CConstaterende datOpsterland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Ontwerpbestemmingsplan Luxwoude – De Wyngaerden 9, 14 en 19

Raadsvergadering 11 december 2023, gemeente OpsterlandBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Luxwoude – De Wyngaerden 9, 14 en 19 (H)24.198 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

20

Bijlage BIJLAGE 1: Wettelijk kader Wet natuurbescherming Soortbescherming

De Wnb is op 1 januari 2017 in werking getreden. De wet is in de plaats gekomen van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet is ingedeeld in hoofdstukken en kent een algemeen deel (hoofdstuk 1), delen over Natura 2000-gebieden (hoofdstuk 2), soorten (hoofdstuk 3), houtopstanden, hout en houtproducten (hoofdstuk 4), verder delen die gaan over vrijstellingen, beschikkingen en verplichtingen (hoofdstuk 5), financiële bepalingen (hoofdstuk 6), handhaving (hoofdstuk 7), overige bepalingen (hoofdstuk 8) en tot slot een beschrijving van het overgangsrecht (hoofdstuk 9) en een beschrijving van de wijziging van overige wetten (hoofdstuk 10). In navolgende paragrafen is een samenvattende beschrijving van het onderdeel soortbescherming gegeven, wat relevant is voor onderliggende toetsing (Overheid, 2020). Categorieën De wet maakt onderscheid in drie categorieën van beschermde soorten, namelijk: • Vogelrichtlijnsoorten • Habitatrichtlijnsoorten • Andere soorten Vogelrichtlijnsoorten Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn zijn in Nederland beschermd. De soorten van artikel 1 van Vogelrichtlijn zijn alle vogelsoorten die op het Europese grondgebied van de lidstaten van de EU voorkomen. Het deel daarvan dat van nature in Nederland voorkomt, is dus beschermd (art. 3.1 lid 1).

Habitatrichtlijnsoorten In deze categorie vallen alle in het wild levende dieren zoals genoemd in: • Bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, • Bijlage II bij het Verdrag van Bern of; • Bijlage I bij het Verdrag van Bonn; (art. 3.5 lid 1) en (in hun natuurlijke verspreidingsgebied) planten van soorten, genoemd in: • Bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of; • Bijlage I bij het Verdrag van Bern; (art. 3.5, lid 5) De bijlagen zijn zeer uitgebreid en er staan ook veel soorten in genoemd die van nature niet in Nederland voorkomen. Andere soorten Naast de soorten waarvan de bescherming op Europees niveau verplicht is gesteld, is er ook een aantal soorten op nationaal niveau beschermd. Dit is dus een “nationale kop” op de Europese bescherming. Het gaat hierbij om soorten die zeer zeldzaam en/of bedreigd zijn en waarvan het duurzaam voortbestaan niet is verzekerd als er geen beschermingsmaatregelen worden getroffen. De soorten waar het om gaat zijn opgenomen op de bijlage bij de wet (art. 3.10, lid 1 onder a en c). Verbodsbepalingen: Ten aanzien van vogels verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art. 3.1 lid 1), het opzettelijk vernielen van nesten, rustplaatsen en eieren (art. 3.1 lid 2), het rapen of onder zich hebben van eieren (art. 3.1 lid 3) en het opzettelijk storen van vogels (art. 3.1lid 4).

Het verbod tot opzettelijk storen geldt niet in het geval de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (art. 3.1 lid 5). Ten aanzien van de overige Europees beschermde diersoorten verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art 3.5 lid 1), het opzettelijk verstoren (art 3.5 lid 2), het opzettelijk vernielen of rapen van eieren (art 3.5 lid 3) en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (art 3.5 lid 4). Ten 21

aanzien van de Europees beschermde plantensoorten verbiedt de wet het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen (art 3.5 lid 5). Ten aanzien van de nationaal beschermde diersoorten geldt slechts een verbod op het opzettelijk doden of vangen (art 3.10 lid 1 onder a) en het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (art 3.10 lid 1 onder b). Ten aanzien van de nationaal beschermde plantensoorten geldt een verbod op het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen (art 3.10 lid 1 onder c). Gedragscodes, vrijstellingen en ontheffingen Gedragscode De in het voorgaande beschreven verbodsbepalingen zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd volgens een door de minister van EZ vastgestelde gedragscode (art. 3.31 lid 1). Het moet dan gaan om handelingen die plaatsvinden in het kader van: a. een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; b. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; c. een bestendig gebruik; d. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.

Vrijstelling Provinciale staten en de minister van EZ kunnen vrijstelling verlenen van de verbodsbepalingen (art 3.3 lid 2- 4; 3.8 lid 2-5, 3.10 lid 2). Voor zover het gaat om de hiervoor beschreven verbodsbepalingen, kan in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting een ontheffing worden verleend op de verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 en 3.10, dus ten aanzien van alle beschermde soorten. Een vrijstelling mag alleen worden verleend wanneer aan

bepaalde voorwaarden is voldaan. Deze zijn gelijk aan de voorwaarden waaronder een ontheffing verleend kan worden (zie hieronder). Voor welke soorten een vrijstelling geldt, verschilt per bevoegd gezag (ministerie van EZ en de afzonderlijke provincies). De lijst met vrijgestelde soorten van het ministerie is alleen van toepassing op handelingen waarvoor de minister van EZ het gevoegd gezag is. Voor handelingen waarvoor Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag zijn, geldt de vrijstellingslijst van de betreffende provincie. Ontheffing Voor soorten waarvoor (in de betreffende provincie) geen vrijstelling geldt, moet wanneer niet volgens een gedragscode wordt gewerkt een ontheffing worden aangevraagd wanneer er een handeling wordt uitgevoerd waardoor een verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 of 3.10 van de Wnb wordt overtreden (art 3.3 lid 1,3; 3.8 lid 1,3, 3.10 lid 2). Of deze ontheffing kan worden verleend, hangt af van of men kan voldoen aan de voorwaarden. Deze voorwaarden verschillen per categorie. De eerste eis die wordt gesteld, is dat er geen andere bevredigende oplossing mag zijn. Dat betekent - ook in combinatie met de in artikel 1.11 beschreven zorgplicht - wanneer een overtreding redelijkerwijs te voorkomen is en ontheffing niet mogelijk is. De werkzaamheden moeten dan op zodanige wijze worden uitgevoerd dat er geen overtreding van de wet plaatsvindt.

