Bijlage 1 - Ureterp - Fûgelliet Noord_ontwerp_2_compressed (1)
Tekst van het document
Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Toetsing In dit plan wordt de realisatie van 28 woningen toegestaan. De conclusie is dan ook dat dit plangebied, niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op basis van artikel 5.16, lid 1, aanhef en onder c kan het plan zonder nader onderzoek doorgang vinden.
Conclusie Vanuit het omgevingsaspect luchtkwaliteit is er geen belemmering voor de ontwikkeling in het plangebied.
4.8
Archeologie
Toetsingskader
36/252
Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. De wet verplicht gemeenten bij het opstellen van ruimtelijke plannen en plannen rekening te houden met de in hun bodem aanwezige waarden. Voor een globaal inzicht in mogelijke waarden heeft de provincie de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) gepubliceerd. De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd-bronstijd (300.000 - 800 v.Chr.), en één voor de periode ijzertijd - middeleeuwen (800 v.Chr. - 1500 n.Chr.). Toetsing Volgens de FAMKE zijn er in het plangebied mogelijk archeologische waarden aanwezig. Voor de periode Middeleeuwen wordt bij ontwikkelingen groter dan 5.000 m2 nader onderzoek aanbevolen.
Voor de periode Steentijd-Bronstijd wordt waarderend onderzoek naar vuursteenvindplaatsen aanbevolen. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan Ureterp Kom (waar het plangebied deel van uitmaakt), is met behulp van de FAMKE gekeken of er (mogelijke) archeologische waarden aanwezig zijn in het plangebied. In dit bestemmingsplan wordt verwezen naar een archeologische quickscan die in het kader van de ontwikkeling van de woonlocatie het Fûgelliet en de sportvelden is uitgevoerd. Door middel van grondboringen is in beeld gebracht of er mogelijk archeologische waarden in het gebied voorkomen. Uit dat onderzoek is gebleken dat het in het plangebied aanwezige podzolprofiel op vrijwel alle boorlocaties verstoord is. Tijdens het veldwerk zijn bovendien geen archeologische vondsten gedaan of andere archeologische indicatoren aangetroffen. Hoewel dus volgens de FAMKE sporen uit de Middeleeuwen verwacht kunnen worden, zijn hiervoor geen aanwijzingen aangetroffen. Op grond van de slechte kwaliteit van het bodemprofiel is destijds geconcludeerd dat de kans op onverstoorde archeologische grondsporen vrij klein is. Op grond van deze bevindingen is een dubbelbestemming ter bescherming van de archeologische waarden destijds niet opgenomen.
Omdat er inmiddels nadere eisen gelden ten aanzien van archeologisch onderzoek, waarbij meer boringen per m2 worden gezet, en gezien de mogelijke aanwezigheid van een vuursteenvindplaats aan de noordzijde van het plangebied, is ter plaatse van de nieuwbouwlocatie een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat er in het plangebied geen archeologische waarden aanwezig zijn. Het rapport is als Bijlage 7 opgenomen. Conclusie Vanuit het omgevingsaspect archeologie is er geen belemmering voor de ontwikkeling in het plangebied.
4.9
Cultuurhistorie
Toetsingskader
37/252
Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Toetsing De ontwikkeling van de 28 woningen is gepland op een locatie die een invulling als agrarische gronden kent. Er zijn geen cultuurhistorische waarden waarmee bij de planontwikkeling rekening dient te worden gehouden. Conclusie Vanuit het omgevingsaspect cultuurhistorie is er geen belemmering voor de ontwikkeling in het plangebied.
4.10 Externe veiligheid Toetsingskader Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Sinds een aantal jaren is er wetgeving over 'externe veiligheid' om de burger niet onnodig aan te hoge risico's bloot te stellen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het externe veiligheidsbeleid heeft vorm gekregen in de risicobenadering. Er wordt getoetst aan twee verschillende normen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Ten aanzien van het plaatsgebonden risico geldt een kans van 10-6 als grenswaarde. Dit betekent dat binnen de zogenaamde PR 10-6-contour geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden toegestaan. Voor ontwikkeling van nieuwe beperkt kwetsbare objecten, geldt deze norm als streefwaarde. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen.
Toetsing Om te bepalen of in en in de nabijheid van het plangebied risicovolle objecten aanwezig zijn die het plan kunnen belemmeren, is de risicokaart geraadpleegd (zie figuur 4.2). Volgens die risicokaart zijn er in en in de nabijheid van het plangebied geen gevaarzettende functies aanwezig. Naast Bevi-inrichtingen zijn ook transportroutes voor gevaarlijke stoffen en gastransportleidingen van belang in het kader van de externe veiligheid. Deze zijn niet in of in de omgeving van dit plangebied aanwezig.
38/252
Figuur 4.2
Risicokaart plangebied
Aangezien er in en in de nabijheid van het plangebied geen gevaarzettende functies, routes en leidingen aanwezig zijn, zijn er met betrekking tot externe veiligheid geen negatieve effecten op dit bestemmingsplan. Conclusie Vanuit het omgevingsaspect externe veiligheid is er geen belemmering voor de ontwikkeling in het plangebied.
4.11 Kabels en leidingen Toetsingskader In (de omgeving van) het plangebied kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die beperkingen opleggen voor de bouwmogelijkheden in het plangebied. Hierbij valt te denken aan hoogspanningsverbindingen, waterleidingen en straalpaden. Bij leidingen, zoals gas-, water- en rioolpersleidingen, volgen deze belemmeringen uit het zakelijk recht. Bij hoogspanningsverbindingen gaat het om veiligheid en gezondheid. De beperkingen bij straalpaden zijn van belang voor het goed functioneren van de straalpaden. Toetsing In het plangebied zijn geen kabels en leidingen aanwezig die een planologische bescherming nodig hebben. Conclusie Vanuit het omgevingsaspect kabels en leidingen is er geen belemmering voor de ontwikkeling in het plangebied.
4.12 M.e.r.-beoordeling Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze
39/252
activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven.
Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden. Toetsing In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r. beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op de oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 28 woningen. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent wel dat er een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is als Bijlage 8 aan het ontwerpbestemmingsplan toegevoegd. Conclusie Uit de m.e.r.-beoordeling blijkt dat het plan niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen leidt. Het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure is niet noodzakelijk.
40/252
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische toelichting
Het juridisch systeem
Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen conform de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, digitaal en analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld conform deze standaarden. Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.
