CConstaterende datOpsterland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Ontwerpbestemmingsplan Gorredijk - Verplaatsing supermarkt (zonder bijlagen toelichting)

Raadsvergadering 27 mei 2024, gemeente OpsterlandBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Gorredijk – Verplaatsing supermarkt (H)23.582 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Er worden in het kader van de vergunningverleningen metingen uitgevoerd om de geluidswering van de betreffende woning te meten. Mocht dit niet afdoende zijn dan is er een mogelijkheid de maatgevende parkeervakken na 19:00 uur te sluiten. Hierbij wordt ook de mogelijkheid bekeken van een geknikt scherm. In de Hoofdstraat kan langs de weg worden geparkeerd, ook ’s avonds en ’s nachts. Dit is inherent aan het karakter van de Hoofdstraat. Maximale geluidniveaus vanwege openbaar parkeren aan de weg zullen hoger zijn dan vanwege het openbare parkeerterrein van Aldi, waarmee de geluidniveaus vanwege Aldi zelfs als ondergeschikt kunnen worden gezien. Wanneer er meer op het parkeerterrein wordt geparkeerd dan in de straat, kan dit voor een aantal woningen aan de Hoofdstraat zelfs een verbetering opleveren; Het Aldi-parkeren wordt verplaatst van een openbaar parkeerterrein aan de Schoolstraat naar het nieuwe parkeerterrein. Voor de rond de Schoolstraat (en boven de huidige Aldi) gelegen woningen treedt er een verbetering op. Met de aanleg van de geluidsschermen en op basis van bovenstaande argumenten wordt het bestemmingsplan

38/426

op dit aspect uitvoerbaar geacht. Dit geldt ook voor een verkort scherm ter hoogte van Badweg 8 (figuur 4.5). Vanwege stedenbouwkundige argumenten en vanwege het bevorderen van het uitzicht van de bewoners van Badweg 8, heeft initiatiefnemer besloten een verkorkt geluidsscherm te realiseren. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de bouw van de supermarkt worden de geluidsmaatregelen nader uitgewerkt. Hierbij wordt ook gekeken naar het toepassen van een geknikt scherm.

4.4

Wegverkeerslawaai

In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg in principe een zone heeft waar aandacht aan geluidhinder moet worden besteed. Daarbij onderscheidt de Wgh geluidsgevoelige functies enerzijds en niet-geluidsgevoelige functies anderzijds. Indien geluidsgevoelige functies binnen de geluidszone van een weg worden geprojecteerd, moet worden bepaald of ter plaatse van deze functies wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Met het bestemmingsplan worden geen nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk gemaakt. Wel zal er sprake zijn van een toename van het aantal klanten. Gezien de ligging van het perceel nabij grotere ontsluitingswegen, zal dit geen negatieve effecten hebben. Er zal dan ook geen sprake zijn van reconstructie (dus een significante toename van geluid op omliggende woningen). Een akoestisch onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder is niet aan de orde. Trillingen Trillingen worden in de huidige situatie veroorzaakt door hoofdzakelijk zwaar vrachtverkeer en landbouwverkeer over de Badweg. Het aantal doorgaande zware verkeersbewegingen zal met de komst van Aldi en de herinrichting van de Badweg niet toenemen. In verband met de bevoorrading van Aldi, zal het vrachtverkeer ter plaatse wel iets toenemen. De vrachtauto's rijden achteruit het terrein op en vooruit het terrein af.

De snelheid van de vrachtwagen ligt bij deze manoeuvre zodanig laag, dat dit geen trillingen met zich meebrengt. Daarnaast wordt de snelheid op een deel van de Badweg verlaagt tot 30 km/u. Dit zal een positief effect hebben op de trillingen in de omgeving van het plangebied. Wij achten een trillingsonderzoek in dit geval dan ook niet nodig.

4.5

Water

Watertoets Vanwege het grotere belang van het water in de ruimtelijke ordening, wordt van waterschappen een vroege en intensieve betrokkenheid bij het opstellen van ruimtelijke plannen verwacht. Bovendien is de watertoets een verplicht onderdeel in de bestemmingsplanprocedure geworden. In het kader van de watertoets is de ontwikkeling voorgelegd aan Wetterskip Fryslân voor een wateradvies. Via www.dewatertoets.nl is het plan in november 2019 aangemeld bij het Wetterskip Fryslân (dossiercode 20191210-2-22016). Hieruit blijkt dat de korte watertoetsprocedure van toepassing is. De voor dit plan relevante uitgangspunten zijn in deze paragraaf verwerkt. Watercompensatie Door de komst van Aldi neemt de hoeveelheid verhard oppervlak met 156 m2 toe met als gevolg een versnelde

39/426

afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Het is verboden zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in dit wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Bij het graven van extra oppervlaktewater is onderstaande tabel van toepassing. Uiteraard is het toepassen van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk. Afhankelijk van de maatregel kunnen andere normen gelden dan vermeld in de onderstaande tabel. Zie hiervoor de Leidraad watertoets voor meer informatie over compenserende maatregelen. Indien er niet wordt gecompenseerd door extra oppervlaktewater te graven waarbij onderstaande percentages worden gehanteerd of indien er geen overeenstemming plaatsvindt in de watertoetsprocedure over alternatieve maatregelen dan dient een watervergunning bij het waterschap te worden gevraagd.

Tabel 4.4:

Watercompensatie

De locatie is in de huidige situatie bijna volledig verhard. Er is hierdoor sprake van geen tot een zeer beperkte toename aan verharding. Een overzicht van de huidige -en toekomstige verharding is weergeven in figuur 4.6. De toename aan verharding is minder dan 200 m2. Bij de aanleg van dit terrein zijn watercompenserende maatregelen niet nodig. Dit zal hoofdzakelijk plaatsvinden in de groene zone rondom het parkeerterrein of via infiltratie in de bestrating.

40/426

Figuur 4.6

Overzicht huidige -en toekomstige verharding

Er wordt in de huidige situatie wateroverlast ervaren tussen de beoogde locatie van de Aldi en de tuinen van de woningen aan de Geert van der Zwaagstrjitte. Door middel van een aan te leggen infiltratiebuis wordt het overtollig water afgevoerd naar de riolering of het openbare water. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in-) filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Het plangebied ligt echter wel vrij voor de boezem. Dit wil zeggen dat het gebied niet is beschermd tegen hoge waterstanden in de Friese boezem. Bij het bepalen van de aanleghoogte wordt hier rekening mee gehouden.

