Bijlage 1 Ontwerpbestemmingsplan Tijnje - Heawei 38 en 44
Tekst van het document
Afbeelding 2.3. Zuidwestzijde te slopen schuur.
Afbeelding 2.4. Schuurtje met paardenstal.
Afbeelding 2.5. Grasland aan noordzijde.
Afbeelding 2.6. Grasland aan westzijde.
Afbeelding 2.7. Oprit woonhuis, met watergang en laanbeplanting. Op de achtergrond het woonhuis.
Datum: 5 november 2021 rapport: R21.228, versie 1.0
blad 7 van 21
Transportbedrijf J. Schaap en Zn. QuickScan Tijnje, Heawei 44
Afbeelding 2.8. Bosschage aan de zuidzijde.
Afbeelding 2.9. Bosschage tussen grasland met regenwatersloot.
Afbeelding 2.10. Watergang aan de noordzijde.
Afbeelding 2.11. Watergang aan de oostzijde.
Afbeelding 2.12. Watergang aan de zuidzijde.
Afbeelding 2.13. Watergang aan de westzijde.
Datum: 5 november 2021 rapport: R21.228, versie 1.0
blad 8 van 21
Transportbedrijf J. Schaap en Zn. QuickScan Tijnje, Heawei 44
Afbeelding 2.14. Gronddam aan grasland.
Afbeelding 2.15. Gronddam bij inrit woonhuis.
Afbeelding 2.16. Vijver in de tuin.
Afbeelding 2.17. Detail oeverzone vijver.
Afbeelding 2.18. Bomen op verhoogde grond.
Afbeelding 2.19. Puinbulten op het terrein.
Datum: 5 november 2021 rapport: R21.228, versie 1.0
blad 9 van 21
Transportbedrijf J. Schaap en Zn. QuickScan Tijnje, Heawei 44
Ingreep De bestaande grote schuur wordt gesloopt en de bomenrij tussen de graslanden wordt gekapt. Verder wordt de daaronder liggende watergang gedempt. Op de vrijgekomen grond worden vervolgens twee nieuwe bedrijfspanden gerealiseerd. De nieuwe bedrijfsinrit wordt over een bestaande gronddam gelegd. De noordwestzijde van het plangebied, welke momenteel uit grasland bestaat, wordt verhard. Aan de zuidzijde van het noordelijke bedrijfspand wordt opslag voor onder andere voer en mest gerealiseerd. Daarnaast worden er parkeerplaatsen aangelegd voor personeel en bezoekers. Op de meest noordwestelijke hoek wordt een windmolen geplaatst.
Afbeelding 2.20. De ingreep met o.a. de nieuw te plaatsen bedrijfspanden, de windmolen, de bedrijfsinrit, de opslag en parkeerplaatsen. (Bron: Bouwkundig Bureau Haverkamp).
Datum: 5 november 2021 rapport: R21.228, versie 1.0
blad 10 van 21
Transportbedrijf J. Schaap en Zn. QuickScan Tijnje, Heawei 44
3
Resultaten veldbezoek en bureaustudie (soortenbescherming) Waargenomen soorten en verwachte soorten (op basis van de aanwezige habitat en de bekende verspreiding) worden samengenomen en hun gebruik van het plangebied wordt beschreven. Hierbij ligt de nadruk op beschermde soorten, maar er zullen ook algemene en lichter beschermde soorten betrokken worden indien waargenomen of van belang voor de ingreep.
Vogels Alle broedgevallen van vogels zijn beschermd. Van 16 vogelsoorten zijn ook de nesten, vaste rust- en verblijfplaatsen jaarrond beschermd. Dit zijn soorten die vallen in de categorie 1 t/m 4 van de aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten (2012). Deze soorten zijn: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. Daarnaast zijn van 34 vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd als hier een zwaarwegende ecologische reden voor is. Dit zijn soorten die vallen in de categorie 5 van de aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten (2012). Deze soorten zijn: blauwe reiger, boerenzwaluw, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, bosuil, brilduiker, draaihals, eidereend, ekster, gekraagde roodstaart, glanskop, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kleine bonte specht, kleine vliegenvanger, koolmees, kortsnavelboomkruiper, oeverzwaluw, pimpelmees, raaf, ruigpootuil, spreeuw, tapuit, torenvalk, zeearend, zwarte kraai, zwarte mees, zwarte roodstaart en zwarte specht. Indien sprake is van een ecologisch zwaar wegende reden voor één of meerdere van deze soorten, dan worden deze hieronder behandeld onder ‘Jaarrond beschermd’.