5.2
Toelichting op de bestemmingen
In deze paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen zoals deze op de verbeelding en in de regels zijn opgenomen, beschreven. Qua regeling is in dit bestemmingsplan zoveel mogelijk aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan Ureterp-Kom. Waar nodig zijn deze regels toegespitst op het plangebied. Groen De groenstrook tussen de nieuwe woonwijk en de Griene Leane krijgt in dit plan een groenbestemming. Hiermee wordt aangesloten bij de systematiek in het bestemmingsplan Ureterp Kom waarin groengebieden specifiek zijn bestemd. Verkeer - Verblijf De ontsluitingsstructuur in het plangebied is vastgelegd door middel van de bestemming 'Verkeer - Verblijf'. Naast straten en paden vallen onder deze bestemming ook onder andere parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen en waterlopen. Water Omdat er door de ontwikkeling in het plangebied een aanzienlijke toename van verharding plaatsvindt, wordt aan de oostkant van het plangebied een waterpartij gerealiseerd. Deze is aangeduid met de bestemming 'Water'. Hiermee wordt geborgd dat er ruimte is voor watercompensatie in het plangebied. Wonen De woningen in het plangebied vallen onder de bestemmingen 'Wonen'. Het betreft hier de woningen en de bijbehorende tuinen en erven. De bouwregels maken onder andere onderscheid tussen hoofdgebouwen enerzijds en aan- en uitbouwen en bijgebouwen anderzijds.
41/252
Gebouwen en overkappingen dienen binnen de op de kaart aangegeven bouwvlakken te worden gebouwd. Voor hoofdgebouwen binnen de bestemming 'Wonen' geldt een maximale goothoogte van 7 meter. Dit is middels een aanduiding 'maximum goothoogte (m)' op de verbeelding aangegeven evenals de minimale en maximale dakhelling (30-60 graden). Voor de bouwwerken op het perceel geldt dat maximaal 50% van het bouwperceel bebouwd mag worden. Het maximaal aantal te bouwen woningen per bouwvlak is aangegeven op de verbeelding. Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen moeten in het bouwvlak worden gebouwd. Met betrekking tot de situering van deze gebouwen is de regeling afgestemd op de regeling van de Wabo met betrekking tot omgevingsvergunningsplichtige en vergunningsvrije bouwactiviteiten. De gezamenlijke oppervlakte voor de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een hoofdgebouw is maximaal 100 m² waarbij de gezamenlijke oppervlakte maximaal 50% van de oppervlakte van het bouwperceel achter de naar de weg gekeerde gevel mag zijn, min de oppervlakte van het hoofdgebouw. Binnen de bestemming 'Wonen' is naast de woonfunctie een aan-huis-verbonden-beroep toegestaan.
42/252
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het bestemmingsplan doorloopt de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) vastgelegde bestemmingsplanprocedure. Tijdens deze procedure zijn er verschillende momenten waarop burgers en belanghebbenden hun mening op het plan kenbaar kunnen maken. De bestemmingsplanprocedure geeft inzicht in het draagvlak en daarmee de maatschappelijke uitvoerbaarheid van een plan. In verband met de beoogde ontwikkeling van het plangebied heeft de initiatiefnemer de buurt geinformeerd over de voorgenomen plannen. In bijlage 9 is omschreven hoe deze participatie wordt aangepakt. Vooroverleg Het concept-ontwerpbestemmingsplan is voor informeel vooroverleg aan de overlegpartners voorgelegd. Hierop is een reactie binnengekomen van de provincie Fryslân. Deze is opgenomen in bijlage 10. Naar aanleiding hiervan is de woningbehoefte nader onderbouwd en is in de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen om de bomenstructuur te handhaven. Tevens is de stikstofberekening geupdatete. Ontwerpbestemmingsplan De resultaten van het informele vooroverleg zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro). De uitkomsten hiervan kunnen nieuwe niet voorziene uitgangspunten voor het bestemmingsplan geven.
Vaststelling Het bestemmingsplan wordt vervolgens, al dan niet gewijzigd, vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat voor belanghebbenden die eerder een zienswijze hebben ingediend de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de manier van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid De kosten voor de uitvoering van dit plan worden gedragen door de initiatiefnemers. Hiervoor wordt met de gemeente een anterieure overeenkomst gesloten. Hiermee is de financiële haalbaarheid van dit bestemmingsplan geborgd. Grondexploitatie
43/252
Door middel van de grondexploitatieregeling in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) beschikken gemeenten over mogelijkheden voor het verhalen van kosten op derden. Hierbij valt te denken aan kosten voor het bouw- en woonrijp maken en kosten voor het bestemmingsplan. Daarnaast hebben gemeenten sturingsmogelijkheden, omdat in het geval van grondexploitatie door derden diverse eisen en regels gesteld kunnen worden. In de Wro is opgenomen dat voor bouwplannen zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Bro, in verband met het kostenverhaal van de gemeente, in beginsel een exploitatieplan vastgesteld moet worden. Dit bestemmingsplan maakt de bouw van woningen mogelijk. Dit valt onder de bouwplannen zoals bedoelt in het Bro. Omdat de initiatiefnemers de gronden van de gemeente hebben gekocht, zijn de kosten anderszins verzekerd en is het niet nodig om een exploitatieplan vast te stellen.
44/252
Bijlagen toelichting
45/252
46/252
Bijlage 1
47/252
Matenplan
e Lean Grien e
Legenda Exploitatiegebied (opp. circa 14.068m²) Woningen Kavelgrenzen Bouwblok begrenzing Woningbouwkavels Verharding straat (breed 5 m) Verharding parkeren (openbare plaatsen 43 st. op eigen terrein 16 st.) Verharding rondom parkeren Verharding fietspad (breed 3,5 m) Verharding trottoir Groen Water bestaand Water nieuw (ca. 779 m²) Bomen ingemeten (diameter >40cm) Bomen ingemeten te rooien (diameter >40cm) Bomen obv luchtfoto Bomen obv luchtfoto te rooien Nieuw te planten boom
Wylp
38
Wylp
36
Fuggelliet Noord te Ureterp
40
42
Ontwerp openbare ruimte (Bijlage 5a)
44
46
08-05-2023 48
Tekeningnummer: AO2102/5 50
9
Bijlage 2
49/252
Stikstofberekening
- MEMO Memo
DATUM KENMERK VAN
11 april 2023 20210232 Youri Meerstra Denise Rozeboom
PROJECT OPDRACHTGEVER
Woningbouw Ureterp Fugelliet Noord Bouwbedrijf Fokko Reitsma
BIJLAGE(N)
STIKSTOFEMISSIE EN DEPOSITIE INLEIDING In opdracht van de heer F. Reitsma van bouwbedrijf Fokko Reitsma is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor de aanleg- en exploitatiefase van woningbouw aan de noordzijde van de Wylp en ten westen van het nieuwe sportcomplex te Ureterp. In deze berekening is rekening gehouden met diesel aangedreven materieel en verkeersbewegingen als emissiebron. Het voornemen is om aan de noordzijde van de Wylp 28 woningen te ontwikkelen. Het plangebied is momenteel braakliggend en ligt ten noorden van Ureterp. Het gaat hier om 16 rijwoningen, acht twee-onder-één-kapwoningen en vier vrijstaande woningen. Daarnaast worden parkeervoorzieningen voor de aanstaande bewoners aangelegd.