41/426

Ruimtelijke adaptatie Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Het is belangrijk kansen te benutten om het gebied klimaat robuust in te richten. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming. Voor veel maatregelen geldt bovendien dat ze kosteneffectief zijn, als ze maar in een vroeg stadium in het planvormingsproces worden meegenomen. Bij de uiteindelijke uitwerking van het bouwplan zal rekening worden gehouden met een klimaat robuuste inrichting. Proces Het wateradvies zal worden overgenomen door de initiatiefnemer. Het wordt gehanteerd als uitgangspunt voor de verdere planvorming en voor de uitvoering van het bestemmingsplan.

4.6

Ecologie

Bij elk ruimtelijk plan moet, met het oog op beschermenswaardige natuurwaarden, rekening worden gehouden met de regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming In Nederland zijn via de Wet natuurbescherming de Natura 2000-gebieden beschermd. Als ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van de natuurwaarden binnen deze gebieden, moet een vergunning worden aangevraagd. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het beleid ten aanzien van de Natuurnetwerk Nederland (NNN). Voor ontwikkelingen binnen het NNN geldt het 'nee, tenzij-principe'. Het beleid voor het NNN is opgenomen in de provinciale verordening. Het plangebied ligt midden in bebouwd gebied. Het meest nabij gelegen stikstof gevoelige Natura 2000-gebied is de Van Oordt's Mersken (dit is tevens een NNN-gebied). Gezien de aard en de schaal van de ontwikkeling in het plangebied, treden geen nadelige effecten op voor dit natuurgebied. Zekerheidshalve is voor de ontwikkeling een stikstofberekening uitgevoerd. De resultaten zijn als bijlage 6 toegevoegd. Uit de berekening blijkt dat er geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr op Natura 2000-gebied. Er is geen sprake van vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming. Het projectgebied is door de Provincie niet aangewezen als weidevogelleefgebied.

Verstoring van weidevogels is daarom niet aan de orde. Soortenbescherming Ook de bescherming van soorten is opgenomen in de Wet natuurbescherming. Vanuit deze wet geldt een algemeen verbod voor het verstoren en vernietigen van beschermde plantensoorten, beschermde diersoorten en hun vaste rust- of verblijfplaatsen. Onder voorwaarden is ontheffing van deze verbodsbepalingen mogelijk. Voor sommige soorten zijn deze voorwaarden zeer streng. In verband met het slopen van bebouwing is op basis van de Wet natuurbescherming een ecologisch onderzoek in de vorm van een quickscan uitgevoerd. Met voorgenoemde activiteiten kunnen namelijk mogelijk biotopen

42/426

van beschermde soorten verstoord worden. De ecologische quickscan is als bijlage 7 toegevoegd. Het voorkomen van verblijfplaatsen huismus, gierzwaluw en diverse vleermuizen kan niet worden uitgesloten. Om deze reden is een nader ecologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 8 van deze toelichting. Hieronder worden de conclusies uit dit nader onderzoek weergegeven. Binnen het plangebied is één jaarrond beschermd nest van een huismus vastgesteld. Het vernielen of verstoren van vaste verblijfplaatsen van de soort is ontheffingsplichtig. De verwachting is dat de aangetroffen nestlocatie bij de voorgenomen werkzaamheden verloren gaat. Met het oog hierop moet bij het bevoegd gezag, de provincie Fryslân, een ontheffing worden aangevraagd. De ontheffing wordt aangevraagd op basis van een activiteitenplan. Onderdeel van de ontheffing vormen mitigerende en compenserende maatregelen. De verblijfplaatsen die verloren gaan dienen ook gecompenseerd te worden. Voor de huismus moet het aantal nestlocaties dat verloren gaat ten gevolge van het planvoornemen, met minimaal een factor twee gecompenseerd worden. In dit geval gaat het om minimaal 2 vervangende nestlocaties. Bij het nader onderzoek naar jaarrond beschermde nesten van gierzwaluwen zijn geen nestlocaties aangetroffen.

In het kader van de voortgang van het project hoeft er voor deze soort geen ontheffing aan de Wet Natuurbescherming te worden aangevraagd. Bij het nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen zijn geen verblijfplaatsen aangetroffen. In het kader van de voortgang van het project hoeft er voor deze soort geen ontheffing aan de Wet Natuurbescherming te worden aangevraagd. Geconstateerd is dat er ten behoeve van de ontwikkeling bomen gekapt dienen te worden. Deze waren ecologisch niet onderzocht in de ecologische quickscan. op 14 januari 2021 is de locatie opnieuw bezocht. Dit is vastgelegd in een notitie die als bijlage 9 bij deze toelichting is toegevoegd. Geconcludeerd wordt dat in de bomen geen geschikte openingen vastgesteld zijn waarin vleermuizen kunnen verblijven. In de bomen ontbreekt het aan gaten waarin vleermuizen zich kunnen ophouden zoals spechtengaten. Er zijn ook geen (oude) nesten van sperwer, boomvalk, havik, buizerd of ransuil vastgesteld in de bomen. Tevens zijn geen (sporen van) roestplaatsen van ransuil aangetroffen. Negatieve effecten op nesten en eieren van boombewonende vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen kunnen derhalve worden uitgesloten. Conclusie Ten aanzien van de gebiedsbescherming bestaan er geen belemmeringen voor de uitvoering van de plannen.

Voor wat betreft de soortenbescherming is er één jaarrond beschermd nest van een huismus aangetroffen. Hiervoor wordt ontheffing aangevraagd bij de provincie Fryslân. Onderdeel van deze ontheffingsaanvraag is het opstellen van een activiteitenplan met mitigerende en compenserende maatregelen en het compenseren van de verloren nestlocatie. De benodigde maatregelen worden geïntegreerd in de plannen, waardoor het project uitvoerbaar is. Deze ontheffing wordt toegevoegd aan het vast te stellen bestemmingsplan.

43/426

4.7

Luchtkwaliteit

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, artikel 5.2 van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2-jaargemiddelde) en fijn stof (PM10-jaar- en daggemiddelde) van belang. Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. NIBM In dit Besluit 'niet in betekenende mate' is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.

Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouwprojecten met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Onderzoek Wet Milieubeheer Op basis van de Grootschalige Concentratiekaart Nederland (GCN) geldt ter plaatse van het plangebied een gemiddelde concentratie van 11 µg/m3 voor stikstofdioxide en 12 µg/m3 voor fijn stof (PM10). De normen voor stikstofdioxide en fijn stof liggen op 40 respectievelijk 40 µg/m3 (jaargemiddelde concentratie vanaf 2015). Er is derhalve geen sprake van een (dreigende) overschrijding van de streefwaarde.Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied wordt voldaan aan een goede woon- en leefklimaat voor wat betreft de luchtkwaliteit. Onderzoek NIBM Deze ontwikkeling is dusdanig van omvang dat dit ten opzichte van de huidige situatie voor een verkeer aantrekkende werking zorgt. Deze verkeer aantrekkende werking is bepaald in de verkeersparagraaf. Het effect op de luchtkwaliteit is vervolgens met de NIBM rekentool bepaald.

Het effect op de luchtkwaliteit bedraagt in geen geval meer dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarden voor PM10 en NO2. Op het plan is daarom het besluit NIBM van toepassing. Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit

44/426

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) 1.120 Aandeel vrachtverkeer 1,5% Maximale bijdrage extra verkeer NO2 in ug/m3 1,18 3 PM 10 in ug/m 0,26 3 Grens voor "Niet in Betekende Mate in ug/m 1,2 Conclusie: De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekende mate; geen nader onderzoek nodig Conclusie Er wordt geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet belemmert. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu ter plaatse.

4.8

Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Het externe veiligheidsbeleid heeft vorm gekregen in de risicobenadering. Er wordt getoetst aan twee verschillende normen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Voor het plaatsgebonden risico geldt een kans van 10-6 als grenswaarde. Dit betekent dat binnen de zogenaamde PR 10-6-contour geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden toegestaan. Voor ontwikkeling van nieuwe beperkt kwetsbare objecten, geldt deze norm als streefwaarde. Voor (beperkt) kwetsbare objecten binnen de GR-contour moet een bestuurlijke verantwoording plaatsvinden. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig. Ook worden binnen korte afstand van het plangebied geen gevaarlijke stoffen vervoerd over de weg, het spoor, het water of door leidingen. Conclusie Het aspect externe veiligheid geeft geen belemmeringen en uitgangspunten voor dit bestemmingsplan.

4.9

Bodem

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening, moet in geval van ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging, moet ten minste verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang om de bodemkwaliteit te onderzoeken. Bij functiewijzigingen moet gekeken worden of de bodemkwaliteit voldoende is ten dienste van de beoogde nieuwe functie. Gezien de ligging van het plangebied midden in het centrum van Gorredijk waar reeds gevoelige functies zijn toegestaan, worden hier geen belemmeringen in verwacht. In het kader van dit bestemmingsplan is

45/426

een verkennend bodemonderzoek daarom niet direct noodzakelijk. Onderzoek In het plangebied zijn twee bodemonderzoeken uitgevoerd, "Verkennend en aanvullend bodemonderzoek ter plaatse van de percelen aan de Hoofdstraat 88-100 in Gorredijk" die is opgenomen in bijlage 10 van deze toelichting en "Verkennend en nader bodemonderzoek ter plaatse van de Hoofdstraat 102-104 b en Badweg 2 t/m 6 in Gorredijk" die is opgenomen in bijlage 11 van deze toelichting. Hieronder worden de conclusies uit deze onderzoeken weergegeven. Verkennend en aanvullend bodemonderzoek ter plaatse van de percelen aan de Hoofdstraat 88-100 in Gorredijk Door WMR Rinsumageest bv is een verkennend en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de percelen aan de Hoofdstraat 88-100 in Gorredijk. Het onderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5725 en NEN 5740 Uit het vooronderzoek blijkt dat op basis van de historie van de onderzoekslocatie het perceel met huisnummer 88 als een separate milieuverdachte deellocatie wordt beschouwd. Ter plaatse is in het verleden een schildersbedrijf gevestigd geweest. Voor het overige deel van de onderzoekslocatie geldt dat erg geen directe aanwijzingen bestaan voor een vermoeden van bodemverontreiniging.

Ten aanzien van de verontreinigingssituatie ter plaatse van het voormalige benzineservicestation aan de hoofdstraat 84-86 geldt dat deze door historisch onderzoek voldoende is onderzocht en gesaneerd is. Wel is het aannemelijk dat op de gehele onderzoekslocatie door historische menselijke activiteiten enige (heterogeen verdeelde) bodemverontreiniging is ontstaan. De locatie wordt derhalve als verdacht voor lichte en diffuse bodemverontreiniging beschouwd. Er is een verkennend en aanvullend bodemonderzoek per deellocatie uitgevoerd. Conclusie Vanwege de sterk tot licht verhoogde gehalten in de grond kan de onderzoekshypothese voor een verdachte locatie worden aangenomen. Met betrekking tot de bijmenging met puin in de grond wordt gesteld dat deze als asbestverdacht dient te worden aangemerkt. Op basis van de huidige onderzoeksresultaten kan geen uitspraak worden gedaan over verontreiniging met asbest, daar waar het onderzoek niet volgens de NEN 5707 (onderzoek naar asbest in bodem) is uitgevoerd. Geconcludeerd kan worden dat ter plaatse van een deel van de onderzoekslocatie (boring 5) sprake is van sterke bodemverontreiniging met lood. De totale omvang van de verontreiniging kan op basis van de huidige onderzoeksresultaten niet exact worden vastgesteld.

Mogelijk is er sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging (meer dan 25 m3 sterk verontreinigde grond), hetgeen middels een nader onderzoek vastgesteld dient te worden. Wel wordt aangenomen dat de verontreiniging met lood dusdanig is, dat deze een belemmering zal vormen voor de toekomstige ontwikkelingsplannen (nieuwbouw) van het perceel. Met betrekking tot de overige (lichte tot matige) verontreinigingen ter plaatse van de gehele onderzoekslocatie geldt dat de betreffende verhoogde parameters slechts de achtergrondwaarde tot maximaal de tussenwaarde (vastgesteld na aanvullend onderzoek) overschrijden. Ons inziens mogen alle overige verontreinigingen op de locatie daarom als voldoende onderzocht worden beschouwd.

