Bijlage 1 Ontwerpbestemmingsplan Beetsterzwaag Commissieweg 2 tm 5.pdf
Tekst van het document
Parkeernorm 0,5 per wooneenheid
Parkeerbehoefte 28 parkeerplaatsen
Bodemkwaliteit Voor dit bestemmingsplan is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, deze is als bijlage 6 bij het bestemmingsplan opgenomen. Naar aanleiding van de resultaten van het verkennend milieukundig bodemonderzoek worden conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan. Op basis van de vooraf gestelde hypothese is de onderzoekslocatie in eerste aanleg als milieuhygiënisch onverdacht aangemerkt. Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt echter dat de locatie niet geheel vrij is van bodemverontreiniging. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat er beïnvloeding van de bodemkwaliteit heeft plaatsgevonden. Opgemerkt wordt dat de conclusies betrekking hebben op de chemische gesteldheid van de bodem (excl. asbest). Een asbestonderzoek in grond of puin conform de NEN 5707+C2 resp. NEN 5897+C2 maakt geen onderdeel uit van de scope van onderhavig onderzoek. Op basis van dit onderzoek dat volgens NEN-5740-A1 is uitgevoerd kan geen uitspraak worden gedaan omtrent de aanwezigheid van asbesthoudend materiaal in de bodem of puin. In de grond zijn puinresten waargenomen. Gezien het bovenstaande wordt de locatie beschouwd als verdacht voor de aanwezigheid van asbesthoudend materiaal in de bodem.
Indien een formele uitspraak over het voorkomen van asbest in de bodem gewenst is dient een asbestonderzoek uit gevoerd te worden conform de NEN 5707+C2 of NEN 5897+C2. Het onderzoek resulteert in een aantal aanbevelingen: 1. Nader onderzoek op perceel sectie B n. 2875 in verband met het voorkomen van een matig verhoogd gehalte zink (zware metalen) en sterk verhoogde gehalten koper en lood (zware metalen). 2. Geadviseerd wordt om op perceel sectie B nr. 2875 een verkennend onderzoek asbest in grond volgens NEN-5707+C2 uit te voeren. 3. Het noordelijk deel van de parkeerplaats is verhard met een laagje gebroken puin, asfalt en grind. Deze halfverhardingslaag (niet zijnde grond) valt buiten de scope van dit onderzoek en is derhalve niet in dit onderzoek onderzocht. Geadviseerd wordt na te gaan of er nog kwaliteitsgegevens van dit halfverhardingsmateriaal aanwezig zijn. Wanneer dit niet het geval is en er, met het oog op hergebruik, inzicht gewenst wordt in de chemische samenstelling en evt. hergebruiksmogelijkheden van het halfverhardingsmateriaal wordt geadviseerd een partijkeuring op basis van het Besluit Bodemkwaliteit uit te voeren. 4. In dit verkennend bodemonderzoek is geen onderzoek uitgevoerd naar PFAS stoffen in de bodem. De in dit onderzoek opgenomen indicatieve toetsing aan het Besluit Bodemkwaliteit is excl.
onderzoek naar PFAS-stoffen, onderzoek naar deze verbindingen is bij definitieve beoordeling van evt. hergebruiksmogelijkheden van evt. af te voeren grond alsnog nodig. Indien het noodzakelijk is dat er grond afgevoerd moet worden van de locatie zal er een melding grondverzet gedaan moeten worden via het landelijk meldpunt: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl. Naar aanleiding van de resultaten van het verkennend milieukundig bodemonderzoek zal er een aanvullend onderzoek naar koper en lood worden uitgevoerd, evenals een verkennend bodemonderzoek asbest in grond ter plaatse van het vm. bebouwde deel (Commissieweg 2). De resultaten van deze vervolgonderzoeken zullen te zijner tijd in de toelichting van het bestemmingsplan worden verwerkt. Archeologie De provincie heeft in dit kader de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) opgesteld. Hierop zijn archeologische adviezen voor de provincie Fryslân gegeven. Op deze kaart worden voor zowel de Steentijd - Bronstijd als de IJzertijd - Middeleeuwen adviezen gegeven over eventueel te verrichten onderzoeken.