WETTELIJK KADER Algemeen Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 met betrekking tot het Programma Aanpak Stikstof wordt bij vrijwel ieder plan stilgestaan bij de mogelijke stikstofemissie en het effect daarvan op Natura 2000-gebieden. De vervallen Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) Op 2 november 2022 heeft de Raad van State een uitspraak gedaan over de bouwvrijstelling in relatie met stikstofdepositie die per 1 juli 2022 via de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) en het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn) in werking is getreden. De Wsn en de Bsn regelden een vrijstelling voor de vergunningsplicht van artikel 2.7 lid 2 Wnb voor de aanlegfase van bouwwerkzaamheden. Met de uitspraak van 2 november 2022 komt deze bouwvrijstelling (zgn. aanlegfase) te vervallen. Voor ruimtelijke plannen en projecten dient daarom de aanleg- en exploitatiefase meegenomen te worden om te bepalen of er een stikstofdepositie is. In het voorliggende onderzoek zijn de aanleg- en exploitatiefase meegenomen in de berekening.
AERIUS CALCULATOR EN UITGANGSPUNTEN AERIUS Calculator, release 26 januari 2023 Met behulp van de nieuwe release van het rekenprogramma AERIUS-Calculator (release 26 januari 2023) is gekeken naar de depositie op de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden (automatische berekening). Vanuit de AERIUS-Calculator is vervolgens een PDF-bestand met resultaten gegenereerd. In figuur 1 is het plangebied met de daaromheen liggende Natura 2000-gebieden weergegeven. De Natura 2000-gebieden die binnen 25 kilometer van het plangebied zijn gelegen betreffen de Wijnjeterper Schar en de Bakkeveense Duinen. Beide Natura 2000-gebieden betreffen stikstofgevoelige Natura 2000gebieden. Figuur 1: Plangebied met meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden
Exploitatiefase Voor het plan wordt uitgegaan van een gasloze woningen. Er is derhalve geen emissie vanwege het verstoken van aardgas binnen de woningen. Op basis van maximaal zestien rijwoningen, acht twee-onder-één-kapwoningen en vier vrijstaande woningen bedraagt het aantal verkeersbewegingen ten hoogste 213,6 per etmaal (lichte motorvoertuigen). Dit is berekend op basis van CROWkentallen (publicatie 381), zie tabel 1. De verkeersgeneratie op basis van de CROW-kentallen is deels gebaseerd op de omgevingseigenschappen van de locatie en de directe omgeving. De gemeente Opsterland betreft een ‘niet stedelijk’ gebied en de locatie ligt in ‘de rest van de bebouwde kom’. Het aantal verkeersbewegingen per woning van zware motorvoertuigen bedraagt 0,02 mvt/etmaal (CROW publicatie 381). Voor de rijroutes en rijrichtingen is het heersende verkeersbeeld van belang. Het wegverkeer gaat op in het heersende verkeersbeeld als het qua rij- en stopgedrag en intensiteit niet meer te onderscheiden is van het overige wegverkeer. Voor wat
2/5
betreft de lengte van de rijroutes is uitgegaan van twee rijroutes vanaf de ontsluiting van het terrein waar de woningen worden gerealiseerd. De eerste route loopt vanaf de ontsluiting via de Wylp in oostelijke richting naar de Griene Leane. Vanaf de Griene Leane zal in zuidelijke richting naar de Weibuorren worden gereden. Deze weg rijdt centraal door Ureterp en biedt een indirecte aansluiting op beide richtingen van de A7 (richting Groningen en Heerenveen), de N31 (richting Leeuwarden) en de N381 (richting Emmen). De tweede route loopt vanaf de ontsluiting via de Wylp in westelijk richting naar de Reiddomp. Vervolgens zal de route de Reiddomp in zuidelijke richting volgen richting de Weibuorren. Deze biedt dezelfde verbindingen als de eerder genoemde route. Aangezien beide routes aansluitingen bieden aan dezelfde richtingen en beide routes weinig verschillen in afstand wordt uitgegaan van een verkeersverdeling van 50/50. Het aantal verkeersbewegingen per rijroute is weergegeven in tabel 2. Figuur 2: Schematische weergave rijroutes verkeersgeneratie
Tabel 1:
Verkeersgeneratie exploitatiefase
Woningtype
Aantal wooneenheden
Kencijfer CROW per wooneenheid
Koop, huis, vrijstaand
4
8,2
32,8
Koop, huis, twee-onder-één-kap
8
7,8
62,4
Koop, huis, tussen/hoek
16
7,4
118,4
Totaal
28
3/5
Verkeersgeneratie per etmaal
213,6
Tabel 2:
verdeling verkeersgeneratie over rijroutes Verdeling wegverkeer
Wylp – Griene Leane
Verkeersgeneratie per etmaal
50%
106,8
Wylp – Reiddomp
50%
106,8
Totaal
100%
213,6
Aanlegfase Om te verkennen welke effecten kunnen optreden tijdens de aanlegfase is een berekening uitgevoerd. Voor het dieselverbruik is uitgegaan van ervaringsgegevens elders. Het aantal verkeersbewegingen in de aanlegfase bedraagt nooit meer dan het aantal in de exploitatiefase, maar is wel afzonderlijk opgenomen in de berekening. De volgende uitgangspunten voor de aanlegfase zijn gehanteerd: 1. Voor de aanlegfase wordt uitgegaan van 560 verkeersbewegingen (zware motorvoertuigen) per jaar voor de aan- en afvoer van materiaal en machines. Dit zijn 20 verkeersbewegingen per woning per jaar. Voor het vervoer van personeel zijn er 14 verkeersbewegingen per etmaal. Voor de rijroute van het wegverkeer is uitgegaan van een rijroute vanaf het plangebied richting de Griene Leane via de Wylp 2. De aanlegfase van de woningen valt te splitsen in de voorbereiding-/grondwerk en de bouwfase. Gedurende voorbereiding-/grondwerk vindt het bouw- en woonrijp maken plaats. Het gaat hier om de aanleg van de funderingen, rioleringen, bekabeling, wegen, bestrating, straatmeubilair en groenvoorzieningen. Gedurende de bouwfase vindt de daadwerkelijke constructie van de woningen plaats. 3. In de berekening is ook het literverbruik van Adblue in dieselmotoren gespecificeerd.
