CConstaterende datOpsterland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Ontwerpbestemmingsplan Siegerswoude - De Mersken 10

Raadsvergadering 27 mei 2024, gemeente OpsterlandBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Siegerswoude - De Mersken 10 (B)23.126 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Datum Betreft Referentie

: 1 december 2020 : advies externe veiligheid : PV-FUMO-2020-0047279

Aanleiding Provincie Fryslân overweegt de bedrijfswoning gelegen aan De Mersken 10 te Siegerswoude te verkopen. Voornoemde woning is in de onmiddellijke nabijheid van een ondergrondse hogedruk aardgastransportleiding gesitueerd. Mevrouw H.Terpstra-Seepma, Coördinator Verkooporganisatie Overtollige gronden en opstallen, Afdeling Vastgoed en Grondzaken van de Provincie Fryslân heeft de FUMO om advies betreffende externe veiligheid gevraagd. Op 30 november 2020 heeft een overleg via ‘Teams’ plaatsgevonden. Bij dit overleg waren van de Provincie Fryslân Hennie Terpstra, Sietske Steringa, Yep Zeinstra en Sietze Douma aanwezig. Namens de FUMO heeft Paul Verhoeven, adviseur externe veiligheid, deelgenomen. De Mersken 10 Siegerswoude Conform de Signaleringskaart externe veiligheid (zie onderstaand figuur) valt de PR 10-6 contour geheel over de woning gelegen aan De Mersken 10 te Siegerswoude.

Signaleringskaart externe veiligheid: PR 10-6 contour (zwarte stippellijn) en 100% letaliteitszone (blauwe stippellijn) vallen geheel over De Mersken 10 (rode ruit).De rode stippellijn in het midden met daaromheen de

zwarte stippellijn verbeeld de gasleiding A-540 met belemmeringenstrook. De 1% letaliteitszone wordt verbeeld door de blauwe doorgetrokken lijn.

De bedrijfswoning wordt als een beperkt kwetsbaar object aangemerkt. Indien de bedrijfswoning via een bestemmingswijziging een reguliere woonbestemming krijgt blijft de woning in dit geval een beperkt kwetsbaar object (minder dan 2 woningen per ha.). Een beperkt kwetsbaar object is toegestaan in de PR 10-6 contour, een kwetsbaar object niet. Voor de externe veiligheidssituatie verandert er feitelijk niets. Het is ongewenst om bedrijvigheid waarbij extra personen worden aangetrokken binnen de PR 10-6 contour toe te staan. Afgesproken is dat u contact opneemt met de Gasunie en de Veiligheidsregio/Brandweer Fryslân om hun visie dienaangaande bij de besluitvorming te betrekken. Enige relevante externe veiligheid begrippen worden onderstaand nader toegelicht. Beperkt kwetsbaar object of kwetsbaar object Om de vraag te beantwoorden of in casu sprake is van een beperkt kwetsbaar object of een kwetsbaar object, moet gekeken worden naar het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In artikel 1 van het Bevb wordt verwezen naar artikel 1, lid 1, onderdeel b, van het Bevi waarin staat aangegeven dat verspreid liggende woningen met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare onder de definitie van beperkt kwetsbaar object vallen.

Ook dienst- en bedrijfswoningen van derden vallen onder de definitie van beperkt kwetsbare objecten. In onderdeel l, onder a van dat artikellid van het Bevi staat dat woningen, niet zijnde woningen als bedoeld in onderdeel b, onder a, een kwetsbaar object zijn. Op grond van onderdeel s van dat artikellid van het Bevi wordt onder woning verstaan: gebouw of gedeelte van een gebouw dat voor bewoning is bestemd. Het onderscheid van kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten is gekoppeld aan de grenswaarde van het plaatsgebonden risico. Zo wordt de burger een minimum beschermingsniveau geboden, omdat de grenswaarde van het plaatsgebonden risico een afstand garandeert tussen risicobron en kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten hebben aldus een hogere beschermingswaarde. Plaatsgebonden risico PR 10-6 Een risicocontour (ofwel plaatsgebonden risico) geeft aan hoe groot in de omgeving de overlijdenskans is door een ongeval met een risicobron: binnen de contour is het risico groter, buiten de contour is het risico kleiner. Het plaatsgebonden risico is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtsreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft.

