Bijlage 1 - Ruimtelijke onderbouwing De Warren 6 Tijnje
Tekst van het document
omgevingsvergunning
Tijnje - De Warren 6 Opsterland
DATUM IMRO IDN
NL.IMRO.0086.20230843-0001
PROJECT PROJECTLEIDER OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
20230843
AUTEUR STATUS
concept
Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing
5
Hoofdstuk 1
Inleiding
6
1.1
Aanleiding
6
1.2
Ligging projectgebied
6
1.3
Planologische regeling
6
1.4
Leeswijzer
7
Hoofdstuk 2
Projectbeschrijving
8
2.1
De bestaande situatie
8
2.2
Voorgenomen situatie
10
2.3
Verkeer en parkeren
11
Hoofdstuk 3
Beleidskader
12
3.1
Rijksbeleid
12
3.2
Provinciaal beleid
13
3.3
Gemeentelijk beleid
15
Milieu- en omgevingsaspecten
17
4.1
Bedrijven en milieuzonering
17
4.2
Ecologie
17
4.3
Bodem
18
4.4
Geluid
19
4.5
Water
19
4.6
Luchtkwaliteit
20
4.7
Archeologie
21
4.8
Cultuurhistorie
21
4.9
Externe veiligheid
22
4.10
Kabels en leidingen
22
4.11
M.e.r.-beoordeling
23
Hoofdstuk 5
Uitvoerbaarheid
24
5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
24
5.2
Economische uitvoerbaarheid
24
Afweging en conclusie
25
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 6
3/56
Bijlagen toelichting
27
Bijlage 1
Stikstofonderzoek
29
Bijlage 2
Ecologische quickscan
43
Bijlage 3
Watertoets
51
4/56
Ruimtelijke onderbouwing
5/56
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Ten westen van Tijnje ligt een bebouwingslint aan De Warren. In dit bebouwingslint staat een kleine dependance van de kerk. Dit gebouw is zijn functie verloren. De initiatiefnemer is voornemens om de dependance te herbouwen tot recreatiewoning en hier een Bed and Breakfast te beginnen. De bouwkundige staat van het gebouw is dusdanig slecht dat sloop en herbouw moet plaatsvinden. Deze ontwikkeling is niet mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan, omdat een Bed and Breakfast binnen de bestemming 'Maatschappelijk' niet is toegestaan. Door middel van een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan kan via de uitgebreide procedure de beoogde ontwikkeling mogelijk worden gemaakt. In dat kader dient een ruimtelijke onderbouwing te worden opgesteld.
1.2
Ligging projectgebied
Het projectgebied ligt in een bebouwingscluster nabij de kruising van de Warrewei (N392) met De Warren. Het betreft het perceel De Warren 6 te Tijnje. De ligging van het projectgebied is weergegeven in figuur 1.1.
Figuur 1.1
1.3
Ligging van het projectgebied (bron: PDOK Viewer)
Planologische regeling
Het projectgebied is geregeld in het bestemmingsplan Buitengebied, dat is vastgesteld op 30 juni 2014 door de gemeente Opsterland. Het projectgebied heeft de bestemming 'Maatschappelijk'. Binnen deze bestemming wordt voorzien in verschillende maatschappelijke voorzieningen en niet in het gebruik van de gebouwen als recreatiewoning. Derhalve is het projectvoornemen in strijd met de bestemming.
6/56
Voor de bebouwing geldt dat maximaal 60% van het bestemmingsvlak bebouwd mag worden. De voorgestelde herbouw van het gebouw is op basis van deze bepaling wel mogelijk. Het perceel heeft een oppervlakte van circa 250 m2, wat betekent dat 150 m2 van het projectgebied bebouwd mag worden. De dependance heeft een oppervlakte van circa 40 m2. In figuur 1.2 is een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan weergegeven.
Figuur 1.2
Uitsnede geldend bestemmingsplan Buitengebied
Om de ontwikkeling juridisch-planologisch te regelen is een afwijking van het bestemmingsplan noodzakelijk. Hiervoor dient op grond van art. 2.12, lid 1, sub a, onderdeel 3 Wabo de uitgebreide procedure voor afwijken van het bestemmingsplan te worden doorlopen.
1.4
Leeswijzer
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige situatie en het voorgenomen project. Dit wordt in de hoofdstukken 3 en 4 getoetst aan het beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 verantwoordt waarom de gewenste ontwikkeling economisch en maatschappelijk passend is. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 een afweging gemaakt en een conclusie gegeven.
7/56
Hoofdstuk 2
Projectbeschrijving
Het belangrijkste uitgangspunt van een ruimtelijke onderbouwing is aantonen dat de gewenste ontwikkeling goed inpasbaar is in de omgeving. Dat wordt in dit hoofdstuk onderbouwd. De huidige situatie van het projectgebied zal eerst worden beschreven, waarna wordt beschreven op welke wijze de ontwikkeling in de omgeving wordt ingepast.
2.1
De bestaande situatie
De aanvraag heeft betrekking op een kleine dependance van de kerk. Dit gebouw is in 1915 gebouwd als bijeenkomstruimte, vooral voor de bewoners van het bebouwingslint aan De Waren en de Farskewei. Het gebouwtje staat aan de noordelijke rand van een bebouwingscluster aan De Warren, op korte afstand ten noorden van de provinciale weg N392 en ten westen van het dorp Tijnje. De omgeving van het projectgebied kenmerkt zich door de agrarische functie en de woonfunctie. Grenzend aan het projectgebied zijn enkele particuliere woningen en erven gelegen. Voorts grenst het projectgebied aan intensief beheerd grasland. Rondom het projectgebied zijn waterhoudende watergangen gelegen. Op de grens van het projectgebied zijn enige opgaande beplantingen aanwezig. Op De Warren geldt een 60 km/uur-regime. De dependance staat op een afgesplitst deel van het aansluitende woonperceel. Het heeft een oppervlakte van ongeveer 7,5 bij 5 meter en een goot- en nokhoogte van circa 2,6 en 5,5 meter. Het heeft, afgezien van de kenmerkende kerkramen in de zijgevels, een sobere uitstraling. De muren hebben geen spouw en zijn steens dik. Het voorportaal heeft een half steense muur. De boogramen zijn voorzien van enkel glas. Het dak is voorzien van een houten dakbeschot, waarop de dakpannen (Friese golfjes) liggen.
Er zijn diverse scheuren/breuken in de muren aanwezig, er zitten gaten in het bouwwerk en het houtwerk bevat kieren. Enkele aanzichten op het projectgebied zijn weergegeven in figuur 2.1 en 2.2.