In combinatie met SCR-technologie (selectieve katalystische reductie) zorgt dit voor reductie van de emissie van stikstofoxide (NOx). Het Adblue verbruik bedraagt ongeveer 7 liter per 100 liter diesel. In de berekening is het Adblue verbruik daarom op 7% van het dieselverbruik gespecificeerd. Het Adblue-verbruik gedurende het voorbereiding-/grondwerk en de bouwfase is opgenomen in de onderstaande tabellen. Tabel 3: Specificatie van het dieselmaterieel aanlegfase activiteit
klasse
dieselverbruik
uren/dag
[liter/uur]
aantal dagen/
totaal diesel-
totaal Adblue
woning
verbruik [liter]
verbruik
woningen (28 stuks) voorbereiding/grondwerk
stage IV, 75-560 kW
20
8
3
13.440
940
bouwfase
stage IV, 75-560 kW
10
8
2
4.480
313
17.920
1.253
Totaal
Omdat het materieel verspreid over het bouwterrein wordt ingezet is de emissie ingevoerd als vlakbron in het plangebied.
4/5
RESULTATEN EN CONCLUSIE In het bijgevoegde PDF-bestand is de ligging van de bronnen en het resultaat weergegeven. Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie nergens hoger is dan afgerond 0,00 mol/ha/jaar en er derhalve geen relevant effect is. Negatieve effecten in de vorm van vermesting en verzuring zijn derhalve niet aan de orde. De aanleg- en exploitatiefase zijn worst-case in dezelfde berekening meegenomen. Voor dit plan geldt geen vergunningplicht op basis van de Wet natuurbescherming (Wnb).
5/5
Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.
Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via:
www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers
Projectberekening
Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie
Activiteit
Omschrijving Toelichting
Berekening
Rho Adviseurs Woningbouw Ureterp Fugelliet Noord, 8911 LH Ureterp Woningbouw Ureterp Fugelliet Noord realisatie 28 woningen Adblue 7%
AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie
RrowfAMPvwLo 11 april 2023, 13:35 Wnb-rekengrid
Totale emissie
Rekenjaar
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
Resultaten
Hoogste bijdrage
Hexagon
Gebied
Woningbouw Ureterp Fugelliet Noord - Beoogd Woningbouw Ureterp Fugelliet Noord - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename Grootste afname
RrowfAMPvwLo (11 april 2023)
2023 -
5,1 kg/j
33,2 kg/j
2/7
Projectberekening
Woningbouw Ureterp Fugelliet Noord (Beoogd), rekenjaar 2023 Emissiebronnen 1 Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning | Aanlegfase Verkeersnetwerk
RrowfAMPvwLo (11 april 2023)
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
4,3 kg/j 0,8 kg/j
20,6 kg/j 12,6 kg/j
3/7
Projectberekening
Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald
Grootste toename (projectberekening) Grootste afname (projectberekening) Hoogste totaal (achtergrond + projectberekening)
De letters bij de bronlabels op de kaart geven bij welke type situaties de bronnen horen: beoogde situatie (B), referentiesituatie (R) en/of salderingssituatie (S). RrowfAMPvwLo (11 april 2023)
4/7
Projectberekening
Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Woningbouw Ureterp Fugelliet Noord" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Berekend (ha gekarteerd)
Totaal
RrowfAMPvwLo (11 april 2023)
-
Hoogste totale Met toename Grootste depositie (mol (ha gekarteerd) toename (mol N/ha/jr) N/ha/jr)
-
-
-
Met afname (ha Grootste gekarteerd) afname (mol N/ha/jr)
-
-
5/7
Projectberekening
Woningbouw Ureterp Fugelliet Noord, Rekenjaar 2023 1
Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning
Naam Locatie Oppervlakte Naam
Aanlegfase X:207999,46 Y:568365,5 1,59 ha
NOₓ NH₃
Stageklasse
Voorbereiding/ Grondwerk
Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja
Bouwfase
Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja
2
13440 l/j 4480 l/j
Rijroute 1 exploitatiefase X:208017,65 Y:568149,81 550,64 m Binnen bebouwde kom (doorstromend) Beide richtingen 1 Normaal 0m
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer
Max. snelheid
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
Wegverkeer | Weg
Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte Verkeer
Rijroute 2 exploitatiefase X:207802,22 Y:568178,29 557,55 m Binnen bebouwde kom (doorstromend) Beide richtingen 1 Normaal 0m
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer
RrowfAMPvwLo (11 april 2023)
Max. snelheid
Draaiuren AdBlue verbruik
672 u/j 940 l/j
Stof Emissie
NOₓ NH₃
Wegverkeer | Weg
Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte Verkeer
3
Brandstofverbruik
20,6 kg/j 4,3 kg/j
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
448 u/j 313 l/j
NOₓ NH₃
14,5 kg/j 3,2 kg/j 6,1 kg/j 1,1 kg/j
Links Rechts NOₓ 5,3 kg/j Type scherm - NO₂ 1,2 kg/j Hoogte - NH₃ 0,4 kg/j Afstand tot de weg - -
Voertuigbewegingen
107,0 p/etmaal 0,0 p/etmaal 0,3 p/etmaal 0,0 p/etmaal
In file
0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %
Links Rechts NOₓ 5,4 kg/j Type scherm - NO₂ 1,2 kg/j Hoogte - NH₃ 0,4 kg/j Afstand tot de weg - -
Voertuigbewegingen
107,0 p/etmaal 0,0 p/etmaal 0,3 p/etmaal 0,0 p/etmaal
In file
0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %
6/7
Projectberekening
4
Wegverkeer | Weg
Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte Verkeer
Rijroute bouwfase X:208017,75 Y:568151,12 551,13 m Binnen bebouwde kom (doorstromend) Beide richtingen 1 Normaal 0m
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer
Max. snelheid
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
Links Rechts NOₓ 1,8 kg/j Type scherm - NO₂ 0,5 kg/j Hoogte - NH₃ 69,4 g/j Afstand tot de weg - -
Voertuigbewegingen
14,0 p/etmaal 0,0 p/etmaal 0,0 p/etmaal 0,0 p/etmaal 0,0 p/jaar 0,0 p/jaar 560,0 p/jaar 0,0 p/jaar
In file
0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %
Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van AERIUS versie 2022.1_20230405_989cfb3815 Database versie 2022.1_989cfb3815 Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/
RrowfAMPvwLo (11 april 2023)
7/7
62/252
Bijlage 3
63/252
Ecologische quickscan
2021 Quickscan Wet natuurbescherming Ontwikkeling Wylp te Ureterp
1
++
COLOFON BUREAU FAUNAX Tijnjedijk 89 8936 AC Leeuwarden +316 83 77 25 48 info@faunax.nl www.faunax.nl Lid van Netwerk Groene Bureaus
Quickscan Wet natuurbescherming Ontwikkeling Wylp te Ureterp Leeuwarden, april 2021
In opdracht van: Rho Adviseurs Uitvoering: Bureau FaunaX Veldwerk en rapportage: Mevr. A. Wieringa Autorisatie: Dhr. J. Groen Foto’s voorpagina: Impressie van het plangebied © Bureau FaunaX. Gebruik en overname van gegevens alleen toegestaan met volledige bronvermelding: Bureau FaunaX (2021). Quickscan Wet Natuurbescherming, Rho Adviseurs/ Ontwikkeling Wylp te Ureterp. Rapport 21115. Bureau FaunaX, Leeuwarden. Disclaimer: In deze rapportage worden de resultaten van een onafhankelijk onderzoek behandeld. Bureau FaunaX heeft een adviserende rol en spreekt zich niet uit over de wenselijkheid van het plan waarop dit onderzoek betrekking heeft. Dit onderzoek is zo zorgvuldig en nauwkeurig mogelijk uitgevoerd. Het voorkomen van beschermde soorten is echter onvoorspelbaar. Aan dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Wanneer deze rapportage, op wat voor manier dan ook, wordt aangepast en/of aangevuld door een partij anders dan Bureau FaunaX, verliest deze rapportage zijn validiteit en geldigheid. Op dit onderzoek zijn onze algemene voorwaarden van toepassing, zoals gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Leeuwarden.
