Bijlage 1 Transitievisie Warmte OWO.pdf
Tekst van het document
RAPPORT Transitievisie Warmte OWO-gemeenten
Klant:
Gemeente Ooststellingwerf, Weststellingwerf en Opsterland
Referentie: T&PBH7480R001F01 Status:
Definitief/01
Datum:
11 oktober 2021
Projectgerelateerd
HASKONINGDHV NEDERLAND B.V.
Euvelgunnerweg 25A 9723 CV Groningen Mobility & Infrastructure Trade register number: 56515154 +31 88 348 53 00 T info@rhdhv.com E royalhaskoningdhv.com W
Titel document: Transitievisie Warmte
OWO-gemeenten
Ondertitel: Referentie: T&PBH7480R001F01 Status: 01/Definitief Datum: 11 oktober 2021 Projectnaam: Projectnummer: BH7480 Auteur(s): Dion Glastra & Daan Smit Gecontroleerd door: Daan Smit Datum: 11-10-2021 Goedgekeurd door: Daan Smit Datum: 11-10-2021
Classificatie Projectgerelateerd
Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. HaskoningDHV Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever. Let op: dit document bevat persoonsgegevens van medewerkers van HaskoningDHV Nederland B.V. en dient voor publicatie of anderszins openbaar maken te worden geanonimiseerd. 11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
i
Projectgerelateerd
Inhoud 1
Inleiding
1
1.1
De noodzaak om over te gaan op duurzame energiebronnen
1
1.2
Doel van de Transitievisie Warmte
1
1.3
Leeswijzer
2
2
De kaders voor de warmtetransitie
3
2.1
Relevante planvormen voor de warmtetransitie
3
2.1.1 2.1.2
Klimaatakkoord (nationaal) Regionale Energie Strategie (RES)
3 4
2.2
Rol van gemeenten in de warmtetransitie
4
3
Het proces naar de Transitievisie Warmte
6
3.1
Enquête onder inwoners
6
3.2
Gesprekken met focusgroepen
6
3.3
Technische analyse met stakeholders
7
3.3.1 3.3.2 3.3.3
Stakeholders in de gemeente Ooststellingwerf Stakeholders in de gemeente Weststellingwerf Stakeholders in de gemeente Opsterland
7 8 8
4
Maatschappelijke verwachtingen
10
4.1
Uitkomsten participatietraject
10
4.2
Gemeentelijke uitgangspunten
11
5
De alternatieven voor aardgas
13
5.1
De opgave
13
5.2
De reële alternatieven voor aardgas
13
5.2.1
Duurzame oplossingen uitgelegd
14
5.3
Verkenning van de warmte-alternatieven per gemeente
15
5.4
De besparingspotentie per gemeente
18
6
Invulling van de regierol in de warmtetransitie
21
6.1
Onze visie en ambitie
21
6.2
De regierol van de gemeente
22
6.2.1 6.2.2
Onze rol bij individuele warmte-alternatieven Onze rol bij collectieve warmte-alternatieven
23 24
6.3
Acties vanuit de Transitievisie Warmte
24
11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
iii
Projectgerelateerd
Bijlagen 1. Uitkomsten participatietraject 2. Uitgangspuntennotitie 3. Verdieping: hoe werken de oplossingen en welke warmtebronnen zijn er beschikbaar? 4. Verdieping: hoe is de WAT-kaart bepaald? 5. Besparingspotentieel op buurtniveau
11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
iii
Projectgerelateerd
1
Inleiding
1.1
De noodzaak om over te gaan op duurzame energiebronnen
Uit het nieuwste rapport van het IPPC 1 (het klimaatpanel van de Verenigde Naties) blijkt dat het klimaat is opgewarmd door menselijk gedrag en dat dat zelfs nog sneller gaat dan eerst gedacht. De invloed van de mens is niet meer ‘zeer waarschijnlijk’ maar ‘onbetwistbaar’. Zo’n snelle opwarming als nu is in ieder geval de laatste tweeduizend jaar niet voorgekomen. De opwarming heeft in de hele wereld al grote veranderingen veroorzaakt. Dit uit zich vooral in een sterke toename van weersextremen. De belangrijkste oorzaak van de klimaatverandering ligt in de sterk toegenomen uitstoot van het broeikasgas CO2 (koolstofdioxide) gedurende de laatste 200 jaar. CO2 wordt door de mens uitgestoten als gevolg van allerlei dagelijkse processen, zoals industriële productie, het verbranden van brandstoffen ten behoeve van transport, het opwekken van elektriciteit en ook het verwarmen van gebouwen. Om de klimaatverandering te beperken, is het doel van de Nederlandse overheid om in 2050 bijna geen CO2 meer uit te stoten. Om dit doel te behalen worden veel verschillende maatregelen genomen. Ook in de gebouwde omgeving, zoals onze dorpen en steden. Dit is in 2019 vastgelegd in het Klimaatakkoord, onze nationale bijdrage aan het internationale Akkoord van Parijs (2015).
Door minder aardgas te gebruiken en uiteindelijk in 2050 alle gebouwen aardgasvrij te verwarmen, verminderen we de uitstoot van CO2. Behalve de klimaatverandering zijn er meer redenen om het gebruik van aardgas te verminderen. De winning van aardgas leidt namelijk tot aardbevingen, bijvoorbeeld in Groningen. Daarmee gaan schade en grote maatschappelijke onrust gepaard. Ook in onze gemeenten wordt er aardgas uit kleine velden gewonnen, waartegen veel weerstand bestaat. Ook daarom willen we het gebruik van aardgas afbouwen. We gebruiken aardgas om gebouwen te verwarmen, te koken en om warm te kunnen douchen. De komende 28 jaar gaan we stapsgewijs over van aardgas naar een duurzaam alternatief. Deze verandering wordt ook wel de warmtetransitie genoemd. Een belangrijke eerste stap daarin ligt bij ons als gemeenten: het opstellen van een Transitievisie Warmte.
1.2
Doel van de Transitievisie Warmte
Deze Transitievisie Warmte beschrijft en onderbouwt welke realistische alternatieven er in onze gemeenten zijn voor aardgas. Maar de warmtetransitie is naast een technische exercitie vooral een maatschappelijk vraagstuk waarmee de opgave achter elke voordeur komt. Daarom staat in deze visie ook hoe wij als gemeenten Ooststellingwerf, Weststellingwerf en Opsterland naar de warmtetransitie kijken, welke uitgangspunten we hanteren en hoe we verder willen samenwerken aan de uitvoering met onze inwoners en andere stakeholders. Deze Transitievisie Warmte laat zien waar we nu staan. Daarnaast beschrijft deze Transitievisie Warmte de eerste acties richting aardgasvrije woningen en gebouwen in onze drie gemeenten. Dit is geen eindbeeld, maar een eerste stap: de komende jaren zullen we regelmatig de Transitievisie Warmte blijven aanpassen als dat nodig is. Inzet daarbij is om richting 2030 veel minder aardgas te verbruiken en daarmee veel minder CO2 uit te stoten. Met als einddoel een volledig aardgasvrije gebouwde omgeving in 2050. Als gemeenten Ooststellingwerf, Weststellingwerf en Opsterland hebben we gezamenlijk deze Transitievisie Warmte opgesteld. Daar waar nodig zijn de verschillen tussen de gemeenten aangegeven. 1
Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) (2021). Sixth Assessment Report.
11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
1
Projectgerelateerd
De gemeenteraden van de drie gemeenten behandelen de visie individueel en besluiten per raad over de vaststelling. Aanleiding voor de Transitievisie Warmte is het nationale Klimaatakkoord. Daarin is bepaald dat alle gemeenten in Nederland eind 2021 over een Transitievisie Warmte beschikken en regisseur zijn voor de warmtetransitie in hun gemeente. De warmtetransitie is niet van vandaag op morgen uitgevoerd; het kost tijd en geld om alle gebouwen te verduurzamen en van het aardgas af te halen. Maar om de klimaatverandering en de nadelige gevolgen van de gaswinning te beteugelen is wel actie nodig. Met de Transitievisie Warmte willen we alle gebouweigenaren in onze gemeenten handvatten geven om hun gebouwen op een (kosten)effectieve manier te verduurzamen, zodat alle gebouwen aardgasvrij zijn in 2050. Met andere woorden: we bieden handelingsperspectief. Kader: Waar de Transitievisie Warmte niet over gaat Het is van belang om te onderstrepen dat de Transitievisie Warmte gaat over het stap voor stap aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving en niet gaat over het opwekken van duurzame elektriciteit. In de Transitievisie Warmte wordt niets bepaald over waar bijvoorbeeld windparken en zonnevelden komen. Dat wordt in andere beleidsdocumenten bepaald. Ook heeft de Transitievisie Warmte geen betrekking op de industrie.
