Bijlage 1 Ontwerpbestemmingsplan Siegerswoude - De Mersken 10
Tekst van het document
3.3
Effectenbeoordeling
Op basis van de uitkomsten van het bronnen- en veldonderzoek is beoordeeld of het plan (negatieve) effecten kan hebben. Hierbij is waar mogelijk onderscheid gemaakt in effecten op korte en lange termijn. Indien sprake is van een conflictsituatie tussen de aanwezigheid van beschermde soorten en de geplande ruimtelijke ingreep, is in onderhavige rapportage aangegeven welke voorzorgsmaatregelen genomen moeten worden om negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen. Als negatieve effecten door het nemen van voorzorgsmaatregelen niet te voorkomen zijn, is aangegeven welke mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn en/of een ontheffing aangevraagd dient te worden.
6
Quickscan natuur – De Mersken 10, Siegerswoude Clafis Engineering Midden-Zuid
5 Onderzoeksresultaten 5.1
Algemene beschrijving plangebied
Het plangebied bestaat uit 3 sleufsilo’s, een schuur en een mestsilo. Op de grond liggen betonplaten, en langs de randen groeien gras, boterbloem, paardenbloem en andere algemene soorten. Ten zuiden van het plangebied ligt een houtwal met braamstruweel en brandnetels op de grens van het plangebied. Er zijn geen bijzonderheden waargenomen binnen het plangebied.
Figuur 4.1. Overzichtsfoto van (een deel van) het plangebied met de te demonteren schuur en 1 van de sleufsilo’s.
Figuur 4.2. De binnenkant van de schuur die gedemonteerd en verwijderd zal worden.
7
Quickscan natuur – De Mersken 10, Siegerswoude Clafis Engineering Midden-Zuid
Figuur 4.3. De te slopen mestsilo.
Figuur 4.4. Eén van de te verwijderen sleufsilo’s. Op het perceel bevinden zich ook een woonhuis en twee schuren (niet onderdeel van het plangebied). Deze zijn ook bekeken tijdens het veldbezoek. In de noordelijke schuur zijn sporen (braakballen en uitwerpselen) gevonden van een kerkuil. Ook zijn sporen (uitwerpselen en botten) van steenmarter waargenomen. Zowel de sporen van de kerkuil als van de steenmarter waren niet recent, de uitwerpselen en braakballen waren al deels vergaan en uit elkaar gevallen. Daarnaast is ten westen van het woonhuis de invasieve Japanse duizendknoop waargenomen.
8
Quickscan natuur – De Mersken 10, Siegerswoude Clafis Engineering Midden-Zuid
Figuur 4.5. Japanse duizendknoop, groeiend aan de westkant van de woning (buiten plangebied).
5.2
Vaatplanten
Bronnenstudie In de omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen van beschermde vaatplanten bekend. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen wettelijk beschermde vaatplanten aangetroffen. In het voedselrijke grasland en op het erf komen algemene soorten planten voor. Van (mogelijke) aanwezigheid van beschermde planten is geen sprake. Buiten het plangebied is de invasieve soort Japanse duizendknoop aangetroffen (figuur 4.5). Door de extreme groei heeft deze invasieve exoot negatieve gevolgen voor de inheemse flora en fauna. Het is aan te raden om zo spoedig mogelijk stappen te ondernemen om de plant te bestrijden, en verdere verspreiding te voorkomen.
5.3
Grondgebonden zoogdieren
Bronnenstudie In de NDFF zijn meerdere meldingen bekend van grondgebonden zoogdieren. Het gaat om bosmuis, bunzing, das, eekhoorn, haas, mol, muskusrat, otter, ree, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis en vos. Geen van de meldingen is gedaan binnen het plangebied, vrijwel alle meldingen zijn afkomstig uit het bosgebied ten zuidoosten van het plangebied. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde zoogdieren waargenomen. Hierbij is ook gelet op aanwezigheid van burchten of holen van bijvoorbeeld das. Zowel burchten als holten/nesten zijn niet waargenomen. Aanwezigheid van das kan daarom worden uitgesloten binnen het plangebied. Voor de eekhoorn is geen geschikt leefgebied aanwezig binnen het plangebied. Mogelijk komt de eekhoorn wel voor in de houtwal ten zuiden van het plangebied. Nesten van eekhoorn zijn echter niet waargenomen in de nabijheid van het plangebied. Voor de otter is ook geen geschikt leefgebied (rivieren, kanalen, beken, moerassen) aanwezig binnen het plangebied. Aanwezigheid van (streng) beschermde grondgebonden zoogdieren binnen het plangebied kan worden uitgesloten. Het grasland rondom het plangebied vormt hoogstwaarschijnlijk leefgebied van veldmuis en ook aan de rand van de houtwal kunnen bosmuis en rosse woelmuis voorkomen. Voor andere grondgebonden zoogdieren vormt het plangebied geen primair habitat.
Soorten als vos, ree, haasachtigen en marterachtigen kunnen incidenteel gebruik maken van het grasland rondom het plangebied en de houtwal om zich langs/over te verplaatsen. Er bevinden zich echter geen geschikte verblijfplaatsen voor deze dieren binnen het plangebied.
9
Quickscan natuur – De Mersken 10, Siegerswoude Clafis Engineering Midden-Zuid
5.4
Vleermuizen
Bronnenstudie In de omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van vleermuizen. Echter zijn op basis van verspreidingsgegevens van verspreidingatlas.nl wel soorten als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger in de omgeving te verwachten. Bij het gebruik van het landschap door vleermuizen kan onderscheid gemaakt worden tussen vaste verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden. Veldbezoek De struiken en bomen in de omgeving van het plangebied vormen mogelijk onderdeel van foerageergebied voor vleermuizen. Er zijn geen geschikte lijnvormige elementen binnen het plangebied die zouden kunnen dienen als vliegroute. De schuur is niet geschikt als verblijfplaats. Daarnaast zijn in het plangebied geen bomen met holten aanwezig die kunnen fungeren als verblijfplaats. Het woonhuis (buiten het plangebied) zou eventueel wel verblijfplaatsen kunnen bieden.
5.5
Vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen
Bronnenstudie Binnen een straal van 1 km rondom het plangebied zijn meldingen bekend van vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen (categorie 1 t/m 4). Het gaat om boomvalk, buizerd, grote gele kwikstaart (1 melding), havik, kerkuil (1 melding), ooievaar, roek (1 melding), sperwer en wespendief. Het gaat hierbij voornamelijk om losse waarnemingen, waarbij geen nestplaats waargenomen is. Alleen van de buizerd, havik en wespendief zijn nesten gemeld, geen van deze nesten bevinden zich binnen het plangebied. Ook zijn meldingen bekend van vogels waarvan de nesten alleen jaarrond beschermd zijn wanneer zwaarwegende ecologische redenen aan de orde zijn (categorie 5). Hier gaat het om blauwe reiger, boerenzwaluw, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, draaihals, gekraagde roodstaart, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, huiszwaluw, ijsvogel, kleine bonte specht, koolmees, pimpelmees, spreeuw, torenvalk, zwarte kraai, zwarte mees, zwarte roodstaart en zwarte specht. Er is 1 melding bekend binnen het plangebied, het gaat hier om een zwarte roodstaart (een losse melding, geen nest). De andere meldingen zijn buiten het plangebied gedaan. Gebouw bewonende soorten als boerenzwaluw, huiszwaluw en spreeuw zouden mogelijk in de schuren van het plangebied voor kunnen komen. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde vogelsoorten waargenomen.
De te demonteren schuur bevat geen sporen van zwaluwnesten of andere vogelsoorten. In de noordelijke schuur zijn sporen van een kerkuil waargenomen, namelijk braakballen en uitwerpselen op meerdere plekken in de schuur. Deze sporen waren oud (deels afgebroken en uit elkaar gevallen), en het is aannemelijk dat de kerkuil op het moment van het veldbezoek de schuur niet meer gebruikte als verblijfplaats. Daarnaast blijft deze schuur bestaan en valt het buiten het plangebied, waardoor er geen negatieve effecten te verwachten zijn op de kerkuil.