8/56
Figuur 2.1
Vooraanzicht projectgebied (bron: Google Maps)
Figuur 2.2
Zijaanzicht projectgebied (bron: Google Maps)
9/56
2.2
Voorgenomen situatie
De aanvraag betreft de sloop en nieuwbouw van de dependance tot recreatiewoning, ten behoeve van een Bed and Breakfast. In het verleden is reeds een planologische procedure doorlopen tot een functiewijziging van de dependance van 'Maatschappelijk' naar 'Recreatie'. Tijdens de werkzaamheden bleek echter dat de bestaande bebouwing bouwkundig niet geschikt is voor de voorgenomen herontwikkeling. Derhalve richt deze ruimtelijke onderbouwing zich niet op een functiewijziging, maar op de herbouw van de dependance. Hierbij wordt het bestaande gebouw gesloopt en wordt er nieuwbouw voor in de plaats gezet. De bestaande dependance wordt daarbij bij benadering weer teruggebouwd. Zo wordt weer een relatief klein gebouw van één bouwlaag met kap gerealiseerd. Beide zijkanten krijgen drie grote raampartijen. Wel wordt het nieuwe gebouw iets groter om te kunnen voldoen aan het Bouwbesluit. Het gebouw wordt niet voorzien van een keuken. Het gebouw wordt in gebruik genomen als een recreatiewoning. Het karakter van de dependance blijft in de nieuwe situatie behouden, waardoor de recreatiewoning ook in de toekomstige situatie ruimtelijk goed is ingepast. Wel wordt het nieuwe gebouw met een meter verbreed, worden de voor- en achtergevels verfraaid en worden details aan het gebouw toegevoegd. Dit heeft een beperkte invloed op de ruimtelijke inpassing in de omgeving.
Binnen worden verblijfsruimten gerealiseerd. De huidige en nieuwe gevelaanzichten zijn weergegeven in figuur 2.3.
Figuur 2.3
Huidige (boven) en nieuwe (onder) gevelaanzichten
Aan de voorzijde van het perceel wordt de entree zodanig opgewaardeerd dat hier een auto kan inrijden en parkeren. Aan de achterzijde wordt een klein terras gerealiseerd. De beplantingsstructuur rondom het perceel wordt in stand gehouden en waar nodig aangevuld teneinde de privacy voor de bewoners op het naastgelegen perceel te waarborgen.
10/56
2.3
Verkeer en parkeren
Verkeer en parkeren Verkeersstructuur In de huidige situatie bevindt zich een dependance van een kerk in het projectgebied, die niet langer in gebruik is. Dit gebouw heeft geen verkeersaantrekkende werking. In de toekomstige situatie wordt het gebouw gesloopt en herbouwd tot een recreatiewoning. De verkeersgeneratie wordt berekend op basis van kencijfers van publicatie 381 van CROW. Gemeente Opsterland betreft een niet-stedelijke gemeente en de locatie ligt in buitengebied. Op basis van één recreatiewoning (conform publicatie 381 wordt dit gelijkgesteld met een bungalow) bedraagt de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie 2,7 mvt/etmaal. Het projectgebied bevindt zich in een 60km/uur-gebied en wordt ontsloten op de Warren. De Warren is in staat om deze geringe toename aan verkeersgeneratie op te vangen. Parkeren Om de toekomstige parkeerbehoefte te berekenen wordt eveneens gebruikgemaakt van kencijfers van CROW. Op basis van één recreatiewoning zijn in de toekomstige situatie 2 parkeerplaatsen benodigd. Er is voldoende ruimte om hier op eigen terrein in te voorzien. Aan de voorzijde van het perceel kan in de voorgenomen situatie worden geparkeerd. Daarmee wordt aan de parkeerbehoefte voldaan.
11/56
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt bij het kiezen voor slimme combinaties van functies en bij het vaststellen van specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. De NOVI helpt om hier nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle projecten gemaakt moeten worden met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI. Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio makkelijker te realiseren. De regio waarvan gemeente Opsterland deel uitmaakt is niet aangewezen als NOVI-gebied. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen Rijksbelangen zoals opgenomen in de NOVI. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden.
Het Barro stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de SVIR. De gewenste ontwikkeling raakt geen nationale belangen. 3.1.3 Ladder voor Duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de Ladder voor Duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Hierin wordt bepaald dat de toelichting op een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving moet bevatten van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarop en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied. Toepassing Ladder voor Duurzame verstedelijking De Ladder is alleen van toepassing op plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. Een recreatiewoning wordt als stedelijke ontwikkeling aangemerkt. Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel. De aard en omvang van de ontwikkeling in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. In artikel 5.129g Bkl is geen ondergrens vastgelegd.
In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in
12/56
beginsel' grenzen. Bij nieuwbouw en uitbreiding van overige stedelijke functies ligt de ondergrens in beginsel bij een ruimtebeslag van 500 m2. In de toekomstige situatie krijgt de recreatiewoning een oppervlakte van circa 42 m2. Hiermee blijft de ontwikkeling ruim onder de ondergrens. Een toetsing aan de Ladder wordt derhalve niet noodzakelijk geacht.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Fryslân 2020 - De romte diele De provinciale Omgevingsvisie Fryslân 2020 - De Romte Diele is op 23 september 2020 door Provinciale Staten vastgesteld. Veel provinciaal beleid, programma’s en projecten raken de Friese leefomgeving waarin mensen wonen, werken, zich verplaatsen, elkaar ontmoeten en recreëren. In de Omgevingsvisie staat waar de provincie met de leefomgeving van Fryslân naartoe wil: de ambitie en doelen voor de toekomst. Het is een visie voor de lange termijn op een tamelijk hoog abstractieniveau. Het is geen blauwdruk voor hoe Fryslân er over 20 à 30 jaar bij ligt. Wel geeft de visie de richting aan waar de provincie met allerlei partijen naar toe wil werken. Samen met verschillende organisaties, inwoners en ondernemers in Fryslân geeft de provincie nu invulling aan deze visie. Dit gebeurt in programma’s, concrete projecten en initiatieven, en zo nodig ook in regels. De provinciale Omgevingsvisie vervangt het strategisch beleid van de provincie in het Streekplan, Milieubeleidsplan, Waterhuishoudingsplan en het Verkeer- en vervoerplan. In de visie is aangegeven wat de provincie doet om de huidige basiskwaliteiten van de Friese leefomgeving op orde te houden.