Daar wordt aardgas namelijk niet alleen maar gebruikt om het gebouw te verwarmen, maar ook om bijvoorbeeld producten te maken. In de sectortafel Industrie onder het Klimaatakkoord zijn verdere afspraken gemaakt over de te zetten stappen naar 2050.
1.3
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 van dit rapport staan de belangrijkste beleidskaders voor de warmtetransitie beschreven. In hoofdstuk 3 is het proces weergegeven dat is gevolgd om tot deze Transitievisie Warmte te komen. Vervolgens staat in hoofdstuk 4 een overzicht van de belangrijkste uitkomsten van het participatietraject en de bestuurlijke uitgangspunten voor de warmtetransitie. De uitkomsten van de technische analyse staan beschreven in hoofdstuk 5. Tot slot is in hoofdstuk 6 aangegeven hoe de drie gemeenten de komende jaren invulling geven aan hun regierol in de warmtetransitie.
11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
2
Projectgerelateerd
2
De kaders voor de warmtetransitie
In het Klimaatakkoord is afgesproken dat er uiterlijk in 2050 geen aardgas meer wordt gebruikt om woningen en andere gebouwen te verwarmen. De reden hiervoor is enerzijds dat aardgas een fossiele brandstof is die tot CO2-uitstoot leidt. Anderzijds is ook de wens om de winning van aardgas in Nederland te beëindigen een van de redenen om het gebruik van aardgas af te bouwen. Overal in Nederland moeten wij aan de slag om in de komende 28 jaar alle gebouwen aardgasvrij te maken. Ook in onze gemeenten. Op verschillende niveaus worden hiervoor plannen gemaakt. Hieronder volgt een overzicht van de belangrijkste planvorming rondom de energie- en warmtetransitie.
2.1
Relevante planvormen voor de warmtetransitie
Op nationaal, regionaal en lokaal niveau worden plannen gemaakt voor de energie- en warmtetransitie. Voor deze plannen geldt; hoe kleiner de schaal, hoe gedetailleerder de plannen.
2.1.1
Klimaatakkoord (nationaal)
Op landelijk niveau is op 28 juni 2019 het Klimaatakkoord vastgesteld. In het Klimaatakkoord 2 staat dat de totale uitstoot van CO2 in 2030 met minimaal 49% moet zijn gedaald (ten opzichte van de uitstoot in het jaar 1990). In 2021 is in Europese verband afgesproken dit te verhogen naar 55%. In 2050 mag er bijna helemaal geen uitstoot van CO2 meer zijn. In dat jaar moet de uitstoot met minimaal 95% zijn gedaald. De gebouwde omgeving (verwarmen van gebouwen) is één van de vijf sectoren uit het Klimaatakkoord. Aangezien de opgave voor de gebouwde omgeving zeer complex is, geldt voor 2030 voor de gebouwde omgeving de doelstelling om 20% van alle gebouwen en woningen in Nederland aardgasvrij te maken. In 2050 moeten alle gebouwen en woningen aardgasvrij zijn.
Afbeelding 1: weergave Klimaatakkoord. De Transitievisie Warmte heeft betrekking op de Klimaattafel van de gebouwde omgeving. 2
Het Klimaatakkoord is op 28 juni 2019 gesloten tussen de Rijksoverheid en een brede vertegenwoordiging vanuit het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Het vormt de kern van het Nederlandse klimaatbeleid en geeft invulling aan de afspraken die gemaakt zijn op de Klimaattop in Parijs in 2015. Daarbij is afgesproken dat de gemiddelde temperatuur van de Aarde niet met meer dan 2°C mag stijgen in de periode tot en met het jaar 2100.
11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
3
Projectgerelateerd
Op nationaal niveau wordt gewerkt aan wetten en regelgeving om de energie- en warmtetransitie mogelijk te maken. Naast wat er gebeurt in de gebouwde omgeving (waaronder ook deze Transitievisie Warmte), gebeurt dat ook op de andere vier Klimaattafels: Elektriciteit, Industrie, Mobiliteit en Landbouw. Ook werkt de Rijksoverheid aan plannen en budgetten om de energie- en warmtetransitie betaalbaar te maken én te houden voor iedereen.
2.1.2
Regionale Energie Strategie (RES)
Op regionale schaal is er de Regionale Energie Strategie, ook wel de RES genoemd. Hierin werken gemeenten, provincie en waterschappen samen om te bepalen waar duurzame elektriciteit (zon en wind) wordt opgewekt. Ook staat in de RES welke en hoeveel duurzame warmtebronnen in de regio beschikbaar zijn. Dat staat in de Regionale Structuur Warmte (RSW). Op de website van de RES Fryslân kunt u meer lezen over de plannen in de provincie Fryslân. De gemeenteraden van Ooststellingwerf, Weststellingwerf en Opsterland hebben in de zomer van 2021 ingestemd met de RES 1.0.
2.2
Rol van gemeenten in de warmtetransitie
Gemeenten zijn volgens het Klimaatakkoord de regisseurs van de warmtetransitie voor de gebouwde omgeving. Via het Klimaatakkoord heeft de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) deze regierol gevraagd en ook toegewezen gekregen. Een van de taken die de gemeenten hebben, is het opstellen van een Transitievisie Warmte. Die moeten eind 2021 zijn vastgesteld. Een Transitievisie Warmte moet minimaal een globale planning bevatten wanneer welke dorpen en buurten naar verwachting van het aardgas kunnen worden afgekoppeld. Voor de dorpen en buurten die voor 2030 gepland staan maakt de gemeente de mogelijke warmte-alternatieven bekend 3. De Transitievisie Warmte geeft richting in de aanpak. De visie wordt minimaal elke vijf jaar herzien om in te spelen op nieuwe ontwikkelingen, innovaties en technieken. Na de Transitievisie Warmte volgt stapsgewijs een uitwerking op dorp- en buurtniveau. In nauwe samenwerking stellen inwoners, gemeente en andere stakeholders (bijv. netbeheerders, woningbouwcorporaties, lokale energiecorporaties) uitvoeringsplannen op. In de uitvoeringsplannen komen bijvoorbeeld de volgende zaken aan de orde: - Technische en sociale analyse; - Financiën: investeringskosten, business case, financiering etc.; - Risico’s en onzekerheden; - Rolverdeling, besluitvorming; - Planning.
3
Bron: VNG.nl
11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
4
Projectgerelateerd
Uitvoeringsplan
Een uitvoeringsplan op dorps- of buurtniveau kent vier stappen. Stap 1: Analyse en verkenning De eerste stap is een analyse van het dorp of de buurt; de huizen, de bewoners, de bedrijven, de ouderdom en capaciteit van de energie-infrastructuur. Ook kan worden gekeken naar de sociale structuur en verwachte ontwikkelingen in het dorp (koppelkansen). De dorpsenergievisie geeft antwoord op de vraag welk warmtealternatief (warmtenet, all electric, hybride en/ of besparen) voor het dorp het meest geschikt lijkt om als alternatief voor aardgas te dienen. Stap 2: Keuzes maken (uitwerken van het uitvoeringsplan) Na de verkenning en analyse volgt een nadere uitwerking en financiële doorrekening van het meest kansrijke scenario (of combinatie van scenario’s). In stap 2 wordt bepaald hoe de verschillende kosten betaald en verdeeld worden en welke subsidies er zijn. Stap 3: Plan van aanpak Het dorpsenergieplan is een plan op hoofdlijnen. In deze derde stap wordt dat uitgewerkt tot een concreet plan van aanpak. Wie gaat wat doen? Wat samen en wat gebeurt individueel? Wie zijn de samenwerkingspartners? Hoe is de planning? Hoe wordt de financiering geregeld? Het plan van aanpak wordt opgesteld in overleg met dorp/buurt en is erop gericht zoveel mogelijk huiseigenaren aan te zetten tot het nemen van maatregelen. Stap 4: Uitvoering De vierde stap is dan de daadwerkelijke uitvoering.