Te denken valt aan het kappen van bomen buiten het broedseizoen, of het afzetten van en het wegvangen van soorten in het werkgebied. Verder kan een ontheffing alleen worden verleend wanneer is aangetoond dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort. Daarnaast gelden er per categorie verschillende aanvullende voorwaarden.

22

Voor Vogelrichtlijnsoorten kan alleen een ontheffing worden verleend: (art 3.3 lid 4): 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora en/of fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan. Voor Habitatrichtlijnsoorten kan alleen een ontheffing worden verleend: (art 3.8 lid 5): 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitat; 2. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4.

voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5. om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing

of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. Voor de andere soorten gelden de voorwaarden die gelden voor de overige Europees beschermde soorten, aangevuld met: (art 3.10 lid 2): 6. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daaropvolgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; 7. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen; 8. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; 9. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; 10. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; 11. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 12. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of 13. in het algemeen belang.

Aanhaken bij de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO) Er kan voor worden gekozen geen ontheffing Wnb aan te vragen, maar de toestemming aan te laten haken bij de Omgevingsvergunning. In dat geval dient het betreffende onderzoek bijgevoegd te worden bij de aanvraag Omgevingsvergunning. Het bevoegd gezag voor de Omgevingsvergunning vraagt vervolgens een verklaring van geen bedenking (vvgb) aan bij het bevoegd gezag 23

Wnb. De voorwaarden waaronder de vvgb wordt afgegeven maken vervolgens onderdeel uit van de Omgevingsvergunning. Wanneer ervoor wordt gekozen de toestemming Wnb niet aan te laten haken, moet de ontheffing Wnb zijn aangevraagd voordat de Omgevingsvergunning wordt aangevraagd (Overheid, 2020).

24

84/277

Bijlage 3

85/277

Aanvullend bodem- en asbestonderzoek

RAPPORT Nader bodem- en aanvullend asbest onderzoek naast De Wyngaerden 13 te Luxwoude

Opdrachtgever

:

Hoveniersbedrijf De Wyngaerd Lytse Wyngaerden 20 8404 BM LANGEZWAAG

Projectnummer

:

21KL328

Datum

:

11 november 2021

Auteur

:

ing. R.J. Wijma

Paraaf

:

Projectleider

:

Paraaf

:

ing. F.M. Bouma

Klijn Bodemonderzoek B.V. EG-Weg 1, 9636 HX Zuidbroek Telefoon 0598 – 23 20 35 Email info@klijnbodemonderzoek.nl Internet www.klijnbodemonderzoek.nl

2 INHOUD

Rapport 21KL328 BLAD

1.

INLEIDING 1.1. Algemeen 1.2. Opbouw

3 3 3

2.

VOORONDERZOEK 2.1. Algemeen 2.2. Ligging onderzoekslocatie 2.3. Historisch en huidig gebruik 2.4. Belendende percelen en omgeving onderzoekslocatie 2.5. Bodemonderzoek 2.6. Bodemkwaliteitskaart 2.7. Toekomstig gebruik van het terrein 2.8. Financieel/juridisch 2.9. Regionale opbouw en geohydrologie

4 4 4 5 5 6 6 6 7 7

3.

ONDERZOEKSPROGRAMMA

8

4.

BODEMGEGEVENS 4.1. Bodemgesteldheid en zintuiglijke waarnemingen 4.2. Samenstelling grondmengmonsters 4.3. Concentratieberekening plaatmateriaal

9 9 9 10

5.

RESULTATEN METINGEN EN CHEMISCHE ANALYSES 5.1. Toetsingskader 5.2. Analyseresultaten aanvullend en nader bodemonderzoek NTA 5755 5.3. Analyseresultaten aanvullend asbestonderzoek NEN 5707 5.4. Toelichting analyseresultaten

11 11 12 13 13

6.

VERONTREINIGINGSSITUATIE 6.1. Koper t.p.v. boring 8 en 9 6.2. Datum veroorzaking en omvangscriteria

14 14 14

7.

SAMENVATTING EN CONCLUSIES 7.1. Samenvatting 7.2. Conclusies en aanbevelingen 7.3. Slotopmerking

15 15 15 17

BIJLAGEN 1

Ligging van de locatie en kadastrale kaart

2

Boorprofielen en legenda

3

Analyserapporten

4

Toetsingstabellen

5

Overzicht posities monsternamepunten

6

Foto's

7

Bepaling veiligheidsklasse op basis van publicatie CROW 400

3

Rapport 21KL328

1.

INLEIDING

1.1.

Algemeen In opdracht van Hoveniersbedrijf De Wyngaerd is door Klijn Bodemonderzoek B.V. een nader bodem- en aanvullend asbest onderzoek uitgevoerd op de locatie naast De Wyngaerden 13 te Luxwoude. De aanleiding tot het nader bodem- en aanvullend asbest onderzoek vormt de voorgenomen bestemmingswijziging en de geplande aanvraag van een omgevingsvergunning in verband met de geplande bouwaanvraag op het perceel. Tijdens het voorgaande verkennend bodem- en asbestonderzoek in mei 2020 door Klijn Bodemonderzoek B.V. met kenmerk 20KL075, d.d. 29 mei 2020 zijn in de bovengrond ter plaatse van het voorterrein matig tot sterk verhoogde gehalten aan koper aangetoond. Daarnaast is ter plaatse van druppelzone van de voormalige kippenschuur 79 mg/kg ds. asbest aangetoond in de toplaag tot 0,1 m-mv. Het doel van het nader bodem onderzoek is het in kaart brengen van de verontreinigingssituatie (koper) ter plaatse van het voorterrein. Het doel van het aanvullend asbest onderzoek is het nagaan of het gehalte aan respirabele vezels ter plaatse van de druppelzone een onaanvaardbare risico voor de mens met zich meebrengt (> 10 mg/kg ds). Klijn Bodemonderzoek B.V.

