Bijlage 1 Was-wordt lijst Verordening Hart voor de Jeugd 2026
Tekst van het document
Was-wordt lijst verordening Hart voor de Jeugd Opsterland 2026 Leeswijzer: - Wijziging in artikel: in deze kolom wordt aangegeven op welk artikel de genoemde wijzigingen betrekking hebben. Daarbij heeft de tekstkleur in het grijs betrekking op het artikelnummer zoals in de Verordening 2025 en een tekstkleur in het zwart op het nieuwe artikelnummer in de Verordening 2026. - Was (tekst in de Verordening Hart voor de Jeugd 2025): in deze kolom wordt de tekst uit de Verordening 2025 gegeven. - Wordt (tekst in de Verordening Hart voor de Jeugd Opsterland 2026): in deze kolom wordt aangegeven welke tekst aan de nieuwe verordening is toegevoegd dan wel hoe nieuwe teksten zijn geformuleerd. - Reden wijziging/aanpassing/toevoeging/verwijderen: in deze kolom staat de reden van de wijziging/aanpassing/toevoeging/verwijdering. - Inhoudelijke wijzigingen zijn opgenomen in de was-wordt lijst.
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Wijziging in artikel Artikel 1
Was (tekst in de Verordening Hart voor de Jeugd 2025)
Wordt (tekst in de Verordening Hart voor de Jeugd 2026)
algemene voorziening: aanbod van activiteiten dat, zonder onderzoek vooraf naar de behoefte, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige, toegankelijk is.
algemene voorziening: jeugdhulpvoorziening op grond van de wet die vrij toegankelijk is zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en/of ouder(s), als bedoeld in artikel 2 van deze verordening; budgetbeheerder: een persoon uit het sociale netwerk of een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp die voor de budgethouder de taken verbonden aan een persoonsgebonden budget (pgb); budgethouder: de persoon die pgb ontvangt op grond van de wet; -
-
formele hulp: formele ondersteuning die wordt geboden door een persoon, als bedoeld in artikel 12, tweede lid onderdeel a van deze verordening. hulpvraag: vraag van een jeugdige of de ouder(s) over zorg en ondersteuning op de terreinen wonen, welzijn, zorg, werk & inkomen en jeugd & gezin, waarbij een behoefte van een jeugdige of de ouder(s) aan jeugdhulp kan zijn in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet. individuele voorziening: op de jeugdige of de ouder(s) afgestemde voorziening die pas na onderzoek kan worden verstrekt als bedoeld in artikel 4, tweede lid van deze verordening.
hulpvraag: vraag van een jeugdige en/of de ouder(s) in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet;
individuele voorziening: een jeugdhulpvoorziening voor de jeugdige en/of de ouder(s) die door het college in natura (zorg in natura) of in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) wordt verstrekt, als bedoeld in artikel 3 van deze verordening; 1
Reden wijziging/aanpassing/ toevoeging/verwijderen
Verwijderd: wordt gedefinieerd in het artikel waarop het betrekking heeft, namelijk pgb.
informele hulp: informele ondersteuning die wordt gegeven door een persoon, als bedoeld in artikel 12, tweede lid onderdeel b en c van deze verordening. intensiteit: zwaarte van de behandeling, begeleiding of ondersteuning. ouder(s): gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder als bedoeld in artikel 1.1 van de wet. persoonsgebonden budget (pgb): budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet.
Verwijderd: wordt gedefinieerd in het artikel waarop het betrekking heeft, namelijk pgb.
-
Verwijderd: is gedefinieerd in de Jeugdwet.
pgb: persoonsgebonden budget, budget als bedoelt in artikel 8.1.1 van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige en/of ouder, die hen in staat stelt jeugdhulp in te kopen; -
De definitie van ‘pgb’ is opgenomen, omdat de afkorting pgb in het spraakgebruik meer wordt gebruikt dan voluit ‘persoonsgebonden budget’. Verwijderd: is gedefinieerd in de Jeugdwet.
Was (tekst in de Verordening Hart voor de Jeugd 2025)
Wordt (tekst in de Verordening Hart voor de Jeugd 2026)
Reden wijziging/aanpassing/ toevoeging/verwijderen
Artikel 4. Vormen van ondersteuning
Artikel 2. Algemene voorzieningen Artikel 3. Individuele voorzieningen
Splitsing in artikel van de algemene en individuele voorziening voor een duidelijker onderscheid.
pleegouder: persoon die een jeugdige die niet zijn kind of stiefkind is, als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt en daartoe een pleegcontract heeft gesloten met een pleegzorgaanbieder als bedoeld in artikel 1.1 van de wet.
Hoofdstuk 2. Voorzieningenaanbod Wijziging in artikel Artikel 4 Artikel 2-3
De individuele voorzieningen zijn in de nieuwe verordening uitgebreid beschreven om te voldoen aan de essentialia. Voorheen stond deze informatie in de beleidsregels, maar deze hebben juridisch een andere status dan een verordening. Deze verplaatsen naar de verordening is een aanbeveling uit de Verkenning afbakening Jeugdhulpplicht van het ministerie van VWS.
Hoofdstuk 3. Toegang tot jeugdhulpvoorzieningen Artikel 4.
-
Artikel 4. Toegang algemene voorziening 1. Jeugdige en ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een aanbieder van een algemene voorziening.
2
Toevoeging artikel op basis van jurisprudentie (ECLI:NL:CRVB:2019:276). Deze uitspraak geeft aan dat jeugdige en ouder(s) recht hebben op onderzoek naar een individuele voorziening als zij geen gebruik wensen te maken van een algemene voorziening. Dit betreft de keuzevrijheid voor verzoekers met
Artikel 5 Artikel 5- 6
Artikel 5
Artikel 5. Toegang jeugdhulp via de huisarts, de rechtbank, een gecertificeerde instelling, medisch specialist of jeugdarts
2. Als een jeugdige en/of zijn ouder(s) geen gebruik wensen te maken van een algemene voorziening, hebben zij desgewenst recht op een onderzoek als bedoeld in artikel 8 van deze verordening. Artikel 5. Toegang individuele voorziening via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts
betrekking tot activiteiten van jeugdhulp als bedoeld in artikel 2.3, vijfde lid van de JW.