Dat gebeurt op basis van het uitvoeringsplan, waarin ook is vastgelegd hoe de gemeente en andere professionele stakeholders tijdens de transitieperiode bewoners ondersteunt en de voortgang monitort.
11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
5
Projectgerelateerd
3
Het proces naar de Transitievisie Warmte
In Ooststellingwerf, Weststellingwerf en Opsterland zijn we in december 2020 gezamenlijk gestart met het traject om te komen tot de Transitievisie Warmte. Meerdere redenen lagen ten grondslag aan deze samenwerking. Allereerst lijken we als drie gemeenten zowel qua bebouwingstructuur, woningenbestand en aanbod van verschillende duurzame warmtebronnen op elkaar. Daarnaast wordt door samen te werken optimaal gebruik gemaakt van elkaars kennis en ervaring en is de gezamenlijke aanpak efficiënter. Tenslotte werken we in OWO-verband ook al op andere thema’s samen.
Afbeelding 2: proces Transitievise Warmte Ooststellingwerf, Weststellingwerf en Opsterland.
De gemeente heeft een regierol, maar de warmtetransitie is een opgave voor veel verschillende partijen en uiteindelijk krijgen alle inwoners er direct mee te maken. We hebben er daarom voor gekozen om zowel bij inwoners als professionele stakeholders input op te halen voor deze Transitievisie Warmte. Zo borgen we een zo breed mogelijk draagvlak voor de warmtetransitie in onze gemeenten. In dit hoofdstuk leest u welke stappen zijn gezet om in gesprek te gaan met en gebruik te maken van de kennis van inwoners en organisaties.
3.1
Enquête onder inwoners
De gemeenten hebben een enquête verspreid via onlinekanalen en advertenties in de huis-aan-huis bladen. Aanvullend is de enquête in Ooststellingwerf voorgelegd aan een bewonerspanel. De enquête bestond uit zeven vragen. Deze zeven vragen geven inzicht in het kennisniveau van ‘aardgasvrij wonen’ en achterhalen in hoeverre mensen nu zelf al bezig zijn met stappen om hun huis te verduurzamen. Men kreeg daarnaast ook de kans om aan te geven welke aandachtspunten voor hen het belangrijkste zijn wanneer woningen aardgasvrij worden. De belangrijkste uitkomsten van de enquête staan in hoofdstuk 4 en een uitgebreide rapportage vindt u in bijlage 1.
3.2
Gesprekken met focusgroepen
Om vanuit verschillende invalshoeken informatie te verkrijgen is ervoor gekozen om vertegenwoordigers van plaatselijke belangen, agrariërs en lokale energie-initiatieven te benaderen voor zogenaamde focusgroepen. In totaal zijn er tien focusgroep gesprekken gehouden in de periode mei/juni 2021. In de
11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
6
Projectgerelateerd
eerste drie weken zijn er gesprekken gevoerd met vertegenwoordigers van plaatselijke belangen, waarbij elke week één gemeente aan bod is gekomen. Vervolgens zijn er in de vierde week gesprekken gevoerd met agrariërs en lokale energie-initiatieven van de drie gemeenten. Naast de tien focusgroep gesprekken zijn vijf vertegenwoordigers van ondernemers in de regio geïnterviewd en is er een gesprek geweest met de huurdersverenigingen. Tijdens deze gesprekken zijn de volgende onderwerpen aanbod gekomen: 1. 2. 3. 4.
De verwachte weerstand; Kansen waar de gemeenten op kunnen inspelen; Betrekken inwoners, agrariërs en ondernemers bij de warmtetransitie; De rol die de eigen organisatie kan of wil spelen.
De belangrijkste uitkomsten van de focusgroepen staan in hoofdstuk 4 en een gedetailleerde rapportage vindt u in bijlage 1.
3.3
Technische analyse met stakeholders
Een aantal stakeholders (zoals netbeheerder Liander en de verschillende woningbouwcorporaties) hebben als het gaat om de warmtevoorziening veel inhoudelijke kennis en ook een belangrijke rol in de uitvoering van de warmtetransitie. Dit zijn dan ook de partners van de gemeente. Hun kennis is, samen met de kennis die de gemeentelijke organisatie zelf al heeft, gebruikt bij het opstellen van deze Transitievisie Warmte. De stakeholders hebben gegevens aangeleverd over bijvoorbeeld de netinfrastructuur en het woningenbestand. Deze gegevens zijn verwerkt en op basis daarvan zijn twee werksessies gehouden met de stakeholders. In de eerste sessie is op CBS-buurtniveau gekeken naar realistische alternatieven voor aardgas en in de tweede sessie is gesproken over uitgangspunten voor het bepalen van de volgorde om in dorpen en buurten aan de slag te gaan. Alle onderzoeken die in het kader van de Transitievisie Warmte zijn gedaan zijn door de stakeholders getoetst. Zo is geborgd dat de Transitievisie Warmte een realistisch beeld geeft en aansluit bij de lokale situatie. We hebben de bevindingen van het onderzoek in een bijeenkomst met de stakeholders besproken. De uitkomsten van beide werksessies en de technische analyses zijn verwerkt in hoofdstuk 5 Hieronder kunt u per gemeente zien welke stakeholders hebben bijgedragen aan de Transitievisie Warmte:
3.3.1 • • • • •
Stakeholders in de gemeente Ooststellingwerf Gemeente Ooststellingwerf; Netbeheerder Liander; Wetterskip Fryslân; Waterbedrijf Vitens; Woningcorporaties Actium en WoonFriesland.
11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
7
Projectgerelateerd
3.3.2 • • • • •
3.3.3 • • • • •
Stakeholders in de gemeente Weststellingwerf Gemeente Weststellingwerf; Netbeheerder Liander; Wetterskip Fryslân; Waterbedrijf Vitens; Woningcorporaties Woningstichting Weststellingwerf, WoonFriesland en Actium.
Stakeholders in de gemeente Opsterland Gemeente Opsterland; Netbeheerder Liander; Wetterskip Fryslân; Waterbedrijf Vitens; Woningcorporaties Elkien en WoonFriesland.
11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
8
Projectgerelateerd
11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
9
Projectgerelateerd
4
Maatschappelijke verwachtingen
De warmtetransitie is een complexe opgave. Het zal nog tientallen jaren duren voordat alle woningen en gebouwen aardgasvrij zijn. Tegelijkertijd heeft nu handelen al direct een effect voor de komende jaren en kan niet langer worden gewacht met het zetten van de benodigde stappen. In paragraaf 4.1 geven we de belangrijkste thema’s weer die naar voren zijn gekomen uit de enquête en de focusgroepen. Als OWOgemeenten hebben we een aantal uitgangspunten geformuleerd die als basis dienen voor de uitvoeringsplannen en meer duidelijkheid geven aan inwoners en stakeholders. De uitgangspunten staan opgesomd in paragraaf 4.2.
4.1
Uitkomsten participatietraject
Zoals in hoofdstuk 3 aangegeven hebben veel mensen meegedacht over deze Transitievisie Warmte. Een uitgebreide rapportage is te vinden in bijlage 1. In de enquête en de gesprekken komen een aantal punten steeds terug die belangrijk zijn als het gaat om draagvlak voor de warmtetransitie bij de inwoners van onze gemeenten. 1. Wel begrip, maar geen urgentie Dat het klimaat door menselijk handelen verandert, is voor het overgrote deel van de inwoners geen discussiepunt. Dat er landelijke plannen zijn om stapsgewijs van het aardgas af te gaan, hebben veel mensen vanuit de landelijke media ook meegekregen. De vertaling naar de eigen gemeente en de eigen woning wordt door veel mensen nog niet gemaakt. De urgentie om zelf nú iets te doen wordt bij de meeste mensen niet of nauwelijks gevoeld. Anderzijds is er ook een groep mensen die juist graag vaart wil maken met de warmtetransitie, maar zij lopen er tegenaan dat er nog weinig geregeld is. Daarnaast is er veel onduidelijkheid over wat men kan doen óf hoe men dat kan doen waardoor de meeste mensen het verstandig vinden eerst maar af te wachten. 2. Duidelijke informatie In de media zijn veel tegenstrijdige berichten als het gaat om de energietransitie in het algemeen en de warmtetransitie in het bijzonder.