is gecertificeerd volgens “NEN-EN-ISO 9001:2015”, voor het uitvoeren van milieukundig bodemonderzoek, inclusief partijkeuringen conform het Besluit Bodemkwaliteit en tevens volgens de “Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek SIKB 2000, protocollen 2001, 2002, 2003 en 2018”. Met betrekking tot onderhavig onderzoek verklaart Klijn Bodemonderzoek B.V. op geen enkele wijze in organisatorische, financiële of personele zin, betrokkenheid te hebben met de activiteiten van de opdrachtgever. De achterliggende gedachte hierbij is dat er geen “eigen” grond wordt onderzocht.

1.2.

Opbouw In het voorliggende rapport komen de volgende aspecten aan de orde:  vooronderzoek  onderzoeksprogramma  bodemgegevens  metingen en chemische analyses  verontreinigingssituatie  samenvatting, toetsing van de gekozen onderzoekshypothese, conclusies en aanbevelingen

(hoofdstuk 2); (hoofdstuk 3); (hoofdstuk 4); (hoofdstuk 5); (hoofdstuk 6); (hoofdstuk 7).

4

Rapport 21KL328

2.

VOORONDERZOEK

2.1.

Algemeen Ten behoeve van het bodemonderzoek is een standaard vooronderzoek conform de NEN 5725 (2017) ‘Uitvoeren van een milieuhygiënisch vooronderzoek’ uitgevoerd. In het vooronderzoek wordt informatie verzameld over het vroegere en huidige gebruik van het terrein. Het onderzoek is gericht op het vinden van mogelijke bronnen van bodembelasting. Evenals het verzamelen van informatie over het toekomstige gebruik, bodemopbouw, geohydrologie en financieel/juridische aspecten. Op basis van de verzamelde gegevens kan een totaalbeeld worden gevormd en conclusies worden getrokken over de afbakening van het geografische besluitvormingsgebied, de afbakening van de onderzoekslocatie voor het bodemonderzoek, de onderverdeling van de onderzoekslocatie voor het bodemonderzoek in deellocaties en de te hanteren onderzoekshypothese per deellocatie. De verzamelde informatie is opgesplitst in de volgende categorieën: o ligging onderzoekslocatie (paragraaf 2.2) o historisch en huidig gebruik (paragraaf 2.3) o belendende percelen en omgeving onderzoekslocatie (2.4) o bodemonderzoek (2.5) o bodemkwaliteitskaart (2.6) o toekomstig gebruik (2.7) o financieel/juridisch (2.8) o bodemopbouw en geohydrologie (2.9) o onderzoekshypothese (2.10) Ter verkrijging van de benodigde informatie zijn onderstaande bronnen geraadpleegd:  Locatie-inspectie (d.d.

27 oktober 2021);  Informatie opdrachtgever;  Gemeente Opsterland (d.d. 16 augustus 2021);  Provincie Friesland;  Internetsite bodeminformatie (https://bodemloket.nl);  Internetsite Dinoloket (https://dinoloket.nl);  Internetsite Basisregistratie Adressen en Gebouwen (https://bagviewer.kadaster.nl);  Luchtfoto Google Earth;  Grondwaterkaart van Nederland;  Topografische Atlas van Nederland (2002);  Internetsite Tijdreis, historisch kaartmateriaal van ca. 1815 tot heden (https://topotijdreis.nl);  Kadastrale kaart. Voorafgaand aan de veldwerkzaamheden zijn bovenstaande bronnen geraadpleegd en is door Klijn Bodemonderzoek een locatie-inspectie uitgevoerd. Tijdens de locatie-inspectie is onder andere gelet op verdachte plekken (zoals verkleuringen, brandplekken, olieopslag etc.), asbest op of in de bodem, asbestbeschoeiingen, verzakkingen en ophogingen.

2.2.

Ligging onderzoekslocatie Het perceel ligt aan de naast De Wyngaerden 13 te Luxwoude en is kadastraal bekend als Gemeente Langezwaag, sectie H, nr. 14. De onderzoekslocatie betreft een gedeelte van het kadastrale perceel en heeft totaal oppervlakte van 600 m2. De locatie bevindt zich aan de zuidzijde van de dorpskern en buiten de bebouwde kom van Luxwoude. In figuur 1 is een luchtfoto te zien van de onderzoekslocatie en directe omgeving.

5

Rapport 21KL328

Figuur 1: Luchtfoto onderzoekslocatie en omgeving

De omgeving van de onderzoekslocatie betreft voornamelijk bouw- en /of weilanden (agrarisch gebied). Voor een topografisch overzicht van de locatie en omgeving verwijzen wij naar de tekening in bijlage 1, een tekening van de locatie is weergegeven in bijlage 5. 2.3.

Historisch en huidig gebruik De gehele locatie gelegen naast de De Wyngaerden 13 te Luxwoude heeft een oppervlakte van circa 2.540 m². Op het perceel bevindt zich een voormalige kippenschuur, welke in gebruik is als opslaglocatie van diverse droge materialen. In de schuur bevindt zich een betonverharding aangevuld met een tegel verharding. Het dak van de voormalige kippenschuur is voorzien van asbesthoudende golfplaten waarbij aan beide zijden een dakgoot ontbreekt. Het onbebouwde terreindeel voor het pand is in gebruik als toegangspad en is deels bestraat met klinkers. Het overige onbebouwde terreindeel is onverhard en begroeid met gras. De eerste bebouwing op het perceel dateert uit 1936. Aan de zuidoostzijde van de schuur bevindt zich nog een kelder. Uit de informatie, welke is verkregen uit het historisch onderzoek conform NEN 5725, is tevens gebleken dat over de aanwezigheid van onder- of bovengrondse opslagtanks of in het verleden uitgevoerde dempingen geen gegevens bekend zijn.. Op de locatie is, voor zover bekend, geen sprake van (voormalige) puntbronnen en zijn er geen gegevens bekend over eventuele uitgevoerde verdachte (bodembedreigende) activiteiten op het perceel die de milieuhygiënische kwaliteit van grond en grondwater nadelig kunnen hebben beïnvloed.