Artikel 6. Toegang individuele voorziening via een Gecertificeerde Instelling, de rechter, het openbaar ministerie of de justitiële jeugdinrichting in het kader van het jeugdstrafrecht
Artikel 5 is gesplitst naar het medisch domein en het juridisch domein. Hiermee wordt de toegang via deze domeinen nader gespecificeerd. Aanpassing lid: de gemeente is niet gehouden ongecontracteerd aanbod na verwijzing vanuit het medisch domein te vergoeden (Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr.3, p.149). De gemeente bepaalt bij de medische verwijsroute niet welke jeugdhulp geleverd moet worden, maar heeft wel regie over wie jeugdhulp verleent (ECLI:NL:RBOBR:2020:1761). De verordening sluit vergoeding van deze kosten in een dergelijke situatie dan ook uit. De jeugdige of zijn ouder(s) kunnen in een situatie als deze wel een pgb aanvragen. Toevoeging lid: In de praktijk is het de jeugdhulpaanbieder die na verwijzing vanuit het medisch domein beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Op grond van het eerste lid van dit artikel zorgt het college voor de inzet van deze jeugdhulp. Dit lid bepaalt dat de jeugdhulpaanbieder gehouden is aan deze verordening. Dit betekent concreet dat ook het stappenplan Centrale Raad van Beroep gevolgd dient te worden, zoals opgenomen in artikel 8. Aldus legt de verordening een koppeling tussen de beschikbare vormen van individuele voorzieningen en de toegang via de medische verwijsroute.
Aanpassing lid: volgens de Awb moet er een beschikking worden afgegeven bij een verwijzing vanuit het medisch domein in verband met de rechtsbescherming van de inwoners. Hierbij kan echter de privacy in het geding komen. Om die reden is gekozen om een beschikking af te geven in het geval jeugdige of ouder(s) dit wensen, de gemeente afwijkt van het oordeel van de verwijzer/jeugdhulpaanbieder of een pgb toekent. Dit zijn de gevallen waarin in ieder geval een beschikking afgegeven dient te worden.
Artikel 5. Toegang jeugdhulp via de huisarts, de rechtbank, een gecertificeerde instelling, medisch specialist of jeugdarts 3. Als naar een niet gecontracteerde jeugdhulpaanbieder wordt verwezen, is voor de start van de jeugdhulp toestemming van het college verplicht.
Artikel 5. Toegang individuele voorziening via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 2. Het college is na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts niet verplicht jeugdhulp te vergoeden als deze wordt geleverd door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente geen contract- of subsidierelatie heeft, als het college soortgelijke passende jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder die wel een contract- of subsidierelatie heeft.
-
3. De jeugdhulpaanbieder dient zich bij het beoordelen van de hulpvraag na een verwijzing aan de regels in deze verordening en de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie te houden.
2. Als de jeugdige of de ouder(s) dit verzoeken, legt het college de individuele voorziening vast in een beschikking als bedoeld in artikel 11 van deze verordening.
4. Inachtneming van lid 1, 2 en 3 van dit artikel, is het college verantwoordelijk voor de betaling van de jeugdhulp na verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts. Het college legt de inzet van de jeugdhulp vast in een beschikking, zoals bedoeld in artikel 10 van deze verordening, als: a. de jeugdige en/of de ouder(s) dit wensen; b. de gemeente, in het uitzonderlijke geval, een besluit neemt dat afwijkt van het oordeel van de verwijzer of jeugdhulpaanbieder na verwijzing; c. een pgb wordt geïndiceerd. 3
Toegang tot algemene voorziening is toegelicht in artikel 4. In artikel 5-7 betreft het toegang tot individuele voorziening.
Artikel 6
-
Artikel 6. Toegang individuele voorziening via een Gecertificeerde Instelling, de rechter, het openbaar ministerie of de justitiële jeugdinrichting in het kader van het jeugdstrafrecht 1. Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp die de rechter of gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel. Ook draagt het college zorg voor de inzet van jeugdhulp die de rechter, het openbaar ministerie, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële jeugdinrichting nodig achten bij de uitvoering van jeugdreclassering. 2. Indien verwijzing door een GI plaatsvindt naar een nietgecontracteerde jeugdhulpaanbieder, is vooraf overleg met het college vereist.
Artikel 6, 10, 8 lid 4, artikel 17 Artikel 7
Artikel 6. Toegang jeugdhulp via de gemeente Artikel 8 lid 4. Onderzoek toegang jeugdhulp via de gemeente Artikel 10. Aanvraag toegang jeugdhulp via de gemeente Artikel 17. Vertrouwenspersoon en cliëntondersteuning
Artikel 6 lid 1 Artikel 7 lid 1
Artikel 6. Toegang jeugdhulp via de gemeente 1. Jeugdigen, de ouder(s) of andere belanghebbenden kunnen een hulpvraag stellen aan het gebiedsteam. Het gebiedsteam bekijkt of de hulpvraag direct is te beantwoorden of dat een gesprek met de jeugdige en de ouder(s) nodig is. Het gebiedsteam ondersteunt de jeugdigen, de ouder(s) of andere belanghebbenden bij het verkennen van de hulpvraag. Indien noodzakelijk kan de hulpvraag van de jeugdige en de ouder(s) leiden tot een aanvraag om een individuele voorziening op het gebied van Jeugdhulp. Artikel 10. Aanvraag toegang jeugdhulp via de gemeente 1. Jeugdige of diens ouder(s) kunnen met een ingevuld en ondertekend aanvraagformulier een aanvraag doen voor een individuele voorziening.
Artikel 10 Artikel 7 lid 2 en 3
2. Het college ziet een ondertekend ondersteuningsplan als aanvraag als dit door de jeugdigen of de ouder(s) wordt aangegeven.
3. Het college is verantwoordelijk voor de betaling van de jeugdhulp waarnaar is verwezen zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel. Het college verstrekt geen beschikking. Artikel 7. Toegang individuele voorziening via de gemeente
Lid 2 geeft een uitwerking van artikel 3.5 lid 3 van de Jeugdwet. De GI moet met de gemeente overleggen als ze jeugdhulp wil inzetten. Het overleg is er primair op gericht dat de GI weet welke jeugdhulp door de gemeente is gecontracteerd. In de gevallen dat de GI jeugdhulp noodzakelijk acht die niet is gecontracteerd, moet ze daarover op casusniveau overleggen met de gemeente. Lid 3 is een uitwerking van artikel 2.4 lid 2 onder b van de Jeugdwet. De gemeente moet ervoor zorgen dat de jeugdhulp die de GI nodig acht, ook daadwerkelijk ingezet wordt. Hier geldt een leveringsplicht voor de gemeente. De gemeente kan hier ook geen beschikking voor afgeven. De gemeente moet de jeugdhulp wel betalen (CRvB 9-12-2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3149).
Samenvoeging van artikelen.
Artikel 7. Toegang individuele voorziening via de gemeente 1. Jeugdigen, ouder(s) of andere belanghebbenden kunnen een hulpvraag stellen aan het college. Het college onderzoekt de hulpvraag en concludeert of er recht bestaat op een individuele voorziening, waarna een aanvraag om een individuele voorziening op het gebied van jeugdhulp kan worden ingediend.
Aanpassing lid 1: de tekst in dit lid is aangepast voor de leesbaarheid. Het college is (mede)verantwoordelijk voor het verkennen of verhelderen van de hulpvraag. Hierbij wordt een zekere medewerking van jeugdige of ouder(s) verlangt (ECLI:NL:CRVB:2019:276). Het Gebiedsteam kan jeugdige en ouder(s) helpen bij het verkennen van de hulpvraag, als zij daarom verzoeken.