Zo niet, dan worden deze soorten net als overige broedvogels behandeld onder ‘Algemene broedvogels’. Jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek is gezocht naar jaarrond beschermde nesten in en binnen de verstoringszone van het plangebied. In de bomen binnen de verstoringszone werden geen horsten gevonden van jaarrond beschermde soorten, waardoor de aanwezigheid van boom-broedende vogels met jaarrond beschermde nesten kan worden uitgesloten. Daarnaast zijn de aanwezige watergangen in en rondom het plangebied door het monotone karakter en de geringe stroomsnelheid ongeschikt als broedbiotoop voor grote gele kwikstaart. Het huis bevat geen geschikte nestplaatsen of invliegopeningen voor steenuil of kerkuil, waardoor de aanwezigheid van deze uilensoorten uitgesloten kan worden. Het dakpannen dak van het woonhuis beschikt over een dakgoot en geschikte invliegopeningen huismus. Onder het dak van de, aan het woonhuis liggende, schuur is vogelschroot geplaatst. Deze is echter op enkele plaatsen beschadigd, waardoor het dak alsnog toegankelijk is voor huismus. Daarnaast is de omgeving van het woonhuis door de bosschages en struiken in de directe omgeving zeer geschikt, waardoor de huismus niet uit te sluiten valt op deze locatie. De gierzwaluw broedt vaak in oude dorps- en stadskernen, in broedkolonies.
Voor de gierzwaluw is het plangebied niet geschikt vanwege de ligging in agrarisch gebied. Er zijn geen nesten van boeren- of huiszwaluwen aangetroffen. Algemene broedvogels In en op het pand, de bomen, de struiken en de slootkanten kunnen diverse algemene broedvogels als kauw, houtduif, spreeuw en wilde eend, tot broeden komen tijdens het vogelbroedseizoen. Consequenties van de ingreep op jaarrond beschermde nesten en algemene broedvogels staan beschreven in paragraaf 4.2.
Datum: 5 november 2021 rapport: R21.228, versie 1.0
blad 11 van 21
Transportbedrijf J. Schaap en Zn. QuickScan Tijnje, Heawei 44
Vleermuizen Alle vleermuizen zijn zwaar beschermd (alle in Nederland voorkomende soorten staan vermeld in de Habitatrichtlijn). Vleermuizen kunnen een plangebied gebruiken als verblijfplaats, vaste vliegroute en/of foerageergebied. Verblijfplaatsen kunnen uitgesplitst worden in vier categorieën, te weten kraam-, zomer-, paar- en winterverblijven. Vleermuizen maken op verschillende manieren en in verschillende seizoenen gebruik van deze verblijfplaatsen. De eisen die vleermuizen stellen aan hun verblijfplaatsen zijn afhankelijk van de vleermuissoort en het gebruik van de verblijfplaats. Kraamverblijven worden in het voorjaar en de vroege zomer gebruikt door grote groepen drachtige vrouwtjes om hun jongen te baren en groot te brengen. Tegelijkertijd bevinden kleinere groepen mannetjes zich in de zomerverblijfplaatsen. Later in de zomer en in het najaar verplaatsen de mannetjes zich naar de paarverblijven, waaromheen ze een territorium bezetten en verdedigen tegen andere mannetjes. Binnen het territorium proberen de mannetjes langskomende vrouwtjes te lokken naar de paarverblijven, waar vervolgens de paring plaatsvindt. Het paarseizoen eindigt in de herfst, waarna de vleermuizen de winterverblijven opzoeken om te overwinteren. Sommige soorten migreren hiervoor over behoorlijke afstanden.