2.4.

Belendende percelen en omgeving onderzoekslocatie De directe omgeving van de onderzoekslocatie bestaat uit: - Noordzijde: landbouwgrond - Oostzijde: landbouwgrond - Zuidzijde: openbare weg, landbouwgrond en een woning met schuur - Westzijde: landbouwgrond De activiteiten die plaatsvinden en/of plaats hebben gevonden op de belendende percelen worden weergegeven in tabel 1.

6

Rapport 21KL328

Tabel 1: Activiteiten die plaatsvinden / plaats hebben gevonden op de belendende percelen Adres

Historische activiteit

Periode

De Wyngaerden 16

Pottenbakkerij

1972-1976

Kadastraal perceel 47

Demping

2000-onbekend

De demping, gelegen op kadastraal perceel Langezwaag sectie H, nr. 47, betreft vermoedelijk een slootdemping, welke aan de noordzijde het onderhavige onderzoeksperceel is gelegen. Vooralsnog wordt niet verwacht dat de activiteiten van de belendende percelen een nadelige invloed hebben gehad op de bodemkwaliteit van onderhavige onderzoekslocatie. 2.5.

Bodemonderzoek Ter plaatse van de onderzoekslocatie is in mei 2020 een verkennend bodem- en asbest onderzoek uitgevoerd door Klijn Bodemonderzoek B.V. met kenmerk 20KL075, d.d. 29 mei 2020. Tijdens het onderzoek is gehele kadastrale perceel onderzocht. Zintuigelijk zijn er geen verontreinigingen waargenomen. Ter plaatse van RE1 is een geringe concentratie (6 mg/kg ds) aan asbest aangetoond. Ter plaatse van RE2 is geen asbest aangetoond. Op het perceel is ter plaatse van druppelzone van de voormalige kippen schuur (RE3) analytisch 79 mg/kg ds aan asbest geconstateerd. In de bovengrond zijn licht verhoogde gehalten aan lood, koper en zink geconstateerd. Plaatselijk, ter plaatse van de boringen 8 en 9 (bodemlaag 0,0 tot 0,5 m-mv) zijn sterk verhoogde gehalten aan koper aangetoond. Ter plaatse van boring 10 (bodemlaag 0,0 tot 0,5 mmv) is sprake van een matig verhoogd gehalte aan koper. De boringen 8, 9 en 10 bevinden zich allen op het voorterrein van het perceel. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. In het grondwater is licht verhoogde gehalte aan som xyleen-isomeren aangetoond. Conclusie asbestonderzoek Ter plaatse van RE1 en RE2 zijn op basis van het asbest onderzoek geen belemmeringen. Ter plaatse van de druppelzone is sprake van een asbest concentratie boven de grens van 0,5 maal de interventiewaarde van 100 mg/kg ds (= 50 mg/kg ds).

Echter is er sprake van duidelijke verontreinigingsbron. Hierdoor is afperkend onderzoek ter plaatse van de druppelzone niet noodzakelijk. Tijdens het onderzoek is het gehalte respirabele vezels niet bepaald. Indien het gehalte aan respriabele vezels hoger is dan 10 mg/kg ds zou er mogelijk nog sprake kunnen zijn van een spoedeisende sanering zonder dat de interventiewaarde van 100 mg/kg ds wordt overschreden. Conclusie verkennend bodemonderzoek Uit het voorgaande onderzoek is gebleken dat de omvang van de sterke grondverontreiniging waarschijnlijk meer dan 25 m³ bedraagt. Gezien het feit dat de omvang van de sterk verontreinigde grond groter is dan 25 m3, is er sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Omdat er van wordt uitgegaan dat de verontreiniging is veroorzaakt voor 1987, betreft het een “oud geval” van bodemverontreiniging kunnen eventuele saneringswerkzaamheden worden gemeld door middel van een BUS melding bij het bevoegd gezag. Door het bevoegd gezag is geadviseerd eerst een nader onderzoek uit te voeren om de aard en omvang van de aanwezige verontreiniging met koper in kaart te brengen. Nadat de resultaten van het nader onderzoek bekend zijn, kan opnieuw worden nagegaan wat de eventuele nog uit te voeren vervolgstappen zullen zijn.

2.6.

Bodemkwaliteitskaart Op basis van de toepassingskaart van de Bodemkwaliteitskaart valt zowel de boven- als de ondergrond ter plaatse van de onderzoekslocatie in de klasse landbouw/natuur.

2.7.

Toekomstig gebruik van het terrein De bestemming van de onderzoekslocatie zal worden gewijzigd van agrarisch naar wonen. Het voornemen is om de voormalige kippenschuur te slopen en ter plaatse een nieuwbouw woning te realiseren.

7

Rapport 21KL328

2.8.

Financieel/juridisch Op het perceel hebben, voor zover bekend, geen calamiteiten plaatsgevonden waarbij de bodem verontreinigd is geraakt.

2.9.

