Bijlage 1 Transitievisie Warmte OWO.pdf
Tekst van het document
Het zou kunnen helpen om onderling informatie uit te wisselen en zaken te verdelen.” Opvallende resultaten lokale initiatieven Tijdens de focusgroep hebben de lokale initiatieven aangegeven graag mee te denken over enkele technische aspecten van de warmtetransitie. Ten eerste ervaren zij dat vraag en aanbod naar stroom vaak niet aan elkaar gelijk staan. Om deze reden geven zij aan dat het voor de gemeente wellicht interessant kan zijn om een waterstofcentrale aan zonnepanelen te koppelen. Op deze manier verwachten zij dat de zonnepanelen ook stroom kunnen leveren op de momenten dat er veel vraag naar is. Dit maakt vervolgens hen de rendabiliteit van een project interessanter. Daarnaast volgen de lokale initiatieven de berichten over technische innovaties op het gebied van warmtetransitie in het buitenland. Zo hebben zij ondervonden dat Denemarken voorloopt op Nederland en dat dit land zo mogelijk als een voorbeeld kan dienen. De lokale initiatieven vermelden dat Denemarken gebruik maakt van een ‘warmtemolen’, die direct alle energie omzet in warmte. Lokale initiatieven vragen zich af of het interessant is om dit in hun buurt toe te passen.
28
3.3 Interviews met ondernemers Vergelijkbaar met de focusgroepen zijn de vragen van de interviews in vieren opgedeeld: weerstand, kansen, betrekken en rol. De interviews zijn specifiek gehouden met ondernemers wegens een gesprek aan respons voor de focusgroepen onder deze groep. In totaal zijn er vijf interviews gehouden met vertegenwoordigers van ondernemersverenigingen. Via Atlas.ti 9 zijn de interviews met de ondernemers gecodeerd, waarbij per onderdeel de meest besproken onderwerpen worden weergeven in combinatie met toepasselijke citaten vanuit de transcripten. Net zoals met de resultaten van de focusgroepen van de plaatselijke belangen wordt steeds aangegeven hoe vaak de onderwerpen naar voren zijn gekomen op basis van het totaal aantal gehouden interviews. Ook wordt aangegeven hoe vaak het onderwerp is besproken per gemeente. 3.3.1. Ondernemers: weerstand Het eerste onderdeel dat aan bod is gekomen tijdens de interviews is weerstand. De meest besproken onderwerpen zijn: 1. Betaalbaarheid 2. Getroffen door Corona 3. Twijfel technische haalbaarheid. 1) Betaalbaarheid
Betaalbaarheid komt in vier van de vijf gesprekken naar boven tijdens de interviews, minstens één keer bij elke gemeente. Bij ondernemers is continuïteit van het bedrijf van belang en niemand wil zijn/haar bedrijf in gevaar brengen door te veel kosten te maken: “..Maar iedereen zal simpelweg over het geld beginnen. Helemaal omdat het steeds moeilijker wordt om een fysieke winkel te hebben door online concurrentie, en het laatste jaar door de Corona Crisis.” Deze specifieke kenmerken zorgen ervoor dat niet elk bedrijf evenveel te besteden heeft als het aankomt op verduurzaming: “En de andere categorie is de bedrijven die al niet zo goed draaien, waar alles om geld draait en die waarschijnlijk ook weerstand zullen tonen tegenover onkosten die hun opgelegd worden.” 2) Getroffen door Corona
In combinatie met de net genoemde problemen omtrent betaalbaarheid, wordt ook vaak Corona benoemd. Veel bedrijven hebben de afgelopen tijd op reserves gedraaid en staan niet te springen om juist op dit moment extra kosten te gaan maken: “Daarbij komt dat op korte termijn ondernemers net te maken hebben gehad met Corona. Ik verwacht dat de komende jaren de meeste mensen hier geen oren naar zullen hebben om die reden. Er is nu geen geld om te investeren.” In drie van de vijf gesprekken wordt besproken dat bedrijven zwaar zijn getroffen door Corona, dit komt naar voren in elke gemeente. 3) Twijfel technische haalbaarheid
Tijdens deze interviews komt opvallend vaak naar voren dat de ondernemers de technische haalbaarheid van de plannen in twijfel trekken. In drie van de vijf gesprekken wordt aangegeven dat de technische haalbaarheid problematisch zou kunnen zijn. Oplossingen die bij particulieren werken zullen niet altijd werken bij ondernemingen: “Zoals ik eerder al zei zijn de technische oplossingen een vraagstuk waar veel ondernemers mee zitten. Warmtepompen produceren bijvoorbeeld veel lawaai, dat wil je niet in je winkel hebben.” De
29
verwachting is dat wanneer duidelijk wordt dat de warmtetransitie technisch haalbaar is, de weerstand zal afnemen. 3.3.2. Ondernemers: kansen Verder zijn de mogelijke kansen in de interviews aan bod gekomen. De meest besproken onderwerpen hierbij zijn: 1. Al hoge mate van bewustwording aanwezig 2. Geef ruimte voor eigen invulling en keuzevrijheid 3. Focussen op voordelen. 1) Al hoge mate van bewustwording aanwezig
De ondernemers geven aan dat al redelijk wat mensen in hun omgeving met verduurzaming bezig zijn en al behoorlijk wat stappen die kant op hebben gezet. In gesprekken met andere ondernemers die minder ver zijn, horen ze toch alsnog vaak dat de mensen wel op de hoogte zijn van dat het binnenkort moet gaan gebeuren: “Over het algemeen snappen de ondernemers wel dat ze uiteindelijk moeten stoppen met aardgas gebruiken. Ze staan er zelfs wel positief tegenover.” Als kanttekening wordt wel vaak gezet dat op dit moment de beperkende factor om daadwerkelijk de stap te zetten toch de kosten blijven: “Mensen snappen wel dat ze op termijn moeten stoppen met het gebruik van aardgas, maar als het op de portemonnee aankomt is het een gevoelig onderwerp.” Deze hoge mate van bewustwording komt in totaal in drie van de vijf gesprekken naar voren. 2) Geef ruimte voor eigen invulling en keuzevrijheid
Volgens de ondernemers is het belangrijk dat iedereen nog de ruimte heeft om inspraak te hebben. Dit betekent niet dat de aanpak voor de warmtetransitie volledig door de ondernemers ingevuld moet worden, maar wel dat er nog ruimte is voor inspraak: “Geef ondernemers daadwerkelijk ruimte om mee te denken. Nodig bedrijven in een vroeg stadium uit om actief onderdeel te worden van de visie, dan wordt het document uiteindelijk veel breder gedragen.” Daarnaast moet er goed gekeken worden naar de mogelijke alternatieven per ondernemer: “Ondernemers moeten het gevoel hebben dat alle alternatieven onderzocht en gecommuniceerd zijn, niet een selectie van alternatieven.” Beide onderwerpen komen in vier van de vijf gesprekken naar voren. 3) Focussen op de voordelen
Meermaals wordt aangegeven dat het vooral voor ondernemers ontzettend belangrijk is om te kijken wat de voordelen zijn. Dit komt neer op het benadrukken van het rendement en de terugverdientijd, maar ook het inspelen op natuurlijke vervangingsmomenten: “Dan kan op twee manieren. Iemand kan het heel droog vertellen, maar je kan het ook een beetje op een mooie manier presenteren. Met aandacht voor terugverdientijden, echt de taal van de ondernemer spreken.” Dit komt in totaal in twee van de vijf gesprekken naar voren. 3.3.3. Ondernemers: betrekken Wat betreft het betrekken van inwoners zijn er meerdere onderwerpen benoemd. De meest besproken onderwerpen zijn: 1. Concreet, realistisch plan aanbieden 2. Verschillen tussen ondernemers onderling 3. Klassieke kanalen.
