zijn natuurlijke omgeving. Recent onderzoek door het Groninger Instituut van de Rijksuniversiteit Groningen heeft de waarde van de veenvullingen als bodemarchief nog eens bevestigd. Er worden in het kader van de Friese archeologische monumentenzorg naar de stand van onderzoek onderscheid gemaakt tussen:  waardevolle pingoruïnes waarvan de top van de gave veenvulling uit de overgang van mesolithicum naar neolithicum dateert of jonger is;  waardevolle pingoruïnes met een gave veenvulling die nog niet gedateerd zijn;  mogelijke pingoruïnes bekend van bodemkaarten, hoogtekaarten, nietarcheologische inventarisaties;  onderzochte locaties die geen (waardevolle) pingoruïne bleken te zijn. Archeologie van de beekdalen Het landschap van Opsterland wordt gekenmerkt door een flauw hellend dekzandlandschap in het oosten, dat geleidelijk overgaat naar het lager gelegen (laag)veengebied in het westelijk deel van de gemeente. Vanaf het dikzandplateau lopen twee (voormalige) beekdalen in zuidwestelijke richting naar het ‘lage midden’ uit. Centraal door de gemeente stroomt het Koningsdiep (Boorne, Ouddiep).

Deze beek strekt zich uit tussen Bakkeveen en Rauwerd in de gemeente Boarnsterhim, waar de beek uitmondde in de voormalige Middelzee. Ten noorden van het Koningsdiep bevindt zich een tweede beekdal. Ook deze is Laatglaciaal van oorsprong. Deze zal in het verleden echter sneller dichtgeveend zijn en is niet meer watervoerend (geweest). Het beekdal is overdekt geraakt met een dik veendek en is lange tijd onherkenbaar geweest in het landschap. Pas in de Nieuwe Tijd is bij de ontginning van het gebied het met veen gevulde beekdal langzaam gaan inklinken en is geleidelijk aan dit beekdal weer als een laagte zichtbaar geworden in het landschap. Het is bekend dat de hoger gelegen kopjes langs de beekdalen vaak de locaties vormen van (vuursteen)vindplaatsen. Deze hoger gelegen locaties zijn voor een groot deel te vinden in het oostelijke deel van de gemeente, maar ook in het lager gelegen westen zijn locaties bekend waar vuursteenvindplaatsen ontdekt zijn. In 2017 is er tijdens een verkennend vooronderzoek een vuursteenvindplaats ontdekt bij de Janssenstichting op een paraboolduin, ten zuiden van Oud Beets. Steentijdvindplaatsen zijn dan ook niet enkel te verwachten op dekzandkoppen en –ruggen, maar kunnen ook voorkomen op andere pleistocene hoogtes, bijvoorbeeld op een hoger gelegen pleistocene vlakte aan de rand van het beekdal (pleistocene oeverzone).

Bovendien zijn ze niet gebonden aan de aanwezigheid van een podzolbodem. Ze kunnen ook aanwezig zijn op dekzandkoppen of –ruggen of andere opduikingen waar zich geen podzol heeft ontwikkeld. Verder kan in het algemeen gesteld worden, dat archeologische resten in beekdalen doorgaans niet los kunnen worden gezien van de nederzettingen en grafvelden op de hogere gronden. Ze moeten als deel van een samenhangend complex worden beschouwd. Archeologische waarden die in potentie in beekdalen kunnen worden aangetroffen zijn:  houten en stenen constructies die verband houden met infrastructuur, bijvoorbeeld restanten van voorden, bruggen, knuppelpaden en wegen;  voorwerpen die verband houden met jacht en visvangst, bijvoorbeeld fuiken, visweren, eendenkooien, strikken en nette, pijlen en harpoenen;  plaatsen waar afval van nederzettingen is gedumpt; 65

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Opsterland&id=4b84bf8c-34e7-4ee8-a9fa-ca6e31b49a18