INHOUDSOPGAVE 1.
2
INLEIDING ..................................................................................................................... 1 1.1
Aanleiding ..................................................................................................................... 1
1.2
Doel ............................................................................................................................... 1
1.3
Onderzoeksopzet ..........................................................................................................2
1.4
Karakteristiek plangebied en planvoornemen .............................................................2
RESULTATEN QUICKSCAN ...........................................................................................4 2.1
Flora .............................................................................................................................. 4
2.2
Vogels ........................................................................................................................... 4
2.3
2.2.1
Jaarrond beschermde vogelnesten ............................................................... 4
2.2.2
Overige (broed)vogelsoorten .........................................................................5
Zoogdieren ................................................................................................................... 6 2.3.1
Vleermuizen .................................................................................................. 6
2.3.2
Overige zoogdieren ........................................................................................7
2.4
Reptielen en amfibieën .................................................................................................7
2.5
Vissen ........................................................................................................................... 8
2.6
Ongewervelden ............................................................................................................ 8
2.7
Gebiedsbescherming .................................................................................................... 9 2.7.1
2.8 3
Houtopstanden ............................................................................................................ 9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ............................................................................. 10 3.1
Overzicht beschermde soorten .................................................................................. 10
3.2
Effectbespreking en aanbevelingen ............................................................................ 10
3.3 4
Stikstofgevoeligheid ...................................................................................... 9
3.2.1
Algemene broedvogels ................................................................................. 10
3.2.2
Jaarrond beschermde nesten (roofvogels) .................................................. 10
3.2.3
Vleermuizen (verblijfplaatsen) ..................................................................... 11
3.2.4
Zorgplicht ...................................................................................................... 11
Overzicht vervolgstappen ............................................................................................ 11
LITERATUUR EN BRONNEN ....................................................................................... 12
BIJLAGE I WET- EN REGELGEVING ................................................................................. - 1 Wnb Soortbescherming ......................................................................................................- 1 Vogels en verstoring .................................................................................................- 1 Vrijgestelde soorten provincie Fryslân .....................................................................- 1 Voorwaarden vrijstellingen ..................................................................................... - 2 Zorgplicht art 1.11 Wnb............................................................................................. - 3 Wnb Gebiedsbescherming ................................................................................................ - 3 Natura 2000-gebieden ............................................................................................. - 3 -
Wnb Houtopstanden ......................................................................................................... - 3 NatuurNetwerk Nederland / Ecologische HoofdStructuur ............................................. - 4 -
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding Men is voornemens weiland percelen begrenst met bomen en smalle slootjes aan de Wylp te Ureterp te ontwikkelen tot woningbouw (figuur 1.1). Met de werkzaamheden zullen enkele bomen worden gekapt en worden toegangswegen over de watergangen aangelegd. Omdat een deel van bovenstaande maatregelen een ruimtelijke ingreep betreft, dient een toetsing te worden uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze toetsing vindt eerst plaats in de vorm van een quickscan gebaseerd op het onderdeel soortbescherming. In het kader daarvan is door Bureau FaunaX een analyse gemaakt van de (mogelijk) binnen de invloedssfeer aanwezige beschermde natuurwaarden. Hierbij ligt de focus op flora en alle diergroepen waarvan redelijkerwijze kan worden verwacht dat beschermde soorten voor kunnen komen in het plangebied. Tevens is een inschatting gemaakt van de eventuele effecten van de voorgenomen plannen op in de omgeving liggende beschermde natuurgebieden (Natura 2000 en NNN/EHS) (onderdeel gebiedsbescherming).
Figuur 1.1. Het plangebied te Ureterp.
1.2 Doel Deze ecologische beoordeling geeft, voor zover mogelijk, antwoord op de volgende vragen: 1.
Komen binnen het plangebied (biotopen van) onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten voor? 2. Komen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden beschermde natuurgebieden voor?
1
3. Wat zijn de mogelijke effecten van de werkzaamheden op deze beschermde natuurwaarden en -gebieden, zowel tijdens de realisatie als na afloop hiervan? 4. Voor welke soorten en hun leefgebied wordt de wet mogelijk overtreden en in hoeverre kunnen overtredingen vermeden, dan wel verzacht worden? 5. Wat zijn de te ondernemen vervolgstappen met betrekking tot het voorkomen van schade aan beschermde soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden? Voor het beantwoorden van deze vragen zijn, naast de verzamelde gegevens tijdens het veldonderzoek, ook andere bronnen geraadpleegd. Zie hiervoor de bronnenlijst in hoofdstuk 4.
1.3 Onderzoeksopzet Soorten In opdracht van Rho Adviseurs heeft Bureau FaunaX het planvoornemen door middel van een ecologische quickscan getoetst aan de natuurwetgeving. Deze quickscan heeft bestaan uit een bureaustudie en een veldbezoek gebaseerd op ecologisch inzicht (expert judgement). Een ecologische quickscan of beoordeling is meestal de eerste stap van ecologisch onderzoek en is bedoeld om een inschatting te maken van de mogelijke effecten op eventueel aanwezige beschermde flora en fauna en/of natuurgebieden binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Het veldonderzoek voor deze quickscan is uitgevoerd op woensdag 14 april 2021 en vond plaats onder zachte weersomstandigheden (7˚C, windkracht 3, half bewolkt). Dit onderzoek bestond uit een visuele inspectie van het plangebied, waarbij is gelet op de aanwezigheid van (of sporen van) beschermde soorten en op de eventuele aanwezigheid van geschikt leefgebied van deze soorten. Gebieden - Natura 2000 Behalve dat onderzocht wordt welke soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden kunnen voorkomen, wordt ook gecontroleerd of er sprake kan zijn van negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Dit gebeurt middels een grove analyse op basis van de geplande werkzaamheden en de relevante afstand tot de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden.