Het plaatsgebonden risico wordt gebruikt bij de toetsing of een risicovolle activiteit op een bepaalde plek mag plaatsvinden en wat in de directe omgeving ervan gebouwd mag worden. De geldende regels zijn vastgelegd in het Besluit milieukwaliteitseisen Externe veiligheid inrichtingen en in de nota Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. In het plaatsgebonden risico zijn in het kort twee verschillende kansen verwerkt:

-2/4-

De kans dat er daadwerkelijk een zwaar ongeval of ramp, zoals het ontsnappen van een gevaarlijke stof, plaatsvindt. De kans dat een persoon daadwerkelijk overlijdt als gevolg van dit zwaar ongeval of ramp. PR 10-6 Bij een plaatsgebonden risico van 10-6 is de kans dat er daadwerkelijk een zwaar ongeval plaatsvindt 1 op de miljoen. Een PR van 10-6 wordt in de regels voor ruimtelijke ordening en externe veiligheid echter als een relatief hoog risico beschouwd. Bij een PR van 10-6 is de kans dat een persoon op die afstand van het ongeval daadwerkelijk overlijdt nog redelijk groot. Wegens dit soort relatief grote overlijdenskansen mogen er binnen de contour van 10-6 in principe geen kwetsbare objecten staan. Hogedruk aardgastransportleiding In het plangebied ligt een ondergrondse hogedruk aardgastransportleiding van N.V. Nederlandse Gasunie (hierna: Gasunie). Omdat sprake is van hogedruk aardgastransportleiding is het Bevb van toepassing. De leiding heeft, volgens de gegevens van Gasunie en de Signaleringskaart externe veiligheid, een uitwendige diameter van 36 inch en een maximum druk van 66 bar. De 100% letaliteitszone bedraagt 175 meter en de 1% letaliteitszone bedraagt 430 meter en heeft ter plaatse van de Mersken 10 een PR10-6 dat groter is dan de belemmeringenstrook.

Invloedsgebied 1% en 100% letaliteitszone Binnen de 100% letaliteitszone zullen alle aanwezige personen komen te overlijden ingeval van een incident. Daarbij maakt het niet uit of men zich binnen- of buitenshuis bevindt. De 1% letaliteitszone is dat deel van het invloedsgebied waarin de letaliteit afneemt van 100% (de rand van de 100% letaliteitszone) tot 1% (de rand van het invloedsgebied). In dit gebied wordt aangenomen dat personen binnenshuis voldoende bescherming hebben van het gebouw waarin zij zich bevinden. De slachtoffers vallen daarom met name buitenshuis. Een incident kan zich met name voordoen als er graafwerkzaamheden in de nabijheid van de aardgasleiding plaatsvinden, waarbij de leiding kan worden beschadigd en lek kan geraken of dat er een breuk in de leiding ontstaat met een fakkelbrand tot gevolg. Een dergelijke fakkelbrand heeft een zeer hoge hittestraling. Dit verklaart de grootte van het invloedsgebied van de aardgasleiding. Wanneer een plan in het gebied tussen de 100% en 1% letaliteitszone ligt dient een beperkte verantwoording van het GR plaats te vinden. Bij een beperkte verantwoording dienen de volgende elementen betrokken te worden: de personendichtheid binnen het invloedsgebied, de hoogte van het GR, de bestrijdbaarheid/beperking van de omvang van een incident en de zelfredzaamheid.