Ten behoeve van het bestemmingsplan heeft in april 2020 een Archeologisch Bureauonderzoek & Inventariserend Veldonderzoek plaatsgevonden (bijlage 5 bestemmingsplan). In verband met de geplande nieuwbouw van verpleeghuis Ikenhiem is een archeologisch onderzoek uitgevoerd aan de Commissieweg te Beetsterzwaag, gemeente Opsterland, provincie Fryslân. Voor de nieuwbouw is graafwerk nodig dat een bedreiging vormt voor eventueel aanwezige archeologische waarden. Het doel van het onderzoek is om vast te stellen wat de kans is op de aanwezigheid van archeologische waarden. Het onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek en een veldonderzoek, verkennende fase. Bij het bureauonderzoek zijn bronnen geraadpleegd op het gebied van fysische geografie, archeologie en historische geografie. Tijdens het veldonderzoek zijn zes boringen geplaatst om de opbouw en gaafheid van de bodem te bepalen. Aangezien eventuele archeologische resten uit de steentijd sterk zullen zijn aangetast en aangezien het onderzoek geen aanwijzingen heeft opgeleverd voor resten uit de middeleeuwen, wordt geadviseerd om geen nader archeologisch onderzoek te ondernemen en het gebied aan de Commissieweg op archeologische gronden geen beperkingen op te leggen.
Wel wordt er op gewezen dat voor al het graafwerk geldt dat als archeologische grondsporen worden aangetroffen en/of vondsten worden gedaan, dat daarvan direct melding dient te worden gemaakt bij de gemeente Opsterland. Dit conform de Erfgoedwet 2015, artikel 5.10. Landschap en cultuurhistorie De locatie aan de Commissieweg is momenteel ingericht als parkeerterrein. Er is geen sprake van de aanwezigheid van cultuurhistorische waarden op de locatie van de voorgenomen ontwikkeling. Negatieve effecten voor dit aspect kunnen op voorhand worden uitgesloten. Ecologie Gebiedsbescherming Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied ligt hemelsbreed respectievelijk op circa 600 m, 4.8 km, 8.1 km en 10,1 km afstand van het Natura2000 gebieden Van Oordt's Mersken, Wijnjeterper Schar, Alde Feanen en Deelen. Echter, vanwege de aard van de werkzaamheden (sloop bestaande zorginstelling en realisatie nieuwe zorginstelling) verwachten wij geen significante negatieve effecten van extra stikstofuitstoot op (stikstof)gevoelige soorten en habitattypen zoals zwakgebufferde vennen, droge heide, bruine kiekendief en purperreiger waarvoor deze gebieden respectievelijk zijn aangewezen. Het dichtstbijzijnde natuurnetwerk Nederland (NNN) bevindt zich op circa 500 meter.
Uit de berekening blijkt dat er geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan de drempelwaarde van 0,00 mol N/ha/jr (bijlage 10 van het bestemmingsplan). Significante negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen derhalve worden uitgesloten. De Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie Friesland staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg. Soortenbescherming Ten behoeve van het voornemen heeft een Quickscan Wet natuurbeschermings plaatsgevonden (bijlage 9 van het bestemmingsplan). De quickscan resulteert in de volgende conclusies en aanbevelingen: 5. Algemene broedvogels Binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden kunnen vogels tot broeden komen waarvan de nesten alleen tijdens de broedtijd beschermd zijn. geadviseerd wordt daarom om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Voor het broedseizoen wordt over het algemeen de periode van 15 maart-15 juli aangehouden. Afhankelijk van de soort en klimatologische omstandigheden kunnen
soorten echter eerder of later in het jaar tot broeden komen. Wat van belang is, is of er sprake is van een broedgeval. Zo ja, dan is deze altijd beschermd. Eventueel kan voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcheck worden uitgevoerd, zodat in delen van het plangebied waar geen verstoring op kan treden reeds tijdens het broedseizoen kan worden gewerkt. 6. Vleermuizen (verblijfplaatsen) De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in de bestaande zorginstelling en negen boomholten verspreidt over het plangebied. In het geval van de zorginstelling wordt nader onderzoek geadviseerd. In het geval van de boomholten wordt geadviseerd de kap van de bomen welke over boomholte(n) beschikken te voorkomen. Wanneer dit niet mogelijk is, wordt nader onderzoek geadviseerd. In het geval van de bestaande vleermuistoren wordt geadviseerd werkzaamheden hieraan te voorkomen. Werkzaamheden kunnen verstorende (negatieve) effecten uitoefenen op eventuele vleermuizen. Wanneer dit niet voorkomen kan worden, wordt geadviseerd om nader onderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in de vleermuistoren. 7. Zorgplicht Er kunnen enkele meer algemene soorten voorkomen in het plangebied waarvoor een vrijstelling geldt in geval van schade aan deze soorten (bv huisspitsmuis). Op deze soorten is wel de zorgplicht van toepassing.