5.6
Algemene broedvogels
Bronnenstudie In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van meerdere algemene broedvogels. Binnen het plangebied zelf zijn geen meldingen bekend, maar binnen een straal van 1 km zijn soorten gemeld als grasmus, grauwe gans, grote Canadese gans, kolgans, koekoek, merel en roodborst. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn alleen enkele witte kwikstaarten waargenomen rondom het plangebied. Het is aannemelijk dat de bomen en bebouwing rondom het plangebied nestgelegenheid bieden aan vele algemene broedvogels, zoals witte kwikstaart, merel en roodborst. Ook vormt het grasland rondom het plangebied mogelijk broedhabitat voor weidevogels.
5.7
Vissen
Aanwezigheid van vissen kan worden uitgesloten, aangezien er geen water aanwezig is binnen het plangebied.
5.8
Amfibieën
Bronnenstudie In de omgeving zijn enkele waarnemingen bekend van amfibieën. Het gaat om bastaardkikker, bruine kikker, groene kikker, en poelkikker. 10
Quickscan natuur – De Mersken 10, Siegerswoude Clafis Engineering Midden-Zuid
Veldbezoek Tijdens het veldbezoek is gelet op het voorkomen van geschikte biotopen voor amfibieën. In de directe omgeving van het plangebied is geen geschikt voortplantingsgebied voor strenger beschermde amfibieën aanwezig. Binnen het plangebied komt geen geschikt voortplantingswater voor. Soorten als gewone pad en bruine kikker maken mogelijk incidenteel gebruik van de, deze soorten zijn vaak op relatief grote afstanden tot hun voortplantingswateren te vinden. Aanwezigheid van beschermde amfibieën kan worden uitgesloten.
5.9
Reptielen
Bronnenstudie In de NDFF zijn enkele meldingen van beschermde reptielen bekend, namelijk adder en levendbarende hagedis. De melding van de adder is gedaan in het bos ten zuiden van het plangebied, op ca. 650 meter afstand. Van de levendbarende hagedis zijn 2 meldingen gedaan, beide op ca. 800 meter afstand van het plangebied, in het bosgebied ten zuidoosten van het plangebied. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek is gelet op het voorkomen van geschikte biotopen voor reptielen. Geschikt habitat is voor deze soorten niet aanwezig binnen het plangebied, aangezien het plangebied voornamelijk bestaat uit verharde oppervlakten en soortenarm grasland. Bovengenoemde reptielen (adder en levendbarende hagedis) zullen hier niet voorkomen, zij geven de voorkeur aan heide, schraal grasland of bebost gebied. Aanwezigheid van reptielen binnen het plangebied is uitgesloten.
5.10 Ongewervelde diersoorten Bronnenstudie In de NDFF zijn drie meldingen bekend van de beschermde grote weerschijnvlinder, 1 melding op ca. 200 meter afstand van het plangebied, en de andere meldingen op >800 meter afstand. Daarnaast zijn 3 meldingen gedaan van de gevlekte witsnuitlibel, alle meldingen zijn afkomstig uit een poel ca. 500 meter ten zuiden van het plangebied. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen gedaan van beschermde ongewervelde diersoorten. Door het ontbreken van geschikt biotoop binnen het plangebied voor deze soorten binnen het plangebied zijn ze ook niet te verwachten. De grote weerschijnvlinder leeft in oude, vochtige loofbossen, wilgenbroekbossen of groepen samenhangende bosjes in beekdalen. Haar waardplanten zijn boswilg en soms grauwe wilg. Deze habitats komen niet in het plangebied voor. De witsnuitlibel komt voor in laagveenmoerassen en vegetatierijke vennen en duinplassen. Ook deze habitats komen niet voor binnen en rondom het plangebied. Aanwezigheid van beschermde ongewervelde diersoorten kan worden uitgesloten.
11
Quickscan natuur – De Mersken 10, Siegerswoude Clafis Engineering Midden-Zuid
6 Toetsing aan de Wet Natuurbescherming In dit hoofdstuk is een analyse gemaakt van de te verwachten effecten van de werkzaamheden op de soorten die aanwezig zijn of verwacht worden. Op basis van de gegevens uit het bronnen- en veldonderzoek is het voorkomen van (streng) beschermde vaatplanten, broedvogels, vissen, amfibieën, reptielen en ongewervelden in hoofdstuk 5 al uitgesloten. Hierdoor is het optreden van negatieve effecten op deze soorten of soortgroepen niet aan de orde en worden zij onderstaand niet verder behandeld.
6.1
Vleermuizen
Vaste verblijfplaatsen en essentiële vliegroutes en foerageergebied van vleermuizen zijn beschermd (Wnb, art. 3.5). Het plangebied herbergt geen bebouwing met potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen, aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen kan worden uitgesloten. Mogelijk bevinden zich wel verblijfplaatsen voor vleermuizen in de woning die geen onderdeel uitmaakt van het plangebied. Gebruik van kunstmatige verlichting in de nacht zou in dat geval wel voor verstoring kunnen zorgen. Dit kan voorkomen worden door voorzorgsmaatregelen te nemen. Deze zijn beschreven in hoofdstuk 6. Mits hier rekening mee wordt gehouden, is er geen sprake van overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb. Het plangebied herbergt geen geschikte lijnvormige structuren die zouden kunnen dienen als vliegroute, aanwezigheid van essentiële vliegroutes kan worden uitgesloten. Wel vormt het plangebied mogelijk onderdeel van het foerageergebied van vleermuizen. Het betreft echter geen essentieel foerageergebied, er zijn tal van (meer geschikte) foerageerlocaties aanwezig in de directe omgeving. Gebruik van kunstmatige verlichting kan wel een negatief effect hebben op in de omgeving foeragerende vleermuizen. Dit kan voorkomen worden door voorzorgsmaatregelen te nemen. Deze zijn beschreven in hoofdstuk 6.
6.2
Algemene broedvogels
De meeste vogelsoorten maken elk jaar een nieuw nest. Nesten van algemene broedvogels zijn beschermd wanneer zij in gebruik zijn (Wnb art. 3.1, lid 2). De aanwezige bomen en struiken grenzend aan het plangebied vormen geschikt nesthabitat voor tal van algemene broedvogels. Door geluid en aanwezigheid van mensen kunnen deze vogels tijdens het broeden worden verstoord. Door de werkzaamheden uit te voeren buiten de broedperiode wordt overtreding van de Wnb voorkomen. Het indicatieve broedseizoen van de meeste vogels loopt van maart tot augustus. Deze periode is slechts indicatief, weersomstandigheden kunnen zorgen voor verschuiving van het broedseizoen.
6.3
Grondgebonden zoogdieren
Het plangebied kan mogelijk worden gebruikt door soorten als veldmuis, bosmuis en rosse woelmuis. Soorten als vos, ree, marterachtigen en haasachtigen kunnen incidenteel gebruik maken van het grasland rondom het plangebied en de houtwal om zich langs/over te verplaatsen. Deze soorten zijn in provincie Friesland vrijgesteld van de verbodsbepalingen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen en bestendig beheer en onderhoud. Voor deze soorten geldt de algemene zorgplicht echter onverminderd. Bij uitvoering van de werkzaamheden dient zodanig te worden gewerkt dat de kans op schade voor deze soorten wordt voorkomen of tot een minimum beperkt blijft.
6.4
Algemene amfibieën
Het plangebied kan worden gebruikt door algemene amfibieën als gewone pad en bruine kikker. Hierbij gaat het hoofdzakelijk om rust/schuilplaatsen. Geschikt voorplantingshabitat is niet aanwezig binnen het plangebied. Deze soorten zijn in provincie Friesland vrijgesteld van de verbodsbepalingen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen en bestendig beheer en onderhoud. Voor deze soorten geldt de algemene zorgplicht echter onverminderd. Bij uitvoering van de werkzaamheden dient zodanig te worden gewerkt dat de kans op schade voor deze soorten wordt voorkomen of tot een minimum beperkt blijft.
6.5
Algemene zorgplicht
Voor alle levende flora en fauna geldt de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat uitvoerder de werkzaamheden die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk nalaat of maatregelen neemt om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. Zo dient een werkterrein altijd voor aanvang van werkzaamheden te worden gecontroleerd en dienen werkzaamheden in één richting uitgevoerd te worden zodat eventueel dieren kunnen vluchten.