Als een plangebied binnen de 100% letaliteitszone valt, dan dient een volledige verantwoording van het GR plaats te vinden. Dit houdt in dat, naast bovengenoemde aspecten, ook gekeken wordt naar de maatregelen ter beperking van het GR, andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager GR en de mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen tot beperking van het GR in de nabije toekomst.

-3/4-

Omdat het plangebied binnen de 100% letaliteitszone ligt, dient een volledige verantwoording van het GR plaats te vinden. PR Het Bevb stelt dat geen kwetsbare objecten mogen voorkomen binnen de PR 10-6 contouren van leidingen waarin gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Als dat toch het geval is, dan is er sprake van een zogenaamd knelpunt. De leidingbeheerder is verplicht zodanige maatregelen te treffen dat zulke knelpunten worden opgeheven. Van een PR knelpunt is sprake als zich kwetsbare objecten binnen een PR 10-6 contour van een aardgastransportleiding bevinden. Belemmeringenstrook Conform artikel 14, lid 1 van het Bevb dient een bestemmingsplan de ligging weer te geven van de in het plangebied aanwezige buisleidingen, alsmede de daarbij behorende belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud van de buisleiding. De belemmeringenstrook bedraagt, mede gelet op artikel 14 van het Bevb en artikel 5 van het Revb, tenminste 5 meter bij een leiding van 66 bar, aan weerszijden van een buisleiding, gemeten vanuit het hart van de buisleiding. In het bestemmingsplan is rekening gehouden met de belemmeringenstrook.

Verantwoording GR Naast de numerieke waarde van het GR, zoals de ligging van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde en de toename daarvan ten opzichte van de nulsituatie, dient ter beoordeling van het GR en de verantwoording daarvan (conform artikel 12, lid 1 van het Bevb) ook gekeken te worden naar kwalitatieve aspecten, zoals zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid van het incident, nut en noodzaak, het tijdsaspect en mogelijk risicoreducerende maatregelen. De Veiligheidsregio/ Brandweer Fryslân dient hierbij betrokken te worden om over voornoemde aspecten te adviseren. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Het Bevb regelt de taken en verantwoordelijkheden van de leidingexploitant en de gemeenten. De belangrijkste plichten voor de gemeente die een bestemmingsplan opstelt zijn: •

Ruimtelijke reservering opnemen voor plaatsgebonden risico (PR) en verantwoording van groepsrisico (GR). Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord.

•

Ruimtelijke reservering opnemen voor de belemmeringenstrook met aanlegvergunningenstelsel: de voor onderhoud gereserveerde ruimte bedraagt ten minste 5 meter aan beide zijden van de leiding.

-4/4-

Regels

86/204

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder: 1.1 het plan: het bestemmingsplan Siegerswoude - De Mersken 10 met identificatienummer NL.IMRO.0086.13BPDeMersken10-0201 van de gemeente Opsterland; 1.2 bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en bijlagen; 1.3 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5

aan- of uitbouw:

een onderdeel van een hoofdgebouw dat in ruimtelijk opzicht ondergeschikt is aan de hoofdvorm; 1.6 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.7 bedrijfsgebouw: een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf; 1.8 bedrijfswoning: een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is; 1.9 beperkt kwetsbaar object: een object waarvoor ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen een richtwaarde voor het risico dan wel een risicoafstand tot een risicovolle inrichting is bepaald, waarmee rekening moet worden gehouden; 1.10 bestaand: de situatie zoals die is op het moment dat het bestemmingsplan in werking treedt; 1.11 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak; 1.12 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