Er is behoefte aan duidelijke en betrouwbare informatie over de warmtetransitie, maar zeker ook over de mogelijke duurzame alternatieven voor aardgas die voor hun buurt of dorp geschikt zijn. Vanuit de huurdersverenigingen is bijvoorbeeld goede ervaring opgedaan met het delen van ervaringen van huurders die al een aardgasvrije woning huren. De meeste inwoners geven aan die informatie te verwachten vanuit de (lokale) overheid. 3. Betaalbaarheid Veel inwoners maken zich zorgen om de benodigde investering en hebben geen zicht op de (financiële) consequenties voor hun eigen woning. Het helpt om inwoners een financieel voordeel te bieden ten aanzien van aardgasvrij wonen om hen beter aan te haken bij dit proces en om enthousiasme te wekken. Lokale energiecorporaties merken ook dat veel inwoners willen participeren als duurzaamheid wordt gecombineerd met een aantrekkelijk financieel aanbod. Als deze randvoorwaarden zijn vervuld, zijn inwoners vaak wel bereid om mee te investeren. 4. Plannen maken met dorp of buurt Het aardgasvrij-ready 4 of volledig aardgasvrij maken van een woning is nog best ingewikkeld. Veel inwoners kunnen en/of willen de technische en financiële mogelijkheden niet allemaal uitzoeken. Om tot uitvoering van maatregelen te komen is het een goed idee om plannen gezamenlijk te maken met
4
Aardgasvrij-ready betekent dat woningen bouwkundig (isolatie) en installatietechnisch gereed zijn om over te schakelen van aardgas naar een duurzaam alternatief.
11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
10
Projectgerelateerd
vertegenwoordigers van het dorp of de buurt. Dit zorgt voor betrokkenheid van mensen die het zelf direct aangaat en voorkomt dat “ieder voor zich het wiel gaat uitvinden”. 5. Persoonlijke situatie en concreet aanbod Om tot actie over te gaan, is inzicht gewenst in die maatregelen die voor de eigen woningen effectief en haalbaar zijn, en ook wat hiervan de voor- en nadelen zijn. Een concreet aanbod, bijvoorbeeld vanuit een uitvoeringsplan (zie hiervoor ook het kader op bladzijde 5), kan dan helpen om mensen ook tot actie over te laten gaan. Gebouweigenaren verwachten een proactieve rol van hun gemeente als het gaat om informatie, het nemen van het voortouw en het maken van de eerste plannen. Over de concrete uitwerking denken de gebouweigenaren graag ook proactief mee.
4.2
Gemeentelijke uitgangspunten
In de aanloop naar het opstellen van deze Transitievisie Warmte hebben de gemeenten Ooststellingwerf, Weststellingwerf en Opsterland gezamenlijk een aantal uitgangspunten gehanteerd. Deze uitgangspunten geven aan wat we als gemeenten op voorhand belangrijk vinden in de warmtetransitie en maken duidelijk op basis waarvan beleidsmatige keuzes worden gemaakt. De uitgangspunten zijn hieronder te lezen. De uitgangspunten zijn opgesteld in een uitgangspuntennotitie, die met de gemeenteraden van de drie gemeenten is gedeeld. U kunt in de bijlage 2 ‘uitgangspuntennotitie’ de volledige uitgangspuntennotitie bekijken. 1. Participatie: keuzevrijheid en eigen tempo staan centraal Iedere inwoner, ondernemer of andere gebouweigenaar kan meedenken en werken aan de aanpak in zijn of haar eigen dorp of buurt. We stimuleren en enthousiasmeren inwoners om zo met voldoende draagvlak aan de slag gaan. Ieder gebouw wordt op termijn aardgasvrij, maar het staat een gebouweigenaar vrij om zelf een warmte-alternatief te kiezen. Binnen de doelstellingen uit het klimaatakkoord en deze Transitievisie Warmte kiezen we daarom voor twee principes bij het aardgasvrij worden: • Keuzevrijheid; • Eigen tempo. 2.
Actieve houding: faciliteren en stimuleren van inwoners en ondernemers We hebben een actieve houding in het faciliteren en stimuleren van onze inwoners en ondernemers tot het nemen van energiebesparende maatregelen. Waar mogelijk doen we dit samen met het lokale bedrijfsleven. 3. Betaalbaarheid: de laagste maatschappelijke kosten Er zijn veel zorgen over de betaalbaarheid van de warmtetransitie, zowel onder onze inwoners als onze ondernemers. Daarom wordt woonlastenneutraliteit, net als in het Klimaatakkoord, als uitgangspunt genomen. Dat betekent dat wij streven naar het toepassen van alternatieven voor aardgas die qua kosten voor de eindgebruiker zo dicht mogelijk bij het huidige systeem liggen. 4. Duurzaam: alles wat we doen draagt bij aan het verminderen van de CO2-uitstoot Maatregelen moeten niet alleen maar gericht zijn op het aardgasvrij maken of beperken van het aardgasverbruik, maar moeten ook bijdragen aan het daadwerkelijk terugdringen van de uitstoot van CO2. Daarom zijn wij geen voorstander van het inzetten van houtige biomassa voor de warmtetransitie.
11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
11
Projectgerelateerd
5. Realistisch ambitieniveau: wel beginnen, maar niet te snel Onze gemeenten zijn typische plattelandsgemeenten: ze zijn dunbevolkt en bestaan voor een groot deel uit buitengebied. De alternatieven voor aardgas zijn in ons type gemeenten beperkt, zeker als het om collectieve oplossingen zoals warmtenetten gaat. Als gemeenten richten we ons daarom de komende jaren op het reduceren van de CO2-uitstoot door isolatiemaatregelen te stimuleren en te starten met de eerste uitvoeringsplannen in enkele dorpen of buurten. Dit geeft kennis en inzicht voor de jaren die volgen. 6. Beproefde technieken hebben de voorkeur, maar met een open vizier voor nieuwe mogelijkheden Om de warmtetransitie betaalbaar te houden, werken we in onze gemeenten bij voorkeur met al beschikbare technieken die zich in de praktijk bewezen hebben. Wel houden we oog voor nieuwe ontwikkelingen en innovaties en spelen hier eventueel flexibel op in. Zo ondersteunen we het initiatief in Oosterwolde om waterstof te produceren met zonne-energie op piekmomenten.
11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
12
Projectgerelateerd
5
De alternatieven voor aardgas
In 2050 moeten alle gebouwen aardgasvrij worden verwarmd. In dit hoofdstuk wordt in paragraaf 5.1 aangegeven hoe groot de opgave voor Ooststellingwerf, Weststellingwerf en Opsterland is. Vervolgens beschrijft paragraaf 5.2 welke duurzame alternatieven er zijn voor aardgas. Op dorps- en buurtniveau is aangegeven wat op dit moment het meest reële warmte-alternatief is (paragraaf 5.3). Omdat beperking van de warmtevraag altijd goed en slim is, is het besparingspotentieel door isolatie van gebouwen berekend en weergegeven in paragraaf 5.4.
5.1
De opgave
We staan aan het begin van de warmtetransitie. Maar dat wil niet zeggen dat we op nul beginnen. In alle drie gemeenten zijn inwoners, woningcorporaties en ondernemers bezig met het verduurzamen van hun woningen en gebouwen. Alle nieuwbouwwoningen worden inmiddels aardgasvrij gebouwd. Dat is wettelijk zo geregeld, vanaf 1 juli 2018 geldt bij het aanvragen van bouwvergunningen een aansluitverbod. Ooststellingwerf
Weststellingwerf
Opsterland
Aantal inwoners
25.000
26.000
30.000
Aantal woningen/ gebouwen
11.000
12.000
13.000
0,35%
0,30%
1,69%
23 miljoen
23 miljoen
26 miljoen
Aantal aardgasvrije woningen (o.b.v. gegevens CBS, 2019)
Aardgasverbruik gebouwde omgeving in m3 (o.b.v. gegevens Klimaatmonitor)
Tabel 1: overzicht van de opgave in de gebouwde omgeving per gemeente.
Via het iReport kunt u een aantal korte filmpjes bekijken waarin inwoners en ondernemers in de drie OWO-gemeenten laten zien hoe hun gebouw of woning is verduurzaamd.