12
Quickscan natuur – De Mersken 10, Siegerswoude Clafis Engineering Midden-Zuid
7 Conclusie en advies In dit hoofdstuk zijn de conclusie en het advies opgenomen. Er is aangegeven of er sprake kan zijn van een overtreding van de verbodsbepalingen van de wet natuurbescherming, er voorzorgsmaatregelen genomen moeten worden om overtreding te voorkomen, of dat aanvullend onderzoek en/of mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn. Indien een ontheffing noodzakelijk is, is dit aangegeven. Voor vleermuizen, algemene broedvogels en algemene zoogdieren en amfibieën kan niet zondermeer worden uitgesloten dat negatieve effecten optreden en moeten voorzorgsmaatregelen genomen worden. In onderstaande tabel is aangegeven welke voorzorgsmaatregelen noodzakelijk zijn. Tabel 1. Overzicht van de benodigde vervolgstappen ten aanzien specifiek beschermde soorten en algemene soorten. Soortgroep Vleermuizen
Ingreep verstorend Mogelijk
Vervolgonderzoek noodzakelijk Nee, tenzij voorzorgsmaatregelen niet mogelijk zijn
Ontheffing nodig
Voorzorgsmaatregelen
Nee, tenzij voorzorgsmaatregelen niet mogelijk zijn
Werkzaamheden uitvoeren buiten de actieve periode (april-oktober), of; Werkzaamheden overdag uitvoeren, geen verlichting voeren na zonsondergang.
Algemene broedvogels
Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën
Mogelijk
Mogelijk
Nee
Nee
Nee
Nee
Als dit niet mogelijk is dient in overleg met een ecoloog te worden bepaald welke aanvullende maatregelen genomen kunnen worden om verstoring te voorkomen Werkzaamheden uitvoeren buiten het broedseizoen van aanwezige soorten (ca. maart t/m augustus). Als dit niet mogelijk is, dient een aanvullende inspectie op aanwezigheid van nesten door een ecoloog plaats te vinden en te worden beoordeeld of en op welke wijze werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd Werkzaamheden uitvoeren conform algemene zorgplicht; de werkzaamheden die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk nalaten of maatregelen nemen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. Bijvoorbeeld: wanneer tijdens de werkzaamheden soorten worden aangetroffen, deze de kans geven te vluchten.
13
Quickscan natuur – De Mersken 10, Siegerswoude Clafis Engineering Midden-Zuid
Bijlage 2
49/204
Watertoets
Digitale Watertoets
Digitale watertoets De watertoets helpt u om aan de hand van de locatie van uw ruimtelijke plan en een aantal vragen te toetsen of u de belangen van het Waterschap raakt. Indien dit het geval is krijgt u tekst en uitleg over het vervolg proces.
Op basis van de check is onderstaande nodig 1. Korte procedure
Op basis van onderstaande locatie
07-11-2023 09:33
1
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets
Vragen en antwoorden uit de check Gaat het plan uitsluitend over de functiewijziging van bestaande bebouwing zonder fysieke aanpassing van bebouwing en ruimte?
nee
Verwacht je een toename van verharding in het plan?
nee
Is er sprake van een toename van lozing van verontreinigd water op het oppervlaktewater?
nee
Wordt het oppervlaktewaterpeil in het plangebied ook gewijzigd?
nee
Wordt er oppervlaktewater gegraven en/of gedempt?
nee
Ga je tijdelijk of permanent op de ingetekende locatie grondwater onttrekken?
nee
Raak je de laag primaire waterkeringen?
nee
Raak je de laag regionale en/of lokale waterkeringen?
nee
Raak je de laag hoofdwateren?
nee
Raak je de laag rioolwaterpersleidingen?
nee
Raak je de laag Grondwaterbeschermingsgebied?
nee
Raak je de laag Kaderichtlijn water?
nee
Raak je de laag vrij voor de boezem?
nee
Raak je de laag waterzuiveringsobject?
nee
07-11-2023 09:33
2
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets
Details 1. Korte procedure Wat moet ik doen? Wij vragen je om het plan bij ons kenbaar te maken. Dit kun je doen via de knop ‘Direct aanvragen’ in het overzicht, in te loggen en hiermee de procedure af te ronden.
Uit de door jou ingevulde gegevens blijkt dat je plan mogelijk invloed heeft op het water of de wateraspecten (zoals dijken, gemalen, stuwen of persleidingen) in de omgeving.
Onder ‘details’ van de samenvatting aanvraag staat aangegeven waar je per onderdeel rekening mee moet houden. Dit moet je verwerken in je ruimtelijk plan of besluit in de waterparagraaf.
Daarnaast moet je in je plan een onderdeel opnemen over de ‘toename verharding’. Kijk bij ‘Achtergrondinformatie’ wat wij van je verwachten.
Waar moet ik op letten? Voor sommige werkzaamheden heb je een watervergunning nodig. Bijvoorbeeld als je een sloot wilt dempen, afvalwater wilt lozen op oppervlaktewater of grondwater wilt onttrekken. Soms is het doen van een melding voldoende. Via Omgevingsloket online www.omgevingsloket.nl kun je nagaan of je een watervergunning nodig hebt of een melding moet doen (vergunningcheck). Je kunt hier ook meteen de vergunning aanvragen of de melding doen.
Achtergrondinformatie
07-11-2023 09:33
3
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets Watertoets De watertoets zorgt ervoor dat in alle ruimtelijke plannen aandacht wordt besteed aan veiligheid, kwaliteit én kwantiteit van water. Als richtlijn bij het beoordelen van ruimtelijke plannen werken we met de Leidraad Watertoets. Hierin staat voor alle wateraspecten uitgangspunten omschreven waar je rekening mee moet houden. Ook is er informatie te vinden over de te nemen maatregelen. Je kunt de leidraad vinden via deze link: www.wetterskipfryslan.nl/vergunningen-wetten-en-regels/online-watertoets-voor-nieuwe-plannen
Toename verharding Wij willen je verzoeken om in de waterparagraaf de volgende passage op te nemen over het onderdeel toename verharding. Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is.
Het is niet toegestaan zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in dit wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Bij het graven van extra oppervlaktewater hanteren wij de volgende compensatienorm: • • •
Boezem 5%, dit heeft alleen betrekking op de Friese boezem; Polder 10%, Vrij afstromend, alternatieve maatregelen.
Uiteraard is het toepassen van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk. Afhankelijk van de maatregel kunnen andere normen gelden dan hier vermeld. Zie de ‘Leidraad watertoets’ voor meer informatie over compenserende maatregelen of neem contact op met ons. Indien er niet wordt gecompenseerd door extra oppervlaktewater te graven waarbij bovenstaande percentages worden gehanteerd of indien er geen overeenstemming plaatsvindt in de watertoetsprocedure over alternatieve maatregelen dan dient een watervergunning bij het waterschap te worden gevraagd.
Bekijk ook de ‘Leidraad Watertoets’ voor meer informatie over maatregelen die je kunt treffen om te compenseren. Als je niet compenseert dan moet je een watervergunning aanvragen voor het snel afvoeren van regenwater.
