CConstaterende datOpsterland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Was-wordt lijst Verordening Hart voor de Jeugd 2026

Raadsvergadering 15 december 2025, gemeente OpsterlandBij agendapunt: Verordening Hart voor de Jeugd gemeente Opsterland 2026 (H)13.145 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

het college het pgb-tarief verhoogt of verlaagt voor 90% op basis van het geprognosticeerde en definitieve indexcijfer Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA) voor personele kosten van het CPB gepubliceerd door de NZA, en voor 10% op basis van het geprognosticeerde en definitieve prijsindexcijfer particuliere consumptie (PPC) voor materiële kosten van het CPB gepubliceerd door de NZA. 6. Het college stelt de pgb-tarieven, conform de door de Gemeenteraad vastgestelde tariefbepaling, eenmaal per jaar vast in nadere regels.

Artikel 12 lid 12

12. Als een budgethouder vaste afspraken heeft met een zorgverlener of zorginstelling, kan een betaling van een vast bedrag per maand worden afgesproken

-

18

Er wordt onderscheid gemaakt tussen een tarief voor formele hulp en een tarief voor informele hulp. Daarbij wordt rekening gehouden met de aanvullende kosten die formele aanbieders moeten maken om te voldoen aan de kwaliteitseisen. In 2025 is gekozen voor formele tarieven gebaseerd op Wmo ZIN-tarieven. In 2025 is er gekozen om aan te sluiten bij de CAO VVT voor het tarief informele hulp, Wmo-juridsprudentie volgend (ECLI:NL:CRVB:2023:1394 // ECLI:NL:CRVB:2023:1580). Het is echter de vraag of deze uitspraken (Wmo) ook voor pgb’s uit de Jeugdwet gelden. Rechtbanken oordelen hier verschillend over. De Rechtbank NoordNederland oordeelde op 8 november 2024 dat voor het tarief van een informeel pgb vanuit de Jeugdwet kan worden aangesloten bij het wettelijk minimumloon (ECLI:NL:RBNNE:2024:4405). De CRvB moet hier nog een uitspraak over doen. In de verordening 2026 sluiten we aan bij de systematiek die binnen de Wet langdurige zorg en de Zorgverzekeringswet wordt gehanteerd, namelijk wettelijk minimumloon voor informele hulp en een afgeleide van het ZIN-tarief voor formele hulp. De tarieven voor formele hulp pgb zijn niet gelijk aan de ZIN tarieven, omdat er door de betreffende zorgaanbieders minder overheadkosten gemaakt hoeven worden dan door gemeente gecontracteerde aanbieders. Dit betreft o.a.

kosten in relatie tot de aanbesteding en bijbehorende programma van eisen, verantwoordingsrapportages en overleg Toevoeging lid 5-7: de pgb-tarieven worden jaarlijks geïndexeerd. Het indexpercentage is hetzelfde als voor de tarieven in natura. Voor de tekst van het artikel is aangesloten bij de tekst van de modelovereenkomst contractstandaard jeugd van het Ketenbureau I-Sociaal Domein. De tarieven worden jaarlijks vastgesteld en bekend gemaakt.

-

Artikel 18. Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb 1. Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van de jeugdhulp aan de volgende eisen: a. beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die niet ouder is dan drie maanden waarbij de aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende de hulpverlening niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor uitoefening van dienst functie; b. beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde hulp te bieden; c. houdt een deugdelijke administratie bij met een registratie van de geleverde hulp; d. is voldoende vaardig om in de Nederlandse taal te communiceren; e. werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd; f. voert de hulp uit in overeenstemming met de beschikking van het college; g. stemt de hulp af op de persoonlijke situatie van de jeugdige en/of zijn ouder(s); h. stemt de hulp af op andere voorzieningen, overige voorzieningen en individuele voorzieningen waar de jeugdige en/of zijn ouder(s) gebruik van maken; i. respecteert de privacy van de jeugdige en/of zijn ouder(s) en gaat vertrouwelijk om met informatie over de persoonlijke situatie; j.