Daarnaast wil de provincie extra inzetten op vier urgente, integrale opgaven: Fryslân vitaal, leefbaar en bereikbaar houden; Energietransitie met kracht voortzetten; Fryslân klimaatadaptief inrichten; Versterken biodiversiteit. De Omgevingsvisie ziet recreatie in combinatie met kwaliteitsverbetering als kans voor nieuwe vitaliteit van Fryslân en de provincie zet daarom in op de versterking van de recreatiesector. Er is behoefte aan vernieuwend ondernemerschap en nieuw ondernemerschap, maar ook aan ontwikkeling van toeristische bestemmingen in ruimtelijke en vooral in functionele clusters, waarbinnen recreatieve functies en voorzieningen complementair aan elkaar zijn: niet meer van hetzelfde, maar aanvullingen die het aanbod completeren en met elkaar verbinden. Onder meer door hergebruik van karakteristieke bebouwing. Het projectvoornemen sluit hier deels op aan. Weliswaar wordt de dependance niet hergebruikt doordat het om veiligheidsredenen noodzakelijk is het gebouw te slopen, maar een verouderd gebouw dat zijn functie verloren heeft wordt wel ingezet ten behoeve van een recreatieve functie. Bovendien wordt de dependance in de nieuwe situatie bij benadering teurggebouwd. Conclusie Het projectvoornemen is in overeenstemming met de doelen en ambities zoals neergelegd in de provinciale omgevingsvisie.
13/56
3.2.2 Verordening Romte 2014 In de Verordening Romte Fryslân (vastgesteld op 25 juni 2014) stelt de provincie regels aan de provinciale belangen. Deze regels moeten in gemeentelijke plannen worden vertaald. Voor dit project zijn de volgende artikelen uit de verordening relevant: Ruimtelijke kwaliteit - artikel 2.1.1 Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit stelt de verordening dat de plantoelichting van een ruimtelijk plan voor het landelijk gebied een ruimtelijke kwaliteitsparagraaf moet bevatten waarin, indien nodig, wordt aangegeven hoe het plan binnen het landschap past en er moet invulling worden gegeven aan de blijvende herkenbaarheid van de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten, zoals die per deelgebied zijn omschreven in de structuurvisie Grutsk op 'e Romte. Het projectgebied maakt deel uit van het Laagveengebied. Kenmerkend voor dit gebied zijn enkele grote planmatig ontgonnen veenpolders en uitgestrekte veenweidegebied. Bij nieuwe ontwikkelingen is de begrenzing van de veenpolders en de richting van de verkaveling (opstrekkend en soms in waaiervormig patroon aangelegd) leidend en dient zichtbaar te blijven. Bij de projectuitwerking wordt hier rekening mee gehouden. Ook dienen nieuwe functies in kleinschalige gebouwen met behoud van hun oorspronkelijke vorm en ligging gestimuleerd te worden.
Het projectvoornemen voldoet aan deze ambitie, nu de oorspronkelijke vorm en het karakter van de dependance worden nagebootst in de nieuwe bebouwing. Ingevolge artikel 2.1.1, lid 3, sub c dient een ruimtelijk plan voor het landelijk gebied te voorzien in een zorgvuldige inpassing van een nieuwe recreatieve voorziening. De recreatiewoning is in de toekomstige situatie ruimtelijk goed ingepast. Zoals gezegd worden de oorspronkelijke vorm en het karakter van de dependance nagebootst in de nieuwe bebouwing. Aangezien de dependance in zijn huidige vorm ruimtelijk goed is ingepast, kan worden gesteld dat hier in de toekomstige situatie ook sprake van is. Het gebouw wordt met een gevel verbreed en er worden details toegevoegd, maar het karakter van de dependance blijft behouden. Het woonlint aan de Warren wordt gekenmerkt door woningbouw in een afwisselende rooilijn. Het bebouwingsbeeld bestaat uit daken die parallel aan de weg staan. Het dak van de recreatiewoning wordt in de toekomstige situatie ook parallel aan de weg georiënteerd. Daarmee wordt aansluiting gezocht bij de overige woningen aan de Warren. De recreatiewoning is in de toekomstige situatie landschappelijk goed ingepast.
Archeologie - artikel 2.2.1 In de plantoelichting van een ruimtelijk plan dient te worden aangegeven op welke wijze het plan rekening houdt met de wijze van onderzoek naar en bescherming van archeologische waarden en verwachtingswaarden zoals aangegeven op de FAMKE. Paragraaf 4.7 gaat hier nader op in. Zorgvuldig ruimtegebruik - artikel 2.3.1 Ten aanzien van zorgvuldig ruimtegebruik stelt de verordening dat de toelichting bij een ruimtelijk plan dat voorziet in een nieuwe stedelijke functie buiten bestaand stedelijk gebied, een verantwoording dient te bevatten waaruit blijkt dat toepassing is gegeven van het principe van zorgvuldig ruimtegebruik, waaruit in ieder geval blijkt waarom die functie redelijkerwijs niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd. De recreatiewoning kan niet binnen bestaand stedelijk gebied worden gerealiseerd, nu de dependance zich in
14/56
landelijk gebied bevindt en dit gebouw wordt herontwikkeld tot recreatiewoning. Tevens is de ligging van een recreatiewoning in landelijk gebied een pluspunt voor recreanten die van rust en privacy houden. Bijzondere bepalingen recreatieve voorzieningen - artikel 5.6.1 en 5.6.2 Ingevolge de verordening dient in een ruimtelijk plan waarin de vestiging van een nieuwe recreatieve voorziening wordt toegestaan, in de plantoelichting te worden onderbouwd dat de inrichting milieuhygiënisch en verkeerskundig inpasbaar is in de omgeving. In de paragrafen 2.3 en 4.2 is dit nader onderbouwd. Verder dient in een ruimtelijk plan waarin de vestiging van een nieuwe recreatieve voorziening is toegestaan, in de plantoelichting te worden onderbouwd dat de beoogde ontwikkeling bijdraagt aan verbreding of kwaliteitsverbreding van het toeristisch-recreatieve aanbod in de regio. In paragraaf 3.2.1 is onderbouwd dat de Omgevingsvisie recreatie in combinatie met kwaliteitsverbetering als kans ziet voor nieuwe vitaliteit in Fryslân. De provincie zet daarom in op de versterking van de recreatiesector. Met het projectvoornemen wordt een verouderd gebouw dat zijn functie verloren heeft herbouwd tot recreatiewoning. Hierdoor neemt het recreatieaanbod toe en verbetert tegelijkertijd de kwaliteit van de omgeving.