2. Jeugdige en/of diens ouder(s) kunnen met een ingevuld en ondertekend aanvraagformulier een aanvraag doen voor een individuele voorziening. Het college kan een ondertekend ondersteuningsplan, als bedoeld in artikel 9 van deze verordening, als aanvraag aanmerken voor zover er geen aanvraagformulier is ontvangen en als jeugdige en/of ouder(s) aangeven dat het ondersteuningsplan als aanvraag moet worden gezien.
Aanpassing: samenvoeging van het lid op juridisch advies.
4
Artikel 8 lid 4 en artikel 17 Artikel 7 lid 4 en 5
Artikel 8. Onderzoek toegang jeugdhulp via de gemeente 4. Het college informeert de jeugdige of de ouder(s) over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgstappen. Artikel 17. Vertrouwenspersoon en cliëntondersteuning 1. Het college wijst jeugdigen en ouder(s) erop dat zij zich kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon. 2. Het college wijst jeugdigen en ouder(s) erop dat zij gebruik kunnen maken van kosteloze cliëntondersteuning.
4. De ouder(s) en/of jeugdige kunnen zelf een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de wet opstellen, waarin zij samen met hun netwerk aangeven hoe ze de opvoed- en opgroeisituatie kunnen verbeteren en waarin zij een oplossing kunnen aandragen om de problemen van de jeugdige in eigen kring op te lossen. De gemeente informeert de ouder(s) en/of de jeugdige over deze mogelijkheid.
Toevoeging lid 4: De verplichting een familiegroepsplan aan te bieden is in de wet expliciet opgedragen aan de jeugdhulpaanbieder of GI (artikel 4.1.2. JW). Deze verplichting geldt niet voor de gemeente. Als gemeente bieden we de mogelijkheid wel aan als basis voor het uiteindelijke hulpverleningsplan.
5. Voordat het onderzoek van start gaat, informeert het college de jeugdige en/of ouder(s) over de gang van zaken bij het onderzoek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure. Het college wijst jeugdige en/of ouder(s) op de mogelijkheid gebruik te maken van een vertrouwenspersoon (artikel 2.5 van de Jeugdwet) en een onafhankelijke cliëntondersteuning (artikel 2.2.4 Wmo 2015). 6. Het college kan nadere regels opstellen over de toegang tot een individuele jeugdhulpvoorziening.
5
Toevoeging lid 6: in de verordening 2025 stond in artikel 20 lid 5 een algemene delegatiebepaling naar het college. Zo’n algemene delegatiebepaling is juridisch gezien niet toegestaan. Er is per artikel bekeken waarover het college nadere regels kan stellen.
Hoofdstuk 4. Behandeling van een aanvraag om een individuele voorziening; onderzoek en besluitvorming via de gemeente Wijziging in artikel Artikel 7-8 Artikel 8 Artikel 8 lid 1 Artikel 8 lid 4-7
Artikel 7 lid 2 Artikel 8 lid 3
Artikel 7 lid 1 Artikel 8 lid 4
Artikel 8 Artikel 8 lid 4-7
Was (tekst in de Verordening Hart voor de Jeugd 2025)
Wordt (tekst in de Verordening Hart voor de Jeugd 2026)
Reden wijziging/aanpassing/ toevoeging/verwijderen
Artikel 7. Vooronderzoek toegang jeugdhulp via de gemeente Artikel 8. Onderzoek toegang jeugdhulp via de gemeente
Artikel 8. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren
Samenvoeging van artikelen
Artikel 8. Onderzoek toegang jeugdhulp via de gemeente 1. Als bij het college een aanvraag wordt gedaan voor een individuele voorziening, voert het college in overleg met de jeugdige of de ouder(s) een onderzoek uit. Dit wordt gedaan met of namens de persoon die de aanvraag heeft gedaan. -
1. Als bij het college een aanvraag wordt gedaan voor een individuele voorziening, voert het college in samenspraak met de jeugdige en/of de ouder(s) een onderzoek uit en maakt zo snel mogelijk een afspraak voor een gesprek.
Aanpassing: leesbaarheid en specificatie van de stappen die doorlopen moeten worden die als onderdeel worden gezien van het onderzoek (gesprek).
2. Het college zet voor het onderzoek de daarvoor benodigde specifieke deskundigheid in en informeert de jeugdige en/of ouder desgewenst over die deskundigheid. Het onderzoek vindt plaats door of onder verantwoordelijkheid een geregistreerde professional als bedoeld in artikel 1.1. van het Besluit Jeugdwet.
Toevoeging lid 2: jurisprudentie (ECLI:NL:CRVB:2024:1097) geeft aan dat de deskundigheid van de adviseur voor de toeleiding naar, advisering over, bepaling van het inzetten van een voorziening in de verordening moet staan.
2. Voorafgaand aan het gesprek geven de jeugdige of de ouder(s) aan het college alle overige gegevens en stukken die volgens het college voor het onderzoek nodig zijn. De jeugdige en de ouder(s) laten in ieder geval een identificatiedocument zien als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.
3. Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de jeugdige en zijn ouder(s) vast aan de hand van een door hen ter inzage verstrekt document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Identificatieplicht.
Wijziging artikel 7 lid 2 artikel 8 lid 3: aanpassing in verband met de leesbaarheid.
3. Het college kan in overleg met de jeugdige of de ouder(s) van het vooronderzoek afzien.
-
Artikel 7. Vooronderzoek toegang jeugdhulp via de gemeente 1. Het college verzamelt in overleg met de jeugdige of de ouder(s) de gegevens die nodig zijn over de jeugdige en de situatie en maakt zo snel mogelijk een afspraak voor een gesprek als onderdeel van het onderzoek naar de behoefte aan jeugdhulp. 2. Het college onderzoekt met de jeugdige of de ouder(s); a. de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het probleem van de hulpvraag; b. het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp; c. de mogelijkheden van de jeugdige of de ouder(s) om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden;
4. Het college verzamelt in overleg met de jeugdige en/of de ouder(s) alle voor het onderzoek van belang zijnde gegevens en bescheiden en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen.
Verwijderen artikel 7 lid 3: vooronderzoek is onderdeel van het onderzoek als bedoeld in artikel 8 en daar kan niet van worden afgezien. Ook identificatie is hier onderdeel van en dat is een vereiste voor het onderzoek. Aanpassing vanwege de leesbaarheid.