neemt bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de jeugdige en/of de ouder(s) voor advies of het doen van een melding contact op met Veilig Thuis; k. meldt calamiteiten en geweldsincidenten bij de verlening van jeugdhulp aan het college; l. werkt mee aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid; en m. is of raakt door verlening van de jeugdhulp naar het oordeel van het college niet overbelast. 2. Aanvullend op het bepaalde in artikel 20 lid 1 voldoet de uitvoerder van formele jeugdhulp ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening aan de volgende eisen: a. hetgeen is bepaald in artikel 19, tweede lid; b. handelt in overeenstemming met de professionele standaard; c. werkt op basis van een hulpverleningsplan; d. werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking; 19

Toevoeging artikel: om te waarborgen dat jeugdhulp in de vorm van een pgb, evenals jeugdhulp in de vorm van zorg in natura, op een verantwoorde manier wordt verleend zijn in deze bepaling kwaliteitseisen uitgewerkt. Dit moet ervoor zorgen dat de jeugdhulp van goed niveau is en in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder.

e.

f.

hanteert de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp; en stelt een vertrouwenspersoon in staat zijn taak uit te voeren.

Hoofdstuk 7. Afstemming met andere domeinen en voorzieningen Artikel 19-25

-

Artikel 19. Afbakening Jeugdwet en Wet passend onderwijs Artikel 20. Afstemming voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht Artikel 21. Afstemming Zorgverzekeringswet en Wet Langdurige Zorg Artikel 22. Afstemming met GI Artikel 23. Afstemming justitiedomein Artikel 24. Afstemming met Veilig Thuis Artikel 25. Afstemming werk en inkomen Artikel 26. Afstemming Wmo Artikel 27. Overgang 18-/18+

20

Hoofdstuk 7 is in zijn totaliteit een toevoeging t.o.v. de verordening 2025. Op grond van artikel 2.9, aanhef en onder b, van de wet moet geregeld zijn op welke wijze de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. Afbakening met voorliggende en overige voorzieningen is een aanbeveling vanuit het document Verkenning afbakening Jeugdhulpplicht vanuit het ministerie van VWS.

Hoofdstuk 8. Herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik Wijziging in artikel Artikel 13 lid 1  Artikel 26

Artikel 14  Artikel 29

Was (tekst in de Verordening Hart voor de Jeugd 2025)

Wordt (tekst in de Verordening Hart voor de Jeugd 2026)

Reden wijziging/aanpassing/ toevoeging/verwijderen

Artikel 13. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering 1. Volgens artikel 8.1.2 van de wet geven de jeugdige of de ouder(s) op verzoek of uit eigen beweging aan het college alle feiten en omstandigheden die belangrijk zijn en kunnen leiden, tot het opnieuw beoordelen van een beslissing over een individuele voorziening.

Artikel 28. Inlichtingen 1. Het college informeert de jeugdige en/of zijn ouder(s) in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

Toevoeging lid 1: Dit lid berust op artikel 8.1.6 van de wet, waarin is bepaald dat het college de jeugdige en zijn ouder(s) vooraf informeert over de gevolgen van de keuze voor een pgb in plaats van ZIN. In deze verordening wordt de inlichtingenplicht van het college breder getrokken, zodat het college de jeugdige en zijn ouders in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet inlicht.

Artikel 14. Bestrijding oneigenlijk gebruik en misbruik 1. … 2. Het college kan nadere regels vaststellen over de bevoegdheden van de toezichthouder.

2. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.1.2, eerste lid, van de wet doen de jeugdige en/of de ouder(s) aan het college op verzoek of uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing over een individuele voorziening. Artikel 29. Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s 1. … 2. Het college onderzoekt met inachtneming van de paragrafen 6a en 6b, van de Regeling Jeugdwet de rechtmatigheid en doelmatigheid van individuele voorzieningen. 3. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van pgb’s met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan. 4. De toezichthouder is in ieder geval bevoegd om alle gegevens te vorderen die noodzakelijk zijn om te kunnen beoordelen of de ondersteuning voldoet aan de eisen zoals bedoeld in artikel 18 van deze verordening.