Vleermuizen gebruiken vliegroutes voor dagelijkse verplaatsingen tussen verblijfplaats en foerageergebieden en in het geval van migrerende soorten, voor de jaarlijkse trek van en naar de winterverblijven. Meestal maken vleermuizen langdurig gebruik van vaste routes die ze onthouden. Daarbij worden lijnvormige elementen zoals bomenrijen, dijken en watergangen gebruikt als vliegrouteondersteuning. Het onderbreken of verwijderen van deze elementen bij een (potentiële) vliegroute kan een negatief effect hebben op de mogelijkheid van vleermuizen om hun doel te bereiken. Ten slotte kunnen vleermuizen een plangebied gebruiken als foerageergebied. De vleermuizen komen via vaste routes naar het foerageergebied om daar in de buurt van bomen en water te jagen op vliegende insecten. Net zoals vaste vliegroutes die veelvuldig gebruikt worden, maken vleermuizen ook gebruik van vaste foerageergebieden. Het ongeschikt maken van een foerageergebied door bijvoorbeeld het kappen of verlichten van bomen of het dempen van waterpartijen, kan tot gevolg hebben dat vleermuizen geen toegang meer hebben tot voldoende voedsel. Verblijven Het woonhuis is goed toegankelijk voor vleermuizen. Vleermuizen kunnen goed onder de dakpannen komen en kunnen het gehele dak als verblijfplaats gebruiken.
Het pand is geschikt als verblijfplaats voor diverse gebouwbewonende vleermuizen, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis. Mogelijk gebruiken één of meerdere van deze soorten het pand als kraamverblijf, zomerverblijf of paarverblijf. Er zijn geen als verblijfplaats geschikte holtes aangetroffen in de bomen in het plangebied. Consequenties van de ingreep op vleermuisverblijfplaatsen staan beschreven in paragraaf 4.2. Vliegroutes Er zijn geen duidelijke lijnvormige elementen aanwezig binnen het plangebied die dienst kunnen doen als essentiële vliegrouteondersteuning. Aanwezigheid van een essentiële vliegroute binnen het plangebied kan daarmee worden uitgesloten. Foerageergebied Het plangebied wordt mogelijk gebruikt als foerageergebied. In de omgeving van het plangebied is voldoende minstens even geschikt foerageergebied aanwezig, waardoor het plangebied niet als essentieel foerageergebied wordt aangemerkt.
Datum: 5 november 2021 rapport: R21.228, versie 1.0
blad 12 van 21
Transportbedrijf J. Schaap en Zn. QuickScan Tijnje, Heawei 44
Overige zoogdieren Er zijn in de omgeving van het plangebied diverse beschermde zoogdieren bekend, te weten de das, eekhoorn, otter en wolf. Naast deze soorten worden, gezien het habitattype en de bekende verspreiding, geen andere beschermde zoogdiersoorten verwacht in de omgeving van het plangebied. Das De das leeft in allerlei biotopen, met een voorkeur voor kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, heggen en houtwallen. Het leefgebied moet voldoende dekking bevatten, weinig verstoring, een groot voedselaanbod en een bodem waarin ze kunnen graven, met een grondwaterstand van tenminste 1,5 m onder het maaiveld (Zoogdiervereniging z.d). De omgeving van het plangebied is geschikt voor de das. Het plangebied zelf bevat geen verblijfplaatsen. Mogelijk dat de das een enkele keer foerageert op de graslanden van het plangebied. In de omgeving van het plangebied is voldoende minstens even geschikt foerageergebied aanwezig, waardoor het plangebied niet als essentieel foerageergebied wordt aangemerkt. Eekhoorn Eekhoorns komen voor in bosachtige biotopen. Ze leven in verschillende bostypen maar ook in tuinen, parken en houtwallen. Zolang er voldoende voedsel beschikbaar is komen ze ook voor in bebouwd gebied (Zoogdiervereniging, z.d.). Er zijn geen nesten van eekhoorns aangetroffen in het plangebied.
Daarnaast zijn de bosschages in het plangebied niet groot en voedselrijk genoeg om leefgebied voor de eekhoorn te vormen. Het voorkomen van de eekhoorn in het plangebied kan uitgesloten worden. Otter De otter is een sterk watergebonden zoogdier welke voornamelijk op vis foerageert. De soort heeft zijn verblijfplaatsen in sterk begroeide oevers, maar ook in kunstmatige holtes in gebieden met voldoende dekking en rust (Zoogdiervereniging, z.d.). De watergang aan de zuidzijde van het perceel is geschikt als foerageergebied voor de otter. De oevers bevatten echter te weinig dekking en er is een redelijke menselijke achtergrondverstoring aanwezig. De in de omgeving waargenomen otters betreffen voornamelijk doodgereden exemplaren op de A7 aan de noordzijde van het plangebied. De hier aanwezige watergangen bevatten meer dekking en zijn daardoorgeschikter voor otters. De watergangen rondom het plangebied bevatten geen verblijfplaatsen van de otter. Wel is in de omgeving van het plangebied mogelijk foerageergebied aanwezig. Er is echter voldoende minstens even geschikt foerageergebied in de omgeving aanwezig, waardoor het plangebied niet als essentieel foerageergebied wordt aangemerkt. Wolf De wolf is nabij het plangebied waargenomen. Echter is er geen geschikt vestigingshabitat aanwezig rondom het plangebied.