Regionale opbouw en geohydrologie De regionale bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie is weergegeven in tabel 2. Tabel 2: Regionale bodemopbouw diepte m-mv

0-5 5 - 13 13 - 24 24 - 52 52 - 73 73 - 160

Bodemsamenstelling

opgebrachte grond, fijn zand en leem zandig leem met grind en stenen fijn tot zeer fijn zand matig tot matig grof zand matig grof tot zeer grof met fijn grind matig grof tot zeer grof zand

formatie

formatie van Twente formatie van Drente formatie van Eindhoven formatie van Urk formatie van Enschede formatie van Harderwijk

Bodemopbouw De onderhavige onderzoekslocatie ligt ten oosten van Heerenveen en is gelegen in het zandgrondengebied van Noord-Nederland. Ten noordwesten bevinden zich uitgestrekte veen- en kleigebieden. Het maaiveld ligt op circa 0,1 m +NAP. De bodem bestaat uit een slecht doorlatende deklaag van opgebrachte grond en slibhoudend fijn zand en heeft een dikte van circa 13 meter. Hieronder wordt het eerste en tweede watervoerende pakket aangetroffen tot circa 160 m-mv. De ligging van de slecht doorlatende basis is niet bekend. Grondwaterstroming De freatische grondwaterstanden worden in nagenoeg het gehele gebied binnen bepaalde grenzen bepaald door de kunstmatig gehandhaafde polder- en boezempeilen. Afwatering vindt plaats op een stelsel van sloten en kanaal. De regionale grondwaterstroming in het eerste watervoerende pakket is noordwestelijk, met een verhang van 0,1 m/km.

8 3.

Rapport 21KL328

ONDERZOEKSPROGRAMMA Ten behoeve van dit onderzoek is een programma voor veld- en laboratoriumwerk opgesteld. Nader bodemonderzoek NTA 5755 Voorterrein De onderzoeksopzet is gebaseerd op de NTA 5755 Nader bodemonderzoek. Voor de bepaling van de boorstrategie is tevens het protocol nader onderzoek deel 1 gebruikt. Aanvullend asbest onderzoek NEN5707 Druppelzone voormalige kippenschuur

De onderzoeksopzet ten behoeve van het verkennend asbest onderzoek is gebaseerd op de Nederlandse Eindnorm voor verkennend asbestonderzoek in grond (NEN 5707, paragraaf 6.4.5) voor verdachte locaties met een diffuse bodembelasting waarbij het onderzoek zich richt op de verdachte bodemlaag (toplaag, bovengrond, ondergrond). Volgens de NEN 5707 (versie augustus 2015, inclusief correctieblad C2 van december 2017), het verkennend asbest onderzoek, wordt de eerdergenoemde hypothese aanvaard indien ter plaatse in de grond concentraties aan asbest worden aangetroffen boven de grenswaarde dan wel onder 0,5 maal de interventiewaarde. Op basis van de verkregen informatie met betrekking tot de historie en het huidige gebruik van de onderzoekslocatie, wordt de onderzoekslocatie (druppelzone) beschouwd als “verdachte” locatie ten aanzien van bodemverontreiniging met respirabele asbest vezels in de toplaag (eerste 10 cm). Bij verdachte locaties voor respirabele asbest vezels luidt de onderzoekshypothese dat de bodem verontreinigd is met asbest in concentraties boven de grenswaarde of het geldende achtergrondgehalte. Er wordt nagaan of het gehalte aan respirabele vezels ter plaatse van de druppelzones een onaanvaardbare risico voor de mens met zich meebrengt. Bij gehalten boven > 10 mg/kg ds is er mogelijke sprake van onaanvaardbare risico’s en is er sprake van spoedeisendheid voor saneren.

Het veldonderzoek is uitgevoerd volgens de SIKB Beoordelingsrichtlijn voor Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodemonderzoek (BRL SIKB 2000) en de Nederlandse Normen en Praktijk Richtlijnen (NEN en NPR) van het Nederlands Normalisatie-Instituut. De verrichte veldwerkzaamheden en chemische analyses zijn weergegeven in tabel 3. Tabel 3: Verrichte veldwerkzaamheden en chemische analyses (deel-)locatie

Nader bodemonderzoek Voorterrein

Aanvullend asbest onderzoek Druppelzone vml. kippenschuur

oppervlakte m2

monsternamepunten1)2)

Chemische analyses

500

8 boringen tot 1,0 m-mv 1 boring tot 1,3 m-mv 3 boringen tot 1,5 m-mv

9 x koper

100

6 x inspectiegaten tot 0,1 m-mv

1 x SEM analyse (bodemlaag 0,00-0,1)

grond

1) m-mv = meter minus maaiveld 2) inspectiegaten =

0,5 m bij 0,5 m

De posities van de monsternamepunten zijn in bijlage 5 weergegeven. Ten behoeve van het nader onderzoek is een boorplan opgesteld waarbij een raster van 3,5 meter is aangehouden. De chemische analyses zijn conform het AS3000 protocol uitgevoerd door het milieulaboratorium van AL-West B.V. te Deventer. De analyse op de respirabele vezels is door AL-West B.V. uitbesteed aan Eurofins ACMAA Testing te Deurningen. AL-West B.V. en Eurofins ACMAA Testing beschikken over een accreditatie volgens NEN-EN-ISO 17025.

9

Rapport 21KL328

4.

BODEMGEGEVENS

4.1.

Bodemgesteldheid en zintuiglijke waarnemingen Ten behoeve van het onderzoek is op 27 oktober 2021 een veldonderzoek uitgevoerd door J.A. Post (erkend monsternemer volgens certificaat K44009). Het opgeboorde materiaal is in het veld beoordeeld op textuur, (afwijkende) kleuren en zintuiglijk waarneembare verontreinigingen. De bemonstering heeft plaatsgevonden conform de NEN5742 en/of NEN5743. Daarnaast is voor de opgeboorde grond een olie-op-water-test gedaan: via dompeling van een met olie verontreinigd grondmonster in water ontstaat er een zichtbare film op het water. De grootte en de kleurschakering hiervan kunnen een indicatie zijn voor de mate van olieverontreiniging. Ten behoeve van het aanvullend asbest onderzoek is het opgeboorde materiaal in het veld beoordeeld op textuur, (afwijkende) kleuren en zintuiglijk waarneembare verontreinigingen. Voorafgaand aan de veldwerkzaamheden is op diverse plaatsen op het terrein het vochtpercentage in de bodem bepaald. Uit de metingen bleek een gemiddeld bodemvochtgehalte van 16% waarna is gestart met de werkzaamheden. Tevens is tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden periodiek het vochtgehalte in de bodem bepaald. Tijdens de periodieke metingen is gebleken dat het vochtgehalte niet onder de 10% is gemeten.