Permanente bewoning van recreatiewoningen - artikel 5.8.1 In een ruimtelijk plan kan de regeling voor verblijfsrecreatief gebruik van recreatiewoningen die buiten het bestaand stedelijk gebied liggen en die oorspronkelijk als recreatiewoningen zijn gebouwd, niet worden omgezet in een regeling die permanente bewoning toestaat. Hier wordt aan voldaan. Het is niet de bedoeling dat de recreatiewoning (ooit) wordt gebruikt voor permanente bewoning. Dit volgt temeer uit het feit dat de recreatiewoning zonder keuken wordt opgeleverd. Conclusie Het projectvoornemen is in overeenstemming met de provinciale omgevingsverordening.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Omgevingsvisie gemeente Opsterland 2015-2030 In de Omgevingsvisie 2015-2030, vastgesteld in september 2015, is algemeen toekomstbeleid voor de gemeente Opsterland opgenomen. Dit beleid is gebaseerd op het ten tijde geldende rijks- en provinciaal beleid. Het algemene beleid is per dorp verder uitgewerkt in een ontwikkelingsprofiel. De gemeente wil de recreatieve en toeristische mogelijkheden bevorderen. Daartoe wordt onder meer deelgenomen aan een provinciebreed regiomarketing project voor De Friese Wouden. Dit project moet leiden tot een “Uitvoeringsplan recreatie en toerisme Friese Wouden”, met als centrale thema’s het vermarkten van de regio, het onderling verbinden van organisaties betrokken bij recreatie en toerisme in de regio en het ontwikkelen van toeristische projecten en voorzieningen. Interessante doelgroepen voor het toerisme in Opsterland zijn gezinnen met kinderen en vijftigplussers. Voor deze Omgevingsvisie staat de vraag centraal waar ruimte kan/moet worden gereserveerd voor toeristische accommodaties en welke vormen van voorzieningen daarbij passend zijn. Doel is het verleiden van toeristen
15/56
tot een meerdaags verblijf in Opsterland. Met het mogelijk maken van een solitaire luxe verblijfsaccommodatie wordt ingespeeld op de interessante doelgroepen. De aanvraag sluit hierdoor aan op de ambities die de gemeente in haar omgevingsvisie beschrijft. Daarnaast waarborgt de ontwikkeling het behoud van de uiterlijke kenmerken van het gebouwtje door d ebestaande bebouwing bij benadering terug te bouwen en wordt dit beleefbaar gemaakt. Dit sluit aan op de cultuurhistorische doelstelling van de gemeente. Conclusie Het projectvoornemen is in overeenstemming met de gemeentelijke Omgevingsvisie.
16/56
Hoofdstuk 4 4.1
Milieu- en omgevingsaspecten
Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. In geval van een gemengd gebied kan worden gewerkt met een verkleinde richtafstand. Toetsing Aansluitend op het projectgebied liggen woonpercelen. Aan de overzijde van de Warren en schuin achter de beoogde recreatiewoning staan de dichtstbijzijnde woningen. Hiervoor hoeft geen afstand te worden aangehouden. Voor solitaire recreatiewoningen zijn in de VNG-brochure geen richtafstanden opgenomen. Van deze functie gaat geen milieuhinder uit. Ten noorden van het projectgebied is een machineverhuur en loonbedrijf gevestigd. Voor een dergelijk bedrijf geldt een milieucategorie 3.1 met een richtafstand van 30 meter ten opzichte van een gemengd gebied. De afstand tussen het projectgebied en dit loonbedrijf bedraagt ongeveer 110 meter. Aan de richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
4.2
Ecologie
Toetsingskader Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de natuurwaarden van de omgeving en met beschermde plant- en diersoorten. Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn, in de Nederlandse wetgeving. De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden. De Natura 2000-gebieden zijn door de Minister van Economische Zaken aangewezen gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden. Daarnaast bestaat het Natuur Netwerk Nederland (NNN) uit gebieden die worden aangewezen in de provinciale verordening. Binnen de NNN-gebieden mogen in beginsel geen ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden. In de Wnb wordt ook onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en daarnaast de overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.
17/56
Toetsing Gebiedsbescherming Het projectgebied ligt op circa 2,5 kilometer van het Natura 2000-gebied Van Oordt's Mersken. In dat kader is het van belang om te bepalen of sprake is van een toename aan stikstofdepositie in zowel de gebruiks- als de aanlegfase. Hiervoor is in augustus 2023 een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in Bijlage 1. Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie nergens hoger is dan afgerond 0,00 mol/ha/jaar en er derhalve geen relevant effect is. Negatieve effecten in de vorm van vermesting en verzuring zijn niet aan de orde. Voor dit project geldt geen vergunningplicht op basis van de Wet natuurbescherming (Wnb). Soortenbescherming Ecologische quickscan Ten behoeve van de sloop en nieuwbouw is in juli 2023 ecologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 2. Uit de quickscan volgt dat de voorgenomen activiteiten binnen het projectgebied geen negatieve effecten hebben op Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en weidevogelkansgebieden. Op basis van deze uitgevoerde quickscan wordt geconcludeerd dat strikt beschermde soorten planten en dieren niet aanwezig zijn of worden verwacht wegens het ontbreken van geschikte biotopen, verblijfplaatsen en voortplantingslocaties.
De voorgenomen herinrichting en ontwikkeling van het projectgebied kan doorgang vinden zonder verdere nadere onderzoeken. Conclusie Het aspect ecologie staat het projectvoornemen niet in de weg.
4.3
Bodem
Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij nieuwbouw dient te worden beoordeeld of de bodemkwaliteit voldoende is en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Toetsing In de huidige situatie is het projectgebied bestemd met de enkelbestemming 'Maatschappelijk'. Het aangrenzende perceel heeft een woonbestemming. In het projectgebied hebben zich geen activiteiten voorgedaan die de bodem hebben kunnen verontreinigen. Weliswaar vindt er nieuwbouw plaats, maar dit is noodzakelijk nu het huidige gebouw op instorten staat. De nieuwe recreatiewoning komt op dezelfde locatie met een kleine verruiming van één meter. Dit verschil is zo minimaal dat op voorhand kan worden gesteld dat de herontwikkeling geen effect heeft op de bodemkwaliteit. Hierdoor wordt een verkennend bodemonderzoek niet noodzakelijk geacht.
18/56
Conclusie Het aspect bodem staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.
4.4
Geluid
Toetsingskader Op grond van de Wet geluidhinder geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur en spoorwegen en rond inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', een geluidzone. Bij de ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd. Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Toetsing Een recreatiewoning is geen geluidgevoelige functie op grond van de Wgh. Het is dus niet noodzakelijk om deze te toetsen aan de geluidszones van De Warren en de Warrewei, waarbinnen het projectgebied ligt. Het projectgebied ligt bovendien in een woonomgeving en aan een weg die geen route voor doorgaand verkeer vormt. Gelet hierop is het aannemelijk dat geen onaanvaardbare hinder door wegverkeer aan de orde is. Conclusie Het aspect geluid staat de voorgenomen projectontwikkeling niet in de weg.