Wolven zijn namelijk schuwe dieren en vestigen zich alleen in de grotere bossen in Nederland (Zoogdiervereniging (z.d.).
Datum: 5 november 2021 rapport: R21.228, versie 1.0
blad 13 van 21
Transportbedrijf J. Schaap en Zn. QuickScan Tijnje, Heawei 44
Reptielen Er is in de omgeving van het plangebied één beschermde reptielensoort bekend, te weten ringslang. Overige reptielensoorten worden, vanwege de specifieke habitateisen, niet verwacht in de omgeving van het plangebied. Ringslang De ringslang is een sterk aan water gebonden reptiel dat met name in de directe omgeving van beken, sloten, rivieren, meren, vijvers en poelen wordt aangetroffen. Geschikte wateren kunnen in laagveengebieden, struwelen, parken, natte heidegebieden, bossen en zelfs in bebouwd en agrarisch gebied gelegen zijn, zolang er maar voldoende dekking en zonplekken aanwezig zijn. De ringslang is in Nederland afhankelijk van de aanwezigheid van broeihopen waarin de eieren tot ontwikkeling kunnen komen. Deze broeihopen bestaan veelal uit hopen mest, compost, blad- en snoeiafval of in een natuurlijke situatie uit aangespoeld plantenmateriaal. De ringslang heeft, van de Nederlandse reptielensoorten, de grootste dispersiedrift en legt met gemak enkele kilometers af op zoek naar geschikt leefgebied (RAVON, z.d.). De ringslang is eenmalig aangetroffen bij een bedrijf ten noorden van het plangebied. Het betreft hier waarschijnlijk een zwervend exemplaar uit een populatie uit de iets wijdere omgeving. Er zijn een aantal (relict)populaties bekend op enkele kilometers afstand van het plangebied.
Het plangebied zelf bevat echter geen broeihopen of ander geschikt habitat voor ringslangen. Het voorkomen van de ringslang in het plangebied is daardoor uit te sluiten.
Amfibieën Er is in de omgeving van het plangebied één beschermde amfibieënsoort aanwezig, te weten de rugstreeppad. Overige soorten met een beschermde status worden, gezien het habitattype en de bekende verspreiding van deze soorten, niet verwacht in de omgeving van het plangebied. Rugstreeppad De rugstreeppad is vaak te vinden in gebieden met een hoge dynamiek. Deze dynamiek kan ook door menselijke activiteiten veroorzaakt zijn. Hierbij kan gedacht worden aan gebieden met bouwterreinen, groeven, zand- en kleiafgravingen, rivierduinen en uiterwaarden. In de omgeving van de leefgebieden is vaak een goed vergraafbare (zanderige) bodem aanwezig waarin de soort zich kan ingraven. Daarnaast komt de soort ook voor in meer stabiele biotopen zoals heideterreinen en sloten in akker- en graslandgebieden. Voor de overwintering graaft de rugstreeppad zich meestal in, maar de soort kan ook overwinteren onder allerlei materialen zoals stenen en afval. De rugstreeppad is een echte pionier met een groot dispersievermogen en kan snel nieuwe gebieden koloniseren. Juveniele exemplaren kunnen tot wel vijf kilometer afleggen. Barrières worden daarbij gevormd door bijvoorbeeld wegen of beschoeide watergangen (BIJ12, 2017; RAVON, z.d.). Binnen het projectgebied en in de ruime omgeving ontbreken geschikte waterlichamen die als voortplantingswater kunnen dienen.
Daarnaast is het projectgebied ongeschikt als landhabitat omdat de bodem of verhard is of begroeid met een dichte, kort gemaaide, graszode. De aanwezigheid van rugstreeppad is daarmee uitgesloten.