Deze kan tot uiting worden gebracht door zo te werken dat dieren de kans krijgen om te vluchten naar habitat buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden of dieren (zoals vrijgestelde amfibieën) naar een dergelijke habitat te verplaatsen. Het planvoornemen kan zonder bezwaren doorgang vinden binnen de kaders van de vigerende natuurwetgeving, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: Broedvogels: Werken buiten het broedseizoen (grofweg 15 maart-15 juli). Is dit niet mogelijk? Dan voor aanvang werkzaamheden broedvogelcheck uit laten voeren. Vleermuizen: Nader onderzoek zorginstelling. Tevens de kap van bomen met boomholte(n) voorkomen. Is dit niet mogelijk dan dient nader onderzoek te worden uitgezet. Tevens werkzaamheden aan en rondom vleermuistoren voorkomen. Licht beschermde en vrijgestelde soorten: Naleven van de zorgplicht. Wanneer de adviezen worden opgevolgd, worden er geen belangrijke negatieve milieueffecten verwacht. Externe veiligheid Om te bepalen of in en in de nabijheid van het plangebied risicovolle objecten aanwezig zijn die het plan kunnen belemmeren, is de professionele risicokaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat in de directe nabijheid van het plangebied geen risicovolle functies/installaties aanwezig zijn. Ook vindt er in de directe omgeving geen transport plaats van gevaarlijke stoffen via het spoor, de weg, het water of door buisleidingen.
Met de beoogde ontwikkeling worden geen inrichtingen toegestaan die een nadelig effect kunnen hebben op de externe veiligheidssituatie ter plaatse. Luchtkwaliteit Het aspect luchtkwaliteit kan bepalend zijn voor de mogelijkheden van nieuwbouw in het plangebied. Door middel van dit bestemmingsplan worden nieuwe functies aan het plangebied toegevoegd. De bestaande locatie van Ikenhiem wordt op termijn echter afgebroken. De totale verkeerstroom zal daardoor praktisch gelijk blijven. Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit moet worden bepaald of een plan "niet in betekenende mate" (NIBM) bijdraagt aan
de luchtkwaliteit. Dit kan worden bepaald door middel van gegevens over het extra aantal voertuigbewegingen en het aandeel vrachtverkeer. NIBM-tool De NIBM-tool is een rekentool waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen aan de luchtkwaliteit kan worden vastgesteld. Met de NIBM-tool kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet-in-betekenende-mate bijdraagt (NIBM). Er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. Wegverkeerslawaai De ontwikkeling van zorgwoningen wordt gerealiseerd aan de Commissieweg. Voor deze weg geldt een 30-kilometer/uur regime. Dit houdt in dat er vanwege de Wet geluidhinder voor wegverkeerslawaai geen zoneplicht aanwezig is en daarvoor geen bijbehorend onderzoek uitgevoerd hoeft te worden. Daarnaast ligt het plangebied binnen de wettelijke zone (Wet geluidhinder, Wgh) van de Gerdyksterwei en deels de Beetsterweg (wegen met een maximumsnelheid van 50 km/uur of meer). Voor het milieuen omgevingsaspect geluid is daarom in het kader van de Wgh een akoestisch onderzoek nodig naar wegverkeergeluid. Het doel van het onderzoek 'Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai' (28-04 2020) is om na te gaan in hoeverre de nieuwe woningen kunnen worden gerealiseerd binnen de randvoorwaarden van de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder is van toepassing bij o.a.