4.5
Water
Toetsingskader Van groot belang voor de ruimtelijke ordeningspraktijk is de wettelijk verplichte 'watertoets'. De watertoets kan worden gezien als een procesinstrument dat moet waarborgen dat gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor de waterhuishouding meer expliciet worden afgewogen. Belangrijk onderdeel van de watertoets is het vroegtijdig afstemmen van ontwikkelingen met de betrokken waterbeheerder. Het onderhavige projectgebied ligt in het beheersgebied van het Wetterskip Fryslân. Toetsing In het kader van de ruimtelijke onderbouwing is de digitale watertoets doorlopen bij het Wetterskip. Hieruit blijkt dat de normale procedure moet worden gevolgd. De watertoets is als Bijlage 3 bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd. Eventuele vergunningen of afspraken worden geregeld tussen de opdrachtgever en het waterschap. Verharding en compenserende maatregelen De huidige bebouwing in het projectgebied wordt gesloopt en hier komt nieuwbouw voor in de plaats. De voorgevel wordt met een meter verbreed. Hierdoor is in beperkte mate sprake van een toename van bebouwing en/of verharding. Omdat dit een dermate klein gevolg heeft voor de waterhuishoudkundige situatie, hoeven geen compenserende maatregelen getroffen te worden.
19/56
Waterkwaliteit en riolering In het projectgebied wordt een gescheiden riolering aangelegd, waarbij het hemelwater wordt afgekoppeld van de riolering. Dit komt overeen met de basisdoelstelling van het Wetterskip om het hemelwater van nieuwe oppervlakken zoveel mogelijk te scheiden van het afvalwater. Voorwaarde is dat het hemelwater als schoon kan worden beschouwd. Bij voorkeur wordt afstromend hemelwater van verharde oppervlakken eerst voorgezuiverd door een berm, wadi of bodempassage. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de projectontwikkeling.
4.6
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijnstof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven. Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Toetsing en conclusie
20/56
Het projectgebied ligt in een landelijke omgeving waar sprake is van een goede luchtkwaliteit. Een verslechtering van de luchtkwaliteit is veelal het gevolg van een toename van het aantal verkeersbewegingen in het gebied. De herbouw van de dependance naar een recreatiewoning heeft een zeer beperkte verkeersaantrekkende werking en draagt zodoende niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Vanuit dit aspect bestaan dus geen belemmeringen voor het project.
4.7
Archeologie
Toetsingskader Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan in de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over in de Omgevingswet wanneer deze in 2023 in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, ruimtelijke plannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. FAMKE Voor een globaal inzicht in mogelijke waarden heeft de provincie de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) gepubliceerd. De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd-bronstijd (300.000-800 v.Chr.), en één voor de periode ijzertijd-middeleeuwen (800 v.Chr.-1500 n.Chr.). Conform de steentijd-bronstijdadvieskaart geldt een karterend onderzoek 2. De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer dan 2.500 m2 een karterend (boor)onderzoek uit te voeren. De ontwikkeling beslaat ongeveer 50 m2. Onderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
Conform de ijzertijd-middeleeuwenadvieskaart valt het projectgebied binnen het gebied karterend onderzoek 3. De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer dan 5.000 m2 een karterend (boor)onderzoek uit te voeren. Archeologisch onderzoek wordt ook hier niet noodzakelijk geacht. Conclusie Vanuit het omgevingsaspect archeologie is er geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.8
Cultuurhistorie
Toetsingskader Goede ruimtelijke ordening betekent een integrale afweging van alle belangen die een effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Toetsing Om te onderzoeken of sprake is van cultuurhistorische waarden in het projectgebied is gebruikgemaakt van de Cultuurhistorische Kaart Fryslân. Hieruit komt naar voren dat geen sprake is van specifieke cultuurhistorische
21/56
waarden in en rondom de omgeving van het projectgebied. De dependance zelf is wel een karakteristiek gebouw. Om veiligheidsredenen is het noodzakelijk dit gebouw te slopen, waardoor de karakteristieke waarden van het gebouw verloren gaan. Echter, door nieuwbouw te realiseren waarbij zoveel mogelijk de bestaande bebouwing van de dependance wordt nagebootst, wordt wel rekening gehouden met deze karakteristieke waarden en wordt hiernaar verwezen. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het projectvoornemen.
4.9
Externe veiligheid
Toetsingskader Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Sinds een aantal jaren is er wetgeving over externe veiligheid om de burger niet onnodig aan te hoge risico's bloot te stellen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het externe veiligheidsbeleid heeft vorm gekregen in de risicobenadering. Getoetst wordt aan twee verschillende normen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Ten aanzien van het plaatsgebonden risico geldt een kans van 106/jr als grenswaarde. Dit betekent dat binnen de zogenaamde PR 106-contour geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden toegestaan. Voor de ontwikkeling van nieuwe beperkt kwetsbare objecten geldt deze norm als streefwaarde. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Toetsing In het kader van het aspect externe veiligheid is de risicokaart geraadpleegd.
In de nabijheid van het projectgebied is geen sprake van risicovolle inrichtingen, buisleidingen of vervoer van gevaarlijk stoffen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.10 Kabels en leidingen Toetsingskader In (de omgeving van) het projectgebied kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die beperkingen opleggen voor de bouwmogelijkheden in het projectgebied. Hierbij valt te denken aan hoogspanningsverbindingen, waterleidingen en straalpaden. Bij leidingen, zoals gas-, water- en rioolpersleidingen, volgen deze belemmeringen uit het zakelijk recht. Bij hoogspanningsverbindingen gaat het om veiligheid en gezondheid. De beperkingen bij straalpaden zijn van belang voor het goed functioneren van de straalpaden. Toetsing
22/56
Binnen het projectgebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor het projectvoornemen.
4.11 M.e.r.-beoordeling Toetsingskader In het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan plan-m.e.r-plichtig, project-m.e.r-plichtig of m.e.r-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r.-drempelwaarden opgenomen. Wanneer niet voldaan wordt aan de drempelwaarden moet het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten nagaan of mogelijk sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, daarbij lettend op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarbij de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van (meer dan) 100 hectare of indien een aaneengesloten gebied 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). In de voorgenomen ontwikkeling wordt één (recreatie)woning mogelijk gemaakt. Daarmee blijft de ontwikkeling onder de drempelwaarden.
Toetsing en conclusie Voor ontwikkelingen die niet de drempelwaarde overschrijden, maar wel zijn aangewezen als categorie, is bepaald dat een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is. Daarbij rijst de vraag of dat in alle gevallen nodig is. Volgens vaste jurisprudentie is dit afhankelijk van de aard en omvang van de ontwikkeling, de vormgeving en opzet, de schaalgrootte, de ligging, de voorgenomen functie-wijziging en de vraag of er sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk. Een concreet aantal voorbeelden is niet voorhanden in de jurisprudentie. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling, de schaalgrootte en de ligging, wordt een vormvrije m.e.r.-beoordeling voor dit project niet noodzakelijk geacht.