87/204

1.13 bijgebouw: een vrijstaand gebouw dat in ruimtelijk opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw; 1.14 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.15 bouwgrens: de grens van een bouwvlak; 1.16 bouwlaag: een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke bouwhoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en kapverdieping; 1.17 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.18

bouwwerk:

een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden; 1.19 detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.20 evenement: elke voor publiek buiten de daartoe ingerichte inrichtingen toegankelijke festiviteit, grootschalige sportwedstrijd, auto- of motorcrosswedstrijd, optocht, georganiseerd vuurwerk en alle overige tot vermaak en recreatie bedoelde activiteiten, met uitzondering van markten als bedoeld in de Gemeentewet, kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen en betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; 1.21 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.22 geluidsbelasting: de geluidsbelasting vanwege een weg en/of een industrieterrein; 1.23 geluidsgevoelige objecten: gebouwen welke dienen ter bewoning of andere geluidsgevoelige objecten of terreinen, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder en/of het Besluit geluidhinder;

88/204

1.24 geluidzoneringsplichtige inrichting: een inrichting waarbij ingevolge de Wet geluidhinder rondom het terrein van vestiging in een bestemmingsplan een zone moet worden vastgesteld; 1.25 hogere grenswaarde: een bij een bestemmingsplan in acht te nemen maximale waarde voor de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten, die hoger is dan de voorkeurgrenswaarde en die in een concreet geval kan worden vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder en/of het Besluit geluidhinder; 1.26 hoofdgebouw: een gebouw dat, gelet op de bestemming, zowel ruimtelijk als functioneel als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt; 1.27 houtteelt: de bedrijfsmatige uitoefening van uitsluitend de functie houtproductie op gronden die in principe hiervoor tijdelijk worden gebruikt en waarvoor daartoe ontheffing is verleend van de melding- en herplantplicht in het kader van de Boswet; 1.28 kampeermiddel: een mobiel en/of demontabel kampeermiddel en/of vast kampeermiddel dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf; 1.29 kleinschalige duurzame energiewinning: winning van energie uit kleinschalige perceelsgebonden bronnen, waarbij weinig tot geen

schadelijke milieueffecten optreden bij winning en omzetting en waarvan de bronnen in onuitputtelijke hoeveelheden beschikbaar zijn, zoals zon, wind, water, aard- en omgevingswarmte; 1.30 kleinschalige logiesverstrekking: het bieden van de, ten opzichte van de woon- of agrarische bedrijfsfunctie ondergeschikte, mogelijkheid tot recreatief nachtverblijf al dan niet in combinatie met ontbijt in de (bedrijfs)woning aan personen die hun hoofdverblijf elders hebben, waaronder tevens wordt verstaan bêd en brochje; 1.31 kwetsbaar object: een object waarvoor ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen een grenswaarde voor het risico dan wel een risicoafstand tot een risicovolle inrichting is bepaald, die in acht genomen moet worden; 1.32 landschappelijke en cultuurhistorische waarden: waarden in verband met de verschijningsvorm van een gebied en de aanwezigheid van waarneembare structuren en/of elementen in dat gebied, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat gebied heeft gemaakt;

89/204

1.33 mestopslag: voorziening voor het opslaan van meststoffen, waaronder mestsilo's en mestbassins; 1.34 natuurwaarden: de aan een gebied toegekende waarden in verband met de geologische, bodemkundige en biologische elementen voorkomende in dat gebied. Onderdeel van de natuurlijke waarden vormt steeds een beoordeling van de soortbescherming op basis van de Flora- en faunawet; 1.35 nutsvoorzieningen: voorzieningen ten behoeve van de telecommunicatie en de gas-, water- en elektriciteitsdistributie, voorzieningen ten dienste van de exploitatie en/of winning van aardgas, alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen transformatorhuisjes, pompstations, gemalen, telefooncellen, zendmasten en oplaadvoorzieningen voor elektrische motorvoertuigen; 1.36 overkapping: elk bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder dan wel met ten hoogste één wand; 1.37 paardrijbak: een buitenrijbaan ten behoeve van paardrijactiviteiten, voorzien van een zandbed en al dan niet voorzien van een omheining; 1.38 peil: a. indien op het land wordt gebouwd: 1. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; 2.

voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; b. indien op of in het water wordt gebouwd: het gemiddelde waterpeil ter plaatse van het bouwwerk; 1.39 productiegebonden detailhandel: detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, geteeld, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie; 1.40 risicogevoelig bouwwerk cq. object: een bouwwerk c.q. object als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, dat kan worden aangemerkt in de zin van dat besluit als een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object; 1.41 risicovolle inrichting: een inrichting, bij welke ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen een grenswaarde, richtwaarde voor het risico c.q. een risicoafstand moet worden aangehouden bij het in het bestemmingsplan toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten;

90/204

1.42 seksinrichting: een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seks-bioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.43 voorkeursgrenswaarde: de bij een bestemmingsplan in acht te nemen maximale waarde voor de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten, zoals deze rechtstreeks kan worden afgeleid uit de Wet geluidhinder en/of het Besluit geluidhinder; 1.44 vuurwerkbedrijf: een bedrijf dat is gericht op de vervaardiging of assemblage van vuurwerk of de (detail)handel in vuurwerk, niet bedoeld periodieke verkoop in consumentenvuurwerk, c.q. de opslag van vuurwerk en/of de daarvoor benodigde stoffen; 1.45 woning: een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

91/204

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.2 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.3 de dakhelling van een bouwwerk: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; voor zover in de regels een dakhelling is voorgeschreven, is deze niet van toepassing op de horizontale gedeelten van afgeknotte daken, de bovenste dakvlakken van mansardekappen en op dakvlakken welke niet evenwijdig aan de noklijn zijn gelegen; 2.4

de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.5 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.6 de bouwhoogte van een molen: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van de kap van de molen.

92/204

Hoofdstuk 2 Artikel 3

Bestemmingsregels

Agrarisch

3.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. agrarische cultuurgronden; met daaraan ondergeschikt: b. landbouwontsluitingswegen; c. voet-, fiets en ruiterpaden; d. dagrecreatieve voorzieningen, uitsluitend in de vorm van parkeer-, en picknickvoorzieningen, visplaatsen, aanlegplaatsen en naar de aard daaraan gelijk te stellen kleinschalige voorzieningen; e. water; f. nutsvoorzieningen; g. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding. 3.2 Bouwregels 3.2.1 Gebouwen en overkappingen Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. 3.2.2 Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. er mogen bouwwerken ten behoeve van mestopslag en sleufsilo's, alsmede bouwwerken ten behoeve van mestvergistingsinstallaties worden gebouwd; b. er mogen geen paardrijbakken worden gebouwd; c. de bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen zal niet meer dan 1 m bedragen; d. de bouwhoogte van masten mag niet meer dan 6 m bedragen; e. de bouwhoogte van andere overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 1,5 m bedragen. 3.3 Nadere eisen Burgemeester en Wethouders kunnen, met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van: a. de landschappelijke en cultuurhistorische waarden, zoals opgenomen in bijlage 1; b. de natuurlijke waarden; c.

de milieusituatie; d. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; e. de verkeersveiligheid; f. het verlichtingsniveau tijdens avond- en nachturen; nadere eisen stellen aan de plaats van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 3.4 Specifieke gebruiksregels Tot een gebruik in strijd met de bestemming wordt in ieder geval aangemerkt:

93/204

a. het gebruik van de gronden en bebouwing voor opslag; b. het gebruik van gronden ten behoeve van de houtteelt en de bosbouw; c. het gebruik van gronden ten behoeve van de sierteelt, fruitteelt, boomteelt of overige opgaande meerjarige teeltvormen, tenzij het bestaand gebruik betreft; d. het permanent gebruiken van gronden ten behoeve van de winning van delfstoffen als aardgas; e. het gebruik van gronden ten behoeve van de aanleg van een paardrijbak met de daarbijbehorende bouwwerken. 3.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.5.1 Vergunningplicht Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden van Burgemeester en Wethouders, voor de hierna onderscheiden gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanleggen van wegen, voet-, fiets- en ruiterpaden en dagrecreatieve voorzieningen; b. het aanplanten van bebossing en/of opgaande beplanting anders dan ten behoeve van erfbeplanting of wegbeplanting; c. het verwijderen van bomen en/of houtgewas, voorzover de Wet natuurbescherming en de Algemene Plaatselijke Verordening niet van toepassing is. 3.5.2 Uitzondering De in lid 3.5.1 bedoelde omgevingsvergunning is niet vereist voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die: a.