30
1) Concreet, realistisch plan aanbieden
Een concreet realistisch plan aanbieden is naast betaalbaarheid het grootst terugkerende onderwerp: “Als er nou een concrete aanpak ligt, een duidelijk plan van hoe de gemeente het aan wil pakken, dan heb je wat om het over te hebben. Werk het voor 80% uit en begin dan met communiceren richting de ondernemers, dan komen ze wel.” De ondernemers geven aan dat best wel veel mensen al bezig willen met duurzame innovaties implementeren in hun bedrijven. Door onzeker- en onduidelijkheden over subsidies, wat de techniek in de toekomst gaat doen en andere onderwerpen, houden veel ondernemers zich echter nog afzijdig. Om meer ondernemers bij de warmtetransitie te betrekken is het dus zaak voor de gemeente om met een helder en duidelijk plan te komen, die ook de stappen in de warmtetransitie op de lange termijn weergeeft. Wat ook vaak wordt benoemd, is dat het plan realistisch uitvoerbaar moet zijn: “Zolang het een reëel plan is, met een realistische termijn en onderbouwde technische haalbaarheid, zal het goed landen.” Dit onderwerp is in totaal tien keer genoemd en komt terug in elk gesprek met de ondernemers in elke gemeente. 2) Verschillen tussen ondernemers onderling
Vaak worden de ondernemers in twee groepen gesplitst. Eén groep is wat verder en ook vaak bereid om vanuit intrinsieke motivatie te verduurzamen, dit zijn de koplopers. De andere groep heeft het financieel zwaarder en zal niet zo snel vanuit zichzelf de stap maken om te verduurzamen: “Er zijn twee categorieën te onderscheiden. Een groep ondernemers waar het goed mee gaat, die wel begrijpen dat ze een keer van het aardgas af zullen moeten en daar niet zo moeilijk over doen. En de andere categorie zijn de bedrijven die al niet zo goed draaien, waar alles om geld draait en die waarschijnlijk ook weerstand zullen tonen tegenover onkosten die hun opgelegd worden.” Dit komt in totaal twee keer naar voren bij twee verschillende gemeenten. 3) Klassieke kanalen
De klassieke kanalen worden twee keer genoemd in de gesprekken. Deze kanalen nemen de vormen aan van informatieavonden of het op de hoogte stellen van leden via brieven: “Dus daarnaast zullen er brieven verstuurd moeten worden. Je moet alle ondernemers een persoonlijke brief sturen om ze te bereiken en dan ook nagaan of ze de brief ontvangen hebben. Als ze niet reageren, ga dan ook na of ze dat bewust gedaan hebben. Dan weet je zeker dat iedereen bereikt is, in plaats van dat je een paar sessies organiseert om het politiek af te kunnen vinken.” Er wordt dus aangegeven dat een bepaalde manier van maatwerk ook wordt gewaardeerd in de communicatie naar de ondernemers toe. 3.3.4. Ondernemers: rol organisaties Als laatste onderdeel van de interviews is de rol die verschillende organisaties kunnen spelen aan bod gekomen. De meest besproken onderwerpen beperken zich voor dit onderdeel tot twee: 1. Grote actieve rol voor ondernemersverenigingen 2. Prominente rol voor de gemeente. 1) Grote actieve rol voor ondernemersverenigingen
Opvallend is dat veel ondernemersverenigingen aangeven graag een rol te willen spelen in de communicatie naar haar leden. Sterker nog, sommige vertegenwoordigers raden aan om 31
deze manier van communiceren juist te gebruiken: “Als de gemeente de ondernemers wil bereiken, kan ze dat beter via ons doen. Ondernemers zijn gewend snel te handelen. Hoewel ambtenaren hun best doen, botst dat met de bureaucratie en politiek van de gemeente, waardoor ze na -voor hun kant- negatieve ervaringen met de gemeente afhaken en minder snel geneigd zijn op initiatieven van de gemeente in te gaan.” In alle gesprekken is naar voren gekomen dat de vertegenwoordigers actief de gemeente zouden willen ondersteunen, van een actieve rol als meedenken tot een meer faciliterende rol als informatie verschaffen. 2) Prominente rol voor de gemeente
In combinatie met de actieve rol van de ondernemers vertegenwoordigers wordt vaak ook vermeld dat het belangrijk is dat de gemeente een prominente rol inneemt. Dit houdt in dat de gemeente in de eerste plaats wel de trekker moet blijven van de warmtetransitie. De meeste ondernemers zien dit als een samenwerking tussen beide partijen: “Een ambtenaar van de gemeente kan voor die tijd ook sparren met het bestuur over de plannen voordat het gepresenteerd wordt aan de rest van de leden. Voordat er überhaupt een conceptplan ligt kan de ambtenaar dat met het bestuur van de vereniging bespreken om het plan verder aan te scherpen.”
32
4. Conclusie Het doel van dit onderzoek is inzicht verkrijgen in de houding van inwoners en andere belanghebbenden ten opzichte van de warmtetransitie. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste bevindingen uitgelicht. 1) Betaalbaarheid Betaalbaarheid is het onderwerp dat het meest naar voren blijft komen onder alle inwoners, ondernemers en agrariërs in zowel de focusgroepen, als de enquête en interviews. Veel mensen maken zich zorgen over de kosten die de warmtetransitie met zich mee gaat brengen en wat dit voor hun eigen portemonnee gaat betekenen. Veelvuldig wordt aangegeven dat de kosten zwaarder wegen dan een overweging gebaseerd op duurzaamheid, wat betreft het overstappen op een aardgas vrije woning. 2) Betrokkenheid Uit de enquête, focusgroepen en interviews blijkt dat het grootste gedeelte van de inwoners bekend is met aardgasvrij wonen. Desalniettemin ontbreekt nog vaak de verdieping in het onderwerp. De inwoners kunnen worden opgesplitst in: 1. Een kleine groep die al redelijk op de hoogte is van aardgasvrij wonen en ook actief bezig is met het verduurzamen van de huizen; 2. Een grotere groep met een meer afwachtende houding. Zij zien de urgentie van de warmtetransitie minder in.
3) Concrete informatie en communicatie Uit de enquête, de focusgroepen en de interviews blijkt dat de meeste inwoners tijdig betrokken willen worden bij concrete trajecten vanuit de gemeente op het gebied van aardgasvrij wonen. Daarbij komt in de enquête naar voren dat een deel van de inwoners vindt dat de gemeente vaak te lang stil blijft over dit onderwerp. In zowel de enquête, de focusgroepen en de interviews is aangegeven dat de hoeveelheid beschikbare concrete informatie over dit onderwerp gebrekkig is. Verder komt uit de focusgroepen het advies naar voren om vooral te communiceren over de voordelen van de warmtetransitie. Een andere manier om de overgang naar aardgasvrij behapbaar te maken, is door te beginnen met de kleine stapjes, zoals bijvoorbeeld goede isolering. De beste manier om inwoners te bereiken zijn volgens inwoners de klassieke kanalen, zoals de dorpskrant of informatieavonden, wat blijkt uit zowel de enquête als de focusgroepen. Ook blijkt uit open vragen van de enquête dat veel inwoners behoefte hebben aan een duidelijk overzicht van de mogelijke subsidies die zij aan kunnen vragen. De huidige beschikbare informatie is volgens de inwoners inconsistent en onduidelijk. Dit zorgt ervoor dat inwoners het moeilijk vinden om te zien welke stappen zij moeten maken om subsidies aan te vragen.
33
Tot slot twijfelen de inwoners aan de technische haalbaarheid van alternatieve warmtebronnen. Uit de resultaten van zowel de enquête als de focusgroepen blijkt dat vooral inwoners van oudere woningen twijfelen over de haalbaarheid van alternatieven, waarbij de vraag wordt gesteld of deze woningen met een alternatieve warmtebron nog wel comfortabel verwarmd kunnen worden. Aanvullend daarop blijkt uit de enquête en de focusgroepen dat stakeholders baat hebben bij maatwerk, waarbij er gefocust wordt op de individuele situatie van een inwoner, en advies wordt gegeven over hoe een specifieke woning aardgas vrij gemaakt kan worden. Bovendien hebben vertegenwoordigers van plaatselijke belangen tijdens de focusgroepen aangegeven dat betrokken buurtbewoners kunnen fungeren als ambassadeur om andere inwoners te enthousiasmeren. Op deze manier wordt ook de behoefte aan een lokale aanpak gewaarborgd. 4) Rol organisaties Tijdens focusgroepen en interviews is naar voren gekomen dat voornamelijk energiewerkgroepen, de LTO, ABO (in Ooststellingwerf) en ondernemersverenigingen een actieve rol willen uitoefenen in de warmtetransitie. Daarentegen geven plaatselijke belangen aan dat zij een beperkte rol willen spelen. In alle focusgroepen benadrukken stakeholders dat zij vinden dat de meest prominente rol is weggelegd voor de gemeente, welke dus voornamelijk het initiatief zal moeten nemen.