46/426

Aanbevolen wordt de aangetroffen sterke verontreiniging met lood middels een nader bodemonderzoek in voldoende mate af te perken (in zowel horizontale als verticale richting). Op basis van de hieruit voortvloeiende onderzoeksresultaten kan het totale bodemvolume sterk met lood verontreinigde grond worden vastgesteld. Met behulp van dergelijke gegevens kan een eventueel saneringsplan worden opgesteld voor het verwijderen van de geconstateerde sterke en mogelijk ernstige verontreiniging. Vanwege de bijmening met puin in de bodem van de onderzoekslocatie wordt geadviseerd het terrein te onderzoeken op asbest in bodem conform de NEN 5707. Verkennend en nader bodemonderzoek ter plaatse van de Hoofdstraat 102-104b en Badweg 2 t/m 6 in Gorredijk Door WMR Rinsumageest bv een verkennend, aanvullend en nader bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de percelen aan de Hoofdstraat 102-104b en Badweg 2 t/m 6 in Gorredijk. Het onderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5725 en NEN 5740 Uit het vooronderzoek blijkt dat op basis van de historie van de percelen de onderzoekslocatie als verdacht voor bodemverontreiniging wordt aangemerkt. Er is één verdachte deellocatie aan te wijzen, dit betreft de voormalige ondergrondse benzinetank met vul- en afleverpunt.

Conclusie Voor de voormalige benzinepomp installatie geldt dat vanwege de licht verhoogde gehalten aan minerale olie in de ondergrond en het grondwater, de onderzoekshypothese, een verdachte locatie, aangenomen dient te worden. De gemeten gehalten en concentraties zijn dusdanig dat er geen aanleiding is voor een aanvullend onderzoek. Voor het overige terrein geldt dat vanwege de aangetoonde (sterke) verontreinigingen de onderzoekshypothese, een verdachte locatie, aangenomen kan worden. De omvang van de sterke verontreiniging is middels het nader bodemonderzoek voldoende afgeperkt en geschat op 90 m3. Omdat het saneringscriterium (bodemvolume sterk verontreinigde grond is groter dan 25 m3 wordt overschreden, is er sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Aanbevolen wordt om vanwege de aangetroffen betonpuinresten de grond als asbestverdacht te beschouwen. Geadviseerd wordt om een verkennend onderzoek naar asbest in bodem (volgens NEN 5707) uit te voeren. Bij grondwerkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de sterke bodemverontreiniging. Indien graafwerkzaamheden plaats zullen vinden ter plaatse van de sterke verontreiniging dient een saneringsplan (BUS melding) opgesteld te worden en voor goedkeuring voorgelegd te worden aan het bevoegd gezag Wet Bodembescherming (Provinsje Fryslân).

De saneringswerkzaamheden dienen door een BRL 7000 erkende aannemer uitgevoerd te worden, de milieukundige begeleiding dient plaats te vinden door een BRL 6000 erkende aannemer. Conclusie Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de planlocatie enkele verdachte locaties zijn aangetroffen. Aanvullend onderzoek is hierbij noodzakelijk. De locatie is echter ook voor een groot gedeelte verhard. Hierdoor kan geen

47/426

goed aanvullend onderzoek worden uitgevoerd. Na sloop van de bestaande opstallen zal nader onderzoek worden uitgevoerd. Bij een aangetroffen vervuiling dient de grond gesaneerd te worden. Toetsing hiervan vindt plaats in het kader van de vergunningverlening. In het kader van deze bestemmingsplan herziening is de bodem voldoende onderzocht. Nader onderzoek moet uitwijzen waar en hoeveel er gesaneerd dient te worden. De initiatiefnemer houdt in zijn planvorming rekening met de mogelijke sanering van de gronden.

4.10 Archeologie en cultuurhistorie Rijk en provincie stellen zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologisch erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Doelstelling van het Verdrag van Valletta is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. Archeologie De provincie heeft in dit kader de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) opgesteld. Hierop zijn archeologische adviezen voor de provincie Fryslân gegeven. Op deze kaart worden voor zowel de Steentijd Bronstijd als de IJzertijd - Middeleeuwen, adviezen gegeven over eventueel te verrichten onderzoeken. Voor beide kaarten geldt een onderzoeksplicht bij ingrepen groter dan 5.000 m2. Met dit bestemmingsplan wordt een dergelijke ingreep niet mogelijk gemaakt. Archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk.

De gemeente beschikt inmiddels over nieuwe kaarten voor de FAMKE die in samenwerking met de provincie op basis van (archeologisch) onderzoek (verdiepingsslag) zijn opgesteld. Uit deze nieuwe kaarten blijkt dat voor de periode ijzertijd-middeleeuwen en steentijd - bronstijd op de planlocatie geen onderzoek meer noodzakelijk is. Cultuurhistorie Het centrum van Gorredijk maakt deel uit van een oud bebouwingslint. Door plaatsing van het gebouw aan de Hoofdstraat wordt dit bebouwingslint niet aangetast. Een aantal (gevels van) panden blijven staan. De bebouwing wordt getoetst aan het geldende welstandskader. Conclusie Het uitvoeren van archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. De cultuurhistorische uitgangspunten worden geborgd in de opgenomen beeldkwaliteitseisen.

48/426

4.11 Kabels, leidingen en zonering Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht. In of nabij het plangebied lopen geen hoofdleidingen of -kabels. Daarnaast liggen er geen relevante zones over het plangebied. Conclusie Het aspect kabels, leidingen en zonering vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

49/426

Hoofdstuk 5

Juridische planbeschrijving

In voorgaande hoofdstukken zijn de uitgangspunten voor de ruimtelijke situatie in het plangebied aangegeven. Deze uitgangspunten zijn getoetst aan de milieu- en omgevingsaspecten en het beleid. In dit hoofdstuk wordt de juridische systematiek toegelicht.

5.1

De systematiek

Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de wetgeving. Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare manier zijn opgebouwd en op dezelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, digitaal en analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden en voldoen aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsbepalingen van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd en in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden. Het Bro bepaalt dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting. Deze toelichting heeft echter geen juridische status, maar is wel belangrijk als het gaat om de onderbouwing van hetgeen in het bestemmingsplan is geregeld en om de uitleg daarvan.