23/56
Hoofdstuk 5
Uitvoerbaarheid
Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een project. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het project.
5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat de geplande ontwikkeling maatschappelijk draagvlak heeft en dat de procedures op een goede manier worden doorlopen. Inspraak en vooroverleg In het kader van inspraak en vooroverleg wordt een ieder in de gelegenheid gesteld om tegen het besluit tot verlenen van de omgevingsvergunning een zienswijze in te dienen. In een later stadium staat beroep open. Het definitieve ontwerp en de omgevingsvergunning worden ter inzage gelegd. Na beoordeling van de zienswijzen kan de vergunning worden verleend.
5.2
Economische uitvoerbaarheid
Voor de uitvoerbaarheid van het project is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het project (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Dit project heeft betrekking op een particulier initiatief waarmee de gemeente geen directe financiële bemoeienis heeft. Financiële haalbaarheid Deze ruimtelijke onderbouwing vormt het toetsingskader voor de realisatie van één recreatiewoning aan de Warren 6 in Tijnje. De initiatiefnemer heeft aannemelijk gemaakt over voldoende financiële middelen te beschikken om deze ontwikkeling te realiseren. Grondexploitatie Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd.
Tussen de gemeente en de initiatiefnemer is een overeenkomst gesloten waarmee de kosten voldoende zijn verzekerd.
24/56
Hoofdstuk 6
Afweging en conclusie
Aanleiding Deze ruimtelijke onderbouwing dient ter afweging voor het verlenen van een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, lid 1, sub a, onderdeel 3 Wabo, waarmee het gebruik van de voormalige kerkdependance als recreatiewoning in afwijking van het bestemmingsplan wordt vergund. Afweging Het project past binnen de beleidskaders van het Rijk, de provincie en de gemeente. De ontwikkeling draagt bij aan het behoud van het karakteristieke gebouw en ook aan de beleefbaarheid daarvan. De voorgestelde functie vormt een aanvulling op het recreatieve aanbod in het gebied en is qua schaal goed passend op de locatie. Verder leveren de omgevingsaspecten en/of sectorale wet- en regelgeving geen belemmeringen op voor realisatie van de ontwikkeling in het projectgebied. Andersom is ook nauwelijks sprake van impact van de ontwikkeling op de omgeving. Conclusie Het verlenen van een omgevingsvergunning voor het project is niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening.
25/56
26/56
Bijlagen toelichting
27/56
28/56
Bijlage 1
29/56
Stikstofonderzoek
- MEMO Memo
DATUM KENMERK VAN AAN CC
16-08-2023 20230843 N.M. van ’t Noordende ---
PROJECT Tijnje – De Warren 6 OPDRACHTGEVER De heer W. Bouma AANWEZIG --AFWEZIG BIJLAGE(N)
STIKSTOFEMISSIE EN DEPOSITIE INLEIDING In opdracht van de heer W. Bouma is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor de aanleg- en exploitatiefase van één recreatiewoning aan de Warren 6 te Tijnje. In deze berekening is rekening gehouden met de inzet van dieselmaterieel en verkeersbewegingen als emissiebron. Ten westen van Tijnje staat een kleine dependance van de kerk. Dit gebouw is zijn functie verloren. De initiatiefnemer is voornemens om de dependance te herbouwen tot recreatiewoning en hier een Bed and Breakfast te beginnen. De bouwkundige staat van het gebouw is dusdanig slecht dat sloop en herbouw moet plaatsvinden. Deze ontwikkeling is niet mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan, omdat een Bed and Breakfast binnen de bestemming 'Maatschappelijk' niet is toegestaan. Door middel van een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan is de uitgebreide procedure doorlopen. Ten behoeve hiervan is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd, waarbij is onderzocht of het projectvoornemen mogelijk negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van omliggende Natura 2000-gebieden.
WETTELIJK KADER Algemeen Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 met betrekking tot het Programma Aanpak Stikstof wordt bij vrijwel ieder plan stilgestaan bij de mogelijke stikstofemissie en het effect daarvan op Natura 2000-gebieden. De vervallen Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) Op 2 november 2022 heeft de Raad van State een uitspraak gedaan over de bouwvrijstelling in relatie met stikstofdepositie die per 1 juli 2022 via de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) en het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn) in werking is getreden. De Wsn en de Bsn regelden een vrijstelling voor de vergunningsplicht van artikel 2.7 lid 2 Wnb voor de aanlegfase van bouwwerkzaamheden. Met de uitspraak van 2 november 2022 komt deze bouwvrijstelling (zgn. aanlegfase) te vervallen. Voor ruimtelijke plannen en projecten dient daarom de aanleg- en exploitatiefase meegenomen te worden om te bepalen of er een stikstofdepositie is. In het voorliggende onderzoek zijn de aanleg- en exploitatiefase meegenomen in de berekening.
AERIUS CALCULATOR EN UITGANGSPUNTEN AERIUS Calculator, release 6 juli 2023 Met behulp van de nieuwe release van het rekenprogramma AERIUS-calculator (release 6 juli 2023) is gekeken naar de depositie op de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden (automatische berekening). Vanuit de AERIUS-calculator is vervolgens een PDF-bestand met resultaten gegenereerd. In figuur 1 is het projectgebied met de daaromheen liggende
Natura 2000-gebieden weergegeven. De Natura 2000-gebieden die binnen 25 kilometer van het projectgebied zijn gelegen betreffen Van Oordt’s Mersken, Deelen en de Alde Feanen. Van deze Natura 2000-gebieden betreffen Van Oordt’s Mersken en de Alde Feanen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden binnen 25 kilometer van het projectgebied.
Figuur 1: Projectgebied met meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden
Exploitatiefase Voor het project wordt uitgegaan van een gasloze woning. Er is derhalve geen emissie vanwege het verstoken van aardgas binnen de woning. Op basis van maximaal één recreatiewoning bedraagt het aantal verkeersbewegingen ten hoogste 2,7 per etmaal (lichte motorvoertuigen). Dit is berekend op basis van CROW-kentallen (publicatie 381), zie tabel 1. De verkeersgeneratie op basis van de CROW-kentallen is deels gebaseerd op de omgevingseigenschappen van de locatie en de deels van de directe omgeving. De gemeente Opsterland betreft een niet-stedelijke gemeente en de locatie ligt in buitengebied. Het aantal verkeersbewegingen per woning van zware motorvoertuigen bedraagt 0,02 mvt/etmaal (CROW publicatie 381). Het totale aantal verkeersbewegingen van zware motorvoertuigen aan de Warren 6 bedraagt afgerond 0,02 mvt/etmaal. Voor de rijroutes en rijrichtingen is het heersende verkeersbeeld van belang. Het wegverkeer gaat op in het heersende verkeersbeeld als het qua rij- en stopgedrag en intensiteit niet meer te onderscheiden is van het overige wegverkeer. Voor wat betreft de lengte van de rijroutes is uitgegaan van één rijroute vanaf het middenterrein waar de parkeervoorzieningen worden gerealiseerd, zie figuur 2. Vanaf hier zal 100% van het verkeer in zuidelijke richting rijden over de Warren richting de N392.