Artikel 27

-

5. Het college kan nadere regels vaststellen over de bevoegdheden van de toezichthouder. Artikel 30. Niet meewerken ouder(s) 1. De jeugdige en zijn ouder(s) zijn verplicht om, binnen de eigen mogelijkheden, mee te werken aan onderzoek gericht op besluitvorming over en de doelmatige inzet van jeugdhulp. 2. Als de jeugdige en/of zijn ouder(s) naar oordeel van het college niet of onvoldoende meewerken, kan de omvang van de benodigde jeugdhulp niet worden vastgesteld of is de jeugdhulp niet effectief. Dan kan door het 21

In de Verordening moeten in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van wet. In het eerste lid is geregeld dat het college een toezichthouder voor het toezien op rechtmatigheid toewijst. Toevoeging lid 2-4: op grond van artikel 8.1.3 van de wet moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een beslissing aangaande een pgb te heroverwegen. Bij twijfel over kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid biedt de wet echter onvoldoende houvast om hier goed naar te kijken. Om die reden zijn lid 2 (ZIN) en lid 3 (pgb) toegevoegd. Lid 4 regelt de gegevens die de toezichthouder kan vorderen voor het onderzoek.

Toevoeging artikel op basis van jurisprudentie (ECLI:NL:CRVB:2019:276). Deze bepaling geeft het college de bevoegdheid om een verstrekte individuele voorziening al dan niet in vorm van een pgb te weigeren, of te heroverwegen als de ouders niet meewerken aan onderzoek naar de noodzaak of doelmatige inzet van de jeugdhulp.

college worden besloten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken.

Artikel 13 lid 2-3  Artikel 30

-

Artikel 31. Intrekking, herziening, opschorting en terugvordering 1. Het college evalueert periodiek of er aanleiding is een beslissing aangaande een verstrekking van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb te heroverwegen en kan hierover nadere regels stellen.

Artikel 13. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering 2. Volgens artikel 8.1.4 van de wet kan het college een beslissing over een individuele voorziening herzien, intrekken, wijzigen of beëindigen als het college vaststelt dat: a. de jeugdige of de ouder(s) onjuiste of onvolledige gegevens hebben gegeven en dit tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de jeugdige of de ouder(s) niet langer de individuele voorziening of het pgb nodig hebben; c. de individuele voorziening of het pgb niet meer voldoende is; d. de jeugdige of de ouder(s) niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het pgb, of; de jeugdige of de ouder(s) de individuele voorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd. -

2. Volgens artikel 8.1.4 van de wet kan het college een beslissing over een individuele voorziening herzien, intrekken, wijzigen of beëindigen als het college vaststelt dat a. de jeugdige en/of zijn ouder(s) onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van de juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen; c. de individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb niet meer toereikend is te achten; d. de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet voldoen aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb; e. de jeugdige en/of zijn ouder(s) het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is; of f. de jeugdige en/of de ouder(s) met het pgb jeugdhulp een jeugdhulpaanbieder betrekken tegen wie bezwaren zijn ontstaan, als bedoeld in artikel 14, derde lid van deze verordening. 3. Een beslissing tot verlening van pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 4.

Een beslissing tot toekenning van een voorziening in natura kan worden ingetrokken als blijkt dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) zich niet binnen zes maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij een jeugdhulpaanbieder.