Op het maaiveld ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn, op basis van zintuiglijke waarnemingen (terreininspectie), geen asbestverdachte materialen waargenomen. Ten behoeve van het asbestonderzoek zijn de inspectiegaten handmatig gegraven (50 bij 50 centimeter tot 0,1 m-mv). De gaten zijn gelijkmatig verdeeld over het onderzoeksperceel. Het onderzoeksgebied bestaat uit één RE. De opgegraven grond uit de gaten is uitgespreid met een maximale laagdikte van 2 cm en geïnspecteerd op asbestverdacht materiaal. De grond is met behulp van een hark uitgeharkt zodat alle delen groter dan 20 mm van het grondmonster worden gescheiden. De inspectie efficiëntie ter plaatse van het maaiveld wordt gesteld op 95%. Ook zijn er geen andere bijzonderheden in de bodem geconstateerd die kunnen duiden op een verontreiniging in de grond en/of het grondwater. De boorprofielen met veldwaarnemingen zijn opgenomen in bijlage 2.

4.2.

Samenstelling grondmengmonsters Op basis van de bodemopbouw en de zintuiglijke waarnemingen zijn grondmonsters geselecteerd voor chemische analyse. Bij het samenstellen van de grondmengmonsters is als uitgangspunt gehanteerd dat een mengmonster kan worden samengesteld uit individuele grondmonsters, indien het bodemmateriaal min of meer dezelfde samenstelling heeft. De samenstelling van de grond(meng)monsters is vermeld in tabel 4. Tabel 4: Samenstelling grond(meng)monsters Grond(meng)monster

Samengesteld uit boringen

Diepte (m-mv)

Opmerking

Verkennend bodemonderzoek Voorterrein M1 M2 M3 M4 M5 M6 M7 M8 M9

213 214 215 216 217 202 202 209 201

0,0-0,5 0,0-0,5 0,08-0,5 0,0-0,5 0,5-1,0 0,0-0,5 0,0-0,5 0,0-0,5 0,5-1,0

-

Aanvullend bodem en asbestonderzoek Druppelzone SEM

301 t/m 306

0,0-0,1

-

10 4.3.

Rapport 21KL328

Concentratieberekening plaatmateriaal Voor het berekenen van het gehalte asbestmateriaal in grond, met een diameter groter dan 20 mm, is het noodzakelijk om de door het laboratorium gerapporteerde gehalten te corrigeren aan de inspectie efficiëntie en de massa van het uitgegraven materiaal. Het gehalte wordt berekend met de onderstaande formule. Cm,i = ∑ (Mk x %k,i / 100) / Mlok Cm,i = het gehalte asbest per asbestsoort is afkomstig van de verzamelde asbesthoudende materialen, in mg/kg ds.; Mk = de massa verzamelde asbesthoudende materialen van het type k, in mg; %k,i = het percentage asbest van het asbestsoort i in de verzamelde asbesthoudende materialen van het type k, in %; Mlok = het drooggewicht van het verzamelmonster grond op de locatie, in kg.

Gezien het feit dat een groot monster is geïnspecteerd, is weging van het monster niet mogelijk waardoor het drooggewicht van het monster is afgeleid van de volgende formule. Mlok = (1000 x V x ns) x (%E/100) x Ma/Mva V = het volume van de geïnspecteerde deelpartij in m³; Ns = het stortgewicht van het materiaal, in kg/dm³; %E = een schatting van de inspectie efficiëntie, in %; Ma = de massa van het gedroogde analysemonster, in kg; Mva = de massa van het veldvochtige analysemonster, in kg.

Formeel dient de bulkdichtheid (ns) van het materiaal worden bepaald conform NEN 5926, echter op basis van ervaringscijfers kan worden aangenomen dat het gewicht van het materiaal (puin en grond) is gelegen tussen de 1,5 en 1,9 ton/m³. Ten tijde van het onderzoek voldeden de weersomstandigheden aan de gestelde randvoorwaarden voor asbestonderzoek. Dit betekent: o het maaiveld is vrij inspecteerbaar; o het maaiveld is droog, vorstvrij en onbesneeuwd; o geen regenval van meer dan 100mm/h; o geen hagel of sneeuwval; o onderzoek is uitgevoerd tussen zonsopkomst en zonsondergang; o geen mist met een zicht van minder dan 50 meter. Gezien het feit dat in de opgeboorde/opgegraven grond geen asbestverdacht materiaal is aangetroffen, is in onderhavig onderzoek geen concentratie berekening uitgevoerd.

11

Rapport 21KL328

5.

RESULTATEN METINGEN EN CHEMISCHE ANALYSES

5.1.

Toetsingskader Om de mate van verontreiniging van de bodem te kunnen beoordelen, zijn de chemische analyseresultaten van de grond en het grondwater getoetst aan de richtlijnen die zijn opgesteld door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (Circulaire Bodemsanering per 1 juli 2013, Staatscourant 27 juni 2013, nr. 16675). Ten behoeve van deze toetsing wordt gebruik gemaakt van de begrippen achtergrond-, streef- en interventiewaarde. De achtergrondwaarden (AW) zijn landelijk geldende waarden voor een multifunctionele bodemkwaliteit en geven de bovengrens aan voor wat in de dagelijkse praktijk 'schone grond' wordt genoemd. Deze achtergrondwaarden zijn vastgesteld op basis van gehalten zoals deze voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden. Dit omdat in dergelijke gronden geen belasting door lokale verontreinigingsbronnen aanwezig wordt geacht. De streefwaarde (S) geeft het concentratieniveau in grondwater aan waarboven wèl en waaronder géén sprake is van een aantoonbare verontreiniging. De interventiewaarde (I) geeft het concentratieniveau in de grond, waterbodem of grondwater aan waarboven de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, dier en plant heeft, in ernstige mate kunnen zijn verminderd.