Door als gemeente een prominente rol in te nemen, verwachten de stakeholders dat de samenwerking met de gemeente kan verbeteren. De organisaties die een actieve rol willen spelen, geven aan dat zij zouden kunnen samenwerken met de gemeente voor het vormen van de uitvoeringsplannen.
34
Bijlage 2. Uitgangspuntennotitie
Uitgangspuntennotitie warmtetransitie in de OWO-gemeenten Inleiding Het proces naar een aardgasvrije gemeente is complex en onzeker. In de eerste Transitievisie Warmte leggen we als gemeente vast hoe we stapsgewijs en weloverwogen toewerken naar het volledig aardgasvrij verwarmen van woningen en gebouwen in 2050. Het is ook een soort van ‘nul-meting’. Waar staan we nu? En hoe denken we, op basis van de kennis van nu, in 2050 aardgasvrij te kunnen zijn? In deze Uitgangspuntennotitie geven we als gemeente aan wat de belangrijkste thema’s en uitgangspunten zijn bij het opstellen van de eerste Transitievisie Warmte. Deze uitgangspunten vormen de basis en worden in de Visie verder uitgewerkt.
Uitgangspunten voor de warmtetransitie in de OWO-gemeenten We delen de uitgangspunten op in drie thema’s op basis van de 3 P’s (People, Profit, Planet) • Samenwerken met alle betrokkenen (People); • Financieel haalbare en betaalbare oplossingen (Profit); • Energetisch/technisch realistisch en duurzaam (Planet/ Profit).
Samenwerken met alle betrokkenen 1. Participatie Iedere inwoner, ondernemer of andere gebouweigenaar kan mee denken en werken aan de aanpak in zijn of haar eigen dorp of buurt. De gemeente stelt daarvoor in deze eerste Transitievisie Warmte de randvoorwaarden op en biedt tegelijk ruimte voor initiatieven vanuit de dorpen. Vanaf volgend jaar werken we als gemeente op buurten dorpsniveau aan de uitvoeringsplannen. Deze plannen maken we samen met inwoners en andere stakeholders. We stimuleren en enthousiasmeren inwoners om zo met voldoende draagvlak aan de slag gaan. We kiezen daarom voorlopig voor twee principes bij het aardgasvrij worden: - Keuzevrijheid om wel of niet mee te doen. - Eigen tempo. In iedergeval tot 2030 is keuzevrijheid en eigen tempo een haalbaar uitgangspunt. 2. Actieve houding We hebben een actieve houding in het faciliteren en stimuleren van onze inwoners en ondernemers tot het nemen van energiebesparende maatregelen. Waar mogelijk doen we dit samen met het lokale bedrijfsleven. In veel buurten en dorpen zijn onze inwoners intrinsiek gemotiveerd om aan de slag te gaan met duurzaamheid. We stimuleren inwoners om zelf stappen te zetten en richten ons op wat de mensen willen en niet (alleen) op wat er moet.
Haalbare en betaalbare oplossingen 3. Betaalbaarheid Woonlastenneutraliteit wordt, net als in het Klimaatakkoord, als uitgangspunt genomen. Op basis van praktijkervaringen is woonlastenneutraliteit bij volledig aardgasvrije oplossingen op dit moment in veel situaties niet haalbaar. Subsidies zijn nodig om buurten volledig aardgasvrij te maken. We zetten daarom niet alleen in op volledig aardgasvrij, maar ook op initiatieven om het gebruik van aardgas te beperken. Dit zijn de zogenaamde “geen spijt-maatregelen”. In de praktijk komt dat neer op het treffen van energiebesparende maatregelen, zoals het goed isoleren van woningen. Bij het afwegen van alternatieven voor aardgas kijken we naar de totale kosten. Dat betekent de kosten bij opwek of de warmtebron, de kosten voor de netinfrastructuur, de kosten voor het aanpassingen in de gebouwen en de exploitatie- en gebruikskosten.
Realistisch en duurzaam 4. Duurzaam Maatregelen moeten niet alleen maar gericht zijn op het aardgasvrij maken of beperken van het aardgasgebruik, maar moeten ook duurzaamheidswinst opleveren. Het alternatief voor aardgas moet leiden tot minder uitstoot van broeikasgassen en een lagere milieubelasting. 5. Realistisch ambitieniveau In gemeenten met een groot buitengebied zijn de alternatieven voor aardgas met collectieve systemen beperkt. De gemeente richt zich daarom de komende jaren op het reduceren van de CO2-uitstoot in de gebouwde omgeving en het starten met de eerste buurt- en dorpsuitvoeringsplannen. Dit geeft kennis en inzicht voor de jaren die volgen. Bij de selectie van alternatieven voor aardgas worden de kosten en de beschikbaarheid meegenomen. Groengas is bijvoorbeeld een alternatief dat maar beperkt beschikbaar is en de verdeling van groengas is geen gemeentelijke bevoegdheid. Dit betekent dat we uitgaan van realistische beschikbaarheid van groengas en niet van de theoretische beschikbaarheid. Ook kijken we naar andere warmte-opties (plan B). 6. Beproefde technieken hebben de voorkeur, maar met een open vizier naar nieuwe mogelijkheden We werken op basis van bewezen technieken, maar volgen de technische ontwikkelingen. De warmtetransitie is volop in beweging.
Nieuwe technieken of innovaties in bestaande technieken kunnen het speelveld de komende 30 jaren meermaals veranderen. We zijn flexibel en houden de mogelijkheid open om hierop in te spelen.
Proces richting het vervolg De Transitievisie Warmte is het eindproduct van een intensief proces, dat wordt vormgegeven in OWO verband. Op dit moment wordt gewerkt aan de modellen voor de technisch-economische analyse, en zijn de eerste contacten met de inwoners, ondernemers en maatschappelijke stakeholders om uit te vinden wat zij belangrijk vinden.
Uiteindelijk wordt de Transitievisie Warmte een geconcretiseerde uitwerking van deze Uitgangspuntennotitie. De Uitgangspuntennotitie kadert de Transitievisie Warmte als het ware in: deze moet aansluiten op de hier geformuleerde uitgangspunten. De Transitievisie Warmte wordt wanneer daar aanleiding voor is geactualiseerd. Dit gebeurt minstens elke 5 jaar. De actualisatie heeft als doel de meest recente technologische en maatschappelijke ontwikkelingen en beleidskeuzes mee te nemen in de gemeentelijke visie op duurzame warmte. De Transitievisie Warmte biedt houvast voor concretere uitwerking in de op te stellen uitvoeringsplannen op dorps- of buurtniveau. De uitwerking van deze warmteuitvoeringsplannen vindt plaats na vaststelling van de Transitievisie Warmte. Ook voor de uitvoeringsplannen gelden de hierboven geschetste uitgangspunten.
Bijlage 3. Verdieping: hoe werken de oplossingen en welke warmtebronnen zijn er beschikbaar?
Projectgerelateerd
Er zijn verschillende manieren waarop huizen en gebouwen kunnen worden verwarmd zonder aardgas te gebruiken. Bijvoorbeeld door een warmtepomp, warmtenet of een cv-ketel met een hernieuwbare vorm van gas.
Algemene aandachtspunten Warmtenetten noemen we een collectieve oplossing. In dat geval kan een hele straat, buurt of wijk gebruik maken van dezelfde oplossing. De bron die warmte produceert, bevindt zich bij een collectieve oplossing niet in de woning of het gebouw, maar ergens anders. Bijvoorbeeld in de grond (geothermie, WKO), in een fabriek (restwarmte) of in het water (aquathermie) Andere oplossingen zijn individuele oplossingen. In dat geval bevindt de warmteproducerende installatie zich in de woningen en gebouwen zelf. Denk bijvoorbeeld aan het kiezen voor een warmtepomp of een cv-ketel. Individuele oplossingen maken wel gebruik van algemene infrastructuur. Warmtepompen benutten het elektriciteitsnet en noemen wij daarom ook wel all-electric, of volledig elektrische oplossingen. Groengas of waterstof kan via het gasnet geleverd worden. In tegenstelling tot aardgas zijn deze gassen duurzaam te produceren. We noemen dit daarom hernieuwbare gassen. Tot slot is een combinatie mogelijk tussen het gasnet en elektriciteitsnet. Dit noemen wij een hybride oplosing. Meestal bestaat dit uit een combinatie van een elektrische warmtepomp en een cv-ketel op (hernieuwbaar) gas. Deze bijlage gaat in meer detail in op de verschillende duurzame oplossingen en warmtebronnen. Wilt u hier meer over weten, dan verwijzen wij u naar het Expertise Centrum Warmte.