Klimaat Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming. Meer informatie hierover kun je vinden op ‘De Friese klimaatatlas’: www.frieseklimaatatlas.nl
Privacyverklaring Nadere informatie over de verwerking van je gegevens en je rechten vind je op https://www.wetterskipfryslan.nl/ over-de-site/privacyverklaring
07-11-2023 09:33
4
https://dewatertoets.nl
54/204
Bijlage 3
55/204
Archeologisch onderzoek
Siegerswoude, De Mersken 10 (Gemeente Opsterland, Fryslân) Archeologisch booronderzoek, karterende fase Definitief Steekproefrapport 2021-09/16b
Siegerswoude, De Mersken 10 (Gemeente Opsterland, Fryslân) Archeologisch booronderzoek, karterende fase Definitief Steekproefrapport 2021-09/16b
Siegerswoude, De Mersken 10 (Gemeente Opsterland). Een archeologisch booronderzoek karterende fase Een onderzoek in opdracht van Provinsje Fryslân Steekproefrapport 2021-09/16b ISSN 1871-269X Status: definitief Auteurs: drs. R.P. Exaltus (senior KNA archeoloog / senior KNA-prospector, actor regnr 92909010) Autorisatie: dr. J. Jelsma (senior KNA-archeoloog / senior KNA-prospector, actor regnr 35453178) Goedgekeurd door de bevoegde overheid, gemeente Opsterland d.d. 23 november 2023 De Steekproef bv werkt volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie 4.1 / SIKB-BRL 4000, voor dit onderzoek protocollen 4002 en 4003 Foto’s en tekeningen zijn gemaakt door De Steekproef, tenzij anders vermeld. © De Steekproef bv, 21 november 2023 Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt zonder bronvermelding. De Steekproef bv aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. De Steekproef bv Archeologisch Onderzoeks- en Adviesbureau adres Hogeweg 3, 9801 TG Zuidhorn telefoon 050 – 5779784 internet www.desteekproef.nl e-mail info@desteekproef.nl kvk 02067214
Inhoud Samenvatting Administratieve gegevens van het plangebied 1. Inleiding.......................................................................................................................... 1 • 1.1 Aanleiding en doel (KNA 4.1: LS01).........................................................................1 • 1.2 Locatie (KNA 4.1: LS01, LS02).................................................................................2 2. Actualisatie bureauonderzoek.............................................................................................3 • 2.1 Fysische geografie (KNA 4.1: LS03)...........................................................................3 • 2.2. Archeologie (KNA 4.1: LS04)..................................................................................7 • 2.3 Historische geografie (KNA 4.1: LS03).....................................................................10 • 2.4 Archeologische verwachtingsmodel (KNA 4.1: LS05).................................................12 3. Veldonderzoek (KNA 4.1: VS05).....................................................................................13 • 3.1 Methoden en technieken (KNA 4.1: VS01)..............................................................13 • 3.2 Resultaten veldwerk (KNA 4.1: VS02, VS03)..........................................................16 4.
Conclusies en advies (KNA 4.1: VS07)..............................................................................17 Literatuurlijst Lijst van figuren Appendix I: Appendix II:
Archeologische periodes Boorbeschrijvingen
Samenvatting In opdracht van de provincie Fryslân heeft De Steekproef bv een karterend booronderzoek uitgevoerd op het erf van de Mersken 10 te Siegerswoude. Aanleiding is de voorgenomen verplaatsing van het agrarisch bedrijf, een en ander wegens de geplande natuurontwikkeling en veiligheidsoverwegingen (de aanwezigheid van een grote gasleiding). Het plangebied lag gedurende de midden- en nieuwe-steentijd op een relatieve hoogte omringd door een beekdal en een zijloop van dit beekdal. Bij eerder archeologisch onderzoek ten zuiden van het erf is een dobbe vastgesteld. Omstreeks het einde van de steentijd veranderde het plangebied van een dekzand- en beekdeallandschap in een veenmoeras. Het veenmoeras werd in de nieuwe tijd ontgonnen. Bekende vondsten uit de omgeving van het plangebied dateren met name uit de prehistorie. Uit deze periode kunnen in het plangebied resten over zijn van bijvoorbeeld jachtkampen en nederzettingen. Tijdens de middeleeuwen en het grootste deel van de nieuwe tijd is het gebied onbewoond en onontgonnen gebleven. Uit deze periode is de verwachting voor archeologische resten laag. Eventuele resten zouden kunnen bestaan uit ontginningsstructuren. Om het verwachtingsmodel te toetsten is in het plangebied een karterend booronderzoek uitgevoerd.
Uit de resultaten van het booronderzoek blijkt dat de natuurlijke ondergrond van het plangebied uit leem bestaat waarvan de top oorspronkelijk al binnen een halve meter onder het maaiveld begint. Boven deze leem ligt slechts een toplaag die bestaat uit brokken zand van uiteenlopend humusgehalte. Op het zuidoostelijke deel van het plangebied is het terrein opgehoogd waardoor deze toplaag hier ruim een meter dik is. De geringe diepte waarop in het plangebied (kei)leem aanwezig is, betekent dat het plangebied van nature slecht is ontwaterd en daardoor in het (verre) verleden nooit een aantrekkelijke vestigingslocatie zal hebben gevormd. In geen van de boringen zijn dan ook relevante archeologische indicatoren aangetroffen. In de toplaag zijn slecht moderne deeltjes glas, metaal en zelfs (landbouw)plastic aangetroffen die aantonen dat deze laag nog in de twintigste eeuw vergraven moet zijn. Selectie-advies door R. Exaltus (senior KNA-archeoloog/-prospector) De opgebrachte grond op het terrein is in het recente verleden overal geroerd. Het plangebied is in het verleden van nature slecht ontwaterd en daardoor nooit een aantrekkelijke vestigingslocatie geweest. Gezien het bovenstaande geven de resultaten van het onderzoek geen aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren.
Niettemin blijft onverminderd van kracht dat indien bij toekomstig graafwerk toch archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, hier direct melding van dient te worden gemaakt bij de minister conform de Erfgoedwet 2015, artikel 5.10 & 5.11. Wij adviseren dit te doen bij de gemeente Opsterland. Reactie bevoegd gezag, mevr. A. Bekkema (gemeente Opsterland) Het onderzochte terrein van De Mersken 10 kan wat betreft de archeologie vrijgegeven worden voor de voorgenomen ontwikkelingen. Indien er bij de uitvoering van werkzaamheden op het perceel onverhoopt toch archeologische grondsporen worden aangetroffen en/of vondsten worden gedaan, dient hiervan direct melding te worden gedaan conform de Erfgoedwet 2015, artikel 5.10 en 5.11, bij de gemeente Opsterland.
Administratieve gegevens van het plangebied Provincie
Fryslân
Gemeente
Opsterland
Plaatsen
Siegerswoude
Toponiem
De Mersken 10
Centrumcoördinaat
210.302 / 566.340
Oppervlakte onderzoeksgebied
Circa 0,99 ha
NAP-hoogte maaiveld
Circa 3,8m NAP
Huidig grondgebruik
Erf, agrarisch bedrijf
Soort onderzoek
Karterend booronderzoek
Opdrachtgever
Provinsje Fryslân
Uitvoerder
De Steekproef BV
Bevoegde overheid
Gemeente Opsterland Marktstraat 8 8601 CT Sneek T: 140515 E: info@sudwestfryslan.nl
Steekproef projectcode
2021-09/16b
Onderzoeksmeldingsnummer
5480317100
Datum veldwerk
1 november 2023
Maximale diepte onderzoek
1,25 meter onder maaiveld
Beheer en plaats documentatie
De Steekproef bv / Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed / Noordelijk Archeologisch Depot / DANS / DINO-loket (boorgegevens)
1.
Inleiding
1.1
Aanleiding en doel (KNA 4.1: LS01) In opdracht van de provincie Fryslân heeft De Steekproef bv een karterend booronderzoek uitgevoerd op het erf van de Mersken 10 te Siegerswoude. Aanleiding is de geplande verplaatsing van een agrarisch bedrijf, een en ander wegens de geplande natuurontwikkeling en veiligheidsoverwegingen (de aanwezigheid van een grote gasleiding). De huidige bebouwing op het erf, met uitzondering van de woning en de oudHollandse stal die daar aan vast zit, wordt gesloopt en gesaneerd. Op de plek van de ligboxenstal zal een boomsingel worden aangeplant. Voor de toekomstige ontwikkeling is een herbestemming nodig. Het totale oppervlak van het her te bestemmen areaal bedraagt circa 9.890 m2. Op de nieuwe Friese Archeologische Monumenten Kaart Extra (FAMKE) van de gemeente Opsterland ligt de Mersken 10 in een relatief hoge verwachtingszone voor resten uit de steentijd tot en met de bronstijd (Figuur 1). Bij ingrepen (en herbestemming) groter dan 500 m2 dient derhalve een archeologisch booronderzoek uitgevoerd te worden. De provincie heeft derhalve geadviseerd eerst een karterend booronderzoek uit te voeren met een dichtheid van 6 boringen per hectare, gericht op de vraag in hoeverre de bodemopbouw intact is (schriftelijke communicatie mevr. S. de Bruijn, 3-10-2023).
Figuur 1:
Siegerswoude, De Mersken 10: Het plangebied geprojecteerd op een uitsnede van de nieuwe FAMKE. (Bron: Provincie Fryslân)
1
1.2
Locatie (KNA 4.1: LS01, LS02) Het plangebied ligt aan de weg De Mersken, circa 1,2 kilometer ten zuiden van de dorpskern van Siegerswoude. Ten zuiden en oosten van het plangebied loopt het beekdal van het Koningsdiep. Ten noorden en westen van het plangebied bevinden zich agrarische percelen die overwegend worden gebruikt als weiland (Figuur 2). De locatie is in gebruik als agrarisch erf.