het normale onderhoud en beheer betreffen; b. die in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; c. mogen worden uitgevoerd op basis van een reeds verleende omgevingsvergunning. 3.5.3 Toetsingscriteria De in lid 3.5.1 bedoelde omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. de landschappelijke en cultuurhistorische waarden, zoals opgenomen in bijlage 1; b. de natuurlijke waarden; c. de archeologische waarden; d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; e. de verkeersveiligheid.

94/204

Artikel 4

Bedrijf

4.1 Bestemmingsregels De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. bedrijven die zijn genoemd in de categorieën 1 en 2 van de als bijlage 2 bij deze regels behorende bedrijvenlijst; b. het wonen ten behoeve van de bedrijfsfunctie; met daaraan ondergeschikt: c. erven en terreinen; d. water; e. nutsvoorzieningen; f. kleinschalige duurzame energiewinning; g. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding. 4.2 Bouwregels 4.2.1 Bouwwerken Voor het bouwen van bouwwerken geldt de volgende regel: de oppervlakte aan bouwwerken mag niet meer dan 1.000 m² bedragen. 4.2.2 Gebouwen en overkappingen ten behoeve van bedrijven Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen ten behoeve van bedrijven gelden de volgende regels: a. de goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen mogen niet meer dan respectievelijk 4,5 m en 13 m bedragen; b. de dakhelling van bedrijfsgebouwen mag niet minder dan 15° bedragen; c. in afwijking van het bepaalde onder b geldt voor een oppervlakte aan gebouwen van maximaal 100 m² dat daarvoor geen minimale dakhelling van toepassing is; d. er mag ten hoogste 1 bedrijfswoning worden gebouwd; e. de bedrijfswoning dient te worden gesitueerd op de plek op het bouwperceel waar die bestaan ten tijde van de ter inzage legging van het ontwerp-bestemmingsplan; f. de oppervlakte van de bedrijfswoning mag niet meer dan 150 m² bedragen; g.

de goot- en bouwhoogte van de bedrijfswoning mogen niet meer dan respectievelijk 6 m en 10 m bedragen; h. de dakhelling van de bedrijfswoning mag niet minder dan 30° bedragen; i. de bouwhoogte van overkappingen mag ten hoogste 3,50 m bedragen. 4.2.3 Aan- en uitbouwen bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen gelden de volgende regels: a. de gezamenlijke oppervlakte aan aan-, uit- en bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 100 m²; b. de goothoogte van een aan- of uitbouw, een aangebouwd bijgebouw of een aangebouwde overkapping zal ten hoogste gelijk zijn aan de hoogte van de eerste bouwlaag van de bedrijfswoning plus 0,30 m; c. de goothoogte van een vrijstaand bijgebouw of een vrijstaande overkapping zal ten hoogste 3,50 m

95/204

bedragen; d. indien een aan- of uitbouw, een bijgebouw of een overkapping wordt voorzien van een kap, zal de dakhelling ten hoogste de dakhelling van de bedrijfswoning bedragen; e. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen dienen op ten minste 1 m achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel(s) van de bedrijfswoning te worden gebouwd; f. de afstand van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen tot de perceelsgrens mag niet minder dan 1 m bedragen, dan wel ten minste de bestaande afstand indien deze minder is. 4.2.4 Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. er mogen geen paardrijbakken worden gebouwd; b. de bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen voor de naar de weg gekeerde gevel(s) van gebouwen mag niet meer dan 1 m bedragen; c. de bouwhoogte van overige terrein- en erfafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen; d. de bouwhoogte van masten mag niet meer dan 6 m bedragen; e. de bouwhoogte van andere overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen. 4.3 Nadere eisen Burgemeester en Wethouders kunnen, met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van: a. de landschappelijke en cultuurhistorische waarden, zoals opgenomen in bijlage 1; b. de natuurlijke waarden; c. de milieusituatie; d.