22

Dit artikel geeft de mogelijkheid om, als het college van mening is dat het onderzoek niet toereikend is (bijv. omdat er écht een kindgesprek had moeten plaatsvinden), met de juiste onderbouwing de aanvraag voor een individuele voorziening afwijzen. Kortom, het artikel betekent niet dat we per definitie geen individuele voorziening verstrekken als ouder(s) niet voldoende meewerken. Toevoeging lid 1: op grond van artikel 8.1.3 van de wet moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een beslissing aangaande een pgb te heroverwegen. Het eerste lid breidt deze opdracht uit naar alle individuele voorzieningen, ongeacht vorm van de verstrekking. Deze bepaling regelt in welke gevallen het college een beslissing tot verlening van een individuele voorziening kan intrekken, herzien of opschorten. De bepaling is afgeleid van artikel 8.1.4 van de wet die de herziening en intrekking regelt van verstrekte pgb’s en breidt deze uit tot de individuele voorziening in natura. Dit is een ‘kan’-bepaling: het college is niet verplicht gebruik te maken van deze bevoegdheid.

Toevoeging lid 3 en 4: van een jeugdige en/of zijn ouder(s) wordt verwacht dat ze binnen zes maanden gebruik gaan maken van hun indicatie door zich te melden bij de jeugdhulpaanbieder of het pgb inzetten voor aangewezen jeugdhulp. Dit om te voorkomen dat een indicatie is verouderd en de situatie is gewijzigd waardoor de verstrekte voorziening niet langer passend is. Voldoen jeugdigen of ouder(s) niet aan deze voorwaarde, dan kan dat een grond opleveren om de aanspraak op de individuele voorziening in te trekken.

3. Als het college een beslissing op grond van artikel 13 het tweede lid, onderdeel a van deze verordening, heeft ingetrokken omdat onjuiste of onvolledige gegevens zijn gegeven, wordt door het college geheel of gedeeltelijk het geld van de individuele voorziening of het pgb teruggevorderd.

-

5. Als het college een beslissing op grond van artikel 16 het tweede lid, onderdeel a van deze verordening, heeft ingetrokken omdat onjuiste of onvolledige gegevens zijn gegeven, wordt door het college geheel of gedeeltelijk het geld van de individuele voorziening of het pgb teruggevorderd. 6. Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken, kan het college bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte genoten pgb invorderen. 7. Het college kan, bij een gegrond vermoeden van een omstandigheid als bedoeld in het tweede lid onder a, d, e of f de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke onderbreking van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken.

23

Toevoeging lid 5 en 6: in de wet is geregeld dat het college een pgb kan invorderen als dit is herzien of ingetrokken in verband met onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de jeugdige en/of ouder(s) (artikel 8.1.4 derde lid van de wet). Alvorens tot invorderen te kunnen overgaan, moet het college eerst terugvorderen. Terugvordering van pgb is niet geregeld in de wet. Daarom is hiervoor een grondslag opgenomen in de verordening. Toevoeging lid 7: door opschorting van pgb kan er ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of onderzoek. Het college kan bij omstandigheden als omschreven in dit lid een verzoek doen aan de SVB om het pgb op te schorten. Dit in overeenstemming met artikel 8b, zesde lid onder g van de Regeling Jeugdwet.

Hoofdstuk 9. Waarborgen verhouding prijs en kwaliteit Wijziging in artikel Artikel 15  Artikel 32

Was (tekst in de Verordening Hart voor de Jeugd 2025)

Wordt (tekst in de Verordening Hart voor de Jeugd 2026)

Reden wijziging/aanpassing/ toevoeging/verwijderen

Artikel 15. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Het college houdt in het belang van een goede prijskwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het gebruikt voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met: a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. de voor de sector toepasselijke Cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; c. een redelijke toeslag voor overheadkosten; d. een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; e. kosten voor bijscholing van het personeel; f. het Friese kwaliteitskader Jeugdhulp zoals vastgesteld door de Friese gemeenten.

Artikel 32. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering 1. Het college baseert in het belang van een goede prijskwaliteitverhouding de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, op tenminste de volgende kostprijselementen: a. cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden kosten van beroepskrachten; b. cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten; c. redelijke toeslag voor overheadkosten; d. reis- en opleidingskosten; e. kosten voor indexering; f. kosten voor een voor de sector reële mate van niet-productieve uren van de beroepskracht als gevolg van ziekte, verlof, scholing en werkoverleg; g. het Friese kwaliteitskader Jeugdhulp zoals vastgesteld door de Friese gemeenten; h. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders, waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 2.