5.2
De reële alternatieven voor aardgas
De eerste logische stap in de warmtetransitie is het besparen van energie, vooral via na-isolatie van de woningen en gebouwen. Dit is altijd een goed idee, want energie die je niet meer gebruikt hoef je ook niet op te wekken of in te kopen. Ook vanuit betaalbaarheid is dit erg belangrijk; maatregelen om minder energie te verbruiken zijn vaak financieel aantrekkelijk omdat de investering snel wordt terugverdiend. Omdat nog niet voor elke buurt en voor elk dorp al duidelijk is hoe aardgasvrij verwarmen eruit kan komen te zien, is het besparen van energie een goede eerste stap die inwoners in hun eigen tempo kunnen zetten. Zo worden de gebouwen al klaar gemaakt om op termijn ook aardgasvrij te worden. We noemen dit aardgasvrij-ready. Dat is goed voor het milieu en voor de portemonnee. Dit geeft alle gebouweigenaren in de gemeente nu al handelingsperspectief: iedereen kan beginnen door aan de slag te gaan met energiebesparing en isolatiemaatregelen. Ergens in de periode tussen nu en 2050 komt het moment waarop het aardgas wordt vervangen door een duurzame warmteoplossing zonder aardgas. Er zijn verschillende manieren om woningen en gebouwen op een duurzame manier te verwarmen. Bijvoorbeeld door een warmtepomp, warmtenet, groengas of waterstof. Welke buurt wanneer aan de beurt is, zal de komende jaren bekend worden.
Daarvoor wordt deze Transitievisie Warmte minstens elke vijf jaar geactualiseerd. Ook de techniek zal zich de komende 11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
13
Projectgerelateerd
jaren doorontwikkelen. Door de transitievisie regelmatig te actualiseren worden nieuwe technieken meegenomen. Welk warmte-alternatief het meest kansrijk is, hangt af van wat technisch en financieel haalbaar is. Dit verschilt per dorp of buurt en soms zelfs per straat of gebouw. De woningen, gebouwen, de bebouwingsdichtheid en eventuele lokale warmtebronnen zijn namelijk overal anders. Onze gemeenten zijn in ruimtelijk-geografisch opzicht vergelijkbaar: in alle drie de gemeenten zijn één of twee grotere dorpen en een groter aantal kleinere kernen te vinden, die allen worden gekenmerkt door een zeer divers gebouwenbestand. Er is weinig hoogbouw in onze gemeenten en relatief veel agrarisch gebied.
5.2.1
Duurzame oplossingen uitgelegd
In dit onderdeel noemen we meerdere keren de termen individuele oplossing en collectieve oplossing. Individuele en collectieve oplossingen zijn manieren om woningen en gebouwen uiteindelijk duurzaam te verwarmen. Van zowel individuele als collectieve oplossingen zijn er meerdere vormen. Daarover leest u meer in bijlage 3 ‘Verdieping: hoe werken de oplossingen en welke warmtebronnen zijn er beschikbaar?. Bij een individuele oplossing laat de woning- of gebouweigenaar op een zelfgekozen moment, zelf zijn cvketel vervangen door een duurzame warmte-oplossing. Meestal is dit een (hybride) warmtepomp. De keuze is afhankelijk van de beschikbare bronnen (elektriciteit en hernieuwbaar gas). Dit wordt bepaald in het uitvoeringsplan. Bij collectieve oplossingen – zoals een warmtenet – is die keuze alleen mogelijk als de oplossing ook (collectief) wordt aangeboden en afgenomen. Daar wordt een duurzame warmtebron gedeeld met de hele straat, buurt of wijk. In de bijlage 3 ‘Verdieping: hoe werken de oplossingen en welke warmtebronnen zijn er beschikbaar?’ en in de infographic hieronder is meer informatie over de individuele en collectieve eindoplossingen te vinden.
Afbeelding 3: overzicht duurzame warmte-alternatieven
11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
14
Projectgerelateerd
5.3
Verkenning van de warmte-alternatieven per gemeente
Op basis van data van gemeenten en stakeholders en de startanalyse van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), is een modelmatige analyse gemaakt van de meest reële warmte-alternatieven per dorp of buurt. Dit is grafisch verwerkt in de zogenaamde “WAT-kaart”: een kaartweergave van de gemeente met daarop voor alle dorpen en buurten aangegeven welk warmte-alternatief het meest geschikt is. De WAT-kaart is bepaald aan de hand van ‘maatschappelijke kosten’. Met maatschappelijke kosten worden de kosten voor de hele maatschappij bedoeld. Dat is een optelsom van allerlei kosten, zoals de kosten van het gebruiken van een warmtebron tot het aanleggen van de infrastructuur en de kosten om een gebouw geschikt te laten maken. Meer informatie is te vinden in de bijlage 4 ‘Verdieping: hoe is de WAT-kaart bepaald?’. De warmte-alternatieven die in de WAT-kaart staan weergegeven zijn op basis van een model berekend en vervolgens getoetst op basis van kennis bij onze gemeenten en de professionele stakeholders. De kaarten geven een goede eerste indicatie van de mogelijkheden. De definitieve keuze voor een specifiek warmte-alternatief voor een dorp of buurt kan pas worden gemaakt in de uitvoeringsplannen.
Afbeelding 4: warmte-alternatieven voor de gemeente Ooststellingwerf
11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
15
Projectgerelateerd
Afbeelding 5: warmte-alternatieven voor de gemeente Weststellingwerf
Afbeelding 6: warmte-alternatieven voor de gemeente Opsterland 11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
16
Projectgerelateerd
Voor de gemeenten Ooststellingwerf, Weststellingwerf en Opsterland geldt dat voor het overgrote deel van de woningen een individuele optie het meest reële warmte-alternatief is voor aardgas. De meeste woningen staan namelijk relatief ver uit elkaar, waardoor aanleg van een warmtenet per aansluiting erg duur is en er veel warmteverlies optreedt. Daarnaast zijn er weinig warmtebronnen aanwezig om een warmtenet te voeden. Een individuele oplossing, volledig elektrisch of hybride, blijft dan over. Het onderscheid tussen all-electric en hybride is gemaakt op basis van het bouwjaar van de gebouwen. Als gebouwen na 1993 zijn gebouwd dan is het uitgangspunt dat ze dermate energiezuinig zijn of zijn te maken dat all-electric het beste alternatief is. Als 90% van de gebouwen in een dorp of buurt van na 1993 is, dan is deze aangemerkt als een all-electric buurt. Dit betreft de volgende buurten: • Wolvega: Lindewijk • Wolvega: Vlinderwijk • Oosterwolde: Biezenkamp • Appelscha: Noord • Ureterp: Fugelliet • Gorredijk: Loevestein Voor veel dorpen en buurten geldt dat voor een deel van de woningen all-electric het beste alternatief lijkt en voor een deel van de woningen hybride. In de kaarten staan deze buurten dan als hybride (in het lichtblauw) aangegeven. In een aantal kernen kan een (kleinschalig) collectieve warmte-oplossing een optie zijn.
Het gaat dan bijvoorbeeld om het verwarmen van een deel van een buurt door middel van aquathermie (warmte uit oppervlaktewater) of Warmte Koude Opslag (WKO) 5. Voor deze buurten geldt dat de aanwezige warmtebron niet groot genoeg is om de hele buurt collectief te verwarmen, waardoor in deze buurten alleen een combinatie van individuele oplossingen en een collectieve oplossing mogelijk is. In de kaarten zijn deze buurten blauw/oranje gearceerd. Alleen in Wolvega zijn buurten die mogelijk volledig met een warmtenet kunnen worden verwarmd (oranje gearceerd). Voor dit warmtenet zijn er verschillende potentiële bronnen, onder andere het bedrijventerrein Wolvega en de rioolwaterzuivering. De uiteindelijke haalbaarheid van de collectieve voorzieningen moet nog nader worden onderzocht op onder andere draagvlak en financiële haalbaarheid. Gemeente
Buurt Oosterwolde (Prandinga, buurten in het centrum, Duistereweg, Snellingerdijk, Zuid)
Ooststellingwerf Haulerwijk (Sinnehiem)
Weststellingwerf
Wolvega (Centrum, Stationsbuurt, Stuyvesantbuurt, Lindenoord, Staatsliedenbuurt, De Scheene, Schildersbuurt, Oranjebuurt) Noordwolde (Centrum|)
Opsterland
Gorredijk (Centrum en Groene Long) Beetsterzwaag (Centrum)
Tabel 2: overzicht buurten met mogelijk (deels) collectief warmte-alternatief
5
Warmte Koude Opslag (WKO) is een duurzame methode om energie in de vorm van warmte of koude op te slaan in de bodem.