5. Het college onderzoekt samen met de jeugdige en/of zijn ouder(s): a. wat de hulpvraag van de jeugdige en/of zijn ouder(s) is; b. of sprake is van opgroeiproblemen, psychische problemen en/of stoornissen. Als daar sprake van is, stelt het college vast om welke specifieke problemen en/of stoornissen het gaat; c. welke vorm van hulp nodig is in vorm, duur, frequentie gelet op de problemen en/of stoornissen die in onderdeel b zijn
6
Aanvulling van de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. De afwegingsfactoren dienen, volgens artikel 2.9 van de Jeugdwet, in de verordening opgenomen te worden. Dit betreffen de stappen van de Centrale Raad van Beroep. Jurisprudentie (ECLI:NL:CRVB:2024:1095 / ECLI:NL:CRVB:2024:1096 / ECLI:NL:CRVB:2024:1097) bevestigt dit.
d. e. f. g. h.
i.
j.
Artikel 9
de mogelijkheden van gebruikelijke hulp; de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening; de mogelijkheden om preventieve jeugdhulp te verlenen door gebruik te maken van een algemene voorziening; de mogelijkheden om een individuele voorziening te verstrekken; de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening kan worden afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen; hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienst, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en de ouder(s), en; de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de jeugdige of de ouder(s) in begrijpelijke bewoording worden ingelicht over de gevolgen van die keuze.
d.
e.
f.
g.
vastgesteld. De hulp moet voldoen aan de vereisten van artikel 2.3 lid 1 en lid 4 van de wet; als vaststaat welke hulp nodig is, beoordeelt het college welke eigen bijdrage de jeugdige, de ouder(s) en het sociale netwerk hierin kunnen leveren. De beoordeling hiervan is uitgewerkt in artikel 12 van deze verordening; als de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen zoals genoemd in onderdeel d onvoldoende zijn, zet het college een individuele voorziening in, tenzij jeugdige en/of ouder(s) aanspraak kunnen maken op een voorliggende voorziening of algemene voorziening; als het college gelet op het bovenstaande een individuele voorziening moet inzetten, dan kan deze worden verstrekt als zorg in natura of als pgb. Het college informeert jeugdige en/of ouder(s) over de mogelijkheden om een pgb aan te vragen en geeft uitleg over wat de regels, gevolgen en verantwoordelijkheden zijn van een pgb. Hierin heeft de jeugdige en/of ouder(s) volledige keuzevrijheid; als de jeugdige en/of ouder(s) in aanmerking willen komen voor een pgb, beoordeelt het college deze aan de hand van de criteria genoemd in artikel 8.1.1 lid 2 van de wet en Hoofdstuk 6 van deze verordening.
In de verordening 2026 wordt verwezen naar artikelen in de wet en in deze verordening. Hierdoor is helder op welke manier het onderzoek naar een individuele voorziening plaatsvindt.
3. Als de jeugdige en de ouder(s) een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de wet hebben opgesteld, bekijkt het college dat bij het onderzoek, zoals bedoeld in artikel 8 eerste lid van deze verordening. 5. Het college kan in overleg met de jeugdige of de ouder(s) afzien van een gesprek.
6. Als de jeugdige en/of zijn ouder(s) een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de wet aan het college hebben overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek.
‘Bekijken’ van een familiegroepsplan draagt onvoldoende bij aan een het onderzoek. Dit is verandert in ‘betrekken’.
-
-
7. Het college kan nadere regels opstellen over de inhoud van het onderzoek en de manier waarop het onderzoek wordt uitgevoerd.
Artikel 9. Ondersteuningsplan toegang jeugdhulp via de gemeente 1. Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek.
Artikel 9. Ondersteuningsplan 1. Het college verstrekt aan de jeugdige en/of zijn ouder(s) een schriftelijke verslaglegging van het uitgevoerde onderzoek en het in verband daarmee gevoerde gesprek, zoals bedoeld in artikel 8 van deze verordening. -
Verwijderen artikel 8 lid 5: het gesprek is onderdeel van het onderzoek. Om die reden kan er niet van worden afgeweken. Toevoeging lid 6: in de verordening 2025 stond in artikel 20 lid 5 een algemene delegatiebepaling naar het college. Zo’n algemene delegatiebepaling is juridisch gezien niet toegestaan. Er is per artikel bekeken waarover het college nadere regels kan stellen. Aanpassing artikel 1: gesprek toegevoegd als onderdeel van het onderzoek, volgend uit artikel 8.
2. Het college geeft aan de jeugdige of de ouder(s) een ondersteuningsplan van de uitkomsten van het onderzoek, behalve als ze dit niet wensen.
7
Verwijdering lid 2: het ondersteuningsplan is, volgend uit artikel 10 lid 5, onderdeel van de beschikking. Bij het onderzoek wordt altijd een ondersteuningsplan opgesteld.
Artikel 11 Artikel 10
Toevoeging lid 3: De voorwaarde van ondertekening en terugsturen van het verlag ziet op het compleet maken van de aanvraag. De ondertekening is een vormvoorschrift voor de aanvraag (artikel 4.2 eerste lid, Awb). Daarnaast moet ook duidelijk zijn wat er precies wordt aangevraagd (artikel 4.2 eerste lid onder c, Awb). De oorspronkelijke hulpvraag hoeft immers niet hetzelfde te zijn als de jeugdhulpvoorziening die uiteindelijk nodig is en wordt aangevraagd. Toevoeging lid 1: een individuele voorziening wordt altijd toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking. Deze verplichting vloeit ook voort uit de Awb en is om die reden in deze verordening opgenomen.
-
3. Als uit het ondersteuningsplan of de opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(s) blijkt dat een individuele voorziening noodzakelijk is, wordt het verslag ondertekend door de jeugdige of de jeugdige en zijn ouder(s) en door deze teruggestuurd.
Artikel 11. Beschikking toegang jeugdhulp via de gemeente -
Artikel 10. Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening 1. Het college legt het besluit op een aanvraag voor een individuele voorziening vast in een beschikking..
1. In de beschikking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt.
2. In de beschikking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt ook aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.
Wijziging lid 2: in de beschikking dient aangegeven te worden hoe bezwaar tegen de beschikking gemaakt kan worden. Voor transparantie aan de verordening toegevoegd.
3f. indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn, en;
-
Onderdeel f verwijderd: kan risico’s opleveren, omdat het afdwingbaar kan worden.
5. Het ondertekende ondersteuningsplan, zoals bedoeld in artikel 9 van deze verordening, wordt als bijlage bijgevoegd bij de beschikking.
Toevoeging lid 5: wijziging in de werkwijze. Door het ondersteuningsplan als bijlage bij de beschikking te voegen, maken de resultaten en doelstellingen als gesteld in het ondersteuningsplan ook onderdeel uit van de werkwijze. In gevallen waar onmiddellijke start van de hulp nodig is (en het besluit niet kan worden afgewacht) kan het besluit tot inzet van een individuele voorziening genomen worden na de daadwerkelijke start van de hulp. Voor het besluit en de beschikking is in de Verordening een termijn van vier weken toegevoegd.
4f. op welke andere voorzieningen mogelijk aanspraak bestaat, en;
6. In het geval dat hulp is ingezet in spoedeisende gevallen legt het college de beslissing omtrent de inzet van hulp zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschikking.