Figuur 2:
Siegerswoude, De Mersken 10: De ligging van het plangebied. (Bron: PDOK)
2
2. Actualisatie bureauonderzoek In 2021 is voor het naastgelegen onderzoeksgebied 'Koningsdiep-De Mersken' reeds een bureauonderzoek uitgevoerd (Bongers 2021). De resultaten van dat bureauonderzoek worden deels gebruikt voor het voorliggend onderzoek naar De Mersken 10. Cursieve passages in deze tekst zijn afkomstig uit het bureauonderzoek van 2021. 2.1 Fysische geografie (KNA 4.1: LS03) De Mersken 10 ligt op een relatief hoger gelegen grond dan zijn directe omgeving. Het maaiveld heeft een hoogte van circa 3,8 meter boven NAP. Ten zuiden en oosten van het plangebied is de maaiveldhoogte afgelopen naar circa 2 tot 2,4 meter boven NAP. Dit is het oude beekdal van het Koningsdiep. Ook direct ten noorden en westen van het plangebied aan De Mersken 10 is een relatieve laagte te zien; dit is een vertakking van het oude beekdal. Direct ten zuiden van het erf is een ovaalvormige laagte zichtbaar. Dit is het restant van een dobbe, die mogelijk een pingoruïne is (Figuur 3). Op de paleogeografische reconstructiekaart ligt het plangebied rond 9000 vC in een dekzandgebied dat wordt omringd door beekdal (Figuur 4). Gedurende het Holoceen stijgt de zeespiegel en raakt de kustlijn van Nederland steeds verder dicht. Dit vermindert de afwatering van de hoger gelegen pleistocene gronden, met de vorming van veen tot gevolg.
De vorming van het veen treedt als eerst op in de lagergelegen delen, zoals het voormalige beekdal (Figuur 4, 3850 vC) maar breidt zich in de late prehistorie steeds verder uit. Vanaf 2850 vC Is het plangebied overgroeid met veen. Dit blijft onveranderd tot aan de Op de geomorfologische kaart (niet afgebeeld) is het plangebied gekarteerd als grondmorenewelving, direct aanpalend aan een beekdalbodem. Op de bodemkaart valt het plangebied volledig onder veldpodzolgrond in lemig fijn zand (Figuur 5).
Figuur 3:
Siegerswoude, De Mersken 10: Hoogtekaart. Het erf De Merksen 10 (zwarte ovaal) ligt op een relatieve hoogte ten opzichte van het beekdal aan weerszijden. De rode omkadering is het plangebied van het bureauonderzoek uit 2021 (Bron: AHN). 3
Figuur 4:
Siegerswoude, De Mersken 10: Bodemkaart. De onderzoekslocatie is rood omlijnd.
4
Figuur 5:
Siegerswoude, De Mersken 10: Paleogeografische reconstructies.
5
2.2. Archeologie (KNA 4.1: LS04) In het zuidwesten van planlocatie De Mersken zijn drie vuurstenen artefacten gevonden door amateur-archeoloog Hagens uit Surhuisterveen in de periode 1980-2005 (3200036100, [...]). Een preciezere datering dan paleolithicum-laat tot en met vroege bronstijd is van de stukken niet te geven (Veenstra 2006). De vondsten zijn afkomstig uit het laagste deel van het dal waar het Koningsdiep meanderde voordat de loop werd gedempt en vervangen door een nieuw gegraven loop [...]. Mogelijk zijn de artefacten aangevoerd met grond waarmee de kronkelende loop is gedempt. Mogelijk is hiervoor grond gebruikt die vrijkwam bij het graven van de nieuwe gekanaliseerde loop die ter plaatse door de ringwal van een zuidelijk gelegen pingoruïne gaat. Op tweehonderd meter zuidoostelijk van het plangebied is in het bos een vuurstenen bijl uit het midden-neolithicum gevonden bij het opschonen van een greppel. Op vergelijkbare afstand zuidoostelijk van het onderzoeksgebied is een archeologisch booronderzoek uitgevoerd door bureau RAAP (3980635100, Jans 2016). Volgens ARCHIS heeft dit onderzoek geen archeologische vondsten opgeleverd. Noordwestelijk van het onderzoeksgebied is de dobbe bij de boerderij aan De Mersken 10 onderzocht met twee grondboringen (2416865100, Boekema & Osinga 2014).
De conclusie voor de dobbe luidt: 'Uit de resultaten van de boringen is gebleken dat aan de noordzijde van de dobbe een dik veenpakket aanwezig is. De palynologische waarde hiervan is zeer goed. Aan de zuidzijde van de dobbe is nog een redelijk veenpakket aanwezig. Gezien de verstoorde bovengrond is de top van het veen hier mogelijk verdwenen.' Op ongeveer driehonderd meter ten noorden van het plangebied liggen meerdere vondstplekken van vuursteen uit de periode laat-paleolithicum – vroege bronstijd. Ook is er een bronzen muntfibula gevonden uit de negende eeuw. Uit: Bongers 2021, 28-29. Tabel 1:
Opsterland, De Mersken 10: terreinen van de Archeologische MonumentenKaart, vondsten en onderzoeken gemeld in ARCHIS binnen circa een halve kilometer omtrek rondom de Mersken 10 – zie ook Figuur 6.
zaaknummer
omschrijving
datering
6958
nederzetting
mesolithicum – bronstijd vroeg
7827
nederzetting
steentijd
nederzetting en metaalbewerking
late middeleeuwen
9618
nederzetting
mesolithicum – bronstijd vroeg
12871
zeshoekige sterreschans
aanleg rond 1672
2927887100
vuurstenen bijl gevonden in het bos bij het opschonen van een greppel
midden-neolithicum
2927910100
bronzen muntfibula
9e eeuw
3193347100
30 stukken vuursteen collectie Hagens
laat-paleolithicum – vroeg neolithicum
3198815100
2 vuurstenen kerfspitsen Hamburgcultuur collectie Hagens
laat-paleolithicum – vroeg mesolithicum
3199909100
5 stukken vuursteen collectie Hagens
laat-paleolithicum – vroege bronstijd
3200036100
3 stukken vuursteen collectie Hagens
laat-paleolithicum – vroege bronstijd
3200239100
5 stukken vuursteen collectie Hagens
laat-paleolithicum – vroeg
6
neolithicum type onderzoek
uitvoerder en jaartal
2047229100
booronderzoek
De Steekproef 2004
2416865100
booronderzoek dobben Opsterland
Grontmij 2013
3980635100
booronderzoek
Raap 2015
4004959100
booronderzoek
Raap 2016
Figuur 6:
Opsterland, De Mersken 10: archeologische waarden rondom onderzoekslocatie De Mersken 10 (blauwe cirkel). Gele terreinen zijn in het verleden archeologisch onderzocht, groene stippen zijn vondstlocaties, paarse terreinen staan op de Archeologische MonumentenKaart. De rode contour is het onderzoeksgebied van het grotere archeologisch booronderzoek rondom het Koningsdiep dat in het najaar van 2023 wordt uitgevoerd. Bron: Archis3.
7
2.3 Historische geografie (KNA 4.1: LS03) Tijdens de tiende of elfde eeuw trokken mensen vanuit de Friese zeekleigebieden de veengebieden in (Worst & Zomer 2011). Via de benedenloop van de Boorne / het Koningsdiep bereikten kolonisten het onderzoeksgebied dat toen nog bestond uit een veenstroom te midden van uitgestrekt hoogveen. Langs de veenstroom lag een gordel moerasbos van enkele honderden meters breed. Op de overgang van moerasbos naar hoogveen vestigden de eerste kolonisten zich (Worst & Zomer 2011). Er ontstonden nederzettingsassen van rijen simpele houten boerderijen. Dwars op het Koningsdiep werden sloten gegraven voor ontwatering van het veenmoeras. Dit middeleeuwse slotenpatroon dat vanaf de beek aan weerszijden steeds verder werd verlengd het hoogveenmoeras in, vormt nog steeds de basis voor het tegenwoordige slotenpatroon. Bij archeologisch onderzoek ten behoeve van een verbreding van de provinciale weg N381 werden sporen gevonden van een ouder patroon van sloten / greppels dat eveneens uit de middeleeuwen dateert, ook vanuit het beekdal de hogere gronden opliep, maar een iets afwijkende richting kende. Dit oudste verkavelingspatroon dateert van rond de elfde eeuw (Van Kruining & Van Beek 2016). De moerasbossen langs de beek werden gekapt waardoor hier graslanden ontstonden. Het ging vooral om hooilanden die tijdens de winter onder water liepen.