11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
17
Projectgerelateerd
5.4
De besparingspotentie per gemeente
Een bestaande woning of gebouw is niet van het ene op het andere moment aardgasvrij. De eerste stap richting aardgasvrij bestaat uit het besparen van energie. Want wat niet meer gebruikt wordt, hoeft ook niet opgewekt te worden. Dit kan onder andere door betere isolatie aan te brengen. Denk aan spouwmuur-, vloer- en dakisolatie, kierdichting en het vervangen van enkel of dubbelglas door HR++(+)glas. Gebouweigenaren kunnen meestal direct aan de slag met energiebesparing, maar deze aanpassingen kosten geld en zijn niet altijd eenvoudig uitvoerbaar. Ook is het meestal nog niet zo makkelijk om te bepalen wat er allemaal kan, wat daarvan de opbrengsten zijn en wie dit het beste kan uitvoeren. Het minimaal benodigde isolatieniveau hangt ook af van het uiteindelijke warmtesysteem. Voor een individuele warmtepomp is bijvoorbeeld minimaal energielabel 6 B nodig, voor een hybride warmtepomp of aansluiting op een warmtenet is label C of D voldoende (dit is afhankelijk van de temperatuur van de warmteoplossing). Goede voorlichting is hierbij heel belangrijk. Om een gebouw aardgasvrij-ready te maken kunnen – afhankelijk van het energielabel – meerdere maatregelen worden genomen. Het is aan te raden de ‘altijd doen’-maatregelen, die gericht zijn op isolatie, ongeacht het energielabel altijd uit te voeren.
Daarmee wordt gemiddeld zo’n 25% bespaard op het aardgasverbruik (en daarmee de energiegerelateerde CO2-uitstoot). De ‘altijd doen’-maatregelen zijn daarmee de eerste stap op weg naar aardgasvrij. Wat precies de ‘altijd doen’-maatregelen zijn, ziet u in afbeelding 7. De kosten voor het uitvoeren van deze maatregelen zijn gemiddeld € 13.500,- per woning. Dit bedrag betreft een gemiddelde; er zijn grote verschillen mogelijk tussen woningen naargelang het bouwjaar, type en de al uitgevoerde maatregelen. Deze kostenindicatie is modelmatig tot stand gekomen en de spreiding is groot. Voor veel woningen kunnen de ‘altijd doen’-maatregelen al voor € 5.000,- worden uitgevoerd. Bewoners kunnen de maatregelen ook stapsgewijs uitvoeren op momenten dat het beste past in hun situatie. Voor veel woningeigenaren geldt dat deze investering gefinancierd kan worden uit de overwaarde van hun woning. Een vervolgstap kan het installeren van een hybride warmtepomp zijn. Daarmee valt een totale reductie van 30% tot 80% te behalen op aardgas. De exacte besparing hangt sterk af van het energielabel van de woning, het type verwarming (radiatoren of vloerverwarming) en of ook het warm water met de warmtepomp geproduceerd wordt. Bij installatie van een hybride warmtepomp neemt het elektriciteitsverbruik wel toe, met zo’n 40% tot 200% op basis van de genoemde besparing op aardgas.
Als deze hybride warmtepomp na 15 à 20 jaar aan vervanging toe is, kan door de zich ontwikkelende techniek en steeds lager wordende kosten de hybride warmtepomp dan mogelijk worden vervangen door een all-electric warmtepomp. Zo is het mogelijk om aardgasvrij te worden. Wanneer de extra stroom die benodigd is om het gebouw of de woning mee te verwarmen volledig duurzaam is, wordt zo 100% CO2reductie gerealiseerd.
6 Voor deze Transitievisie Warmte is uitgegaan van energielabels bepaald volgens de norm NEN 7120, de methode die tot 1-1-2021 werd gebruikt. Dat is omdat de analyse gebruik maakt van openbare data, die voor gegevens van na 2019 nog niet beschikbaar zijn. Sinds 2021 worden de energielabels bepaald volgens de methode NTA8800. Meer hierover leest u op de website van RVO, te bereiken via https://www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/gebouwen/wetten-en-regels/bestaande-bouw/energielabelwoningen.
11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
18
Projectgerelateerd
Afbeelding 7: Illustratie van toenemende CO2-reductie als gevolg van afnemend aardagasgebruik door het nemen van drie stappen: ‘altijd doen’-maatregelen, het installeren van een hybride warmtepomp en (wanneer mogelijk) het installeren van een all-electric warmtepomp. Let op: de geschatte CO2-besparing betreft alleen de aardgas-gerelateerde uitstoot. Door het toegenomen elektriciteitsverbruik bij installatie van een hybride warmtepomp zal – afhankelijk van de bron van de elektriciteit – een iets lagere CO2-reductie worden behaald. De verwachting is dat de CO2-uitstoot als gevolg van elektriciteitsproductie de komende jaren significant zal afnemen door een groter aandeel wind- en zonnestroom. 11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
19
Projectgerelateerd
Besparingspotentie in de gemeente Ooststellingwerf Voor de gemeente Ooststellingwerf geldt dat wanneer de ‘altijd doen’-maatregelen worden uitgevoerd bij alle woningen in onze gemeente, er ongeveer 25% op het aardgasverbruik worden bespaard. Per woning bedragen de investeringen om dit te behalen gemiddeld zo’n € 13.500,- 7. Dit bedrag betreft een gemiddelde; er zijn grote verschillen mogelijk tussen woningen naargelang het bouwjaar en het type. Deze kostenindicatie is modelmatig tot stand gekomen en houdt geen rekening met individuele aanpassingen die in woningen zijn gedaan. Een overzicht van het besparingspotentieel op dorps- of buurtniveau is opgenomen in bijlage 5. Besparingspotentie in de gemeente Weststellingwerf Voor de gemeente Weststellingwerf geldt dat wanneer de ‘altijd doen’-maatregelen worden uitgevoerd bij alle woningen in onze gemeente, er ongeveer 24% op het aardgasverbruik worden bespaard. Per woning bedragen de investeringen om dit te behalen gemiddeld zo’n €13.000,- 8. Dit bedrag betreft een gemiddelde; er zijn grote verschillen mogelijk tussen woningen naargelang het bouwjaar en het type. Deze kostenindicatie is modelmatig tot stand gekomen en houdt geen rekening met individuele aanpassingen die in woningen zijn gedaan. Een overzicht van het besparingspotentieel op dorps- of buurtniveau is opgenomen in bijlage 5.
Besparingspotentie in de gemeente Opsterland Voor de gemeente Opsterland geldt dat wanneer de ‘altijd doen’-maatregelen worden uitgevoerd bij alle woningen in onze gemeente, er ongeveer 25% op het aardgasverbruik worden bespaard. Per woning bedragen de investeringen om dit te behalen gemiddeld zo’n € 14.000,- 9. Dit bedrag betreft een gemiddelde; er zijn grote verschillen mogelijk tussen woningen naargelang het bouwjaar en het type. Deze kostenindicatie is modelmatig tot stand gekomen en houdt geen rekening met individuele aanpassingen die in woningen zijn gedaan. Een overzicht van het besparingspotentieel op dorps- of buurtniveau is opgenomen in bijlage 5.
7 Deze geschatte kosten betreffen alleen de ‘altijd doen’-maatregelen: kierdichting, isolatie van spouwmuren, HR++(+) glas en daken/of vloerisolatie. De kosten voor het installeren van een warmtepomp (hybride of all-electric) zijn hierin niet meegenomen. 8 Deze geschatte kosten betreffen alleen de ‘altijd doen’-maatregelen: kierdichting, isolatie van spouwmuren, HR++(+) glas en daken/of vloerisolatie. De kosten voor het installeren van een warmtepomp (hybride of all-electric) zijn hierin niet meegenomen. 9 Deze geschatte kosten betreffen alleen de ‘altijd doen’-maatregelen: kierdichting, isolatie van spouwmuren, HR++(+) glas en daken/of vloerisolatie. De kosten voor het installeren van een warmtepomp (hybride of all-electric) zijn hierin niet meegenomen.