In het overheidsbeleid wordt gesproken van een geval van ernstige bodemverontreiniging indien de gemiddelde concentratie aan één stof de interventiewaarde overschrijdt in tenminste 25 m3 grond/slib of voor het grondwater in tenminste 100 m3 bodemvolume. Over de hoeveelheid grond/slib of grondwater waarop een eventuele overschrijding van de interventiewaarde voordoet kan in een eerste onderzoek meestal nog geen betrouwbare uitspraak worden gedaan. Daarom kunnen op basis van de resultaten van dit eerste onderzoek dan ook geen conclusies worden getrokken ten aanzien van het wel of niet ernstig zijn van het verontreinigingsgeval. Bij de getoetste waarden is tevens een index opgenomen. Deze index is als volgt berekend: Index = (GSSD - AW) / (I - AW). Een negatieve waarde voor de index houdt in dat de gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD) lager is dan de achtergrondwaarde. Bij een index boven de 1 ligt de gestandaardiseerde meetwaarde boven de interventiewaarde. Een index tussen de 0 en 0,5 betekent dat de gestandaardiseerde meetwaarde (ver) onder de interventiewaarde ligt. Een index tussen de 0,5 en 1 houdt in dat de gestandaardiseerde meetwaarde (dicht) bij de interventiewaarde ligt (overschrijding voormalige tussenwaarde). Afhankelijk van de specifieke situatie kan dit aanleiding geven voor het uitsplitsen van een mengmonster en/of het uitvoeren van een nader onderzoek.

Met een nader bodemonderzoek kan de ernst en spoedeisendheid van het geval worden vastgesteld. Een nader onderzoek kan worden uitgevoerd als er een duidelijke indicatie bestaat dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Bij de toetsing worden de gemeten gehalten aan de hand van geanalyseerde of geschatte gehalten organische stof en lutum met BOTOVA-gevalideerde software omgerekend naar zogenaamde standaardbodemcondities (bodem met 10% organische stof en 25% lutum). Deze gestandaardiseerde meetwaarden worden vergeleken met de vaste normwaarden. Door een aantal wijzigingen in de Regeling Bodemkwaliteit zijn per 1 april 2009 de normen voor barium in grond tijdelijk buiten werking gesteld. Als blijkt dat verhoogde gehalten aan barium worden veroorzaakt door antropogene bronnen, kan het bevoegd gezag dit gehalte beoordelen aan de voormalige interventiewaarden. Wanneer het gehalte van een parameter beneden de rapportagegrens van AS3000 ligt mag er, conform de Wijziging Regeling Bodemkwaliteit (Stc. 122, 27 juni 2008), voor de betreffende parameter vanuit worden gegaan dat deze voldoet aan de achtergrondwaarde (AW2000).

12 5.2.

Rapport 21KL328

Analyseresultaten aanvullend en nader bodemonderzoek NTA 5755 In bijlage 4 zijn de toetsingstabellen opgenomen met alle analyseresultaten, de omgerekende analyseresultaten (GSSD) en de bijbehorende toetsingsresultaten (waarden kleiner dan de detectielimiet zijn niet omgerekend). Tevens is in de toetsingstabel de indicatieve waarde voor hergebruik, conform de toetsing Besluit Bodem Kwaliteit, opgenomen. In tabel 5 wordt een samenvatting weergegeven van de toetsingsresultaten van de grond. De analyserapporten zijn opgenomen in bijlage 3. Tabel 5: Samenvatting toetsingsresultaten grondmonsters (gehalten in mg/kg ds., tenzij anders vermeld) Parameters

Resultaat GSSD

AW

I

T index

Toets oordeel Toetsing BBK

Koper (Cu)

9,8

16,8

40

190

-1

<= AW

<= Achtergrondwaarde

Koper (Cu)

11

19,1

40

190

-1

<= AW

<= Achtergrondwaarde

Koper (Cu)

7,9

13,7

40

190

-1

<= AW

<= Achtergrondwaarde

Koper (Cu)

20

34,8

40

190

-1

<= AW

<= Achtergrondwaarde

Koper (Cu)

7,3

11,5

40

190

-1

<= AW

<= Achtergrondwaarde

Koper (Cu)

15

20,5

40

190

-1

<= AW

<= Achtergrondwaarde

Koper (Cu)

26

45,2

40

190

0,035

> AW en <= T Wonen

Koper (Cu)

9,4

16,3

40

190

-1

<= AW

<= Achtergrondwaarde

Koper (Cu)

<5

7,24

40

190

-1

<= AW

<= Achtergrondwaarde

voorterrein

M1 (0,0-0,5 m-mv) Samenstelling: 213 M2 (0,0-0,5 m-mv) Samenstelling: 214

M3 (0,08-0,5 m-mv) Samenstelling: 215 M4 (0,0-0,5 m-mv) Samenstelling: 216 M5 (0,5-1,0 m-mv) Samenstelling: 217

M6 (0,0-0,5 m-mv) Samenstelling: 202 M7 (0,0-0,5 m-mv) Samenstelling: 203 M8 (0,0-0,5 m-mv) Samenstelling: 209 M9 (0,5-1,0 m-mv) Samenstelling: 201 AW I GSSD T-index Toets oordeel Toetsing BBK Index < 0 0 < Index < 0,5 0,5 < Index < 1 Index > 1 NEN-pakket

Achtergrondwaarde Interventiewaarde Gestandaardiseerde meetwaarde Index voor de afwijking van Gstandaard tov gemiddelde van Achtergrondwaarde en Interventiewaarde Parameteroordeel op basis van de waarde bij 'T Index' Indicatieve waarden voor hergebruik van de geanalyseerde grond, conform toetsing Besluit Bodem Kwaliteit GStandaard < AW GStandaard ligt tussen de AW en de oude T GStandaard ligt tussen de oude T en I I overschreden Geen verhoogde gehalten ten opzichte van de achtergrondwaarden Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Pb, Mo, Ni en Zn); PCB’s; minerale olie (GC); PAK som 10

13 5.3.