Datum: 5 november 2021 rapport: R21.228, versie 1.0
blad 14 van 21
Transportbedrijf J. Schaap en Zn. QuickScan Tijnje, Heawei 44
Vissen De grote modderkruiper leeft in ondiepe wateren met een dikke modderlaag en uitbundige waterplantengroei. Door een gespecialiseerde huid- en darmademhaling (via ingeslikte lucht) kunnen grote modderkruipers overleven in situaties met lage zuurstofgehalten. De soort is in staat om in drooggevallen sloten ingegraven in de modderlaag enige tijd te overleven door gebruik te maken van huidademhaling (RAVON, z.d.). De watergangen in het plangebied zijn geschikt voor grote modderkruipers. De watergang aan de westzijde is een ondiepe watergang met geschikte vegetatie en is mogelijk in gebruik als voortplantingshabitat of als habitat voor volwassen dieren. Daarnaast zijn de grotere watergangen mogelijk in gebruik als migratieroute. De watergang aan de oostzijde bevat mogelijk diepere gedeeltes welke geschikt zijn als overwinteringsgebied. De te dempen watergang op het middendeel van het perceel is niet aangesloten aan de rest van de watergangen. Deze bevat uitsluitend regenwater en is niet toegankelijk voor de grote modderkruiper. Consequenties van de ingreep op de grote modderkruiper staan beschreven in paragraaf 4.2.
Overige fauna Overige beschermde diersoorten, zoals insecten, kreeftachtigen en weekdieren zijn niet bekend in de wijde omgeving van Tijnje en worden ook niet verwacht op basis van de aanwezige habitat en de bekende verspreidingsgegevens.
Vaatplanten De in Nederland beschermde vaatplanten stellen specifieke eisen aan hun groeiplaats, of komen slechts beperkt voor in Nederland. De meeste soorten groeien op voedselarme bodems en zijn niet te verwachten op stikstofrijke of bemeste bodems zoals landbouwgronden en de meeste wegbermen. Andere beschermde soorten groeien slechts in een specifieke biogeografische regio in Nederland, zoals in het rivierengebied of in het heuvelland van Zuid-Limburg. Gezien de aanwezige habitats binnen het plangebied in combinatie met de bekende huidige verspreiding van beschermde plantensoorten, kan uitgesloten worden dat deze soorten aanwezig zijn binnen het plangebied.
Datum: 5 november 2021 rapport: R21.228, versie 1.0
blad 15 van 21
Transportbedrijf J. Schaap en Zn. QuickScan Tijnje, Heawei 44
4
Effecten en gevolgen Overzicht beschermde soorten In dit hoofdstuk wordt de geplande ingreep getoetst aan de aanwezige of verwachte beschermde soorten (zie hoofdstuk 3) binnen het plangebied, en de te verwachten risico’s voor deze soorten, bij uitvoer van de geplande werkzaamheden. In de Wet natuurbescherming zijn vooral vaste verblijfplaatsen (voortplantingslocaties zoals nesten, holen, kraamkolonies etc.) van belang, maar ook de functionele leefomgeving die de vaste verblijfplaatsen in stand houdt. Voor soorten die niet genoemd worden vanuit de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of Wnb artikel 3.10 geldt de algemene vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Zelfs bij negatieve effecten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Ditzelfde geldt voor soorten van Wnb artikel 3.10, waarvoor een Provinciale vrijstelling is uitgegeven. Voor deze soorten geldt wel de zorgplicht, maar ze worden hieronder, ondanks eventueel voorkomen en eventueel te verwachten negatieve effecten, niet meegenomen. Soortgroep Jaarrond beschermde broedvogels
Soort(en) Huismus
Bescherming
Aanwezig
3.1
Mogelijk
Algemene broedvogels Diverse soorten
3.1
Mogelijk in broedseizoen
Vleermuizen
Diverse gebouwbewonende soorten
3.5
Mogelijk
Vissen
Grote modderkruiper
3.10
Mogelijk
Tabel 4.1. Soort(groep)en van de Wet natuurbescherming waarvoor het effect van de maatregel bepaald moet worden. 3.1 = vogelrichtlijn, 3.5 = habitatrichtlijn, 3.10 = nationaal beschermde soorten.
Datum: 5 november 2021 rapport: R21.228, versie 1.0
blad 16 van 21