Capaciteit van het elektriciteitsnetwerk All-electric, hybride oplossingen en warmtenetten met lagetemperatuur-warmtebronnen maken gebruik van warmtepompen om warmte op een bruikbare temperatuur te leveren. Dit kost elektriciteit, waardoor extra duurzame energie nodig is. Ook moet het elektriciteitsnetwerk deze extra vraag aankunnen. Dit kan betekenen dat het elektriciteitsnetwerk hiervoor verzwaard moet worden. Dit kan een belangrijk aandachtspunt zijn bij de ontwikkeling. Het elektriciteitsnetwerk in de gemeente Ooststellingwerf Voor alle buurten geldt dat er in meer of mindere mate aanpassingen nodig zijn aan het elektriciteitsnet 11, wanneer gehele buurten overstappen op een all-electric warmteoplossing. Met name in het buitengebied is het elektriciteitsnetwerk (zowel het laagspannings- als het middenspanningsnet) geschikt om op grotere schaal individuele (hybride dan wel all-electric) warmtepompen toe te passen. In alle dorpen zijn in meer of mindere mate aanpassingen nodig aan het elektriciteitsnet. Met name in Ravenswoud. Nijeberkoop, Makkinga en Elsloo is dit een aandachtspunt vanwege de flinke aanpassingen die nodig zijn. Hierbij moet wel vermeld worden dat andere ontwikkelingen zoals elektrische auto’s, lokale opwek van elektriciteit en nieuwbouw ervoor kunnen zorgen dat het elektriciteitsnet alsnog verzwaard moet 11
Op basis van de informatie uit de buurtanalysetool van netbeheerder Liander over de geschiktheid van de MSR’s en het laagspanningsnet bij all-electric.
11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
Projectgerelateerd
worden. Uiteindelijk zal er door de netbeheerder per geval gekeken moeten worden welke aanpassingen op dat moment nodig zijn. Het elektriciteitsnetwerk in de gemeente Weststellingwerf De geschiktheid van het elektriciteitsnet bij overschakeling op een all-electric warmteoplossing verschilt per buurt. Zo is er een aantal dorpen (Nijeholtwolde. Oldeholtwolde, Nijetrijne en Peperga) waar het elektriciteitsnet geschikt is voor all-electric individuele oplossingen. Daarnaast is er ook een aantal buurten waar flinke aanpassingen nodig zijn (De Blesse, Langelille). Voor de overige buurten geldt dat er ook in meer of mindere mate verzwaring nodig is van het elektriciteitsnet. Hierbij moet wel gezegd worden dat andere ontwikkelingen zoals elektrische auto’s, lokale opwek van elektriciteit en nieuwbouw ervoor kunnen zorgen dat het elektriciteitsnet alsnog verzwaard moet worden. Uiteindelijk zal er door de netbeheerder per geval gekeken moeten worden welke aanpassingen op dat moment nodig zijn. Het elektriciteitsnetwerk in de gemeente Opsterland Voor alle buurten geldt dat er in meer of mindere mate aanpassingen nodig zijn aan het elektriciteitsnet 12, wanneer gehele buurten overstappen op een all-electric warmteoplossing.
Met name in het buitengebied is het elektriciteitsnetwerk (zowel het laagspannings- als het middenspanningsnet) geschikt om op grotere schaal individuele warmtepomp-toepassingen toe te passen. Voor de dorpskernen geldt dat wanneer hele buurten en dorpen overstappen op een all-electric warmteoplossing (warmtepompen zonder gasketels), het elektriciteitsnetwerk in een aantal buurten en dorpen aanzienlijk verzwaard moet worden. Hierbij moet wel vermeld worden dat andere ontwikkelingen zoals elektrische auto’s, lokale opwek van elektriciteit en nieuwbouw ervoor kunnen zorgen dat het elektriciteitsnet alsnog verzwaard moet worden. Uiteindelijk zal er door de netbeheerder per geval gekeken moeten worden welke aanpassingen op dat moment nodig zijn.
Collectieve oplossing: warmtenet Een warmtenet is een netwerk van leidingen onder de grond waar warm water doorheen stroomt. Dit wordt ook wel stadsverwarming genoemd. In elke woning zit een afleverset met een warmtemeter waar de warmte geleverd wordt aan de woning. Een warmtenet kan warm water leveren op verschillende temperaturen (van 10 tot 90 graden). Afhankelijk van het energielabel van de woning is er nog een warmtepomp nodig in de woning om het water op de gewenste temperatuur te brengen voor bijvoorbeeld douchen of verwarmen. Er zijn verschillende warmtebronnen die voor warm water kunnen zorgen. Mogelijke warmtebronnen zijn bijvoorbeeld restwarmte (van bedrijven), geothermie (aardwarmte) of aquathermie (warmte uit
12
Op basis van de informatie uit de buurtanalysetool van netbeheerder Liander over de geschiktheid van de MSR’s en het laagspanningsnet bij all-electric.
11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
Projectgerelateerd
oppervlaktewater, afvalwater of leidingwater). Deze warmtebronnen worden hieronder één voor één uitgelicht.
Warmtenetten in de gemeente Ooststellingwerf In meerdere buurten in de gemeente Ooststellingwerf komt een warmtenet naar voren als kansrijke oplossing. Het gaat dan in alle gevallen om kleinschalige, lokale warmtenetten die niet op het niveau van hele dorpen en buurten worden aangelegd omdat de warmtebronnen beperkt beschikbaar zijn. De kleinschalige warmtenetten dekken dan een gedeelte van het dorp of de buurt, waarbij de rest van de gebouwen overgaat op een individuele oplosing. Het kan hier bijvoorbeeld gaan om clusters van huizen binnen een buurt waar huizen relatief dichtbij elkaar staan. De nabijheid van een warmtebron speelt ook een rol in de mate waarin een lokaal, kleinschalig warmtenet kansrijk is. De buurten waarvoor een kleinschalig warmtenet (in combinatie met individuele oplossingen) als kansrijk wordt beschouwd, bevinden zich vooral in Oosterwolde (Prandinga, de buurten in het centrum, Duistereweg, Snellingerdijk, Zuid). Het gaat om kleinschalige warmtenetten met lagetemperatuurrestwarmte, WKO en TEO. In Oosterwolde zou mogelijk 10 tot 60% van de gebouwen in deze buurten aangesloten kunnen op een warmtenet. Geothermie komt voor Oosterwolde ook als kansrijke bron naar voren. Gezien het beperkte schaalniveaus van de mogelijke warmteclusters, is geothermie in de praktijk echter niet kansrijk.
Voor geothermie zijn met de huidige stand van de techniek minstens 4000 woningen nodig om deze bron rendabel in te kunnen zetten. Behalve voor de buurten in Oosterwolde is ook in de buurt Sinnehiem in Haulerwijk een kleinschalig warmtenet kansrijk met WKO en TEO. Gezien de beperkte beschikbaarheid van de warmtebronnen kan ongeveer 10% van de gebouwen aangesloten worden. 11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
Projectgerelateerd
Warmtenetten in de gemeente Weststellingwerf In twee kernen in de gemeente Weststellingwerf bevinden zich buurten waarvoor een warmtenet als kansrijk naar voren komt. In Wolvega geldt dat voor het centrum, de Stationsbuurt, de Stuyvesantbuurt, Lindenoord en de Staatsliedenbuurt een warmtenet kansrijk is dat de gehele buurt dekt met restwarmte van het bedrijventerrein en de RWZI. De exacte potentie en toekomstige beschikbaarheid van restwarmte zullen nader onderzocht moeten worden waarbij ook moet blijken of er genoeg restwarmte beschikbaar is voor alle buurten of dat er aanvullende bronnen nodig zijn. In de aangrenzende buurten De Scheene, de Schildersbuurt en de Oranjebuurt geldt dat een kleinschalig warmtenet met WKO of lagetemperatuur-restwarmte als kansrijk naar voren komt vanwege de beperkte beschikbaarheid van de warmtebronnen (dekkingsgraad van 15%-35%). Het resterende deel van de gebouwen krijgt dan een individuele oplossing. In Noordwolde geldt dat een kleinschalig warmtenet met lagetemperatuur-restwarmte of TEO met WKO als kansrijk naar voren komt. Vanwege de beperkte beschikbaarheid van de warmtebronnen kunnen hiermee een deel van de gebouwen van warmte voorzien in de buurten Noordwolde - Hoofdstraat en De Stelling.