Vanaf hier kunnen de kern van Tijnje, de E22 en de A7 worden bereikt. Het aantal verkeersbewegingen per rijroute is weergegeven in tabel 2.
2/5
Figuur 2: Schematische weergave rijroutes verkeersgeneratie Tabel 1: Verkeersgeneratie exploitatiefase
Woningtype Recreatiewoning (bungalow conform publicatie 381)
Aantal wooneenheden 1
Kencijfer CROW per wooneenheid 2,7
Verkeersgeneratie per etmaal 2,7
Tabel 2: Verdeling verkeersgeneratie over rijroutes
De Warren-zuid Totaal
3/5
Verdeling wegverkeer 100%
Verkeersgeneratie per etmaal 2,7 2,7
Aanlegfase Om te verkennen welke effecten kunnen optreden tijdens de aanlegfase is een berekening uitgevoerd. Voor het dieselverbruik is uitgegaan van ervaringsgegevens elders. Het aantal verkeersbewegingen in de aanlegfase bedraagt nooit meer dan het aantal in de exploitatiefase, maar is wel afzonderlijk opgenomen in de berekening. De volgende uitgangspunten voor de aanlegfase zijn gehanteerd: 1. Voor de aanlegfase wordt uitgegaan van 20 verkeersbewegingen (zware motorvoertuigen) per jaar voor de aan- en afvoer van materiaal en machines. Dit zijn 20 verkeersbewegingen per woning per jaar. Voor het vervoer van personeel zijn er 14 verkeersbewegingen per etmaal. Voor de rijroute van het wegverkeer is uitgegaan van een rijroute vanaf het projectgebied richting de Warrewei, omdat deze weg een goede verbinding biedt met de E22 en de A7. 2. Voor de sloopfase van de huidige bebouwing wordt uitgegaan van 1 8-urige werkdag. Gedurende deze 8 uur worden machines (Stage IV 75-560 kW, 30L) ingezet ten behoeve van de sloop van de bebouwing. Dit komt neer op 240 liter diesel voor de sloopfase. 3. De aanlegfase van de woningen valt te splitsen in de voorbereiding-/grondwerkfase en de bouwfase. Gedurende voorbereiding/grondwerk vindt het bouw- en woonrijp maken plaats.
Het gaat hier om de aanleg van de funderingen, rioleringen, bekabeling, wegen, bestrating, straatmeubilair en groenvoorzieningen. Gedurende de bouwfase vindt de daadwerkelijke constructie van de woningen plaats. Tabel 3: Uitgangspunten berekening dieselverbruik sloop Activiteit
Klasse
Dieselverbruik
Uren/dag
Aantal dagen
[liter/uur] Sloop
Stage IV, 75-560 kw
Totaal aantal
Totaal diesel-
uren
verbruik [liter]
30
8
1
8
240
Dieselverbruik
Uren/dag
Aantal dagen/
Totaal aantal
Totaal diesel-
Woning
uren
verbruik [liter]
Tabel 4: Specificatie van het dieselmaterieel Activiteit
Klasse
[liter/uur]
Woningen (1 stuk) Voorbereiding/grondwerk
Stage IV, 130-300 kw
Bouwfase Totaal
4/5
Stage IV, 75-130 kw
20
8
3
10
8
2
24 16
480 160 640
RESULTATEN EN CONCLUSIE In het bijgevoegde PDF-bestand is de ligging van de bronnen en het resultaat weergegeven. Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie nergens hoger is dan afgerond 0,00 mol/ha/jaar en er derhalve geen relevant effect is. Negatieve effecten in de vorm van vermesting en verzuring zijn derhalve niet aan de orde. De aanleg- en exploitatiefase zijn worst-case in dezelfde berekening meegenomen. Voor dit plan geldt geen vergunningplicht op basis van de Wet natuurbescherming (Wnb).
5/5
Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.
Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via:
www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers
Projectberekening
Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie
Activiteit
Omschrijving Toelichting
Berekening
Rho Adviseurs De Warren 6, 8406 AG Tijnje Tijnje - De Warren 6 Ontwikkeling één recreatiewoning
AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie
RbA5GgjvcvwP 16 augustus 2023, 12:29 Wnb-rekengrid
Totale emissie
Rekenjaar
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
Resultaten
Hoogste bijdrage
Hexagon
Gebied
Situatie 1 - Beoogd Situatie 1 - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename Grootste afname
RbA5GgjvcvwP (16 augustus 2023)
2023 -
0,2 kg/j
29,5 kg/j
2/7
Projectberekening
Situatie 1 (Beoogd), rekenjaar 2023 Emissiebronnen 1 Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning | Dieselmaterieel Verkeersnetwerk
RbA5GgjvcvwP (16 augustus 2023)
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
0,2 kg/j 21,2 g/j
29,3 kg/j 0,2 kg/j
3/7
Projectberekening
Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald
Grootste toename (projectberekening) Grootste afname (projectberekening) Hoogste totaal (achtergrond + projectberekening)
De letters bij de bronlabels op de kaart geven bij welke type situaties de bronnen horen: beoogde situatie (B), referentiesituatie (R) en/of salderingssituatie (S). RbA5GgjvcvwP (16 augustus 2023)
4/7
Projectberekening
Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Situatie 1" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Berekend (ha gekarteerd)
Totaal
RbA5GgjvcvwP (16 augustus 2023)
-
Hoogste totale Met toename Grootste depositie (mol (ha gekarteerd) toename (mol N/ha/jr) N/ha/jr)
-
-
-
Met afname (ha Grootste gekarteerd) afname (mol N/ha/jr)
-
-
5/7
Projectberekening
Situatie 1, Rekenjaar 2023 1
Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning
Naam Locatie Oppervlakte Naam
Dieselmaterieel X:193712,07 Y:561501,94 0,03 ha
NOₓ NH₃
Stageklasse
Brandstofverbruik
Voorbereiding/grondwerk Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja Bouwfase Sloopfase
2
Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja
160 l/j
Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: ja
240 l/j
Rijroute exploitatiefase X:193694,09 Y:561431,99 151,02 m Buitenweg Beide richtingen 1 Normaal 0m
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer RbA5GgjvcvwP (16 augustus 2023)
NOₓ
0 l/j
NOₓ
8 u/j
0 l/j
NOₓ NH₃
Type scherm Hoogte Afstand tot de weg