Het college bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste lid.

Volgens artikel 2.11 eerste en tweede lid van de wet moet er een goeede verhouding tussen prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die warden gesteld aan de kwaliteit daarvan zijn. Daarbij dient rekening gehouden te worden met deskundigheid van beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Deze voorwaarden zijn in dit artikel opgenomen.

3. Het eerste en tweede lid gelden voor subsidies slechts voor zover zij worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of hun ouders en de omvang van de subsidie direct of indirect wordt gebaseerd op de hoeveelheid verrichten diensten.

24

Toevoeging lid 2 en 3: overeenkomstig artikel 2.3 Besluit Jeugdwet wordt verplicht gesteld dat in contracten tussen het college en aanbieders, of in de subsidievoorwaarden, wordt opgenomen dat een aanbieder in geval van uitbesteding van zorg aan onderaannemers, een reële, met behulp van de kostprijselementen tot stand gekomen prijs betaalt.

Hoofdstuk 10. Klachten en medezeggenschap Wijziging in artikel Artikel 18  33

Was (tekst in de Verordening Hart voor de Jeugd 2025)

Wordt (tekst in de Verordening Hart voor de Jeugd 2026)

Reden wijziging/aanpassing/ toevoeging/verwijderen

Artikel 18. Klachtregeling

Artikel 33. Klachtregeling

Wijziging artikelnummer.

Artikel 16  34

Artikel 16. Inspraak en medezeggenschap Het college betrekt de jeugdige en de ouder(s) van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid over de jeugdhulp volgens de in artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels.

Artikel 34. Medezeggenschap Het college betrekt de jeugdige en de ouder(s) van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid over jeugdhulp volgens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels en de Verordening Inwonersparticipatie Opsterland.

Verordening Inwonersparticipatie Opsterland toegevoegd.

Was (tekst in de Verordening Hart voor de Jeugd 2025)

Wordt (tekst in de Verordening Hart voor de Jeugd 2026)

Reden wijziging/aanpassing/ toevoeging/verwijderen

Artikel 19. Hardheidsclausule Artikel 20. Overgangsrecht, intrekking oude verordening en algemene bepalingen 4. Op bezwaarschriften tegen een besluit van een individuele voorziening op grond van een eerdere Verordening Hart voor de Jeugd wordt beslist volgens die verordening tot de einddatum van de beschikking van dat besluit. Tenzij het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, is ingetrokken. 5. Het college is bevoegd voor de uitvoering van deze verordening nadere regels te stellen.

Artikel 35. Hardheidsclausule Artikel 36. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

Wijziging artikelnummer

Artikel 21. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2025. 2. De Verordening Hart voor de Jeugd 2024 wordt ingetrokken. 3. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Hart voor de Jeugd gemeente Opsterland 2025.

Artikel 37. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Hart voor de Jeugd gemeente Opsterland 2026.

Hoofdstuk 11. Slotbepalingen Wijziging in artikel Artikel 19  35 Artikel 20  36

Artikel 21  37

Wijziging artikelnummer

4. Op bezwaarschriften tegen een besluit dat op grond van een eerder geldende Verordening Hart voor de Jeugd gemeente Opsterland genomen is, wordt beslist op basis van de Verordening Hart voor de Jeugd gemeente Opsterland 2026, in hoeverre de belanghebbende hierdoor niet materieel wordt benadeeld. -

25

Verwijderen lid 5: een algemene delegatiebepaling richting het college is juridisch gezien niet toegestaan. Verwijderen lid 2; deze is in Verordening 2026 opgenomen in artikel 36.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Opsterland&id=71435ad9-28d2-46e6-878c-85cef6e9a407