Warmtenetten in de gemeente Opsterland In twee kernen in de gemeente Opsterland bevinden zich buurten waarvoor een warmtenet als kansrijk naar voren komt: Gorredijk en Beetsterzwaag. Het gaat in beide gevallen om kleinschalige, lokale warmtenetten vanwege de beperkte beschikbaarheid van de warmtebronnen. De kleinschalige warmtenetten dekken dan een gedeelte van het dorp of de buurt, waarbij de rest van de gebouwen overgaat op een individuele oplossing. Het gaat hier dan vaak om clusters van woningen of gebouwen binnen een buurt waar huizen relatief dicht op elkaar staan. De nabijheid van een warmtebron speelt ook een rol in de mate waarin een lokaal warmtenet kansrijk is. In Gorredijk betreft dit het centrum en De Groene Long. Het gaat hier om warmtenetvarianten met dekkingsgraden tussen de 15% en 30% met lagetemperatuur-restwarmte en TEO met WKO als warmtebronnen. Ook in het centrum van Beetsterzwaag lijkt een kleinschalig warmtenet kansrijk met WKO, waarbij circa 25% van de aanwezige gebouwen mogelijk op het warmtenet aangesloten kan worden. Geothermie komt hierbij ook als kansrijke bron naar voren. Gezien het beperkte schaalniveaus van de mogelijke warmteclusters, is geothermie in de praktijk echter niet kansrijk. Voor geothermie zijn met de huidige stand van de techniek minstens 4000 woningen nodig om deze bron rendabel in te kunnen zetten.
Restwarmte Restwarmte komt vrij bij een productie-, verwerkings- of verwarmingsproces. Bijvoorbeeld bij een fabriek, een datacenter of een afvalverbrandingsinstallatie. Deze warmte kan vervolgens via een warmtenet getransporteerd worden naar gebouwen. Restwarmte is warmte die over is en niet meer binnen het bedrijf zelf wordt gebruikt. De beschikbare restwarmte is geïnventariseerd binnen de
11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
Projectgerelateerd
gemeentegrenzen op basis van openbare gegevens (RVO warmteatlas, Wetterskip Fryslân) en informatie en onderzoeken vanuit de RES Fryslân.
Restwarmte in de gemeente Ooststellingwerf Uit onze inventarisatie blijkt dat er in de gemeente Ooststellingwerf weinig bruikbare restwarmtebronnen met voldoende vermogen beschikbaar zijn die dicht bij geschikte woonwijken liggen. In Oosterwolde is de RWZI de belangrijkste restwarmtebron. Hiervoor zijn ook kansen om deze in te zetten voor een warmtenet. De overige restwarmtebronnen zijn ongunstig gelegen ten opzichte van woningen die van deze restwarmte gebruik kunnen maken of zijn van dusdanige lage capaciteit dat de schaal en leveringszekerheid onvoldoende is. Restwarmte in de gemeente Weststellingwerf Uit onze inventarisatie blijkt dat er in de gemeente Weststellingwerf vooral binnen Wolvega in potentie een aantal restwarmtebronnen met voldoende vermogen beschikbaar is. Het gaat dan om warmte van het industrieterrein ten noorden van de kern, waarvan de restwarmte van de locatie van FrieslandCampina en de RWZI het grootste deel vormt. De beschikbaarheid van deze restwarmte moet nader onderzocht worden. Restwarmte in de gemeente Opsterland Uit onze inventarisatie blijkt dat er in de gemeente Opsterland weinig bruikbare restwarmtebronnen met voldoende vermogen beschikbaar zijn die voldoende dicht bij geschikte woonwijken liggen. In Gorredijk is mogelijk lagetemperatuur-restwarmte beschikbaar die ingezet kan worden als bron voor een warmtenet.
11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
Projectgerelateerd
Er is wel een aantal potentiële restwarmtebronnen geïdentificeerd binnen de gemeente Opsterland. De belangrijkste zijn de RWZI in Gorredijk, een aantal gemalen en Frisian Egg B.V. op het bedrijventerrein Azeven in de buurt van Ureterp, gelegen direct ten zuiden van Drachten (gemeente Smallingerland). Deze zijn echter niet gunstig gelegen ten opzichte van woningen die van deze restwarmte gebruik kunnen maken óf van dusdanige lage capaciteit dat de schaal en leveringszekerheid onvoldoende is. Voor Frisian Egg B.V. liggen er in de toekomst mogelijk wel kansen om deze restwarmte in te zetten voor het bedrijventerrein en nieuwe ontwikkelingen zoals een energiehub met centrale opwekking van biogas. Deze ontwikkelingen blijven wij in het kader van de vijfjaarlijkse herijkingscyclus van de Transitievisie Warmte volgen.
Geothermie (aardwarmte) Geothermie, ook wel aardwarmte genoemd, is het gebruik van warmte uit de diepe ondergrond vanaf 500 meter en dieper voor het verwarmen van huizen, gebouwen, kassen en lichte industrie. Er worden twee gaten geboord, ook wel bronnen genoemd, tot een diepte van 500 tot 3000 meter. Via de ene bron wordt het hete water uit de bodem gepompt. De warmte wordt met een warmtewisselaar uit het water gehaald en via de tweede bron weer de bodem in gepompt. Of geothermie mogelijk is hangt af van de bodemgesteldheid en -samenstelling. Tussen de geothermiebron en de gebouwen is een warmtenet nodig met voldoende geschikte warmtevragers. Een vuistregel hierbij is dat – conform de huidige staat van de techniek er ongeveer 4000 woningen nodig zijn. Afhankelijk van de diepte kan geothermie een warmtenet direct voorzien van warmte met een temperatuur van circa 70-90 °C. Momenteel wordt geothermie vooral toegepast in de glastuinbouwsector. Er zijn projecten in ontwikkeling voor de gebouwde omgeving.
11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
Projectgerelateerd
Geothermie in de gemeente Ooststellingwerf In de gemeente Ooststellingwerf is de ondergrond matig tot redelijk geschikt voor (diepe) geothermie afhankelijk van de exacte locatie. Om meer zekerheid te krijgen over de potentie van de ondergrond is verdiepend onderzoek naar de geschiktheid van de bodem nodig. Op dit moment is geothermie echter geen kansrijke oplossing voor de gemeente Ooststellingwerf. De hiervoor benodigde schaalgrootte van 4.000 aansluitbare woningen kan niet worden gehaald. In de toekomst kan dit veranderen als bijvoorbeeld ondiepe geothermie verder ontwikkeld is. In deze versie van de Transitievisie Warmte nemen we geothermie op dit moment niet mee als potentiële warmteoplossing op de WAT-kaart. Geothermie in de gemeente Weststellingwerf In de gemeente Weststellingwerf is de ondergrond matig tot redelijk geschikt voor (diepe) geothermie afhankelijk van de exacte locatie. Om meer zekerheid te krijgen over de potentie van de ondergrond is verdiepend onderzoek naar de geschiktheid van de bodem nodig. Op dit moment is geothermie echter geen kansrijke oplossing voor de gemeente Weststellingwerf. De hiervoor benodigde schaalgrootte van 4.000 aansluitbare woningen kan niet worden gehaald. In de toekomst kan dit veranderen als bijvoorbeeld ondiepe geothermie verder ontwikkeld is.