Op de overgang van beekdal naar hogere gronden groeide tijdens de middeleeuwse bewoning gagel, een struik (Van Kruining & Van Beek 2016, p94). Op grotere afstand van de beek werd het ontwaterde hoogveen gebruikt voor akkerbouw (Worst & Zomer 2011). Door ontginning van het hoogveen daalde het maaiveld waardoor de nederzetting en de akkers steeds meer wateroverlast kregen. Daarop verplaatste men boerderijen en akkers verder van het Koningsdiep af richting hoger gelegen veengebied. Tijdens de late middeleeuwen verschoven sommige nederzettingen op deze wijze meerdere malen. Na de vijftiende eeuw waren er geen verplaatsingen meer en sommige dorpen zoals Wijnjeterp bereikten al in de dertiende eeuw hun huidige locatie (Worst & Zomer 2011, Wiersma 2013). Op de hogere gronden waren ook tijdens de middeleeuwen al bossen met onder meer berk, els, eik, iep, linde en hazelaar (Van Kruining & Van Beek 2016, p94) In de oudere cultuurgronden tussen het beekdal en de nieuwe bewoningslinten verging het veen geleidelijk door oxidatie, waardoor het onderliggende zand steeds meer aan het maaiveld kwam te liggen. Hiermee nam de bodemvruchtbaarheid af en werden deze gronden steeds meer opgegeven waardoor deze zone veranderde in heide. Vermoedelijk voltrok dit proces zich over een relatief lange periode van de veertiende tot en met de zeventiende eeuw (Wiersma 2013).
Op kaarten uit de achttiende en negentiende eeuw staan deze brede zones van heide aan weerszijden van het beekdal weergegeven (zie Figuren 4.6, 4.7 en 4.8). Soms werd de heide weggebrand ter stimulering van jonge vegetatie voor de begrazing van vee (Van Kruining & Van Beek 2016, p94). De laagste gronden in het dal langs het Koningsdiep waren in gebruik als hooiland. Dat betekent dat men hier hoogzomer kwam om gras te maaien, maar dat het land tijdens de rest van het jaar doorgaans zeer nat was. Enkele percelen staan op de kadasterkaart van 1811-1832 als weiland wat erop wijst dat het daar iets droger was zodat er vee kon grazen. Op de kaart van Eekhoff van 1848 staat langs het Koningsdiep 'Marschen' vermeld wat moeras betekent en waar ook de naam 'De Mersken' op duidt. Zuidoostelijk van het plangebied werd in het gebied van de heidevelden bos aangeplant tussen 1850 en 1880 (Wiersma 2013). Ook werden heidevelden aan weerszijden van het beekdal opnieuw in cultuur gebracht aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. In deze periode verschijnen enkele nieuwe boerderijen 8
in deze streek. Op een topografische kaart uit 1928 worden in het noorden van locatie De Mersken kleine, langgerekte plassen weergegeven. Het lijkt erop dat daar turfwinning plaats vond voor eigen gebruik. Van 1935 tot 1940 werd ook moerasijzererts gewonnen in het gebied tussen de Beakendyk en de Mounleane (Sikkema 2009). In Het Nieuwsblad van Friesland van januari 1937 staat: 'De delvers graven eerst de zode af, verwijderen dan een laag vuil, terwijl tenslotte het donkerbruine ijzeroer, dat in lagen van 20-60 centimeter dikte voorkomt, uitgegraven wordt. Het land, dat meestentijds al zeer laag gelegen is, zou natuurlijk op deze wijze nog lager komen te liggen. Daarom wordt het uitgegraven oer weer aangevuld met zand, dat dikwijls van de zogenaamde zandkoppen in de nabijheid aangevoerd wordt. De zoden worden er dus uiteindelijk weer opgelegd. Op deze wijze wordt het terrein keurig geëgaliseerd, terwijl de grasgroei waarop het oer een remmende invloed uitoefent, bevorderd wordt. Momenteel heeft de onderneming hier een veertigtal menschen aan het werk.' Het gewonnen moerasijzererts werd per kipkarren over een tijdelijke rails zuidoostwaarts gebracht. Vervolgens ging het per vrachtwagen naar Bakkeveen waar het werd afgevoerd per schip.
Tijdens de jaren '60 van de twintigste eeuw zijn ruilverkavelingswerkzaamheden uitgevoerd waarbij de kronkelende beekloop is vervangen door een rechtere loop. Tevens zijn enkele sloten gedempt en nieuwe sloten gegraven. Volgens de heer Van Veen die in het gebied landerijen had omstreeks deze tijd zijn er in 1982 stukken gediepploegd ter verbetering van de afwatering (Sikkema 2009). De strook grond in het noordoosten van de onderzoekslocatie tussen het Koningsdiep en het zuidoostelijk gelegen bos is tijdens de jaren '90 aangepast. De daar aanwezig sloot die parallel aan het Koningsdiep lag is gedempt en vervangen door twee sloten zodat drie smalle kavels zijn ontstaan. Uit: Bongers 2021, 30-32.
9
2.4 Archeologische verwachtingsmodel (KNA 4.1: LS05) In het plangebied aan De Mersken 10 kunnen archeologische resten aanwezig zijn uit met name de steentijd. Tijdens latere periodes was het gebied vernat en was er sprake van een veenmoeras waardoor het gebied niet geschikt was voor menselijke bewoning. Tijdens de late middeleeuwen en nieuwe tijd bleef het plangebied grotendeels een onontgonnen gebied waar geen historische bewoning plaatsvond. Van menselijke activiteiten tijdens de steentijd kunnen met name bewerkt vuursteen, houtskool en scherven aardewerk gevonden worden. Van de perioden middeleeuwen en nieuwe tijd kunnen ontginningsstructuren zoals greppels worden aangetroffen. Eventuele resten zullen zijn aangetast door gebruik als agrarisch erf. Tabel 3: Siegerswoude, De Mersken 10: specificatie archeologische verwachting. datering:
steentijd
late middeleeuwen – nieuwe tijd
diepteligging:
vanaf het maaiveld
vanaf het maaiveld
locatie:
hele gebied
hele gebied
complextype:
jachtkamp, nederzetting
ontginningsstructuren
omvang:
vanaf enkele meters
vanaf enkele meters
gaafheid en conservering:
kans op organische conservering laag
kans op organische conservering laag
mogelijke uiterlijke kenmerken:
bewerkt vuursteen, houtskool, aardewerk
greppelvulling zoals aardewerk
mogelijke verstoringen:
gebruik als agrarisch erf
gebruik als agrarisch erf
10
3.
Veldonderzoek (KNA 4.1: VS05)
3.1
Methoden en technieken (KNA 4.1: VS01) Het veldwerk is uitgevoerd op 1 november 2023. Verspreid over het terrein zijn, rekening houdend met de ligging van leidingen, zes boringen gezet (zie Figuur 7). De boringen zijn uitgevoerd met een steekguts tot maximaal anderhalve meter beneden het maaiveld. De opgeboorde monsters zijn beschreven en onderzocht door ze laagsgewijs af te snijden. Op deze wijze is bepaald in welke mate de bodem intact is en wat de kans is op archeologische lagen en/of grondsporen. Daarnaast zijn de diepte, lithologie en kleur bepaald, alsmede alle overige bijzonderheden. De boringen zijn beschreven volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijvings-methode (ASB). De boorpunten zijn ingemeten en de RD-coördinaten zijn bepaald met behulp van GPS. De hoogtes zijn bepaald met behulp van het Actueel Hoogtebestand Nederland 3. De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de Appendix III in de vorm van laagbeschrijvingen. De resultaten van het booronderzoek zijn afgebeeld in de vorm van boorprofielen in Figuur 10.
11
Figuur 7:
Siegerswoude, De Merksen 10: Boorpuntenkaart met de locaties van de boringen aangegeven met genummerde gele cirkels. Hierop zijn ook de leidingen weergegeven (met gekleurde lijnen en gekleurde cirkels weergegeven). Bronnen: PDoK en KLIC.