Houtopstanden Onder de Wet natuurbescherming worden ook houtopstanden beschermd. Er wordt gecontroleerd in welke mate er sprake is van kap en of hier een meld- en/of herplantingsplicht aan de orde kan zijn. Overige gebiedsbescherming Naast de Wet natuurbescherming zijn er nog meer regelgevingen die ingaan op het beschermen van de natuur in Nederland. Dit zijn veelal provinciale stukken, al dan niet als uitvoeringsorgaan vanuit rijksbeleid. Het gaat hierbij om regelgeving omtrent NatuurNetwerk Nederland/Ecologische Hoofdstructuur, ganzenfoerageergebieden en weidevogelgebieden. Deze toetsing stipt kort aan of er sprake kan zijn van een conflict tussen de provinciale regelgevingen en het geplande initiatief.
1.4 Karakteristiek plangebied en planvoornemen Het plangebied ligt noordoostelijk binnen de bebouwde kom van Ureterp en betreft weiland percelen voor koeien die met smalle sloten worden afgescheiden en waarnaast bomenrijen staan. De noordzijde van het plangebied wordt begrensd door bomen, de zuidzijde door een sloot. De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door de bebouwde kom van Ureterp, agrarisch gebied, sportvelden en het park Griene Greide.
2
Het planvoornemen bestaat uit de kap van enkele bomen in het plangebied om woningbouw te realiseren (figuur 1.2 & 1.3). Daarnaast zullen enkele wegen over de watergangen worden aangelegd.
Figuur 1.2. Planvoornemen bomenkap plangebied (bron: Rho Adviseurs).
Figuur 1.3. Planvoornemen plangebied (bron: Rho Adviseurs).
3
2 RESULTATEN QUICKSCAN 2.1 Flora Het plangebied wordt gekenmerkt door grasland met soorten zoals onder andere Engels raaigras, brede weegbree, pitrus, paardenbloem, kleine veldkers, raapzaad, speenkruid, madelief, ridderzuring en braam (spec.). Het plangebied is vanwege voedselrijke habitateigenschappen ongeschikt voor beschermde flora en deze zijn ook niet aangetroffen.
Figuur 2.1. Impressie van de flora in het plangebied.
Op basis van de waargenomen soorten en de (habitat)eigenschappen van het plangebied is het voorkomen van beschermde plantensoorten uit te sluiten.
2.2 Vogels 2.2.1
Jaarrond beschermde vogelnesten
Nesten van vogelsoorten die jaarrond beschermd zijn bevinden zich over het algemeen in volgroeide bomen en/of bossen, zoals ooievaarsnesten of horsten van roofvogels. Vaak worden oude kraaien- of eksternesten gebruikt door roofvogels en uilen. De bomen binnen het plangebied zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van boomnesten, waarvan er twee zijn aangetroffen (figuur 2.2). Het nest aan de noordzijde betrof een bezet nest van waarschijnlijk een roofvogel, gebaseerd op de geluiden die vanuit het nest kwamen. Of het andere nest gebruikt wordt is op het moment van schrijven onduidelijk. Met het planvoornemen zullen deze bomen zeker dan wel mogelijk gekapt worden, waarbij de boomnesten verloren zullen gaan. Negatieve effecten van de werkzaamheden op jaarrond beschermde boomnesten van roofvogels binnen het plangebied kunnen derhalve niet op voorhand worden uitgesloten. Binnen het plangebied zijn geen gebouwen aangetroffen en omliggende woningen vallen buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden, waardoor negatieve effecten van de werkzaamheden op jaarrond beschermde nesten van gebouw bewonende soorten zoals huismus, gierzwaluw en kerkuil op voorhand kunnen worden uitgesloten.
4
Figuur 2.2. Locaties aangetroffen (potentieel) jaarrond beschermde boomnesten binnen het plangebied.
Negatieve effecten van de werkzaamheden op jaarrond beschermde boomnesten van roofvogels kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Jaarrond beschermde nesten van gebouw bewonende vogelsoorten binnen het plangebied en/of invloedssfeer van de werkzaamheden kunnen op voorhand worden uitgesloten.
2.2.2 Overige (broed)vogelsoorten Naast de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten is het plangebied ook beoordeeld op waarden voor broedvogels waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. De nesten van deze soorten zijn uitsluitend beschermd tijdens het broedproces. Het plangebied biedt mogelijkheden voor diverse soorten broedvogels, langs de slootoevers en in de bomen en bosschages rondom het plangebied. Negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden op broedvogels waarvan de nesten tijdens het broedproces bescherming genieten, kunnen daarom niet op voorhand worden uitgesloten.
Er kan niet op voorhand worden uitgesloten dat zich binnen het plangebied/ de invloedssfeer van de werkzaamheden nestplaatsen bevinden van vogelsoorten waarvan de nesten alleen tijdens het broedseizoen beschermd zijn.
5
2.3 Zoogdieren 2.3.1
Vleermuizen
Het plangebied is tijdens het veldbezoek beoordeeld op waarden voor vleermuizen. Hierbij is de nadruk gelegd op de aanwezigheid van mogelijke verblijfplaatsen. Ook is gekeken of het plangebied onderdeel uitmaakt van essentiële vliegroutes of foerageergebied van vleermuizen. Vleermuizen verblijven voornamelijk in gebouwen of boomholten, waarvan dat laatste ook binnen het plangebied/ invloedssfeer van de werkzaamheden is aangetroffen (figuur 2.3). In hoeverre de holtes (vooral naar boven) zijn ingerot, bepaalt of deze geschikt zijn als vleermuisverblijfplaatsen. De bomen zullen voor zover ons bekend is met de werkzaamheden behouden blijven, maar eventuele vleermuizen die hierin verblijven kunnen door de werkzaamheden wel verstoring ondervinden. Negatieve effecten van de werkzaamheden als gevolg van verstoring op vleermuisverblijfplaatsen in boomholten kunnen daarom niet op voorhand uitgesloten worden.
Figuur 2.3. Locaties aangetroffen boomholten binnnen het plangebied en/of invloedssfeer van de werkzaamheden.