5.2

Toelichting op de bestemmingen

Binnen het bestemmingsplan worden de volgende bestemmingen en aanduidingen gehanteerd: 5.2.1 Centrum De gronden van de huidige supermarkt blijft de bestemming 'Centrum' behouden. Met dit bestemmingsplan is het echter niet meer toegestaan om ter plaatse een supermarkt te vestigen. De aanduiding 'supermarkt' is hierdoor niet meer opgenomen op het betreffende perceel. Voor het overige blijven de regels van het bestemmingsplan "Gorredijk Kom" van toepassing. Bij de nieuwe supermarkt blijven twee panden bestaan. Deze hebben eveneens de bestemming 'centrum' gekregen. 5.2.2 Detailhandel De nieuwe supermarkt heeft in het bestemmingsplan de bestemming 'detailhandel' gekregen. De omvang van de supermarkt (zowel bvo als wvo) is vastgelegd in de regels van het bestemmingsplan onder het strijdig gebruik. Hiermee wordt beoogd om de maximale omvang van de supermarkt te verankeren. De omvang en hoogte van het gebouw is afgestemd op het uiteindelijke ontwerp van het gebouw. Het gebouw is

50/426

voorzien van diverse kappen. De maximale bouwhoogte (bij platte afdekking) en de maximale goot- en bouwhoogte (bij afdekking met kap) is vastgelegd. 5.2.3 Verkeer - Verblijf Het parkeerterrein en de ontsluitingswegen krijgen de bestemming Verkeer - Verblijf.

51/426

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg Conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient ten aanzien van een bestemmingsplanprocedure vroegtijdig overleg plaats te vinden met de betrokken adviespartners en overheden. Het bestemmingsplan wordt derhalve voorgelegd aan de overlegpartners. Conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het voorontwerpbestemmingsplan “Gorredijk – verplaatsing supermarkt” voor vooroverleg toegezonden aan de gebruikelijke overlegpartners. Onderstaande overlegpartners hebben een reactie gegeven op het voorontwerpbestemmingsplan: 1. 2. 3. 4.

Provincie Fryslân, brief d.d. 2 november 2022; Liander, mail d.d. 6 oktober 2022; Wetterskip Fryslân, mail d.d. 10 oktober 2022; Brandweer Fryslân, brief d.d. 20 oktober 2022;

De reactie van de provincie Fryslân en brandweer Fryslân worden hieronder samengevat en voorzien van een reactie. Liander en Wetterskip Fryslân hebben aangegeven dat het voorontwerpbestemmingsplan geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen. Provincie Fryslân Cultuurhistorie Op de cultuurhistorische kaart Fryslân komen ter plaatse van de nieuwe supermarkt de locaties Hoofdstraat 104b (karakteristiek bouwwerk) en Hoofdstraat 102 (jonge bouwkunst) naar voren. Verder loopt er een (veenpolder)dijk langs de voorzijde van het perceel. De provincie stelt voor om in de toelichting de waarden te benoemen en te onderbouwen wat de gevolgen zijn van de voorgenomen ontwikkeling op de cultuurhistorische waarden. Reactie gemeente Een aantal panden blijft behouden of wordt herbouwd en geïntegreerd met de nieuwe supermarkt. Dit gaat ook om de Hoofdstraat 102 en 104. Een nadere onderbouwing is in het bestemmingsplan toegevoegd aan hoofdstuk 2.3 en 4.10. Het bouwwerk aan de Hoofdstraat 104b betreft een aanbouw aan het pand nummer 104. Deze aanbouw is in onderstaand figuur weergegeven. De aanbouw is in oktober 2023 gesloopt en zal waarschijnlijk worden herbouwd in het openluchtmuseum It Damshûs en blijft daarmee behouden.

52/426

Figuur 6.1 tekening Hoofdstraat 104b (bron: www.sa24.nl) Er loopt een (veenpolder)dijk langs de voorzijde van het perceel. Dit is (een deel van) de Badweg. Deze dijk wordt ingericht als ontsluitingsweg. In de huidige situatie beleef je de dijk niet als zodanig. De toekomstige inrichting brengt hier geen verandering in. Archeologie De provincie Fryslân adviseert archeologisch onderzoek uit te voeren ter plaatse van de beoogde supermarkt. De omvang van de bestemmingswijziging is namelijk groter dan op grond van de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) benodigd is. Voor de locatie Schoolstraat 1 is archeologisch onderzoek niet nodig. De provincie adviseert wel om voor deze locatie de dubbelbestemming archeologie op te nemen. Reactie gemeente De provincie adviseert archeologisch onderzoek uit te voeren voor de locatie van de beoogde supermarkt. Deze locatie is in de huidige situatie bijna volledig bebouwd. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is daarom praktisch niet uitvoerbaar. Daarnaast is de grond al volledig geroerd. Verder heeft de gemeente ook eigen archeologische kaarten. Uit deze kaarten blijkt dat voor de periode ijzertijd-middeleeuwen en steentijd - bronstijd geen onderzoek noodzakelijk is. De provincie adviseert verder een dubbelbestemming 'waarde – archeologie' op te nemen voor de locatie van de huidige supermarkt.

Vanuit de provinciale archeologische kaart wordt onderzoek aanbevolen voor ingrepen groter dan 5.000 m². Op grond van de gemeentelijke archeologische kaarten is het echter niet nodig de dubbelbestemming op te nemen.

53/426

Ecologie Er is een ontheffing van de Wet natuurbescherming benodigd. De provincie adviseert om in de toelichting te omschrijven of het plan uitvoerbaar of haalbaar is. Daarnaast merkt de provincie op dat de Aerius berekening niet is gemaakt in de meest recente versie van de Aerius calculator. De provincie adviseert dit alsnog te doen; Reactie gemeente Voor de uitvoering van de plannen is een ontheffing van de Wet natuurbescherming benodigd. Hieruit komen mogelijk maatregelen, zoals het plaatsen van nestkasten. De benodigde maatregelen worden geïntegreerd in de plannen, waardoor het project uitvoerbaar is. Dit is verwerkt in hoofdstuk 4.6 van de toelichting van het bestemmingsplan. Natuurinclusief De provincie merkt op dat in het bestemmingsplan geen aandacht is gegeven aan natuurinclusieve maatregelen. In de Omgevingsvisie wordt ingezet op natuurinclusief ontwerpen bij nieuwe ontwikkelingen. Dit is mogelijk door in het ontwerp rekening te houden met maatregelen die een positief ecologisch effect sorteren. Daarbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld gevelstenen met openingen die geschikt zijn voor verblijfplaatsen voor vogels en vleermuizen. In dit geval gaat het om minimaal twee vervangende nestlocaties voor de huismus. Reactie gemeente In de plannen wordt rekening gehouden met in ieder geval twee vervangende nestlocaties.