In deze versie van de Transitievisie Warmte nemen we geothermie op dit moment niet mee als potentiële warmteoplossing op de WAT-kaart. Geothermie in de gemeente Opsterland In de gemeente Opsterland is de ondergrond matig tot redelijk geschikt voor (diepe) geothermie afhankelijk van de exacte locatie. Om meer zekerheid te krijgen over de potentie van de ondergrond is verdiepend onderzoek naar de geschiktheid van de bodem nodig. Op dit moment is geothermie echter geen kansrijke oplossing voor de gemeente Opsterland. De hiervoor benodigde schaalgrootte van 4.000 aansluitbare woningen kan niet worden gehaald. In de toekomst kan dit veranderen als bijvoorbeeld ondiepe geothermie verder ontwikkeld is. In deze versie van de Transitievisie Warmte nemen we geothermie op dit moment niet mee als potentiële warmteoplossing op de WAT-kaart.
Warmte-koudeopslagsystemen (WKO) Bij een warmte-koudeopslagsysteem (WKO) wordt warmte en koude in de vorm van water in een watervoerend pakket in de bodem gepompt en opgeslagen. In de winter wordt de warmte uit de bodem gepompt voor het verwarmen van gebouwen. Het afgekoelde water wordt vervolgens weer in de bodem gepompt als koude. In de zomer wordt de koude uit de bodem gepompt voor het koelen van gebouwen. Het opgewarmde water wordt weer in de bodem gepompt als warmte voor in de winter. Om dit überhaupt te kunnen doen is het belangrijk dat de bodem geschikt is voor het opslaan van water. Het cruciale verschil tussen een WKO en diepe geothermie is dat de bij een WKO de warmte niet uit de aarde zelf komt maar via het actief verwarmen van water. Dat warme water wordt vervolgens in de zomer in de WKO gepompt. De visualisatie hieronder toont hoe een WKO-systeem in combinatie met een aquathermie-systeem werkt. Een WKO kan ook gebruikt worden als duurzame koudebron, waarmee in de zomer gekoeld kan worden. Dit is alleen mogelijk bij geschikte gebouwen; goede isolatie en speciale radiatoren of vloerverwarming. Een aandachtspunt is dat de bodem niet te veel afkoelt door het onttrekken van warmte uit de bodem. 11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
Projectgerelateerd
De mate van dit probleem hangt af van het type gebouw dat wordt aangesloten op een WKO en de bijbehorende warmte en koudevraag. Om te zorgen dat de bodem niet te veel afkoelt kan in de zomer extra warmte opgeslagen worden in de bodem. In de gemeente Opsterland zijn hiervoor verschillende warmtebronnen mogelijk: • Aquathermie (TEO) • Lagetemperatuur-restwarmte • Warmtepompen.
WKO in de gemeente Ooststellingwerf De ondergrond in de gemeente Ooststellingwerf is geschikt voor WKO. Er is wel een verbodsgebied voor WKO binnen de gemeente, maar die ligt buiten de bebouwde kern van Appelscha. Verder zijn er wel aandachtsgebieden bij de ontwikkeling van WKO vanwege gebieden met natuur, aardkundige en archeologische waarden. Dit vormt echter geen beperking voor de ontwikkeling van WKO. WKO in de gemeente Weststellingwerf De ondergrond in de gemeente Weststellingwerf is geschikt voor WKO. Er is wel een verbodsgebied voor WKO binnen de gemeente die deels over de kern van Oldeholtpade valt. Daarnaast heeft het Vitens aangegeven dat er ten noorden van Wolvega mogelijk nieuwe beschermingsgebieden gaan komen waardoor WKO niet meer toegestaan is. Verder zijn er wel aandachtsgebieden bij de ontwikkeling van WKO vanwege gebieden met natuur, aardkundige en archeologische waarden. Dit vormt echter geen beperking voor de ontwikkeling van WKO.
11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
Projectgerelateerd
WKO in de gemeente Opsterland De ondergrond in de gemeente Opsterland is geschikt voor WKO. Er is wel een verbodsgebied voor WKO binnen de gemeente, maar die ligt buiten de bebouwde kern van Beetsterzwaag. Verder zijn er wel aandachtsgebieden bij de ontwikkeling van WKO vanwege gebieden met natuur, aardkundige en archeologische waarden. Dit vormt echter geen beperking voor de ontwikkeling van WKO.
Aquathermie Aquathermie is een verzamelnaam voor drie technieken waarbij de warmte uit water kan worden gebruikt om warmtenetten van warmte te voorzien. Oppervlaktewater en afvalwater zijn twee warmtebronnen die steeds vaker worden gebruikt voor warmtenetten. Deze bronnen, en dan met name het oppervlaktewater (rivieren, meren) zijn in Nederland vaak en veelvuldig aanwezig waardoor de continuïteit voor de lange termijn is gegarandeerd. Ook drinkwater(leidingen) wordt als mogelijke warmtebron gezien. Aquathermie levert, vanwege de relatief lage watertemperatuur, lagetemperatuur-warmte voor de verwarming van gebouwen. Er is daarom een warmtepomp nodig om de warmte naar een bruikbare temperatuur te brengen waarmee gebouwen comfortabel verwarmd kunnen worden in de winter. Dit kan ook betekenen dat het elektriciteitsnetwerk verzwaard moet worden. Warmte uit oppervlaktewater (TEO) Een aquathermie-systeem kan gebruikmaken van thermische energie uit oppervlaktewater (afgekort: TEO). Bij een aquathermie-systeem op basis van TEO wordt warmte onttrokken uit het bovengrondse oppervlaktewater. In de praktijk zijn er vaak regels en randvoorwaarden voor het onttrekken van warmte uit de wateren, waardoor de bron (met name in de koudere periode) niet optimaal benut kan worden. Dit maakt dat TEO vaak gecombineerd wordt met een WKO.
In de zomer wordt de warmte uit het oppervlaktewater gewonnen en opgeslagen in één of meerdere WKO-systemen.
11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
Projectgerelateerd
Warmte uit afvalwater | riothermie (TEA) Een aquathermie-systeem kan ook gebruik maken van thermische energie uit afvalwater (afgekort als TEA). In dit systeem wordt warmte onttrokken uit rioleringsbuizen (riothermie) of uit afvalwater bij een rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI). In veel gevallen is de temperatuur van de bron (effluentwater) hoger dan bij oppervlaktewater. Ook zijn er minder temperatuurschommelingen dan bij oppervlaktewater. De rioleringsbuizen dienen wel constant voldoende effluent te vervoeren om er leverbare warmte uit te onttrekken.
11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
Projectgerelateerd
Warmte uit drinkwater (TED) Eén van de vormen van aquathermie is thermische energie uit drinkwater (afgekort als TED). Warmtewinning uit drinkwater kan een interessante optie kan zijn vanwege de constante beschikbaarheid van de warmte. Het uitwisselen van warmte met drinkwater is iets eenvoudiger dan bij vuil rioolwater. Omdat het leidingwater een lage temperatuur heeft, wordt het gecombineerd met een warmtepomp. Bovendien moet er voldoende water door de drinkwaterleiding stromen om er leverbare warmte aan te onttrekken. 11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
Projectgerelateerd
Aquathermie in de gemeente Ooststellingwerf We bekijken de mate waarin aquathermie-systemen kansrijk zijn per technologie: Warmte uit oppervlaktewater (TEO) Voor Oosterwolde biedt de Opsterlandse Compagnonsvaart en het Grootdiep veel potentie voor TEO. Voor Haulerwijk biedt de Haulerwijkstervaart veel potentie voor TEO. Dit oppervlaktewater grenst aan de bebouwde kom. Daarnaast is de bodem ook geschikt voor WKO, waardoor de warmte in de zomer onttrokken en opgeslagen kan worden in de bodem. Warmte uit afvalwater | riothermie (TEA) De RWZI in Oosterwolde biedt beperkte kansen voor TEA. Verder zijn er in de gemeente Ooststellingwerf geen kansrijke bronnen voor TEA geïdentificeerd. Riothermie is voor de gemeente Ooststellingwerf niet verder onderzocht vanwege het ontbreken van (openbare) informatie. Warmte uit drinkwater (TED) Voor de gemeente Ooststellingwerf is TED niet verder onderzocht vanwege het ontbreken van (openbare) informatie. Aquathermie in de gemeente Weststellingwerf We bekijken de mate waarin aquathermie-systemen kansrijk zijn per technologie: Warmte uit oppervlaktewater (TEO) De Noordwoldervaart direct ten noorden van het centrum van Noordwolde is als kansrijke bron voor TEO geïdentificeerd. Hiermee kan een gedeelte van Noordwolde potentieel van warmte worden voorzien.