8
Hoofdstuk 5. Criteria voor toekenning van een individuele voorziening Wijziging in artikel Artikel 2 Artikel 11
Was (tekst in de Verordening Hart voor de Jeugd 2025)
Wordt (tekst in de Verordening Hart voor de Jeugd 2026)
Reden wijziging/aanpassing/ toevoeging/verwijderen
Artikel 2. Criteria Individuele voorziening 1. Wanneer sprake is van opgroei- of opvoedingsproblematiek die een bedreiging kan vormen voor een veilige cognitieve, sociale, emotionele of lichamelijke ontwikkeling van de jeugdige kan een individuele voorziening worden toegekend. Bij het bepalen van de mate van de opgroei- of opvoedingsproblematiek wordt gebruik gemaakt van het ordeningsprincipe Kind in Fryslân.
Artikel 11. Criteria voor toekenning van een individuele voorziening 1. Een jeugdige en/of ouder komt in aanmerking voor een individuele voorziening als het college van oordeel is dat de jeugdige en/of ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en/of opvoedingsproblematiek, psychische problemen en/of stoornissen en voor zover a. de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen, als bedoeld in artikel 12 van deze verordening, ontoereikend zijn; en b. gebruikmaking van een algemene voorziening, als bedoeld in artikel 2 van deze verordening; of c. gebruikmaking van een overige voorziening, als bedoeld in hoofdstuk 6 van deze verordening deze noodzaak niet kan verminderen of wegnemen. Bij het bepalen van de mate van de opgroei- en/of opvoedingsproblematiek wordt gebruik gemaakt van het ordeningsprincipe Kind in Fryslân.
Dit lid bevat de algemene beoordelingscriteria om in aanmerking te komen voor een individuele voorziening op grond van de wet.
2. Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en er wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie. Er is sprake van bewezen effectieve voorzieningen als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(s) zijn opgenomen als zijnde ‘erkend’ in: a. de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut; b. de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden; c. de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg). 3. Een andere of overige voorziening kan de noodzaak voor een individuele voorziening verminderen of wegnemen als deze (a) daadwerkelijk beschikbaar is en (b) passend en toereikend is voor de hulpvraag.
Toevoegen lid 2: een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen, mag door het college geweigerd worden indien deze geen toegevoegde waarde heeft t.o.v. beschikbare voorzieningen (ECLI:NL:CRVB:2018:2785 en ECLI:NL:CRVB:2022:254).
2. Jeugdigen en ouder(s) komen alleen in aanmerking voor een individuele voorziening als zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag: a. binnen hun eigen mogelijkheden en hun probleemoplossende vermogen; b. door gebruik te maken van een algemene voorziening; c. door gebruik te maken van een andere voorziening; d. door gebruik te maken van een aanvullende verzekering die ouder(s) hiervoor hebben afgesloten.
-
4. Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de meest adequate, tijdig beschikbare en goedkoopste voorziening.
9
Dit lid bepaalt dat er eerst wordt gekeken naar de mogelijkheid om de noodzaak voor de inzet van jeugdhulp te verminderen of weg te nemen met een andere of overige voorziening, voordat een individuele voorziening wordt ingezet. Daarmee is een individuele voorziening het laatste vangnet. Voorwaarde is wel dat deze voorziening daadwerkelijk beschikbaar is en passend en toereikend is voor de hulpvraag.
Toevoegen lid 4: als een individuele voorziening nodig is, kiest de gemeente de goedkoopst adequate voorziening. Het is van belang dat de jeugdige hier tijdig gebruik van kan maken. Dit betreft een individuele beoordeling van de situatie van de jeugdige en het gezin.
Artikel 3 Artikel 12
Artikel 3. Gebruikelijke hulp en boven-gebruikelijke hulp
Artikel 12. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen 1. Het college onderzoekt of een jeugdige en/of zijn ouder(s) (deels) in staat zijn om zelf de problemen op te lossen, eventueel met hulp van hun sociale netwerk. Het college zet geen voorziening in als sprake is van eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen.
9. Het sociaal netwerk bestaat uit personen in de huiselijke kring of andere personen met wie de jeugdige een sociale relatie heeft.
2. Tot het sociale netwerk behoren andere personen binnen de kring van familie, vrienden, kennissen en bekenden die van betekenis zijn voor- en bijdragen aan het welzijn en welbevinden van de jeugdige en/of zijn ouder(s).
10. Onder ‘huiselijke kring’ wordt verstaan familieleden, huisgenoten, de (vroegere) echtgenoot of mantelzorgers, de gezaghebbende ouder bij wie de jeugdige niet feitelijk verblijft/woont.
Artikel 3 lid 2 artikel 12 lid 4
11. Met ‘andere personen met wie de aanvrager/belanghebbende een sociale relatie heeft’ wordt bedoeld: mensen met wie regelmatig contact wordt onderhouden. 1. …
3. ….
2. Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de ouder(s) en/of andere verzorger(s) of opvoeder(s). Ouder(s) zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor het gezond en veilig opgroeien van hun kind(eren) en daarbij verplicht om verzorging, voeding, begeleiden en toezicht te bieden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij gebruikelijke hulp gaat het ook om activiteiten die niet bij alle kinderen noodzakelijk zijn, maar die wel als gangbare hulp van de ouder(s) aan kinderen wordt aangemerkt. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont.
4. Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de ouder(s) en/of andere verzorger(s) of opvoeder(s). Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen neemt het college, gelet op het bepaalde in artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van hun kind(eren) bij ouder(s) zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden en daarbij verplicht zijn om verzorging, voeding, begeleiding en toezicht te bieden. Dit geldt ook als er sprake is van ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont.
10
Toevoeging lid 1: artikel 2.3 van de wet legt als uitgangspunt vast dat het college op grond van de wet alleen een voorziening moet treffen als de jeugdige en zijn ouder(s) er op eigen kracht niet uitkomen. Pas als zij zelf – zo nodig met hulp van het sociale netwerk en/of andere hulpverlenende instellingen – niet in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, moet e gemeente hulp bieden. Wat onder eigen mogelijkheden valt, is niet precies in de wetgeving bepaald. Het is aan gemeenten zelf om dit begrip verder in te vullen in de verordening (ECLI:NL:CRVB:2024:1095 / ECLI:NL:CRVB:2024:1096 / ECLI:NL:CRVB:2024:1097). Aanpassing lid 9-11 (2025) lid 2 (2026): dit lid geeft nadere invulling welke personen onder het sociaal netwerk van de jeugdige of zijn ouders gerekend worden.
Aanpassing lid 2 (2025) lid 4 (2026): uitgangspunt dat verantwoordelijkheid in eerste instantie bij ouders ligt is onderbouwd met een verwijzing naar het Burgerlijk Wetboek.
3. Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de noodzakelijke hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Het college houdt hierbij rekening met de volgende factoren: de leeftijd van de jeugdige; de mate van zorg bij activiteiten en handelingen; de mate van toezicht en begeleiding/stimulans die een jeugdige van dezelfde leeftijd nodig heeft; de aard en de duur van de hulp en de noodzakelijke ondersteuningsintensiteit van de jeugdige; de mate van planbaarheid van de hulp; de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige.
5. Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Bij beoordeling hiervan wordt aangesloten bij de uitgangspunten voor gebruikelijke zorg uit paragraaf 6.3 van de Indicatiestelling voor de Jeugd-GGZ zoals deze luidden op 21 januari 2013. Het college houdt hierbij rekening met de volgende factoren: a. de leeftijd van de jeugdige; b. de mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft; c. de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige; d. de mate van planbaarheid van de hulp; e. de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige.
Aanpassing lid 3 (2025) lid 5 (2026): om duidelijk weer te geven wat de afwegingsfactoren zijn bij het bepalen of er sprake is van gebruikelijke hulp, wordt aangesloten bij paragraaf 6.3 van de Indicatiestelling voor de Jeugd-GGZ.
4. Het college verstrekt geen individuele voorziening als de hulpvraag alleen ziet op een vorm van ontlasting van de ouder(s) vanwege het bieden van gebruikelijke hulp.
6. Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt het college geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.
Aanpassing lid 4 (2025) lid 6 (2026): hulp in verband met overbelasting is toegevoegd, in uitzonderingsgevallen in te zetten.
5. Als de noodzakelijk geboden hulp de gebruikelijke hulp overstijgt is er sprake van boven-gebruikelijke hulp.
7. Als de noodzakelijk geboden hulp de gebruikelijke hulp overstijgt is er sprake van boven-gebruikelijke hulp. Bovengebruikelijke hulp valt onder de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen zo lang ouders zonder problemen in staat en beschikbaar zijn om de bovengebruikelijke hulp te bieden.
Aanpassing lid 5 (2025) lid 7 (2026): bovengebruikelijke hulp kan in beginsel van ouder(s) worden verwacht, zo blijkt uit jurisprudentie (ECLI:CRVB:2019:2362).
6. Er bestaat recht op een individuele voorziening als er sprake is van boven-gebruikelijk hulp die in de gegeven omstandigheden niet van ouder(s) verwacht kan worden. Of de boven-gebruikelijke hulp van ouder(s) verwacht mag worden onderzoekt het college aan de hand van de volgende factoren: of de ouder(s) in staat is/zijn de noodzakelijke hulp te bieden; het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouder(s); vaardigheden van de ouder(s) om zelf hulp te bieden; is/zijn de ouder(s) beschikbaar om de noodzakelijke hulp te bieden?; levert het bieden van de hulp door de ouder(s) geen overbelasting op bij hem/haar/hen; kan (dreigende) overbelasting worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten?;
8. Bij bovengebruikelijke hulp beoordeelt het college of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden. Het college maakt hierbij onderscheid tussen kortdurende en langdurige situaties: Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar. Langdurend: het gaat om (een) chronische situatie(s) waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar.
11
Toevoeging lid 8-11: er wordt onderscheid gemaakt tussen kortdurende en langdurige situaties om de mate van bovengebruikelijke hulp te beoordelen. Ook wordt een beoordelingskader voor (dreigende) overbelasting gegeven.
-
-
blijft/blijven de ouder(s) de boven-gebruikelijke hulp zonder vergoeding bieden?; komt/komen de ouder(s) niet in de (financiële) problemen als zij de boven-gebruikelijke hulp zonder vergoeding bieden?; hoe is de gezinssamenstelling en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijke stiefouder of niet).
7. Als na onderzoek blijkt dat de boven-gebruikelijke hulp in de gegeven omstandigheden verwacht kan worden is er sprake van voldoende eigen mogelijkheden en probleem oplossend vermogen. Het college verstrekt in dat geval geen individuele voorziening. 8. Bij het verstrekken van een individuele voorziening voor bovengebruikelijk hulp, moet de voorziening erop zijn gericht het probleemoplossend vermogen en eigen mogelijkheden te vergroten.
9. Het college verwacht van ouder(s) dat zij in kortdurende situaties de bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij bovengebruikelijke hulp gelet op de aard van de hulp niet verwacht mag worden van ouder(s) of er sprake is van (dreigende) overbelasting. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige. 10. Bij de beoordeling van de bovengebruikelijke hulp in langdurige situaties houdt het college rekening met de volgende factoren: a. de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige; b. de planbaarheid van de hulp; c. de samenstelling van het gezin; d. de woonsituatie; e. het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouders; f. vaardigheden van de ouder(s) om zelf hulp te bieden; g. welke verplichtingen de ouder(s) hebben, bijvoorbeeld sociale verplichtingen of werk; h. het belang van ouders om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen; i. is er een sociaal netwerk en zo ja, wat zijn de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk om de jeugdige en/of zijn ouders te ondersteunen; j. overige individuele omstandigheden die door jeugdige en ouder(s) worden ingebracht. 11. Bij (dreigende) overbelasting geldt dat: a. Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige; b.
Als de overbelasting ziet op spanningen door het werk of door andere factoren buiten de zorg van de jeugdige om, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen. Bij een aanvraag voor een individuele voorziening bekijkt het college wat er wordt gedaan om die spanningen te verminderen; c. Als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale activiteiten, wordt dit eerst van de ouder verwacht. Het verlenen van hulp aan het kind gaat voor op sociale activiteiten; d. Een pgb voor het verlenen van hulp aan een jeugdige door een ouder wordt beëindigd als er sprake is van (dreigende) overbelasting. Een andere zorgverlener moet het verlenen van hulp overnemen om de overbelasting te stoppen.
12
Artikel 13
-
14. Als de jeugdige en/of de ouders een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoedt, wordt van ouders verwacht dat zij deze aanspreken. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed.
-
Artikel 13. Vervoer 1. Uitgangspunt is dat ouder(s) zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder. 2. Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt. 3. Een vervoersvoorziening wordt alleen aan de jeugdige toegekend als naar oordeel van het college is aangetoond dat er een noodzaak bestaat tot inzet van deze voorziening. 4. Het college beoordeelt, overeenkomstig artikel 12 van deze verordening, in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en/of zijn ouder(s) onvoldoende zijn om de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer op zich te nemen. 5. Het college kan nadere regels vaststellen over (de toekenning van) vervoersvoorzieningen.
13
Toevoeging lid 14: een aanvullende verzekering is geen voorliggende voorziening, maar een particuliere overeenkomst. Om die reden is in dit lid apart opgenomen dat als jeugdige en/of ouder(s) aanvullend verzekerd zijn en daarmee het probleem opgelost kan worden, er voldoende probleemoplossend vermogen is. Artikel 13 is in totaliteit een toevoeging t.o.v. verordening 2025. In artikel 2.3, tweede lid van de Wet is bepaald dat voorzieningen op het gebied van jeugdhulp ook het vervoer naar en van de locatie waar de jeugdhulp geboden wordt omvatten. In dit artikel worden de uitgangspunten hiervoor geregeld.