Naast verblijfplaatsen van vleermuizen, kunnen ook vliegroutes en/of foerageergebieden van vleermuizen een beschermde status hebben als deze van essentieel belang zijn voor het in stand houden van een verblijfplaats. Als vliegroute worden, afhankelijk van de soort, waterlichamen, bosranden, bomenlanen of gebouwen gebruikt. De bomenrijen binnen en grenzend aan het plangebied kunnen onderdeel van een vliegroute vormen voor diverse soorten vleermuizen. Met de beoogde werkzaamheden zullen de bomenrijen voldoende gehandhaafd blijven om geen significant kwaliteitsverlies teweeg te brengen voor dergelijke vliegroutes. Daarnaast biedt de omgeving dusdanig veel alternatieven in de vorm van vergelijkbare bomenrijen dat het in dit geval niet om een essentiële vliegroute gaat. Tevens kan ook de bebouwing in de omgeving als vliegroute worden gebruikt. Daarnaast beschikt het plangebied niet over de kenmerken van een (essentieel) foerageergebied. De aanwezigheid van essentiële vliegroutes en/of foerageergebieden binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten. 6
De aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen in boomholten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden kan niet op voorhand worden uitgesloten. De aanwezigheid van essentiële vliegroutes en/of foerageergebieden binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten.
2.3.2 Overige zoogdieren Het plangebied is eveneens gecontroleerd op waarden voor overige zoogdiersoorten. De watergangen bieden vanwege de intensief beheerde overs waarlangs alleen plaatselijk dichte dekking aanwezig is geen geschikt habitat voor de waterspitsmuis. Er zijn daarnaast geen waarnemingen van de waterspitsmuis in de omgeving bekend (bron: NDFF), waardoor op basis van verspreidingsgegevens en habitateigenschappen het voorkomen van verblijfplaatsen van deze soort op voorhand kan worden uitgesloten. Ook de aanwezigheid van verblijfplaatsen van overige beschermde soorten zoogdieren, zoals de boommarter, eekhoorn en grote bosmuis kan op voorhand worden uitgesloten op basis van habitateigenschappen dan wel verspreidingsgegevens. 0
Figuur 2.4. Impressie watergangen binnen het plangebied.
Wel is het plangebied op basis van de habitat geschikt voor lichter beschermde (vrijgestelde) zoogdiersoorten, zoals egel en mol. Hoewel deze soorten voor ruimtelijke ingrepen zijn vrijgesteld binnen de provincie Fryslân, dient men zich wel te houden aan de voor deze soorten geldende zorgplicht.
Aanwezigheid van overige beschermde zoogdiersoorten kan op basis van habitatgeschiktheid en verspreidingsgegevens op voorhand worden uitgesloten. Voor voorkomende vrijgestelde soorten zoals egel en mol geldt de zorgplicht.
2.4 Reptielen en amfibieën Het plangebied is tevens gecontroleerd op waarden voor beschermde reptielen en amfibieën. De enige soorten die in de (ruime) omgeving van Ureterp voorkomen zijn de heikikker, de adder en de levendbarende hagedis. 7
Het plangebied betreft grasland met een viertal smalle sloten. Deze sloten zijn niet geschikt voor de heikikker. Deze soort is namelijk gebonden aan heide, hoogveen en laagveen en komt zelden voor in dichtbevolkt (intensief beheerd) gebied. Soms handhaaft de soort zich in relatief intensief beheerd agrarisch landschap op veen- dan wel zandgrond. Hiervan is in de directe omgeving van Ureterp echter geen sprake. Uit de omgeving van het plangebied zijn dan ook alleen waarnemingen bekend van heidegebieden als de Merskenheide (bron: NDFF). Ook voor de adder en de levendbarende hagedis geldt dat in het plangebied en de omgeving hiervan geen geschikt habitat aanwezig is en de dichtstbijzijnde waarnemingen van de Merskenheide afkomstig zijn. Op basis van verspreidingsgegevens (bron: NDFF) en habitateigenschappen kan op voorhand worden uitgesloten dat binnen het plangebied beschermde reptielen en amfibieën voorkomen. Binnen het plangebied kunnen wel andere, licht beschermde (vrijgestelde) amfibieën voorkomen, zoals de gewone pad. Hoewel deze soorten voor ruimtelijke ingrepen zijn vrijgesteld binnen de provincie Fryslân, dient men zich wel te houden aan de voor deze soorten geldende zorgplicht.
De aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde reptielen en amfibieën kan op voorhand worden uitgesloten. In het plangebied komen naar alle waarschijnlijkheid licht beschermde soorten voor, zoals de gewone pad. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling in het geval van ruimtelijke ontwikkelingen, maar geldt wel de zorgplicht (zie Bijlage I).
2.5 Vissen Met het beoogde planvoornemen worden toegangswegen over de watergangen gerealiseerd. De enige beschermde zoetwatervis die redelijkerwijs binnen het plangebied voor kan komen is de grote modderkruiper. Het voorkomen van deze soort kan echter op basis van verspreidingsgegevens en habitateigenschappen (bron: NDFF) op voorhand worden uitgesloten. Ureterp is gelegen op één van de hoge zandkoppen ten noorden van het Koningsdiep. Als soort die gebonden is aan dynamische waterrijke gebieden, zoals polders en moerassen, komt de grote modderkruiper waarschijnlijk niet in de omgeving van Ureterp voor. De dichtstbijzijnde waarnemingen komen dan ook uit de omgeving van Drachten (veengrond). Negatieve effecten van de werkzaamheden op beschermde zoetwatervissen kunnen op voorhand worden uitgesloten.
Negatieve effecten van de werkzaamheden op beschermde zoetwatervissen kunnen op voorhand worden uitgesloten.
2.6 Ongewervelden Het plangebied bevat geen waardplanten of watervegetatie die essentieel zijn bij de voortplanting van beschermde insecten of andere ongewervelden. Op basis hiervan kunnen negatieve effecten van de werkzaamheden op beschermde ongewervelden binnen het plangebied worden uitgesloten.
8
Op basis van habitateigenschappen kan worden uitgesloten dat de werkzaamheden negatieve gevolgen zullen hebben op beschermde ongewervelden.
2.7 Gebiedsbescherming Het plangebied valt niet onder de NNN/ EHS, ganzenfoerageergebieden of weidevogelgebieden.
Het plangebied valt niet onder de EHS, ganzenfoerageergebieden of weidevogelgebieden aangesteld door de provincie Fryslân. Een toetsing naar een mogelijk conflict tussen gebiedsbescherming en het initiatief is niet van toepassing.