12
Figuur 8:
Siegerswoude, De Merksen 10: Foto van het plangebied , ongeveer gezien vanaf boorpunt 685 in westelijke richting.
13
3.2
Resultaten veldwerk (KNA 4.1: VS02, VS03) Bovenin de boringen is een toplaag aangetroffen die bestaat uit brokken zand van uiteenlopend humusgehalte. Dit pakket is recent vergraven of opgebracht. Dit blijkt uit de aanwezigheid hierin van moderne insluitsels zoals modern glas, metaalresten en zelfs (landbouw) plastic. De dikte van deze toplaag loopt uiteen van ruim dertig centimeter op de boorpunten 688 en 689 tot ongeveer 1,1 meter op de boorpunten 685 en 687. Op deze laatste boorpunten lijkt het terrein derhalve te zijn opgehoogd. Op boorpunt 689 gaat de toplaag van recent vergraven materiaal op ruim dertig centimeter beneden het maaiveld over in geel zand met daarin brokken humeus zand (zie Figuur 9). Hieronder is nog slechts grijze leem aangetroffen. Dergelijke grijze leem bleek op alle overige boorpunten al direct onder de vergraven toplaag aanwezig te zijn. In geen van de boringen zijn relevante archeologische indicatoren aangetroffen.
Figuur 9: Siegerswoude, De Merksen 10: Foto van de tussenlaag van geel zand met brokken humeus zand (midden) zoals deze op boorpunt 689 tussen de toplaag (links) en de leemondergrond (rechts) is aangetroffen.
Figuur 10: Siegerswoude, De Merksen 10: De resultaten van het booronderzoek in de vorm van geschematiseerde boorstaten
14
4. Conclusies en advies (KNA 4.1: VS07) In opdracht van de provincie Fryslân heeft De Steekproef bv een karterend booronderzoek uitgevoerd op het erf van de Mersken 10 te Siegerswoude. Aanleiding is de voorgenomen verplaatsing van het agrarisch bedrijf, een en ander wegens de geplande natuurontwikkeling en veiligheidsoverwegingen (de aanwezigheid van een grote gasleiding). Het plangebied lag gedurende de midden- en nieuwe-steentijd op een relatieve hoogte omringd door een beekdal en een zijloop van dit beekdal. Bij eerder archeologisch onderzoek ten zuiden van het erf is een dobbe vastgesteld. Omstreeks het einde van de steentijd veranderde het plangebied van een dekzand- en beekdeallandschap in een veenmoeras. Het veenmoeras werd in de nieuwe tijd ontgonnen. Bekende vondsten uit de omgeving van het plangebied dateren met name uit de prehistorie. Uit deze periode kunnen in het plangebied resten over zijn van bijvoorbeeld jachtkampen en nederzettingen. Tijdens de middeleeuwen en het grootste deel van de nieuwe tijd is het gebied onbewoond en onontgonnen gebleven. Uit deze periode is de verwachting voor archeologische resten laag. Eventuele resten zouden kunnen bestaan uit ontginningsstructuren. Om het verwachtingsmodel te toetsten is in het plangebied een karterend booronderzoek uitgevoerd.
Uit de resultaten van het booronderzoek blijkt dat de natuurlijke ondergrond van het plangebied uit leem bestaat waarvan de top oorspronkelijk al binnen een halve meter onder het maaiveld begint. Boven deze leem ligt slechts een toplaag die bestaat uit brokken zand van uiteenlopend humusgehalte. Op het zuidoostelijke deel van het plangebied is het terrein opgehoogd waardoor deze toplaag hier ruim een meter dik is. De geringe diepte waarop in het plangebied (kei)leem aanwezig is, betekent dat het plangebied van nature slecht is ontwaterd en daardoor in het (verre) verleden nooit een aantrekkelijke vestigingslocatie zal hebben gevormd. In geen van de boringen zijn dan ook relevante archeologische indicatoren aangetroffen. In de toplaag zijn slecht moderne deeltjes glas, metaal en zelfs (landbouw)plastic aangetroffen die aantonen dat deze laag nog in de twintigste eeuw vergraven moet zijn. Selectie-advies door R. Exaltus (senior KNA-archeoloog/-prospector) Gezien het bovenstaande geven de resultaten van het onderzoek geen aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren. Niettemin blijft onverminderd van kracht dat indien bij toekomstig graafwerk toch archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, hier direct melding van dient te worden gemaakt bij de minister conform de Erfgoedwet 2015, artikel 5.10 & 5.11.
Wij adviseren dit te doen bij de gemeente Opsterland. Reactie bevoegd gezag, mevr. A. Bekkema (gemeente Opsterland) Het onderzochte terrein van De Mersken 10 kan wat betreft de archeologie vrijgegeven worden voor de voorgenomen ontwikkelingen. Indien er bij de uitvoering van werkzaamheden op het perceel onverhoopt toch archeologische grondsporen worden aangetroffen en/of vondsten worden gedaan, dient hiervan direct melding te worden gedaan conform de Erfgoedwet 2015, artikel 5.10 en 5.11, bij de gemeente Opsterland.
15
Literatuurlijst Bongers, J.M.G. 2021. Opsterland, Koningsdiep (Gemeente Opsterland, Fr.) Een Archeologisch Bureauonderzoek. Steekproefrapport 2021-09/16. Zuidhorn: De Steekproef bv. Bosch, J.H.A. 2008. Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode versie 1.1. Deltares-rapport 2008-UR0881/A. Jans, J.E.A. 2016. Plangebied Hemrikkerscharren, Oude Bosch en Slotpleats aan het Koningsdiep. RAAP-notitie 5424. Kruining, M.E. van & J.L. van Beek 2016. De Mersken: een middeleeuwse nederzetting. Onderzoeksgebied N381, De Mersken vindplaats 2, Gemeente Opsterland, Archeologich onderzoek: een opgraving. RAAP-rapport 3127. Weesp, 23 juni 2016. Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie 4.1. www.SIKB.nl. 2018. Centraal College van Deskundigen Archeologie. www.opentopo.nl Publieke Dienstverlening Op de Kaart, www.pdok.nl Sikkema, K. 2009. IJzeroerwinning in de Mersken. Ald Bakkefean, Tijdschrift van de Historische Vereniging Bakkeveen, pagina's 6-9. Jaargang 1, nummer 2, voorjaar 2009. Veenstra, H.W. 2016. Onderzoeksgebied De Mersken ten zuidoosten van Ureterp, gemeente Opsterland; archeologisch vooronderzoek: een verkennend booronderzoek. RAAP-notitie 5680. Weesp. Wiersma, J. 2013. Landschapsontwikkeling en cultuurhistorische waarden langs de middenloop van het Koningsdiep (Zuidoost-Friesland). Rijksuniversiteit Groningen, Kenniscentrum Landschap. Rapport nr. 3. Worst, D. & J. Zomer 2011.