Hoofdstuk 6. Regels voor een individuele jeugdhulpvoorziening in de vorm van een pgb Wijziging in artikel Artikel 14
Was (tekst in de Verordening Hart voor de Jeugd 2025)
Wordt (tekst in de Verordening Hart voor de Jeugd 2026)
Reden wijziging/aanpassing/ toevoeging/verwijderen
-
Toevoeging lid 1: dit lid concretiseert de wettelijke verleningsvoorwaarden die staan opgenomen in artikel 8.1.1 van de wet.
Artikel 12 lid 1 Artikel 14 lid 2
1. Een pgb wordt verstrekt door het college op basis van een pgbplan waarin minimaal de volgende onderdelen zijn benoemd: a. een probleemanalyse; b. de motivatie door jeugdige of de ouder(s) waarom een individuele voorziening in de vorm van ZIN niet past; c. eigen kracht bij eigen inzet van de ouder(s) en het netwerk of de familie; d. de bedoelde resultaten van de hulpverlening en ondersteuning; e. waar en hoe de budgethouder de hulp en ondersteuning zal inkopen; f. hoe de kwaliteit van de hulp en ondersteuning verzekerd is; g. de verwachte dan wel gewenste omvang en duur van de ondersteuning, en; h. een begroting.
Artikel 14. Regels om in aanmerking te komen voor een pgb 1. Het college kan een individuele voorziening verstrekken in de vorm van een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1. van de wet. Een pgb kan worden verstrekt indien: a. de jeugdige en/of ouder(s), al dan niet met hulp uit hun sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde, in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; b. de jeugdige en/of ouder(s) overtuigend kunnen motiveren waarom zij de individuele maatwerkvoorziening die door een gecontracteerde zorgaanbieder wordt geleverd niet passend achten; c. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die de jeugdige en/of ouder(s) willen betrekken van een zorgaanbieder of een persoon die behoort tot het sociale netwerk van goede kwaliteit is. 2. Als een jeugdige en/of zijn ouder(s) in aanmerking komen voor een individuele voorziening, maar de jeugdhulp zelf wensen in te kopen door middel van een pgb, dienen de jeugdige en/of zijn ouder(s) daartoe een pgb-plan in. In het pgb-plan is opgenomen: a. een probleemanalyse; b. de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente volgens de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet passend is en een pgb gewenst is; c. de eigen kracht bij de inzet van ouder(s) en het netwerk of de familie; d.
welke jeugdhulp de jeugdige en/of zijn ouder(s) willen inkopen met een pgb, wat het beoogde resultaat is en wanneer en hoe wordt geëvalueerd; e. de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt; f. op welke wijze de kwaliteit van de in te kopen jeugdhulp is gewaarborgd; g. de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief (een begroting); h. indien van toepassing, welke jeugdhulp de jeugdige en/of zijn ouder(s) willen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk;
14
Toevoeging lid 2: hoe wordt voldaan aan de pgb-vaardigheid dient opgenomen te worden in het pgb-plan. Op die wijze valt te toetsen of een budgethouder of budgetbeheerder in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren (artikel 8.1.1. tweede lid van de wet).
i.
Artikel 12 lid 10 Artikel 14 lid 5
Artikel 12 lid 3, 6, 12, 14
10. Het pgb-budget is niet bedoeld voor de volgende kosten: a. kosten voor bemiddeling, coördinatie, tussenpersonen of belangenbehartigers; b. kosten voor de uitvoering van taken die horen bij budgetbeheer; c. reiskosten van de hulpverlener; d. bijkomende zorgkosten zoals opleiding, maaltijden en entreegelden; e. kosten ten behoeve van een feestdaguitkering en een eenmalige uitkering.
3. Het college verstrekt geen pgb informele hulp voor: een GGZ- behandeling; specifieke begeleiding; zware dagondersteuning of wonen; crisishulp (spoedeisende jeugdhulp); pleegzorg; jeugdbescherming en jeugdreclassering.
de motivatie aan de hand van de tien punten benoemd in artikel 15 lid 1 van deze verordening waaruit blijkt dat de budgethouder of budgetbeheerder in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. 3. Het pgb-budget is niet bedoeld voor de volgende kosten: a. kosten voor bemiddeling, coördinatie, tussenpersonen of belangenbehartigers; b. kosten voor de uitvoering van taken die horen bij budgetbeheer als het voeren van een pgb-administratie, het aanvragen van het pgb en het beheren van het pgb; c. reiskosten van de hulpverlener; d. besteding van het pgb in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college; e. bijkomende zorgkosten zoals opleiding, maaltijden en entreegelden; f. kosten ten behoeve van een feestdaguitkering of eenmalige uitkering; g. kosten voor vervoer als een jeugdige op grond van artikel 13 van deze verordening naar het oordeel van het college niet in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening; h. kosten voor hulp die direct ingezet moet worden (crisishulp); i. kosten voor de aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG); j. zak- of kleedgeld aan jeugdigen. 4. Onverminderd artikel 8.1.1 lid 2 en artikel 8.1.4 van de wet verstrekt het college geen pgb voor crisishulp. 5.
Voor informele hulp kan alleen een pgb worden verstrekt voor de profielen A: Enkelvoudige Specialistische Jeugdhulp, E: Begeleiding en Ondersteuning en I: Logeren. Dit in verband met de doelmatigheid van de geboden hulp in combinatie met de complexere problematiek in de andere profielen.
Toevoeging sub d: jeugdige of ouders hebben inlichtingenplicht en moet het college vooraf informeren over buitenlands verblijf. Besteding van het pgb in het buitenland mag alleen als hier toestemming voor is gegeven. Toevoeging sub h: bij jeugdhulp in spoedeisende situatie is er nog geen sprake van geïndiceerde jeugdhulp op basis van een onderzoek. Dan is jeugdhulp via pgb nog niet mogelijk. Zodra het onderzoek is afgerond en een individuele voorziening noodzakelijk blijkt, kan jeugdige of ouder wel een verzoek om pgb indienen.
Verwijderen lid 3: in deze opsomming staan vormen van zorg waar wettelijk gezien geen pgb voor wordt verstrekt.
Verwijderen lid 6: bij het verstrekken van een pgb wordt onder andere gekeken of de kwaliteit kan worden gewaarborgd. Het kan dus voorkomen dat voor deze vormen geen pgb wordt verstrekt. Om die reden wordt deze opsomming uit de verordening gehaald.
6. De volgende vormen van pgb zijn beschikbaar: Begeleiding (inclusief persoonlijke verzorging); Specialistische begeleiding; Dagbesteding; Logeren; Vervoer.