Daarnaast is de bodem ook geschikt voor WKO waardoor de warmte in de zomer onttrokken en opgeslagen kan worden in de bodem. 11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
Projectgerelateerd
Warmte uit afvalwater | riothermie (TEA) De RWZI in Wolvega biedt beperkte kansen voor TEA. Verder zijn er in de gemeente Weststellingwerf geen kansrijke bronnen voor TEA geïdentificeerd. Riothermie is voor de gemeente Weststellingwerf niet verder onderzocht vanwege het ontbreken van (openbare) informatie. Warmte uit drinkwater (TED) Voor de gemeente Weststellingwerf is TED niet verder onderzocht vanwege het ontbreken van (openbare) informatie. Aquathermie in de gemeente Opsterland We bekijken de mate waarin aquathermie-systemen kansrijk zijn per technologie: Warmte uit oppervlaktewater (TEO) Voor Gorredijk bieden de Opsterlandse Compagnonsvaart, de Nije Feart en de Lange Wyk potentie voor TEO. Deze oppervlaktewateren liggen ook gunstig ten opzichte van de gebouwde omgeving. Daarnaast is de bodem ook geschikt voor WKO, waardoor de warmte in de zomer onttrokken en opgeslagen kan worden in de bodem. Warmte uit afvalwater | riothermie (TEA) De RWZI in Gorredijk is geïdentificeerd als mogelijke warmtebron o.b.v. TEA. Door de lage warmtepotentie en de ligging ten opzichte van de gebouwde omgeving is deze RWZI echter te classificeren als minder kansrijk. Riothermie is voor de gemeente Opsterland niet verder onderzocht vanwege het ontbreken van (openbare) informatie.
Warmte uit drinkwater (TED) Voor de gemeente Opsterland is TED niet verder onderzocht vanwege het ontbreken van (openbare) informatie.
Individuele oplossing: warmtepomp Een warmtepomp is een elektrisch, energiezuinig alternatief voor een cv-ketel op (aard)gas. De warmtepomp levert warmte in een temperatuurrange van 30°C-50°C. Dat is aanzienlijk lager dan de circa 80°C van een HR-ketel. Daarom is het nodig om een gebouw te isoleren tot minimaal schillabel B. Verder is een lagetemperatuur-verwarmingssysteem nodig, zoals vloerverwarming en/of lagetemperatuurradiatoren of -convectoren. Er worden ook warmtepompen ontwikkeld die een hogere temperatuur kunnen halen. Deze zijn echter minder zuinig, door de lagere efficiëntie. Daardoor hebben dergelijke warmtepompen meestal hogere energiekosten tot gevolg. Een warmtepomp onttrekt warmte uit de bodem (bodemwarmtepomp) of de buitenlucht (luchtwarmtepomp) en gebruikt dat om water op te warmen voor warm tapwater en verwarming. Om de warmtepomp aan te turen is elektriciteit nodig. Met 1 deel elektriciteit maakt een warmtepomp 2 tot 6 delen warmte. De warmtepomp is dus een zeer efficiënte techniek. 11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
Projectgerelateerd
De duurzaamheid van de warmtepomp is afhankelijk van de elektriciteit die gebruikt wordt. Voor een duurzame oplossing is ook duurzame elektriciteit nodig. Lokale opwek (bijvoorbeeld zonnepanelen) draagt bij aan een duurzaam systeem. Een bodemwarmtepomp kan een huis ook efficiënt koelen, met een zeer laag energiegebruik. Hierdoor is een traditionele airconditioner, die doorgaans erg veel energie verbruikt, niet meer nodig. Lucht-waterwarmtepompen kunnen ook koelen, maar verbruiken hiervoor meer energie dan een bodemwarmtepomp. Warmtepompen kunnen worden ingezet voor een all-electric oplossing, waarbij er alleen gebruik wordt gemaakt van elektriciteit. Warmtepompen kunnen ook worden ingezet in een hybride strategie, waarbij de warmtepomp het grootste deel van het jaar wordt ingezet en wanneer het erg koud is gebruik wordt gemaakt van een kleine HR-gasketel.
Luchtwarmtepompen Voor een luchtwarmtepomp is een buitenunit nodig. Dit is een ventilatorkast aan de buitenkant van de woning, net als bij een traditionele airco. Dit heeft invloed op de uitstraling van de woning. De ventilator maakt ook geluid, wat soms als hinderlijk ervaren kan worden. Sinds 2021 is een striktere geluidsnorm van kracht voor warmtepompen. Om de impact van geluid te beperken moet de plek van een buitenunit daarom zorgvuldig uitgezocht worden en wordt vaak een geluidsisolerende behuizing geplaatst. Zie voor meer informatie ook de website van milieucentraal.
Luchtwarmtepompen in de gemeente Ooststellingwerf Luchtwarmtepompen hebben een grote potentie in de gemeente Ooststellingwerf. Vooral in de buitengebieden en bij nieuwere gebouwen is dit een zeer kansrijke warmteoplossing. Op veel plekken het elektriciteitsnetwerk zijn in grote mate geschikt. Wanneer huizen een goede schilisolatie (> label B) hebben, is een volledig elektrische warmtepomp het meest logische alternatief voor aardgas. 11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
Projectgerelateerd
Luchtwarmtepompen in de gemeente Weststellingwerf Luchtwarmtepompen hebben een grote potentie in de gemeente Weststellingwerf. Vooral in de buitengebieden en bij nieuwere gebouwen is dit een zeer kansrijke warmteoplossing. Op veel plekken is het elektriciteitsnetwerk in grote mate geschikt. Wanneer huizen een goede schilisolatie (> label B) hebben, is een volledig elektrische warmtepomp het meest logische alternatief voor aardgas. Luchtwarmtepompen in de gemeente Opsterland Luchtwarmtepompen hebben een grote potentie in de gemeente Opsterland. Vooral in de buitengebieden en bij nieuwere gebouwen is dit een zeer kansrijke warmteoplossing. Op veel plekken het elektriciteitsnetwerk zijn in grote mate geschikt. Wanneer huizen een goede schilisolatie (> label B) hebben, is een volledig elektrische warmtepomp het meest logische alternatief voor aardgas.
Bodemwarmtepompen Een bodemwarmtepomp is een warmtepompsysteem dat de bodem als warmtebron gebruikt. De warmtepomp maakt gebruik van een zogenaamde ‘bodemwarmtewisselaar’ om warmte aan de bodem te onttrekken. Dit worden ook wel bodemlussen genoemd. Het is een efficiënte en prettige manier van verwarmen. Hiervoor is wel een hogere investering nodig vooraf ten opzichte van een luchtwarmtepomp. De ondergrond moet ter plaatse van het gebouw wel geschikt zijn en het moet toegestaan zijn om bodemlussen te plaatsen. Op sommige plekken is dat niet het geval, bijvoorbeeld in grondwaterbeschermingsgebieden.
Bodemwarmtepompen in de gemeente Ooststellingwerf De bodem in de gemeente Ooststellingwerf is geschikt voor de toepassing van bodemwarmtepompen. Er zijn geen zones bij voorbaat uitgesloten voor het plaatsen van bodemlussen. Wel worden
11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
Projectgerelateerd
randvoorwaarden gesteld door de provincie. Dit heeft te maken met aandachtsgebieden voor archeologie, aardkundige waarden en natuur. Bodemwarmtepompen in de gemeente Weststellingwerf De bodem in de gemeente Weststellingwerf is geschikt voor de toepassing van bodemwarmtepompen. Er zijn naast de waterwingebieden geen zones bij voorbaat uitgesloten voor het plaatsen van bodemlussen. Wel worden randvoorwaarden gesteld door de provincie. Dit heeft te maken met aandachtsgebieden voor archeologie, aardkundige waarden en natuur. Bodemwarmtepompen in de gemeente Opsterland De bodem in de gemeente Opsterland is geschikt voor de toepassing van bodemwarmtepompen. Er zijn geen zones bij voorbaat uitgesloten voor het plaatsen van bodemlussen. Wel worden randvoorwaarden gesteld door de provincie. Dit heeft te maken met aandachtsgebieden voor archeologie, aardkundige waarden en natuur.