de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; e. de verkeersveiligheid; f. het verlichtingsniveau tijdens avond- en nachturen; nadere eisen stellen aan de plaats van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 4.4 Afwijken van de bouwregels Burgemeester en Wethouders kunnen, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: de landschappelijke en cultuurhistorische waarden, zoals opgenomen in bijlage 1; de natuurlijke waarden; de milieusituatie; de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; een omgevingsvergunning verlenen ten behoeve van afwijking van het bepaalde in: a. lid 4.2.2 sub e ten behoeve van het situeren van (een deel van) een bedrijfswoning op een andere dan de bestaande locatie op een bouwperceel, met dien verstande dat de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere grenswaarde; b. lid 4.2.2 sub h ten behoeve van een kleinere dakhelling; c. lid 4.2.3 sub e voor het bouwen op een kleinere afstand dan wel op of voor de naar de weg gekeerde gevel van de bedrijfswoning; d. lid 4.2.4 sub a voor het bouwen van paardrijbakken, mits: 1. tevens de tevens de in lid 4.5 sub f bedoelde vergunning is verleend;

96/204

2. de bouwhoogte van lichtmasten ten hoogste 6 m bedraagt, met dien verstande dat eventuele lichtmasten onderdeel uitmaken van een inrichtingsplan als genoemd in lid 4.5 sub f; 3. de bouwhoogte van overige bouwwerken ten behoeve van een paardrijbak ten hoogste 2 m bedraagt. 4.5 Specifieke gebruiksregels Tot een gebruik in strijd met de bestemming wordt in ieder geval aangemerkt: a. het gebruik van de gronden en bouwwerken anders dan ten behoeve van bedrijven genoemd in de categorieën 1 en 2 van de als bijlage 2 bij deze regels behorende bedrijvenlijst; b. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van geluidzoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen en vuurwerkbedrijven; c. het gebruik van de gronden en bouwwerken als afleverzuil, opslagpunt of vulpunt voor lpg; d. het gebruik van gronden voor buitenopslag van goederen; e. het gebruik van de gronden en bouwwerken voor de uitoefening van detailhandel; f. het gebruik van gronden ten behoeve van de aanleg van een paardrijbak met de daarbijbehorende bouwwerken; g. het gebruik van de gronden en bouwwerken voor kleinschalige logiesverstrekking.

4.6 Afwijken van de gebruiksregels Burgemeester en Wethouders kunnen, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: de landschappelijke en cultuurhistorische waarden, zoals opgenomen in bijlage 1; de natuurlijke waarden; de milieusituatie; de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; de verkeersveiligheid; het verlichtingsniveau tijdens avond- en nachturen; een omgevingsvergunning verlenen in afwijking van : a. het bepaalde in lid 4.5 sub b ten behoeve van de vestiging van bedrijven in categorie 3.1 van de bijlage 2 opgenomen bedrijfsactiviteiten dan wel bedrijven die in deze lijst niet worden genoemd, mits deze bedrijven naar aard en effecten op het woon- en leefklimaat van de aangrenzende woongebieden, al dan niet onder te stellen voorwaarden, wat betreft geur, stof, gevaar en geluid, kunnen worden gelijkgesteld met de bedrijven die wel zijn genoemd in de categorieën 1, en 2; b. het bepaalde in lid 4.5 sub d ten behoeve van buitenopslag, met dien verstande dat de opslag aan het zicht wordt onttrokken c.q. een goede landschappelijke inpassing is gegarandeerd; c. het bepaalde in lid 4.5 sub e ten behoeve van de uitoefening van productiegebonden detailhandel; d. het bepaalde in lid 4.5 sub f ten behoeve van de aanleg van een paardrijbak voor het eigen hobbymatige gebruik met de daarbijbehorende bouwwerken, mits: 1.