11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
20
Projectgerelateerd
6
Invulling van de regierol in de warmtetransitie
In dit hoofdstuk staat hoe we als Ooststellingwerf, Weststellingwerf en Opsterland de komende jaren invulling willen geven aan de warmtetransitie. In paragraaf 6.1 staat onze visie op de warmtetransitie en de ambitie voor 2030. In paragraaf 6.2 is aangegeven hoe wij invulling geven aan de regierol. Paragraaf 6.3 geeft een overzicht van de acties die voortvloeien uit deze Transitievisie Warmte.
6.1
Onze visie en ambitie
Op basis van de input vanuit de samenleving en de analyse van technische (on)mogelijkheden komen we tot een aantal inzichten die onze ambities tot 2030 bepalen en leidend zijn voor onze aanpak de komende vijf jaar. Focus op CO2-reductie via energiebesparing Reductie van aardgasverbruik is voor onze gemeenten de komende jaren het belangrijkste doel voor de warmtetransitie. De aanpak is erop gericht om op vrijwillige basis zoveel mogelijk inwoners mee te laten doen, zodat ze op een voor hun geschikt moment hun woning gaan verduurzamen. Zo zijn ze voorbereid op het moment dat hun dorp of wijk wordt afgekoppeld van het aardgas. Naast de koopwoningen die in particulier bezit zijn en de huurwoningen van woningcorporaties gaat het ook om eigenaren van bedrijfspanden, verenigingsgebouwen, kerken en dergelijke. De gemeenten Ooststellingwerf, Weststellingwerf en Opsterland kenmerken zich door een groot landelijk gebied en weinig kansen voor grootschalige warmtenetten. We willen, waar dat tegen de laagst maatschappelijke kosten is te realiseren, proberen gebouwen aardgasvrij te krijgen. De grootste winst is volgens ons te behalen in de energiebesparing (zie paragraaf 5.4). In bijna alle gebouwen kunnen ‘altijd doen’-maatregelen worden getroffen om te verduurzamen.
We willen samen met onze partners alle gebouweigenaren, zoals particulieren, ondernemers, woningcorporaties en maatschappelijke organisaties, hiertoe stimuleren en ze faciliteren. Ambitie voor 2030 In het Klimaatakkoord is de doelstelling geformuleerd om in 2030 20% van alle gebouwen en woningen in Nederland aardgasvrij te warmen. Omdat de gebouwen in onze gemeente moeilijker aardgasvrij te maken zijn dan elders in Nederland, waar de gebouwen dichter op elkaar staan en warmtenetten kansrijker zijn, richten wij ons op het behalen van minimaal 20% besparing op aardgasverbruik in gebouwen en woningen in 2030 ten opzichte van 2019. Waar dat relatief eenvoudig is, zullen we uiteraard ook inzetten op aardgasvrij. Dit is onze ambitie en daarop willen we de komende jaren monitoren en handelen. Financiering verduurzaming gebouwde omgeving Om deze ambitie te realiseren moet wel een aantal randvoorwaarden worden ingevuld. De gemeenten hebben niet de financiële middelen om maatregelen aan woningen en gebouwen te financieren. Het Rijk zal het voor gebouweigenaren financieel aantrekkelijk moeten maken om gebouwen te verduurzamen. Dit kan bijvoorbeeld door subsidies, fiscale regelingen of financieringsopties. Op Prinsjesdag 2021 is aangekondigd dat er subsidieregelingen komen voor isolatie (Nationaal Isolatieprogramma) en voor de aanschaf van (hybride) warmtepompen.
De uitwerking in specifieke regelingen moet nog plaatsvinden, maar volgen wij op de voet. Voor veel woningeigenaren geldt dat ‘altijd doen’-maatregelen gefinancierd kunnen worden vanuit de overwaarde op de woning. Dat bespaart in veel gevallen al direct in de maandelijkse lasten.
11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
21
Projectgerelateerd
Communicatie en handelingsperspectief bieden Bewustwording en enthousiasme onder inwoners en bedrijfsleven is de sleutel om de warmtetransitie op gang te krijgen. Uit ons participatietraject komt naar voren dat het overgrote deel van de mensen het erover eens is dat klimaatverandering een groot probleem is. Klimaat en milieu scoort in een onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau 10 ook relatief hoog in maatschappelijk probleembesef en als agendapunt voor de overheid. Uit het participatietraject blijkt ook dat dit probleembesef nog niet automatisch leidt tot maatregelen en handelingsbereidheid aan eigen woning of bedrijfsgebouw. Als gemeenten gaan we ervan uit dat een substantieel deel van onze inwoners en ondernemers bereid is hun gebouwen te verduurzamen op een door hen zelfgekozen moment. De motivatie om dit te doen kan verschillen, logisch moment door verbouwing of verandering van eigendom (bijvoorbeeld bij een verhuizing), besparen op de energierekening, een beter milieu of een combinatie hiervan. Veel mensen vinden het echter complex en tijdrovend om te achterhalen wat verstandige maatregelen zijn. Daarnaast is informatie vaak tegenstrijdig of zitten er commerciële belangen achter. Dit leidt ertoe dat mensen afwachten. Het ontbreekt hen te vaak aan handelingsperspectief. Als gemeenten willen we een publiekscampagne opzetten om de bewustwording te vergroten.
In de campagne is bijvoorbeeld aandacht voor de volgende boodschappen: - Met het verduurzamen van je woning draag je zelf bij aan het beteugelen van het klimaatprobleem, verhoog je het woongenot én bespaar je op de energierekening. - In één keer aardgasvrij is in veel gevallen helemaal niet nodig. Veel winst is al te behalen met isoleren en als eventueel volgende stap een hybride warmtepomp (zie paragraaf 5.4). - Als je aan de slag wil dan zijn er verschillende manieren waarop je kan worden ondersteund, denk aan de energiecoaches, energieloket, de Verzilverlening etc.
6.2
De regierol van de gemeente
Uit het participatietraject (zie hoofdstuk 4 en bijlage 1) komt naar voren dat inwoners en stakeholders een prominente rol van hun gemeente verwachten in de warmtetransitie. Vanuit het Klimaatakkoord is afgesproken dat gemeenten een “regierol” hebben in de gebouwde omgeving. Er is echter geen omschrijving gegeven hoe deze regierol moet worden ingevuld. Wij onderscheiden drie mogelijke rollen die we als gemeenten kunnen aannemen: 1. Sturende rol: bij deze rol hoort een top-down benadering. De gemeente maakt op basis van onderzoek de keuze voor een bepaald warmte-alternatief en regelt de financiering en de realisatie. De communicatie is concreet gericht op de lokale situatie en vooral informerend. 2. Stimulerende rol: een bottom-up benadering staat hierbij centraal. Lokale initiatieven initiëren en bepalen het gewenste warmte-alternatief. De gemeente ondersteunt het proces met middelen en kennis. De communicatie met de inwoners gebeurt vanuit het lokale initiatief. 3. Faciliterende rol: bij deze rol biedt de gemeente de kaders en werkt nauw samen met lokale initiatieven. De gemeente doet technische verkenningen, maar de keuze voor een warmtealternatief wordt met de inwoners gemaakt. De gemeente ondersteunt bij het verwerven van de benodigde middelen. De exacte rol van de gemeente is afhankelijk van de feiten en omstandigheden op het moment.
Wanneer deze wijzigen, kan ook de aan te nemen rol van de gemeente veranderen.
10
Sociaal Cultureel Planbureau, Op weg naar aardgasvrij wonen, mei 2020.