Verwijderen lid 12: reiskosten en vervoer zijn opgenomen in lid 5 onder de opsomming waarvoor het pgb-budget niet bedoeld is. Dit lid is daarmee overbodig.
15
Artikel 12 lid 4, 13 Artikel 15
12. In afwijking van artikel 12 het tiende lid onderdeel c van deze verordening kan een deel van het pgb-budget worden aangewend voor reiskosten. Dit is slechts mogelijk met toestemming van het college en als dit niet ten koste gaat van het budget wat noodzakelijk is voor de jeugdhulp zelf. 4. Het college kan nadere regels vaststellen over de aan het pgb verbonden voorwaarden en verplichtingen. 13. Het college mag een pgb weigeren als het pgb wordt beheerd door dezelfde persoon als wie de hulp gaat bieden.
Artikel 15. Pgb-vaardigheid 1. Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen dient de beoogd budgethouder, al dan niet met behulp vanuit het sociaal netwerk, of indien van toepassing, een budgetbeheerder, in ieder geval: a. een duidelijk beeld te hebben van de hulpvraag; b. op de hoogte te zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze zelf (online) weten te vinden; c. in staat te zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden; d. voldoende vaardig zijn om te communiceren met de gemeente, de SVB en de zorgverleners; e. in staat te zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen; f. in staat te zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college; g. in staat te zijn om te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is; h. in staat te zijn de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte; i. in staat te zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren, en; j. voldoende kennis te hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden. 2.
Een budgethouder of budgetbeheerder wordt in beginsel niet in staat geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: a. het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp levert aan de budgethouder; b. er sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: I. schuldenproblematiek; II. ernstige verslavingsproblematiek; III. aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; IV. een aanmerkelijke verstandelijke beperking; 16
Toevoeging artikel 15: volgens artikel 8.1.1. tweede lid van de wet moet een budgethouder of budgetbeheerder in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. De taken die in dit artikel zijn opgenomen zijn afgeleid van het document ’10 punten pgb-vaardigheid’ van het ministerie van VWS. Als een cliënt zelf niet over de vaardigheden als genoemd in lid 1 beschikt, dan kan een vertegenwoordiger de aan het pgb verbonden taken uitvoeren (de budgetbeheerder). De budgetbeheerder dient te voldoen aan de gestelde eisen en wordt getoetst op de aspecten zoals genoemd in lid 1.
V. VI. VII.
Artikel 12 lid 2 Artikel 16
Artikel 12 lid 5 Artikel 17 lid 1
2. In het kader van pgb maakt het college onderscheid tussen formele en informele hulp: a. Van formele hulp is sprake als de hulp wordt verleend door: I. personen die werkzaam zijn bij een instelling en die voor het uitvoeren van de pgb taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (volgens artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die relevante diploma’s hebben die nodig zijn voor het doen van hun taken, of; II. personen die een Zelfstandige zonder personeel zijn. Daarnaast moeten ze voor het uitvoeren van de pgb taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (volgens artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor het uitoefenen van de taken, of; III. personen die ingeschreven staan in het register, zoals bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIGregister) of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet voor het uitvoeren van jeugdhulp. b. Als de jeugdhulp geboden wordt door het sociaal netwerk van de budgethouder, is altijd sprake van informele hulp. c. Als de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in artikel 12 het tweede lid onderdeel a van deze verordening, is sprake van informele hulp. Dit geldt ook voor een beroepskracht die niet voldoet aan de gestelde eisen. 5. De hoogte van het pgb-tarief: a.
is afgestemd op een door de jeugdige of de ouder(s) opgesteld pgb-plan over hoe zij het pgb gaan besteden;
een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis; het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift; VIII. het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag. Artikel 16. Onderscheid formele en informele hulp 1. In het kader van pgb maakt het college onderscheid tussen formele en informele hulp.
Splitsing van het lid vanwege de leesbaarheid.
2. Van formele hulp is sprake als de jeugdhulp verleend wordt door a. personen die werkzaam zijn bij een instelling en die voor het uitvoeren van de pgb taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister, conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007, en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor de uitvoering van de desbetreffende taken; b. personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister, conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007, en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; c. personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp. 3. Van informele hulp is sprake als de jeugdhulp verleend wordt a. door een bloed- of aanverwant in de eerste- of tweede graad van de budgethouder; b. door het sociaal netwerk van de budgethouder; c. door een ander persoon dan beschreven in het tweede lid. Dit geldt ook voor een beroepskracht die niet voldoet aan de gestelde eisen.
Artikel 17. Hoogte van een pgb 1. De hoogte van het pgb voor formele jeugdhulp bedraagt 80% van het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura.
17
In de verordening moet worden bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld (artikel 2.9, onderdeel c van de wet). Daarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn om de benodigde hulp in te kopen.
b. Artikel 12 lid 78 Artikel 17 lid 23, 5-7
is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg in te kopen.
7. De tarieven voor het pgb jeugd voor formele hulp zijn gebaseerd op de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) pgb-tarieven, dit is 90% van de ZIN tarieven (Wmo). Deze worden jaarlijks vastgesteld door het college. De tarieven zijn berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatieve goede diensten en zorg in te kopen. 8. Het pgb-tarief voor informele ondersteuning bedraagt maximaal het uurloon van de passende loonschaal uit de geldende CAO Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg (VVT) (hoogste periodiek, inclusief vakantietoeslag en tegenwaarde van verlofuren).
Artikel 12 lid 9 Artikel 17 lid 4
9. Het pgb-tarief bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in deze situatie goedkoopste individuele voorziening op basis van ZIN van de gemeente Opsterland.
2. Het tarief voor formele hulp is lager als op basis van het door de jeugdige en/of ouder(s) ingediende pgb-plan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht. 3. Als het op basis van lid 1 vastgestelde pgb voor formele hulp in een individueel geval onvoldoende is om de passende jeugdhulp te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één jeugdhulpaanbieder kan worden ingekocht. 4. De hoogte voor het pgb voor informele jeugdhulp bedraagt: a. 100% van het wettelijk minimumloon, inclusief 8% vakantiebijslag, voor een persoon van 21 jaar of ouder met een 36-urige werkweek; b. de vergoeding bij informele ondersteuning in de vorm van Logeren bedraagt, conform de ministeriële regeling voor hulp uit het sociaal netwerk (te betalen uit een pgb), maximaal €141,-- per kalendermaand. 5. De tarieven voor het pgb worden jaarlijks geïndexeerd, waarbij: a. de indexering wordt berekend uit de som van het geprognotiseerde percentage voor het komende jaar (t+1) en het verschil tussen het in het voorgaande jaar (t-1) geprognosticeerde percentage voor het lopende jaar (t) en het definitieve percentage voor het lopende jaar (t). De percentages zijn verschillend voor loonkosten en materiële kosten; en b.