2.7.1
Stikstofgevoeligheid
In de omgeving van het plangebied zijn de volgende Natura 2000-gebieden te vinden: Wijnjeterper Schar (3,9 km), Bakkeveense Duinen (6 km) en Van Oordt’s Mersken (8,9 km), zie figuur 2.5. Voor deze gebieden zijn habitattypen aangewezen, zoals binnenlandse kraaiheibegroeiingen, stuifzandheiden met struikhei en zwak gebufferde venen. Voor Van Oordt’s Mersken zijn de grote en kleine modderkruiper als habitatrichtlijnsoorten aangewezen. Tijdens de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden komt er naar alle waarschijnlijkheid extra stikstof vrij door bijvoorbeeld het inzetten van mobiele werkvoertuigen. Deze extra stikstofemissie heeft mogelijk een effect op voorgenoemde gebieden welke zijn aangewezen voor diverse (stikstof)geschikte habitattypen en -richtlijnsoorten. Gezien de werkzaamheden op relatief grote afstand van Natura 2000gebieden plaatsvinden, kan naar ons inzien worden uitgesloten dat de extra stikstofemissie significant negatieve effecten zal veroorzaken binnen de voorgenoemde gebieden en is een Aerius-berekening niet van toepassing. De provincie Fryslân is echter bevoegd gezag in dezen en bepaalt of het uitvoeren van deze berekening benodigd is.
Figuur 2.5. Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000 gebieden (bron: Natuur overzichtskaart, provincie Fryslân).
Een Aerius-berekening in het kader van Natura 2000 is naar onze mening niet nodig.
2.8 Houtopstanden Als er een houtareaal wordt gekapt van meer dan 10 are (1000 m2) of een bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de bebouwde kom kan er sprake zijn van een meld- en/of herplantingsplicht. Binnen de voorgenomen werkzaamheden worden enkele bomen gekapt, maar minder dan 10 are. Er is dan ook geen sprake van een meld- en/of herplantingsplicht.
Er is geen sprake van een meld- en/of herplantingsplicht.
9
3 SAMENVATTING EN CONCLUSIES 3.1 Overzicht beschermde soorten In onderstaand overzicht worden de aangetroffen en potentieel aanwezige beschermde soorten en hun beschermingsstatus binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden samengevat. In de Wet natuurbescherming zijn vooral vaste verblijfsplaatsen (voortplantingslocaties zoals nesten, holen, kraamkolonies etc.) van belang, maar ook de functionele leefomgeving die vaste verblijfplaatsen in stand houdt. In dit overzicht zijn alleen die soorten opgenomen, waarvoor het plangebied onderdeel vormt van hun leefgebied en/of levenscyclus en waarop eventueel in de toekomst geplande werkzaamheden van negatieve invloed kunnen zijn. Tabel 3.1. Overzicht van aangetroffen en potentieel voorkomende beschermde flora en fauna in het plangebied. Art. Art. Art. Soortgroep Soort Aanwezigheid Vrijgesteld Advies 3.1 3.5 3.10 Vogels Algemene broedvogels Mogelijk X Werken buiten broedtijd Vogels (jaarrond Roofvogels Mogelijk X Nader onderzoek beschermde nesten) Voorkom lichtuitstraling richting mogelijke Vleermuizen Diverse soorten Mogelijk X verblijfplaatsen. (verblijfplaatsen) Indien kap bomen: nader onderzoek Vogels Zoogdieren Algemeen Mogelijk X X Zorgplicht Amfibieën voorkomende soorten Vissen
3.2 Effectbespreking en aanbevelingen Het project kan naar ons inzien doorgang vinden binnen de kader van de Wet natuurbescherming, mits men zich houdt aan de hieronder volgende aanbevelingen.
3.2.1
Algemene broedvogels
Het plangebied biedt mogelijkheden voor vogels om te broeden, in de bomen, bosschages en oevers binnen of grenzend aan het plangebied. Het gaat hier om soorten waarvan nesten alleen beschermd zijn tijdens het broedproces. Wij adviseren daarom om de werkzaamheden buiten de broedtijd uit te voeren. De broedtijd loopt grofweg van 15 maart tot 15 juli. Er is echter geen standaard voor deze periode. Sommige soorten kunnen eerder of later in het jaar broeden. Wat van belang is, is of er een broedgeval is en of er sprake is van wezenlijke verstoring van het betreffende broedgeval. Eventueel kan tijdens de broedtijd gewerkt worden, dit dient dan te gebeuren onder begeleiding van een ecoloog en nadat is vastgesteld dat er geen roofvogels broeden in het plangebied.
3.2.2 Jaarrond beschermde nesten (roofvogels) Binnen het plangebied zijn twee boomnesten aangetroffen die broedmogelijkheden voor roofvogels zoals boomvalk of havik bieden. Van één van deze nesten is reeds vastgesteld dat deze in gebruik is. De bomen waarin de nesten zijn aangetrofffen, zullen met het planvoornemen zeker dan wel mogelijk gekapt worden, waarbij jaarrond beschermde roofvogelnesten verloren kunnen gaan. We adviseren daarom nader onderzoek uit te voeren naar roofvogels om met zekerheid vast te stellen dan wel uit te sluiten welke nesten gebruikt worden en door welke soort(en). Dit dient uitgevoerd te worden door middel van twee/drie bezoeken tijdens de broedperiode (conform datumgrenzen SOVON, februari – juli). Voor vastgestelde jaarrond beschermde nesten van roofvogels binnen het plangebied, dient er een ontheffing te worden aangevraagd voor de desbetreffende soort(en).
10
Deze wordt in de regel afgegeven onder de voorwaarde dat er mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.
3.2.3 Vleermuizen (verblijfplaatsen) Het plangebied is mogelijk geschikt voor vleermuizen om in te verblijven, vanwege de aangetroffen boomholten. Met het planvoornemen blijven de bomen met boomholten behouden, maar deze zullen wel binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden vallen. Hierdoor kan er mogelijk verstoring van vleermuisverblijfplaatsen optreden. Om de verstoring tot een minimum te beperken adviseren we vrijblijvend om felle lichtuitstraling richting de westelijke bomenrij tussen zonsondergang en zonsopkomst zowel tijdens de werkzaamheden als in de uiteindelijke situatie te voorkomen. Indien de bomen toch worden gekapt is nader onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen in de holten vereist. Dit dient te gebeuren aan de hand van vier veldbezoeken verspreidt over de kraam- (15 mei – 15 juli) en de paarperiode (15 augustus – 1 oktober). De onderzoeksmethodiek is vastgelegd in het Vleermuisprotocol, opgesteld door het ministerie van EZ, Netwerk Groene Bureaus en de Zoogdiervereniging. Indien er verblijfplaatsen van vleermuizen worden vastgesteld binnen de het plangebied, dient er voor de desbetreffende soort(en) een ontheffing te worden aangevraagd, welke in de regel wordt afgegeven onder de voorwaarde dat er compenserende en mitigerende maatregelen worden uitgevoerd.