Landschapsontwikkeling en cultuurhistorische waarden langs de boven- en middenloop van het Koningsdiep (Zuidoost-Friesland). Rijksuniversiteit Groningen, Kenniscentrum Landschap, Rapport nr. 1. www.ruimtelijkeplannen.nl
Lijst van figuren 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
Nieuwe Famke Topografische kaart Hoogtekaart Bodemkaart Paleogeografische reconstructies Archis kaart Boorplan Foto plangebied Boorkern Boorprofielen
Appendix I: Archeologische periodes paleolithicum: paleolithicum vroeg: paleolithicum midden: paleolithicum laat: paleolithicum laat A: paleolithicum laat B:
ijzertijd: tot 300.000 BP 300.000 - 35.000 BP 35.000 BP - 8.800 vC 35.000 - 18.000 BP 18.000 BP - 8.800 vC
mesolithicum: mesolithicum vroeg: mesolithicum midden: mesolithicum laat:
8.800 - 7.100 vC 7.100 - 6.450 vC 6.450 - 4.900 vC
neolithicum: neolithicum vroeg: neolithicum vroeg A: neolithicum vroeg B: neolithicum midden: neolithicum midden A: neolithicum midden B: neolithicum laat: neolithicum laat A: neolithicum laat B:
5.300 - 4.200 vC 5.300 - 4.900 vC 4.900 - 4.200 vC 4.200 - 2.850 vC 4.200 - 3.400 vC 3.400 - 2.850 vC 2.850 - 2.000 vC 2.850 - 2.450 vC 2.450 - 2.000 vC
bronstijd: bronstijd vroeg: bronstijd midden: bronstijd midden A: bronstijd midden B: bronstijd laat:
2.000 - 1.800 vC 1.800 - 1.100 vC 1.800 - 1.500 vC 1.500 - 1.100 vC 1.100 - 800 vC
pleistoceen: elsterien saalien weichselien holoceen:
2,5 miljoen - 10.000 BP 475.000 - 410.000 BP 200.000 - 130.000 BP 116.000 - 10.000 BP 10.000 - heden
vC nC BP
= = =
voor Christus na Christus before present; present = 1950
ijzertijd vroeg: ijzertijd midden: ijzertijd laat:
800 - 500 vC 500 - 250 vC 250 - 12 vC
romeinse tijd: romeinse tijd vroeg: romeinse tijd vroeg A: romeinse tijd vroeg B: romeinse tijd midden: romeinse tijd midden A: romeinse tijd midden B: romeinse tijd laat: romeinse tijd laat A: romeinse tijd laat B:
12 vC - 70 nC 12 vC - 25 nC 25 - 70 nC 70 - 270 nC 70 - 150 nC 150 - 270 nC 270 - 450 nC 270 - 350 nC 350 - 450 nC
middeleeuwen: middeleeuwen vroeg: middeleeuwen vroeg A: middeleeuwen vroeg B: middeleeuwen vroeg C: middeleeuwen vroeg D: middeleeuwen laat: middeleeuwen laat A: middeleeuwen laat B:
450 - 1.050 nC 450 - 525 nC 525 - 725 nC 725 - 900 nC 900 - 1.050 nC 1.050 - 1.500 nC 1.050 - 1.250 nC 1.250 - 1.500 nC
nieuwe tijd: nieuwe tijd vroeg: nieuwe tijd midden: nieuwe tijd laat:
1.500 - 1.650 nC 1.650 - 1.850 nC 1.850 – heden
Algemeen
Steentijd (tot 2000 vC) De steentijd is opgedeeld in het paleolithicum, mesolithicum en neolithicum. Het paleolithicum (oude steentijd) wordt vooral gekenmerkt door de ijstijden. Na het laatpaleolithicum verbetert het klimaat. Vindplaatsen uit het late paleolithicum zijn vooral te herkennen aan concentraties vondstmateriaal (bewerkt en/of verbrand vuursteen, houtskool) met weinig en moeilijk te herkennen grondsporen zoals kuilen, paalgaten en houtskoolconcentraties die mogelijk wijzen op haardplaatsen. Vondsten uit het mesolithicum of midden steentijd, gekenmerkt door sporen en vondsten van rondtrekkende jagers en verzamelaars, bestaan voornamelijk uit bewerkt vuursteen, verbrande hazelnootdoppen en houtskoolfragmenten. Mesolithische grondsporen zijn vooral oppervlakte-haarden en haardkuilen. In een natte omgeving kunnen ook werktuigen van gewei of hout bewaard zijn gebleven. Voorbeelden hiervan zijn geweibijlen, bogen, visfuiken, etc. In het neolithicum (nieuwe steentijd) werden dieren gehouden en in het neolithicum werd eveneens akkerbouw bedreven. Grondsporen uit deze periode kunnen bestaan uit paalgaten van bijvoorbeeld boerderijen, resten van beschoeiingen, greppels, (afval)kuilen en haardplaatsen. Aardewerk komt in deze tijd voor, evenals bewerkt (vuur)steen en geslepen bijlen.
Metaaltijden (2000-12 vC) In de bronstijd en ijzertijd kwam bemesting en wisselbouw binnen de akkerbouw voor. Sporen uit de bronstijd en ijzertijd kunnen bestaan uit kuilen, paalgaten van boerderijplattegronden, bijgebouwen of spiekers, waterkuilen of -putten, erf- ofakkerafscheidingen en sporen van akkerbewerking zoals de kruiselings getrokken voren van een eergetouw. Houtskool kan duiden op de aanwezigheid van haarden voor voedselbereiding of het bakken van aardewerk. Ook kunnen er restanten gevonden worden die duiden op metaalbewerking, zoals stukken ovenwand, brons- of ijzerslakken, sintels, mallen, smeltkroezen, metaal bedoeld voor omsmelten, etc. Vondsten kunnen verder bestaan uit bijvoorbeeld metalen voorwerpen of voorwerpen van aardewerk zoals vaatwerk, maar ook slingerkogels, rammelaars, spinklosjes en weefgewichten. Romeinse tijd (12 vC-450 nC) In de romeinse tijd vormde de Rijn de noordelijke grens van het romeinse rijk. Langs deze grens, de limes, werden grensposten, nederzettingen en wegen gebouwd. In het noorden van Nederland zijn ook romeinse vondsten gedaan, maar dit zijn voornamelijk losse vondsten als romeinse munten, mantelspelden en scherven romeins aardewerk. Middeleeuwen en nieuwe tijd (450 nC-heden) Na een afname in de bevolkingsdichtheid aan het einde van de romeinse tijd en de periode erna, steeg deze weer in het begin van de middeleeuwen.
Vondsten uit de middeleeuwen en later bestaan voornamelijk uit scherven aardewerk, waaronder importaardewerk, munten en metalen voorwerpen (zoals mantelspelden, spijkers), resten van aardewerkproductie, metaalbewerking, wolbewerking etc. Belangrijke gebouwen (bijvoorbeeld kerken en borgen) werden van baksteen / kloostermoppen gebouwd.
Appendix II Boorbeschrijvingen Boor Nr 684 685 686 687 688 689
LD O 48 90 112 150 40 80 110 150 38 85 40 60 100
Lithologie GD BK Z L Z L Z L Z L Z L Z Z L
BV BZ
BS
BH 2-3
3 2-3 3 2-3 3 2-3 3 2-3 3 2-3 1-2 3
Kleur HK TK BR GR GR BR GR GR BR GR GR BR GR GR BR GR GR BR GR GE GR GR
IK
VLK GR
Overige kenmerken CO PLH VS SST BHN
AIS BI
GI Vrg
BHC GR
Vrg BHC
GR
Vrg BHC
GR
Vrg BHC
GR
Vrg BHC
GR BR
Bhac BHC
Vrg Vrg
Betekenis van de afkortingen: LDO – Onderzijde boortraject Lithologie: S – Onverharde sedimenten: G = grind, K = klei, L = leem, V = veen en Z = zand, Bst = Baksteen Bijmengsels: BK = bijmengsel klei, BS = bijmengsel silt, BZ =bijmengsel zand, BV= bijmengsel veen, BH = bijmengsel humus. Betekenis toegevoegde cijfers: 1 = zwak, 2 = matig, 3 = sterk en 4 = uiterst. Kleur: HK = hoofdkleur, BL = blauw, BR = bruin, GE = geel, GN = groen, GR = grijs, OL = olijf, OR =oranje, PA = paars, RO = rood, RZ = roze, WI = wit, ZW = zwart. TK = Tweede kleur (kleurafkortingen als boven). IK = Intensiteit kleur: LI = licht en DO = donker VLK = Vlekken (V): 2e en 3e letter is kleurafkorting als boven, 1 = weinig, 2 = matig , 3= veel Overige kenmerken: CO = Consistentie (C ): ZSL-zeer slap, SLA-slap, MSL-matig slap, MST-matig stevig, STV-stevig SCH = Schelpesten VS = veensoorten SST = Sedimentaire structuren; ZL = zandlaagjes, KL = kleilaagjes, EKL = enkele kleilaagjes BHN = Bodemhorizont; BHC = C-horizont, Bhac = AC-horizont BI = Bodemkundige interpretaties; ROG = rommelig, VRG = vergraven, OPG = opgebracht GI = Geologische interpretaties; Get = Getijde-afzetting, Fluv = rivierafzetting, Hol =Hollandveen AIS = Archeologische indicatoren; B = bot, HK = houtskool, P is (sloop)puin
Bijlage 4
81/204
Advies Externe veiligheid
MEMO Van Aan
: Paul Verhoeven : Hennie Terpstra-Seepma