Rapport 21KL328

Analyseresultaten aanvullend asbestonderzoek NEN 5707 De resultaten zijn getoetst aan de risicogrens van 10 mg/kg d.s. (gewogen) voor respirabele asbestvezels. Met “gewogen” wordt bedoeld de concentratie serpentijnasbest vermeerderd met tienmaal de concentratie amfiboolasbest. Indien de grens van de risicogrens van 10 mg/kg ds. aan asbest wordt overschreden, is er mogelijk sprake van onaanvaardbare risico’s en sprake van spoedeisendheid voor sanering. In tabel 6 is de totale hoeveelheid asbest in grond opgenomen. In de analyserapporten (bijlage 3) zijn de gemeten concentraties aan asbest van het gehalte respirabele vezels (delen kleiner dan 0,5 mm) weergegeven. Tabel 6: Totale hoeveelheid asbest in mg/kg ds. per RE

5.4.

Monster

Omgerekend gewicht asbest in mg/kg ds.

Geanalyseerd gewicht asbest in mg/kg ds.

Totaal gewicht asbest in mg/kg ds.

Druppelzone SEM

n.v.t.

0,7

0,7

Toelichting analyseresultaten Op basis van de veldwaarnemingen en de analyseresultaten kan de bodemkwaliteit als volgt worden toegelicht: Aanvullend asbestonderzoek NEN 5707 Grond, voormalige druppelzone kippenschuur In de opgegraven grond van de toplaag ter plaatse van de druppelzone van de voormalige kippenschuur is analytisch een gewogen gehalte respirabele vezels aangetoond van 0,7 mg/kg ds. De gewogen asbestconcentratie ligt ruim onder de grens van 10 mg/kg ds. Voor de volledigheid dient te worden vermeld dat bij analyse van mengmonsters de gehalten bij separate analyse van individuele deelmonsters zowel hoger als lager kunnen uitvallen. Nader bodemonderzoek NTA 5755 Grond, voorterrein In monsters M1, M2, M4, M6, M8, (boringen 213, 214, 216 en 209: 0,0-0,5 m-mv), M3 (boring, 215: 0,08-0,5 m-mv), M5 en M9 (boring 217 en 201: 0,5-1,0 m-mv) zijn geen van de gehalten aan koper verhoogd aangetoond ten opzichte van de achtergrondwaarden. In monster M7 (boring 203: 0,0-0,5 m-mv) is het gehalte aan koper verhoogd aangetoond ten opzichte van de achtergrondwaarde.

14

Rapport 21KL328

6.

VERONTREINIGINGSSITUATIE Aan de hand van de resultaten van onderhavig nader bodemonderzoek en het voorgaand verkennend bodemonderzoek van Klijn Bodemonderzoek B.V. (20KL075) is de actuele verontreinigingsgraad van de aanwezige verontreiniging met koper ter plaatse van de onderzoekslocatie in beeld gebracht.

6.1.

Koper t.p.v. boring 8 en 9 Ter plaatse van de boring 8 en 9 zijn in het voorgaand bodemonderzoek (20KL075), in de bovengrond tot 0,5 m-mv sterk verhoogde gehalten aan koper aangetoond. Daarnaast is ter plaatse van boring 10 in de bovengrond tot 0,5 m-mv een matig verhoogd gehalte aan koper aangetoond. In onderhavige onderzoek zijn de sterk verhoogde gehalten ter plaatse van boring 8 en 9 afgeperkt. Ter plaatse van boring 8 is boring 217 geplaatst waarbij in de ondergrond van 0,5-1,0 mmv geen verhoogd gehalte aan koper is aangetoond. In horizontale richting, boringen 213 t/m 215 zijn tevens in de bovengrond tot 0,5 m-mv geen verhoogde gehalten aan koper aangetoond. Ter plaatse van boring 9 is boring 201 geplaatst waarbij in de ondergrond van 0,5-1,0 m-mv geen verhoogd gehalte aan koper is aangetoond. In de noordelijk en westelijke richtingen, boringen 202 en 209, zijn geen verhoogde gehalten aan koper aangetoond in de bovengrond tot 0,5 m-mv. In zuidelijke richting is boring 203 geplaatst waarbij een licht verhoogd gehalte aan koper is geconstateerd. In oostelijke richting wordt boring 9 afgeperkt door de kadastrale grens en de aanwezig sloot. In westelijke richting wordt de verontreiniging formeel afgeperkt door boring 209. Echter door de aanwezige kelder wordt verwacht dat de verontreiniging zich hier in westelijke richting tot beperkt.

Op basis van deze gegevens is de verontreiniging met koper, horizontale en verticale richting binnen de kadastrale grenzen tot onder de interventiewaarde afgeperkt. De omvang van de sterke verontreiniging met koper is in de bovengrond tot 0,5 m-mv ter plaatse van boring 8 vastgesteld op circa 6,1 m3 (3,5*3,5*0,5). De omvang van de sterke verontreiniging met koper is in de bovengrond tot 0,5 m-mv ter plaatse van boring 9 vastgesteld op circa 2,6 m3 (3,5*1,5*0,5). In totaal is er 8,7 m3 sterk verontreinigde grond met koper aanwezig op het perceel. Tevens is er nog een hoeveelheid van circa 6,1 m3 (3,5*3,5*0,5) matig verontreinigde grond aanwezig ter plaatse van boring 10.

6.2.

Datum veroorzaking en omvangscriteria Gezien de activiteiten op de locatie welke sinds 1936 (tevens bouwjaar aanwezige bebouwing) hebben plaatsgevonden en er geen bodembedreigende activiteiten op het perceel zijn uitgevoerd, wordt er vooralsnog vanuit gegaan dat de verontreinigingen is ontstaan voor 1987. Echter kan op basis van de verkregen informatie de exacte datum van oorzaak niet worden vastgesteld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Opsterland&id=b34b4018-33cc-40a2-b7bf-f663cc3edfe5