het realiseren van nieuwe woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen binnen de zone van een weg. Ikenhiem is een zorginstelling en op basis van artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh) valt de locatie als “ander geluidsgevoelige gebouw” aan te duiden en is de Wgh van toepassing. Het plangebied ligt binnen de zone van de Gerdyksterwei en binnen de bebouwde kom van Beetsterzwaag; er is sprake is van een binnenstedelijke situatie. De maximale grenswaarde bedraagt Lden = 63 dB. Wegen met een maximumsnelheid van 30 km/u of lager zijn op basis van de Wgh niet gezoneerd. Akoestisch onderzoek zou achterwege kunnen blijven. Echter dient op basis van jurisprudentie in het kader van een goede ruimtelijke ordening inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Indien dit niet het geval is, dient te worden onderbouwd of maatregelen ter beheersing van de geluidbelasting aan de gevels noodzakelijk, mogelijk en/of doelmatig zijn. Ter onderbouwing van de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting wordt bij gebrek aan wettelijke normen aangesloten bij de benaderingswijze die de Wgh hanteert voor gezoneerde wegen. Vanuit dat oogpunt worden de voorkeursgrenswaarde en de maximale ontheffingswaarde als referentiekader gehanteerd. De voorkeursgrenswaarde geldt hierbij als richtwaarde en de maximale ontheffingswaarde als maximaal aanvaardbare waarde.
Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting vanwege de Gerdyksterwei op de nieuwe zorglocatie Ikenhiem niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van Lden = 48 dB (bijlage 8 van het bestemmingsplan). De realisatie is mogelijk binnen de randvoorwaarden van de Wet geluidhinder en er zijn geen hogere waarden nodig. De geluidbelasting vanwege de Commissieweg ligt eveneens onder de voorkeursgrenswaarde en is ondergeschikt. Omdat de voorkeursgrenswaarde van de Wet geluidhinder niet wordt overschreden, is een onderzoek naar geluidreducerende maatregelen niet aan de orde. Wanneer op basis van de cumulatieve geluidbelasting (exclusief aftrek) vanwege wegverkeer (Gerdyksterwei en Commissieweg) de gevelgeluidweringseis wordt bepaald, dient op basis van het Bouwbesluit 2012 de karakteristieke gevelgeluidwering 21 dB(A) te bedragen.
Water De totale verharding in de huidige situatie bedraagt: 5.327 m2. De totale verharding in de nieuwe situatie bedraagt 3.771 m2 De verharding neemt dus met 1.556 m2 af. De sloot ten noorden van het bestaande gebouw zal wellicht worden verlegd ten behoeve van parkeren. Of er wordt zo mogelijk een duiker/buis aangelegd. Dit wordt nog nader bekeken. Zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase zullen duurzame, niet-uitloogbare materialen gebruikt worden ter voorkoming van diffuse verontreinigingen. De beoogde ontwikkeling heeft derhalve geen negatieve effecten voor de waterhuishoudkundige situatie. Bereik, waarschijnlijkheid, duur, frequentie en omkeerbaarheid van het effect Uit het voorgaande blijkt dat er geen sprake is van belangrijke negatieve milieueffecten. Mogelijk merkbare effecten zijn het gevolg van effecten op soortenbescherming. Het project is in principe niet omkeerbaar, maar het effect op de soortenbescherming kan wel worden voorkomen wanneer genoemde adviezen worden opgevolgd.
11
4. Conclusie
Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten geen belangrijke negatieve milieugevolgen zullen optreden. Er is dan ook geen aanleiding voor het doorlopen van een m.e.r.-procedure.
98/378
Bijlage 5
99/378
Archeologisch onderzoek