In het ontwerpproces wordt verder gekeken of er meer maatregelen mogelijk zijn voor natuurinclusief ontwerpen. Stedenbouw / landschappelijke inpassing De provincie merkt op dat de vogelvluchttekeningen, zoals opgenomen in het beeldkwaliteitsplan, niet overeenkomen met de ontwikkeling. Geadviseerd wordt het beeldkwaliteitsplan in overeenstemming te brengen met de ontwikkeling. Reactie gemeente Bij de ontwikkeling van de supermarkt is een ruimtelijk model en beeldkwaliteitskader opgesteld. Dit document is het vertrekpunt geweest voor de verdere ontwikkeling van het terrein. In overleg met diverse partijen, waaronder de welstandcommissie Hûs en Hiem, plaatselijk belang, de winkeliersvereniging en de gemeente, is besloten de positionering van het hoofdgebouw te wijzigen. Het gebouw wordt in afwijking van het ruimtelijk model gepositioneerd aan de Hoofdstraat. Hiermee blijft de huidige bebouwingswand van de Hoofdstraat intact. Dit is aangepast in hoofdstuk 2.3 en 2.4 van de toelichting. Brandweer Fryslân Brandweer Fryslân heeft geen bezwaar tegen het voorontwerp bestemmingsplan. Wel voorziet de brandweer enkele knel-/ aandachtspunten in het plangebied met betrekking tot de bereikbaarheid. De knel-/aandachtspunten zijn als bijlage bijgevoegd aan het advies. Brandweer Fryslân adviseert om: de brandweer te betrekken in de verdere uitwerking van het bouwplan c.q.

de aanvraag omgevingsvergunning activiteit bouw; te realiseren dat de wegen naar het object voldoen aan de eisen genoemd onder 3.3 en het object zo

54/426

voldoende bereikbaar is voor de brandweer. Reactie gemeente De knel-/aandachtspunten zoals brandweer Fryslân deze heeft geformuleerd zijn toegezonden aan de initiatiefnemer. De initiatiefnemer zal de brandweer betrekken bij de verdere planvorming. Inspraak / Informatieavond In het kader van de inspraakverordening heeft het bestemmingsplan vanaf 29 september 2022 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze temijn kon eenieder een inspraakreactie naar voren brengen. Er zijn in totaal twee inspraakreacties tegen het voorontwerpbestemmingsplan ingediend. De samenvatting van de zienswijzen en de gemeentelijke reactie is opgenomen in bijlage 12 van deze toelichting. Er zijn een tweetal bewonersavonden georganiseerd over de stedenbouwkundige uitgangspunten. Naar aanleiding van de opmerkingen van omwonenden is het plan op onderdelen aangepast. Ook is een oplossing gevonden voor de huidige waterproblematiek. Ontwerpbestemmingsplan Het ontwerpplan wordt vervolgens gedurende 6 weken ter inzage gelegd, waarbij eenieder in de gelegenheid wordt gebracht zienswijzen in te dienen. Vastgesteld bestemmingsplan Het plan wordt ten slotte door de gemeenteraad - al dan niet gewijzigd - vastgesteld. Tegen de vaststelling is beroep mogelijk bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

6.2

Economische uitvoerbaarheid

De economische uitvoerbaarheid van een plan wordt bepaald door de financiële haalbaarheid ervan en door de wettelijk vastgelegd grondexploitatieregeling (kostenverhaal). 6.2.1 Financiële haalbaarheid De onderhavige ontwikkeling betreft het realiseren/verplaatsen van een supermarkt. Dit betreft een particulier initiatief. De kosten worden dus gedragen door de particuliere initiatiefnemer. De aanpassingen aan het openbaar gebied komen ook voor rekening van de initiatiefnemer. Dit is vastgelegd in een anterieure overeenkomst. De gemeente heeft hierdoor geen financiële bemoeienis met het project. Het bestemmingsplan wordt daarom economisch uitvoerbaar geacht. 6.2.2 Grondexploitatie Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, woningbouw categorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd.

55/426

In dit geval wordt tussen de initiatiefnemer en de gemeente een anterieure overeenkomst opgesteld.

56/426

REGELS

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder: 1.1 plan: het Bestemmingsplan Gorredijk - Verplaatsing supermarkt met identificatienummer NL.IMRO.0086.05BPHoofdstraat88-0201 van de gemeente Opsterland; 1.2 bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en bijlagen; 1.3 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.6 bedrijfsgebouw: een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf; 1.7 bedrijfsvloeroppervlakte de totale vloeroppervlakte van de ruimte binnen een functie die wordt gebruikt voor een bedrijf, een aan-huis-verbonden beroep of aan-huis-verbonden bedrijfsactiviteiten, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke; 1.8 bestaand: a. ten aanzien van de bij of krachtens de Woningwet aanwezige bouwwerken en werkzaamheden: bestaand ten tijde van de eerste terinzagelegging van het plan; b. ten aanzien van het overige gebruik: bestaand ten tijde van het van kracht worden van het plan; 1.9 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak; 1.10 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

391/426

bouwen: 1.11 het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.12 bouwgrens: de grens van een bouwvlak; 1.13 bouwlaag: een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder; 1.14 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.15 bouwperceelgrens: de grens van een bouwperceel; 1.16 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.17 bouwwerk: een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden; 1.18 dak: iedere bovenbeëindiging van een gebouw; 1.19 detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.20 dienstverlenend bedrijf en/of dienstverlenende instelling: een bedrijf of instelling waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen van economische en maatschappelijke diensten

aan derden; 1.21 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.22 geluidszoneringsplichtige inrichting: een inrichting bij welke ingevolge de Wet geluidhinder rondom het terrein van vestiging in een bestemmingsplan een zone moet worden vastgesteld;