de afstand van de paardrijbak tot de dichtstbijzijnde woning ten minste 50 m bedraagt; 2. voorafgaand een inrichtingsplan wordt ingediend; 3. er vanwege de paardrijbak geen onevenredige hinder (geur, geluid, licht en stof) wordt veroorzaakt voor nabijgelegen woningen van derden (minimale afstand 50 m tot de woonbestemmingsgrens).

97/204

Artikel 5

Bos

5.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Bos’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. bos en bebossing; b. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de landschappelijke en/of natuurlijke waarden van de gronden; met daaraan ondergeschikte: c. voet-, fiets- en ruiterpaden; d. recreatieve vaarroutes; e. dagrecreatieve en educatieve voorzieningen, uitsluitend in de vorm van parkeer-, en picknickvoorzieningen, visplaatsen, recreatieve aanlegplaatsen, bebording, vogelkijkhutten en naar de aard daaraan gelijk te stellen kleinschalige voorzieningen; f. nutsvoorzieningen; g. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding. 5.2 Bouwregels 5.2.1 Gebouwen en overkappingen Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels: a. als gebouw mogen uitsluitend gebouwen en overkappingen ten behoeve van het onderhoud en beheer van de bosfunctie worden gebouwd; b. de oppervlakte van een gebouw of overkapping mag ten hoogste 50 m² bedragen; c. de goothoogte van een gebouw mag niet meer dan 3 m bedragen; d. de bouwhoogte van een gebouw mag niet meer dan 5 m bedragen; e. de bouwhoogte van overkappingen mag ten hoogste 3,50 m bedragen. 5.2.2 Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen; b.

de bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 5 m bedragen. 5.3 Nadere eisen Burgemeester en Wethouders kunnen, met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van: a. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; b. het ruimtelijk beeld; c. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de landschappelijke en/of natuurlijke waarden van de gronden; nadere eisen stellen aan de plaats van gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde. 5.4 Afwijken van de bouwregels Burgemeester en Wethouders kunnen, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: de landschappelijke en cultuurhistorische waarden, zoals opgenomen in bijlage 1; de natuurlijke waarden;

98/204

de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; het ruimtelijk beeld; een omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in lid 5.2.1 sub a, c, d en e en lid 5.2.2 sub b voor het bouwen van overkappingen of overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het beheer van natuurgebieden en de dagrecreatie (zoals vogelkijkhutten) tot een bouwhoogte van ten hoogste 12 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van masten ten hoogste 6 m mag bedragen. 5.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.5.1 Vergunningplicht Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden van Burgemeester en Wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanleggen van voet- en fietspaden, ruiterpaden of mountainbikeroutes; b. het graven, verbreden en/of dempen van watergangen; c. het aanleggen van verhardingen groter dan 100 m²; d. het ontgraven van gronden tot een diepte van ten hoogste 2 m; e. het verwijderen van bomen en/of houtgewas, voorzover de Boswet en de Algemene Plaatselijke Verordening niet van toepassing is. 5.5.2 Uitzondering De in lid 5.5.1 bedoelde omgevingsvergunning is niet vereist voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die: a.

het normale onderhoud en beheer betreffen; b. die in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; c. mogen worden uitgevoerd op basis van een reeds verleende omgevingsvergunning. 5.5.3 Toetsingscriteria De in lid 5.5.1 bedoelde omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. de landschappelijke en cultuurhistorische waarden, zoals opgenomen in bijlage 1; b. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de landschappelijke waarde van de gronden; c. de archeologische waarden; d. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

99/204

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Opsterland&id=5ff46c90-4fd3-4a6a-bd6e-e01f0fe81429