11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
22
Projectgerelateerd
6.2.1
Onze rol bij individuele warmte-alternatieven
Voor de meeste woningen in de drie gemeenten zijn met de kennis van nu individuele maatregelen de meest realistische optie. Reductie van aardgasverbruik betekent onder andere het zoveel mogelijk isoleren van woningen met ‘altijd doen’-maatregelen. Dit zijn maatregelen die zichzelf vaak binnen enkele jaren terugverdienen doordat ze zorgen voor een lagere energierekening. Daarnaast is een goed geïsoleerde woning een basisvoorwaarde om op termijn aardgasvrij te kunnen worden. Voor veel woningen geldt dat een hybride warmtepomp nu al een heel goed alternatief is voor een cv-ketel. Eventueel kan men dan, wanneer de hybride warmtepomp is afgeschreven, overstappen op een allelectric warmtepomp. Goed geïsoleerde woningen (grofweg vanaf label B) zijn nu al geschikt voor een allelectric warmtepomp. Bij dorpen en buurten waar individuele warmte-oplossingen de beste optie lijken, hanteren de gemeenten een faciliterende rol. Het participatietraject maakt duidelijk dat veel inwoners afwachten omdat ze geen handelingsperspectief zien. Hierdoor worden veel natuurlijke momenten gemist die inwoners kunnen aangrijpen om hun woningen te verduurzamen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan vervanging van de cv-ketel, verbouwing of verhuizing. De volgende generieke acties gaan we als gemeenten in OWO-verband uitvoeren om inwoners het handelingsperspectief te geven om hun woning te verduurzamen: -
Een langlopende publiekscampagne (zie paragraaf 6.1) om zowel de noodzaak als de mogelijkheden voor verduurzamen van de woning onder de aandacht te brengen. Dit kan via de reguliere kanalen, maar ook met ludieke acties en door bijvoorbeeld het onderwijs te betrekken.
-
Er gebeurt al veel om inwoners en ondernemers te stimuleren om met energiebesparing aan de slag te gaan. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan energiecoaches en het energieloket. Deze services bestaan al, maar worden nog onvoldoende gevonden door gebouw- en woningeigenaren. Alle gebouw- en woningeigenaren moeten een inzicht kunnen krijgen in hun specifieke situatie, zodat ze weten welke mix van maatregelen voor hun gebouw het beste is; welke vorm van isolatie en/of (hybride) warmtepomp. Onderdeel van het advies is ook het wijzen op mogelijke subsidies en financieringsopties.
-
De gemeenten willen samenwerken met verenigingen van Plaatselijk Belang en lokale energieinitiatieven om inwoners te bereiken en een aanbod te hebben die ook daadwerkelijk leidt tot het nemen van maatregelen aan de woningen. De gemeente neemt hierbij het voortouw. Begin 2022 gaan we als gemeenten hiervoor in gesprek met de partijen die ook input hebben gegeven voor deze Transitievisie Warmte. Vanaf 2023 moet dit leiden de gewenste uitvoering van maatregelen aan de gebouwen.
Naast de generieke aanpak die voor alle inwoners geldt, willen we in 2022 in afstemming met onze inwoners en stakeholders per gemeente starten om twee buurten of dorpen te selecteren voor een meer gebiedsgerichte aanpak. Bij die gebiedsgerichte aanpak stellen we als gemeenten samen met (een vertegenwoordiging van) inwoners van het dorp of de buurt een uitvoeringsplan op. Belangrijk is dat we gaan leren en ervaring opdoen met onze regierol. Het initiatief voor de aanpak moet vanuit een dorp of buurt komen zodat het ook aannemelijk is dat een substantieel deel van de inwoners mee gaat doen. Met de partners binnen bijvoorbeeld de Regiodeal Zuid/Oost Friesland of de RES Fryslân willen we de komende jaren de relevante ontwikkelingen op de voet volgen. Bijvoorbeeld op het gebied van het opwekken en de distributie van groengas en waterstof en ook op het gebied van energieopslag. Indien daar aanleiding voor is vertalen we dit door naar concrete kansen voor onze regio en doen hier als OWOgemeenten gezamenlijk onderzoek naar. Op Prinsjesdag 2021 is bekend gemaakt dat er een Nationaal Isolatieprogramma komt. Dit idee sluit goed aan op onze visie en biedt kans op financiering van de 11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
23
Projectgerelateerd
benodigde maatregelen. Daarnaast komt er een subsidieregeling van de aanschaf van hybride warmtepompen (zie deze link). Wij zullen aan de hand van de concrete uitwerking van deze regeling mogelijk verdere stappen gaan zetten. Wij gaan ons inzetten om te borgen dat deze middelen ook worden ingezet voor de gebouwen in onze gemeenten.
6.2.2
Onze rol bij collectieve warmte-alternatieven
Bij een collectieve warmtevoorziening waarbij meerdere gebouwen worden aangesloten en daardoor ingrepen in de ‘openbare ruimte’ zijn vereist, hanteren we als gemeenten een sturende rol. Dat betekent dat we als gemeente het initiatief nemen om: - De financiële en technische haalbaarheid te onderzoeken; - Partijen bij elkaar te brengen; - De communicatie, samen met partners, te verzorgen met inwoners van betreffende woningen en eigenaren van gebouwen; - Een actieve rol te nemen in het verwerven van de benodigde middelen. Bij een semi-collectieve voorziening waarbij slechts één (verzamel)gebouw wordt aangesloten, bijvoorbeeld één appartementencomplex of één kantoorgebouw, stimuleren we als gemeenten de ontwikkeling van de semi-collectieve warmte-oplossing. Dit kunnen we als gemeenten doen door de eigenaar van het pand en/of VvE te wijzen op de kansen voor een collectief warmtesysteem en informatie en data te verstrekken. In 2022 gaan we als gemeenten de haalbaarheid van de verschillende (semi-)collectieve warmtealternatieven verder onderzoeken en op haalbaarheid toetsen.
6.3
Acties vanuit de Transitievisie Warmte
Hieronder volgt een korte opsomming van de acties/projecten die volgen uit deze Transitievisie Warmte. • We geven de warmtetransitie verder vorm in samenwerking met maatschappelijke partners (warmtecoalitie). We blijven in contact met verenigingen van plaatselijke belang, lokale initiatieven, woningbouwcorporaties, huurdersverenigingen en anderen om samen zoveel mogelijk gebouweigenaren enthousiast te maken voor het verduurzamen van hun gebouwen. Deze warmtecoalitie betrekken we ook bij de uitwerking van de onderstaande punten. • In 2022 zetten we een uitgebreide publiekscampagne op in OWO-verband (of breder) en geven invulling aan de behoefte voor onafhankelijke informatie. Het streven achter deze publiekscampagne is dat inwoners en ondernemers inzicht krijgen in hun persoonlijke situatie, bijvoorbeeld door een maatwerkadvies. • We geven inzicht in de verschillende financieringsopties die er zijn, zoals het Nationaal Isolatieprogramma en subsidie voor (hybride) warmtepompen. • In 2022 gaan we per gemeente in twee dorpen of buurten aan de slag om gezamenlijk een uitvoeringsplan mee op te stellen. Door middel van een buurtaanpak willen we onderzoeken of in de betreffende buurt een versnelling ontstaat in de energiebesparing. Deze eerste uitvoeringsplannen moeten inzicht geven in de beste aanpak in de praktijk. Dit doen we in OWOverband, zodat we van elkaar kunnen blijven leren.
• Voor de (semi-)collectieve warmte-alternatieven doen we nader onderzoek naar de haalbaarheid en vervolgens leggen we contact met de stakeholders. • Met onze partners in de regio volgen we de ontwikkelingen in de warmtetransitie en voeren eventueel in gezamenlijkheid onderzoek of pilotprojecten uit. • Bovenstaande stappen en acties werken we per gemeente uit in een Uitvoeringsplan.
11 oktober 2021
T&PBH7480R001F01
24
Projectgerelateerd
Vanaf 2023 moet de inspanningen op het gebied van communicatie en de lokale initiatieven leiden tot de uitvoering van energiebesparende maatregelen aan de gebouwen. De voortgang op de ambities monitoren we jaarlijks kwantitatief (hoeveel bespaarde m3 gas en CO2) en kwalitatief (welke aanpak en maatregelen zijn effectief en welke minder?). In 2025 wordt geëvalueerd hoe deze Transitievisie Warmte heeft bijgedragen aan het verminderen van het aardgasverbruik. In 2025 wordt ook een nieuwe Transitievisie Warmte opgesteld, waarbij op basis van de evaluatie, nieuwe technische ontwikkelingen en inzichten de visie wordt geactualiseerd. -
-
Publiekscampagne Afspraken met 2 buurten of dorpen voor uitvoeringsplannen Nader onderzoek (semi-)collectieve warmte-alternatieven In kaart brengen financieringsopties
-
Op basis van de evaluatie vervolgaanpak bepalen
-
-
Opstellen uitvoeringsplannen Maatregelen aan de gebouwen door de eigenaren Monitoren voortgang