392/426

hoofdgebouw: 1.23 een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is; 1.24 horecabedrijf: een bedrijf of instelling waar bedrijfsmatig dranken en etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies worden verstrekt; 1.25 horecabedrijf categorie A: een aanloopgericht horecabedrijf, zijnde een horecabedrijf dat is gericht op het verstrekken van dranken en etenswaren aan met name bezoekers van centrumvoorzieningen, zoals ijssalons, croissanterieën en naar de aard daarmee gelijk te stellen horecabedrijven; 1.26 horecabedrijf categorie B: een restaurant en/of een café-restaurant, zijnde een horecabedrijf dat voornamelijk is gericht op het verstrekken van maaltijden; 1.27 horecabedrijf categorie C: een cafetaria en/of snackbar, zijnde een horecabedrijf waar de bedrijfsuitoefening hoofdzakelijk is gericht op het tegen vergoeding verstrekken van eenvoudige etenswaren en dranken, met een in het algemeen gespreide bezoekersfrequentie gedurende een groot deel van de dag en avond, waarbij de bedrijvigheid zich zowel in als om de lokaliteit voltrekt; 1.28 horecabedrijf categorie D: een café en/of bar, zijnde een horecabedrijf waar de

bedrijfsuitoefening hoofdzakelijk is gericht op het tegen vergoeding verstrekken van dranken, met een in het algemeen hoge bezoekersfrequentie gedurende de avond, waarbij de bedrijvigheid zich voornamelijk binnen de lokaliteit voltrekt; 1.29 horecabedrijf categorie E: een bar-/dancing, zijnde een horecabedrijf, waar tevens gelegenheid wordt geboden tot dansen, en een naar de aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen horecabedrijven, zoals discotheken en nachtclubs; 1.30 horecabedrijf categorie F: een hotel en/of pension, al dan niet in combinatie met een restaurant of een café-restaurant zijnde een horecabedrijf waar de bedrijfsuitoefening hoofdzakelijk is gericht op het tegen vergoeding verstrekken van logies; 1.31 kampeermiddel: een tent, een tentwagen, een kampeerauto, een caravan of een stacaravan, dan wel enig ander daarmee vergelijkbaar voertuig of onderkomen, dat geheel of ten dele is bestemd of opgericht dan wel wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;

393/426

kap: 1.32 een dak dat voor minder dan 50% in het horizontale vlak ligt; 1.33 maatschappelijke voorzieningen: educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke, sport- en recreatieve voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen; 1.34 mansardekap: een kap, zoals hieronder afgebeeld, waarbij het dakvlak uit twee vlakken die elkaar onder een stompe hoek ontmoeten;

nutsvoorzieningen: 1.35 een voorziening ten behoeve van de telecommunicatie en de gas-, water- en elektriciteitsdistributie alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen transformatorhuisjes, pompstations, gemalen, telefooncellen en zendmasten; 1.36 overkapping: elk bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder dan wel met ten hoogste één wand; 1.37 peil: het aansluitend afgewerkte terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; 1.38 prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen voor of met een ander tegen vergoeding; 1.39 prostitutiebedrijf: een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie wordt verricht.

Onder een prostitutiebedrijf wordt in ieder geval verstaan: een erotische massagesalon, een sekstheater, een bordeel of een parenclub, of een daarmee gelijk te stellen bedrijf, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.40 supermarkt: detailhandel in de vorm van een zelfbedieningswinkel waar in hoofdzaak levensmiddelen, voedingsmiddelen inclusief versartikelen zoals groente, brood, vlees en zuivel – en in beperkte mate huishoudelijke artikelen worden verkocht;

394/426

risicogevoelig bouwwerk c.q. object: 1.41 een bouwwerk c.q. object als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, dat kan worden aangemerkt in de zin van dat besluit als een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object; 1.42 risicovolle inrichting: een inrichting, bij welke ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen een grenswaarde, een richtwaarde voor het risico c.q. een risico-afstand moet worden aangehouden bij het in het bestemmingsplan toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten; 1.43 volumineuze detailhandel: detailhandel volgens een formule die vanwege de aard en/of omvang van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig heeft voor de uitstalling, zoals de verkoop van auto's, boten, caravans, tuininrichtingsartikelen, bouwmaterialen, keukens en sanitair, alsmede woninginrichtingsartikelen, waaronder meubelen; 1.44 vuurwerkbedrijf: een bedrijf dat is gericht op de vervaardiging of assemblage van vuurwerk of de (detail)handel in vuurwerk, niet bedoeld periodieke verkoop in consumentenvuurwerk, c.q. de opslag van vuurwerk en/of de daarvoor benodigde stoffen; 1.45 winkelvloeroppervlakte de voor het publiek zichtbare en toegankelijke (besloten) winkelruimte ten behoeve van de detailhandel 1.46 woning: een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;

395/426

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.2 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.3 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.5

de oppervlakte van een gebouw:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.6 de oppervlakte van een overkapping: tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping; 2.7 de afstand van een gebouw tot de (zijdelingse) bouwperceelgrens: de kortste afstand van enig punt van een gebouw tot de (zijdelingse) bouwperceelgrens. Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons, balkonhekken en overstekende daken en daarmee naar aard en omvang gelijk te stellen bouwonderdelen, buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen en -hoogten niet meer dan 1 meter bedraagt.

396/426

Hoofdstuk 2 Artikel 3

Bestemmingsregels

Centrum

3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Centrum' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. gebouwen en overkappingen ten behoeve van: 1. winkels, met uitzondering van supermarkten en volumineuze detailhandel; 2. bedrijven die zijn genoemd in bijlage 1 onder de categorieën 1 en 2; 3. dienstverlenende bedrijven en/of dienstverlenende instellingen; 4. horecabedrijven, categorie A; met daaraan ondergeschikt: b. (ontsluitings)wegen, straten en paden; c. parkeervoorzieningen; d. groenvoorzieningen; e. nutsvoorzieningen; f. geluidswerende voorzieningen; g. verhardingen; met de daarbijbehorende: h. tuinen, erven en terreinen; i. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 3.2 Bouwregels 3.2.1 Gebouwen en overkappingen Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels: a. een gebouw of overkapping zal binnen een bouwvlak worden gebouwd; b. de goothoogte van een hoofdgebouw zal ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' aangegeven goothoogte bedragen; c. de bouwhoogte van een hoofdgebouw zal ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' aangegeven bouwhoogte bedragen; d. de bouwhoogte van een overkapping zal ten hoogste 3,50 m bedragen; 3.2.2 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels: a.

de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zullen ten minste 1,00 m achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw dan wel het verlengde daarvan worden gebouwd; b. de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, de bijgebouwen en de overkappingen bij een hoofdgebouw zal ten hoogste 100 m² bedragen; c. de goothoogte van een aan- of uitbouw, een aangebouwd bijgebouw of een aangebouwde overkapping zal ten hoogste gelijk zijn aan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw plus 0,30 m; d. de goothoogte van een vrijstaand bijgebouw of een vrijstaande overkapping zal ten hoogste 3,50 m bedragen;