Individuele oplossing: hernieuwbaar gas Het is ook mogelijk om voor een deel van de warmtevraag het gasnet te blijven gebruiken. Dat kan door duurzame, hernieuwbare vormen van gas te gebruiken. Hernieuwbare gassen dragen niet bij aan de netto CO2-uitstoot, hoewel er bij de verbranding wel CO2 vrijkomt. Dat komt doordat hernieuwbaar gas wordt geproduceerd uit hernieuwbare bronnen, zoals organisch materiaal en duurzame elektriciteit. Voorbeelden van hernieuwbaar gas zijn groengas, biogas en waterstof. Omdat de beschikbaarheid van deze soorten gas beperkt is, doen we dat altijd in combinatie met een hybride warmtepomp.
Groengas en biogas Biogas is een soort gas dat vrijkomt bij vergisting van organisch materiaal, zoals mest en groenafval. Groengas is biogas dat is opgewaardeerd naar aardgaskwaliteit. Voor gebruik in woningen en gebouwen is groengas eenvoudiger te gebruiken dan biogas, omdat het dezelfde eigenschappen als aardgas heeft. Hierdoor kan groengas via het bestaande gasnet getransporteerd worden en hoeven de installaties en apparatuur in woningen en gebouwen niet te worden aangepast. Bij biogas zou dat wel moeten gebeuren of is er een apart gasnetwerk nodig. Groengas kan overal worden toegepast waar op dit moment ook aardgas gebruikt wordt. Maar op dit moment is de beschikbaarheid van groengas nog erg klein. Er zal nu en in de toekomst niet genoeg biomassa beschikbaar zijn om alle buurten in Nederland met groengas te verwarmen. Er moet dus gekozen worden waar groengas het beste ingezet kan worden. Vanwege de beperkte beschikbaarheid en de onzekerheid over de toekomst is het verstandig om groengas alleen in te zetten in buurten waar de andere aardgasvrije strategieën veel duurder of technisch niet haalbaar zijn. In deze buurten kunnen veel kosten worden uitgespaard als wordt gekozen voor groengas in plaats van een van de andere warmteopties. 11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
Projectgerelateerd
Daarnaast is het belangrijk om het groengas zo efficiënt mogelijk in te zetten. Daarom is het verstandig om ook deze warmteoplossing altijd te combineren met een hybride warmtepomp en isolatiemaatregelen.
Waterstof Het toepassen van waterstof in gebouwen is een techniek die nog volop in ontwikkeling is. Waterstof is eigenlijk geen energiebron, maar een energiedrager. Er is energie voor nodig om waterstof te produceren. Nu gebeurt dat nog vaak met behulp van aardgas. We spreken over hernieuwbare waterstof als dit geproduceerd is met behulp van duurzame elektriciteit zoals wind- en zonne-energie. Hierbij gaat ook relatief veel energie verloren. Een efficiënte warmtepomp levert in vergelijking veel (tussen de 5 en 15 keer) meer warmte op voor dezelfde hoeveelheid elektriciteit. Gezien de beperkte productie van duurzame elektriciteit is het niet waarschijnlijk dat waterstof veel gebruikt gaat worden voor het verwarmen van gebouwen, zeker niet op de korte termijn. Daarnaast is waterstof ook een belangrijke grondstof en energiebron voor de industrie en het transport. De verwachting is dat hernieuwbare waterstof vooral gebruikt zal worden om de industrie te verduurzamen omdat er in de industrie weinig alternatieven zijn. Voor meer informatie kunt u de website van het Expertise Centrum Warmte bekijken.
Hybride warmtepompen Een hybride warmtepomp is een warmtepomp die op elektriciteit werkt in combinatie met een HR-ketel op gas (dat kan zowel aardgas zijn als een hernieuwbaar gas). De elektrische warmtepomp levert de basislast van de warmtevraag. Als de warmtepomp niet voldoende warmte kan leveren, bijvoorbeeld op een koude dag in de winter of bij warm tapwater verbruik, neemt de HR-ketel het over. De warmtepomp zal het grootste gedeelte van de warmtevraag gedurende het jaar invullen. Voor welk type woningen is een hybride warmtepomp geschikt? Om dit systeem efficiënt te kunnen toepassen, moeten de gebouwen tot minimaal schillabel D worden geïsoleerd, maar bij voorkeur natuurlijk nog beter. Dit zorgt voor minder verbruik van elektriciteit en gas. In het begin kan van aardgas gebruik gemaakt blijven worden. Vanwege de inzet van de efficiënte warmtepomp en de isolatiemaatregelen is al veel minder aardgas nodig en daalt de CO2-uitstoot van het gebouw flink. Als op termijn hernieuwbare gassen, zoals groengas of waterstof, beschikbaar komen, kan dit bijgemengd worden in het bestaande gasnet. De uitstoot van CO2 neemt dan af tot 0 bij 100% hernieuwbaar gas.
11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
Projectgerelateerd
Hernieuwbaar gas in de gemeente Ooststellingwerf Het is voor de gemeente Ooststellingwerf nog niet bekend of en waar hernieuwbare gassen beschikbaar komen. We kunnen daarom nog niet zeggen of hybride oplossingen ook na 2050 tot de mogelijkheden blijven behoren. Overstappen op een hybride oplossing kan echter ook een tussenstap zijn naar een volledig all-electric warmtepomp. Inzet van hybride warmtepompen is daarom een goede (tussen)stap voor gebouwen die geen gebruik kunnen maken van warmtenetten. Dit geldt zeker voor oudere gebouwen die moeilijk in een keer naar all-electric kunnen gaan. In 2021 is onderzoek gedaan naar de beschikbare biomassa voor de productie van groengas 13. De inschatting is dat er met de beschikbare biomassa 302 TJ tot maximaal 477 TJ groengas geproduceerd kan worden per jaar. Dit is gelijk aan ongeveer 45% tot 72% van de (verwachte) warmtevraag in 2030. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat alle beschikbare biomassa gebruikt wordt of deels geëxporteerd wordt naar andere gebieden. Er wordt op dit moment bij Oosterwolde een pilot gedaan om te onderzoeken of het mogelijk is om rendabel waterstofgas te produceren uit overschotten van zonne-energie. Dit gebeurt echter op een dusdanig kleine schaal dat dit geen duurzame warmteoplossing is die op grotere schaal in de gemeente kan worden toegepast.
Hernieuwbaar gas in de gemeente Weststellingwerf Het is voor de gemeente Weststellingwerf nog niet bekend of en waar hernieuwbare gassen beschikbaar komen. We kunnen daarom nog niet zeggen of hybride oplossingen ook na 2050 tot de mogelijkheden blijven behoren. Overstappen op een hybride oplossing kan echter ook een tussenstap zijn naar een 13
Groen gas en haar bijdrage aan de Friese energietransitie. New Energy Coalition (2021).
11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
Projectgerelateerd
volledig all-electric warmtepomp. Inzet van hybride warmtepompen is daarom een goede (tussen)stap voor gebouwen die geen gebruik kunnen maken van warmtenetten. Dit geldt zeker voor oudere gebouwen die moeilijk in een keer naar all-electric kunnen gaan. In 2021 is onderzoek gedaan naar de beschikbare biomassa voor de productie van groengas 14. De inschatting is dat er met de beschikbare biomassa 357 TJ tot maximaal 499 TJ groengas geproduceerd kan worden per jaar. Dit is gelijk aan ongeveer 55% tot 77% van de (verwachte) warmtevraag in 2030. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat alle beschikbare biomassa gebruikt wordt of deels geëxporteerd wordt naar andere gebieden. Hernieuwbaar gas in de gemeente Opsterland Het is voor de gemeente Opsterland nog niet bekend of en waar hernieuwbare gassen beschikbaar komen. We kunnen daarom nog niet zeggen of hybride oplossingen ook na 2050 tot de mogelijkheden blijven behoren. Overstappen op een hybride oplossing kan echter ook een tussenstap zijn naar een volledig all-electric warmtepomp. Inzet van hybride warmtepompen is daarom een goede (tussen)stap voor gebouwen die geen gebruik kunnen maken van warmtenetten. Dit geldt zeker voor oudere gebouwen die moeilijk in een keer naar all-electric kunnen gaan. In 2021 is onderzoek gedaan naar de beschikbare biomassa voor de productie van groengas 15.