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
Max. snelheid
0 l/j
Stof Emissie
NH₃
Max. snelheid
Rijroute aanlegfase X:193693,95 Y:561431,77 150,07 m Buitenweg Beide richtingen 1 Normaal 0m
24 u/j 16 u/j
-
-
2,7 p/etmaal 0,0 p/etmaal 0,0 p/etmaal 0,0 p/etmaal
Type scherm Hoogte Afstand tot de weg
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
Links Rechts NOₓ - NO₂ - NH₃
Aantal voertuigbewegingen
Wegverkeer | Weg
Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte Verkeer
Draaiuren AdBlue verbruik
NH₃
Wegverkeer | Weg
Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte Verkeer
3
480 l/j
29,3 kg/j 0,2 kg/j
Links Rechts NOₓ - NO₂ - NH₃
-
-
Aantal voertuigbewegingen
14,0 p/etmaal 0,0 p/etmaal 0,0 p/etmaal 0,0 p/etmaal 0,0 p/jaar 0,0 p/jaar 20,0 p/jaar 0,0 p/jaar
16,0 kg/j 0,1 kg/j 5,4 kg/j 38,4 g/j 8,0 kg/j 57,6 g/j 32,9 g/j 7,6 g/j 3,5 g/j
In file
0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %
0,2 kg/j 36,7 g/j 17,7 g/j
In file
0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %
6/7
Projectberekening
Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van AERIUS versie 2022.2_20230808_506285819f Database versie 2022.2_506285819f Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/
RbA5GgjvcvwP (16 augustus 2023)
7/7
42/56
Bijlage 2
43/56
Ecologische quickscan
Dhr. J. de Jong Romke van Damwei 2 8406 EL Tijnje
Drachten, D26-07-2023. Betreft: Rapportagebrief Quick-scan Wet Natuurbescherming De Warren 6 Tijnje.
Geachte heer De Jong,
Aanleiding De heer De Jong, initiatiefnemer, is voornemens het voormalige Zondagsschooltje uit bouwjaar 1915 ter plaatse van het adres De Warren 6 te Tijnje, kadastraal bekend als Gemeente Gorredijk, Sectie D, Perceel 596, welke in zwaar verval aan het geraken is, te vervangen door nieuwbouw in een gelijkende steil aan de huidige opstal. Voorts zal de nieuwbouw als doel ‘recreatiewoning’ krijgen. Hiervoor heeft bij de gemeente Opsterland reeds een bestemmingswijziging plaatsgevonden. Voordat er daadwerkelijk aan de sloop en nieuwbouw begonnen kan worden dienen de actuele natuurwaarden conform de Wet Natuurbescherming inzichtelijk worden gebracht. Dolstra Ecologisch Advies is door de heer De Jong benaderd om deze info inzichtelijk te maken.
Huidige situatie In de huidige situatie betreft het een voormalig zondagsschooltje met een grondoppervlak van 52 vierkante meter. De muren hebben geen spouw en zijn steens dik. Het voorportaaltje heeft een half steens muur. De boogramen zijn voorzien van enkel glas. Het dak is voorzien van een houten dakbeschot, waarop de dakpannen (Friese golfjes) liggen. Er zijn diverse scheuren/breuken in de muren aanwezig, gaten in het houtwerk en kieren achter houtwerk en dakgoten die allen leiden naar ‘niets’, de binnenruimte van de opstal, of zitten vol met spinnen rag. De opstal is gelegen in het landelijk gebied van Tijnje op circa een kilometer afstand vanaf de dorpskern gelegen aan De Warren. Grenzend aan het plangebied zijn enkele particuliere woningen/erven gelegen. Voorts grenst het plangebied aan intensief beheerd grasland. Rondom het plangebied zijn waterhoudende watergangen gelegen. Op de grens van het plangebied zijn enige opgaande beplantingen aanwezig.
Deze Quick-scan Wet Natuurbescherming is een eerste inventarisatie, waarbij een inschatting/inventarisatie wordt gemaakt van de aanwezige en te verwachten beschermde natuurwaarden. Het gaat hierbij dus niet om een volwaardig soortgericht natuurwaardenonderzoek,
26-7-2023
Onderzoek verantwoording
1 Status: Definitief.
maar een gedegen inschatting of deze onderzoeken nodig zijn. Of nadere onderzoeken nodig zijn is terug te vinden bij de conclusies van deze Quick-scan. Stikstofberekeningen maken eveneens geen deel uit van de opdracht, evenals het uitgebreide toetsingskader wat betrekking kan hebben op Natura2000 gebieden, Weidevogel kansgebieden en Natuurnetwerk Nederland (NNN). Dolstra Ecologisch Advies is niet verantwoordelijk voor eventuele vertragingen voortkomend uit onverhoopt toch aanwezig zijn / aantreffen van strikt beschermde natuurwaarden gedurende de uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Ook geldt ten aller tijde de Algemene zorgplicht ten aanzien van alle natuurwaarden.
Resultaten Hierna volgen de resultaten uit bureauonderzoek in combinatie met een veldbezoek. Het veldbezoek voor deze Quick-scan is uitgevoerd op 24 juni 2023 door dhr. Dolstra, ecologisch adviseur. De weersomstandigheden waren zeer geschikt voor het waarnemen/vaststellen van natuurwaarden: droog, zonnig, wind NO 1 bij 26°C. Natura2000 en Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied is gelegen halverwege de Natura2000 gebieden De Deelen in westelijke richting en Van Oordt’s Mersken in oostelijke richting. Beide Nature2000 gebieden liggen op een onderlinge afstand van circa 1,2 kilometer. Gezien de afstand en de tussenliggende activiteiten (agrarisch, bebouwing, infrastructuur) worden er geen negatieve effecten verwacht van het kleinschalige herinrichtingvoornemen binnen het plangebied. Voor meer info: https://www.fryslan.frl/natura2000 Het plangebied is niet gelegen of grenzend aan terreinen vallend onder het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbij gelegen terrein wat onder de NNN valt is de Lytse Deelen die op circa 300 meter afstand gelegen is. De kleinschaligheid van het voornemen in het plangebied heeft naar verwachting geen negatieve externe werking op dit terrein en diens natuurwaarden. Voor meer info: https://www.fryslan.frl/natuurnetwerk-nederland Het plangebied is gelegen binnen de contouren van de Weidevogel kansgebieden.