397/426

e. indien een aan- of uitbouw, een bijgebouw of een overkapping wordt voorzien van een kap, zal de dakhelling ten hoogste de dakhelling van het hoofdgebouw bedragen. 3.2.3 Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 1,00 m bedragen met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het (hoofd)gebouw dan wel het verlengde daarvan ten hoogste 2,00 m zal bedragen; b. de bouwhoogte van reclamemasten mag ten hoogste 6,00 m bedragen; c. de bouwhoogte van lichtmasten mag ten hoogste 7,00 m bedragen. d. de bouwhoogte van andere overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste 5,00 m bedragen. 3.3 Nadere eisen Burgemeester en Wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van: a. de woonsituatie; b. de milieusituatie; c. de verkeersveiligheid; d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken. 3.4

Afwijken van de bouwregels

Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van: a. het bepaalde in lid 3.2.1 sub a in die zin dat gebouwen of overkappingen gedeeltelijk buiten het bouwvlak worden gebouwd, mits: 1. het gaat om een ondergeschikte uitbreiding; 2. er sprake is van een bedrijfstechnisch aantoonbare noodzaak tot uitbreiding; 3. de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere grenswaarde; b. het bepaalde in lid 3.2.1 sub b in die zin dat de goothoogte van een hoofdgebouw wordt vergroot tot ten hoogste 7,00 m; c. het bepaalde in lid 3.2.1 sub c in die zin dat de bouwhoogte van een hoofdgebouw wordt vergroot tot ten hoogste 15,00 m; d. het bepaalde in lid 3.2.2 sub a in die zin dat een aan- of uitbouw, een bijgebouw of een overkapping minder dan 1,00 m achter dan wel vóór de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw dan wel het verlengde daarvan wordt gebouwd; e.

het bepaalde in lid 3.2.2 sub c in die zin dat de goothoogte van een aan- of uitbouw, een aangebouwd bijgebouw of een aangebouwde overkapping wordt vergroot, mits dit voor een hoofdgebouw vanuit architectonische overwegingen aanvaardbaar is en de verhoging bijdraagt tot een ruimtelijke versterking van een straat of straatwand.

398/426

Specifieke gebruiksregels 3.5 3.5.1 Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van gronden en bouwwerken voor bewoning; b. het gebruik van gronden en bouwwerken voor geluidszoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen en vuurwerkbedrijven; c. het gebruik van gronden en bouwwerken voor horecadoeleinden, anders dan horecabedrijven categorie A; d. het gebruik van de gronden en bouwwerken anders dan de bedrijven genoemd in bijlage 1 onder de categorieën 1 en 2. 3.6 Afwijken van de gebruiksregels Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van: a. het bepaalde in lid 3.5 sub c in die zin dat gronden en bouwwerken tevens worden gebruikt voor horecabedrijven categorie B, C en F, mits: 1. de verkeers- en parkeersituatie en de woonsituatie van aangrenzende percelen ter plekke niet onevenredig wordt aangetast; 2. er geen onevenredige hinder ontstaat voor de woon- en bedrijfssituatie van belendende percelen; 3. er geen onevenredige parkeerdruk op de openbare weg ontstaat. b.

het bepaalde in lid 3.5 sub d in die zin dat tevens bedrijven worden gevestigd die naar aard en de invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijven die zijn genoemd in bijlage 1 onder de categorieën 1 en 2, mits het gaat om bedrijven die niet zijn genoemd in bijlage 1, maar die qua milieubelasting gelijkwaardig zijn aan de bedrijven die wel worden genoemd of bedrijven die wel zijn genoemd in bijlage 1 onder een hogere categorie dan 2, maar in een individueel geval feitelijk een lagere milieubelasting kunnen hebben.

399/426

Artikel 4

Detailhandel

4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Detailhandel' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. gebouwen en overkappingen ten behoeve van een supermarkt; met daaraan ondergeschikt: b. (ontsluitings)wegen, straten en paden; c. parkeervoorzieningen; d. groenvoorzieningen; e. nutsvoorzieningen; f. verhardingen; met de daarbijbehorende: g. tuinen, erven en terreinen; h. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 4.2 Bouwregels 4.2.1 Gebouwen en overkappingen Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels: a. een gebouw of overkapping zal binnen een bouwvlak worden gebouwd; b. de bouwhoogte van een hoofdgebouw zal bij platte afdekking ten hoogste 6 meter bedragen; c. de goot- en bouwhoogte van een hoofdgebouw zal bij afdekking met een kap ten hoogste respectievelijk 6 en 9,10 meter bedragen; d. de bouwhoogte van een overkapping zal ten hoogste 3,50 m bedragen. 4.2.2 Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 1,00 m bedragen met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw dan wel het verlengde daarvan ten hoogste 2,00 m zal bedragen; b. de bouwhoogte van geluidswerende voorzieningen zal ten hoogste 3,00 m bedragen; c.

de bouwhoogte van andere overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste 5,00 m bedragen; d. in afwijking van het bepaalde onder b mag één schoorsteen met een bouwhoogte van ten hoogste 20,00 m worden gebouwd. 4.3 Nadere eisen Burgemeester en Wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van: a. de woonsituatie; b. de milieusituatie; c. de verkeersveiligheid; d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.

400/426

Specifieke gebruiksregels 4.4 Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van gronden en bouwwerken voor bewoning; b. het gebruik van gronden en bouwwerken voor de uitoefening van detailhandel anders dan in de vorm van een supermarkt; c. het gebruik van gronden en bouwwerken voor een supermarkt met een winkelvloeroppervlakte (WVO) groter dan 1.113 m2; d. het gebruik van gronden en bouwwerken voor geluidszoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen en vuurwerkbedrijven; e. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een supermarkt zonder dat het gebruik als supermarkt ter plaatse van de Schoolstraat 1, 8401 CS Gorredijk definitief is beëindigd.

401/426

Artikel 5

Verkeer - Verblijf

5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer - Verblijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. woonstraten; b. voet- en rijwielpaden; c. bermen en beplanting; d. parkeervoorzieningen; e. groenvoorzieningen; f. waterlopen en waterpartijen; g. speelvoorzieningen; met daaraan ondergeschikt: h. tuinen, erven en terreinen; i. nutsvoorzieningen; met de daarbijbehorende: j. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 5.2 Bouwregels 5.2.1 Gebouwen en overkappingen Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd. 5.2.2 Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 2,00 m bedragen; b. de bouwhoogte van geluidswerende voorzieningen zal ten hoogste 3,00 m bedragen; c. de bouwhoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, zal ten hoogste 5,00 m bedragen. 5.3 Nadere eisen Burgemeester en Wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van: a. de verkeersveiligheid; b. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Opsterland&id=a046c61f-b35a-4b31-8ca6-abe1fd4b4333